id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.040 Arrest- Rolnummer: 40/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-25 Raadplegingen: 383 - laatst gezien 2026-06-18 03:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals zij van toepassing waren voor de aanslagjaren 2015 en 2016, in zoverre zij uitsluiten dat moratoriuminteresten worden toegekend aan de belastingschuldigen wanneer zij aanvankelijk spontaan bedrijfsvoorheffing hebben betaald maar nadien een bezwaarschrift hebben ingediend en de terugbetaling van die bedrijfsvoorheffing hebben gevorderd in het kader van de toepassing van artikel 2753 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en het bevoegde rechtscollege die vordering heeft ingewilligd) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016), gesteld door het Hof van Cassatie. Fiscaal recht - Bedrijfsvoorheffing - Onverschuldigde betalingen - Terugbetaling - Moratoriuminteresten - Uitsluiting Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:GHCC:2013:ARR.176 ecli_prefixe ECLI ecli_pays GHCC ecli_cour 2013 ecli_annee ARR.176 ecli_ordre Ongeldig ECLI-nummer - 4 element (
- en)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:GHCC:2013:ARR.176 invalide Ongeldig ECLI-nummer - 4 element (
- en)Grondwettelijk Hof Arrest nr. 40/2025 van 13 maart 2025 Rolnummer : 8147 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016), gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 7 december 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 januari 2024, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 4° WIB 92, in de versie zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016, de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet in de uitlegging dat ze uitsluiten dat moratoriuminterest wordt toegekend aan de belastingplichtige wanneer deze de bedrijfsvoorheffing aanvankelijk spontaan heeft betaald maar nadien een bezwaarschrift heeft ingediend en terugbetaling heeft gevorderd van de bedrijfsvoorheffing en de rechter deze vordering inwilligt, doordat ze een verschillende behandeling invoeren : 1° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van een belasting, roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing die zij hebben betaald nadat die belasting of voorheffing ten onrechte jegens hen werd ingekohierd, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoriuminterest wordt toegekend ? 2° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van dezelfde voorheffingen, die zij niet spontaan hebben betaald binnen de termijn bepaald in artikel 412 van dat wetboek, maar pas nadat de administratie ze jegens hen had ingekohierd, 2 overeenkomstig artikel 304, § 1, tweede lid, van datzelfde wetboek, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoriuminterest wordt toegekend ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « CNH Industrial Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie. Bij beschikking van 15 januari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, de nv « CNH Industrial Belgium », is actief als ontwikkelaar, producent en verkoper van onder meer landbouw- en werktuigmachines, alsook van vrachtwagens, bussen en bijzondere dienstvoertuigen. Ze beschikt over een onderzoeks- en ontwikkelingscentrum waarin zij wetenschappelijk personeel tewerkstelt. Bij bezwaarschriften van 20 september 2018 en 21 september 2018 heeft de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege de belastingadministratie verzocht om voor de aanslagjaren 2015 en 2016 een bijkomende vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing te verkrijgen met toepassing van artikel 2753 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992). Zij meende voor die jaren voor extra werknemers een bijkomend recht te hebben op een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten bedrage van 84 013,53 euro (voor het aanslagjaar 2015) en 589 451,14 euro (voor het aanslagjaar 2016), die ze ten onrechte had doorgestort aan de Schatkist. Die bezwaarschriften werden slechts deels ingewilligd. Op 21 november 2019 heeft de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege een vordering ingediend bij de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, en vorderde ze de veroordeling van de Belgische Staat tot terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing ten bedrage van 515 147,15 euro. De vordering werd gegrond verklaard en de Belgische Staat, FOD Financiën, werd veroordeeld tot het betalen van het geëiste bedrag, te vermeerderen met de moratoriuminteresten (artikel 1153 van het oud Burgerlijk Wetboek). Tegen dat vonnis wordt hoger beroep ingesteld door de Belgische Staat, FOD Financiën. Dat hoger beroep wordt op 24 mei 2022 als ongegrond afgewezen. Het Hof van Beroep was van oordeel dat moratoriuminteresten verschuldigd waren op grond van artikel 419, eerste lid, 4°, van het WIB 1992, in de versie zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016. Op 2 november 2022 stelt de Belgische Staat, FOD Financiën, een voorziening in cassatie in tegen dat arrest. 3 Volgens het Hof van Cassatie rijst de vraag of de in artikel 419, eerste lid, 4°, van het WIB 1992 neergelegde regel volgens welke bij de terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing geen moratoriuminteresten verschuldigd zijn door de Staat, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet wanneer de belastingplichtige de bedrijfsvoorheffing aanvankelijk spontaan heeft betaald, maar nadien een bezwaarschrift heeft ingediend en de terugbetaling heeft gevorderd van de bedrijfsvoorheffing en de rechter die vordering inwilligt. Het Hof van Cassatie stelt de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. De verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat het arrest van de appelrechter in overeenstemming is met de strekking van de arresten nrs. 24/2008 (ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.024) en 176/2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.176). In die arresten oordeelde het Hof dat niets verantwoordt dat moratoriuminteresten worden geweigerd wanneer het gaat om roerende voorheffingen of niet-verrekende bedrijfsvoorheffingen, wanneer de niet tijdig uitgevoerde terugbetaling van hun overschot toe te schrijven is aan een vergissing van de administratie en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen. Die beginselen gelden mutatis mutandis in het bodemgeschil. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege betwist niet dat zij de bedrijfsvoorheffing ten onrechte niet heeft terugbetaald, waardoor haar vergissing vaststaat. Het standpunt van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege komt er, volgens de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, op neer dat moratoriuminteresten pas verschuldigd kunnen zijn vanaf het tijdstip dat door de feitenrechters is vastgesteld dat de Belgische Staat, FOD Financiën, zich heeft vergist door niet terug te betalen, hetgeen niet de strekking is van de voormelde arresten van het Hof. A.2.1. De Ministerraad voert aan dat uit de arresten van het Hof nrs. 33/99 (ECLI:BE:GHCC:1999:ARR.033), 35/99 (ECLI:BE:GHCC:1999:ARR.035), 113/2001 (ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.113), 85/2004 (ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.085), 20/2007 (ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.020), 24/2008 (ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.024) en 176/2013 (ECLI:GHCC:2013:ARR.176) kan worden afgeleid dat artikel 418 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992) moet worden toegepast wanneer te veel belastingen werden betaald ingevolge een vergissing van de administratie en het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen. Essentieel lijkt daarbij dat het gaat om het terugbetalen van een door de Staat ten onrechte ontvangen som, die door de belastingadministratie is ingehouden, en niet spontaan is betaald. De reden waarom de terugbetaling moet gebeuren, is daarbij niet van belang. Uit artikel 419, eerste lid, 1°, van het WIB 1992 volgt dat de Staat geen enkele interest verschuldigd is bij de terugbetaling van voorheffingen wanneer de schuldenaar spontaan meer heeft betaald dan hij verschuldigd was. A.2.2. De Ministerraad doet gelden dat het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk dat de te hoge betaling rechtstreeks is toe te schrijven aan de belastingplichtige, en dat dat verschil redelijk verantwoord is rekening houdend met het doel, te weten de toekenning van moratoire interesten in geval van terugbetaling van een door de Staat ten onrechte ingehouden som waardoor aan de belastingplichtige interest wordt ontzegd op die som die hem ten onrechte werd ontnomen, alsook met de gevolgen van de maatregel, namelijk de vergoeding van de belastingplichtige voor de gederfde interest ten laste van de Staat. Wanneer de belastingplichtige op het ogenblik van de betaling spontaan meer betaalt dan hij verschuldigd is, kunnen de gevolgen daarvan niet ten laste van de Staat worden gelegd. De vaststelling dat nadien een bezwaarschrift wordt ingediend, met het oog op de terugbetaling van het te veel betaalde, verandert hieraan niets : de vergissing blijft enkel en alleen te wijten aan de belastingplichtige. In het bodemgeschil is geen sprake van een wijziging in de omstandigheden, noch van het verdwijnen van een of andere rechtsgrond waarop de betaling steunt, en is er met betrekking tot die betaling geen fout toe te schrijven aan de Staat. Het feit dat het bezwaar van de belastingplichtige uiteindelijk door de rechter wordt ingewilligd, betekent nog niet dat de Staat kan worden verweten aan de belastingplichtige ten onrechte een som te hebben ontnomen. 4 Het komt de belastingplichtige toe nauwkeurig en zorgvuldig te werk te gaan bij de naleving van zijn verplichtingen en bij het opnemen van zijn rechten. A.2.3. Indien het Hof van oordeel zou zijn dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord, voert de Ministerraad aan dat niet zonder meer kan worden gesteld dat moratoriuminteresten verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 418 van het WIB 1992. Op grond van artikel 418 van het WIB 1992 is de interest verschuldigd vanaf de maand na die waarin de betaling is gebeurd, hetgeen te dezen niet redelijk is verantwoord. Evenmin kan als regel worden gesteld dat moratoriuminteresten verschuldigd zijn vanaf de maand volgend op de indiening van een bezwaar door de belastingplichtige. De belastingadministratie moet over een redelijke termijn beschikken om het bezwaar te onderzoeken. Er kan pas geen sprake meer zijn van een vergissing begaan door de belastingplichtige maar van een niet tijdig uitgevoerde terugbetaling door de belastingadministratie, vanaf de beslissing over het bezwaar en op voorwaarde dat de belastingplichtige het vereiste bewijs levert dat aan de toepassingsvoorwaarden van een fiscale (gunst)maatregel waarop hij zich beroept, is voldaan, ook al heeft dat bewijs betrekking op een periode die daaraan voorafgaat. De Ministerraad voert aan dat, voor zover het Hof van oordeel zou zijn dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord, het Hof tevens voor recht moet zeggen dat de moratoriuminteresten pas kunnen beginnen te lopen vanaf de beslissing van de belastingadministratie over het bezwaar van de belastingplichtige op voorwaarde dat de belastingplichtige het vereiste bewijs heeft geleverd, en zo niet, pas vanaf de gerechtelijke uitspraak waarbij tot terugbetaling wordt beslist. -B- B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de mogelijke toekenning van moratoriuminteresten bij de terugbetaling van de onverschuldigde, betaalde bedrijfsvoorheffing. B.2.1. Artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016, bepaalt : « Bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten, wordt moratoriuminterest toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend per kalendermaand ». B.2.2. Artikel 419 van het WIB 1992, zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016, bepaalt : « Geen moratoriuminterest wordt toegekend : 1° wanneer hij geen 5 euro per maand bedraagt; 2° wanneer de terugbetaling voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een boete of een belastingverhoging toegekend als genademaatregel; 5 3° in geval van terugbetaling van het overschot van bedrijfsvoorheffing, roerende voorheffing of voorafbetalingen aan de verkrijger van de inkomsten, uiterlijk op het einde van de tweede maand die volgt op de maand waarin de aanslagtermijn vermeld in artikel 359 of in artikel 353 is verstreken; 4° in geval van terugbetaling van als roerende voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte bedragen aan de in de artikelen 261 en 270 bedoelde schuldenaars ervan; 5° in geval van terugbetaling van voorafbetalingen, met toepassing van artikel 376, § 4. Wanneer de terugbetaling plaatsheeft na het verstrijken van de in het eerste lid, 3°, vastgestelde termijn, is de moratoriuminterest verschuldigd vanaf de dag volgend op die termijn ». B.3.1. Het verwijzende rechtscollege stelt aan het Hof een prejudiciële vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, van de in het geding zijnde bepalingen in zoverre zij in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de toekenning uitsluiten van moratoriuminteresten aan de belastingschuldigen die de terugbetaling verkrijgen van bedrijfsvoorheffingen die zij spontaan hebben betaald maar nadien hebben betwist door een bezwaarschrift in te dienen, doordat ze een verschil in behandeling invoeren tussen enerzijds, die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van een belasting, een roerende voorheffing of een bedrijfsvoorheffing die zij hebben betaald nadat die belasting of die voorheffing ten onrechte te hunnen laste was ingekohierd, waarbij aan die laatstgenoemde belastingplichtigen moratoriuminteresten worden toegekend en, anderzijds, tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van dezelfde voorheffingen die zij niet spontaan hebben betaald binnen de termijn bedoeld in artikel 412 van het voormelde Wetboek, maar enkel nadat de administratie die te hunnen laste had ingekohierd, overeenkomstig artikel 304, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, waarbij moratoriuminteresten worden toegekend aan die laatstgenoemde belastingplichtigen. B.3.2. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het geschil betrekking heeft op de terugbetaling van bedrijfsvoorheffingen die de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, belastingschuldige volgens artikel 270 van het WIB 1992, aan de Belgische Staat heeft betaald en die zijn ingehouden op bezoldigingen betaald in het kader van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten (artikel 2753 van het WIB 1992), zonder dat die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inkohiering door de diensten van de Belgische Staat. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. 6 B.4. De artikelen 418 en 419 van het WIB 1992 vinden hun oorsprong in artikel 74, vijfde en zesde lid, van de gecoördineerde wetten van 15 januari 1948 betreffende de inkomstenbelastingen, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 27 juli 1953 « tot invoering van maatregelen om de invordering der directe belastingen te bespoedigen ». Nadat die bepalingen het beginsel hadden gesteld van de betaling van moratoriuminteresten door de Staat in geval van terugbetaling van belasting, voorzagen zij in een uitzondering, met name wanneer het de terugbetaling van « aan de bron verschuldigde belastingen » betrof, thans « voorheffingen » genoemd. De memorie van toelichting van de wet van 27 juli 1953 stelt dat « deze bepaling, die dateert van de wet van 28 februari 1924, was gesteund op redenen van billijkheid » (Parl. St., Kamer, 1952-1953, nr. 277, p. 9) en dat, zoals de nalatige belastingplichtigen verwijlinteresten moeten betalen aan de Staat, « om dezelfde redenen [...] het dan ook billijk [is] moratoire interesten aan de belastingplichtigen toe te kennen telkens de Staat een gekweten belasting terugbetaalt » (ibid., p. 10). De uitzondering, inzonderheid in verband met de terugbetaling van de aan de bron verschuldigde belastingen, thans overeenstemmende met het overschot van voorheffing, wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet als volgt verantwoord : « [...] de terugbetaling [kan] voortspruiten namelijk uit vergissingen begaan door de schuldenaar van het inkomen die verantwoordelijk is voor de storting van de belasting in de Schatkist maar deze last niet zelf draagt of niet geacht wordt hem zelf te dragen, uit de toepassing van artikel 52, waarbij maatregelen voorzien worden ten einde de dubbele belasting van dezelfde inkomsten in hoofde van dezelfde belastingplichtige te vermijden, en ten slotte uit de regularisatie van de fiscale toestand van de wedde-, loon-, pensioentrekkenden, enz., wanneer het bedrag van de bij de bron ingehouden belasting hoger is dan dit der belastingen werkelijk vorderbaar op het geheel der bedrijfsinkomsten van de belastingplichtige. De toekenning van moratoire interesten in voormelde gevallen zou doorgaans op aanzienlijke materiële moeilijkheden stuiten, en zulks zonder werkelijk nut, zij zou anderdeels ongerechtvaardigd zijn wanneer zij het gevolg is van vergissingen in de storting der bij de bron verschuldigde belastingen, of van de toepassing van artikel 52, vermits in het eerste geval, het de schuldenaar van de belasting practisch onmogelijk zou zijn de moratoire interesten te verdelen over de werkelijke belastingplichtigen, te weten de begunstigden der belastbare inkomsten en, in de tweede onderstelling, de terugbetaling niet toegestaan wordt aan de werkelijke begunstigden van de inkomsten, doch aan de vennootschap die de last van de mobiliënbelasting niet zelf droeg of niet geacht wordt die last te hebben gedragen » (ibid., p. 10). 7 B.5. Zoals het Hof bij zijn arresten nrs. 35/99 (ECLI:BE:GHCC:1999:ARR.035), 113/2001 (ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.113), 20/2007 (ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.020), 24/2008 (ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.024) en 176/2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.176) heeft geoordeeld, kan het worden verantwoord dat geen enkele interest verschuldigd is bij terugbetaling van voorheffingen wanneer de schuldenaar spontaan meer heeft betaald dan hij verschuldigd was of wanneer het praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten zijn beginnen te lopen die moeten worden verdeeld onder de belastingplichtigen ten gunste van wie de inhoudingen zijn gebeurd door de schuldenaar van de voorheffingen. Zulks is met name het geval voor het overschot van bedrijfsvoorheffingen wanneer zij niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een inkohiering op naam van de schuldenaar. Niets verantwoordt daarentegen dat moratoriuminteresten worden geweigerd wanneer het gaat om roerende voorheffingen, wanneer de niet tijdig uitgevoerde terugbetaling van hun overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen (voormelde arresten nrs. 35/99 en 20/2007). Het is evenmin verantwoord moratoriuminteresten te weigeren wanneer het gaat om roerende voorheffingen, wanneer de terugbetaling ervan noodzakelijk wordt gemaakt door het verstrijken van de wettelijke aanslagtermijn zodat het onmogelijk is ze aan te rekenen op de belasting en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen (voormeld arrest nr. 113/2001). B.6. Bij zijn voormelde arresten nrs. 24/2008 en 176/2013 heeft het Hof geoordeeld dat de beginselen waarmee rekening is gehouden in die arresten, die betrekking hebben op de terugbetaling van roerende voorheffingen, ook moeten worden toegepast wanneer niet-verrekende beroepsvoorheffingen in het geding zijn. Daaruit volgt dat het kan worden verantwoord dat geen enkele interest verschuldigd is bij terugbetaling van een niet-verrekende bedrijfsvoorheffing wanneer de schuldenaar spontaan meer heeft betaald dan hij verschuldigd is of wanneer het praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten zijn beginnen te lopen die moeten worden verdeeld onder de belastingplichtigen ten gunste van wie de inhoudingen zijn gebeurd door de schuldenaar van de voorheffingen. 8 Niets verantwoordt daarentegen dat moratoriuminteresten worden geweigerd wanneer het gaat om niet-verrekende bedrijfsvoorheffingen, wanneer de niet-tijdig uitgevoerde terugbetaling van hun overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie, en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen die niet moeten worden verdeeld tussen verschillende belastingplichtigen. B.7. Te dezen heeft de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege spontaan bedrijfsvoorheffing betaald die zij heeft ingehouden op bezoldigingen die in het kader van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten zijn betaald (artikel 2753 van het WIB 1992). Die betalingen kunnen niet worden toegeschreven aan een vergissing van de administratie. In het licht van de in B.4 vermelde doelstelling van de wetgever is het in beginsel redelijk verantwoord dat geen moratoriuminteresten verschuldigd zijn bij terugbetaling van bedrijfsvoorheffing die spontaan door de belastingschuldige werd betaald. Wanneer de belastingschuldige een bezwaarschrift heeft ingediend bij de administratie om een vrijstelling van storting van bedrijfsvoorheffing te verkrijgen in het kader van de toepassing van artikel 2753 van het WIB 1992 en het bevoegde rechtscollege die vordering heeft ingewilligd, is het daarentegen niet redelijk verantwoord om moratoriuminteresten te weigeren. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over de vraag vanaf welke datum de eisende partij in het bodemgeschil in voorkomend geval aanspraak kan maken op moratoriuminteresten. Dat punt maakt trouwens niet het voorwerp uit van de prejudiciële vraag. B.8. De artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 4°, van het WIB 1992, zoals zij van toepassing waren voor de aanslagjaren 2015 en 2016, zijn niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre zij uitsluiten dat moratoriuminteresten worden toegekend aan de belastingschuldigen wanneer zij aanvankelijk spontaan bedrijfsvoorheffing hebben betaald maar nadien een bezwaarschrift hebben ingediend en de terugbetaling van die bedrijfsvoorheffing hebben gevorderd in het kader van de toepassing van artikel 2753 van het WIB 1992 en het bevoegde rechtscollege die vordering heeft ingewilligd. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre zij uitsluiten dat moratoriuminteresten worden toegekend aan de belastingschuldigen wanneer zij aanvankelijk spontaan bedrijfsvoorheffing hebben betaald maar nadien een bezwaarschrift hebben ingediend en de terugbetaling van die bedrijfsvoorheffing hebben gevorderd in het kader van de toepassing van artikel 2753 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en het bevoegde rechtscollege die vordering heeft ingewilligd, schenden de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 4°, van hetzelfde Wetboek, zoals zij van toepassing waren voor de aanslagjaren 2015 en 2016, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 maart 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.040 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:GHCC:1999:ARR.033 ECLI:BE:GHCC:1999:ARR.035 ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.113 ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.085 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.020 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.024 ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.176 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div