← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.041

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.041 Arrest- Rolnummer: 41/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-25 Raadplegingen: 270 - laatst gezien 2026-06-18 14:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vraag valt niet onder de bevoegdheid van het Hof Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Tegemoetkomingen aan personen met een handicap - Inkomensvervangende tegemoetkoming - Tarief - Personen met een handicap die samenwonen met een bloed- of aanverwant tot in de derde graad - Begrip huishouden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 41/2025 van 13 maart 2025 Rolnummer : 8166 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 7 februari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 februari 2024, heeft de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, in zoverre daarin het begrip huishouden wordt gedefinieerd als ‘ elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad ’, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, de persoon met een handicap die samenwoont met een bloed- of aanverwant van de eerste drie graden zonder inkomen en die een inkomensvervangende tegemoetkoming van categorie A kan genieten, en, anderzijds, de persoon met een handicap die samenwoont met een derde die bloed- noch aanverwant is zonder inkomen, en die een inkomensvervangende tegemoetkoming van categorie C kan genieten ? ». Memories zijn ingediend door : - Wanga Zangabie, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Zoé Balis, advocate bij de balie te Brussel; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Patrik De Maeyer, mr. Pierre Slegers en mr. Margaux Kerkhofs, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 15 januari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eiser voor het verwijzende rechtscollege is 71 jaar oud, gescheiden en vader van zes kinderen. In 2001 is hij erkend als een persoon met een handicap. Van juni 2016 tot januari 2022 genoot hij om die reden een inkomensvervangende tegemoetkoming tegen het hoogste tarief van categorie C. Hij woonde toen samen met zijn 21-jarige dochter voor wie hij kinderbijslag ontving. In september 2021 heeft zijn dochter de woonplaats verlaten. Ingevolge een eerste ambtshalve herzieningsbeslissing ontving de eiser voor het verwijzende rechtscollege vanaf februari 2022 een inkomensvervangende tegemoetkoming tegen het tussentarief van categorie B. In maart 2022 heeft de 25-jarige zoon van de eiser voor het verwijzende rechtscollege, die zijn studies had hervat en niet over een inkomen beschikte, zich bij hem gedomicilieerd. Ingevolge een tweede ambtshalve herzieningsbeslissing van 11 mei 2022 heeft de Belgische Staat vanaf 1 april 2022 de inkomensvervangende tegemoetkoming van de eiser voor het verwijzende rechtscollege afgeschaft om reden dat hij voortaan enkel aanspraak kon maken op een inkomensvervangende tegemoetkoming tegen het laagste tarief van categorie A en het bedrag van zijn rustpensioen dat tarief overschreed. Tegen die laatste beslissing heeft de eiser een beroep ingesteld bij het verwijzende rechtscollege. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de aan hem voorgelegde feitelijke situatie verschilt van die welke aan de oorsprong lag van het arrest van het Hof nr. 101/2012 van 9 augustus 2012 (ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.101). Het verwijzende rechtscollege merkt op dat, toen de eiser alleen woonde, hij een inkomensvervangende tegemoetkoming van categorie B genoot, waarvan het tarief hoger is dan dat van categorie A, dat hij geniet sinds zijn zoon bij hem woont. Het oordeelt dat die achteruitgang van de materiële situatie van de eiser, waarbij die laatstgenoemde voortaan in de behoeften van twee personen moet voorzien, kan worden toegeschreven aan het begrip « huishouden » bedoeld in artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap ». Op vraag van de eiser stelt het verwijzende rechtscollege aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.1.

  1. In hoofdorde betoogt de Ministerraad dat de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het geschil. Hij beklemtoont dat de prejudiciële vraag steunt op het uitgangspunt dat de persoon die samenwoont met een bloed- of aanverwant van de eerste tot de derde graad, onder categorie A zou vallen omdat die bloed- of aanverwant door de wet zou worden uitgesloten van het begrip « huishouden ». Dat uitgangspunt is onjuist daar de categorieën van gerechtigden op de inkomensvervangende tegemoetkoming worden vastgesteld door de Koning, die bovendien heeft bepaald dat de persoon met een handicap die een of meer kinderen ten laste heeft, tot categorie C behoort. A.1.
  2. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord, aangezien het Hof de definitie van het begrip « huishouden », bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, reeds grondwettig heeft bevonden. Volgens de Ministerraad heeft het Hof bij zijn arrest nr. 101/2012 van 9 augustus 2012 (ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.101) geoordeeld dat het in het geding zijnde stelsel ertoe strekt de familiale solidariteit aan te moedigen en te vermijden dat aan personen met een handicap die samenwonen met een lid van hun familie, een tegemoetkoming wordt ontzegd wegens die die samenwoning. Daarom bepaalt het koninklijk besluit van 6 juli 1987 « betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming » dat die personen met een handicap de inkomensvervangende tegemoetkoming genieten tegen het basistarief. De wetgever beschikt overigens over een ruime discretionaire bevoegdheid om de gerechtigden op de tegemoetkomingen die in het kader van een bijstandsstelsel worden toegekend, nader te bepalen. De wetgever heeft niet op onredelijke wijze gehandeld bij de vaststelling van de in het geding zijnde categorieën en het in het geding zijnde stelsel. A.1.
  3. In uiterst ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet voortvloeit uit de wet, maar uit de toepassing van het voormelde koninklijk besluit van 6 juli
  4. Met toepassing van dat koninklijk besluit wordt de zoon van de eiser voor het verwijzende rechtscollege niet meer beschouwd als een kind te zijnen laste en behoort die eiser bijgevolg tot categorie A. Het Hof is evenwel niet bevoegd om zich uit te spreken over de geldigheid van een koninklijk besluit. A.
  5. Volgens de Ministerraad heeft de kritiek die door de eiser voor het verwijzende college wordt uiteengezet, in essentie betrekking op feitelijke elementen. A.
  6. De eiser voor het verwijzende rechtscollege zet uiteen dat er te dezen sprake is van een persoon met een handicap die een inkomensvervangende tegemoetkoming geniet, maar die alleen kan wonen, en die uit familiale solidariteit ervoor heeft gekozen om een meerderjarig kind zonder inkomen op te vangen. Die hypothese verschilt van die welke aan de oorsprong lag van het voormelde arrest nr. 101/2012, dat betrekking had op de situatie van een persoon met een handicap die niet alleen kon leven en die een huishouden vormde met een bloedverwant in de tweede graad die het leefloon genoot. De eiser voor het verwijzende rechtscollege betoogt dat de in het geding zijnde bepaling, door het begrip « huishouden » te beperken tot de situaties waarin personen samenwonen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, ertoe strekt te vermijden dat de inkomsten van de bloed- of aanverwanten met wie de persoon met een handicap samenwoont, in aanmerking worden genomen bij de berekening van het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming en erop gericht is familiale solidariteit aan te moedigen. Die doelstelling is legitiem. De wetgever heeft evenwel geen rekening gehouden met het feit dat de bloed- of aanverwanten van de persoon met een handicap mogelijk geen inkomsten hebben. Doordat de persoon met een handicap samenwoont met een bloed- of aanverwant zonder inkomen, ontvangt die persoon een tegemoetkoming die 100 % lager is dan wanneer hij met een derde zonder inkomen zou samenwonen, en 50 % lager dan wanneer hij alleen zou wonen. Aldus behandelt de wetgever de personen met een handicap die samenwonen met een bloed- of aanverwant zonder inkomen en diegenen die samenwonen met een bloed- of aanverwant met een inkomen, op dezelfde wijze. Die situaties zijn echter objectief verschillend aangezien de persoon met een handicap samenwoont met een persoon die, naargelang van het geval, al dan niet zelf in zijn behoeften kan voorzien. De wetgever behandelt de personen met een handicap die alleen wonen eveneens gunstiger (150 %) dan diegenen die samenwonen met een bloed- of aanverwant zonder inkomen. Die situaties zijn echter objectief vergelijkbaar, daar de persoon met een handicap het inkomen van het huishouden niet ziet toenemen. Bovendien behandelt de wetgever de personen met een 4 handicap die samenwonen met een derde zonder inkomen, gunstiger (200 %) dan diegenen die samenwonen met een bloed- of aanverwant zonder inkomen. Die situaties zijn echter om dezelfde reden objectief vergelijkbaar. Zodoende moedigt de wetgever een familielid van een persoon met een handicap nog meer aan om alleen te gaan wonen en aanspraak te maken op een leefloon ten laste van de Staat, in plaats van samen te wonen met de persoon met een handicap. Het gehanteerde criterium is niet pertinent daar het ertoe leidt dat familiale solidariteit wordt ontmoedigd en de uitgaven van de Staat stijgen. Een derde wordt bevoordeeld ten opzichte van een familielid zonder dat daarvoor een verantwoording bestaat. Een dergelijk voordeel bestaat niet in de andere socialezekerheidsstelsels. Op het gebied van werkloosheid bijvoorbeeld zou een werknemer die samenwoont met zijn zoon die geen inkomen heeft, recht hebben op een werkloosheidsuitkering tegen het tarief van de werknemer met gezinslast. De voormelde verschillen in behandeling brengen onevenredige gevolgen met zich mee, daar het inkomen van de eiser voor het verwijzende rechtscollege wordt verminderd, terwijl hij voor familiale solidariteit heeft gekozen. Die vermindering is overigens definitief, aangezien met toepassing van artikel 5 van de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap » de inkomensvervangende tegemoetkoming definitief wordt ontzegd aan de eiser voor het verwijzende rechtscollege door de onderbreking van de ontvangst van die tegemoetkoming ingevolge de samenwoning met zijn zoon. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.
  7. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het begrip « huishouden » bedoeld in artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap » (hierna : de wet van 27 februari 1987). B.2.
  8. De inkomensvervangende tegemoetkoming, de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden vormen de drie tegemoetkomingen aan personen met een handicap (artikel 1, eerste lid, van de wet van 27 februari 1987). De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan de personen met een handicap wier verdienvermogen beperkt is wegens hun lichamelijke of psychische toestand. De integratietegemoetkoming is bestemd voor de personen met een handicap die, wegens hun gebrek aan of vermindering van zelfredzaamheid, extra kosten moeten maken, bijvoorbeeld om bijzondere voorzieningen aan te kopen. B.2.
  9. Die tegemoetkomingen vormen een financiële hulp waarvan het bedrag prioritair de bestaanszekerheid van de minstbedeelden moet waarborgen. Het bedrag van die tegemoetkomingen is vastgelegd bij artikel 6 van de wet van 27 februari
  10. Volgens paragraaf 1, eerste lid, van dat artikel, in de versie zoals van toepassing in het aan het 5 verwijzende rechtscollege voorgelegde geschil, bedraagt de inkomensvervangende tegemoetkoming jaarlijks 5 775,05 euro voor de personen die tot categorie A behoren, 8 662,57 euro voor de personen die tot categorie B behoren en 11 706,93 euro voor de personen van categorie C. De Koning bepaalt welke personen tot de categorieën A, B en C behoren (artikel 6, § 1, tweede lid). De uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van die wet, vallen ten laste van de Staat (artikel 22). B.2.
  11. Sinds de vervanging ervan bij artikel 121 van de programmawet (I) van 24 december 2002, zelf vervangen bij artikel 157 van de programmawet van 9 juli 2004, bepaalt artikel 7, § 1, van de wet van 27 februari 1987 dat de tegemoetkomingen aan personen met een handicap enkel kunnen worden toegekend « indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet [overschrijden] ». De wetgever verstaat onder « huishouden » « elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad » (artikel 7, § 3, eerste lid). « Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap » (artikel 7, § 3, tweede lid). Artikel 7 van de wet van 27 februari 1987, in de versie ervan die van toepassing is op het voor het verwijzende rechtscollege voorgelegde geschil, bepaalt : « §
  12. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet [overschrijden]. 6 De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder ‘ inkomen ’ en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Hij kan eveneens een onderscheid maken naargelang de gerechtigde behoort tot categorie A, B of C, naargelang de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, naargelang het gaat om het inkomen van de persoon met een handicap zelf of om het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, of naargelang de bron van het inkomen. §
  13. De persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, moeten hun rechten laten gelden : 1° op de uitkeringen en vergoedingen waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling, en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid; 2° op sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden. §
  14. Onder ‘ huishouden ’ moet worden verstaan elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad. Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap. Wanneer echter één van de leden van het huishouden opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een instelling voor sociaal verweer, dan houdt het huishouden op te bestaan. §
  15. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen aan de aanvrager worden toegekend als voorschot op de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in §
  16. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag deze voorschotten kunnen worden toegekend, alsmede de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd. De uitbetalingsdienst of -instelling treedt in de rechten van de gerechtigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten ». 7 B.2.
  17. Op grond van de artikelen 6 en 7 van de wet van 27 februari 1987 omschrijft artikel 4 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 « betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming » (hierna : het koninklijk besluit van 6 juli 1987) de categorieën A, B en C als volgt : « Voor de toepassing van de wet moet worden verstaan onder : 1° categorie A : de personen met een handicap die niet behoren tot categorie B, noch tot categorie C; 2° categorie B : de personen met een handicap die : - ofwel alleen wonen; - ofwel sedert ten minste drie maanden dag en nacht in een verzorgingsinstelling verblijven en voorheen niet tot categorie C behoorden. 3° categorie C : de personen met een handicap die : - ofwel een huishouden vormen; - ofwel één of meerdere kinderen ten laste hebben. Er kan per huishouden slechts één persoon zijn die het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming ontvangt dat overeenstemt met categorie C. Indien twee personen met een handicap in een huishouden tot de categorie C behoren, dan zal elk van hen het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming ontvangen dat overeenstemt met categorie B ». B.2.
  18. Volgens artikel 1, 6°, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 dient onder « kind ten laste » te worden verstaan : « - de persoon jonger dan 25 jaar voor wie de persoon met een handicap of de persoon met wie hij een huishouden vormt kinderbijslag ontvangt of een onderhoudsgeld dat bij vonnis is vastgesteld of dat bepaald is in een overeenkomst in het kader van een procedure tot echtscheiding met onderlinge toestemming, - of de persoon jonger dan 25 jaar voor wie de persoon met een handicap onderhoudsgeld betaalt dat bij vonnis is vastgesteld of dat bepaald is in een overeenkomst in het kader van een procedure tot echtscheiding met onderlinge toestemming ». B.2.
  19. Artikel 8, § 1, eerste, tweede en vierde lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 bepaalt : 8 « Wat betreft de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming wordt onder inkomen verstaan, de inkomsten van de persoon met een handicap en de inkomsten van de persoon met wie hij een huishouden vormt. De jaarlijkse inkomsten van een jaar zijn de gezamenlijk en afzonderlijk belastbare inkomsten die in aanmerking worden genomen voor de aanslag inzake personenbelasting en aanvullende belastingen. [...] De in aanmerking te nemen gegevens inzake inkomsten zijn deze die betrekking hebben op het referentiejaar, zijnde het jaar -2 ». B.2.
  20. De persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, moeten hun rechten laten gelden op de uitkeringen waarop ze aanspraak kunnen maken, uitkeringen die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid, in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek of in andere socialezekerheidsstelsels, zoals de rustpensioenen (artikel 7, § 2, van de wet van 27 februari 1987). Bepaalde inkomsten of gedeelten ervan worden trouwens niet in aanmerking genomen voor het bepalen van het inkomen van de persoon met een handicap en dat van de persoon met wie hij een huishouden vormt (artikelen 8, § 2, 8ter en 9bis van het koninklijk besluit van 6 juli 1987). B.
  21. Door de bloed- of aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad uit te sluiten in de omschrijving van het begrip « huishouden » bedoeld in het in het geding zijnde artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987, heeft de wetgever willen vermijden dat personen met een handicap die samenwonen met een of meer bloed- of aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad geen enkele tegemoetkoming zouden genieten vanwege het feit dat de familieleden over inkomsten zouden beschikken (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1138/001 en DOC 51-1139/001, p. 92). Volgens de wetgever is het niet verantwoord dat bij de berekening van de tegemoetkoming rekening wordt gehouden met het inkomen van de ouders die samenwonen met hun kind met een handicap (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 448/4, pp. 21, 22 en 37) of, omgekeerd, met het inkomen van de kinderen die samenwonen met hun ouders met een handicap. 9 Ten gronde B.
  22. Het verwijzende rechtscollege vraagt aan het Hof of het in artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 beoogde begrip « huishouden » bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, de persoon met een handicap die samenwoont met een bloed- of aanverwant in de eerste, tweede of derde graad en, anderzijds, de persoon met een handicap die samenwoont met een persoon die geen bloed- of aanverwant in de eerste, tweede of derde graad is, in het geval waarin de persoon die samenwoont met de persoon met een handicap, niet over inkomsten beschikt. Terwijl de persoon met een handicap van de eerste categorie een inkomensvervangende tegemoetkoming tegen het laagste tarief ontvangt (categorie A), geniet de persoon met een handicap van de tweede categorie een inkomensvervangende tegemoetkoming tegen het hoogste tarief (categorie C). B.5.
  23. Volgens de Ministerraad vloeit de eventuele schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet voort uit artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987, maar uit de omschrijving van de categorieën van gerechtigden in artikel 4 van het koninklijk besluit van 6 juli
  24. B.5.
  25. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op vragen omtrent de schending, door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.
  26. Artikel 6, § 1, tweede lid, van de wet van 27 februari 1987 machtigt de Koning om te bepalen welke personen tot de in paragraaf 1, eerste lid, van hetzelfde artikel bedoelde categorieën A, B en C behoren. Volgens het in B.2.4 aangehaalde artikel 4, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 zijn de personen met een handicap van categorie C zij die « ofwel een huishouden vormen », « ofwel één of meerdere kinderen ten laste hebben ». 10 De personen met een handicap die, zoals de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, samenwonen met hun kind dat 25 jaar of ouder is, behoren niet tot categorie C. Zij vormen immers geen « huishouden » in de zin van het voormelde artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 aangezien het samenwonen met een bloed- of aanverwant tot en met de derde graad van dat begrip wordt uitgesloten. Zij hebben evenmin een « kind ten laste » in de zin van het voormelde artikel 1, 6°, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 aangezien dat begrip enkel betrekking heeft op kinderen die jonger zijn dan 25 jaar. Die personen behoren ook niet tot de in het voormelde artikel 4, eerste lid, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde categorie B, daar zij niet alleen wonen of sinds ten minste drie maanden in een verzorgingsinstelling verblijven. Zij maken evenmin deel uit van de personen met een handicap die onder categorie C zouden moeten vallen, maar die, omdat zij in een huishouden wonen, tot categorie B behoren krachtens artikel 4, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit. Bijgevolg behoren die personen tot de in artikel 4, eerste lid, 1°, van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde categorie A, namelijk een restcategorie. Het verschil in behandeling tussen personen met een handicap die samenwonen met een persoon zonder enig inkomen, naargelang die persoon een bloed- of aanverwant tot de derde graad is of niet, volgt dus niet uit de definitie van het begrip « huishouden », maar uit het feit dat in de in artikel 4, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 omschreven categorie C enkel personen met een handicap zijn opgenomen die ofwel een huishouden vormen in de zin van artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987, dat wil zeggen dat zij samenwonen met een persoon die geen bloed- of aanverwant tot de derde graad is, ofwel een of meer kinderen ten laste hebben. B.
  27. Uit de in artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 opgenomen definitie van « huishouden » volgt geenszins de verplichting voor de Koning om personen met een handicap die samenwonen met een bloed- of aanverwant in de eerste, tweede of derde graad allen identiek te behandelen, ongeacht of de bloed- of aanverwant met wie zij samenwonen enig inkomen heeft of niet. Noch uit artikel 6, noch uit artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 kan worden afgeleid dat het feit dat bloed- of aanverwanten tot in de derde graad uitgesloten zijn van het begrip « huishouden », de Koning verhindert om ten aanzien van de personen met een handicap die samenwonen met die bloed- of aanverwanten, een onderscheid te maken naargelang die bloed- 11 of aanverwanten een inkomen genieten of niet, voor het bepalen van de categorie waartoe de personen met een handicap behoren. Dat kan evenmin worden afgeleid uit de in B.3 vermelde doelstelling van de wetgever om te vermijden dat samenwonen met een bloed- of aanverwant die wel enig inkomen geniet, nadelige gevolgen zou hebben voor de persoon met de handicap. B.
  28. Het verschil in behandeling vindt bijgevolg niet zijn oorsprong in de in het geding zijnde bepaling, maar in artikel 4, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 6 juli
  29. B.
  30. Het Hof vermag zich slechts uit te spreken over het al dan niet verantwoorde karakter van een verschil in behandeling, ten aanzien van de bepalingen van de Grondwet op de naleving waarvan het Hof vermag toe te zien, wanneer dat verschil aan een norm met wetgevend karakter kan worden toegeschreven. Noch artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, noch enige andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of een koninklijk besluit al dan niet bestaanbaar is met die bepalingen van de Grondwet. Die bevoegdheid komt het verwijzende rechtscollege zelf toe op grond van artikel 159 van de Grondwet. B.
  31. De prejudiciële vraag behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag valt niet onder de bevoegdheid van het Hof. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 maart
  32. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.041 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.101 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.