id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.038 Arrest- Rolnummer: 38/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-10 Raadplegingen: 316 - laatst gezien 2026-06-17 17:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van de vordering tot schorsing Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot schorsing van artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 « tot regeling van de private opsporing », ingesteld door Filip Scheemaker. Economisch recht - Private opsporing (privédetective) - Opleidingsinstelling - Lesgever - Uitsluiting - Gewezen lid van een politiedienst Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 38/2025 van 27 februari 2025 Rolnummer : 8401 In zake : de vordering tot schorsing van artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 « tot regeling van de private opsporing », ingesteld door Filip Scheemaker. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 december 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 december 2024, heeft Filip Scheemaker, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Johan Vande Lanotte, advocaat bij de balie te Gent, een vordering tot schorsing ingesteld van artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 « tot regeling van de private opsporing » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 december 2024). Bij afzonderlijk verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepaling. Bij beschikking van 15 januari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 12 februari 2025, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 5 februari 2025 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partij over te zenden, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be. 2 De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. Junior Geysens, advocaten bij de balie te Brussel, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 12 februari 2025 : - zijn verschenen : . mr. Johan Vande Lanotte, voor de verzoekende partij; . mr. Junior Geysens, tevens loco mr. Nicolas Bonbled, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
- De verzoekende partij voert aan dat zij een gepensioneerde politiecommissaris is die tot op heden les gaf in de sector van de private opsporing aan de erkende opleidingsinstelling « Syntra West ». Ingevolge de bestreden bepaling moet zij die activiteit stopzetten van 16 december 2024 tot juli 2026, hetgeen ook wordt opgemerkt door de betrokken opleidingsinstelling in een e-mail gericht aan de verzoekende partij. Zij beschikt bijgevolg over een belang om de schorsing en de vernietiging van de bestreden bepaling te vragen. A.
- Volgens de Ministerraad zijn het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing niet ontvankelijk bij gebrek aan het rechtens vereiste belang. Het door de verzoekende partij aangevoerde nadeel, zijnde de onmogelijkheid om les te geven in de sector van de private opsporing, vloeit immers niet voort uit de bestreden bepaling, maar uit de onverenigbaarheid die is bepaald bij artikel 30, eerste lid, 6°, van de wet van 18 mei 2024 « tot regeling van de private opsporing » (hierna : de wet van 18 mei 2024). Bijgevolg kan de schorsing de verzoekende partij geen enkel voordeel opleveren. Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing A.3.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partij viseert het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de voorwaarden voor het lesgeven aan de opleidingsinstellingen voor de private beveiligingsondernemingen en de voorwaarden voor het lesgeven aan de opleidingsinstellingen voor de private opsporing. Zij viseert eveneens het onderscheid dat, binnen de sector van de private opsporing, wordt gemaakt tussen de actieve en de gewezen leden van de politiediensten. Terwijl de actieve en de gewezen leden van de politiediensten krachtens de wet van 2 oktober 2017 « tot regeling van de private en bijzondere veiligheid » (hierna : de wet van 2 oktober 2017) wel mogen lesgeven in de sector van de 3 private veiligheid, maakt de bestreden bepaling het enkel voor actieve leden van de politiediensten mogelijk om les te geven in de sector van de private opsporing, maar niet voor gewezen leden van de politiediensten gedurende drie jaar na hun uitdiensttreding. Nochtans streefde de wetgever met de bestreden bepaling coherentie na tussen de sector van de private veiligheid en de sector van de private opsporing. Voorts is de uitsluiting van (gewezen) leden van de politiediensten uit het beroep zelf van privédetective erop gericht elke vorm van of elk risico op ongewenste informatiedoorstroming te verhinderen. Om diezelfde reden wordt in een overstapverbod van drie jaar voorzien tussen politiediensten en de sector van de private opsporing. Gelet op die doelstellingen is er geen pertinente reden voor het onderscheid, enerzijds, tussen lesgevers in de sector van de private veiligheid en lesgevers in de sector van de private opsporing en, anderzijds, in de sector van de private opsporing zelf, tussen actieve en gewezen leden van de politiediensten. Bijgevolg dient de bestreden bepaling te worden geschorst in zoverre zij een lacune bevat doordat zij wel een uitzondering maakt voor de actieve leden van de politiediensten om les te geven in de sector van de private opsporing, maar niet voor de gewezen leden van de politiediensten. Die schorsing dient aldus te worden geïnterpreteerd dat voor de gewezen leden van de politiediensten hetzelfde geldt als voor de actieve leden, namelijk dat ze wel degelijk kunnen lesgeven in de sector van de private opsporing. A.3.
- Volgens de verzoekende partij berokkent de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in haar hoedanigheid van gepensioneerde politiecommissaris die zowel terwijl zij in actieve dienst was als na haar pensionering tot op heden les gaf in de sector van de private opsporing aan een erkende opleidingsinstelling. De onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling leidt immers ertoe dat zij geen les meer mag geven in die sector, hetgeen ook wordt opgemerkt door de betrokken opleidingsinstelling in een e-mail gericht aan de verzoekende partij. De verzoekende partij lijdt aldus een rechtstreeks financieel nadeel, zowel op korte als op lange termijn. Het kan immers worden aangenomen dat door de onmiddellijke invoering van de bestreden maatregel een andere lesgever zal worden aangewezen en dat, zelfs in geval van een latere vernietiging van de bestreden bepaling, die lesgever in dienst zal worden gehouden indien die persoon voldoet. Bovendien is het lesgeven voor de verzoekende partij meer dan een louter financiële kwestie. Het is immers een manier om zich na het pensioen blijvend nuttig te maken in de maatschappij en kennis door te geven aan een jonge generatie. Dat is zeer verrijkend en valt door de bestreden bepaling gedurende nagenoeg twee jaar weg, waarna het hoogstwaarschijnlijk niet meer terugkomt. Het verdwijnen, voor de verzoekende partij, van de onderwijsmarkt gedurende bijna twee jaar, maakt de terugkeer naar die onderwijsmarkt op 65-jarige leeftijd nagenoeg onmogelijk. De schorsing van de bestreden bepaling kan dat nadeel voorkomen. Aldus blijkt uit de e-mail van de betrokken onderwijsinstelling dat de lessen die door de verzoekende partij gegeven worden, niet plaatsvinden tussen half december en half februari en slechts starten vanaf half februari, waarbij met de data enigszins geschoven kan worden. Indien de schorsing wordt uitgesproken, dient geen nieuwe lesgever te worden aangesteld en kan de verzoekende partij begin maart verder werken. A.4.
- Naar het oordeel van de Ministerraad is niet voldaan aan de schorsingsvoorwaarden. Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, herhaalt de Ministerraad dat het aangevoerde nadeel niet voortvloeit uit de bestreden bepaling, maar uit de onverenigbaarheid die is bepaald bij artikel 30, eerste lid, 6°, van de wet van 18 mei
- Voorts blijkt uit geen enkel stuk of feit dat de verzoekende partij ingevolge de bestreden bepaling in een dermate precaire financiële toestand zou belanden dat enkel een schorsing van de bestreden bepaling soelaas zou kunnen bieden. Daarentegen kan worden vastgesteld dat de verzoekende partij, naast de opdracht als lesgever aan de opleidingsinstelling « Syntra West », nog vele andere (bezoldigde) activiteiten uitoefent. Bijgevolg brengt de (tijdelijke) staking van de functie als lesgever aan de opleidingsinstelling « Syntra West » geen onoverkomelijke financiële gevolgen teweeg die de verzoekende partij niet kan dragen tijdens de duur van de vernietigingsprocedure. De bewering dat de verzoekende partij in 2026 geen nieuwe functie als lesgever zou kunnen vinden in de sector van de private opsporing, is louter hypothetisch. In zoverre de verzoekende partij verwijst naar het verrijkende contact met leerlingen en collega-lesgevers, beroept zij zich op een moreel nadeel dat – aldus de rechtspraak van het Hof – niet moeilijk te herstellen is. Bovendien beperkt de bestreden bepaling geenszins de mogelijkheid voor de verzoekende partij om haar kennis te blijven doorgeven aan een jongere generatie, hetgeen ook blijkt uit de vele activiteiten die de verzoekende partij uitoefent. De Ministerraad meent voorts dat het aangevoerde middel niet ernstig is. 4 De Ministerraad herhaalt vooreerst dat het aangevoerde nadeel niet voortvloeit uit de bestreden bepaling, maar uit de onverenigbaarheid die is bepaald bij artikel 30, eerste lid, 6°, van de wet van 18 mei
- Bijgevolg vloeit het bekritiseerde onderscheid niet voort uit de bestreden bepaling, zodat die bepaling niet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Voorts zijn personen die onder de toepassing van de wet van 18 mei 2024 ressorteren niet vergelijkbaar met personen die onder de toepassing van de wet van 2 oktober 2017 ressorteren, in zoverre beide wetten een verschillend toepassingsgebied en een verschillende finaliteit hebben. Aldus is de wet van 2 oktober 2017 in eerste instantie erop gericht de kwaliteit van de dienstverlening te garanderen teneinde de sector op die manier te kunnen integreren in het globale veiligheidsgebeuren, terwijl bij de wet van 18 mei 2024 de nadruk veeleer ligt op de bescherming van de fundamentele rechten, in het bijzonder de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, en het behoud van de noodzakelijke grenzen tussen private en publieke opsporingsactiviteiten. In ieder geval is het verschil in behandeling redelijk verantwoord. De Ministerraad verwijst ter zake naar het feit dat de persoonsvoorwaarden in de wet van 18 mei 2024 strenger zijn dan de persoonsvoorwaarden in de wet van 2 oktober
- Die verschillen dienen te worden geplaatst in het licht van de bovenvermelde verschillende doelstellingen van beide wetten. Wat het zogenaamde « overstapverbod » betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 oktober 2017 meermaals aangegeven dat dat overstapverbod niet langer actueel is en daarom afgezwakt moet worden. Dat verklaart de toevoeging van de zin « waarbij het onmiddellijk erna uitoefenen van een functie in de private veiligheid een gevaar oplevert voor de Staat of voor de openbare orde ». Die overwegingen zijn evenwel niet van toepassing in het kader van de wet van 18 mei
- In de parlementaire voorbereiding van die wet wordt integendeel verduidelijkt dat de maatregelen tot voorkoming van bevoegdheidsoverschrijding of een ongewenste inmenging in de taken van politie of justitie behouden moeten blijven, net zoals de grenzen met betrekking tot de mogelijkheden van overstap of de ongewenste samenwerking tussen publieke veiligheidsactoren en private spelers. Het verschil in formulering tussen artikel 30, eerste lid, 6°, van de wet van 18 mei 2024 en artikel 61, eerste lid, 11°, van de wet van 2 oktober 2017 moet dus verklaard worden vanuit het verschil in nut van het overstapverbod, waarbij de wetgever ten aanzien van de sector van de private opsporing, uit overwegingen van voorzichtigheid en behoedzaamheid, heeft geoordeeld dat de wachtperiode dient te gelden ten aanzien van elke persoon die onder de toepassing van de wet van 18 mei 2024 valt. Die beoordeling is niet onredelijk of onzorgvuldig. A.4.
- In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de vermeende discriminatie voortvloeit uit een extrinsieke lacune in de wetgeving, die enkel door de wetgever kan worden weggewerkt. Het komt immers niet aan het Grondwettelijk Hof maar aan de wetgever toe om een soortgelijke bepaling aan te nemen die is afgestemd op de sector van de private opsporing. -B- B.1.
- De verzoekende partij vordert de schorsing van artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 « tot regeling van de private opsporing » (hierna : de wet van 18 mei 2024). B.1.
- De wet van 18 mei 2024 regelt de sector van de private opsporing en vervangt de wet van 19 juli 1991 « tot regeling van het beroep van privé-detective ». Krachtens artikel 3 van de wet van 18 mei 2024 wordt de activiteit van private opsporing uitgeoefend door een natuurlijke persoon in opdracht van een opdrachtgever en bestaat die activiteit uit het verzamelen van inlichtingen verkregen door de verwerking van informatie over natuurlijke of rechtspersonen of aangaande de toedracht van door hen begane feiten. Die 5 activiteit heeft als doel de verzamelde inlichtingen te verschaffen aan de opdrachtgever om diens belangen in het kader van een effectief conflict of een mogelijk conflict te vrijwaren of om verdwenen personen of verloren of gestolen goederen op te sporen. B.1.
- Artikel 30 van de wet van 18 mei 2024 bevat de voorwaarden waaraan de in artikel 29 vermelde personen, onder wie de opdrachthouders, de private onderzoekers en de lesgevers van de opleidingsinstellingen die een opleiding aanbieden met betrekking tot activiteiten van private opsporing, moeten voldoen. Krachtens die bepaling mag een lid van een politiedienst of een inlichtingen- of veiligheidsdienst niet tegelijkertijd een functie in de sector van de private opsporing uitoefenen (artikel 30, eerste lid, 3°, a)). Voorts mogen de in artikel 29 vermelde personen « in de afgelopen drie jaar geen lid geweest zijn van een politiedienst of een inlichtingen- of veiligheidsdienst » (artikel 30, eerste lid, 6°). Krachtens artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 « [geldt de] in het eerste lid, 3°, a), bepaalde onverenigbaarheid [...] niet voor de leden van de politiediensten die een functie uitoefenen van lesgever in een opleidingsinstelling ». B.
- De verzoekende partij bekritiseert het feit dat de in het bestreden artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 vermelde uitzondering op de onverenigbaarheid voor de leden van een politiedienst om les te geven aan een opleidingsinstelling, niet geldt voor de in artikel 30, eerste lid, 6°, vermelde personen die in de afgelopen drie jaar lid geweest zijn van een politiedienst. Bijgevolg zouden de actieve leden van een politiedienst les mogen geven aan een opleidingsinstelling die een opleiding aanbiedt met betrekking tot activiteiten van private opsporing, terwijl zulks niet toegestaan is voor een gewezen lid van een politiedienst. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepaling daardoor afbreuk doet aan het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.3.
- De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partij niet beschikt over het vereiste belang en dat het beroep daarom onontvankelijk is. 6 B.3.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.
- Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt niet dat het beroep tot vernietiging – en dus de vordering tot schorsing – onontvankelijk moet worden geacht wegens gebrek aan belang. De verzoekende partij gaf tot op het ogenblik van de inwerkingtreding van de bestreden bepaling les in de sector van de private opsporing aan een erkende opleidingsinstelling. Zij wordt rechtstreeks en ongunstig geraakt door de bestreden bepaling, die enkel voor een actief lid van een politiedienst voorziet in een uitzondering op de onverenigbaarheid om les te geven aan een opleidingsinstelling, en niet voor de personen die in de afgelopen drie jaar lid geweest zijn van een politiedienst. De verzoekende partij getuigt bijgevolg van een afdoende belang bij de schorsing en de vernietiging van de bestreden bepaling, in zoverre die bepaling niet voorziet in een uitzondering op de onverenigbaarheid om les te geven aan een erkende opleidingsinstelling voor de gewezen leden van de politiediensten. Ten aanzien van de schorsingsvoorwaarden B.
- Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. 7 B.
- De verzoekende partij is een gepensioneerde politiecommissaris die tot op heden les gaf in de sector van de private opsporing aan een erkende opleidingsinstelling. Wat de voorwaarde van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, voert de verzoekende partij aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling ertoe leidt dat zij geen les meer mag geven in de sector van de private opsporing. Als gevolg daarvan zou zij een financieel en een moreel nadeel ondergaan, zowel op korte als op lange termijn. Ingevolge de onmiddellijke invoering van de bestreden maatregel zou de opleidingsinstelling immers een andere lesgever moeten aanwijzen. Zelfs indien de bestreden bepaling later zou worden vernietigd, zou die lesgever mogelijk in dienst worden gehouden indien die persoon voldoet en zou de terugkeer van de verzoekende partij naar de onderwijsmarkt nagenoeg onmogelijk zijn. B.
- Het Hof heeft reeds geoordeeld dat een bepaling die aan een natuurlijke persoon zijn beroepsactiviteit ontzegt, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan uitmaken (zie onder meer arrest nr. 183/2018, ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.183, B.14, en arrest nr. 60/2022, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.060, B.14.3). Te dezen is de verzoekende partij een gepensioneerde politiecommissaris. Uit de stukken in de bijlage bij het verzoekschrift blijkt dat de omvang van de geplande lessen van de verzoekende partij in de sector van de private opsporing beperkt is en dat de verzoekende partij eveneens les geeft in de sector van de private veiligheid. De verzoekende partij toont aldus niet aan dat haar lesactiviteit in de sector van de private opsporing meer dan louter aanvullend is ten aanzien van haar pensioen en haar andere lesactiviteiten en dat de onmogelijkheid om les te geven in de sector van de private opsporing haar bijgevolg een ernstig en moeilijk te herstellen financieel en moreel nadeel berokkent. In zoverre zij gewag maakt van de mogelijkheid dat de betrokken opleidingsinstelling een andere lesgever aanwijst en in dienst houdt, zelfs in geval van een latere vernietiging van de bestreden bepaling, is het aangevoerde nadeel te hypothetisch om in aanmerking te worden genomen in het kader van het onderzoek van een vordering tot schorsing. B.
- Uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet is aangetoond. Aangezien een van de grondvoorwaarden om tot schorsing te kunnen besluiten niet is vervuld, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 8 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 februari
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.038 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.183 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.060 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.113 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div