← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.037

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.037 Arrest- Rolnummer: 37/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-10 Raadplegingen: 647 - laatst gezien 2026-06-18 20:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 78 van de wet van 5 mei 2014, in zoverre het niet erin voorziet dat een cassatieberoep kan worden ingesteld tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot uitgaansvergunningen) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering », gesteld door het Hof van Cassatie. Internering van personen met een geestesstoornis - Beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij - Uitgaansvergunningen - Ontstentenis van een cassatieberoep Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 37/2025 van 27 februari 2025 Rolnummer : 8195 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering », gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 13 maart 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 maart 2024, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, krachtens die wetsbepaling, tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot de toekenning of de afwijzing van de beperkte detentie cassatieberoep openstaat voor het openbaar ministerie en de advocaat van de geïnterneerde persoon, terwijl tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot de toekenning of de afwijzing van de uitgaansvergunning geen cassatieberoep openstaat ? ». Memories zijn ingediend door : - P.D., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sandra Berbuto en mr. Lola Barracato, advocates bij de balie Luik-Hoei; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bernard Renson, advocaat bij de balie te Brussel. 2 P.D. heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 20 november 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 11 december 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 15 januari

  1. Op de openbare terechtzitting van 15 januari 2025 : - zijn verschenen : . mr. Lola Barracato, tevens loco mr. Sandra Berbuto, voor P.D.; . mr. Florence Saporosi, advocate bij de balie te Brussel, loco mr. Bernard Renson, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In 1991 wordt P.D. voor een aantal feiten van verkrachting een eerste keer geïnterneerd en geplaatst in een inrichting tot bescherming van de maatschappij. In 1999 geniet hij een invrijheidstelling op proef. Nadat hij nieuwe misdrijven, waaronder verkrachtingen, heeft gepleegd, wordt P.D. een tweede keer geïnterneerd in 2002 en is hij sindsdien geplaatst in een inrichting tot bescherming van de maatschappij. Bij een vonnis van 16 januari 2024 handhaaft de kamer voor de bescherming van de maatschappij de plaatsing opnieuw en weigert zij uitgaansvergunningen toe te kennen. Die weigering is gemotiveerd door het feit dat er een hoog risico is op onttrekking aan de uitvoering van de internering en op het plegen van misdrijven tijdens een eventuele vlucht, dat in dat stadium niet kan worden voorkomen door specifieke voorwaarden op te leggen. Via zijn advocaat stelt P.D. een cassatieberoep in tegen dat vonnis. In zijn antwoord op de conclusies van de advocaat-generaal, die tot de onontvankelijkheid van het beroep besluit, vraagt hij dat aan het Hof een prejudiciële vraag wordt gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » (hierna : de wet van 5 mei 2014) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en/of 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het Hof van Cassatie merkt op dat artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 niet erin voorziet dat een cassatieberoep kan worden ingesteld tegen een vonnis van de kamer voor de bescherming van de maatschappij waarbij uitgaansvergunningen worden geweigerd. Volgens het Hof van Cassatie vloeit daaruit een verschil in behandeling voort onder geïnterneerde personen naargelang de kamer voor de bescherming van de maatschappij een van de in artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 beoogde beslissingen neemt, zoals een beslissing over beperkte detentie, dan wel een beslissing neemt met betrekking tot een uitgaansvergunning. Terwijl een cassatieberoep 3 mogelijk is in het eerste geval, is dat niet mogelijk in het tweede geval. Daarop beslist het Hof van Cassatie de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
  2. De Ministerraad doet gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling wordt verantwoord door de doelstelling van de wetgever om een parallellisme tot stand te brengen tussen de wet van 5 mei 2014 en de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten » (hierna : de wet van 17 mei 2006). Wat de veroordeelde personen betreft, merkt hij op dat

(1)uitgaansvergunningen in de regel, worden toegekend door de minister van Justitie en in geen enkel specifiek beroep is voorzien in geval van weigering (artikelen 4, 5, 10 en 11 van de wet van 17 mei 2006),
(2)uitgaansvergunningen uitzonderlijk door de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kunnen worden toegekend (artikel 59 van de wet van 17 mei 2006) en dat tegen de ter zake gewezen beslissingen geen cassatieberoep kan worden ingesteld (Cass., 25 februari 2014, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140225.9) en
(3)tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot de beperkte detentie een cassatieberoep kan worden ingesteld (artikel 96, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006). Daaruit volgt, volgens de Ministerraad, dat geïnterneerde personen en veroordeelde personen op dezelfde wijze worden behandeld : zij kunnen geen cassatieberoep instellen tegen een beslissing waarbij een uitgaansvergunning wordt geweigerd, maar zij kunnen dat wel tegen een beslissing met betrekking tot de beperkte detentie. Hij merkt op dat de enige uitzondering een specifieke categorie van gedetineerden betreft, namelijk de veroordeelden die ter beschikking zijn gesteld van de strafuitvoeringsrechtbank, die wel een cassatieberoep kunnen instellen tegen een beslissing met betrekking tot een periodieke uitgaansvergunning (artikel 96, tweede lid, van de wet van 17 mei 2006). Bovendien merkt de Ministerraad op dat de wet van 21 april 2007 « betreffende de internering van personen met een geestesstoornis » (hierna : de wet van 21 april 2007), die nooit in werking is getreden, toeliet een cassatieberoep in te stellen tegen een beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank waarbij een uitgaansvergunning wordt geweigerd, maar enkel voor een bepaalde categorie van uitgaansvergunningen. Ten slotte, verwijzend naar het arrest van het Hof nr. 37/2009 van 4 maart 2009 (ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.037), beklemtoont de Ministerraad dat het onder de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever valt om te bepalen welke rechtsmiddelen ter zake moeten openstaan, voor zover de keuzes van de wetgever geen onevenredige gevolgen hebben. Hij doet gelden dat de ontstentenis van een cassatieberoep tegen een beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij waarbij een uitgaansvergunning wordt geweigerd, wordt gecompenseerd door de mogelijkheid voor de geïnterneerde persoon om op elk moment een nieuwe aanvraag voor een uitgaansvergunning in te dienen bij die kamer, of in geval van hoogdringendheid bij de rechter voor de bescherming van de maatschappij (artikel 53 van de wet van 5 mei 2014). Hij preciseert dat die laatste mogelijkheid niet bestaat voor de beperkte detentie. Daarnaast voert de Ministerraad aan dat de gevolgen van de weigering van een uitgaansvergunning zeer beperkt zijn. De Ministerraad besluit daaruit dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2.
  1. P.D., eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, doet gelden dat de twee vergeleken categorieën van personen vergelijkbaar zijn, aangezien enkel het type aanvraag dat voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij wordt gedaan verschilt naargelang van de situatie. Hij merkt op dat zowel de uitgaansvergunning (artikel 20 van de wet van 5 mei 2014) als de beperkte detentie (artikel 23 van dezelfde wet) de geïnterneerde persoon, die verder verplicht in de inrichting verblijft, toelaten die inrichting voor een bepaalde duur te verlaten. Beide modaliteiten kunnen worden toegekend om de geïnterneerde persoon toe te laten therapeutische, professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen. Bovendien kan de uitgaansvergunning ook worden toegekend om de geïnterneerde persoon toe te laten een medisch onderzoek of een medische behandeling te ondergaan of om zijn sociale re-integratie voor te bereiden. Volgens P.D. bieden uitgaansvergunningen de geïnterneerde persoon ook de kans om aan te tonen dat er geen gevaar noch risico op recidive is, hetgeen de kamer voor de bescherming van de maatschappij in overweging zal nemen alvorens zich 4 uit te spreken over een invrijheidstelling op proef of een definitieve invrijheidstelling. P.D. voert voorts aan dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 mei 2014 niet toelaat het doel te identificeren dat wordt nagestreefd door de ontstentenis van een cassatieberoep tegen de beslissingen met betrekking tot de uitgaansvergunningen. Aangezien het nagestreefde doel niet gekend is, kan de verantwoording van het verschil in behandeling volgens hem niet worden geanalyseerd. Hij voegt eraan toe dat de wet van 5 mei 2014 niet alleen de maatschappij beoogt te beschermen, maar ook de re-integratie van de geïnterneerde persoon in de maatschappij voor te bereiden door hem de zorg te verstrekken die zijn toestand vereist. Volgens hem is de in het geding zijnde bepaling in tegenspraak met die doelstelling : terwijl de uitgaansvergunningen precies de sociale re-integratie tot doel hebben, laat de in het geding zijnde bepaling niet toe dat tegen de beslissingen daaromtrent een cassatieberoep wordt ingesteld. Bovendien is P.D. van mening dat de wet van 21 april 2007, hoewel die nooit in werking is getreden, de bedoeling van de wetgever aantoont om in een cassatieberoep te voorzien wat de uitgaansvergunningen betreft. P.D. is van mening dat de Ministerraad het debat probeert te verleggen naar een vergelijking tussen geïnterneerde en veroordeelde personen, vergelijking die niet het voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaakt. Bovendien zijn geïnterneerde en veroordeelde personen volgens P.D. niet vergelijkbaar wegens de verschillen tussen de internering en de gevangenisstraf. Nog volgens hem kan de procedure die van toepassing is op de uitgaansvergunningen in geval van internering niet worden vergeleken met de bij artikel 59 van de wet van 17 mei 2006 voorziene procedure, die een uitzonderlijke en in de tijd beperkte situatie betreft, in het kader waarvan de strafuitvoeringsrechtbank uitspraak doet over een aanvraag voor een uitgaansvergunning om een reclasseringsplan voor de gedetineerde te voltooien. Ten slotte voert hij aan dat de mogelijkheid voor de geïnterneerde persoon om bij hoogdringendheid een aanvraag voor een uitgaansvergunning in te dienen, enerzijds, veronderstelt dat de hoogdringendheid werkelijk is aangetoond en, anderzijds, niet toelaat de ontstentenis van een wettigheidstoetsing door het Hof van Cassatie te verhelpen. P.D. besluit daaruit dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2.
  2. P.D. voert eveneens aan dat uitgaansvergunningen nodig zijn om de gepaste zorg te krijgen. Hij doet gelden dat de ontzegging van zorg en het feit geen toekomstperspectief te hebben, hetgeen lijkt op een gevangenisstraf die niet kan worden ingekort, onbestaanbaar zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij merkt op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens meermaals de schending van die verdragsbepaling door België heeft vastgesteld, wegens de ontstentenis van aan de geïnterneerde personen verstrekte zorg. Volgens P.D. bestendigt de onmogelijkheid om tegen de beslissing tot weigering van de uitgaansvergunning een cassatieberoep in te stellen, die schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Ten slotte voegt hij eraan toe dat die ontstentenis van een cassatieberoep ook onbestaanbaar is met het recht op toegang tot de rechter in strafzaken, dat is gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
  3. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » (hierna : de wet van 5 mei 2014) en betreft de ontstentenis van een cassatieberoep tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij over uitgaansvergunningen. B.2.
  4. De wet van 5 mei 2014 heeft de wetgeving betreffende de internering grondig gewijzigd en vervangt de wet van 9 april 1930 « tot bescherming van de maatschappij tegen 5 abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten » (hierna : de wet van 9 april 1930). B.2.
  5. Krachtens de wet van 5 mei 2014 kunnen de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten de internering bevelen van een persoon (1°) die een misdaad of wanbedrijf heeft gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt, (2°) die op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast en (3°) bij wie het gevaar bestaat dat hij als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw feiten zoals bedoeld in punt 1° zal plegen. Een beslissing tot internering dient te gebeuren na uitvoering van een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of een actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek (artikel 9 van de wet van 5 mei 2014). Voordien voorzag de wet van 9 april 1930 in de mogelijkheid om de internering te gelasten van een verdachte die een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd en die « hetzij in staat van krankzinnigheid [verkeerde], hetzij in een ernstige staat van geestesstoornis of van zwakzinnigheid die hem ongeschikt maakt tot het controleren van zijn daden » (artikelen 1 en 7). B.2.
  6. Volgens artikel 2 van de wet van 5 mei 2014 is de internering van personen met een geestesstoornis geen straf maar een veiligheidsmaatregel « die er tegelijkertijd toe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Rekening houdend met het veiligheidsrisico en de gezondheid van de geïnterneerde persoon zal hem de nodige zorg aangeboden worden om een menswaardig leven te leiden. Die zorg is gericht op een maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie en verloopt waar aangewezen en mogelijk via een zorgtraject waarin aan de geïnterneerde persoon telkens zorg op maat aangeboden wordt ». Met die bepaling heeft de wetgever de veiligheid van de maatschappij maar ook de kwaliteit van de zorg die wordt verstrekt aan personen met een geestesstoornis centraal geplaatst in de wet van 5 mei 2014 (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, p. 2). 6 B.2.
  7. De kamer voor de bescherming van de maatschappij is belast met de uitvoering van de beslissing tot internering. Zij maakt samen met de strafuitvoeringskamer deel uit van de strafuitvoeringsrechtbank en ressorteert onder de rechtbank van eerste aanleg (artikel 76, § 1, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De kamer voor de bescherming van de maatschappij bestaat uit een rechter, die het voorzitterschap ervan bekleedt, een assessor in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in sociale re-integratie en een assessor in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie (artikel 78, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Met die multidisciplinaire samenstelling beoogt de wetgever te waarborgen dat de kamer met de nodige expertise en kennis van zaken kan oordelen (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/006, p. 43). B.2.
  8. Hoofdstuk II van titel IV van de wet van 5 mei 2014 (« Algemene procedure inzake de plaatsing, de overplaatsing, de uitgaansvergunning, het verlof, de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de invrijheidstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering ») bestaat uit de artikelen 29 tot 56 van die wet. In geval van plaatsing organiseren de artikelen 47 en volgende van de wet van 5 mei 2014 met name een automatische periodieke controle door de kamer voor de bescherming van de maatschappij. Binnen de bij het vorige vonnis van de kamer voor de bescherming van de maatschappij bepaalde termijn, die niet langer mag zijn dan één jaar te rekenen vanaf de datum van dat vonnis, brengt de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg van de inrichting waar de geïnterneerde verblijft een advies uit, na de geïnterneerde persoon te hebben gehoord (artikelen 43, 47 en 52). Dat advies bevat een geactualiseerd multidisciplinair psychosociaal-psychiatrisch verslag, een voorstel tot toekenning of afwijzing van de overplaatsing en de uitvoeringsmodaliteiten en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg nodig acht op te leggen aan de geïnterneerde persoon (artikel 47). Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op (artikel 49). Na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie 7 wordt de zaak behandeld op de eerste nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij (artikel 50). Die kan onder meer beslissen om uitvoeringsmodaliteiten toe te kennen zoals de uitgaansvergunning of de beperkte detentie (artikelen 34 en 52), die gekoppeld zijn aan algemene voorwaarden (artikelen 36 en 52) en waaraan geïndividualiseerde voorwaarden kunnen worden gekoppeld (artikelen 34, 37 en 52). Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij de plaatsing van de geïnterneerde persoon handhaaft of tot een overplaatsing naar een andere inrichting beslist, dient zij wederom in haar vonnis te bepalen wanneer de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg een advies moet uitbrengen. Die termijn mag niet langer zijn dan één jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis (artikelen 43 en 52). De hierboven beschreven procedure wordt dan voortgezet. B.3.
  9. De uitvoeringsmodaliteiten die de kamer voor de bescherming van de maatschappij kan toekennen, betreffen onder meer de uitgaansvergunning en de beperkte detentie. B.3.
  10. Artikel 20 van de wet van 5 mei 2014 definieert de uitgaansvergunning als volgt : « §
  11. De uitgaansvergunning laat de geïnterneerde persoon toe de inrichting te verlaten voor een bepaalde duur die niet langer mag zijn dan zestien uren. §
  12. De uitgaansvergunningen kunnen aan de geïnterneerde persoon worden toegekend om : 1° affectieve, sociale, morele, juridische, familiale, therapeutische, opleidings- of professionele belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de inrichting vereisen; 2° een medisch onderzoek of een medische behandeling buiten de inrichting te ondergaan; 3° zijn sociale re-integratie voor te bereiden. Deze uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend ». Artikel 22 van de wet van 5 mei 2014 voorziet erin dat de uitgaansvergunning op elk ogenblik van de uitvoering van de internering kan worden toegekend, voor zover de geïnterneerde persoon aan meerdere voorwaarden voldoet. Ten eerste mogen er ten aanzien van de geïnterneerde persoon geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan niet tegemoet kan worden gekomen door bijzondere voorwaarden op te leggen. Die tegenaanwijzingen hebben betrekking 8 op het gevaar dat de geïnterneerde persoon zich aan de uitvoering van de internering zou onttrekken, het risico dat hij strafbare feiten zou plegen tijdens de uitgaansvergunning en het risico dat hij de slachtoffers zou lastigvallen. Ten tweede moet de geïnterneerde persoon instemmen met de voorwaarden die aan de uitgaansvergunning kunnen worden verbonden. Er is ook in voorzien dat de uitgaansvergunning kan worden gekoppeld aan de begeleiding door een vertrouwenspersoon of door een personeelslid van de inrichting. B.3.
  13. Artikel 23 van de wet van 5 mei 2014 definieert de beperkte detentie als volgt : « §
  14. De beperkte detentie is een modaliteit van uitvoering van de beslissing tot internering die de geïnterneerde persoon toelaat op regelmatige wijze de inrichting te verlaten voor een duur van maximum zestien uren per dag. §
  15. De beperkte detentie kan aan de geïnterneerde persoon worden toegekend om therapeutische, professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de inrichting vereisen ». Artikel 26 van de wet van 5 mei 2014 voorziet erin dat de beperkte detentie op elk ogenblik van de uitvoering van de internering kan worden toegekend, voor zover de geïnterneerde persoon aan meerdere voorwaarden voldoet. Ten eerste mogen ten aanzien van de geïnterneerde persoon geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan niet tegemoet kan worden gekomen door bijzondere voorwaarden op te leggen. Die tegenaanwijzingen hebben betrekking op de afwezigheid van vooruitzichten op sociale re-integratie van de geïnterneerde persoon rekening houdend met zijn geestesstoornis, het risico dat hij strafbare feiten zou plegen, het risico dat hij de slachtoffers zou lastigvallen, de houding van de geïnterneerde persoon ten aanzien van de slachtoffers en de door de geïnterneerde persoon geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden. Ten tweede moet de geïnterneerde persoon instemmen met de voorwaarden die aan de beperkte detentie kunnen worden verbonden. B.
  16. Het in het geding zijnde artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 bepaalt de beslissingen waartegen een cassatieberoep kan worden ingesteld. Dat artikel bepaalt : « Tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot de toekenning, de afwijzing of de herroeping van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de vrijstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op de overlevering en tot de herziening overeenkomstig artikel 62, met betrekking tot de definitieve invrijheidstelling, evenals tegen de beslissing tot internering van een veroordeelde overeenkomstig artikel 77/7, staat 9 cassatieberoep open voor het openbaar ministerie en de advocaat van de geïnterneerde persoon ». Uit die bepaling volgt dat een cassatieberoep kan worden ingesteld tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot de beperkte detentie, maar niet tegen de beslissingen van die kamer met betrekking tot uitgaansvergunningen (zie met name Cass., 27 februari 2024, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.7; 7 maart 2018, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180307.3). Ten gronde B.
  17. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de geïnterneerde persoon niet toelaat een cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot de in artikel 20 van de wet van 5 mei 2014 bedoelde uitgaansvergunning, terwijl een dergelijk beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot de in artikel 23 van de wet van 5 mei 2014 bedoelde beperkte detentie. B.6.
  18. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de in het geding zijnde bepaling eveneens niet bestaanbaar is met de artikelen 3 en 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, noch met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.6.
  19. In de veronderstelling dat die partij de draagwijdte van de prejudiciële vraag zo wil uitbreiden tot de toetsing van de naleving van die verdragsbepalingen, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dient eraan te worden herinnerd dat een partij voor het Hof de draagwijdte van de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vraag niet vermag te wijzigen of te laten wijzigen. Het komt aan de verwijzende rechter toe te oordelen welke prejudiciële vraag hij aan het Hof dient te stellen en daarbij de omvang van de saisine te bepalen. Het Hof beantwoordt de vraag zoals zij door het verwijzende rechtscollege is gesteld. 10 B.7.
  20. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.7.
  21. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.8.
  22. Zoals het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld, houdt het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.8.
  23. De in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen zijn niet aan twee verschillende systemen onderworpen. Zij vallen allebei onder het toepassingsgebied van dezelfde, specifieke wettelijke regeling inzake internering van personen met een geestesstoornis, in het kader waarvan zij om eenzelfde type van maatregel hebben verzocht overeenkomstig dezelfde procedure bij hetzelfde rechtscollege. Een dergelijk verschil in behandeling vloeit niet voort uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, zoals bedoeld in B.8.
  24. B.
  25. Het Hof dient bijgevolg, in de eerste plaats, na te gaan of het in het geding zijnde verschil in behandeling steunt op een objectief en pertinent criterium van onderscheid. 11 B.10.
  26. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om te bepalen welke beroepen mogelijk moeten zijn tegen de beslissingen van de kamers voor de bescherming van de maatschappij. In de aangelegenheid van de internering van personen met een geestesstoornis is de beoordelingsmarge van de wetgever echter kleiner, rekening houdend met de bijzonder kwetsbare situatie van die personen (in die zin, EHRM, 24 september 1992, Herczegfalvy t. Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:1992:0924JUD001053383, § 82; 10 januari 2013, Claes t. België, ECLI:CE:ECHR:2013:0110JUD004341809, § 101; 6 september 2016, W.D. t. België, ECLI:CE:ECHR:2016:0906JUD007354813, § 115). B.10.
  27. Er bestaat bovendien geen algemeen beginsel dat een recht op een cassatieberoep waarborgt. Wanneer de wetgever evenwel in het rechtsmiddel van cassatieberoep voorziet, kan hij dat rechtsmiddel niet aan bepaalde categorieën van rechtzoekenden ontzeggen zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. B.
  28. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het feit dat de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij betrekking heeft op de beperkte detentie of op een uitgaansvergunning. B.
  29. De parlementaire voorbereiding van de wet van 5 mei 2014 preciseert niet waarom er geen cassatieberoep openstaat tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot een uitgaansvergunning, maar wel tegen de beslissingen van diezelfde kamer met betrekking tot de beperkte detentie. Er kan evenwel worden aangenomen dat de beperking van het aantal beslissingen waartegen een cassatieberoep openstaat, is ingegeven door de zorg om vertragingen van de procedure voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij te vermijden, snel uitsluitsel te bieden over de uitvoeringsmodaliteiten van de internering en een toevloed te vermijden aan cassatieberoepen die binnen een verkorte termijn dienen te worden behandeld (zie ook artikel 79 van de wet van 5 mei 2014). In dat opzicht blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 mei 2014 dat de wetgever, wat in het bijzonder de opdrachten van de kamer voor de bescherming van de maatschappij betreft, een eenvoudige en versoepelde procedure beoogde inzake de toekenning, aanpassing, schorsing en herroeping van de uitvoeringsmodaliteiten van de internering (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3527/002, p. 3). 12 B.13.
  30. Weliswaar zijn verschillende van de doeleinden van de uitgaansvergunningen en de beperkte detentie identiek of gelijkaardig, en kan een uitgaansvergunning « met een bepaalde periodiciteit » worden toegekend (artikel 20, § 2, tweede lid, van de wet van 5 mei 2014). Er kan evenwel worden aangenomen dat de wetgever een dergelijke vergunning heeft opgevat als een uitvoeringsmodaliteit van minder structurele aard dan de beperkte detentie. Die laatste uitvoeringsmodaliteit laat de geïnterneerde immers toe « op regelmatige wijze » de inrichting te verlaten (artikel 23, § 1, van dezelfde wet), en lijkt derhalve te passen in een verder gevorderde fase van de re-integratie in de maatschappij en van diens invrijheidstelling. Overigens kan een uitgaansvergunning bijvoorbeeld ook, in tegenstelling tot een beperkte detentie, worden toegekend om « een medisch onderzoek of een medische behandeling buiten de inrichting te ondergaan » (artikel 20, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 5 mei 2014). Aldus is het waarschijnlijk dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij frequenter en vaker op korte termijn, met name met toepassing van de in artikel 54 van de wet van 5 mei 2014 bedoelde procedure bij hoogdringendheid, uitspraak dient te doen over verzoeken tot toekenning van een uitgaansvergunning dan over verzoeken tot toekenning van een beperkte detentie. B.13.
  31. Het is bijgevolg pertinent ten aanzien van de in B.12 vermelde doelstellingen dat een cassatieberoep wordt uitgesloten voor beslissingen inzake uitgaansvergunningen, maar niet voor beslissingen inzake beperkte detentie. B.
  32. Het Hof dient nog na te gaan of de uitsluiting van een cassatieberoep onevenredige gevolgen heeft voor de betrokken geïnterneerden. B.15.
  33. Terwijl een vrijheidsberoving op elke persoon een ernstige impact heeft, is dat nog meer het geval wanneer, zoals bij internering, de vrijheidsberoving betrekking heeft op kwetsbare personen. B.15.
  34. Een uitgaansvergunning laat de geïnterneerde persoon toe de inrichting waar de internering ten uitvoer wordt gelegd, te verlaten voor een bepaalde duur die kan oplopen tot zestien uren. Zoals is vermeld in B.13.1, kan die vergunning « met een bepaalde periodiciteit » worden toegekend. Zij kan bovendien tegemoetkomen aan een groot aantal, ruim omschreven doeleinden, waaronder het behartigen van de « affectieve, sociale, morele, juridische, familiale, 13 therapeutische, opleidings- of professionele belangen » en het voorbereiden van de sociale re- integratie (artikel 20, § 2, eerste lid, 1° en 3°, van de wet van 5 mei 2014). Een beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot een uitgaansvergunning kan in de praktijk bijgevolg een aanzienlijke impact hebben op de persoonlijke situatie van de geïnterneerde, en de toekenning van die vergunning kan van wezenlijk belang zijn voor zijn welbevinden en/of zijn re-integratie in de maatschappij. B.15.
  35. Rekening houdend met het feit dat de uitgaansvergunning een uitzondering vormt op het vrijheidsberovend karakter van de internering, met de potentiële weerslag van zulk een vergunning op de situatie van de geïnterneerde en met de kwetsbare positie waarin die laatste zich bevindt, heeft de uitsluiting van de controle, door het Hof van Cassatie, van de wettigheid van de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot dergelijke vergunningen onevenredige gevolgen in het licht van het fundamenteel recht op de individuele vrijheid. B.
  36. Noch de omstandigheid dat de wet van 5 mei 2014 voorziet in een automatische periodieke controle door de kamer voor de bescherming van de maatschappij (artikel 47 en volgende van de wet van 5 mei 2014), noch de mogelijkheid voor de geïnterneerde persoon en zijn advocaat om, bij hoogdringendheid, de toekenning te vragen van onder meer een uitgaansvergunning (artikelen 53 en 54 van dezelfde wet), volstaat overigens om de in het geding zijnde uitsluiting van een cassatieberoep te compenseren. De automatische periodieke controle en de mogelijkheid van een verzoek bij hoogdringendheid laten toe tegemoet te komen aan gewijzigde omstandigheden met betrekking tot de persoonlijke, mentale of psychische toestand van de geïnterneerde. Zij bieden echter geen waarborgen inzake de wettigheid van de jurisdictionele beslissingen met betrekking tot een uitgaansvergunning, in het bijzonder wat betreft de toepassing, door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, van de voorwaarden waaronder een dergelijke uitvoeringsmodaliteit kan worden toegekend, de rechtsgeldige samenstelling van die kamer, of nog, de behoorlijke motivering van haar beslissingen. B.
  37. Artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet erin voorziet dat een cassatieberoep kan worden ingesteld tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot uitgaansvergunningen. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet erin voorziet dat een cassatieberoep kan worden ingesteld tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot uitgaansvergunningen. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 februari
  38. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.037 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140225.9 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180307.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.7 ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.037 ECLI:CE:ECHR:1992:0924JUD001053383 ECLI:CE:ECHR:2013:0110JUD004341809 ECLI:CE:ECHR:2016:0906JUD007354813 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.