id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.034 Arrest- Rolnummer: 34/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-10 Raadplegingen: 384 - laatst gezien 2026-06-16 06:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 10 van de wet van 22 december 2016 « houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Kortrijk. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Zelfstandigen - Overbruggingsrecht - Verhoogde bedrag - Voorwaarden - Kind ten laste - Kind ten laste ingeschreven bij het ziekenfonds Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 34/2025 van 27 februari 2025 Rolnummers : 8089 en 8090 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 10 van de wet van 22 december 2016 « houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Kortrijk. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij twee vonnissen van 9 oktober 2023, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 17 oktober 2023, heeft de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Kortrijk, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 10 van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat ingevolge artikel 10 van deze wet een binnen de doelstelling van deze wet (zijnde een extra financiële steun aan zelfstandigen met gezinslast verlenen om tegemoet te komen aan de reële financiële noden van zelfstandigen met gezinslast) niet pertinent en niet proportioneel (automatisch toepasbaar én onweerlegbaar) onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds een aanvrager van een crisisoverbruggingskrediet met kinderen, jonger dan 25 jaar, bij wiens ziekenfonds één of meerdere van diens kinderen ingeschreven is als persoon ten laste en anderzijds een aanvrager van een crisis-overbruggingskrediet met kinderen, jonger dan 25 jaar, bij wiens ziekenfonds geen enkele van diens kinderen ingeschreven is als persoon ten laste ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8089 en 8090 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. 2 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Securex Integrity », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aurélie Carre, advocate bij de balie te Gent; - Vida Acquaro, Ties Bellengé, Nessim Ben Driss Ben Naceur Ben Doudouh, Ward Benoit, Ben Bruggeman, Christophe Bultinck, Kristof De Block, Stefan Deckers, Carmen Despodt, Martin Dewinter, Benjamin Glorieux, Jan Moustie, Pasiree Saopongpai, Nick Stesses, Vincent Stevens, Marijn Thijs, Sabrine Vandendriessche en Ann Van Houcke, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Johan Vande Lanotte, advocaat bij de balie te Gent (tussenkomende partijen); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aube Wirtgen en mr. Liesbet Vandenplas, advocates bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Caroline Leenaert, eisende partij voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 8089, diende een aanvraag in bij de vzw « Securex Integrity » tot toekenning van het crisis-overbruggingsrecht met personen ten laste. Olivier Buset, eisende partij voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 8090, diende eveneens een dergelijke aanvraag in bij dezelfde vzw. Dat crisis-overbruggingsrecht werd hun door de vzw « Securex Integrity » toegekend en maandelijks uitgekeerd. Aan Caroline Leenaert en Olivier Buset werd op respectievelijk 2 en 6 februari 2023 door de vzw « Securex Integrity » meegedeeld dat na onderzoek in de officiële databanken was gebleken dat de toegekende uitkering onrechtmatig was omdat er geen sprake was van een gezinslast. De vzw « Securex Integrity », verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege in de zaken nrs. 8089 en 8090, vordert bij de voormelde mededelingen bijgevolg een deel - zijnde het verschil tussen het crisis-overbruggingsrecht met personen ten laste en het crisis- overbruggingsrecht zonder personen ten laste - van het reeds voor de periode van 1 maart 2020 tot 30 juni 2021 toegekende crisis-overbruggingsrecht terug. Op 13 februari 2023 heeft Olivier Buset beroep ingesteld bij de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Kortrijk, tegen de beslissing van 6 februari
- Op 28 april 2023 heeft Caroline Leenaert eveneens beroep ingesteld bij de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Kortrijk, tegen de beslissing van 2 februari
- Caroline Leenaert betwist dat zij geen kinderen ten laste heeft aangezien ze twee kinderen heeft die bij haar gedomicilieerd zijn en feitelijk en fiscaal volledig te haren laste zijn. Olivier Buset betwist eveneens dat hij geen 3 kinderen ten laste heeft aangezien zijn dochter bij hem en zijn echtgenote gedomicilieerd is en hij feitelijk instaat voor het merendeel van de gezinslasten. De vzw « Securex Integrity » wijst erop dat overeenkomstig artikel 10 van de wet van 22 december 2016 « houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen » (hierna : de wet van 22 december 2016) het crisis-overbruggingsrecht met personen ten laste (een verhoogde uitkering) enkel kan worden toegekend aan begunstigden die een of meerdere personen ten laste hebben in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 « tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 » (hierna : het koninklijk besluit van 3 juli 1996), hetgeen inhoudt dat de betrokken aanvrager minstens één persoon ten laste heeft bij zijn ziekteverzekering, ongeacht de vraag of die ouder al dan niet in ruimere mate of zelfs exclusief in de praktijk de gezinslast draagt. Voor het verwijzende rechtscollege is er discussie gerezen over de grondwettigheid van artikel 10 van de wet van 22 december
- De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat artikel 10 van de wet van 22 december 2016 een onverantwoord verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, een ouder met kinderen tot 25 jaar, die een crisis-overbruggingsrecht aanvraagt en bij wie een of meerdere kinderen ingeschreven staan bij het ziekenfonds van die ouder en, anderzijds, een ouder met kinderen tot 25 jaar, die een crisis- overbruggingsrecht aanvraagt en bij wiens ziekenfonds geen enkele van diens kinderen als persoon ten laste is ingeschreven. Volgens het verwijzende rechtscollege in de zaken nrs. 8089 en 8090 is het onderscheid niet gebaseerd op een relevant criterium in het licht van de doelstelling van de maatregel. De vraag bij welke ouder een kind in het ziekenfonds staat ingeschreven, is volgens het verwijzende rechtscollege irrelevant aangezien die administratieve inschrijving niet impliceert dat die persoon meer uitgaven moet doen voor het levensonderhoud/de gezinslast van dat kind en/of dat kind in feite meer ten laste is van die ouder dan van de andere ouder. Aangezien artikel 10 van de wet van 22 december 2016 inhoudt dat aan een aanvrager van een crisis-overbruggingskrediet hoe dan ook geen overbruggingskrediet met persoon ten laste kan worden verleend indien het kind niet ten laste van de ziekteverzekering van de aanvrager is ingeschreven, is het voorgelegde verschil in behandeling volgens het verwijzende rechtscollege aan de voormelde wetsbepaling toe te schrijven. Het voorgaande brengt het verwijzende rechtscollege ertoe om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen. III. In rechte -A- A.1.
- De tussenkomende partijen zijn van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord aangezien artikel 10 van de wet van 22 december 2016 « houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen » (hierna : de wet van 22 december 2016) volgens hen een ongerechtvaardigd verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, een zelfstandige ouder met kinderen tot 25 jaar, die een crisis-overbruggingsrecht aanvraagt en bij wiens ziekenfonds minstens een van diens kinderen ten laste is ingeschreven en, anderzijds, een zelfstandige ouder met kinderen tot 25 jaar, die een crisis- overbruggingsrecht aanvraagt en bij wiens ziekenfonds geen enkele van diens kinderen als persoon ten laste is ingeschreven. De in het geding zijnde bepaling is derhalve strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.1.
- In hoofdorde voeren zij aan dat, in het licht van de doelstellingen van het crisis-overbruggingsrecht met personen ten laste, het gebruikte criterium om een onderscheid in te stellen tussen de categorie van zelfstandigen die wel en de categorie van zelfstandigen die geen recht hebben op een bijkomende vergoeding wegens een persoon ten laste, niet pertinent is. Zij stellen dat de verhoogde tegemoetkoming wegens personen ten laste, waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, ertoe strekt zelfstandigen, die extra lasten dragen omdat ze minstens één persoon ten laste hebben, extra te vergoeden. De aanvrager wordt hierbij geacht minstens gedeeltelijk financieel in te staan voor de persoon ten laste, waarbij het evenwel niet vereist is dat de aanvrager alleen of grotendeels de lasten voor de persoon ten laste draagt. Het criterium wordt bijgevolg afhankelijk gemaakt van de voorwaarde of de persoon ten 4 laste al dan niet administratief is ingeschreven bij het ziekenfonds van de aanvrager van de desbetreffende tegemoetkoming. Het gehanteerde onderscheid laat volgens de tussenkomende partijen niet toe om de vooropgestelde doelstelling te bereiken, waardoor de overheid zich niet zomaar op haar discretionaire bevoegdheid kan beroepen. Bijgevolg is het criterium, namelijk het feit dat de persoon ten laste wel of niet administratief is ingeschreven in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige zorgen en uitkeringen bij de aanvrager, niet pertinent. Zij zijn van oordeel dat het criterium enkel pertinent kan zijn in het licht van de doelstelling van de betrokken maatregel indien het feit dat de zelfstandige bij wie de persoon ten laste is ingeschreven een ernstige aanwijzing inhoudt van het feit dat die zelfstandige die persoon effectief financieel ten laste heeft en, andersom, dus in het geval van een niet-inschrijving, de zelfstandige die persoon niet effectief financieel ten laste heeft. Zij zijn dan ook van oordeel dat dit criterium noch wettelijk, noch praktisch een aanwijzing inhoudt dat de aanvrager minstens gedeeltelijk voor de persoon ten laste financieel instaat. Zij verwijzen ter ondersteuning van hun standpunt naar de arresten van het Hof nr. 197/2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.197) en nr. 43/2023 van (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.043). A.1.
- De tussenkomende partijen merken vervolgens op dat het al dan niet ingeschreven zijn bij het ziekteverzekeringsfonds van de aanvrager als absolute voorwaarde geldt. Gelet op de sociale doelstelling van de maatregel is het onderscheid eveneens niet proportioneel. Aan die vaststelling wordt volgens hen geen afbreuk gedaan door het principe dat ouders vrij kunnen beslissen bij wiens ziekteverzekering de persoon ten laste wordt ingeschreven. De keuze werd namelijk meestal jaren vóór de pandemie genomen waarbij bovendien niemand zich bewust kon zijn van het feit dat een pandemie kon ontstaan of zo heftig kon plaatsvinden. Het desbetreffende principe is in het kader van het overbruggingsrecht namelijk niet realistisch aangezien bij een verandering van inschrijving de wijziging slechts ingaat vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar. Bijgevolg is bij de aanvraag de inschrijving een voldongen feit en kan een aanvrager dat niet met enig nuttig gevolg voor de resterende periode van het jaar wijzigen. Het is duidelijk dat een van de legitieme doelstellingen van de wetgever erin bestond te vermijden dat twee personen uit hetzelfde gezin voor eenzelfde persoon ten laste een verhoogde tegemoetkoming zouden krijgen. Enkel en alleen ingeval er dus een dubbele aanvraag was binnen hetzelfde gezin, kan mogelijk het criterium betreffende de inschrijving in de verplichte ziekteverzekering worden aangewend. A.2.
- De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord aangezien het verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Hij betoogt dat het verschil in behandeling dat uit artikel 10 van de wet van 22 december 2016 voortvloeit, steunt op een objectief criterium, namelijk het hebben van minstens één persoon ten laste bij zijn ziekenfonds in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 door de aanvrager van het crisis-overbruggingsrecht. De uitkering die is bepaald in artikel 10 van de wet van 22 december 2016 verschilt namelijk naargelang het gaat om een zelfstandige met of zonder personen ten laste. Om na te gaan of de aanvrager van het crisis-overbruggingsrecht personen ten laste heeft of niet, dient het begrip « gezinslast » in die wetsbepaling te worden toegepast in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli
- Bijgevolg komt de verhoogde uitkering slechts toe aan de betrokken zelfstandige indien hij een persoon ten laste administratief heeft ingeschreven bij zijn ziekenfonds. A.2.
- Volgens de Ministerraad vermocht de wetgever te werken met algemene, abstracte criteria en is het onvermijdelijk dat het criterium van onderscheid hierbij geen rekening houdt met alle mogelijke familiale en financiële situaties. In een samenleving waarin de gezinssamenstelling steeds flexibeler en complexer wordt, is het voor de overheid en verzekeringsfondsen namelijk zeer moeilijk en soms onmogelijk indien voor elk individueel dossier rekening zou moeten worden gehouden met de precieze verdeling van de gezinslast, hetgeen bovendien zou kunnen leiden tot onevenredige administratieve kosten. Het door de wetgever gebruikte criterium, met name de inschrijving van een kind bij de ziekteverzekering van de aanvrager van het crisis- overbruggingsrecht, is een objectief criterium, dat het bovendien mogelijk maakt om na te gaan of de aanvrager een kind ten laste heeft. Het criterium is overigens niet onevenredig aangezien de ouders volkomen vrij zijn om te bepalen bij welke ouder het kind als persoon ten laste wordt ingeschreven, hierbij rekening houdend met hun specifieke situatie. A.2.
- Bovendien streeft het onderscheid volgens de Ministerraad een legitiem doel na en is het eveneens pertinent. Er kan worden aangenomen dat een zelfstandige met gezinslast, die ten gevolge van de door de wetgever beoogde omstandigheden zonder arbeidsinkomsten komt te vallen, nood heeft aan een hogere uitkering dan een zelfstandige die zich in dezelfde omstandigheden bevindt maar geen gezinslast heeft. Hij wijst erop dat het begrip « gezinslast » in het Belgische socialezekerheidsrecht een onderscheiden invulling krijgt naargelang van de sector van de sociale zekerheid. De wetgever heeft het criterium bepaald dat toelaat om na te gaan of de zelfstandige al 5 dan niet over de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast beschikt. In de context van de COVID-19-crisis heeft de wetgever bij de wet van 28 februari 2021 « tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot wijziging van de wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen » ervoor gekozen om het eenvoudigere en ruimere begrip « gezinslast » in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2021 te hanteren. Hierdoor volstaat het voor de aanvrager om minstens één persoon ten laste te hebben die is ingeschreven bij zijn ziekenfonds om aanspraak te kunnen maken op het verhoogde crisis-overbruggingsrecht. De Ministerraad wijst ter zake op een wijzigbare vrije keuze van de betrokkenen om te bepalen bij welke gerechtigde een persoon ten laste wordt ingeschreven (cf. artikel 126 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, hierna : de ZIV-Wet). A.2.
- Tot slot benadrukt de Ministerraad dat het aangevoerde verschil in behandeling niet onevenredig is ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. Hij ontkent niet dat het criterium, dat voortvloeit uit artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, louter betrekking heeft op het al dan niet ingeschreven zijn bij een ziekenfonds zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met het effectief dragen van de gezinslast. Hij wijst wel erop dat de principiële keuzevrijheid toelaat om de inschrijving als persoon ten laste bij het ziekenfonds af te stemmen op de daadwerkelijke, feitelijke gezinslast. Bijgevolg is het verschil in behandeling niet onevenredig in het licht van de nagestreefde doelstellingen. A.3.
- De vzw « Securex Integrity » stelt dat het voorgelegde verschil in behandeling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het onderscheid berust op objectieve criteria, zijnde de artikelen 123 en volgende van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 en artikel 126 van de ZIV-Wet. Rekening houdend met het keuzerecht en de mogelijkheid om die keuze met onmiddellijke ingang te wijzigen - indien de situatie van de gezinslast wijzigt - zijn de door de wetgever gehanteerde criteria relevant en proportioneel in het licht van de doelstellingen van de wetgever. Volgens de vzw « Securex Integrity » is het bovendien irrelevant rekening te houden met de reële kinderlast voor het vaststellen van het al dan niet ten laste zijn van de gerechtigde. Het verschil in behandeling is bovendien niet kennelijk onredelijk. De wetgever beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid in sociaaleconomische aangelegenheden. Hoewel het aannemelijk is dat het criterium van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 is ingegeven door de bekommernis van de wetgever om een hogere uitkering toe te kennen aan de zelfstandigen met een kind ten laste, blijkt nergens uit de parlementaire voorbereiding dat de wetgever hierbij de reële kinderlast van de aanvrager in rekening wou brengen. A.3.
- In ondergeschikte orde voert de vzw « Securex Integrity » aan dat voor zover het Hof zou oordelen dat met de reële situatie en kinderlast rekening dient te worden gehouden bij het aanvragen van het crisis- overbruggingsrecht in het geval waarbij een aanvrager de werkelijke kinderlast draagt, doch de andere ouder de kinderen te zijnen laste heeft in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 en artikel 126 van de ZIV-Wet en al dan niet instaat voor die last, dat onderscheid zijn oorsprong niet vindt in artikel 10 van de wet van 22 december 2016 zelf, en dat er dus hooguit sprake kan zijn van de vaststelling van een ongrondwettige lacune. Het betreft een lacune waaraan enkel een wetgevend ingrijpen kan verhelpen. A.3.
- In uiterst ondergeschikte orde, indien het Hof van oordeel zou zijn dat artikel 10 van de wet van 22 december 2016 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, dient die schending zich in ieder geval te beperken tot de in prejudiciële vraag aangehaalde categorie van rechthebbenden op het crisis-overbruggingsrecht, zijnde ouders met een kind ten laste dat jonger is dan 25 jaar. In ieder geval kan er geen sprake zijn van een schending wanneer de aanvragers beiden zelfstandige zijn en tot hetzelfde gezin behoren. 6 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 « houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen » (hierna : de wet van 22 december 2016), dat, in de versie van toepassing in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « Het maandelijks bedrag van de financiële uitkering bedraagt 1.317,52 euro. De begunstigde kan echter aanspraak maken op het bedrag van 1.646,38 euro, op voorwaarde dat hij een persoon ten laste heeft in de zin van [artikel] 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
- Het hebben van een persoon ten laste wordt bewezen aan de hand van een attest van de verzekeringsinstelling. Zolang het sociaal verzekeringsfonds niet over het vereiste attest beschikt, kan er slechts aanspraak gemaakt worden op het maandelijks bedrag bedoeld in het eerste lid. Wanneer op grond van het vereiste attest blijkt dat de begunstigde een persoon ten laste heeft, dient het sociaal verzekeringsfonds de vereiste regularisatie uit te voeren. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 147,31 (basis 1996 = 100) ». B.2.
- Artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 bepaalt het maandelijkse bedrag van de financiële uitkering van het overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen. Het voorziet in een basisbedrag en een verhoogd bedrag. Op het verhoogde bedrag kan krachtens de in het geding zijnde versie van die bepaling aanspraak worden gemaakt indien de begunstigde een persoon ten laste heeft in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 « tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 » (hierna : het koninklijk besluit van 3 juli 1996), dat bepaalt : « De hoedanigheid van persoon ten laste van een gerechtigde of van een werknemer als bedoeld in artikel 32 van de gecoördineerde wet, wordt toegewezen aan de personen en onder de voorwaarden bepaald in dit artikel en in de artikelen 124, 125 en 127 :
- De echtgenoot of echtgenote van de vrouwelijke of mannelijke gerechtigde of van de werknemer of werkneemster. 7 De niet uit de echt, doch feitelijk gescheiden, of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote kan persoon ten laste zijn in een van de volgende gevallen : a) hij of zij staat in voor het onderhoud van ten minste één als persoon ten laste beschouwd kind. De hoedanigheid van persoon ten laste van dit kind wordt beoordeeld als bedoeld in punt 3 alsof de feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote zelf gerechtigde was; b) hij of zij alimentatiegeld heeft verkregen, hetzij bij rechterlijke beslissing, hetzij, ingeval van procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed met onderlinge toestemming, bij notariële akte of onderhandse akte neergelegd bij de griffie van de rechtbank; c) hij of zij is gemachtigd sommen te innen, door derden aan zijn echtgenote of haar echtgenoot verschuldigd krachtens artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek; d) hij of zij geniet een krachtens een wetsbepaling aan de gescheiden echtgenoot of echtgenote toegekend pensioen.
- De persoon die samenwoont met de gerechtigde of met de werknemer of werkneemster, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 19° van de gecoördineerde wet. Zijn of haar inschrijving is niet mogelijk wanneer de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of van de in het eerste lid bedoelde werknemer, zelf de hoedanigheid van persoon ten laste heeft of wanneer de echtgenoot of echtgenote, zelf gerechtigde, onder hetzelfde dak woont als de gerechtigde.
- De hierna opgesomde kinderen, jonger dan 25 jaar : a) de kinderen en geadopteerde kinderen van de gerechtigde of werknemer en zij in wier geboorteakte dezes naam is vermeld; b) de kinderen en geadopteerde kinderen van de echtgenoot van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van die echtgenoot is vermeld wanneer de echtgenoot voor hun onderhoud instaat; c) de kinderen en geadopteerde kinderen van de in punt twee of vier bedoelde persoon ten laste van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van die persoon is vermeld wanneer die persoon voor hun onderhoud instaat; d) de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de gerechtigde of werknemer, van zijn echtgenoot of echtgenote of van de in punt 2 en 4 bedoelde persoon, wanneer die gerechtigde of werknemer voor het onderhoud van die kinderen instaat; e) de kinderen, de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of werknemer of die van de in punt 2 en 4 bedoelde persoon, als bedoeld in de bepalingen onder b), c) en d) voor wier onderhoud die gerechtigde of werknemer instaat na het overlijden van die echtgenoot of echtgenote of van die persoon; 8 f) de kinderen, die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en niet geviseerd zijn onder de punten a) tot en met e), voor wie de gerechtigde, de echtgenoot van de gerechtigde of de in punt 2 of 4 bedoelde persoon ten laste van de gerechtigde instaat voor het onderhoud in de plaats van de vader, moeder of andere persoon die zulks normaal zou moeten doen. Het bewijs van de verblijfplaats in België volgt uit de informatie die is bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en die is verkregen bij het Rijksregister of uit alle bewijsmiddelen, afgeleverd door een Belgische overheid en als dusdanig erkend door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle.
- De ascendenten van de gerechtigde of werknemer, of van zijn echtgenoot en, eventueel, hun stiefvaders en stiefmoeders. Voor de toepassing van dit artikel wordt geacht in te staan voor het onderhoud van het kind, de persoon die met het kind samenwoont. Het bewijs van dat samenwonen volgt uit de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en die is verkregen bij het Rijksregister. Wat betreft de kinderen die niet zijn ingeschreven in het Rijksregister, volgt het bewijs van het samenwonen uit alle bewijsmiddelen als dusdanig erkend door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle ». B.2.
- Het vereiste van het hebben van een persoon ten laste in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 om aanspraak te kunnen maken op het verhoogde bedrag, is ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 28 februari 2021 « tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot wijziging van de wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen » (hierna : de wet van 28 februari 2021), dat met terugwerkende kracht uitwerking heeft met ingang van 1 maart 2020 (artikel 6 van dezelfde wet). Voordien bepaalde artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 dat de begunstigde aanspraak kon maken op het verhoogde bedrag « op voorwaarde dat hij de hoedanigheid heeft van ‘ gerechtigde met gezinslast ’ in de zin van artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 ». De parlementaire voorbereiding van de wet van 28 februari 2021 vermeldt met betrekking tot die wijziging : « Om te bepalen of de zelfstandige de hoedanigheid van ‘ gerechtigde met gezinslast ’ heeft, wordt, overeenkomstig artikel 10 van de wet van 22 december 2016, rekening […] gehouden met artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (met name het begrip ‘ gezinslast ’ in het kader van de 9 uitkeringsverzekering). In praktijk blijkt dit echter niet haalbaar, aangezien het onderzoek naar het al dan niet hebben van gezinslast in het kader van de uitkeringsverzekering pas kan gebeuren wanneer de zelfstandige arbeidsongeschikt wordt. Daarom voorziet het wetsontwerp dat er rekening moet gehouden worden met het begrip ‘ persoon ten laste ’ in het kader van de geneeskundige verzorging. De vraag die zich stelt is te weten of betrokkene een persoon te laste heeft bij zijn verzekeringsinstelling (‘ op zijn ziekenboekje ’). Dit betreft het begrip ‘ persoon ten laste ’ in het kader van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1768/001, pp. 6 en 7). B.2.
- De wet van 22 december 2016 is opgeheven door de programmawet (I) van 26 december
- Ten gronde B.3.
- Het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een binnen de doelstelling van die wet (zijnde een extra financiële steun aan zelfstandigen met gezinslast verlenen om tegemoet te komen aan de reële financiële noden van zelfstandigen met gezinslast) « niet pertinent en niet proportioneel » (automatisch toepasbaar én onweerlegbaar) verschil in behandeling instelt tussen, enerzijds, een aanvrager van een overbruggingsrecht met kinderen, jonger dan 25 jaar, bij wiens ziekenfonds een of meerdere van diens kinderen ingeschreven is als persoon ten laste en, anderzijds, een aanvrager van een overbruggingsrecht met kinderen, jonger dan 25 jaar, bij wiens ziekenfonds geen enkele van diens kinderen ingeschreven is als persoon ten laste. B.3.
- Het verwijzende rechtscollege interpreteert de in het geding zijnde bepaling aldus in die zin dat de feitelijke situatie niet bepalend is voor het hebben van een kind ten laste in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli
- Bepalend is, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, of het kind ten laste van de zelfstandige is ingeschreven bij zijn verzekeringsinstelling. Die interpretatie van het verwijzende rechtscollege is niet kennelijk verkeerd. Zij wordt bevestigd in de in B.2.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding die vermeldt dat het criterium 10 is of « betrokkene een persoon te laste heeft bij zijn verzekeringsinstelling (‘ op zijn ziekenboekje ’) ». B.3.
- Uit de verwijzingsbeslissing in de zaak nr. 8089 blijkt dat de zelfstandige die het overbruggingsrecht heeft genoten, gescheiden is van haar voormalige echtgenoot, met wie zij twee kinderen heeft die bij haar zijn gedomicilieerd, die fiscaal ten laste zijn, en waarvoor noch in co-ouderschap, noch in enige alimentatie is voorzien. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt nog dat de voormelde zelfstandige niet de kinderen ten laste heeft in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli
- Uit de verwijzingsbeslissing in de zaak nr. 8090 blijkt dat de zelfstandige die het overbruggingsrecht heeft genoten, een kind heeft met zijn echtgenote, die het kind ten laste heeft in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli
- Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypotheses. B.4.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4.
- In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de bevoegde wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid om de maatregelen te bepalen die moeten worden genomen om de door hem vastgestelde doelstellingen te bereiken. B.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet hebben van een persoon ten laste in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli
- 11 B.
- Uit de in B.2.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever dat criterium van onderscheid heeft ingevoerd omdat het vroegere criterium, dat verwees naar de gerechtigde met gezinslast in de zin van artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, zijnde het begrip « gezinslast » in het kader van de uitkeringsverzekering, in de praktijk niet werkbaar bleek « aangezien het onderzoek naar het al dan niet hebben van gezinslast in het kader van de uitkeringsverzekering pas kan gebeuren wanneer de zelfstandige arbeidsongeschikt wordt ». De wetgever wilde een eenvoudiger criterium dat zou leiden tot een administratieve vereenvoudiging. Die doelstelling is legitiem. B.7.
- Het in het geding zijnde verschil in behandeling laat ook toe om die doelstelling te bereiken, aangezien het criterium van onderscheid niet langer afhangt van de arbeidsongeschiktheid van de zelfstandige en eenvoudiger is dan het vroegere criterium. Alle kinderen jonger dan 25 jaar kunnen immers zonder meer ten laste zijn van de gerechtigde met toepassing van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, terwijl met toepassing van artikel 225 van hetzelfde koninklijk besluit vereist is dat zij samenwonen met de gerechtigde, geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen en niet werkelijk in het genot zijn van een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of een vreemde wetgeving, en niet financieel ten laste zijn van een andere persoon die deel uitmaakt van hetzelfde gezin. Bovendien kan onder die laatste bepaling de hoedanigheid van gerechtigde met persoon ten laste zelfs verloren gaan door louter samen te wonen met een andere persoon dan een persoon ten laste. B.7.
- Ten aanzien van het doel van administratieve vereenvoudiging is het voorts ook niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever kiest voor een criterium dat slechts op vereenvoudigende en benaderende wijze overeenstemt met de werkelijkheid. B.
- Tot slot heeft het in het geding zijnde verschil in behandeling ook geen onevenredige gevolgen. Ouders zijn in de regel immers vrij om te kiezen bij wie van hen het kind wordt ingeschreven en wie het kind aldus ten laste heeft in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli
- Artikel 125 van hetzelfde koninklijk besluit voorziet slechts subsidiair in een rangorde. Het bepaalt : 12 « Bij betwisting tussen gerechtigden omtrent de vraag bij wie een kind als persoon ten laste moet worden ingeschreven, wordt het kind, overeenkomstig artikel 126 van de gecoördineerde wet bij voorrang ingeschreven als persoon ten laste van de oudste gerechtigde. Bij gerechtigden die niet onder hetzelfde dak wonen, wordt het kind bij voorkeur ingeschreven als persoon ten laste ten aanzien van de gerechtigde die met hem samenwoont ». Een eerder gemaakte keuze ten aanzien van een kind dat bij meerdere gerechtigden als kind ten laste kan worden ingeschreven, kan bovendien worden herzien, met dien verstande dat de herziening overeenkomstig artikel 126, § 2, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 in principe niet onmiddellijk uitwerking heeft : « Wanneer een kind ten laste van verschillende gerechtigden in de hoedanigheid van kind kan worden ingeschreven, zal het verzoek om hem ten laste van een andere gerechtigde in te schrijven, pas uitwerking hebben op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin dat verzoek werd ingediend bij de verzekeringsinstelling van die andere gerechtigde. In geval van wijziging van de situatie van het kind tijdens de periode tussen de indiening van het voormelde verzoek en 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin het verzoek werd ingediend, zal het verzoek echter onmiddellijk uitwerking hebben met inachtneming van de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn ». B.
- Het staat overigens aan de gewone rechtscolleges om na te gaan of de voormelde bepalingen van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 in concreto onevenredige gevolgen hebben voor de zelfstandigen die zich in een situatie bevinden zoals in de zaak met rolnummer 8089 en of die bepalingen met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moeten worden gelaten. B.
- Artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016, in de versie zoals van toepassing in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege, is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 « houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 februari
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.034 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.197 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.043 geciteerd door: ECLI:BE:TTBRL:2025:JUG.20251215.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div