← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.043

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.043 Arrest- Rolnummer: 43/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-25 Raadplegingen: 902 - laatst gezien 2026-06-18 13:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 368 van het WIB 1992, in samenhang gelezen met artikel 371 van het WIB 1992) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 368 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant. Fiscaal recht - Bedrijfsvoorheffing - Gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing - Ploegen- of nachtarbeid - Vordering tot terugbetaling - Inkohiering - Termijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 43/2025 van 13 maart 2025 Rolnummer : 8202 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 368 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 8 april 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 april 2024, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 368 van het WIB 1992 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat het een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen twee belastingplichtigen die zich in soortgelijke situaties bevinden en die door middel van het administratief beroep de toepassing van artikel 275/5 van het WIB 1992 eisen, in zoverre de ingekohierde belastingschuldige die de van hem gevorderde bedrijfsvoorheffing heeft betaald, zou beschikken over een termijn van zes maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de verzending van het aanslagbiljet om een vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing te doen gelden, terwijl de belastingplichtige die de bedrijfsvoorheffing eveneens heeft betaald maar die niet het voorwerp van een inkohiering heeft uitgemaakt, zou beschikken over een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar waarin die voorheffingen werden gestort om datzelfde beroep in te stellen ? »; « Schendt artikel 368 van het WIB 1992 de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat het een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen twee belastingplichtigen die zich in soortgelijke situaties 2 bevinden en die door middel van het administratief beroep de toepassing van artikel 275/5 van het WIB 1992 eisen, in zoverre de ingekohierde belastingplichtige die de van hem gevorderde bedrijfsvoorheffing heeft betaald, zou beschikken over een termijn van zes maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de verzending van het aanslagbiljet om een beroep in te stellen, terwijl de belastingplichtige die de bedrijfsvoorheffing eveneens heeft betaald maar die niet het voorwerp van een inkohiering heeft uitgemaakt, zou beschikken over een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar waarin die voorheffing werd gestort om datzelfde beroep in te stellen, aangezien de belastingadministratie met toepassing van artikel 354, vierde lid, van het WIB 1992 over een discretionaire bevoegdheid beschikt met betrekking tot het ogenblik waarop zij beslist om tot inkohiering over te gaan ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Air Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean-Luc Wuidard, mr. Xavier Defoy en mr. Laura De Sabato, advocaten bij de balie Luik-Hoei; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Valérie Poisson, advocate bij de balie te Brussel. De nv « Air Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Olivier Wouters en mr. Justin Lennertz, advocaten bij de balie te Brussel, heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 15 januari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het aan de Rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant voorgelegde geschil betreft een aanvraag voor een vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing die is ingediend door de nv « Air Belgium », op grond van artikel 275/5 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), met betrekking tot de bedrijfsvoorheffing die is ingekohierd voor de maanden februari tot december

  1. In het kader van de crisis ten gevolge van de COVID-19-pandemie heeft de nv « Air Belgium » eerst betalingsfaciliteiten aangevraagd, bestaande in het uitstel van betaling van de bedrijfsvoorheffing voor het jaar 2020, hetgeen de belastingadministratie haar heeft toegekend. Aangezien de betrokken bedrijfsvoorheffingen, ondanks het uitstel, niet binnen de wettelijke termijn werden betaald, werden zij ingekohierd, met uitzondering van de bedrijfsvoorheffing voor de maand januari. 3 Op 13 januari 2022 stelt de nv « Air Belgium » een administratief beroep in om de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen aan bedrijfsvoorheffing die zij kon inhouden tijdens het belastbare tijdperk 2020 krachtens artikel 275/5 van het WIB 1992 (zijnde een bedrag van 373 416,65 euro). Bij een beslissing van 3 maart 2022 aanvaardt de belastingadministratie de vrijstelling voor de bedrijfsvoorheffing van de maand januari 2020 (die niet werd ingekohierd) met toepassing van de artikelen 368 en 275/5 van het WIB
  2. Terwijl de partijen het erover eens zijn dat de in artikel 275/5 van het WIB 1992 vastgestelde vrijstellingsvoorwaarden vervuld zijn voor de maanden februari tot december 2020, is de belastingadministratie daarentegen van mening dat geen enkele vrijstelling kan worden toegekend, in de vorm van een terugbetaling, voor de bedrijfsvoorheffingen met betrekking tot de maanden februari tot december 2020, aangezien de nv « Air Belgium » in rechte is getreden na het verstrijken van de beroepstermijn waarin artikel 371 van het WIB 1992 voorziet (namelijk zes maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van elk betrokken aanslagbiljet). De nv « Air Belgium » betwist die beslissing van de belastingadministratie voor de Rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant. Voor die Rechtbank rijst de vraag of het door de nv « Air Belgium » ingestelde administratief beroep ontvankelijk is. De Rechtbank merkt op dat twee verschillende beroepstermijnen van toepassing zijn naargelang de bedrijfsvoorheffing al dan niet is ingekohierd. Wanneer de bedrijfsvoorheffing is ingekohierd, zoals te dezen, voor de maanden februari tot december 2020, beschikt de belastingschuldige over zes maanden om in rechte te treden, te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet (artikel 371 van het WIB 1992). Wanneer de bedrijfsvoorheffing niet is ingekohierd, beschikt de belastingschuldige over vijf jaar om het beroep in te stellen, te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar waarin die voorheffingen werden gestort (artikel 368 van het WIB 1992). De Rechtbank is van oordeel dat die belastingschuldigen zich in vergelijkbare situaties bevinden, aangezien zij beiden een vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing willen doen gelden voor ploegen- of nachtarbeid op grond van artikel 275/5 van het WIB
  3. Volgens haar is het verschil tussen beide termijnen bijzonder groot en is het voor een vennootschap met de omvang van de nv « Air Belgium » materieel gezien onmogelijk om, in geval van een inkohiering, in een dermate korte termijn bezwaarschriften in te dienen. De Rechtbank verwijst naar recente wetswijzigingen, namelijk het nieuwe artikel 368/1 van het WIB 1992, zoals ingevoegd bij de wet van 28 maart 2022 « houdende verlaging van lasten op arbeid », en artikel 354 van het WIB 1992, zoals gewijzigd bij dezelfde wet. De Rechtbank stelt het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.
  4. De nv « Air Belgium » voert aan dat het in de prejudiciële vragen opgeworpen verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is, aangezien de vergeleken belastingschuldigen zich in dezelfde situatie bevinden, in zoverre zij de bedrijfsvoorheffing hebben betaald en in zoverre zij beiden vragen om een vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing voor ploegen- en nachtarbeid (artikel 275/5 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, hierna : het WIB 1992) te genieten. Die twee belastingschuldigen zouden over dezelfde termijn moeten beschikken om een administratief beroep in te stellen teneinde het voordeel van dat artikel 275/5 aan te vragen. De nv « Air Belgium » beklemtoont dat de administratie beschikt over een termijn die drie tot zeven jaar kan bedragen om de bedrijfsvoorheffing in te kohieren (wat betreft het jaar 2020), wanneer geen enkele betaling heeft plaatsgevonden binnen de in artikel 412 van het WIB 1992 bedoelde termijn van vijftien dagen (artikel 354, vierde lid, van het WIB 1992). De belastingadministratie beschikt dus over een discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de exacte datum van inkohiering. Volgens de nv « Air Belgium » is het verschil in behandeling des te minder verantwoord daar de inkohiering van de bedrijfsvoorheffingen te dezen voortvloeit uit de betalingsfaciliteiten die haar werden toegekend in het kader van de COVID-19-crisis. De « gunstige » maatregel van uitstel van betaling van de bedrijfsvoorheffingen 4 zou de nv « Air Belgium » paradoxaal genoeg de in artikel 368 van het WIB 1992 vastgelegde termijn om een aanvraag tot terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing in te dienen, ontzeggen, termijn die zij zou hebben genoten bij ontstentenis van die maatregel. A.2.
  5. De Ministerraad voert vooreerst aan dat het bekritiseerde verschil in behandeling op een objectief criterium berust, namelijk het al dan niet meedelen door de administratie aan de belastingplichtige van het verschuldigde bedrag (door de verzending van een aanslagbiljet na een inkohiering of een kennisgeving van de inning), en niet op het al dan niet inkohieren van de bedrijfsvoorheffing. Er kan bovendien enkel sprake zijn van inkohiering indien de bedrijfsvoorheffing niet binnen de wettelijke termijn werd betaald, zodat het onjuist is om de belastingschuldigen die de bedrijfsvoorheffing hebben betaald, met elkaar te vergelijken naargelang zij al dan niet het voorwerp van een inkohiering hebben uitgemaakt. De Ministerraad merkt overigens op dat het verwijzende rechtscollege geen enkele uitleg geeft over een eventuele schending, door het in het geding zijnde artikel 368 van het WIB 1992, van artikel 170 van de Grondwet (wettigheidsbeginsel in fiscale zaken) en van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (recht op een eerlijk proces). A.2.
  6. De Ministerraad voert aan dat de belastingplichtige, bij gebrek aan een inkohiering of een kennisgeving van de inning, niet op de hoogte is van het bedrag dat hij verschuldigd is, zodat de in artikel 368 van het WIB 1992 bedoelde termijn niet kan ingaan. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat die bepaling wordt verantwoord, enerzijds, door het feit dat, aangezien het gaat om voorheffingen die noch werden ingekohierd, noch het voorwerp uitmaken van een kennisgeving van de inning, de bij artikel 371 van het WIB 1992 voorgeschreven termijn van zes maanden niet ingaat, doordat de administratie het haar verschuldigde bedrag niet heeft meegedeeld, en, anderzijds, door de bedoeling van de wetgever om, in dat geval, zijn rekeningen binnen een redelijke termijn te kunnen afsluiten, hetgeen inhoudt dat de belastingschuldige de terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing niet meer kan vorderen na vijf jaar. Volgens de Ministerraad zijn de twee vergeleken termijnen van toepassing op verschillende situaties, wat de verschillende duur ervan verantwoordt. In het geval van een kennisgeving van de inning of van een aanslagbiljet ontvangt de persoon precieze informatie (met betrekking tot de termijn om een bezwaarschrift in te dienen, de openstaande rechtsmiddelen, het verschuldigde bedrag, enz.), hetgeen niet het geval is voor een belastingplichtige die vrijwillig een belasting betaalt en geen enkel bericht van de administratie ontvangt. Het is normaal dat de belastingplichtigen niet over dezelfde termijn beschikken om in rechte te treden in die twee situaties – temeer daar het aanvangspunt van beide termijnen verschillend is. De Ministerraad voert vervolgens aan dat het verschil in behandeling niet leidt tot een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen, aangezien de belastingschuldige die zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing neerlegt, de keuze heeft om die bedrijfsvoorheffing al dan niet aan de administratie te storten binnen de wettelijke termijn waarin artikel 412 van het WIB 1992 voorziet, met dien verstande dat hij zich, indien hij die storting niet uitvoert, welbewust blootstelt aan de inkohiering van de voorheffing en zich bijgevolg blootstelt aan de in artikel 371 van het WIB 1992 bedoelde termijn van zes maanden. Een dergelijke termijn van zes maanden lijkt overigens volkomen toereikend te zijn om de belastingplichtige toe te laten de ingekohierde aanslag te betwisten (zie GwH, arrest nr. 67/2022 van 19 mei 2022, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.067) – temeer daar de belastingplichtige zijn oorspronkelijk bezwaarschrift later nog kan aanvullen met nieuwe bezwaren (artikel 372 van het WIB 1992) en de termijn kan worden verlengd in geval van overmacht. A.2.
  7. De Ministerraad is ten slotte van mening dat de verwijzingen door het verwijzende rechtscollege naar de artikelen 368/1 en 354, vierde lid, van het WIB 1992 niet pertinent zijn. Allereerst, aangezien artikel 368/1 van het WIB 1992 een afwijking van artikel 368 inhoudt, is het enkel van toepassing in het geval van een voorheffing die noch werd ingekohierd, noch het voorwerp heeft uitgemaakt van een kennisgeving van de inning. De wetgever heeft die maatregel niet ingevoerd voor de belastingplichtige om reden dat de beroepstermijn van artikel 371 van het WIB 1992 te kort zou zijn. Die maatregel beoogt de in artikel 368 van het WIB 1992 bedoelde termijn in te korten wat betreft de niet-ingekohierde voorheffingen die geen aanleiding geven tot een kennisgeving van de inning, teneinde de administratie de mogelijkheid te bieden om, in voorkomend geval, een controle uit te voeren in geval van een door de belastingplichtige ingediende aanvraag tot terugbetaling, rekening houdend met de talrijke misbruiken die ter zake bestaan. Gelet op het aantal bestaande belastingplichtigen is het overigens onmogelijk om ieder van hen op dezelfde datum in te kohieren – inkohiering die onontbeerlijk is voor de administratie opdat zij over een uitvoerbare titel zou beschikken waarmee zij de verschuldigde bedrijfsvoorheffing kan invorderen bij gebrek aan een spontane betaling door de belastingschuldige. De belastingplichtigen die op verschillende data 5 worden ingekohierd, worden niet gediscrimineerd. Ieder van hen geniet eenzelfde minimumtermijn van zes maanden om zijn beroep in te stellen, vanaf het ogenblik waarop hij kennis heeft van zijn belastingschuld. A.3.
  8. De nv « Air Belgium » beklemtoont dat de bedrijfsvoorheffing in beginsel niet wordt ingekohierd. De bedrijfsvoorheffing is in werkelijkheid immers een voorschot op de door de werknemers verschuldigde uiteindelijke belasting, voorschot dat de werkgever in de Schatkist stort (en dat op de bezoldiging van de werknemer wordt ingehouden). De werkgever geeft maandelijks of driemaandelijks het bedrag van de bedrijfsvoorheffing aan dat hij op de bezoldiging van de werknemer inhoudt en dat hij vervolgens in de Schatkist stort. Niets in de parlementaire voorbereiding van de bepaling geeft echter aan dat de wetgever de bedoeling zou hebben gehad om verschillende beroepstermijnen in te voeren naargelang er al dan niet werd ingekohierd wat betreft de vrijstellingen van de bedrijfsvoorheffing. De nv « Air Belgium » voert aan dat het verschil in behandeling niet pertinent is gelet op het doel om de termijn waarbinnen een aanvraag tot terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing kan worden ingediend, te beperken in de tijd. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, verschaffen de verzending en de inhoud van een aanslagbiljet (of van een kennisgeving van de inning) geen nieuwe informatie met betrekking tot het bedrag van de aan de Belgische Staat verschuldigde belasting. Het is niet verantwoord om de belastingplichtigen aan wie het bedrag van de bedrijfsvoorheffing werd meegedeeld door middel van een aanslagbiljet – waarbij die belastingplichtigen dat bedrag zelf vooraf hebben aangegeven en reeds kennis hadden van het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat zij verschuldigd waren – en de belastingplichtigen die het bedrag van de bedrijfsvoorheffing hebben aangegeven maar die geen aanslagbiljet hebben ontvangen, verschillend te behandelen. A.3.
  9. De nv « Air Belgium » voert aan dat, om elke rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging zouden moeten ingaan vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelwijze van de partijen. Het feit dat de administratie een groot aantal belastingplichtigen moet inkohieren, kan het bestaan van een discriminatie tussen de belastingplichtigen niet verantwoorden – hetgeen het geval is aangezien de administratie op willekeurige wijze kan beslissen om al dan niet over te gaan tot een aanslag in de bedrijfsvoorheffing, hetgeen leidt tot een inkorting van de beroepstermijn. Volgens de nv « Air Belgium » is de tenuitvoerlegging van de mechanismen voor de vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing voor ploegen- of nachtarbeid technisch en complex, zodat de in artikel 371 van het WIB 1992 bedoelde termijn van zes maanden ontoereikend is. De toepassing van dat mechanisme houdt in dat meerdere voorwaarden worden nagegaan voor elke betrokken werknemer, dat de informatie wordt geconsolideerd en dat het bedrag van de vrijstelling wordt berekend voor elke werknemer. De administratie eist bovendien een documentatiedossier met een reeks gegevens. Het is bijzonder moeilijk om al die stappen te doen binnen een termijn van zes maanden. Het verschil in behandeling heeft onevenredige gevolgen voor de betrokken werkgevers. -B- B.
  10. Het verwijzende rechtscollege stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van artikel 368 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992) met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het een verschil in behandeling creëert tussen de belastingplichtigen die, nadat zij de bedrijfsvoorheffing in de Schatkist hebben gestort, een vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing aanvragen voor ploegen- of nachtarbeid, in de vorm van de terugbetaling ervan, op grond van artikel 275/5 van het WIB 1992, naargelang die belastingplichtigen al dan niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een inkohiering. In het eerste geval beschikt de belastingplichtige over een termijn van zes maanden vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet om een 6 administratief beroep in te stellen teneinde die vrijstelling aan te vragen, terwijl de belastingplichtige, in het tweede geval, beschikt over een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar waarin die voorheffingen werden gestort om hetzelfde beroep in te stellen (eerste prejudiciële vraag). Het verwijzende rechtscollege stelt het Hof eveneens een vraag over de bestaanbaarheid van dat verschil in behandeling met de voormelde referentienormen en met artikel 170 van de Grondwet, gelet op het feit dat « de belastingadministratie met toepassing van artikel 354, vierde lid, van het WIB 1992 over een discretionaire bevoegdheid beschikt met betrekking tot het ogenblik waarop zij beslist om tot inkohiering over te gaan » (tweede prejudiciële vraag). B.
  11. Artikel 368 van het WIB 1992, zoals het te dezen van toepassing is, bepaalt : « Bij gebrek aan een kennisgeving van de inning van de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing op een andere wijze dan per kohier, verjaart de aanvraag tot terugbetaling van deze voorheffingen die ten onrechte in de Schatkist werden gestort, na vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar waarin deze voorheffingen gestort zijn geweest ». Artikel 371 van het WIB 1992, zoals het te dezen van toepassing is, bepaalt : « De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat, en die voorkomt op voormeld aanslagbiljet, dan wel de datum van de kennisgeving van de aanslag of van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier. In het in artikel 302, tweede lid, bedoelde geval vangt de termijn aan vanaf de datum waarop het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt aan de belastingplichtige is aangeboden. Indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij aangetekende brief, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening ». B.
  12. Artikel 275/5 van het WIB 1992 voorziet voor de ondernemingen waarin ploegen- of nachtarbeid wordt verricht in een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing, zijnde het voorschot dat de werkgevers inhouden op de belasting op de beroepsinkomsten van werknemers. Die maatregel beoogt de competitiviteit van ondernemingen die werken met ploegen- of nachtarbeid te versterken en de positie van sommige doelgroepen op de arbeidsmarkt te 7 verbeteren door middel van een compensatie van de extra kosten verbonden aan ploegen- of nachtarbeid (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1767/001, p. 17; 2005-2006, DOC 51-2128/001, p. 60). Volgens artikel 275/5, § 1, van het WIB 1992, zoals het te dezen van toepassing is, worden de ondernemingen waarin ploegen- of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen en die schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die premie, ervan vrijgesteld een bedrag aan bedrijfsvoorheffing gelijk aan 22,8 % van de belastbare bezoldigingen van alle betrokken werknemers waarin die ploegenpremies zijn begrepen, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen en premies wordt ingehouden. Om de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever, ter gelegenheid van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing, het bewijs leveren dat de werknemers voor wie de vrijstelling wordt gevraagd ploegenarbeid of nachtarbeid hebben verricht tijdens de periode waarop die aangifte betrekking heeft. De vrijstelling wordt enkel toegekend voor werknemers die, overeenkomstig de arbeidsregeling waarin zij zijn tewerkgesteld, gedurende de betrokken maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd, ten minste een derde van hun arbeidstijd in ploegen- of nachtarbeid zijn tewerkgesteld. B.
  13. De werkgever die de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing voor ploegen- of nachtarbeid wil genieten, moet, in beginsel, aanspraak erop maken bij de aangifte in de bedrijfsvoorheffing. Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat de werkgever, indien hij op dat ogenblik geen aanspraak heeft gemaakt op de vrijstelling en indien hij de bedrijfsvoorheffing in de Schatkist heeft gestort, nog een beroep kan instellen bij de belastingadministratie om de vrijstelling en, bijgevolg, de terugbetaling van de voorheffing te verkrijgen. Volgens het verwijzende rechtscollege is dat administratief beroep onderworpen aan een verschillende termijn naargelang de werkgever al dan niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een inkohiering : in het eerste geval beschikt de werkgever over een termijn van zes maanden vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet om het bezwaarschrift in te dienen (artikel 371 van het WIB 1992), terwijl de werkgever, in het tweede geval, beschikt over een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar waarin die voorheffingen werden gestort om hetzelfde beroep in te stellen (artikel 368 van het WIB 1992). 8 B.
  14. Artikel 368 van het WIB 1992 bepaalt dat de aanvraag tot terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing die ten onrechte in de Schatkist werden gestort, verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar waarin die voorheffingen werden gestort. Wanneer de ten onrechte in de Schatkist gestorte voorheffingen niet werden ingekohierd en geen enkele kennisgeving van de inning is afgegeven, bestaat er geen administratieve beslissing die het voorwerp kan uitmaken van een bezwaarschrift. In een dergelijk geval is de regel dat de door de belastingschuldige tegen de belastingadministratie ingestelde vordering « slechts [wordt] toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld » (artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek) dan ook niet van toepassing (Cass., 21 december 2023, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.9). Daaruit volgt dat de belastingschuldige rechtstreeks een rechtsvordering kan instellen zonder vooraf een bezwaarschrift te moeten indienen, en dat die rechtsvordering moet worden ingesteld binnen de voormelde termijn van vijf jaar. Bijgevolg, in tegenstelling tot hetgeen het verwijzende rechtscollege beweert, voorziet artikel 368 van het WIB 1992 niet in een termijn om een beroep in te stellen bij de administratie, maar in een verjaringstermijn van vijf jaar voor het instellen van een rechtsvordering. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vragen door rekening te houden met die precisering. B.6.
  15. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat 9 dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.
  16. Artikel 170, § 1, van de Grondwet bepaalt : « Geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet ». Die bepaling drukt het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken uit, dat vereist dat de wezenlijke bestanddelen van de belasting in beginsel bij de wet worden bepaald, opdat geen enkele belasting kan worden geheven zonder de instemming van de belastingplichtigen, uitgedrukt door hun vertegenwoordigers. Tot de wezenlijke bestanddelen van de belasting behoren de aanwijzing van de belastingplichtigen, de belastbare materie, de belastbare grondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen en -verminderingen. B.6.
  17. Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt een bijzondere toepassing, in fiscale aangelegenheden, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.7.
  18. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op toegang tot een rechter voor geschillen over burgerlijke rechten en verplichtingen en bij het vaststellen van de gegrondheid van een strafvervolging. Die bepaling is niet van toepassing op niet-strafrechtelijke fiscale geschillen (EHRM, grote kamer, 12 juli 2001, Ferrazzini t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998), maar het recht op toegang tot een rechter wordt ook gewaarborgd bij een algemeen rechtsbeginsel. B.7.
  19. Het recht op toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op toegang tot de rechter dermate wordt beperkt dat afbreuk wordt gedaan aan de essentie zelf ervan. Dat zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven en indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot de rechter hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L’Érablière 10 A.S.B.L. t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007, § 36; 17 juli 2018, Ronald Vermeulen t. België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, § 43). De regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden. « Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien » (EHRM, 13 januari 2011, Evaggelou t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0113JUD004407807, § 19). B.
  20. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet verzenden, door de administratie, van een aanslagbiljet of van een kennisgeving van de inning aan de belastingschuldige. Gelet op de doelstelling volgens welke de Staat zijn rekeningen binnen een redelijke termijn moet kunnen afsluiten vanaf het ogenblik dat de belasting is ingekohierd en dat daarvan kennis is gegeven aan de belastingschuldige, is het redelijk verantwoord dat de belastingschuldige een bezwaarschrift moet indienen binnen een bepaalde termijn, berekend op grond van die kennisgeving, te dezen zes maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn staat vermeld, zoals die voorkomt op voormeld aanslagbiljet, dan wel volgend op de datum van de kennisgeving van de aanslag of van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier. Wanneer de belastingschuldige de bedrijfsvoorheffing vrijwillig betaalt en hij geen enkele kennisgeving van de administratie ontvangt, is er geen beslissing die het voorwerp kan uitmaken van een bezwaarschrift, zodat er geen beroepstermijn kan ingaan. In dat laatste geval moet de belastingschuldige enkel rekening houden met de vijfjarige verjaring die van toepassing is op de aanvraag tot terugbetaling van de ten onrechte in de Schatkist gestorte voorheffingen. B.
  21. De omstandigheid dat de belastingschuldige, in de aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde zaak, betalingsfaciliteiten heeft genoten die de belastingadministratie hem heeft toegekend in het kader van de crisis ten gevolge van de COVID-19-pandemie, hetgeen verklaart 11 dat de belastingadministratie de bedrijfsvoorheffing inkohiert, leidt niet tot een andere conclusie. Aangezien de belasting is ingekohierd, is het redelijk verantwoord dat de kennisgeving van de inkohiering, ongeacht de oorzaak van die inkohiering, een termijn doet ontstaan om een bezwaarschrift in te dienen. B.
  22. Het verschil in behandeling leidt niet tot een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen, aangezien de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing over een termijn van zes maanden beschikt om de ingekohierde aanslag te betwisten, hetgeen voldoende is. B.
  23. Het Hof dient nog na te gaan of het verschil in behandeling bestaanbaar is met het algemene beginsel van het recht op toegang tot de rechter en met artikel 170 van de Grondwet. B.
  24. Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek verplicht de belastingschuldige om voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep in te stellen alvorens een rechtsvordering in te stellen tegen de belastingadministratie, in de betrokken geschillen. Zoals het Hof eerder heeft geoordeeld (arrest nr. 137/2020 van 15 oktober 2020, ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.137, B.7), kan de wetgever van het instellen van een voorafgaand beroep een voorwaarde maken voor de toelaatbaarheid van de vordering bij de hoven en rechtbanken. Rekening houdend met hetgeen in B.8 tot B.10 is vermeld, leidt de in het geding zijnde bepaling niet tot een onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter van de betrokken belastingschuldigen. B.
  25. Het in artikel 170, § 1, van de Grondwet vervatte wettigheidsbeginsel in fiscale zaken staat niet eraan in de weg dat een beperkte discretionaire bevoegdheid wordt toegekend aan de belastingadministratie met betrekking tot het ogenblik van de inkohiering van de belasting. 12 In casu blijkt niet dat de speelruimte waarover de belastingadministratie ter zake zou beschikken, buitensporig zou zijn, gelet op artikel 354 van het WIB 1992, dat de termijnen bepaalt waarbinnen de belasting kan worden gevestigd in geval van een niet-tijdige aangifte. B.
  26. Artikel 368 van het WIB 1992, in samenhang gelezen met artikel 371 van het WIB 1992, is bestaanbaar met de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemene beginsel van het recht op toegang tot de rechter. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 368 van het WIB 1992, in samenhang gelezen met artikel 371 van het WIB 1992, schendt niet de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemene beginsel van het recht op toegang tot de rechter. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 maart
  27. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.043 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.9 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.137 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.067 ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 ECLI:CE:ECHR:2011:0113JUD004407807 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.