id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.027 Arrest- Rolnummer: 27/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-03 Raadplegingen: 536 - laatst gezien 2026-06-19 00:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikelen 15, 20 en 46 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, in die zin geïnterpreteerd dat aan de bloedverwanten in de opgaande lijn van het slachtoffer dat is overleden ten gevolge van een arbeidsongeval die geen rechtstreeks voordeel uit het loon van het slachtoffer haalden, de burgerrechtelijke immuniteit van de werkgever kan worden tegengeworpen) - Geen schending (dezelfde bepalingen,in die zin geïnterpreteerd dat aan de bloedverwanten in de opgaande lijn van het slachtoffer dat is overleden ten gevolge van een arbeidsongeval die geen rechtstreeks voordeel uit het loon van het slachtoffer haalden, de burgerrechtelijke immuniteit van de werkgever niet kan worden tegengeworpen) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 12 tot 17, 20 en 46 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Arbeidsongevallen - Bloedverwanten in de opgaande lijn van het slachtoffer dat is overleden - Forfaitaire vergoeding - Burgerrechtelijke immuniteit van de werkgever Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 27/2025 van 20 februari 2025 Rolnummer : 8204 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 12 tot 17, 20 en 46 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter Pierre Nihoul, rechter Joséphine Moerman, waarnemend voorzitster, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 11 april 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 april 2024, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Zijn de artikelen 12 tot 17, 20 en 46 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, in die zin geïnterpreteerd dat aan de potentiële rechthebbenden van het slachtoffer van een dodelijk arbeidsongeval die, wegens de in de artikelen 12 tot 17 van de voormelde wet bedoelde voorrangsregels of wegens de bijkomende voorwaarde die onder meer van toepassing is op de bloedverwanten in de opgaande lijn (die bepaalt dat de laatstgenoemden, overeenkomstig artikel 20 van dezelfde bepaling [lees : wet], alleen een rente ontvangen wanneer zij rechtstreeks voordeel uit het loon van het slachtoffer halen), daadwerkelijk geen enkele door de arbeidsongevallenverzekeraar gestorte vergoeding genieten, de burgerrechtelijke immuniteit waarin het voormelde artikel 46 voorziet ten voordele van de werkgever, kan worden tegengeworpen, waardoor zij zijn uitgesloten van het recht een gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen die werkgever, bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». 2 Memories zijn ingediend door : - Charles Van Roy en Isabelle Onnau, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Frédéric Leroy, advocaat bij de balie te Verviers; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Liesbet Vandenplas en mr. Ambre Vranckx, advocates bij de balie te Brussel. Charles Van Roy en Isabelle Onnau hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 11 december 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 24 juni 2016 valt een betonplaat op een arbeider van een werk in aanbouw. Hij wordt vervoerd naar het ziekenhuis, waar hij overlijdt aan zijn verwondingen. Het openbaar ministerie vervolgt de bv die het slachtoffer tewerkstelde, alsook de zaakvoerder van die bv voor de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik. De ouders van het slachtoffer stellen zich bovendien burgerlijke partij met het oog op de vergoeding van de morele schade die voortvloeit uit het overlijden. Bij een vonnis van 24 januari 2022 veroordeelt de Rechtbank de voormelde bv en de voornoemde zaakvoerder omdat zij onopzettelijk de dood van het slachtoffer hebben veroorzaakt en omdat de werkuitrusting niet werd nagezien en gecontroleerd. De Rechtbank oordeelt bovendien dat de burgerlijkepartijstelling ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond is en zij veroordeelt de voormelde bv en de voornoemde zaakvoerder tot het vergoeden van de door de ouders van het slachtoffer geleden schade. Er worden verschillende hogere beroepen ingesteld tegen het vonnis van 24 januari 2022 voor het Hof van Beroep te Luik, dat het verwijzende rechtscollege is. Bij een arrest van 11 april 2024 stelt het Arbeidshof te Luik vast dat artikel 46 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (hierna : de wet van 10 april 1971) de gevallen beperkt waarin de rechthebbenden van het slachtoffer van een arbeidsongeval een aquiliaanse aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen tegen de werkgever of zijn zaakvoerder. Te dezen, aangezien geen enkele opzettelijke fout in aanmerking kan worden genomen ten aanzien van de werkgever of de zaakvoerder, genieten zij burgerrechtelijke immuniteit. Bovendien merkt het verwijzende rechtscollege op dat een vergoeding op grond van artikel 15, tweede lid, van de wet van 10 april 1971 evenmin mogelijk is, aangezien artikel 20 van de wet van 10 april 1971 de toekenning van een forfaitaire rente aan de ouders beperkt tot de situatie waarin die rechtstreeks voordeel uit het loon van het slachtoffer haalden, hetgeen niet het geval is voor de burgerlijke partijen. Het verwijzende rechtscollege vraagt zich af of een dergelijk systeem bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Bijgevolg houdt het de uitspraak met betrekking tot de voormelde rechtsvorderingen inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid aan en stelt het het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.1.1. De burgerlijke partijen voor het verwijzende rechtscollege merken allereerst op dat het Hof zich reeds herhaalde malen heeft uitgesproken over de bestaanbaarheid van de in artikel 46 van de wet van 10 april 1971 bedoelde burgerrechtelijke immuniteit met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In dat verband is het Hof van oordeel dat de van het gemeen recht afwijkende regeling verantwoord is wat het beginsel ervan betreft. A.1.2. Over de grondwettigheid van artikel 20bis van de wet van 10 april 1971 heeft het Hof, bij het arrest nr. 124/2004 van 7 juli 2004 (ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.124), evenwel geoordeeld dat de onmogelijkheid voor de ouders van het slachtoffer van een dodelijk ongeval om van de persoon die aansprakelijk is voor het ongeval een vergoeding voor de geleden morele schade te verkrijgen, wanneer die persoon niet de werkgever, de aangestelde van de werkgever of de lasthebber van de werkgever is, onverenigbaar is met de logica van de arbeidsongevallenregeling. Het Hof heeft in dat arrest evenwel beklemtoond dat, in de interpretatie volgens welke de morele schade niet wordt gedekt door de vergoeding van de in artikel 46, § 2, tweede lid, van de wet van 10 april 1971 bedoelde lichamelijke schade, een gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsvordering kan worden ingesteld zonder dat die vordering wordt beperkt door de voorwaarde met betrekking tot de leeftijd van het slachtoffer, bedoeld in artikel 20bis van dezelfde wet. Het Hof heeft bij het arrest nr. 31/2001 van 1 maart 2001 (ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.031) bovendien geoordeeld dat het in artikel 46, § 1, van de wet van 10 april 1971 bedoelde begrip « rechthebbenden » in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het enkel betrekking heeft op de in de artikelen 12 tot 17 van de wet van 10 april 1971 bedoelde personen die de in de wet van 10 april 1971 bedoelde forfaitaire vergoedingen kunnen genieten. De latere rechtspraak van het Hof en die van het Hof van Cassatie bevestigen die interpretatie. A.1.3. Volgens de burgerlijke partijen voor het verwijzende rechtscollege blijkt uit de voormelde rechtspraak dat de immuniteit die de werkgever met toepassing van artikel 46 van de wet van 10 april 1971 geniet, het logische gevolg is van de forfaitaire vergoeding van de schade die voortvloeit uit een arbeidsongeval, die het slachtoffer of zijn rechthebbenden kunnen genieten, zonder dat zij een fout moeten bewijzen ten aanzien van de werkgever, de aangestelde van de werkgever of de lasthebber van de werkgever. Het voordeel van de burgerrechtelijke immuniteit waarin ten gunste van de werkgever is voorzien, houdt bovendien nauw verband met de vergoeding van het slachtoffer of van zijn rechthebbenden. De burgerlijke partijen voor het verwijzende rechtscollege preciseren dat het loutere feit dat een persoon in de artikelen 12 tot 17 van de wet van 10 april 1971 wordt beoogd, dus niet volstaat opdat hij als een rechthebbende wordt beschouwd : de betrokken persoon moet daadwerkelijk een vergoeding kunnen genieten. Te dezen moet worden geoordeeld dat de bloedverwanten in de opgaande lijn van het slachtoffer niet de hoedanigheid van rechthebbende in de zin van artikel 46 van de wet van 10 april 1971 hebben, aangezien zij, met toepassing van artikel 20 van de wet van 10 april 1971, worden uitgesloten van het voordeel van de in artikel 15 van de wet van 10 april 1971 bedoelde vergoeding. Bijgevolg kan hun de in artikel 46 van dezelfde wet bedoelde burgerrechtelijke immuniteit niet worden tegengeworpen. A.1.4. Bovendien preciseren de burgerlijke partijen voor het verwijzende rechtscollege dat het feit dat de in de prejudiciële vraag bedoelde rechthebbenden worden gemachtigd om een vergoeding te ontvangen op grond van het gemeen recht, de coherentie van het in de wet van 10 april 1971 bedoelde systeem niet in het gedrang kan brengen. Dat heeft immers een verzekeringskarakter en wordt gefinancierd met premies van de werkgevers. Die dekken hoe dan ook niet de bloedverwanten in de opgaande lijn die geen enkele vergoeding genieten krachtens de wet van 10 april 1971 omdat zij geen rechtstreeks voordeel uit het loon van het slachtoffer haalden. A.1.5. Volgens de burgerlijke partijen voor het verwijzende rechtscollege moet bijgevolg worden geoordeeld dat de in het geding zijnde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de in de prejudiciële vraag bedoelde rechthebbenden het recht ontzeggen om een gemeenrechtelijke rechtsvordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid in te stellen tegen de werkgever, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden. Omgekeerd zijn de in het geding zijnde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat het in artikel 46 van de wet van 10 april 1971 bedoelde begrip « rechthebbenden » geen betrekking heeft op de in artikel 15 van de wet van 10 april 1971 bedoelde bloedverwanten in de opgaande lijn die geen door de arbeidsongevallenverzekeraar gestorte vergoeding kunnen genieten omdat zij niet voldoen over de in artikel 20 van dezelfde wet bedoelde voorwaarde, bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 4 A.2.1. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de personen die tot de in de prejudiciële vraag vergeleken categorieën behoren, zich niet in wezenlijk verschillende situaties bevinden. In dat verband preciseert hij dat de vergoeding in het kader van het stelsel van de arbeidsongevallenverzekering inhoudt dat aan verschillende voorwaarden wordt voldaan. In de artikelen 12 tot 17 van de wet van 10 april 1971 worden de categorieën van rechthebbenden opgesomd die aanspraak kunnen maken op een dergelijke vergoeding, maar het daadwerkelijke voordeel ervan vereist dat andere voorwaarden in acht worden genomen. Aldus kunnen de bloedverwanten in de opgaande lijn, kleinkinderen, broers en zussen van het slachtoffer een rente genieten, op voorwaarde dat zij aantonen dat zij rechtstreeks voordeel uit het loon van het slachtoffer haalden, met dien verstande dat de rente maar wordt ontvangen tot het ogenblik waarop het slachtoffer de leeftijd van 25 jaar zou hebben bereikt, tenzij het bewijs wordt geleverd dat het slachtoffer voor hen de belangrijkste kostwinner was. De regeling inzake dodelijke arbeidsongevallen volgt overigens een trapsgewijs vergoedingssysteem. Volgens de Ministerraad heeft het Hof reeds vastgesteld dat de in artikel 46 van de wet van 10 april 1971 bedoelde regeling inzake burgerlijke schadevergoeding niet discriminerend was voor de in de artikelen 12 tot 17 van die wet bedoelde rechthebbenden die, mits een aantal voorwaarden in acht worden genomen, aanspraak kunnen maken op de in dezelfde wet bedoelde forfaitaire vergoedingen. A.2.2. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het systeem van de burgerrechtelijke immuniteit van de werkgever beantwoordt aan precieze doelstellingen waarvan de legitimiteit herhaalde malen werd bevestigd door het Hof, namelijk het inkomen van de werknemer beschermen tegen een professioneel risico, zelfs indien een ongeval gebeurt door de schuld van de werknemer of van een collega, en de sociale vrede binnen de bedrijven handhaven door een toename van het aantal processen inzake aansprakelijkheid uit te sluiten. A.2.3. De Ministerraad voegt eraan toe dat het in het geding zijnde systeem redelijk verantwoord is. Volgens hem vormt de wet van 10 april 1971 een logisch en samenhangend geheel, dat vergoedingsmogelijkheden biedt die op een billijk evenwicht tussen werkgevers, werknemers en rechthebbenden berusten. Hij beklemtoont dat de wet van 10 april 1971 in een regeling van objectieve aansprakelijkheid voorziet, waarvan de bewijslast veel minder zwaar is. Bovendien kent de wet een automatische vergoeding toe. Als tegenwicht is die vergoeding forfaitair en gedeeltelijk, in zoverre zij enkel de lichamelijke schade dekt die een weerslag heeft op de economische geschiktheid van het slachtoffer. De Ministerraad preciseert dat de regeling van de wet van 10 april 1971 een socialezekerheidsregeling is die de economische schade dekt en die de begunstigden ervan, namelijk het slachtoffer en, bij een dodelijk ongeval, de in de artikelen 12 tot 17 van die wet vermelde rechthebbenden, limitatief bepaalt. Wat die laatstgenoemden betreft, wordt de rente enkel ontvangen indien zij rechtstreeks voordeel uit het loon van het slachtoffer haalden, binnen een logica van vergoeding van de economische schade, zodat het niet noodzakelijk is om het bestaan van een fout aan te tonen, ook al behouden zij de mogelijkheid om een overlijdensverzekering aan te gaan. De Ministerraad beklemtoont dat het systeem wordt gefinancierd door de werkgevers, die een arbeidsongevallenverzekering moeten aangaan en de kostprijs van de premies moeten dragen. Binnen die logica strekken de beperkte vergoedingsgevallen die in de in het geding zijnde bepalingen worden beoogd, ertoe de economische last van de werkgever niet te verzwaren. Volgens de Ministerraad dient het evenwicht van het coherente en logische systeem van de wet van 10 april 1971 niet te worden verstoord door de vergoedingsmogelijkheden uit te breiden tot de in de prejudiciële vraag bedoelde categorie van personen, op gevaar af afbreuk te doen aan de sociale vrede. Bovendien, indien het Hof de prejudiciële vraag zou beantwoorden met een vaststelling van grondwettigheid, zou dat discriminaties doen ontstaan onder de rechthebbenden, naargelang zij al dan niet een forfaitaire rente zouden ontvangen, met dien verstande dat zij, in het laatste geval, aanspraak zouden kunnen maken op een integrale vergoeding. Een dergelijke oplossing zou bovendien de deur openzetten voor gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsvorderingen die tegen de werkgever worden ingesteld door mogelijke begunstigden die werden vergoed maar die thans geen vergoeding meer ontvangen wegens de soms beperkte duur ervan. Die situaties zouden indruisen tegen de logica van het in de wet van 10 april 1971 bedoelde systeem. Ten slotte merkt de Ministerraad op dat de vergoeding van de door derden veroorzaakte schade volledig mogelijk blijft, aangezien de burgerrechtelijke immuniteit enkel de werkgever, de aangestelde van de werkgever en de lasthebber van de werkgever beschermt. De burgerlijke partijen voor het verwijzende rechtscollege behouden dus de mogelijkheid om voor de burgerlijke rechtscolleges een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de aansprakelijke derde. 5 -B- B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 12 tot 17, 20 en 46 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (hierna : de wet van 10 april 1971). B.2.1. De artikelen 12 tot 17 van de wet van 10 april 1971 hebben betrekking op de rechthebbenden van het slachtoffer dat is overleden ten gevolge van een arbeidsongeval die, mits een aantal voorwaarden in acht worden genomen, aanspraak kunnen maken op een forfaitaire vergoeding die overeenstemt met een percentage van het loon van het slachtoffer. B.2.2. De bloedverwanten in de opgaande lijn zijn rechthebbenden bedoeld in artikel 15 van de wet van 10 april 1971, dat bepaalt : « § 1. De vader en de moeder van de getroffene die op het tijdstip van het overlijden noch echtgenoot, noch wettelijk samenwonende partner, noch rechthebbende kinderen nalaat, ontvangen ieder een lijfrente gelijk aan 20 % van het basisloon. Laat de getroffene op het tijdstip van het overlijden een echtgenoot of een wettelijk samenwonende partner zonder rechthebbende kinderen na, dan is de rente voor ieder van de in het vorige lid bedoelde rechtverkrijgenden gelijk aan 15 % van het basisloon. De adoptanten hebben dezelfde rechten als de ouders van de getroffene. § 2. Bij vóóroverlijden van de vader of de moeder van de getroffene ontvangt ieder van de bloedverwanten in opgaande lijn van de vóóroverledene een rente gelijk aan :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.