← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.039

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.039 Arrest- Rolnummer: 39/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-25 Raadplegingen: 334 - laatst gezien 2026-06-14 19:33 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 9 juni 2023 « houdende de Vlaamse Parken en algemene landschapszorg », ingesteld door de vzw « Boerenbond » en anderen en door de vzw « Natuurlijk Boeren ». Leefmilieu - Nationale Parken Vlaanderen en landschapsparken - Erkenning en subsidiëring - Participatie van de lokale belanghebbenden - Machtigingen aan de Vlaamse Regering - Staatssteun Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 39/2025 van 13 maart 2025 Rolnummers : 8127 en 8142 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 9 juni 2023 « houdende de Vlaamse Parken en algemene landschapszorg », ingesteld door de vzw « Boerenbond » en anderen en door de vzw « Natuurlijk Boeren ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij twee verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 26 december 2023 en 10 januari 2024 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 27 december 2023 en 11 januari 2024, zijn beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 9 juni 2023 « houdende de Vlaamse Parken en algemene landschapszorg » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 juli 2023) ingesteld respectievelijk door de vzw « Boerenbond », de bv « Michiels », Koen Vanacker en Walter Vanacker, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Frank Judo, mr. Filip De Preter, mr. Cedric Jenart, mr. Bert Van Cauter en mr. Louise Janssens, advocaten bij de balie te Brussel, en door de vzw « Natuurlijk Boeren », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Stijn Verbist, mr. Joris Claes en mr. Jadzia Talboom, advocaten bij de balie van Antwerpen. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8127 en 8142 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. 2 Memories zijn ingediend door : - Geert Claessens, Renaat Claessens en Jan Claessens, Tomy Winters, François Achten en Niels Achten, Ben Cuyvers, Hendrik Boutsen, de bv « Broekheidehoeve », Jelle Broekx, Theo Coenen en Katrien Boonen, de CommVLO « De Cat - Huyghe », Dominique Smeets en Peter Smeets, Emiel Fransen, Eduard Hendrikx, Jacky Theuwissen, Johan Maesen, de CommVLO « Klaverhof Agten », de CommVLO « Kwanten », Guido Langens en Hilde Bosmans, Lieven De Cat en Veronique Huyghe, de bv « Lima », Ludo Geerits, Josiane Coninx, de lv « Immerthoeve Schroyen », Erik Kuppens en Jo Kuppens, Adrianus Van Oijen en Marnik Van Oijen, de bv « Patersvijver Hoeve », de CommVLO « Melkveebedrijf Hillen », Rik Theuwis, de CommVLO « Schildermans Rieterveert », Stijn Maes, Theo Cox, Joannes Theunissen, Hilde Tijskens, de bv « Van Loveren » (thans « Pluma »), Liesbet Vanbuel Heynickx, de bv « Vanbuel », de vofLO « Vandecruys - Stevens », Benny Vangansewinkel, Willy Maes en Wim Clijsters, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Frank Judo, mr. Filip De Preter, mr. Cedric Jenart, mr. Bert Van Cauter en mr. Louise Janssens (tussenkomende partijen in de zaak nr. 8127); - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Gregory Verhelst en mr. Bert D’hondt, advocaten bij de balie van Antwerpen. De verzoekende en tussenkomende partijen in de zaak nr. 8127 en de verzoekende partij in de zaak nr. 8142 hebben memories van antwoord ingediend. De Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 15 januari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Zaak nr. 8127 A.1. De vzw « Boerenbond », de bv « Michiels » en twee natuurlijke personen, Koen Vanacker en Walter Vanacker, vorderen de vernietiging van diverse artikelen van het decreet van het Vlaamse Gewest van 9 juni 2023 « houdende de Vlaamse Parken en algemene landschapszorg » (hierna : het decreet van 9 juni 2023). 3 A.2. Als eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan door de artikelen 2, 8°, 20°, 21° en 22°, 3, 4, 11 en 12 van het decreet van 9 juni 2023, van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna : het Verdrag van Aarhus) (eerste onderdeel) en in ondergeschikte orde met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (tweede onderdeel). A.3.1. Als eerste onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet voldoende voorzien in een inspraakmogelijkheid voor de lokale belanghebbenden bij het opstellen van de parknota, het masterplan en de operationele plannen, in zoverre uitsluitend wordt bepaald dat lokale overheden de helft van de leden van het parkbureau moeten uitmaken, terwijl artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet het recht op inspraak inhoudt als waarborg voor de vrijwaring van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu en een goede ruimtelijke ordening en dat artikel 7 van het Verdrag van Aarhus de decreetgever verplicht om in inspraak en participatie van de lokale belanghebbenden te voorzien bij de voorbereiding van de plannen die betrekking hebben op het milieu. Aangaande artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet voeren de verzoekende partijen aan dat de decreetgever een ruime appreciatiebevoegdheid heeft om het omgevingsbeleid vorm te geven, maar dat het redelijkheidsbeginsel zich verzet tegen een beleid dat niet in reële inspraak of participatie van de burger voorziet. Wat het bestreden artikel 11 van het decreet van 9 juni 2023 betreft, wordt slechts in een zeer beperkte aanzet tot inspraak voorzien, waardoor er een gebrek aan garanties is voor « het publiek ». Vooreerst zijn de inspraakmogelijkheden voor het publiek niet gegarandeerd, omdat niet op bindende wijze wordt geformuleerd dat het publiek een reële mogelijkheid heeft om inspraak te krijgen in het opstellen van de parknota en van het masterplan en dat er geen enkele garantie is voor inspraak bij het opstellen van de operationele plannen. A.3.2. Als tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen in ondergeschikte orde aan dat de artikelen 2, 3, 4, 11 en 12 van het decreet van 9 juni 2023 de categorieën lokale belanghebbenden verschillend behandelen zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het decreet van 9 juni 2023 voorziet niet in een garantie op inspraak voor het brede publiek, maar hoogstens in inspraak en participatie voor de lokale besturen. Daarmee voert de decreetgever een verschil in behandeling in tussen de lokale belanghebbenden, die allen vallen onder de noemer « het publiek », maar waarbij verkeerdelijk ervan wordt uitgegaan dat het publiek per definitie zijn stem kan laten gelden via de lokale besturen en dit in alle fasen van de erkenningsprocedure. Naast de lokale overheden worden twee andere categorieën vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 9 juni 2023, namelijk de voorgedragen personen van de publieke of particuliere beheerders en de actoren « wier medewerking nuttig is », en die ook over een vorm van inspraak beschikken. A.4. Het tweede middel van de verzoekende partijen in de zaak nr. 8127 voert de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Doordat de samenstelling van het parkbureau enkel de inspraak en de participatie van de lokale besturen garandeert en andere lokale belanghebbenden geen garantie hebben op een reële uitoefening van hun recht op inspraak en participatie in het parkbureau, voert de wijze van samenstelling van gebiedscoalities en parkbureaus en de invloed hiervan op de inspraak in het ontwerpen en realiseren van landschapsgebied een onredelijk verschil in behandeling in en is de inspraakprocedure niet doeltreffend. De verzoekende partijen voeren aan dat de particuliere of publieke beheerders verschillend worden behandeld, zowel ten aanzien van elkaar als lokale belanghebbenden als ten aanzien van de lokale besturen. Voor de voorbereiding van de parknota’s (die leiden tot de selectie van kandidaten voor een erkenning als Vlaams Park van onbepaalde duur) en de masterplannen (die slechts om de 24 jaar worden herzien) verplicht artikel 11, eerste en tweede lid, van het decreet van 9 juni 2023 dat minstens het advies van de betrokken lokale overheden wordt opgenomen. Dit is een uitdrukkelijke garantie op inspraak voor de lokale overheden die decretaal wordt verankerd, maar waarin niet wordt voorzien voor andere lokale belanghebbenden. Artikel 12, § 1, zesde lid, van het decreet van 9 juni 2023 voorziet in de participatie van de lokale overheden bij de oprichting van het parkbureau en bepaalt dat zij lid mogen worden van de algemene vergadering ervan. Artikel 12, § 2, garandeert dat de helft van de leden van het bestuursorgaan van het parkbureau bestaat uit gemeenteraadsleden van de betrokken lokale overheden; de andere helft wordt voorgedragen door « publieke of particuliere beheerders met een terrein gelegen in het Vlaams Park », die « het beheer van hun terrein hebben afgestemd op de doelstellingen van het Vlaams Park ». De verzoekende partijen voeren aan dat het onderscheidingscriterium geen pertinent criterium is. In de geest van de algemene doelstelling van het decreet van 9 juni 2023 is een integrale visie van belang, maar inzake inspraakmogelijkheden van het publiek reduceert de decreetgever het publiek tot louter de lokale overheden, 4 terwijl de doelstelling van artikel 23 van de Grondwet erin bestaat de burger te activeren en te responsabiliseren op het vlak van het omgevingsbeleid. Bovendien maakt het Verdrag van Aarhus geen onderscheid tussen publieke en private belanghebbenden wanneer het inspraakmogelijkheden van het publiek betreft. Voorts voeren de verzoekende partijen aan dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor het verschil in behandeling. Particuliere beheerders van terreinen, zoals landbouwbedrijven, worden niet als leidende partners beschouwd en hebben geen enkele garantie dat ze deel zullen uitmaken van de « evenwichtige samenstelling » van het parkbureau, zelfs ten aanzien van andere publieke en particuliere beheerders van terreinen en los van de rol van de lokale besturen. De verzoekende partijen besluiten dat het verschil in behandeling van andere belanghebbenden dan de lokale overheden in de voorbereiding van de parknota en het masterplan en de samenstelling van het parkbureau, niet redelijk kan worden verantwoord in het licht van de doelstelling van het decreet van 9 juni 2023, namelijk het voeren van een integraal landschapsbeleid. A.5. Als derde middel in de zaak nr. 8127 voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet junctis de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), in samenhang gelezen met het wettigheidsbeginsel van artikel 23 van de Grondwet, met het beginsel van de scheiding der machten en met het rechtszekerheidsbeginsel, doordat het decreet van 9 juni 2023 tot doel heeft in een kader te voorzien met regels inzake specifieke erkenningsprocedures en erkenningsvoorwaarden voor elk parkstatuut en de decreetgever in de artikelen 3 en 4 van het voormelde decreet heeft nagelaten de essentiële aspecten of het voorwerp van de specifieke procedures en voorwaarden vast te leggen, terwijl het decreet van 9 juni 2023 een zeer ruime delegatie van regelgevende bevoegdheden overdraagt aan de Vlaamse Regering, zodat de decreetgever het principiële delegatieverbod schendt. Het bestreden decreet van 9 juni 2023 bevat verschillende regelgevende delegaties aan de Vlaamse Regering (artikelen 5, 9, 12, 15, 16, 18, 19, 22, 23 en 25), die heel ruim en onvoldoende afgebakend zijn zonder dat de substantiële aspecten door de decreetgever zelf werden geregeld. Artikel 23 van de Grondwet verbiedt de decreetgever niet om machtigingen te verlenen aan de uitvoerende macht, maar die mogelijkheid wordt beperkt tot de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de decreetgever het onderwerp heeft aangegeven. Hieruit volgt dat de decreetgever, bij het bepalen van het « onderwerp » van het te waarborgen sociaal, economisch of cultureel grondrecht, het niet aan de uitvoerende macht kan overlaten om de draagwijdte, de toekenningsvoorwaarden en het personele toepassingsgebied van die rechten te bepalen. De verzoekende partijen besluiten dat de delegaties vervat in het bestreden decreet van 9 juni 2023 in strijd zijn met het principiële delegatieverbod van de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en met het wettigheidsbeginsel in artikel 23 van de Grondwet. Zaak nr. 8142 A.6. De vzw « Natuurlijk Boeren » vordert de vernietiging van de artikelen 3 tot 17 van het decreet van 9 juni 2023. A.7. Als eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, lid 9, 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus. De decretale bepalingen inzake inspraak zijn onvoldoende rechtszeker en blijven heel vaag, zodat er onvoldoende garanties bestaan dat de betrokken partijen bij de Vlaamse Parken op gelijke en afdoende wijze inspraak zullen krijgen. Er is geen eensluidende procedure vooropgesteld, nergens wordt een openbaar onderzoek verplicht gesteld en een duidelijke inspraaktermijn ontbreekt. Dat heeft tot gevolg dat de manier waarop de mogelijke inspraak zal worden georganiseerd kennelijk willekeurig kan verlopen, al naargelang de verschillende erkenningsdossiers en al naargelang de betrokken lokale overheden. Er is geen waarborg dat de betrokken actoren in alle gevallen op gelijklopende en op even doeltreffende wijze inspraak zullen krijgen bij de parknota’s, de masterplannen en de operationele plannen. Het kan niet worden ontkend dat de parknota’s, masterplannen en operationele plannen van de Vlaamse Parken, die zelf geen verordenende kracht hebben, met hun specifieke doelstellingen toch de grondslag zullen vormen voor de latere beslissingen in het kader van de ruimtelijke ordening. Op dezelfde manier zijn de ruimtelijke beleidsplannen niet rechtstreeks verordenend voor de burger, maar omvatten ze een strategische visie voor de ruimtelijke ordening op lange termijn. Voor ruimtelijke beleidsplannen bestaat echter wel een decretaal verankerd openbaar onderzoek. Er is geen deugdelijke verantwoording voor het gebrek aan een formele en duidelijk afgebakende inspraakfase, in vergelijking met bijvoorbeeld de procedure voor een ruimtelijk beleidsplan. 5 A.8. Het tweede middel van de verzoekende partij gaat uit van de schending door de artikelen 3 tot 14 van het decreet van 9 juni 2023 van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met het rechtszekerheidsbeginsel. Doordat het decreet van 9 juni 2023 de mogelijkheid laat bestaan dat landbouwgronden worden opgenomen in een Landschapspark of een Nationaal Park Vlaanderen, kunnen landbouwbedrijven worden geconfronteerd met een zeer verregaande eigendomsbeperking die resulteert in een de facto onteigening. Landbouwers die percelen hebben in of in de nabijheid van een Vlaams Park, zullen worden geconfronteerd met de moeilijkheid of zelfs onmogelijkheid om hun percelen nog verder te exploiteren in functie van hun landbouwonderneming. De doelstellingen die de decreetgever nastreeft met het decreet van 9 juni 2023 zijn onverenigbaar met het exploiteren van een landbouwbedrijf in een Vlaams Park. De verzoekende partijen voeren aan dat de erkenning als een Vlaams Park of de werking van het parkbureau, ongeacht hetgeen in artikel 8 van het decreet van 9 juni 2023 is bepaald, een impact zal hebben op de bestaande bestemmingen en bestaande eigendomsrechten. Het bestreden decreet van 9 juni 2023 voorziet geen behoud van de status quo, maar beoogt concrete veranderingen op middellange en lange termijn. Voorts heeft het bestreden decreet tot gevolg dat de natuurkern van een Nationaal Park Vlaanderen binnen ongeveer twee decennia minstens zal moeten worden verdubbeld, dat daarvoor herbestemmingen nodig zullen zijn en dat bovendien ook nog natuurbeheerplannen zullen gelden. De natuurkern kan enkel uit welbepaalde « ecologische » bestemmingsgebieden bestaan en niet uit gewoon agrarisch gebied. Het voorgaande klemt des te meer omdat er voor militaire domeinen wel in een uitzondering is voorzien. Die domeinen vertegenwoordigen een « hoger belang »; zij dienen enkel een « belangrijke natuurfunctie » te hebben en zijn vrijgesteld van de verplichting om na tien jaar voor minstens de helft onder een natuurbeheerplan type 3 of 4 te vallen, en na 24 jaar voor minstens 75 %. A.9. Als derde middel in de zaak nr. 8142 voert de verzoekende partij de schending aan door de artikelen 15 tot 17 van het decreet van 9 juni 2023 van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), doordat de voorziene subsidieregeling een kennelijk onrechtmatige staatssteun uitmaakt. Volgens de verzoekende partij kan een Vlaams Park, zowel tijdens de erkenningsprocedure als na de erkenning, op royale overheidssubsidies rekenen. Die subsidieregeling creëert een onrechtmatig concurrentieel voordeel ten aanzien van de gewone grondeigenaars in of nabij een Vlaams Park, aangezien gewone grondeigenaars niet kunnen rekenen op subsidies wanneer ze gronden in of nabij Vlaamse Parken willen aankopen. Memorie tot tussenkomst A.10. Verschillende natuurlijke personen en rechtspersonen die allen landbouwer of een landbouwbedrijf zijn, wensen tussen te komen in de zaak nr. 8127. Ze voeren aan dat zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen van het decreet van 9 juni 2023. Ten gronde volgen zij de zienswijze van de verzoekende partijen. Standpunt van de Vlaamse Regering A.11. De Vlaamse Regering voert aan dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8127 en 8142, alsook de tussenkomende partijen, niet aantonen dat hun situatie rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt door de bestreden bepalingen. De verzoekende en tussenkomende partijen houden geen rekening met het feit dat het decreet van 9 juni 2023 geen basis vormt voor administratieve rechtshandelingen die hun situatie rechtstreeks en ongunstig kunnen beïnvloeden, aangezien het een kaderdecreet is dat vooral tot doel heeft om beleidsinitiatieven, die zijn gesteund op andere regelgeving, te coördineren binnen bepaalde afgebakende delen van het Vlaamse grondgebied. De erkenning van een Nationaal Park Vlaanderen of Landschapspark leidt niet tot bijkomende beperkingen of verplichtingen voor eigenaars en gebruikers. Noch de eigendomssituatie, noch de bestemming van de gronden wijzigt ingevolge de opname binnen een Vlaams Park. Het bestreden decreet van 9 juni 2023 regelt enkel de erkenningsvoorwaarden, de statuten en de beheersstructuur van de toekomstige Vlaamse Parken. De instrumenten die zullen worden ingezet op grond van het masterplan om het Vlaams Park verder vorm te geven en de 6 natuurkwaliteit te verhogen, kunnen wel een impact hebben op de rechtpositie van een eigenaar, maar dat zijn instrumenten die het voorwerp zullen uitmaken van nadere besluitvorming, die niet steunt op het decreet van 9 juni 2023 zelf. A.12.1. Wat het eerste middel in de zaak nr. 8127 betreft, voert de Vlaamse Regering aan dat het middel deels onontvankelijk is. Het bestreden artikel 2 is een norm die definities van begrippen en concepten bevat die nodig zijn voor een goed begrip van het decreet van 9 juni 2023. De verzoekende partijen kunnen daardoor niet ongunstig worden geraakt. A.12.2. Ten gronde voert de Vlaamse Regering aan dat bij de opmaak van het decreet van 9 juni 2023 reeds overleg is gepleegd met diverse belanghebbenden. Volgens de Vlaamse Regering gaan de verzoekende partijen ten onrechte ervan uit dat de parknota, het masterplan en het operationeel plan moeten worden gekwalificeerd als « plannen en programma’s betrekking hebbende op het milieu » in de zin van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. De parknota, het masterplan en het operationeel plan worden ingediend door een gebiedscoalitie, die minstens deels bestaat uit private partijen. De parknota is geen beslissing die door een overheid wordt voorbereid en/of aangenomen of door een overheid wordt voorbereid met het oog op de aanneming, via een formele procedure, door een parlement of een regering. Het masterplan en het operationeel plan formuleren een aantal beleidsmatige doelstellingen, maar het blijven documenten die uitgaan van private partijen en die loutere engagementen inhouden, zonder garantie dat die engagementen finaal ook kunnen worden gerealiseerd. De parknota, het masterplan en het operationeel plan zijn geen documenten met een reglementaire waarde, waardoor ze niet kunnen worden beschouwd als « plannen en programma’s betrekking hebbende op het milieu », noch als « beleid betrekking hebbende op het milieu » in de zin van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Dat er, ondanks de niet-toepasselijkheid van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus, een ruime inspraakregeling werd uitgewerkt getuigt van goed en zorgvuldig bestuur. Zo bepaalt artikel 11 van het decreet van 9 juni 2023 dat naar aanleiding van het inspraakmoment dat door de lokale overheden moet worden georganiseerd bij de voorbereiding en de opmaak van de parknota en het masterplan, het publiek inspraak zal kunnen laten gelden, waarna met die inspraak rekening moet worden gehouden in het advies van de lokale overheden dat integraal deel zal uitmaken van de parknota en het masterplan. Dat het decreet van 9 juni 2023 niet verplicht om een « openbaar onderzoek » te organiseren, maar enige vrijheid laat aan de lokale besturen, maakt geenszins een schending uit van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Voorts bevat het operationeel plan louter de uitwerking en de implementatie van het masterplan voor een periode van zes jaar. Het is in het masterplan dat de wijze wordt vastgesteld waarop in het Vlaams Park de beleidsdoelstellingen worden uitgevoerd en de langetermijnvisie en langetermijndoelstellingen van een Vlaams Park worden bepaald voor een periode van 24 jaar. Omdat reeds in een afdoende en doeltreffende inspraakmogelijkheid voor het publiek is voorzien bij de voorbereiding en de opmaak van het masterplan, dient niet meer in een afzonderlijke inspraakmogelijkheid te worden voorzien bij de opmaak van het operationeel plan. De Vlaamse Regering voert aan dat alle belanghebbenden die gevestigd zijn, dan wel woonachtig zijn binnen een gemeente op wier grondgebied een Vlaams Park gelegen is, steeds vertegenwoordigd worden door de gemeenteraadsleden die door de lokale overheden worden benoemd tot de leden van het parkbureau. Die gemeenteraadsleden zullen minstens de helft van het bestuursorgaan van het parkbureau uitmaken en zullen een functie vervullen als vertegenwoordiger van de bevolking in een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Volgens de Vlaamse Regering is het correct te stellen dat de lokale overheden structureel betrokken worden bij de opmaak van de parknota en het masterplan en bij de opmaak van de operationele plannen ter implementatie van het masterplan, maar ook de andere leden van het publiek worden hierbij betrokken en krijgen de mogelijkheid om hun inspraak op afdoende en doeltreffende wijze te doen gelden. Het valt binnen de appreciatievrijheid van de decreetgever en de Vlaamse Regering om de lokale besturen een bijzondere plaats te geven bij de opmaak van die documenten, gelet op hun ruime bevoegdheden inzake de ordening en het beleid met betrekking tot het gemeentelijk leefmilieu. A.13. Wat het tweede middel in de zaak nr. 8127 betreft, voert de Vlaamse Regering aan dat het decreet van 9 juni 2023 reële, passende en praktische voorzieningen definieert voor de inspraak voor het publiek gedurende de voorbereiding van plannen en programma’s die betrekking hebben op het milieu, binnen een transparant en eerlijk kader. Er is geen sprake van een onverantwoord verschil in behandeling tussen de lokale overheden en de andere lokale belanghebbenden, zoals de particuliere en publieke beheerders van terreinen in het Vlaams Park. 7 Aan beide categorieën van personen worden inspraak- en participatiemogelijkheden « op maat » verleend bij de voorbereiding van de plannen aangaande de Vlaamse Parken, alsook bij het management en het beheer van de Parken. Er is enkel een verschil in de wijze waarop inspraak- en participatiemogelijkheden worden toegestaan. Op grond van de bestreden artikelen 11 en 12 van het decreet van 9 juni 2023 wordt zowel aan de lokale overheden als aan de andere lokale belanghebbenden de mogelijkheid gegeven om hun inspraak en participatie te laten gelden bij de opmaak en de voorbereiding van de verschillende plannen en programma’s die het beleid van het Vlaams Park bepalen en bij het beheer en het management van het Vlaams Park; enkel de wijze waarop inspraak- en participatiemogelijkheden worden toegestaan, verschilt. Dat verschil is gesteund op een objectief en pertinent criterium en is redelijk te verantwoorden. Gelet op hun hoedanigheid van lokale besturen, zijn de lokale overheden de belangrijkste stakeholders die betrokken zijn bij de ontwikkeling van een Vlaams Park en van hen kan worden verwacht dat zij mee zullen bijdragen aan een volwaardig en transversaal landschapsbeleid. De lokale overheden zijn de belanghebbenden die, voor wat hun grondgebied betreft, belast zijn met taken van algemeen belang en die doelstellingen van algemeen belang nastreven. Omdat het decreet van 9 juni 2023 voorziet in een kader voor een transversaal landschapsbeleid binnen het omgevingsrecht, waarbij Vlaamse Parken zullen worden opgericht op het grondgebied van de lokale overheden die belast zijn met het behartigen van het gemeentelijk belang, voorziet het decreet in de structurele betrokkenheid van de lokale besturen op wier grondgebied het park gelegen is, met name door hen advies te vragen omtrent de parknota en het masterplan en door de gemeenten, vertegenwoordigd door gemeenteraadsleden, de helft van het bestuursorgaan van het parkbureau te laten uitmaken. In ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering aan dat de te vergelijken categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. De lokale overheden streven, anders dan de andere lokale belanghebbenden, het algemeen belang na. Zij hebben een algemeen omschreven, territoriaal beperkte bevoegdheid, namelijk het behartigen van het algemeen lokaal belang op hun grondgebied. Het is het bestuursniveau dat het dichtst bij de burgers staat, en dat daardoor ook het meest geschikte kanaal is om inspraakreacties van het publiek te verzamelen. De andere lokale belanghebbenden, zoals de private en de publieke eigenaars of beheerders van terreinen binnen of in de buurt van een Vlaams Park, dan wel organisaties van beroepsgroepen, streven niet het algemeen belang na. Zij behartigen louter hun eigen private belangen, of hoogstens functionele of specifieke doelgerichte belangen voor een bepaalde groep van personen. Dit verschil verantwoordt het verschil in inspraak- en participatiemogelijkheden bij de voorbereiding en opmaak van de parknota, het masterplan en het operationeel plan en bij de samenstelling van het parkbureau. A.14.1. Wat het derde middel in de zaak nr. 8127 betreft, voert de Vlaamse Regering aan dat dit middel deels onontvankelijk is. De verzoekende partijen kaarten de ongrondwettigheid van het decreet van 9 juni 2023 aan, doordat het bestreden decreet het decreet zelf zou schenden. Ook de verwijzing naar de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is onontvankelijk, omdat de artikelen 20 en 78 geen bevoegdheid toekennen aan de deelentiteiten en geen bevoegdheden verdelen tussen de deelentiteiten en de federale overheid; zij houden een regeling in inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende en uitvoerende macht op niveau van de deelentiteiten. Normen die de bevoegdheden tussen de wetgevende en de uitvoerende macht afbakenen zijn geen bevoegdheidverdelende regels waaraan het Hof kan toetsen. A.14.2. Ten gronde meent de Vlaamse Regering dat de essentiële aspecten van het landschapsbeleid en de erkenningsprocedures en de erkenningsvoorwaarden voor elk parkstatuut voldoende worden geregeld in het decreet van 9 juni 2023. Er is geen te ruime verordeningsbevoegdheid gedelegeerd aan de Vlaamse Regering. De decreetgever is niet verplicht om alle essentiële elementen te regelen en het is hem niet verboden om de uitvoerende macht ertoe te machtigen die te regelen. Uit de bestreden artikelen 3, 4 en 5 van het decreet van 9 juni 2023 blijkt dat de Vlaamse decreetgever op nauwkeurige en ondubbelzinnige wijze het onderwerp heeft bepaald van de doelstellingen van de Vlaamse Parken, en tevens heeft bepaald wat onder de parkstatuten dient te worden verstaan. De Vlaamse Regering wordt enkel ertoe gemachtigd om de inhoud van de in het decreet opgesomde doelstellingen voor de Vlaamse Parken verder in te vullen. Deze werkwijze is verenigbaar met het wettigheidsbeginsel van artikel 23 van de Grondwet. Ook inzake de erkenningsprocedure en de erkenningsvoorwaarden en met betrekking tot de subsidiëring van de Vlaamse Parken heeft de decreetgever op voldoende wijze het onderwerp afgebakend. De Vlaamse Regering voert aan dat, omdat het onderwerp van de machtigingen aan de Vlaamse Regering duidelijk is afgebakend, het decreet van 9 juni 2023 een voldoende rechtszekere basis is waardoor de rechtsonderhorige precies weet waar hij aan toe is. Het beleidsveld voor de nadere regelgeving die de Vlaamse Regering kan uitvaardigen, is nauwkeurig en duidelijk afgebakend. Bovendien beantwoorden de gedelegeerde 8 bevoegdheden volledig aan de algemene voorwaarde van artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Tot slot kan gesteld worden dat het decreet van 9 juni 2023 volledig in lijn ligt met artikel 23 van de Grondwet en het recht op bescherming van een gezond leefmilieu als onderdeel van het recht op een menswaardig leven. A.15.1. Voor wat het eerste middel in de zaak nr. 8142 betreft, voert de Vlaamse Regering aan dat het middel onontvankelijk is, in zoverre het de schending van artikel 8 van het Verdrag van Aarhus aanvoert. Dat artikel bepaalt dat er inspraak voor het publiek moet worden gewaarborgd tijdens de voorbereiding van uitvoerende regelingen en/of algemeen toepasselijke wettelijk bindende normatieve instrumenten. Maar op grond van artikel 8 van het decreet van 9 juni 2023 genereert de erkenning van een Vlaams Park geen verplichtingen of beperkende maatregelen en hebben noch het masterplan, noch de operationele plannen enige verordenende kracht. A.15.2. Ten gronde meent de Vlaamse Regering dat er geen onrechtmatig verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen de totstandkomingsprocedure voor de Vlaamse Parken en de totstandkomingsprocedure voor andere ruimtelijke plannen binnen het beleidsveld van de ruimtelijke ordening. Beide categorieën zijn niet vergelijkbaar. Het decreet van 9 juni 2023 voorziet niet in verplichtingen, noch beperkende maatregelen in aanvulling op de vigerende regelgeving voor de houders van zakelijke rechten binnen of buiten een Vlaams Park of voor de gebruikers ervan. Een ruimtelijk uitvoeringsplan daarentegen heeft, in tegenstelling tot de erkenning van een Vlaams Park en de erbij horende plannen, wel verordenende kracht. Beide categorieën zijn niet vergelijkbaar en minstens berust het verschil in behandeling op een pertinent criterium, met respect voor het evenredigheidsbeginsel. A.16. Wat het tweede middel in de zaak nr. 8142 betreft, voert de Vlaamse Regering aan dat de doelstellingen van het decreet van 9 juni 2023 wel verenigbaar zijn met de uitbating van een landbouwbedrijf en dat landbouwers nog vrij zullen kunnen beschikken over hun percelen op de manier waarop zij dat wensen. Het versterken en herstellen van de landbouw is immers een doelstelling van het decreet van 9 juni 2023 (artikel 3, § 1, eerste lid, en § 2, 1°). Voorts hebben de instrumenten van het decreet van 9 juni 2023 geen verordenende waarde, en wordt de rechtspositie van de landbouwers ongemoeid gelaten. De eigendomsrechten en de benuttigingsmogelijkheden van de landbouwers worden niet beïnvloed, noch beperkt, behalve wanneer de landbouwer daarmee zelf akkoord gaat. In zoverre de erkenning van een Vlaams Park aanleiding geeft tot het inzetten van bepaalde andere beleidsinstrumenten, is het wel mogelijk dat daaruit een gebruiksbeperking voortvloeit, maar de rechtsgevolgen maken niet het voorwerp uit van het decreet van 9 juni 2023. Tot slot is het verschil in behandeling met de militaire domeinen ook redelijk verantwoord. Het militair domein, anders dan landbouwgronden, is een gebied dat zeer interessant is voor de natuurwaarden en de doelstellingen inzake natuur en bos, en maakt reeds lang deel uit van een functionerende samenwerking tussen Defensie en de Vlaamse overheid. Omdat militaire domeinen reeds 10 % van de oppervlakte van het Natura 2000-netwerk in Vlaanderen uitmaken en dus een hotspot zijn voor natuurwaarden, is het te verantwoorden dat het aan Defensie zelf wordt overgelaten om de keuzes voor het terreintype te maken. In het licht van het algemeen hoger belang, met name ’s lands defensie, is het verantwoord dat er een verschil in behandeling is wat betreft de verplichting inzake natuurbeheerplan type 3 of type 4 (artikel 4 van het decreet van 9 juni 2023). A.17. Wat het derde middel in de zaak nr. 8142 betreft, voert de Vlaamse Regering aan dat er geen staatssteun is en dat er geen ongelijke behandeling is van, enerzijds, partijen die een perceel in of nabij een Vlaams Park willen verwerven zonder subsidies en, anderzijds, gesubsidieerde partijen. Vooreerst heeft de subsidieregeling betrekking op het toekennen van financiering voor de werking van de gebiedscoalitie, dan wel het parkbureau, en naargelang van de doelstellingen van de Vlaamse Parken. De subsidie die aan de gebiedscoalitie kan worden toegekend, kan enkel worden aangewend ter uitwerking van het masterplan en het operationeel plan en ter oprichting van een parkbureau. Er worden geen subsidies toegekend aan partijen om meerdere percelen op te kopen of te verwerven in of nabij een Vlaams Park, waardoor er geen onrechtmatig concurrentieel voordeel is. Bovendien zijn die subsidies te beschouwen als staatssteun inzake immaterieel erfgoed waardoor ze zijn vrijgesteld van aanmelding op grond van artikel 108, lid 3, van de VWEU (artikel 53, lid 2, b), van de verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 « waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar wordt verklaard »). Tot slot hebben de Vlaamse Parken geen economische activiteiten voor ogen, daar waar landbouwbedrijven die wel hebben. 9 A.18. Ondergeschikt vraagt de Vlaamse Regering de handhaving van de rechtsgevolgen voor een periode van twee jaar na publicatie van het vernietigingsarrest van het Hof in het Belgisch Staatsblad. Niettegenstaande de bestreden decretale bepalingen op zich niet de rechtspositie van de verzoekende partijen wijzigen, neemt dat niet weg dat zij inmiddels wel de juridische basis hebben aangeleverd voor de erkenning van negen Vlaamse Parken, waaronder vier nationale parken (Bosland, Brabantse Wouden, Hoge Kempen en Scheldevallei) en vijf landschapsparken (Grenzeloos Bocageland, Haspengouw, Maasvallei, Vlaamse Ardennen en Zwinstreek). Tegen verschillende erkenningsbesluiten zijn vernietigingsberoepen ingediend bij de Raad van State en in die verzoekschriften wordt onder andere als middel aangevoerd dat de erkenningsbesluiten hun juridische grondslag zullen verliezen wanneer het decreet van 9 juni 2023 zal worden vernietigd. De vernietiging van de bestreden decretale bepalingen zal aanleiding geven tot het zogenaamde domino-effect en een aanzienlijke rechtsonzekerheid creëren met betrekking tot de Vlaamse Parken die reeds erkend zijn. Memorie van antwoord in de zaak nr. 8127 A.19. Vooreerst voeren de verzoekende partijen aan dat zowel zij, als alle tussenkomende partijen, belang hebben bij het door hen ingediende beroep tot vernietiging, dan wel de memorie tot tussenkomst. De Vlaamse Regering tracht het belang van de verzoekende partijen te betwisten door aan te voeren dat de bestreden artikelen van het decreet van 9 juni 2023 geen rechtsgevolgen teweegbrengen en dus geen wijziging in de rechtspositie van de verzoekende partijen veroorzaken. Dat komt neer op een cirkelredenering : dat het decreet van 9 juni 2023 een kaderdecreet betreft, waarbij wordt voorzien in ruime delegaties aan de Vlaamse Regering, is de essentie van wat de verzoekende partijen aanvoeren. Volgens de redenering van de Vlaamse Regering zou het aldus onmogelijk zijn om belang te hebben bij het aanvechten van een kaderwetgeving met ongrondwettige delegaties aan de uitvoerende macht. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen van het decreet van 9 juni 2023 niet verwijzen naar een andere regelgeving, maar een kader definiëren voor het opstellen van beleidsdocumenten. De nadelen die de verzoekende partijen aanhalen, vormen een schending van het recht op een gelijke behandeling van gelijke situaties en van de inspraak- en participatierechten bij het opstellen van die beleidsdocumenten. Aangezien dat kader in het decreet van 9 juni 2023 is uitgewerkt, worden de verzoekende partijen rechtstreeks en ongunstig geraakt door de bestreden artikelen. A.20.1. Voor wat de ontvankelijkheid van het eerste middel in de zaak nr. 8127 betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat zij niet bij ieder middel moeten aantonen dat zij daarbij belang hebben. A.20.2. Voor wat de gegrondheid van het eerste middel in de zaak nr. 8127 betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat de parknota’s, de masterplannen en de operationele plannen voldoen aan de voorwaarden die worden opgesomd in de « Aanbevelingen van Maastricht ». Vaststellen dat artikel 7 van het Verdrag van Aarhus van toepassing is, heeft, volgens de verzoekende partijen, tot gevolg dat de decreetgever ertoe verplicht wordt « passende praktische en/of andere voorzieningen voor inspraak [te treffen] » voor het publiek gedurende de voorbereiding van die plannen en programma’s en zulks binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de nodige informatie te hebben verstrekt. Minstens moet de decreetgever, indien het zou gaan om « een beleid met betrekking tot het milieu », passende inspanningen leveren om bij de voorbereiding ervan mogelijkheden te scheppen voor inspraak. De verzoekende partijen voeren aan dat de inspraakmogelijkheden in het decreet van 9 juni 2023 ruimschoots tekortschieten om tegemoet te komen aan wat door artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Verdrag van Aarhus, wordt vereist. Artikel 11 van het decreet van 9 juni 2023 bepaalt enkel dat lokale overheden in het kader van hun adviesverlening een « vorm van inspraak » moeten organiseren bij de voorbereiding van de parknota’s en de masterplannen. Die tekortkomingen worden niet hersteld door in artikel 4, § 2, van het decreet van 9 juni 2023 te bepalen dat de belangen van de « lokale bewonersgemeenschappen » deel uitmaken van de doelstellingen van Nationale Parken Vlaanderen. Voor wat artikel 12 van het decreet van 9 juni 2023 betreft, wordt zelfs in geen enkele vorm van inspraak voor het publiek voorzien. Het complete gebrek aan inspraak bij de operationele plannen kan, volgens de verzoekende partijen, evenmin worden aanvaard. Operationele plannen werken concreet de algemene visies uit van de masterplannen over een periode van zes jaar (artikel 9, tweede lid, van het decreet van 9 juni 2023) en die plannen moeten voldoen aan de vereisten van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. De vorm van inspraak waarin is voorzien voor de masterplannen is niet voldoende om aan die voorwaarden van inspraak te voldoen. Het publiek kan bij de opmaak van masterplannen niet inschatten hoe de daarin geformuleerde algemene visies in concrete maatregelen zullen worden omgezet en kan zich dan ook in het kader van de inspraak bij de masterplannen niet doeltreffend 10 uitspreken. Het publiek wordt verplicht zich uit te spreken over een algemene visie zonder te weten hoe die concreet zal worden uitgewerkt en zonder later nog de kans te krijgen zich over die concrete uitwerking uit te spreken. Hoewel de Vlaamse Regering ertoe wordt gemachtigd om nadere regels te bepalen inzake de inspraak bij de opmaak van de parknota’s en de masterplannen, biedt deze algemene en vage delegatie geenszins de nodige garanties voor het ontwerpen van een inspraakregeling conform de vereisten van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Ondergeschikt voeren de verzoekende partijen aan dat op geen enkel moment in het decreet van 9 juni 2023 wordt bepaald dat de parknota, het masterplan en het operationeel plan op afdoende wijze moeten worden bekendgemaakt en moeten worden voorgelegd aan het publiek, zodat het publiek een reële inspraakmogelijkheid krijgt. Door enkel te wijzen op de verschillen tussen lokale overheden en het brede publiek gaat de Vlaamse Regering voorbij aan de essentie van het betoog van de verzoekende partijen. A.21.1. Aangaande het tweede middel in de zaak nr. 8142, voeren de verzoekende partijen aan dat dit het enige middel is waarbij de Vlaamse Regering niet aanvoert dat het middel onontvankelijk is. Hieruit kan impliciet worden afgeleid dat de bestreden artikelen van het decreet van 9 juni 2023 de verzoekende partijen wel nadelig raken. A.21.2. Ten gronde voeren de verzoekende partijen aan dat de lokale besturen en de andere lokale belanghebbenden wel vergelijkbare categorieën zijn. De verschillen tussen de lokale besturen en andere lokale belanghebbenden kunnen niet leiden tot de niet-vergelijkbaarheid, aangezien beide categorieën belanghebbenden zijn bij het opstellen van de parknota’s, de masterplannen en de operationele plannen van de Vlaamse Parken. De voorkeursbehandeling voor de lokale besturen is niet redelijk verantwoord en doet afbreuk aan de kern van het Verdrag van Aarhus, dat een gelijke inspraakmogelijkheid garandeert voor elk lid van het publiek ongeacht zijn hoedanigheid of het belang dat hij nastreeft. A.22.1. Wat het derde middel in de zaak nr. 8127 betreft, betwisten de verzoekende partijen de door de Vlaamse Regering opgeworpen gedeeltelijke onontvankelijkheid. Het verweer van de Vlaamse Regering gaat volledig voorbij aan het feit dat het derde middel voortvloeit uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet junctis de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de aangehaalde grondwettelijke rechtsbeginselen van de scheiding der machten en de rechtszekerheid. Het Hof heeft minstens onrechtstreeks die toetsingsbevoegdheid. A.22.2. Ten gronde vragen de verzoekende partijen het Hof vast te stellen dat de grondrechten, gewaarborgd in artikel 23 van de Grondwet, op evenwaardige wijze een voorbehouden materie vormen zoals alle andere voorbehouden aangelegenheden. Het wettigheids- en rechtszekerheidsbeginsel vereisen dat de decreetgever de essentiële elementen van een materie vastlegt. De decreetgever kan zich bij het bepalen van het « onderwerp » van een te waarborgen sociaal, cultureel of economisch grondrecht niet ertoe beperken het aan de uitvoerende macht over te laten de draagwijdte, de toekenningsvoorwaarden en het personele toepassingsgebied van die rechten te bepalen. Memorie van antwoord in de zaak nr. 8142 A.23. Vooreerst voert de verzoekende partij aan dat zij belang heeft bij het door haar ingediende beroep tot vernietiging. De doelstellingen van het decreet van 9 juni 2023 zullen doorwerken in de praktijk en vooral de doelstelling vermeld in artikel 3, § 2, 1°, van het decreet van 9 juni 2023, dat betrekking heeft op het « herstel ». Het woord « herstel » impliceert een positieve actie, dan wel het zich onthouden van een bepaalde actie, teneinde een natuurlijk herstel te verkrijgen. Beide elementen zorgen voor concrete gevolgen die de rechtspositie van de landbouwers raken. Voorts bevat het bestreden decreet van 9 juni 2023 diverse concrete verplichtingen die worden opgelegd en die in de praktijk rechtsgevolgen zullen creëren. Onder een natuurbeheerplan type 3 of type 4 vallen, impliceert bijvoorbeeld de meest verregaande bescherming van de natuur, waarbij een type 4 een erkenning als natuurreservaat betekent. A.24. Wat het eerste middel in de zaak nr. 8142 betreft, voert de verzoekende partij aan dat de opmerking van de Vlaamse Regering dat « diverse belanghebbenden » werden geraadpleegd, geen enkele betekenis heeft voor de vereiste inspraakmogelijkheden. Het publiek kan niet gelijkgesteld worden met « diverse belanghebbenden », 11 waardoor geen « publieke raadpleging » heeft plaatsgevonden. Onder meer de landbouwers hebben hun recht op daadwerkelijke inspraak niet kunnen uitoefenen. Uit het decreet van 9 juni 2023 vloeien duidelijk bindende normen voort, in het bijzonder wat betreft de uitbreiding van de natuurkernen; die bindende normen maken van het decreet een instrument dat onder het toepassingsgebied van artikel 8 van het Verdrag van Aarhus valt. Ook het masterplan en het operationeel plan zullen doorwerken in het vergunningenbeleid, omdat ze bepaalde verplichtingen en doelstellingen vooropstellen die in de praktijk relevant zullen zijn. Het decreet van 9 juni 2023 voorziet enkel in « een vorm van inspraak », maar wat die vorm concreet moet inhouden en betekent voor het brede publiek, is niet duidelijk en wordt overgelaten aan de willekeur van de lokale overheden. Nog los van de vaagheid van « een vorm van inspraak », wordt door de Vlaamse Regering ten onrechte aangevoerd dat lokale overheden gelijk zijn aan het brede publiek. Echter, een lokale overheid spreekt niet voor haar ganse bevolking, laat staan dat zij de nodige kritieken vanuit het brede publiek automatisch meeneemt in haar advies. De Vlaamse Regering gaat ten onrechte ervan uit dat het advies van de lokale overheid heilzaam is en daarom alle problemen rond het ontbreken van inspraak zal verhelpen. Een lokale overheid voert een eigen ruimtelijk beleid en zal in het ene geval wel en in het andere geval minder of niet de belangen van de landbouw willen vertegenwoordigen in haar advies. Bovendien is het absurd te aanvaarden dat de lokale overheid meer rechten moet genieten dan het brede publiek. Het is immers het brede publiek dat rechtstreeks wordt getroffen door het decreet van 9 juni 2023; de lokale overheid zelf wordt op geen enkele wijze ongunstig geraakt door het bestreden decreet. Tot slot voert de verzoekende partij aan dat de concrete verplichtingen die voortvloeien uit het decreet van 9 juni 2023 expliciet afbreuk doen aan het gegeven van een « kaderdecreet » en een vergelijking tussen een ruimtelijk uitvoeringsplan en het decreet mogelijk en nuttig maken. A.25. Wat het tweede middel in de zaak nr. 8142 betreft, betwist de verzoekende partij dat het decreet van 9 juni 2023 een belangrijke plaats toekent aan de landbouw en dat het versterken en herstellen van de landbouw ook één van de doelstellingen van het decreet vormt. Dat men vertrekt « vanuit een integrale visie » voor het Landschapspark, betekent niet dat er ook daadwerkelijk rekening zal moeten worden gehouden met de landbouw. De doelstellingen van het decreet van 9 juni 2023 zijn zo opgesteld dat er geen ruimte meer wordt gelaten voor landbouw, net omdat het bestreden decreet de focus op de natuur legt. Bovendien wordt in de doelstellingen van het Nationaal Park Vlaanderen geen melding gemaakt van de landbouw. Nochtans zijn die doelstellingen nog strenger dan die welke gelden voor een Landschapspark. Aangaande de vergelijking met het militair domein, voert de verzoekende partij aan dat de manier waarop met de natuurwaarden wordt omgegaan in de militaire domeinen irrelevant is in het licht van de beoordeling van de schending van het gelijkheidsbeginsel. De opmerkingen van de Vlaamse Regering bevestigen integendeel dat de militaire domeinen zich zeer goed lenen om aan de doelstellingen van het decreet van 9 juni 2023 te voldoen. Militaire domeinen hebben bijzondere kenmerken en de fauna en flora tiert er welig, ondanks de militaire activiteiten. Doordat de militaire activiteiten zonder enig probleem kunnen plaatsvinden zonder afbreuk te doen aan de bestaande natuurwaarden, is het onduidelijk waarom die militaire domeinen aan een voorkeursbehandeling worden onderworpen. A.26. Wat het derde middel in de zaak nr. 8142 betreft, wenst de verzoekende partij te beklemtonen dat de Vlaamse Regering zelf uitdrukkelijk erkent dat de subsidies « enkel kunnen worden aangewend in functie van de werking van het Park en dus in functie van de vooropgestelde doelstellingen ». De doelstellingen van het decreet van 9 juni 2023 houden in dat er aan gebiedsuitbreiding wordt gedaan, maar om te kunnen uitbreiden is het evident dat er meer gronden moeten worden verworven en dat de subsidies daartoe kunnen worden aangewend waardoor toch een concurrentieel voordeel zal ontstaan. A.27. Wat betreft het verzoek van de Vlaamse Regering tot handhaving van de gevolgen, stelt de verzoekende partij vast dat, ondanks de stelling van de Vlaamse Regering dat het decreet van 9 juni 2023 geen rechtsgevolgen creëert, een handhaving van de rechtsgevolgen wordt gevraagd. Met andere woorden, de Vlaamse Regering bevestigt dat er wel juridische gevolgen gekoppeld zijn aan het decreet van 9 juni 2023. 12 Memorie van wederantwoord van de Vlaamse Regering A.28.1. Wat het eerste middel in de zaak nr. 8127 betreft, voert de Vlaamse Regering aan dat de parknota, het masterplan en het operationeel plan niet kunnen worden beschouwd als een programma of een plan in de zin van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Het zijn documenten die de rechtsonderhorigen niet binden. Het decreet van 9 juni 2023 en het uitvoeringsbesluit vormen de grondslag voor de erkenning van Vlaamse Parken, maar noch die erkenning, noch het masterplan en het operationeel plan hebben reglementaire waarde, daar zij geen rechtsregel met algemene draagwijdte formuleren. De delegatie aan de uitvoerende macht in het decreet van 9 juni 2023 betreft een passende voorziening die inspraak voor het publiek mogelijk maakt bij het voorbereiden en vaststellen van de parknota en het masterplan. Het volstaat, volgens de Vlaamse Regering, dat het decreet van 9 juni 2023 zelf bepaalt dat er een vorm van inspraak moet worden georganiseerd en dat de Vlaamse Regering die vorm van inspraak verder moet concretiseren en uitwerken. Tot slot bepaalt het decreet van 9 juni 2023 dat er op een passend moment in de procedure in een mogelijkheid tot inspraak voor het publiek bij de parknota, het masterplan en het operationeel plan wordt voorzien. A.28.2. Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 8127 voert de Vlaamse Regering aan dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, de behartiging van het algemeen belang niet automatisch voorrang krijgt op de individuele belangen van particulieren. Voor elke categorie is voorzien in op maat gesneden passende en doeltreffende inspraakmogelijkheden bij de parknota, het masterplan en het operationeel plan. Het beweerde verschil in de wijze van uitoefening van inspraak- en participatiemogelijkheden tussen lokale overheden en andere belanghebbenden is gesteund op een pertinent en objectief criterium van onderscheid, met name de hoedanigheid van de lokale overheid dat wordt vastgesteld in artikel I.3, 5°,

  1. a)en c), van het Bestuursdecreet. Uit het decreet van 9 juni 2023 volgt geen enkel verschil in behandeling tussen publieke eigenaars en beheerders van terreinen, enerzijds, en private eigenaars en beheerders van terreinen, anderzijds. Beide categorieën van beheerders hebben de mogelijkheid om deel te nemen aan de door de lokale overheden georganiseerde vorm van inspraak. Bovendien kunnen beide beheerders hun belangen laten vertegenwoordigen in het bestuursorgaan van het parkbureau. A.28.3. Wat betreft het derde middel in de zaak nr. 8127, voert de Vlaamse Regering aan dat het wettigheidsbeginsel in artikel 23, tweede lid, van de Grondwet impliceert dat de waarborging van het recht op een menswaardig leven wordt voorbehouden aan de wetgever. Evenwel betekent dat wettigheidsbeginsel niet dat de wetgever aan de uitvoerende macht niet bepaalde bevoegdheden kan opdragen, voor zover de grenzen van de machtiging worden afgebakend. De maatregelen ter waarborging van het recht op een menswaardig leven zijn niet enkel een voorbehouden materie van de wetgever maar kunnen genomen worden door de uitvoerende macht voor zover de wetgever het onderwerp op een duidelijke wijze heeft afgebakend. De wetgever is niet verplicht om alle essentiële elementen te regelen en het is hem niet verboden om de uitvoerende macht ertoe te machtigen die te regelen. A.29.1. Wat het eerste middel in de zaak nr. 8142 betreft, voert de Vlaamse Regering aan dat de uitbreiding van de natuurkernen een loutere doelstelling is, waarvoor het parkbureau geen dwingende maatregelen kan nemen om die doelstelling te realiseren. Het is een doelstelling die zal moeten worden gerealiseerd aan de hand van andere bestaande instrumenten binnen het omgevingsrecht. Bovendien kunnen natuurkernen enkel betrekking hebben op gebieden met een specifieke bestemming of bescherming en is het niet bepaald voor welke van die gebieden een natuurbeheerplan moet worden opgemaakt. Een natuurbeheerplan kan ook enkel worden ingediend met instemming van de eigenaar van het terrein, zodat dat engagement slechts kan worden uitgevoerd op percelen die men in eigendom heeft of waarvoor er een akkoord bestaat met de eigenaar, de mede-eigenaars of de houders van andere zakelijke rechten op het terrein of de terreinen in kwestie. De vergelijking tussen de RUP’s en het decreet van 9 juni 2023 gaat volgens de Vlaamse Regering niet op, omdat de RUP’s wel verordenende kracht hebben. Het is bijgevolg logisch en in overeenstemming met artikel 7 van het Verdrag van Aarhus dat de « passende praktische en/of andere voorzieningen van inspraak » er in het kader van het decreet van 9 juni 2023 helemaal anders zullen uitzien dan dat het geval is in het kader van de opmaakprocedure van een RUP. Het niet-verordenende karakter van het decreet van 9 juni 2023 en van de erkenning als Vlaams Park is een objectief criterium van onderscheid. A.29.2. Wat het tweede middel in de zaak nr. 8142 betreft, voert de Vlaamse Regering aan dat het decreet van 9 juni 2023 en het parken- en landschapsbeleid waarvoor het een kader creëert, ook het stimuleren en bevorderen van de landbouw tot doel hebben. Dat het woord « landbouw » niet in de doelstellingenbepalingen van 13 artikel 4 is vermeld, doet hieraan geen afbreuk. In de memorie van toelichting geeft de decreetgever zelfs uitdrukkelijk aan dat de doelstellingen van de Vlaamse Parken toelaten dat er binnen de gebiedscoalitie in overleg nagegaan wordt welke kansen er voor de land- en tuinbouwers zijn op het vlak van de versterking en stimulatie van voedselproductie en de open ruimte waarin dat voedsel geproduceerd wordt bij de realisatie van het betrokken Vlaams Park, en dat er per park maatwerk mogelijk is, zodat gebiedsspecifieke kansen voor de land- en tuinbouw volop kunnen worden verkend en uitgewerkt. Bovendien wordt middels de erkenning van een Nationaal Park Vlaanderen ook gestreefd naar een duurzame economische en sociale ontwikkeling van de bedrijvigheid in het gebied, waaronder ook de landbouw. Zowel bij de beoordeling van een landschapspark als bij de beoordeling van een Nationaal Park Vlaanderen, is de commissie van experten samengesteld uit experten inzake landbouw. Op die manier wordt het bevorderen van de landbouw in samenhang en in harmonie met de bevordering van andere beleidsdoelstellingen zoals natuur en toerisme gewaarborgd bij de opmaak van de parknota, het masterplan en het operationeel plan. De Vlaamse Regering merkt op dat de verzoekende partij in de zaak nr. 8142 geenszins aantoont dat de landbouwactiviteiten in of nabij een Vlaams Park zullen moeten wijken voor natuur en andere beleidsdoelstellingen. A.30. Wat betreft de vraag tot handhaving van de rechtsgevolgen, voert de Vlaamse Regering aan dat het verzoek tot handhaving van de rechtsgevolgen niet contradictorisch is met hetgeen de Vlaamse Regering reeds voorheen heeft uiteengezet, namelijk dat het decreet van 9 juni 2023 zelf geen rechtsgevolgen teweegbrengt en geen bijkomende beperkingen of verplichtingen boven de bestaande regelgeving genereert. Het decreet van 9 juni 2023 biedt de grondslag voor de erkenning en de subsidiëring van een Vlaams Park. Die beslissingen kunnen op hun beurt bepaalde rechten verlenen aan derden. Ingevolge een erkenningsbesluit van een Vlaams Park, zal het Vlaams Park de decretale doelstellingen en de parkspecifieke doelstellingen moeten realiseren. Teneinde die doelstellingen naar de toekomst toe te kunnen realiseren, zullen concrete acties en projecten worden uitgewerkt en gerealiseerd. Mogelijk zal ook bepaalde financiële ondersteuning geboden worden via de daartoe geijkte kanalen. In geval van retroactieve vernietiging zal een juridisch vacuüm ontstaan. -B- Ten aanzien van het bestreden decreet en de context ervan B.1.1. De beroepen tot vernietiging zijn gericht tegen diverse artikelen van het decreet van het Vlaamse Gewest van 9 juni 2023 « houdende de Vlaamse Parken en algemene landschapszorg » (hierna : het decreet van 9 juni 2023). In de zaak nr. 8127 wordt de vernietiging gevorderd van de artikelen 2, 8°, 20°, 21° en 22°, 3, 4, 5, 9, tweede lid, vijfde lid en zesde lid, 11, 12, 13, 15, 16, 18, tweede lid, 19, derde lid, 22, eerste lid en tweede lid, 23, tweede lid, 24 en 25, § 1, eerste lid, van het decreet van 9 juni 2023. In de zaak nr. 8142 wordt de vernietiging gevorderd van de artikelen 3 tot 17 van het decreet van 9 juni 2023. B.1.2. Het decreet van 9 juni 2023 vormt de basis voor een transversaal landschapsbeleid en is opgevat als een kaderdecreet. Het voorziet in een decretale basis voor de Vlaamse Parken, 14 die bestaan uit de Nationale Parken Vlaanderen en de Landschapsparken. Voor de Nationale Parken Vlaanderen en de Landschapsparken wordt in een beheersstructuur voorzien en wordt de basis gelegd voor hun erkenning en subsidiëring. Voorts worden de regionale landschappen uit het decreet van het Vlaamse Gewest van 21 oktober 1997 « betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu » gehaald en ondergebracht in het decreet van 9 juni 2023. Bovendien legt het decreet van 9 juni 2023 de basis voor de toekomstige uitbreiding van het instrumentarium voor algemene landschapszorg (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1667/1, p. 3). De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Dit ontwerp van decreet heeft tot doel het stimuleren, faciliteren en uitvoeren van het onderzoek, het duurzaam behoud, het herstel, de ontwikkeling en de ontsluiting van het landschap, het organiseren van samenwerking gericht op algemene landschapszorg en het bevorderen van de biologische diversiteit en het natuurbehoud. Dit ontwerp van decreet legt de basis voor een stimulerend en faciliterend landschapsbeleid dat complementair werkt aan de verschillende sectorale reglementeringen. Dit ontwerp van decreet herbevestigt het engagement voor de implementatie van de Europese Landschapsconventie van 2000 dat van elke ondertekende lidstaat verwacht wordt » (ibid., p. 4). « Met een integrale visie op erfgoed, natuur, landbouw, wonen, economie, toerisme en recreatie wordt een holistische en transversale visie op landschap bedoeld » (ibid., p. 27). De decreetgever kiest « voor een aanpak die stimulerende maatregelen mogelijk maakt en ondersteunt, zoals het stimuleren van samenwerkingsverbanden die, van onderuit, werk maken van verschillende Vlaamse beleidsdoelstellingen voor omgeving, natuur, open ruimte, erfgoed, toerisme, economie en dit zonder bijkomende verplichtingen of restricties op te leggen van bovenaf. Er worden vooral kaders voor dergelijke samenwerkingsverbanden gecreëerd met evenwel heldere algemene doelstellingen en spelregels voor erkenning » (ibid., p. 4). B.1.3. Het kaderdecreet vormt de rechtsgrond voor de erkenning van vier Nationale Parken Vlaanderen en vijf Landschapsparken. De parlementaire voorbereiding vermeldt aangaande de Nationale Parken Vlaanderen en de Landschapsparken : 15 « Nationale Parken Vlaanderen zijn geografisch afgebakende gebieden van voldoende grote omvang die een uitzonderlijke natuurwaarde en een internationale uitstraling hebben. Een Nationaal Park Vlaanderen richt zich op het bereiken van een duurzame bescherming en ontwikkeling van landschapsecologische processen en de bijhorende ecosystemen, habitats en soorten. Het unieke natuurlijke milieu, landschap en erfgoed bieden ook mogelijkheden tot toeristisch recreatieve ontwikkeling en promotie, maar altijd binnen de draagkracht van de natuur en haar omgeving. Landschapsparken zijn geografisch afgebakende gebieden van voldoende grote omvang en met een internationale uitstraling waar de langdurige wisselwerking tussen mens en natuur heeft geleid tot een specifiek landschap met belangrijke ecologische, abiotische, biotische, culturele of landschappelijke waarden en met een uitgesproken landschapskwaliteit, waarin vanuit een integrale visie ruimte is voor erfgoed, recreatie, natuur, landbouw, wonen, economie en toerisme » (ibid., p. 6). B.2. De bestreden artikelen van het decreet van 9 juni 2023 zijn : Artikel 2, 8°, 20°, 21° en 22°, bepaalt : « In dit decreet wordt verstaan onder : [...] 8° gebiedscoalitie : een coalitie van samenwerkende partners die daartoe een duurzame en langdurige werking opzetten met het oog op het realiseren van de specifieke doelstellingen voor de betrokken gebiedserkenning; ze vormt de verzameling van instanties, organisaties en betrokkenen die een gezamenlijke missie voor het Vlaams Park uitdragen en instaan voor de realisatie van de langetermijnvisie; [...] 20° parkbureau : een rechtspersoon zonder winstuitkeringsoogmerk aan wie het management van een Vlaams Park is toegewezen, vermeld in artikel 12; 21° parknota : de nota ingediend door een gebiedscoalitie waarin de kandidatuur van een Vlaams Park en de samenstelling van het parkbureau worden beschreven; 22° regionaal landschap : een private vereniging zonder winstuitkeringsoogmerk gericht op algemene landschapszorg tussen maatschappelijke en bestuurlijke actoren ». Artikel 3 bepaalt : « § 1. Een Landschapspark is een gebied met internationale uitstraling waar de langdurige wisselwerking tussen mens en natuur heeft geleid tot een specifiek landschap met belangrijke 16 ecologische, abiotische, biotische, culturele of landschappelijke waarden en met een uitgesproken landschapskwaliteit, waarin vanuit een integrale visie ruimte is voor erfgoed, recreatie, natuur, landbouw, wonen, economie en toerisme. Een Landschapspark is een geografisch afgebakend gebied dat een grote ruimtelijke samenhang vertoont en heeft een minimale oppervlakte van 10.000 hectare. § 2. Een erkend Landschapspark heeft als doelstellingen : 1° het versterken en herstellen van de landschappelijke identiteit en landschapskwaliteit van het gebied vanuit een integrale visie op erfgoed, natuur, landbouw, wonen, bedrijvigheid, recreatie en toerisme; 2° het bijdragen aan de realisatie van Europese en Vlaamse beleidsbeslissingen met betrekking tot de landschappelijke identiteit en landschapskwaliteit, vermeld in Europese wetgeving en Vlaamse decreten en beleidsplannen; 3° het aanbieden van een unieke beleving van het landschap en de streek aan zowel lokale inwoners als binnen- en buitenlandse bezoekers. § 3. Waar mogelijk worden de doelstellingen, vermeld in dit artikel, gerealiseerd via zelfrealisatie ». Artikel 4 bepaalt : « § 1. Een Nationaal Park Vlaanderen is een gebied van voldoende grote omvang dat een uitzonderlijke natuurkwaliteit en een internationale uitstraling heeft. Een Nationaal Park Vlaanderen is samenhangend en kan opgedeeld worden in zones, met minstens één natuurkern. Een natuurkern bestaat uit een gebied met een of meerdere van de volgende bestemmingen of beschermingen : 1° de ruimtelijk kwetsbare gebieden, vermeld in artikel 1.1.2, 10°, VCRO; 2° bestemming waterweg of een gelijkwaardige bestemming aangewezen op de plannen van aanleg of de goedgekeurde ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening; 3° speciale beschermingszones zoals gedefinieerd in artikel 2, 43°, van het Natuurdecreet; 4° militaire domeinen met een belangrijke natuurfunctie die onder toepassing van de overeenkomst betreffende het natuurbehoud en het bosbeheer vallen, afgesloten tussen de Belgische staat en het Vlaamse Gewest op 17 april 2007; 17 5° gebieden met een maritieme component, afgebakend volgens of in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen. De gezamenlijke oppervlakte van de natuurkernen is op het moment van de erkenning minimaal 5000 hectare. 24 jaar na erkenning zijn de natuurkernen uitgebreid tot minimaal 10.000 hectare. De Vlaamse Regering kan afwijken van deze minimale oppervlakte van 10.000 hectare, mits het park voldoende onderscheidend is, bijzondere kenmerken vertoont of bijzondere kwaliteiten bezit. De Vlaamse Regering zal hiervoor de nadere regels bepalen. Op het ogenblik van de erkenning is minstens de helft van de natuurkernen gevat door een natuurbeheerplan type 3 of 4 als vermeld in artikel 16ter van het Natuurdecreet. Indien er nog geen natuurbeheerplan is opgemaakt, bestaat het engagement om een natuurbeheerplan type 3 of 4 op te maken. Na tien jaar ligt minstens de helft van de natuurkernen effectief onder natuurbeheerplan type 3 of 4; 24 jaar na de erkenning is dit 75 procent van de oppervlakte van de natuurkern. Deze voorwaarde van een natuurbeheerplan type 3 of 4 geldt niet voor militaire domeinen. Voor de terreinen in eigendom van de Vlaamse overheid geldt de verplichting voor een natuurbeheerplan type 4; hiervan kan op voorwaarde van een grondige motivering worden afgeweken. § 2. Een erkend Nationaal Park Vlaanderen heeft als doelstellingen : 1° het in stand houden en ontwikkelen van de natuur, van de biologische diversiteit en van het natuurlijke milieu van de natuurkernen en in het bijzonder :
  2. a)het beheren van het gebied in een zo natuurlijk mogelijke staat voor zover rekening wordt gehouden met punt
  3. b)en c);
  4. b)het in stand houden en het ontwikkelen van leefgebieden van inheemse soorten met het oog op levensvatbare, ecologisch functionerende en voldoende veerkrachtige populaties;
  5. c)het leveren van een bijdrage tot regionale, Europese en internationale natuurbehouds- en instandhoudingsdoelstellingen inclusief halfnatuurlijke landschappen; 2° het behouden, het beheren en het ontwikkelen van culturele waarden binnen het werkingsgebied met inbegrip van de erfgoedwaarde en landschapskwaliteit; 3° het ontwikkelen en het promoten van toerisme en recreatie in en rond het park waarbij meerwaarde voor het natuurbehoud, de lokale bewonersgemeenschappen, de ondernemers en de bezoekers wordt gecreëerd; 4° het leveren van een bijdrage aan een duurzame economische en sociale ontwikkeling van de lokale bewonersgemeenschappen en de bedrijvigheid in het gebied. § 3. Waar mogelijk worden de doelstellingen, vermeld in dit artikel, gerealiseerd via zelfrealisatie ». 18 Artikel 5 bepaalt : « De Vlaamse Regering kan de nadere regels vastleggen betreffende de inhoud van de doelstellingen van de Vlaamse Parken, vermeld in artikel 3 en 4 ». Artikel 6 bepaalt : « Een grensoverschrijdend Landschapspark heeft een minimale oppervlakte van 5000 hectare gelegen binnen het Vlaamse Gewest, en een totale oppervlakte van minimaal 10.000 hectare. Een grensoverschrijdend Nationaal Park Vlaanderen beschikt over deels grensoverschrijdende natuurkernen van minstens 5000 hectare, waarbij na 24 jaar natuurkernen met een totale oppervlakte van minstens 5000 hectare binnen het Vlaamse Gewest worden gerealiseerd ». Artikel 7 bepaalt : « Een Vlaams Park wordt erkend door de Vlaamse Regering indien het voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deze titel en de uitvoeringsbesluiten van dit decreet. Na de erkenning van een Vlaams Park wordt een parkbureau aangeduid voor het management ervan ». Artikel 8 bepaalt : « De erkenning als Vlaams Park of de werking van het parkbureau genereert geen verplichtingen of geen beperkende maatregelen boven op de vigerende regelgeving voor de houders van zakelijke rechten binnen of buiten een Vlaams Park of voor de gebruikers ervan, behoudens anders overeengekomen. Onder zakelijke rechten wordt verstaan : het eigendomsrecht, de mede-eigendom, de erfdienstbaarheden, het recht van vruchtgebruik, erfpacht en opstal. Onder gebruiker wordt verstaan: de persoon die als eigenaar, mede-eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachthouder of opstalhouder het goed exploiteert of die het onroerend goed huurt conform boek III, titel VIII, van het oud Burgerlijk Wetboek of het Vlaams Woninghuurdecreet van 9 november 2018. De erkenning als Vlaams Park door de Vlaamse Regering, de werking van een parkbureau en de uitvoering van het masterplan en de operationele plannen kunnen nooit afbreuk doen aan de gemeentelijke bevoegdheden, opdrachten of autonomie. Een parkbureau houdt bij het vervullen van zijn opdrachten rekening met het lokaal beleid, dat autonoom gevoerd wordt door de gemeenten op wier grondgebied het park gelegen is ». Artikel 9 bepaalt : « De Vlaamse Regering kan een oproep doen tot kandidaatstelling tot erkenning als een Vlaams Park, waarna minstens een termijn van zes maanden wordt gegeven voor de indiening van een parknota. 19 De Vlaamse Regering beoordeelt de ingediende parknota's en selecteert de kandidaten die een masterplan en een operationeel plan mogen indienen, waarna minstens een termijn van twaalf maanden wordt gegeven voor de indiening van een masterplan en een operationeel plan. Het masterplan is een inhoudelijk en strategisch plan dat de wijze vaststelt waarop in het Vlaams Park de doelstellingen, vermeld in artikel 3 of 4, worden uitgevoerd en de langetermijnvisie en langetermijndoelstellingen van een Vlaams Park voor een periode van 24 jaar vaststelt. Een operationeel plan bevat de concrete uitwerking van het masterplan voor een periode van zes jaar. Het masterplan en het operationeel plan geven in voorkomend geval aan welke doelstellingen als vermeld in artikel 3 of 4, of gedeelten ervan, zullen worden uitgevoerd door een of meerdere private eigenaars en de wijze van uitvoering ervan. Het masterplan en operationeel plan worden niet gezien als beleidsmatig gewenste ontwikkeling, in de zin van artikel 4.3.1, § 2, 2°, a), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. De Vlaamse Regering keurt masterplannen en operationele plannen goed op grond waarvan de erkenning gebeurt. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast inzake de beoordeling van parknota's, de beoordeling en goedkeuring van de masterplannen en operationele plannen en de erkenningsvoorwaarden en -procedure ». Artikel 10 bepaalt : « Om erkend te blijven, voldoet het Vlaams Park aan de voorwaarden van deze titel en de uitvoeringsbesluiten van dit decreet. De erkenning geldt voor onbepaalde duur behoudens intrekking ervan overeenkomstig artikel 25 ». Artikel 11 bepaalt : « De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud en de vorm van de parknota welke minstens het advies van de betrokken lokale overheden bevat, waarbij de lokale overheden een vorm van inspraak georganiseerd hebben. Na de erkenning stelt elk parkbureau om de 24 jaar een masterplan op, welke minstens het advies van de betrokken lokale overheden bevat waarbij de lokale overheden een vorm van inspraak georganiseerd hebben. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud en vaststelling van het masterplan en de wijziging ervan. Na de erkenning stelt elk parkbureau om de 6 jaar een operationeel plan op. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud en vaststelling van het operationeel plan en de wijziging ervan. 20 De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels met betrekking tot de vorm van inspraak ». Artikel 12 bepaalt : « § 1. Een parkbureau vervult de opdrachten die door dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan aan hem zijn toegekend. De opdracht van een parkbureau bestaat in het coördineren, afstemmen en initiëren van initiatieven en de werking in het gebied waarvoor het Vlaams Park erkend is en waarvan de coördinatie aan hem werd toevertrouwd, in overeenstemming met de doelstellingen, vermeld in artikel 3 en 4. In afwijking van het tweede lid is een parkbureau van een grensoverschrijdend Landschapspark of grensoverschrijdend Nationaal Park Vlaanderen bevoegd voor het management van het grensoverschrijdend gebied. De Vlaamse Regering kan voor een Vlaams Park dat gewestgrensoverschrijdend is afwijkende en aanvullende regels inzake de doelstellingen en het management vastleggen. Een parkbureau kan de rechtshandelingen stellen die rechtstreeks bijdragen tot de vervulling van zijn opdrachten en de verwezenlijking van de doelstellingen van een Vlaams Park waarvan het management aan hem werden toegekend. De lokale overheden zijn gemachtigd om deel te nemen aan de oprichting van een parkbureau en lid te worden van de algemene vergadering ervan. De gemeenteraad van het betrokken lokaal bestuur geeft zijn akkoord voor de toetreding van de gemeente tot het parkbureau. In geval van een grensoverschrijdend Vlaams Park kunnen instanties met zetel buiten het Vlaamse Gewest deelnemen aan de oprichting en lid worden van het bestuursorgaan. § 2. Het bestuursorgaan van het parkbureau is evenwichtig minstens samengesteld uit : 1° voor de helft leden die worden benoemd op individuele of gezamenlijke voordracht van de gemeenten op wier grondgebied het park gelegen is; de voorgedragen leden dienen gemeenteraadslid te zijn; 2° leden die zijn benoemd op individuele of gezamenlijke voordracht van de publieke of particuliere beheerders met een terrein gelegen in het Vlaams Park waaronder landbouworganisaties, natuurorganisaties, erfgoedverenigingen, streekverenigingen, private eigenaars enzovoort op voorwaarde dat zij het beheer van hun terrein hebben afgestemd op de doelstellingen van het Vlaams Park; 3° actoren wier medewerking nuttig is voor de realisatie van de doelstellingen van het Vlaams Park. Elk lid kan overeenkomstig de statuten van het parkbureau beslissen uit het bestuursorgaan van het parkbureau te stappen. Een wijziging van de samenstelling van het parkbureau wordt verwerkt in een wijziging van het masterplan of operationeel plan, vermeld in artikel 11. 21 § 3. Met het oog op de realisatie van de doelstellingen van een Vlaams Park, vermeld in artikel 3 en 4, worden de publieke en private belanghebbenden betrokken. § 4. De Vlaamse Regering kan de nadere regels met betrekking tot de opdracht, de samenstelling, werking, bevoegdheden, samenwerking, de gevolgen van het uitstappen van een lid uit het bestuursorgaan en de rapportering van een parkbureau vastleggen ». Artikel 13 bepaalt : « Een parkbureau wordt uiterlijk zes maanden na de erkenning van het Vlaams Park opgericht. De Vlaamse Regering kan hierover nadere voorwaarden vaststellen ». Artikel 14 bepaalt : « De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen met betrekking tot de coördinatie van de Vlaamse Parken ». Artikel 15 bepaalt : « Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering, onder de voorwaarden die ze bepaalt, tijdens de erkenningsprocedure van een Vlaams Park een subsidie toekennen voor een kandidaat-Vlaams Park. De cumulatie van de subsidies mag nooit meer bedragen dan 100 procent van de totale kosten ». Artikel 16 bepaalt : « Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten verleent de Vlaamse Regering, onder de voorwaarden die ze bepaalt, subsidies voor de erkende Vlaamse Parken. De cumulatie van de subsidies mag nooit meer bedragen dan 100 procent van de totale kosten ». Artikel 17 bepaalt : « De lokale overheden kunnen financiële middelen toekennen aan een Vlaams Park. Zij kunnen ook infrastructuur en personeel ter beschikking stellen van een Vlaams Park ». Artikel 18, tweede lid, bepaalt : « De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot het gebruik van namen en logo’s van Vlaamse Parken ». 22 Artikel 19, derde lid, bepaalt : « De Vlaamse Regering kan de nadere regels met betrekking tot de opdracht, de afbakening, de samenstelling, werking, bevoegdheden en rapportering van de regionale landschappen vastleggen ». Artikel 22, eerste en tweede lid, bepaalt : « De Vlaamse Regering erkent de regionale landschappen op voordracht van de provincies. De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de procedure van de erkenning vaststellen ». Artikel 23, tweede lid, bepaalt : « De opvolging en coördinatie gebeuren in afstemming met de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan de nadere regels met betrekking tot de coördinatie en opvolging voor regionale landschappen vastleggen ». Artikel 24 bepaalt : « Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering, onder de voorwaarden die ze bepaalt, subsidies aan provincies verlenen met het oog op financiering van de regionale landschappen en hun koepelorganisatie. De cumulatie van de subsidies mag nooit meer bedragen dan 100 procent van de totale kosten ». Artikel 25, § 1, eerste lid, bepaalt : « De Vlaamse Regering kan, zesjaarlijks vanaf de erkenning van een Vlaams Park, de subsidies van een parkbureau van een Vlaams Park stopzetten of de erkenning van een Vlaams Park intrekken indien niet aan de doelstellingen of de erkenningsvoorwaarden voldaan is, opgelegd bij dit decreet of de uitvoeringsbesluiten bij dit decreet ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.3.1. De Vlaamse Regering voert aan dat de verzoekende partijen en de tussenkomende partijen geen belang hebben bij de door hen ingediende beroepen tot vernietiging of verzoek tot tussenkomst, omdat het decreet van 9 juni 2023 geen rechtsgevolgen creëert. Voorts wordt 23 aangevoerd dat diverse middelen onontvankelijk zijn, omdat ze geen enkel nadeel zouden berokkenen aan de verzoekende partijen. B.3.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.3.3. Aangezien de beoordeling van het belang van de verzoekende en de tussenkomende partijen afhangt van de draagwijdte van de bestreden bepalingen, valt die beoordeling samen met het onderzoek van de grond van de zaak. B.3.4. Wanneer de verzoekende partijen doen blijken van het rechtens vereiste belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen, wat samen met de grond van de zaak wordt onderzocht, dienen zij daarenboven niet te doen blijken van een belang bij het middel. B.3.5. De exceptie wordt verworpen. B.4.1. De Vlaamse Regering voert aan dat het derde middel in de zaak nr. 8127 deels onontvankelijk is, omdat het Hof niet bevoegd zou zijn om de ongrondwettigheid van het bestreden decreet te beoordelen aan de hand van de artikelen van het decreet zelf en omdat het Hof niet bevoegd zou zijn het bestreden decreet rechtstreeks te toetsen aan de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). B.4.2. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. 24 B.4.3. De verzoekende partijen vragen het Hof niet om de naleving van de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 rechtstreeks te toetsen, maar om te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, waarvoor het Hof wel bevoegd is. Voor het overige vragen de verzoekende partijen in de zaak nr. 8127 het Hof niet om de grondwettigheid van het decreet van 9 juni 2023 te toetsen aan bepalingen van datzelfde decreet. B.4.4. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.5. De middelen hebben betrekking op de afwezigheid van adequate inspraakmogelijkheden voor de lokale belanghebbenden (eerste en tweede middel in de zaak nr. 8127 en eerste middel in de zaak nr. 8142), op de ongeoorloofde delegatie aan de uitvoerende macht (derde middel in de zaak nr. 8127), op de schending van het eigendomsrecht (tweede middel in de zaak nr. 8142) en op de ongeoorloofde staatssteun (derde middel in de zaak nr. 8142). Het Hof onderzoekt de grieven van de verzoekende partijen in onderstaande volgorde : 1. de afwezigheid van adequate inspraakmogelijkheden voor de lokale belanghebbenden; 2. de ongeoorloofde delegatie aan de Vlaamse Regering; 3. de schending van het eigendomsrecht; 4. de ongeoorloofde staatssteun. 25 1. De afwezigheid van adequate inspraakmogelijkheden voor de lokale belanghebbenden B.6.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8127 voeren in hun eerste middel de schending aan door de artikelen 2, 8°, 20°, 21° en 22°, 3, 4, 11 en 12 van het decreet van 9 juni 2023 van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna : het Verdrag van Aarhus) (eerste onderdeel) en met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (tweede onderdeel). Volgens de verzoekende partijen voorzien de artikelen 2, 3, 4, 11 en 12 van het decreet van 9 juni 2023 onvoldoende in inspraakmogelijkheden voor de lokale belanghebbenden en doen zij tussen de lokale belanghebbenden onderling een onredelijk verschil in behandeling ontstaan. In hun tweede middel voeren zij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Verdrag van Aarhus, doordat de samenstelling van het parkbureau enkel de inspraak en de participatie van de lokale besturen garandeert en de andere lokale belanghebbenden geen garantie hebben op een reële uitoefening van hun recht op inspraak en participatie. Volgens de verzoekende partijen voert de wijze van samenstelling van de gebiedscoalities en de parkbureaus en de invloed hiervan op de inspraak in het ontwerpen en realiseren van landschapsgebieden een onredelijk verschil in behandeling in en zorgt het ervoor dat de inspraakprocedure niet doeltreffend is. B.6.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 8142 voert als eerste middel de schending aan door de artikelen 8 tot 14 van het decreet van 9 juni 2023 van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, lid 9, 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus. Volgens de verzoekende partij bieden de decretale bepalingen inzake inspraak onvoldoende rechtszekerheid en blijven ze heel vaag, waardoor er onvoldoende garanties bestaan dat de betrokken partijen bij de Vlaamse Parken op gelijke en afdoende wijze inspraak zullen krijgen. B.7.1. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. 26 Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : [...] 4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; [...] ». Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten onder meer het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van elke wetgever de maatregelen te bepalen die hij adequaat en opportuun acht om dat doel te verwezenlijken. De mogelijkheid tot inspraak van het publiek vormt een waarborg voor de vrijwaring van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. B.7.2. Artikelen 3, lid 9, 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus bepalen : « Art. 3. Algemene bepalingen [...] 9. Binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van dit Verdrag heeft het publiek toegang tot informatie, heeft het de mogelijkheid van inspraak in besluitvorming en heeft het toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden zonder discriminatie op grond van staatsburgerschap, nationaliteit of woonplaats en, in het geval van een rechtspersoon, zonder discriminatie op grond van de plaats van de statutaire zetel of een feitelijk middelpunt van de activiteiten ». « Art. 7. Inspraak betreffende plannen, programma’s en beleid betrekking hebbende op het milieu Elke Partij treft passende praktische en/of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek gedurende de voorbereiding van plannen en programma's betrekking hebbende op het milieu, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. In dit kader wordt artikel 6, derde, vierde en achtste lid toegepast. Het publiek 27 dat kan inspreken wordt door de betreffende overheidsinstantie aangewezen met inachtneming van de doelstellingen van dit Verdrag. Voorzover passend spant elke Partij zich in om, bij de voorbereiding van beleid betrekking hebbende op het milieu mogelijkheden te scheppen voor inspraak ». « Art. 8. Inspraak tijdens de voorbereiding van uitvoerende regelingen en/of algemeen toepasselijke wettelijk bindende normatieve instrumenten Elke Partij tracht doeltreffende inspraak in een passend stadium te bevorderen, en terwijl opties nog openstaan, gedurende de voorbereiding door overheidsinstanties van uitvoerende regelingen en andere algemeen toepasselijke wettelijk bindende regels die een aanzienlijk effect kunnen hebben op het milieu. Hiertoe zouden de volgende stappen dienen te worden genomen :
  6. a)er zouden voor doeltreffende inspraak toereikende termijnen dienen te worden vastgesteld;
  7. b)ontwerp-regels zouden dienen te worden gepubliceerd of anderszins aan het publiek beschikbaar te worden gesteld; en
  8. c)het publiek zou in de gelegenheid dienen te worden gesteld opmerkingen te maken, rechtstreeks of via representatieve overlegorganen. Met het resultaat van de inspraak wordt zoveel mogelijk rekening gehouden ». Al die bepalingen van het Verdrag van Aarhus bevatten verplichtingen tot inspraak van het publiek. Artikel 3, lid 9, regelt in het algemeen, voor het publiek, de toegang tot informatie, de inspraak in besluitvorming en de toegang tot een rechter inzake milieuaangelegenheden, zonder discriminatie, terwijl de artikelen 7 en 8 de inspraak van het publiek regelen respectievelijk betreffende plannen, programma’s en beleid en tijdens de voorbereiding van uitvoerende regelingen of algemeen toepasselijke wettelijk bindende normatieve instrumenten. Artikel 7 van het Verdrag van Aarhus legt de verplichting op om « de voorbereiding van plannen en programma’s betrekking hebbende op het milieu » te onderwerpen aan een inspraakprocedure waarvan het bepaalde modaliteiten vastlegt. Meer bepaald dienen « passende praktische en/of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek » te worden getroffen, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. Bij de voorbereiding van het « beleid betrekking hebbende op het milieu » wordt aan de lidstaten opgedragen om « voorzover passend » voor het publiek de mogelijkheden te scheppen voor inspraak. Artikel 8 van hetzelfde Verdrag bepaalt dat de Staten die partij zijn bij het Verdrag doeltreffende inspraak in een passend stadium trachten te 28 bevorderen, en terwijl opties nog openstaan, gedurende de voorbereiding door overheidsinstanties van uitvoerende regelingen en andere algemeen toepasselijke wettelijk bindende regels die een aanzienlijk effect kunnen hebben op het milieu, en dat met het resultaat van de inspraak zoveel mogelijk rekening wordt gehouden. B.8.1. Wat de toepasbaarheid van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus betreft, wordt in de « Aanbevelingen van Maastricht voor het bevorderen van daadwerkelijke inspraak in besluitvorming in milieuaangelegenheden » gepreciseerd dat hoewel artikel 7 zelf geen definitie bevat van de begrippen « plannen en programma’s », een ruime interpretatie wordt aanbevolen, die alle soorten strategische besluiten omvat die : « (
  9. a)worden geregeld door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen; (
  10. b)worden opgesteld en/of aangenomen door een instantie of worden opgesteld door een instantie voor aanneming, via een formele procedure, door een parlement of een regering; (
  11. c)zorgen voor een georganiseerd en gecoördineerd systeem dat : (
  12. i)een kader vaststelt, vaak op bindende wijze, voor bepaalde categorieën van specifieke activiteiten; (
  13. ii)doorgaans niet voldoende is voor het ondernemen van een activiteit zonder dat er een afzonderlijk vergunningsbesluit wordt genomen » (punt 154). Ook het begrip « beleid » wordt in het Verdrag niet gedefinieerd, maar opnieuw wordt een ruime interpretatie aanbevolen geacht, waarmee elk strategisch besluit dat geen plan of programma is, wordt bedoeld (punt 156). B.8.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 8142 zet niet uiteen in welk opzicht artikel 8 van het Verdrag van Aarhus, dat betrekking heeft op « inspraak tijdens de voorbereiding van uitvoerende regelingen en/of algemeen toepasselijke wettelijk bindende normatieve instrumenten », zou zijn geschonden. Bovendien regelen de bestreden bepalingen van het decreet van 9 juni 2023 niet de wijze van totstandkoming van uitvoerende regelingen, noch van algemeen toepasselijke wettelijk bindende normatieve instrumenten. 29 Artikel 8 van het Verdrag van Aarhus is niet van toepassing. B.9.1. In de zaak nr. 8127 worden de artikelen 2, 8°, 20°, 21° en 22°, 3, 4, 11 en 12 bestreden. Artikel 2, 8°, 20°, 21° en 22°, van het decreet van 9 juni 2023 definieert wat moet worden verstaan onder de « gebiedscoalitie », het « parkbureau », de « parknota » en het « regionaal landschap ». De artikelen 3 en 4 maken deel uit van hoofdstuk 1 (« Algemene bepalingen en doelstellingen ») en bepalen wat moet worden verstaan onder een « Landschapspark » (artikel 3) en een « Nationaal Park Vlaanderen » (artikel 4) en wat de doelstellingen ervan zijn. Artikel 11 vermeldt dat de Vlaamse Regering de inhoud en de vorm van een parknota, een masterplan en een operationeel plan bepaalt. « Bij het opstellen van de parknota, de masterplannen en de operationele plannen wordt het advies van de betrokken lokale overheden meegenomen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1667/1, p. 57). Artikel 12 omschrijft de opdrachten van een parkbureau (§ 1) alsook de samenstelling van het bestuursorgaan van het parkbureau (§ 2), het betrekken van publieke en private belanghebbenden (§ 3) en de vaststelling dat de Vlaamse Regering de nadere regels met betrekking tot de opdracht, de samenstelling, de werking, de bevoegdheden, de samenwerking en de rapportering van een parkbureau kan vastleggen (§ 4). B.9.2. In de zaak nr. 8142 worden de artikelen 8 tot 14 van het decreet van 9 juni 2023 bestreden. Artikel 8 van het decreet van 9 juni 2023 bepaalt uitdrukkelijk dat de erkenning als Vlaams Park of de werking van het parkbureau « geen verplichtingen of geen beperkende maatregelen boven op de vigerende regeling [genereert] voor de houders van zakelijke rechten binnen of buiten een Vlaams Park of voor de gebruikers ervan, behoudens anders overeengekomen ». Artikel 9 bepaalt dat de Vlaamse Regering de procedure tot erkenning als Landschapspark of Nationaal Park Vlaanderen start met een oproep tot kandidaatstelling als een Vlaams Park. Vervolgens wordt de procedure verder uitgewerkt. 30 Artikel 10 bepaalt dat de erkenning van een Landschapspark of Nationaal Park Vlaanderen voor onbepaalde duur geldt, tenzij de Vlaamse Regering beslist om die termijn te beperken. Artikel 13 bepaalt dat een parkbureau uiterlijk zes maanden na de erkenning van een Landschapspark of Nationaal Park Vlaanderen wordt opgericht. Ten slotte voorziet artikel 14 in de mogelijkheid tot coördinatie van het Vlaamse Parkenbeleid, waarvoor de Vlaamse Regering nadere regels kan bepalen. B.10.1. De Vlaamse Regering voert in essentie aan dat de parknota’s, de masterplannen en de operationele plannen geen « plannen en programma’s [zouden zijn] betrekking hebbende op het milieu », zoals bedoeld in artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. B.10.2. Een parknota is een document dat wordt ingediend door een gebiedscoalitie en dat de kandidatuur van een Vlaams Park en de samenstelling van het parkbureau beschrijft. Op basis van dit document gaat de Vlaamse Regering over tot een selectie van kandidaten, die vervolgens masterplannen en operationele plannen mogen indienen, die door de Vlaamse Regering kunnen worden goedgekeurd en op basis waarvan de Vlaamse Regering overgaat tot de erkenning van het Vlaams Park (artikel 9, juncto artikel 2, 8° en 21°, van het decreet van 9 juni 2023). De gebiedscoalities gaan daarna op in parkbureaus die iedere 24 jaar een nieuw masterplan opmaken met daarin een strategische langetermijnvisie en iedere zes jaar een nieuw operationeel plan opmaken met daarin de concrete uitwerking van het masterplan (artikel 11 juncto artikel 2, 20°, van het decreet van 9 juni 2023). B.11.1. Verschillende overheden en private partijen zijn betrokken bij het opstellen van de parknota’s, de masterplannen en de operationele plannen. Zoals is vermeld in B.8.2 wordt het begrip « plannen en programma’s » niet gedefinieerd in het Verdrag van Aarhus zelf, maar moet rekening worden gehouden met de « Aanbevelingen van Maastricht voor het bevorderen van daadwerkelijk inspraak in besluitvorming in milieuaangelegenheden ». B.11.2. In het licht van die « aanbevelingen » zijn parknota’s, masterplannen en operationele plannen strategische beslissingen waarin is voorzien in wettelijke of 31 bestuursrechtelijke bepalingen (Aanbeveling 154, a)), die worden opgesteld en aangenomen door overheden (Aanbeveling 154, b)) en die voor een georganiseerd en gecoördineerd systeem zorgen (Aanbeveling 154, c)) dat een kader vaststelt voor bepaalde categorieën van specifieke activiteiten (Aanbeveling 154, c), i)) en doorgaans niet voldoende is voor het ondernemen van een afzonderlijke activiteit zonder dat er een afzonderlijk vergunningsbesluit wordt genomen (Aanbeveling 154, c), ii)). Zij beantwoorden derhalve aan de voorwaarden en dienen te worden beschouwd als « plannen en programma’s » in de zin van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. De vaststelling dat parknota’s, masterplannen en operationele plannen geen verordenende kracht hebben, verandert hieraan niets, daar in Aanbeveling 154, c), i), wordt bepaald dat de systemen « vaak » op bindende wijze kaders vaststellen voor bepaalde categorieën van specifieke activiteiten, maar niet altijd. Plannen en programma’s kunnen ook op niet-bindende wijze kaders vaststellen voor categorieën van specifieke activiteiten. B.12.1. De inspraakmogelijkheden voor de lokale belanghebbenden die door het decreet van 9 juni 2023 worden voorzien, zijn : - artikel 11 : bij de opmaak van de parknota en het masterplan moeten de lokale overheden een vorm van inspraak voor het publiek organiseren zodat het publiek over de parknota en het masterplan wordt geïnformeerd en zich kan laten horen. Minstens dient het advies van de betrokken lokale overheden opgenomen te zijn in de parknota en het masterplan. Aan de Vlaamse Regering wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de nadere regels met betrekking tot de te organiseren vorm van inspraak vast te stellen; - artikel 12, § 2 : het parkbureau dient evenwichtig te worden samengesteld uit gemeenteraadsleden en vertegenwoordigers van publieke of particuliere beheerders met een terrein gelegen in een Vlaams Park en actoren wier medewerking nuttig is voor de realisatie van de doelstellingen van het Vlaams Park; - artikel 12, § 3 : de publieke en private belanghebbenden moeten worden betrokken bij de realisatie van de doelstellingen van een Vlaams Park. 32 B.12.2. Artikel 7 van het Verdrag van Aarhus is van toepassing op alle plannen en programma’s « betrekking hebbende op het milieu ». Artikel 11 van het decreet van 9 juni 2023 bepaalt dat de parknota en het masterplan het advies van de betrokken lokale overheden moet bevatten waarbij de lokale overheden een vorm van inspraak hebben georganiseerd. Voor het operationeel plan wordt niet in een vorm van inspraak voorzien. Overeenkomstig artikel 11, vierde lid, van het decreet van 9 juni 2023 komt het toe aan de Vlaamse Regering om de nadere regels met betrekking tot de vorm van inspraak te bepalen, hetgeen is gebeurd in de artikelen 5 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2023 « tot vaststelling van de algemene erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden voor Vlaamse Parken » (hierna : het besluit van 14 juli 2023). Beide artikelen geven aan dat de parknota en het masterplan op straffe van onontvankelijkheid het advies van de lokale overheden moeten bevatten waarbij een vorm van inspraak moet worden georganiseerd waarvan de wijze en vereisten zijn vastgelegd in de artikelen 5 en 8 van het voormelde besluit. B.12.3. Met het operationeel plan wordt de strategie van het masterplan uitgewerkt in concrete en meetbare maatregelen en acties voor de globale ontwikkeling van het gebied zowel op de korte termijn als op de lange termijn. Het is de concrete vertaling van het masterplan voor een periode van zes jaar en bevat een gedetailleerd en duidelijk geformuleerd actieplan inclusief de aanduiding van de verantwoordelijke partner, tijdspaden en mijlpalen evenals een financieel plan. De lokale belanghebbenden worden betrokken bij de uitvoering van het operationeel plan en de realisatie van de doelstellingen van een Vlaams Park, aangezien die waarborg uitdrukkelijk in artikel 12, § 3, van het decreet van 9 juni 2023 is opgenomen dat bepaalt dat « de publieke en private belanghebbenden [worden] betrokken » met het oog op de realisatie van de doelstellingen van een Vlaams Park. B.12.4. Diverse artikelen van het decreet van 9 juni 2023 voorzien in inspraakmogelijkheden voor het publiek, dan wel in een vereiste specifieke samenstelling voor het parkbureau, zodat inspraak voor het « publiek » « binnen een transparant en eerlijk kader, 33 na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt », beantwoordt aan de voorschriften van artikel 6, leden 3, 4 en 8, van het Verdrag van Aarhus, zoals artikel 7 van dat Verdrag voorschrijft. Het staat aan de bevoegde rechter om na te gaan of het betrokken publiek concreet inspraak heeft gehad bij de totstandkoming van de parknota’s, masterplannen en operationele plannen. B.12.5. Het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8127 is niet gegrond. B.13. Wat het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8127 betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wordt geschonden, omdat het decreet van 9 juni 2023 er verkeerdelijk van uitgaat dat alle lokale belanghebbenden, die onder de noemer « publiek » worden geregistreerd, in alle fasen van de erkenningsprocedure hun stem kunnen laten gelden via de lokale besturen. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Verdrag van Aarhus, doordat de samenstelling van het parkbureau enkel de inspraak en de participatie van lokale besturen garandeert. In het eerste middel in de zaak nr. 8142 voert de verzoekende partij aan dat het bestreden decreet een kennelijk onrechtmatig verschil in behandeling invoert tussen de totstandkomingsprocedure voor de Vlaamse Parken en de totstandkomingsprocedures voor andere ruimtelijke plannen, terwijl beide soorten plannen een strategische langetermijnvisie inhouden met een ruimtelijke impact. B.14. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 34 B.15.1. De Vlaamse Regering voert aan, wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 8127, dat de lokale overheden en de andere lokale belanghebbenden niet vergelijkbaar zijn, omdat de lokale overheden, in tegenstelling tot de andere lokale belanghebbenden, het algemeen belang nastreven. Voorts voert, wat betreft het eerste middel in de zaak nr. 8142, de Vlaamse Regering aan dat de totstandkomingsprocedure voor de Vlaamse Parken en de totstandkomingsprocedure voor andere ruimtelijke plannen binnen het beleidsveld van de ruimtelijke ordening, niet vergelijkbare categorieën van plannen zijn, omdat een erkenningsbesluit voor een Vlaams Park geen verordenende kracht heeft en een ruimtelijk beleidsplan of een ruimtelijk uitvoeringsplan wel. B.15.2. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. Het door de lokale overheden nagestreefde algemeen belang, dan wel het al dan niet verordenend karakter van een plan in het kader van een geïntegreerd landschapsbeleid, kan weliswaar een element vormen bij de beoordeling van een verschil in behandeling van het publiek naargelang het om een Vlaams Park dan wel om een ander ruimtelijk plan gaat, maar volstaat niet om te besluiten tot de niet-vergelijkbaarheid, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering betoogt, zijn de hierboven vermelde categorieën vergelijkbaar wat betreft de inspraakmogelijkheden voor de lokale belanghebbenden en wat betreft de verschillende plannen in het kader van het landschapsbeleid. B.16.1. De verschillen in behandeling berusten op een objectief criterium, te weten de hoedanigheid van de lokale belanghebbende (tweede onderdeel van het eerste middel en tweede middel in de zaak nr. 8127) en het bepalen van welke plannen moeten worden opgemaakt, zijnde de plannen aangaande de erkenning van de Vlaamse Parken of andere ruimtelijke plannen (eerste middel in de zaak nr. 8142). B.16.2. De decreetgever wenste met de bestreden artikelen van het kaderdecreet van 9 juni 2023 de doelstellingen van de Vlaamse Parken na te streven, alsook een specifieke procedure 35 tot erkenning, werking en organisatie van de Vlaamse Parken, uit te werken om op die manier te kunnen komen tot een geïntegreerd landschapsbeleid (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1667/1, p. 3). Het is de bedoeling in een decretaal kader te voorzien voor landschap als transversaal beleidsthema, hetgeen een legitieme doelstelling is. Op het vlak van het geïntegreerd landschapsbeleid, dat een centrale rol speelt in het sociaal en economisch beleid van de moderne samenleving, dient het Hof, rekening houdend met de verplichting die op grond van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet voor de decreetgevers geldt en erin bestaat het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu te waarborgen, het oordeel van die decreetgevers betreffende het algemeen belang te eerbiedigen, tenzij dat oordeel onredelijk is. De decreetgever beschikt derhalve over een ruime beoordelingsbevoegdheid om te bepalen welke maatregelen geschikt blijken om de door hem nagestreefde doelstellingen inzake het geïntegreerd landschapsbeleid te verwezenlijken. B.16.3. Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 8127, volstaat het vast te stellen dat, gelet op hetgeen is vermeld in B.12.1 tot B.12.5, er voldoende adequate inspraakmogelijkheden bestaan voor de lokale belanghebbenden. Het verschil in inspraakmogelijkheden naargelang van de hoedanigheid van de lokale belanghebbenden is redelijk verantwoord. Het is in het bijzonder redelijk verantwoord dat het bestreden decreet een specifieke rol toekent aan de lokale besturen, rekening houdend met de op hen rustende taken van algemeen belang. Voor het overige kan de evenwichtige samenstelling van de gebiedscoalitie en het parkbureau aan de lokale belanghebbenden diverse inspraakmogelijkheden waarborgen. Bij het opstellen van parknota’s en masterplannen dienen de lokale overheden een vorm van inspraak te organiseren, waarbij de lokale belanghebbenden hun mening kunnen uiten en waarmee de lokale overheden bij het verlenen van hun advies rekening moeten houden. Door de vereiste evenwichtige samenstelling van het parkbureau zullen de verschillende lokale belanghebbenden worden betrokken bij de opmaak van de parknota’s, masterplannen en operationele plannen. Het decreet van 9 juni 2023 beoogt slechts een juridisch kader te vormen voor een transversaal landschapsbeleid, waarbij algemene richtlijnen worden opgelegd, die 36 verder moeten worden uitgevoerd door de uitvoerende macht. Hoe de samenstelling van de gebiedscoalitie of het parkbureau zal gebeuren, behoudens de noodzaak van een evenwichtige samenstelling, hangt af van het grondgebied waarvoor een Nationaal Park Vlaanderen of een Landschapspark zal worden erkend. De specifieke samenstelling van het parkbureau kan enkel worden vastgelegd in andere regelgeving, zoals besluiten en verordeningen van de uitvoerende macht, waarvoor het Hof niet bevoegd is. De concrete beoordeling van de wettigheid van de samenstelling van het parkbureau komt toe aan de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en aan de gewone rechter. B.16.4. Zoals is vermeld in B.1.2, hebben de Vlaamse Parken tot doel het stimuleren, faciliteren en uitvoeren van het onderzoek, het duurzaam behoud, het herstel, de ontwikkeling en de ontsluiting van het landschap, het organiseren van de samenwerking gericht op algemene landschapszorg en het bevorderen van de biologische diversiteit en het natuurbehoud. De decreetgever heeft voornamelijk kaders gecreëerd voor samenwerkingsverbanden met heldere doelstellingen (artikelen 3 en 4 van het decreet van 9 juni 2023) en regels voor de erkenning van de Vlaamse Parken vastgesteld. De erkenning zelf als Vlaams Park maakt het voorwerp uit van een aanvechtbare bestuurshandeling, waarvan de controle opnieuw toekomt aan de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en aan de gewone rechter. Bovendien genereren de parknota’s, de masterplannen en de operationele plannen en dienvolgens de erkenning als Vlaams Park of de werking van het parkbureau « geen verplichtingen of geen beperkende maatregelen boven op de vigerende regelgeving voor de houders van zakelijke rechten binnen of buiten een Vlaams Park of voor de gebruikers ervan » (artikel 8, eerste lid, van het decreet van 9 juni 2023), terwijl de ruimtelijke beleids- en uitvoeringsplannen wel een verordenend karakter hebben, hetgeen ook de ruimere inspraakmogelijkheden voor het publiek verantwoordt. B.17. Het tweede onderdeel van het eerste middel en het tweede middel in de zaak nr. 8127 en het eerste middel in de zaak nr. 8142 zijn niet gegrond. 37 2. De ongeoorloofde delegatie aan de Vlaamse Regering B.18. Als derde middel in de zaak nr. 8127 voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet junctis de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in samenhang gelezen met het wettigheidsbeginsel in artikel 23 van de Grondwet, met het beginsel van de scheiding der machten en met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat de decreetgever het principiële delegatieverbod schendt. B.19.1. Artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « De Regering maakt de verordeningen en neemt de besluiten die voor de uitvoering van de decreten nodig zijn, zonder ooit de decreten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen ». Artikel 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « De Regering heeft geen andere macht dan die welke de Grondwet en de wetten en decreten krachtens de Grondwet uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen ». B.19.2. Artikel 23, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet verplicht de bevoegde wetgever om het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu te waarborgen en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht te bepalen. Die grondwetsbepaling verbiedt de decreetgever echter niet machtigingen aan de uitvoerende macht te verlenen, voor zover die machtigingen betrekking hebben op het nemen van de maatregelen waarvan de decreetgever het onderwerp heeft aangegeven. B.20.1. Zoals is vermeld in B.1.2, creëert het decreet van 9 juni 2023 een kader voor een volwaardig en transversaal landschapsbeleid ter bevordering en stimulering van de omgeving, de natuur, de biodiversiteit en open ruimte, het erfgoed, het toerisme, de economie en veel beleidsvelden die betrekking hebben op de bevordering van het leefmilieu. B.20.2. Wat de delegatie aan de Vlaamse Regering betreft, vermeldt de parlementaire voorbereiding : 38 «

(1)De primaire doelstellingen werden uitgewerkt in het ontwerp van decreet. De Vlaamse Regering kan beslissen of ze al dan niet verdere verduidelijkingen of specifiëring van die doelstellingen uitwerkt.
(2)Uitvoeringsbepalingen voor artikel 9 worden uitgewerkt door de Vlaamse Regering. Artikel 9 van het ontwerp van decreet wordt zo gewijzigd dat de Vlaamse Regering uitvoeringsbepalingen ‘ moet ’ vaststellen.
(3)Uitvoeringsbepalingen over de rapportering worden voorzien op korte termijn door de Vlaamse Regering. Uitvoeringsbepalingen over de overige aspecten worden optioneel gehouden zodat de ervaringen bij de eerste erkenningen kunnen uitwijzen of een nadere regeling noodzakelijk is » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1667/1, p. 22). B.20.
  1. De bestreden artikelen 3 en 4 van het decreet van 9 juni 2023 geven op duidelijke en nauwkeurige wijze aan wat moet worden verstaan onder een « Landschapspark » en een « Nationaal Park Vlaanderen » en sommen de doelstellingen van een Landschapspark en een Nationaal Park Vlaanderen op. Artikel 5 bepaalt dat de verdere inhoud van de doelstellingen van de Vlaamse Parken kan worden vastgelegd door de Vlaamse Regering, waarbij de Vlaamse Regering die doelstellingen kan concretiseren en specifiëren (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1667/1, p. 55). Uit de artikelen 3, 4 en 5 van het decreet van 9 juni 2023 volgt dat de decreetgever op nauwkeurige en ondubbelzinnige wijze het onderwerp heeft bepaald van de doelstellingen van de Vlaamse Parken, en tevens heeft bepaald wat onder de parkstatuten moet worden begrepen. Het kader van de Vlaamse Parken zit reeds vervat in de definities en doelstellingen van de artikelen 3 en 4 van het decreet van 9 juni
  2. De Vlaamse Regering wordt enkel ertoe gemachtigd de inhoud van de in het decreet van 9 juni 2023 opgesomde doelstellingen voor de Vlaamse Parken verder in te vullen. De bestreden artikelen 7, 8 en 9 van het decreet van 9 juni 2023 machtigen de Vlaamse Regering ertoe het landschapsbeleid verder uit te werken met een nadere en gedetailleerde regeling door middel van een erkenningsprocedure en erkenningsvoorwaarden. De decreetgever geeft duidelijk aan welke aangelegenheden en procedures of voorwaarden van het transversaal landschapsbeleid door de Vlaamse Regering nader moeten worden uitgewerkt, waardoor het onderwerp van de door de Vlaamse Regering te nemen maatregelen duidelijk is afgebakend. 39 De bestreden artikelen 11 en 12 van het decreet van 9 juni 2023 machtigen de Vlaamse Regering ertoe de inhoud en vorm van de parknota te bepalen, welke minstens het advies van de lokale overheden moet bevatten en waarbij de lokale overheden een vorm van inspraak voor het publiek moeten organiseren. Tevens wordt de Vlaamse Regering ertoe gemachtigd voor het masterplan een vorm van inspraak te organiseren en de inhoud en vaststelling van het operationeel plan en de wijziging ervan te bepalen. In het decreet van 9 juni 2023 wordt gedefinieerd wat wordt verstaan onder parknota, masterplan en operationeel plan, wat hiervan de inhoud is, en wanneer die documenten moeten worden ingediend. Daardoor wordt aan de uitvoerende macht geen machtiging gegeven waarvan het onderwerp niet door de bevoegde decreetgever is aangegeven. Ook de machtiging aan de Vlaamse Regering om de nadere regels met betrekking tot de opdracht, de samenstelling, de werking, de bevoegdheden, de samenwerking, de gevolgen van het uitstappen van een lid van het bestuursorgaan, de rapportering van een parkbureau vast te leggen en het tijdstip van oprichting van het parkbureau is geen machtiging met betrekking tot maatregelen waarvan het onderwerp niet door de bevoegde decreetgever is aangegeven. De bestreden artikelen 15, 16, 24 en 25, § 1, eerste lid, van het decreet van 9 juni 2023 machtigen de Vlaamse Regering enkel ertoe de voorwaarden vast te leggen voor de subsidieregeling, waarbij wordt bepaald dat de Vlaamse Regering gebonden is door de beschikbare begrotingskredieten en door de vaststelling dat de cumulatie van de subsidies nooit meer mag bedragen dan 100 % van de totale kosten. Bovendien gelden voor de Vlaamse Parken de « [artikelen] 11 tot en met 14 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1667/1, p. 59), zodat het onderwerp van de door de Vlaamse Regering te nemen maatregelen door de bevoegde wetgever duidelijk is aangegeven. De overige bestreden artikelen hebben betrekking op de delegatie aan de Vlaamse Regering aangaande « het gebruik van namen en logo’s van Vlaamse Parken » (artikel 18, tweede lid, van het decreet van 9 juni 2023), het vastleggen van « de nadere regels met betrekking tot de opdracht, de afbakening, de samenstelling, werking, bevoegdheden en rapportering van de regionale landschappen » (artikel 19, derde lid, van het decreet van 9 juni 2023), de erkenning, de procedure van erkenning van de regionale landschappen en de opvolging en coördinatie voor 40 regionale landschappen (artikelen 22, eerste en tweede lid, en 23, tweede lid, van het decreet van 9 juni 2023). Het onderwerp van de door de Vlaamse Regering te nemen maatregelen is eveneens telkens duidelijk afgebakend. B.20.
  3. Uit het voorgaande volgt dat de decreetgever op een duidelijke wijze het onderwerp heeft bepaald van de maatregelen waarvan hij de uitvoering delegeert aan de uitvoerende macht, en dat die machtiging bijgevolg niet in strijd is met het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet. B.
  4. Het derde middel in de zaak nr. 8127 is niet gegrond.
  5. De schending van het eigendomsrecht B.
  6. Het tweede middel van de verzoekende partij in de zaak nr. 8142 gaat uit van de schending door de artikelen 3 tot 14 van het decreet van 9 juni 2023 van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens de verzoekende partij laat het decreet van 9 juni 2023 de mogelijkheid bestaan dat landbouwgronden worden opgenomen in een Landschapspark of een Nationaal Park Vlaanderen, waardoor die landbouwbedrijven kunnen worden geconfronteerd met zeer verregaande eigendomsbeperkingen die resulteren in een de facto onteigening. B.23.
  7. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. 41 De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakeli

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.