id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.028 Arrest- Rolnummer: 28/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-03 Raadplegingen: 382 - laatst gezien 2026-06-16 02:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het de strafgerechten ertoe verplicht een onderscheiden rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij ten laste te leggen van elk van de beklaagden die schuldig is bevonden aan eenzelfde misdrijf en om die reden hoofdelijk is veroordeeld tot een burgerrechtelijke schadevergoeding) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Strafrechtspleging - Veroordeling tot de gerechtskosten - Eenzelfde misdrijf begaan door meerdere beklaagden - Onderscheiden rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 28/2025 van 20 februari 2025 Rolnummer : 8206 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 2 april 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 april 2024, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het de strafrechter ertoe verplicht de betaling aan de burgerlijke partij van een onderscheiden rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen van elk van de beklaagden die schuldig is bevonden aan eenzelfde misdrijf en om die reden hoofdelijk is veroordeeld tot een burgerrechtelijke schadevergoeding, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een hoofdelijke veroordeling van dezelfde beklaagden tot het betalen van één rechtsplegingsvergoeding zou moeten worden uitgesproken door de burgerlijke rechter bij wie dezelfde herstelvordering aanhangig wordt gemaakt door het slachtoffer van het misdrijf ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Evrard de Lophem en mr. Clara Delbruyère, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 11 december 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen 2 was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi, op 12 april 2023 gewezen vonnis werden meerdere personen schuldig bevonden aan diverse tenlasteleggingen in verband met een operatie inzake het verduisteren van middelen en het witwassen van geld. Op burgerrechtelijk vlak veroordeelt de Rechtbank slechts één van de beklaagden, I.C., tot het betalen van een schadevergoeding en de rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij, de nv « Belfius ». I.C., de nv « Belfius » en het openbaar ministerie stellen tegen het voormelde vonnis hoger beroep in voor het Hof van Beroep te Bergen, het verwijzende rechtscollege. Burgerrechtelijk veroordeelt dat Hof de andere beklaagden hoofdelijk met I.C. tot de betaling van de schadevergoeding aan de nv « Belfius ». Die laatstgenoemde vordert de hoofdelijke veroordeling van de beklaagden tot een rechtsplegingsvergoeding per aanleg. Het Hof van Beroep herinnert eraan dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie met betrekking tot artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering de strafgerechten ertoe verplicht elke beklaagde ambtshalve te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij wanneer meerdere beklaagden in het ongelijk zijn gesteld ten aanzien van die burgerlijke partij, en zulks zelfs indien de beklaagden hoofdelijk zijn gehouden tot vergoeding van dezelfde schade. Dat Hof merkt daarentegen op dat, indien dezelfde beklaagden die hetzelfde misdrijf hebben begaan voor een burgerlijke rechter waren gedagvaard door dezelfde burgerlijke partij, die partij slechts aanspraak zou kunnen maken op één rechtsplegingsvergoeding die krachtens artikel 50, eerste lid, van het Strafwetboek hoofdelijk ten laste wordt gelegd van de beklaagden. Het verwijzende rechtscollege ziet daarin een mogelijk discriminerend verschil in behandeling en beslist bijgevolg om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte –A– A.
- De Ministerraad is van mening dat in de door het verwijzende rechtscollege voorgelegde interpretatie van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering de situaties van dezelfde beklaagden ten aanzien van de aan de burgerlijke partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding variëren naargelang het slachtoffer van het misdrijf zijn herstelvordering voor een strafrechtelijke dan wel een burgerlijke rechtbank instelt : in het eerste geval moet elke beklaagde worden veroordeeld tot een onderscheiden vergoeding, terwijl in het tweede geval de beklaagden hoofdelijk of in solidum worden veroordeeld tot één vergoeding. In die interpretatie schendt de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.
- De Ministerraad voert aan dat een andere interpretatie van de in het geding zijnde bepaling mogelijk is. Volgens die interpretatie, die beter overeenstemt met de bedoeling van de wetgever bij de invoeging van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, verzet de in het geding zijnde bepaling zich niet ertegen dat de 3 strafgerechten de beklaagden die hoofdelijk zijn gehouden tot de vergoeding van dezelfde schade, hoofdelijk veroordelen tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de in het gelijk gestelde burgerlijke partij. In die interpretatie is het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling onbestaande, zodat artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. –B– B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. B.
- De rechtsplegingsvergoeding is een « forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij » (artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 « betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat », hierna : de wet van 21 april 2007). B.3.
- Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering is een van de wetsbepalingen die het verloop van de procedure voor de politierechtbanken regelen. Dat artikel 162bis, dat in dat Wetboek werd ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 en laatst werd gewijzigd bij artikel 6 van de wet van 18 maart 2018 « houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht », bepaalt : « Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard of die zich met een afzonderlijke vordering heeft aangesloten bij een rechtstreekse dagvaarding van een andere burgerlijke partij, of die, bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie, de beklaagde of burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, hoger beroep heeft ingesteld en die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld tot het aan de beklaagde en aan de burgerrechtelijke aansprakelijke persoon betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ». 4 B.3.
- Artikel 194 van het Wetboek van strafvordering is een van de wetsbepalingen die het verloop van de procedure voor de correctionele rechtbanken regelen. Sinds de wijziging ervan bij artikel 10 van de wet van 21 april 2007 bepaalt dat artikel 194 dat uitspraak wordt gedaan « over de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, overeenkomstig artikel 162bis ». B.3.
- Artikel 211 van het Wetboek van strafvordering, dat deel uitmaakt van de bepalingen tot regeling van het hoger beroep tegen correctionele vonnissen, bepaalt, sinds de wijziging ervan bij artikel 11 van de wet van 21 april 2007, dat de « bepalingen van de voorgaande artikelen betreffende [...] de veroordeling [...] [tot] de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek [...] eveneens [gelden] voor de vonnissen in hoger beroep gewezen ». B.3.
- Bij de uitbreiding van het beginsel van de rechtsplegingsvergoeding tot de geschillen voor de strafgerechten, streefde de wetgever de doelstelling na om de rechtsonderhorigen op dezelfde wijze te behandelen, ongeacht of zij de vergoeding van schade voor een burgerlijke dan wel een strafrechtelijke rechtbank vorderen (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 5). B.
- Aan het Hof wordt gevraagd of artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie volgens welke die bepaling de strafgerechten ertoe verplicht om ambtshalve elke beklaagde te veroordelen tot een onderscheiden rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij wanneer meerdere beklaagden in het ongelijk zijn gesteld ten aanzien van die laatstgenoemde, en zulks zelfs indien de beklaagden hoofdelijk zijn gehouden tot vergoeding van dezelfde schade. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vraag in die interpretatie. B.5.
- Artikel 50, eerste lid, van het Strafwetboek bepaalt dat « alle wegens een zelfde misdrijf veroordeelde personen [...] hoofdelijk [zijn] gehouden tot teruggave en schadevergoeding ». 5 B.5.
- Krachtens artikel 1020, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt de verwijzing in de kosten « hoofdelijk uitgesproken, indien de voornaamste veroordeling zelf hoofdelijkheid medebrengt ». Krachtens artikel 1018, eerste lid, 6°, van hetzelfde Wetboek omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding. B.5.
- In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege vloeit uit die bepalingen voort dat een burgerlijke rechtbank waarbij een vordering aanhangig wordt gemaakt tot vergoeding van schade die het gevolg is van eenzelfde door meerdere beklaagden begaan misdrijf, die beklaagden hoofdelijk moet veroordelen tot schadevergoeding (artikel 50, eerste lid, van het Strafwetboek). Aangezien die voornaamste veroordeling tot schadevergoeding hoofdelijk wordt uitgesproken, moet de verwijzing in de kosten, en dus in de rechtsplegingsvergoeding, eveneens hoofdelijkheid met zich meebrengen (artikel 1020, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). B.
- Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen, te dezen het recht op een eerlijk proces, met zich zou meebrengen. B.
- De omstandigheid dat een beklaagde, ongeacht of hij alleen dan wel hoofdelijk met nog andere beklaagden veroordeeld is tot een burgerrechtelijke schadevergoeding, een integrale rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is aan de burgerlijke partij, leidt niet tot een onevenredige aantasting van het recht op een eerlijk proces. Artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek laat de rechter immers toe om op verzoek van een van de partijen de rechtsplegingsvergoeding te verminderen tot het door de Koning bepaalde minimumbedrag, waarbij de rechter onder meer rekening dient te houden met de complexiteit van de zaak en het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. B.
- Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het de strafgerechten ertoe verplicht een onderscheiden rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij ten laste te leggen van elk van de beklaagden die schuldig is bevonden aan eenzelfde misdrijf en om die 6 reden hoofdelijk is veroordeeld tot een burgerrechtelijke schadevergoeding, is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het de strafgerechten ertoe verplicht een onderscheiden rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij ten laste te leggen van elk van de beklaagden die schuldig is bevonden aan eenzelfde misdrijf en om die reden hoofdelijk is veroordeeld tot een burgerrechtelijke schadevergoeding, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 februari
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div