← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.025 Arrest- Rolnummer: 25/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-03 Raadplegingen: 350 - laatst gezien 2026-06-17 16:46 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 2 van de wet van 7 januari 2014, gesteld door de Franstalige kamer van de tuchtcommissie van gerechtsdeurwaarders van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel. Gerechtelijk recht - Gerechtsdeurwaarders - Tucht - Tuchtstraffen - Geen mogelijkheid van uitstel of van opschorting van de uitspraak Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 25/2025 van 20 februari 2025 Rolnummer : 8149 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 2 van de wet van 7 januari 2014 « tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarders », gesteld door de Franstalige kamer van de tuchtcommissie van gerechtsdeurwaarders van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beslissing van 29 september 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 januari 2024, heeft de Franstalige kamer van de tuchtcommissie van gerechtsdeurwaarders van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 7 januari 2014 tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarders, de artikelen 10 en/of 11 van de Grondwet in zoverre het niet voorziet in de mogelijkheid, voor de tuchtrechter, om een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling of tot uitstel van de tenuitvoerlegging van een straf uit te spreken ten aanzien van een gerechtsdeurwaarder die nooit definitief tuchtrechtelijk is veroordeeld, terwijl die veroordeling zal worden opgenomen in zijn tuchtrechtelijk strafregister en terwijl die mogelijkheid wel wordt geboden aan de tuchtrechters van de magistraten en van de advocaten ? ». 2 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - M.L., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Grégory Sorreaux en mr. Melis Metin, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. Gabrielle Mathues, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 11 december 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 29 september 2023 heeft de Franstalige kamer van de tuchtcommissie voor gerechtsdeurwaarders van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel een uitspraak gedaan waarbij zij heeft geoordeeld dat de deurwaarder, M.L., is tekortgeschoten in zijn verplichtingen in de zin van artikel 71, § 1, van de deontologische code, hetgeen een schending vormt van artikel 519, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek. Zij is van oordeel dat een dergelijke tekortkoming een tuchtstraf behoeft. Op verzoek van de in het geding gestelde partij, stelt het verwijzende rechtscollege de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.

  1. De in het geding gestelde partij voor het verwijzende rechtscollege doet gelden dat de onmogelijkheid voor de tuchtrechter, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, om een maatregel tot opschorting van de uitspraak of tot uitstel uit te spreken een lacune in de wetgeving is die een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling creëert tussen, enerzijds, de gerechtsdeurwaarders en, anderzijds, de advocaten en magistraten. De gerechtsdeurwaarder krijgt dus noodzakelijkerwijs een tuchtstraf opgelegd, hetgeen doorgaans belet dat aan hem overheidsopdrachten inzake juridische dienstverlening worden toegekend. A.1.
  2. Zij voert aan dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen vergelijkbaar zijn wanneer zij tuchtrechtelijk worden vervolgd, aangezien zij onderworpen zijn aan de naleving van strikte deontologische beginselen die verplicht zijn wegens hun statuten, aangezien die beginselen de scheiding der machten binnen elke beroepsgroep waarborgen, aangezien zij zich blootstellen aan tuchtrechtelijke vervolging in geval van schending van die beginselen en aangezien in soortgelijke tuchtstraffen is voorzien. De omstandigheid dat die beroepscategorieën niet dezelfde prérogatieven zouden genieten, heeft geen invloed. De in het geding gestelde partij voor het verwijzende rechtscollege stelt voor naar analogie met het arrest nr. 100/2007 van 3 12 juli 2007 (ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.100) te redeneren, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat de architecten en de andere beroepsgroepen in de bouwsector vergelijkbaar waren inzake beroepsaansprakelijkheid. Volgens de in het geding gestelde partij voor het verwijzende rechtscollege, delen de drie vergeleken tuchtregelingen gelijkaardige doelstellingen die erin bestaan het statuut van de betrokken beroepskorpsen te moderniseren en ervoor te zorgen dat het publiek vertrouwen heeft in hun onafhankelijkheid en rechtschapenheid. A.1.
  3. De in het geding gestelde partij voor het verwijzende rechtscollege doet gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet op een objectief criterium berust en dat het door de vergeleken tuchtregelingen nagestreefde doel niet toelaat dat verschil te verantwoorden. Bovendien, gelet op de gevolgen die de straf heeft voor de mogelijkheid om in het kader van overheidsopdrachten offertes neer te leggen, zijn de gevolgen van de maatregel onevenredig. De in het geding gestelde partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de ongrondwettigheid des te duidelijker is daar de wetgever, bij de wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen » (hierna : de wet van 22 november 2022), recent de tuchtregeling van de gerechtsdeurwaarders heeft gewijzigd om de tuchtrechter toe te laten de uitspraak van de veroordeling op te schorten of de uitvoering van de tuchtstraf uit te stellen. Hij heeft zich geïnspireerd op de bestaande procedure in de tuchtregeling voor de advocaten. Zij leidt daaruit af dat de wetgever de bestaande discriminatie in het statuut van de gerechtsdeurwaarders heeft willen verhelpen. A.2.
  4. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de aangevoerde ongrondwettigheid, indien zij wordt vastgesteld, niet zou voortvloeien uit het feit dat het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling te beperkt is, maar wel uit een extrinsieke lacune. Volgens hem vindt het verschil in behandeling zijn oorsprong in de ontstentenis van een wetsbepaling die de tuchtrechter voor gerechtsdeurwaarders zou toelaten het uitstel of de opschorting van de uitspraak uit te spreken zoals de tuchtrechter voor advocaten en magistraten. Hij herinnert evenwel eraan dat het Hof heeft erkend dat bepaalde extrinsieke lacunes zelfherstellend konden zijn, zodat zij door het verwijzende rechtscollege voorlopig kunnen worden opgevuld, tot de wetgever optreedt. De Ministerraad herinnert eraan dat de wetgever reeds heeft opgetreden om de tuchtregeling van de gerechtsdeurwaarders te wijzigen teneinde de tuchtrechter toe te laten de uitspraak van de veroordeling op de schorten of de uitvoering van de tuchtstraf uit te stellen. Te dezen zou de tuchtcommissie dus kunnen worden toegestaan de beoogde maatregelen uit te spreken in afwachting van een optreden van de wetgever. A.2.
  5. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat behalve hun gemene hoedanigheid van medewerker van het gerecht, de gerechtsdeurwaarders niet vergelijkbaar zijn met advocaten en magistraten. Wat allereerst de vergelijking met de advocaten betreft, kan worden vastgesteld dat die laatsten rechtstreeks deelnemen in de opdracht van openbare dienstverlening van justitie. Anders dan de gerechtsdeurwaarder, is de advocaat ermee belast zijn cliënten te vertegenwoordigen en hun belangen te verdedigen. Hij kan ook andere activiteiten uitoefenen zoals die van curator, vereffenaar of bemiddelaar. Hij is daarentegen geen openbare of ministeriële ambtenaar. Hoewel het juist is dat zowel advocaten als gerechtsdeurwaarders beoefenaar zijn van een vrij beroep, krijgen die laatsten een monopolie van de Staat, terwijl de eersten zich in een meer concurrentiële omgeving bewegen. Wat betreft de vergelijking met de magistraten, zijn die laatsten, behalve de hoedanigheid van ministerieel ambtenaar die zij met de deurwaarders gemeen hebben, geen openbaar ambtenaar. Zij oefenen geen vrij beroep uit en hebben geen onafhankelijk sociaal statuut van zelfstandige. De Ministerraad stelt ook dat de beoogde situaties niet kunnen worden vergeleken vanuit het oogpunt van het tuchtstatuut van die beroepen. De tuchtvordering die wordt ingesteld tegen een gerechtsdeurwaarder is niet onderworpen aan een verjaringstermijn, zoals dat wel het geval is voor de vorderingen die worden ingesteld tegen advocaten en magistraten. Dat verschil in behandeling werd niet discriminerend geacht door het Hof. De Ministerraad herinnert eraan dat het Hof heeft geoordeeld dat « het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende tuchtstatuten en van de daarin opgenomen procedureregels in verschillende omstandigheden [...] op zich geen discriminatie [inhoudt]. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedures een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou brengen » en dat « de hoedanigheid van medewerkers van het gerecht, die de vergeleken categorieën van personen met elkaar delen, [...] geenszins [inhoudt] dat alle betrokkenen in tuchtzaken aan dezelfde regels zijn 4 onderworpen » (arrest nr. 8/2010 van 4 februari 2010, B.3 en B.5, ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.008). Bovendien voorziet de tuchtregeling van de advocaten en de magistraten onder bepaalde voorwaarden in de uitwissing van tuchtstraffen, terwijl in de tuchtregeling van de gerechtsdeurwaarders niet in die maatregel is voorzien. Ten slotte worden de tuchtvervolgingen voor elk beroep om andere redenen ingesteld en zijn de opgelegde straffen ook verschillend voor de meeste daarvan. De Ministerraad stelt dat de aanneming van de wet van 22 november 2022 tot doel had de tuchtregeling van de deurwaarders dichter bij die van de notarissen te brengen en niet bij die van de advocaten en magistraten. De deurwaarders en notarissen zijn twee categorieën van ministeriële en openbare ambtenaren die een vrij beroep uitoefenen. A.2.
  6. De Ministerraad is van mening dat, ook al zou worden geoordeeld dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen vergelijkbaar zijn, zou moeten worden besloten dat de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen heeft. Hij herinnert eraan dat het Hof heeft geoordeeld dat wat betreft hun tuchtregeling het verschil in behandeling tussen de magistraten van de zetel en de magistraten van het parket redelijk verantwoord was (arrest nr. 76/92 van 18 november 1992, ECLI:BE:GHCC:1992:ARR.076, B.3). De wetgever wilde dat de gerechtsdeurwaarders wat betreft hun uitvoeringsopdrachten een hoogstaand korps van gerechtelijke ambtenaren vormen. De onmogelijkheid om de aan een gerechtsdeurwaarder opgelegde tuchtstraf met uitstel uit te spreken of om de uitspraak ervan op te schorten, is redelijk verantwoord door de bedoeling de deurwaarders aan een zeer strikte deontologie te onderwerpen, aangezien zij ministeriële openbare ambtenaren zijn die bekleed zijn met overheidsgezag en die het vertrouwen van het publiek moeten genieten. Bovendien genieten de gerechtsdeurwaarders, in het kader van de tuchtprocedure, procedurele waarborgen zoals de rechten van de verdediging, de redelijke termijn, het onpartijdigheidsbeginsel en het recht van beroep. A.2.
  7. In meer ondergeschikte orde merkt de Ministerraad op dat, hoewel de te dezen geldende tuchtregeling van de gerechtsdeurwaarders niet voorziet in de mogelijkheid een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de straf, noch een maatregel tot uitstel van de uitvoering ervan te genieten, zij dat evenmin niet uitsluit. Indien het Hof zou oordelen dat de onmogelijkheid om de aan een gerechtsdeurwaarder opgelegde tuchtstraf met uitstel uit te spreken of de uitspraak ervan op te schorten ongrondwettig is, zou de Ministerraad het Hof verzoeken een arrest met een dubbel beschikkend gedeelte te wijzen, waarin met name wordt vermeld dat artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het niet de mogelijkheid uitsluit voor de tuchtrechter om een maatregel tot opschorting van de uitspraak of tot uitstel van de uitvoering van een straf uit te spreken ten aanzien van een gerechtsdeurwaarder die nooit definitief tuchtrechtelijk is veroordeeld, en zoals dat artikel werd ingevoerd bij de wet van 7 januari 2014 « tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarders », de artikelen 10 et 11 van de Grondwet niet schendt. A.3.
  8. De in het geding gestelde partij voor het verwijzende rechtscollege antwoordt, in hoofdorde, dat de lacune in de wetgeving voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling, aangezien die op exhaustieve wijze de straffen bepaalt die door de tuchtrechter kunnen worden uitgesproken zonder die rechter toe te laten die straffen met uitstel uit te spreken of de uitspraak op te schorten. Zij voert aan dat die lacune door het verwijzende rechtscollege kan worden verholpen indien het Hof dat beslist. In ondergeschikte orde doet zij gelden dat, zelfs al was de lacune extrinsiek, zij door het verwijzende rechtscollege zou kunnen worden verholpen. Wat betreft de schending van het gelijkheidsbeginsel, doet de in het geding gestelde partij voor het verwijzende rechtscollege gelden dat het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 8/2010, niet heeft geoordeeld dat de drie in de prejudiciële vraag beoogde beroepscategorieën niet vergelijkbaar waren, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert. Het Hof heeft geoordeeld dat het niet redelijk verantwoord zou zijn dat tuchtrechtelijke vervolgingen niet in de tijd beperkt zouden zijn wanneer zij tegen gerechtsdeurwaarders zijn gericht en dat zij wel in de tijd beperkt zouden zijn wanneer zij tegen advocaten, magistraten of griffiers zijn gericht. Het heeft evenwel geoordeeld dat zulks niet het geval was, aangezien het beginsel van de redelijke termijn van toepassing is op de tuchtprocedure gericht tegen deurwaarders. Volgens de in het geding gestelde partij voor het verwijzende rechtscollege, staat in het thans door het Hof onderzochte geval geen enkel algemeen rechtsbeginsel in de weg aan de schending, zodat de rechten van de gerechtsdeurwaarders op onevenredige wijze worden beperkt in vergelijking met die van de advocaten en de magistraten. De in het geding gestelde partij voor het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de voor de drie vergeleken beroepscategorieën voorziene tuchtstraffen bijna identiek zijn. De in het geding gestelde partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de door de Ministerraad aangevoerde ontstentenis van uitwissing van 5 de aan de gerechtsdeurwaarders opgelegde tuchtstraffen, het gebrek aan een mogelijkheid om uitstel of de opschorting van de uitspraak te bevelen des te meer discriminerend maakt. Zij stelt ook dat de wetgever, met de aanneming van de wet van 22 november 2022, de tuchtregeling van de gerechtsdeurwaarders heeft willen laten voldoen aan de beginselen van behoorlijk bestuur en aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Dat bevestigt onrechtstreeks dat de geldende procedure in het kader van het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil ongrondwettig is. A.3.
  9. In meer ondergeschikte orde is de in het geding gestelde partij voor het verwijzende rechtscollege van mening dat het mogelijk zou zijn de in het geding zijnde bepaling in die zin te interpreteren dat zij de mogelijkheid inhoudt voor de tuchtrechter om een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling of tot uitstel van de uitvoering van een straf uit te spreken ten aanzien van een gerechtsdeurwaarder die nooit definitief tuchtrechtelijk is veroordeeld. In die interpretatie schendt de bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. A.
  10. De Ministerraad repliceert dat een gemeenschappelijk kenmerk niet volstaat opdat twee categorieën van personen vergelijkbaar zouden zijn. Volgens hem kan het voormelde arrest nr. 100/2007 te dezen niet worden toegepast, aangezien het betrekking heeft op de beroepsaansprakelijkheid van architecten en andere actoren in de bouwsector. Bovendien impliceert de omstandigheid dat de wetten die de tuchtregelingen van de gerechtsdeurwaarders, advocaten en magistraten invoeren een gemeenschappelijk doel van modernisering en onafhankelijkheid nastreven niet dat die wetten alle drie alternatieven voor de tuchtstraffen zouden moeten vastleggen. Volgens de Ministerraad bevestigt de invoering bij de wet van 22 november 2022 van een bepaling die erin voorziet dat de tuchtrechter de uitspraak van de veroordeling kan opschorten of de uitvoering van de tuchtstraf kan uitstellen het feit dat het aangevoerde verschil in behandeling niet het gevolg was van de in het geding zijnde bepaling, maar van een extrinsieke lacune. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
  11. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de gerechtsdeurwaarders en, anderzijds, de advocaten en magistraten, in zoverre de aan de gerechtsdeurwaarders opgelegde tuchtstraffen niet met uitstel kunnen worden uitgesproken of de uitspraak ervan niet kan worden opgeschort zelfs wanneer zij nooit definitief tuchtrechtelijk zijn veroordeeld in tegenstelling tot de aan de advocaten en magistraten opgelegde sancties. B.
  12. Artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 7 januari 2014 « tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarders » (hierna : de wet van 7 januari 2014), waarover de prejudiciële vraag gaat, bepaalt : « §
  13. Elke gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder die door zijn gedrag afbreuk doet aan de waardigheid van het gerechtsdeurwaarderskorps of die zijn plichten verzuimt, kan de in §§ 2 en 3 voorziene tuchtstraffen oplopen. 6 §
  14. De lagere tuchtstraffen zijn : 1° ten aanzien van gerechtsdeurwaarders, en kandidaat-gerechtsdeurwaarders : a) terechtwijzing; b) blaam; c) een tuchtrechtelijke geldboete van 250 tot 5.000 euro die in de Schatkist wordt gestort; d) uitsluiting uit de algemene vergadering en de Raad van de arrondissementskamer, de algemene vergaderingen en het directiecomité van de Nationale Kamer, de tuchtcommissie en de benoemingscommissie, gedurende ten hoogste vijf jaar, de eerste maal en tien jaar in geval van herhaling. De tuchtrechtelijke beslissing tot veroordeling tot een geldboete wordt op verzoek van de tuchtcommissie, die wordt vertegenwoordigd door haar voorzitter, op eenzijdig verzoekschrift, uitvoerbaar verklaard door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de betrokkene zijn beroepswerkzaamheid uitoefent of het laatst heeft uitgeoefend. De tuchtrechtelijke geldboete kan samen met een andere tuchtstraf worden opgelegd. 2° ten aanzien van kandidaat-gerechtsdeurwaarders, het verbod tot het verrichten van plaatsvervangingen gedurende ten hoogste zes maanden, de eerste maal en twaalf maand in geval van herhaling. §
  15. De hogere tuchtstraffen zijn : 1° ten aanzien van gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders : a) een tuchtrechtelijke geldboete van meer dan 5.000 euro tot 25.000 euro die in de Schatkist wordt gestort; b) schorsing; c) afzetting. 2° ten aanzien van kandidaat-gerechtsdeurwaarders, het verbod tot het verrichten van plaatsvervangingen gedurende meer dan twaalf maanden tot levenslang. De tuchtrechtelijke geldboete kan samen met een andere tuchtstraf worden opgelegd ». Artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek werd vervangen bij artikel 81 van de wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen » (hierna : de wet van 22 november 2022), die in werking is 7 getreden op 1 januari
  16. Bovendien voorziet artikel 555/3 van het Gerechtelijk Wetboek voortaan in de mogelijkheid, onder bepaalde voorwaarden, om de uitspraak van de tuchtveroordeling van de gerechtsdeurwaarders op te schorten of om de uitvoering ervan uit te stellen. Die wijzigingen hebben evenwel geen invloed op de thans onderzochte zaak, krachtens artikel 118 van de wet van 22 november
  17. B.
  18. In het kader van de regeling die geldt in de voor het verwijzende rechtscollege hangende zaak, konden de tuchtstraffen worden uitgesproken door een tuchtcommissie in het rechtsgebied van elk hof van beroep (artikelen 534, § 1, eerste lid, en 542) of, wanneer het de zwaarste straffen betrof, gekwalificeerd worden als « hogere tuchtstraffen », door de rechtbank van eerste aanleg na aanhangigmaking door de tuchtcommissie of de procureur des Konings (artikel 545). De tuchtcommissies waren samengesteld uit een magistraat, die de commissie voorzat, twee deurwaarders en een extern lid met een relevante beroepservaring ter zake (artikel 534, § 1, derde lid). Tegen de beslissingen van de tuchtcommissies kon beroep worden ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg (artikel 544). Tegen de beslissingen van de rechtbank van eerste aanleg met betrekking tot een tuchtprocedure kon hoger beroep worden ingesteld voor het hof van beroep (artikel 546, § 2). B.
  19. Zoals het verwijzende rechtscollege opmerkt, kunnen het tuchtgerecht bevoegd voor de magistraten en de tuchtraad bevoegd voor de advocaten de uitspraak van tuchtstraffen opschorten of de uitvoering ervan uitstellen (respectievelijk de artikelen 405, § 10, en 460, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Ten gronde B.
  20. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 8 B.
  21. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, doet het feit dat in die bepaling ten aanzien van de gerechtsdeurwaarders de mogelijkheid ontbreekt om een tuchtstraf met uitstel of met opschorting van de uitspraak uit te spreken, terwijl de advocaten en magistraten dat voordeel wel kunnen genieten, het verschil in behandeling ontstaan waarover het verwijzende rechtscollege het Hof ondervraagt. Het betreft geen loutere procedureregel. B.
  22. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  23. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. De verschillen in het administratieve en sociale statuut, de aard van de deelneming in de openbare dienst van de rechtsbedeling en de opdrachten van de gerechtsdeurwaarders, de advocaten en de magistraten kunnen weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar zij kunnen niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. De gerechtsdeurwaarders, de advocaten en de magistraten vormen te dezen voldoende vergelijkbare categorieën van personen, aangezien zij allen actoren van justitie zijn en de wetgever voor die drie categorieën in een tuchtregeling heeft voorzien. B.
  24. De parlementaire voorbereiding van de wet van 7 januari 2014 vermeldt : « Gerechtsdeurwaarders kunnen hun monopolie en bevoorrechte status van openbaar ministerieel ambtenaar, bekleed met overheidsgezag, pas legitimeren vanuit een zeer strikte beroepsethiek en deontologie. Naast het feit dat bepaalde misdragingen strafrechtelijk beteugeld moeten worden, is een goed functionerend tuchtrecht van wezenlijk belang. Enkel daardoor kan men het vertrouwen van de overheid en rechtsonderhorigen onvoorwaardelijk blijven genieten en kan men een korps van ambtenaren uitbouwen, klaar om hun ambt in onze hoogtechnologische en alsmaar meer gejuridiseerde samenleving waar te nemen en tal van nieuwe opdrachten te vervullen » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2937/001, p. 7). 9 De wetgever wilde dat de gerechtsdeurwaarders een hoogstaand korps van gerechtelijke ambtenaren vormen met betrekking tot hun uitvoeringsopdrachten (ibid., p. 22) Met betrekking tot de in het geding zijnde bepaling, vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Sancties moeten proportioneel zijn in verhouding tot de begane misstap. Tevens moeten ze effectief zijn indien het tuchtrecht enig daadwerkelijk effect wil opleveren. Vandaar dat in forse geldsancties voorzien wordt [...] die samen met andere tuchtstraffen kunnen opgelegd worden » (ibid., p. 24). Uit die passages van de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever een strenge tuchtregeling wilde invoeren om de goede uitvoering van de opdrachten van de gerechtsdeurwaarders en het onvoorwaardelijke vertrouwen van de overheid en van de rechtsonderhorigen in dat beroepskorps te waarborgen. De ontstentenis van de mogelijkheid om de tuchtstraffen waarin bij de in het geding zijnde bepaling is voorzien met uitstel of met opschorting van de uitspraak uit te spreken, past in die doelstelling. B.
  25. De in het geding zijnde bepaling voorziet in diverse lagere en hogere tuchtstraffen die elke gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder kan oplopen indien hij door zijn gedrag afbreuk doet aan de waardigheid van het gerechtsdeurwaarderskorps of zijn plichten verzuimt. De zwaarte van de mogelijke tuchtstraffen varieert tussen een loutere terechtwijzing en de afzetting gecombineerd met een tuchtrechtelijke geldboete van maximaal 25 000 euro. Die ruime waaier aan sanctiemogelijkheden maakt het mogelijk om de tuchtstraf te individualiseren naargelang de omstandigheden van de zaak. Anders dan de tuchtgerechten die bevoegd zijn voor magistraten en advocaten, kan het tuchtgerecht dat bevoegd is voor gerechtsdeurwaarders evenwel de uitspraak van tuchtstraffen niet opschorten en de uitvoering ervan niet uitstellen. B.
  26. De wetgever kan rechtmatig beslissen om een strikte tuchtregeling voor een beroepscategorie in te voeren, zoals te dezen het geval is. Indien de wetgever niet even streng of mild wil zijn ten aanzien van vergelijkbare categorieën van actoren van justitie, moet dat verschil in behandeling redelijk verantwoord zijn. 10 De tuchtregelingen van de advocaten en de magistraten hebben de bedoeling, zoals die van de gerechtsdeurwaarders, de goede uitvoering van de opdrachten van die beroepsbeoefenaars en het vertrouwen van de overheid en van de rechtsonderhorigen in dat beroepskorps te waarborgen. Daaruit volgt dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. B.
  27. Het staat aan de verwijzende tuchtcommissie om een einde te maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid door de artikelen 405, § 10, en 460, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek naar analogie toe te passen. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 7 januari 2014 « tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarders », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 februari
  28. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.025 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:1992:ARR.076 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.100 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.