← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.044

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.044 Arrest- Rolnummer: 44/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-25 Raadplegingen: 517 - laatst gezien 2026-06-18 15:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 23 van de wet van 6 november 2023 « houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg », ingesteld door de vzw « Federale Vereniging voor Klinische Laboratoria » en anderen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Verzekering voor geneeskundige verzorging - Verstrekkingen van klinische biologie - Ereloonsupplementen - Beperking - Niet-geconventioneerde zorgverleners Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 44/2025 van 13 maart 2025 Rolnummer : 8220 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 23 van de wet van 6 november 2023 « houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg », ingesteld door de vzw « Federale Vereniging voor Klinische Laboratoria » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Danny Pieters en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 mei 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 mei 2024, is beroep tot vernietiging van artikel 23 van de wet van 6 november 2023 « houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 november 2023) ingesteld door de vzw « Federale Vereniging voor Klinische Laboratoria », de bv « Medisch Laboratorium », de vzw « Belgische Vereniging van de Apothekers Specialisten in de Klinische Biologie », Jozef Jonckheere en Philippe Cuigniez, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. An Vijverman en mr. Ann Dierickx, advocates bij de balie te Leuven, en door mr. Dimitri Verhoeven, advocaat bij de balie van Antwerpen. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pierre Slegers, mr. Margaux Kerkhofs en mr. Laureen Perrot, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 15 januari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst 2 van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.

  1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen. Indien het door hen bestreden lid zou worden vernietigd, zullen zij immers geen enkele mogelijkheid meer hebben om betaling te vragen voor verstrekkingen die zijn opgenomen in de nomenclatuur, maar die buiten de voorwaarden zijn verricht. A.1.
  2. De verzoekende partijen benadrukken dat het niet bestreden lid van de bestreden bepaling een afzonderlijke regeling bevat, die enkel een beperking oplegt voor terugbetaalde verstrekkingen. Het bestreden tweede lid beperkt op zijn beurt, maar afzonderlijk van het eerste lid, de niet-terugbetaalbare verstrekkingen die toch onder de nomenclatuur vallen. Het gaat niet om een uitzondering op het eerste lid, maar om een volledig andere situatie. In geval van vernietiging van de bestreden passage zou er niet langer een beperking gelden voor de niet-terugbetaalde verstrekkingen. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.2.
  3. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit een schending, door artikel 23 van de wet van 6 november 2023 « houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg », van de artikelen 10, 11, 12, 14 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982 « tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor verstrekkingen van klinische biologie », met het beginsel lex certa, met het legaliteitsbeginsel en met het rechtszekerheidsbeginsel. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling onduidelijk is. Het is onduidelijk of bij verstrekkingen die het voorwerp uitmaken van een terugbetaling maar die worden verricht zonder te voldoen aan de terugbetalingsvoorwaarden, nog een ereloonsupplement kan worden gevraagd. Het is evenmin duidelijk welk honorarium mag worden aangerekend wanneer niet aan de voorwaarden voor terugbetaling is voldaan. Zij verwijzen naar het ingewikkeld en variabel karakter van de tarieven betreffende verstrekkingen van klinische biologie. A.2.
  4. Volgens de Ministerraad is het overduidelijk dat het betrokken bedrag het bedrag is waarin de verplichte verzekering voorziet voor de betrokken verstrekking. Dat bedrag is uiteraard opgenomen in de nomenclatuur, die niet wordt gewijzigd door de bestreden bepaling. Enige onduidelijkheid die zou kunnen bestaan, vindt haar oorsprong in die nomenclatuur, waarvan de verzoekende partijen zelf de complexiteit aankaarten. 3 Wat betreft het tweede middel A.3.
  5. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit een schending, door de bestreden bepaling, van artikel 16 van de Grondwet, artikel 1, eerste alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 17 van het Handvest, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Doordat de zorgverleners niet zelf hun honorarium kunnen bepalen, wordt hun eigendomsrecht op onverantwoorde wijze beperkt. Dat geldt in het bijzonder voor zorgverleners die zich niet aansluiten bij het tariefakkoord, die ten onrechte op identieke wijze worden behandeld als de geconventioneerde zorgverleners. A.3.
  6. De Ministerraad antwoordt dat de beperking van het eigendomsrecht wordt verantwoord door de noodzaak om een evenwicht te vinden tussen de toegankelijkheid van de zorg en het recht van de zorgverlener om betaling te ontvangen voor een geleverde dienst. De impact is bovendien beperkt : het gaat om de tarieven voor verstrekkingen die niet beantwoorden aan de voorwaarden voor terugbetaling. Die verstrekkingen zijn van nature slechts uitzonderlijk nodig. Wanneer zij echter nodig zijn, wou de wetgever waken over de betaalbaarheid ervan voor de patiënt, rekening houdend met het feit dat zij niet worden terugbetaald. Wat betreft het derde middel A.4.
  7. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit een schending, door de bestreden bepaling, van artikel 23 van de Grondwet, de artikelen 1 en 4 van het herziene Europees Sociaal Handvest en het recht op gezondheid, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met de therapeutische vrijheid en met de vrije keuze van beroepsbeoefenaar. Doordat de bestreden bepaling de zorgverlener verbiedt diens honorarium vrij te bepalen, schendt die bepaling het recht op arbeid en op een billijke verloning van de niet- geconventioneerde zorgverlener. Daardoor ontstaat het risico dat die zorgverleners hun activiteit stopzetten of verhuizen, en minder gebruikmaken van innovatieve technieken, waardoor die maatregel leidt tot een aanzienlijke achteruitgang in de bescherming van de gezondheid, tot een schending van de therapeutische vrijheid van de zorgverlener en tot een beperking van de keuzevrijheid van de patiënt. A.4.
  8. De Ministerraad herhaalt dat de bestreden maatregel net ertoe bijdraagt dat het recht op gezondheidszorg wordt gevrijwaard, en noodzakelijk is in het kader van de verplichtingen die de wetgever heeft om de toegankelijkheid van de gezondheidszorg te beschermen. Hij verwijst daarbij naar de rechtspraak van het Hof waaruit ook blijkt dat er geen sprake is van een beperking van het recht op arbeid. Wat betreft het vierde middel A.5.
  9. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit een schending, door de bestreden bepaling, van artikel 27 van de Grondwet, artikel 12 van het Handvest en de artikelen 21 en 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij klagen aan dat geconventioneerde en niet-geconventioneerde zorgverleners op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daar een redelijke verantwoording voor bestaat. A.5.
  10. De Ministerraad herhaalt de doelstelling van de maatregel en het uitzonderlijke karakter van de toepassingsmogelijkheden. Hij verwijst daarbij naar de rechtspraak van het Hof. Wat betreft het vijfde middel A.6.
  11. De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit een schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, met de artikelen 49, 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met artikel 15, lid 2, van het Handvest en met de vrijheid van ondernemen. Zij klagen aan dat niet-Belgische zorgverleners in België hun honorarium niet vrij kunnen bepalen. Daardoor leidt dit ook tot een achteruitgang in het zorgaanbod. Om dezelfde reden wordt ook ten aanzien van de verzoekende partijen die ondernemingen zijn, de ondernemingsvrijheid geschonden. A.6.
  12. De Ministerraad betwist het belang bij het middel in zoverre het is afgeleid uit een schending van de vrijheid van vestiging. Het statutair doel van de eerste verzoekende partij is beperkt tot laboratoria die reeds in 4 België werkzaam zijn. De tweede, vierde en vijfde verzoekende partij zijn in België gevestigd. Het blijkt niet dat de leden van de eerste en tweede verzoekende partij niet in België gevestigd zijn. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de verplichting om de in een lidstaat geldende tarieven na te leven, geen belemmering inhoudt van de vrijheid van vestiging en de vrije dienstverlening. De verzoekende partijen maken op geen enkele manier aannemelijk dat de kwaliteit van de in België aanwezige zorg dermate onvoldoende is dat enig mogelijk ontradend effect ten aanzien van buitenlandse labo’s een gevolg zou hebben voor de gezondheidszorg. Wat betreft het zesde middel A.7.
  13. De verzoekende partijen leiden een zesde middel af uit een schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat geconventioneerde en niet-geconventioneerde zorgverleners op ongelijke wijze worden behandeld. Beide categorieën kunnen hun honorarium niet vrij bepalen, maar de niet- geconventioneerde zorgverleners genieten niet de sociale voordelen die de geconventioneerde zorgverleners wel genieten. A.7.
  14. De Ministerraad verwijst naar zijn antwoord op de overige middelen en naar de rechtspraak van het Hof. -B- Ten aanzien van het voorwerp van het beroep B.1.
  15. Artikel 23 van de wet van 6 november 2023 « houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg » (hierna : de wet van 6 november 2023) voegt in artikel 4bis van het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982 « tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor verstrekkingen van klinische biologie » (hierna : het koninklijk besluit nr. 143), een zesde en een zevende lid in, die luiden : « Onverminderd de toepassing van wettelijke bepalingen die honorariasupplementen mogelijk maken, kan voor de verstrekkingen die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging buiten de vastgestelde honoraria geen enkel ander bedrag ten laste van de rechthebbende worden gelegd, onder welke vorm ook. Evenwel kan voor verstrekkingen die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en die worden aangevraagd en verricht buiten de voor terugbetaling vastgestelde modaliteiten, een bedrag ten laste worden gelegd van de rechthebbende, op voorwaarde dat dit bedrag het honorarium dat door de verplichte verzekering voorzien is voor betrokken verstrekking binnen de voor terugbetaling vastgestelde modaliteiten niet overschrijdt ». 5 B.1.
  16. De parlementaire voorbereiding vermeldt met betrekking tot de bestreden bepaling : « Artikel 23, wijzigt KB nr. 143 van 30 december 1982, en heeft tot doel de toegankelijkheid en de tariefzekerheid voor de patiënt te vrijwaren, en dit in het kader van de klinische biologie. Op het terrein wordt vastgesteld dat de factuur voor bloedonderzoeken en andere verstrekkingen van klinische biologie voor de patiënt kan oplopen door administratieve toeslagen of door niet-terugbetaalde verstrekkingen. Het wetsontwerp voert daarom een verbod in voor de klinische laboratoria om administratieve toeslagen of andere toeslagen aan de patiënt aan te rekenen. Dit met uitzondering van de door de wet toegelaten ereloonsupplementen. Ook wordt erin voorzien dat ingeval verstrekkingen worden uitgevoerd die buiten de terugbetalingsvoorwaarden vallen, de patiënt niet meer zal moeten betalen dan het wettelijk vastgelegd honorarium dat geldt voor deze verstrekking binnen de terugbetalingsvoorwaarden. Het gaat bijvoorbeeld om gevallen waarin het maximumaantal verstrekkingen werd overschreden of waarin een diagnostische voorwaarde niet is vervuld » (Parl. St., Kamer, 2023- 2024, DOC 55-3564/002, p. 8). B.
  17. De verzoekende partijen beperken het voorwerp van hun beroep tot vernietiging uitdrukkelijk tot artikel 4bis, zevende lid, van het koninklijk besluit nr.
  18. B.3.
  19. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.
  20. De vijfde verzoekende partij is een arts-specialist in de klinische biologie. De tweede verzoekende partij is de vennootschap via welke de vijfde verzoekende partij haar beroep uitoefent. Zij hebben belang bij het aanvechten van een wetsbepaling die gevolgen heeft voor de honoraria die mogen worden aangerekend voor verstrekkingen die zij aanbieden. Aangezien de tweede en de vijfde verzoekende partij doen blijken van een belang om in rechte te treden, dient het Hof niet te onderzoeken of de overige verzoekende partijen eveneens over het vereiste belang beschikken. B.
  21. In zoverre de Ministerraad het belang van de verzoekende partijen bij het vijfde middel betwist, volstaat het eraan te herinneren dat, wanneer de verzoekende partijen een 6 belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepaling, zij daarbovenop niet moeten doen blijken van een belang bij elk middel of onderdeel ervan. Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.5.
  22. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10, 11, 12, 14 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 143, met het beginsel lex certa, met het legaliteitsbeginsel en met het rechtszekerheidsbeginsel. B.5.
  23. De verzoekende partijen baseren hun middel op de vaststelling dat het moeilijk is om op basis van de nomenclatuur exact te bepalen welk bedrag mag worden aangerekend voor een bepaalde verstrekking. Uit de bestreden bepaling volgt duidelijk dat voor verstrekkingen die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging maar die worden aangevraagd buiten de voorwaarden van die tegemoetkoming, het honorarium het bedrag waarin de verplichte verzekering voorziet voor de betrokken verstrekking, niet overschrijdt. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « In dat geval zal enkel het bedrag dat de nomenclatuur voor die verstrekking voorziet (tussenkomst verplichte ziekteverzekering + persoonlijk aandeel), kunnen worden aangerekend aan de patiënt » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3564/001, p. 19). Artikel 35, § 1, eerste en tweede lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, luidt : 7 « De Koning stelt de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen vast, met uitzondering van de in artikel 34, eerste lid, 4°bis, 5°, 19°, 20° en 20°bis vermelde verstrekkingen. Die nomenclatuur somt die verstrekkingen op, bepaalt de betrekkelijke waarde ervan en stelt met name de toepassingsregelen ervan vast, alsook de bekwaming waarover de persoon dient te beschikken die gemachtigd is om elk van die verstrekkingen te verrichten. Zo nodig kunnen voor eenzelfde verstrekking verschillende tarieven gelden naargelang de zorgverlener al dan niet voldoet aan bijkomende voorwaarden, andere dan die betreffende de kwalificatie, die in de nomenclatuur worden vastgesteld. [...] ». Enige onduidelijkheid op dat vlak vindt niet haar oorsprong in de bestreden bepaling, maar in de voormelde nomenclatuur. Enige ongrondwettigheid die daaruit zou worden afgeleid, kan derhalve niet worden toegeschreven aan de bestreden bepaling. B.5.
  24. Het eerste middel is niet gegrond. Wat betreft het tweede middel B.
  25. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van artikel 16 van de Grondwet, artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol) en artikel 17 van het Handvest, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens de verzoekende partijen vormt de bestreden bepaling een onverantwoorde inperking van het eigendomsrecht van de niet-geconventioneerde zorgverleners aangezien zij de honoraria niet langer vrij kunnen bepalen voor de betrokken verstrekkingen, terwijl zij niet de voordelen ontvangen die geconventioneerde zorgverleners ontvangen en de tarieven van de verplichte ziekteverzekering te laag zijn. B.7.
  26. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : 8 « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.7.
  27. Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepaling, ermee rekening houdt. B.7.
  28. Het voormelde artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en tegen elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea). B.
  29. Artikel 17 van het Handvest heeft in beginsel dezelfde inhoud en reikwijdte als artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol (HvJ, 5 mei 2022, C-83/20, BPC Lux 2 Sàrl e.a., ECLI:EU:C:2022:346, punten 37 en 38). B.
  30. De wettelijke beperking van de bedragen die mogen worden aangerekend voor verstrekkingen inzake de klinische biologie, is geen onteigening in de zin van artikel 16 van de Grondwet. Het Hof moet evenwel onderzoeken of de bestreden bepaling bestaanbaar is met het recht op het ongestoord genot van de eigendom dat is gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. B.
  31. Wat betreft het toepassingsgebied van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol en het aspect van het bestaan van een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom heeft het begrip « eigendom » « een autonome draagwijdte die zich niet beperkt tot de eigendom van materiële goederen en die losstaat van de formele kwalificaties van het nationale recht : bepaalde andere rechten en belangen die activa vormen, kunnen eveneens 9 doorgaan voor ‘ vermogensrechten ’ en dus voor ‘ eigendom ’ voor de toepassing van die bepaling » (EHRM, grote kamer, 11 januari 2007, Anheuser-Busch Inc. t. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD007304901, § 63; in dezelfde zin, grote kamer, 7 juni 2012, Centro Europa 7 S.r.l. en Di Stefano t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2012:0607JUD003843309, § 171; grote kamer, 13 december 2016, Béláné Nagy t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013, § 73). Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol geldt « slechts voor de huidige eigendommen en creëert geen enkel recht om er te verwerven » (EHRM, grote kamer, 25 september 2018, Denisov t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2018:0925JUD007663911, § 137). Een « toekomstig inkomen kan slechts als ‘ eigendom ’ worden gekwalificeerd indien het reeds werd verdiend of het voorwerp van een zekere schuldvordering uitmaakt » (ibid.; grote kamer, 7 juni 2012, Centro Europa 7 S.r.l. en Di Stefano t. Italië, voormeld, § 172; beslissing, 6 september 2022, Marinovski t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2022:0906DEC007881516, § 18). Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol « verleent geen recht ertoe om een salaris van een specifiek bedrag te blijven ontvangen » (EHRM, beslissing, 6 december 2011, Mihăieş t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2011:1206DEC004423211, § 14; beslissing, 15 oktober 2013, Savickas e.a. t. Litouwen, ECLI:CE:ECHR:2013:1015DEC006636509, § 91). Evenwel « kan onder bepaalde omstandigheden de ‘ legitieme verwachting ’ een vermogenswaarde te verkrijgen ook de bescherming genieten » van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol (EHRM, grote kamer, 11 januari 2007, Anheuser-Busch Inc. t. Portugal, voormeld, § 65; grote kamer, 13 december 2016, Béláné Nagy t. Hongarije, voormeld, § 74). Een « legitieme verwachting moet concreter zijn dan gewone hoop en gebaseerd zijn op een rechtsbepaling of een rechtshandeling zoals een rechterlijke beslissing » (EHRM, grote kamer, 13 december 2016, Béláné Nagy t. Hongarije, voormeld, § 75). Om een eigendom te laten erkennen die bestaat uit een legitieme verwachting, moet een afdwingbaar recht worden genoten dat daadwerkelijk een wezenlijk vermogensbelang moet vormen dat voldoende is aangetoond in het licht van het nationale recht (ibid., § 79). B.
  32. De bestreden bepaling beperkt de inkomsten die niet-geconventioneerde zorgverstrekkers kunnen verkrijgen uit verstrekkingen die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en die worden aangevraagd en verricht buiten de voor terugbetaling vastgestelde voorwaarden. Zij raakt 10 evenwel niet aan inkomsten die reeds vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling werden verdiend of die het voorwerp van een zekere schuldvordering uitmaakten. Artikel 35, tweede lid, van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, bepaalt voorts dat de vrijheid om de honoraria te bepalen slechts geldt « onverminderd de toepassing van bedragen welke eventueel zijn vastgesteld door of krachtens de wet ». De niet-geconventioneerde zorgverleners kunnen dus niet wettig erop vertrouwen dat de bepalingen die hun honoraria regelen, in de toekomst ongewijzigd behouden blijven. De niet-geconventioneerde zorgverleners blijven voor het overige vrij om ten aanzien van de verstrekkingen die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, hun honoraria vast te stellen met toepassing van de wettelijke bepalingen die honorariasupplementen mogelijk maken. De bestreden bepaling valt bijgevolg niet onder het toepassingsgebied van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. B.
  33. Het tweede middel is niet gegrond. Wat betreft het derde middel B.
  34. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van artikel 23 van de Grondwet, de artikelen 1 en 4 van het herziene Europees Sociaal Handvest, en het recht op gezondheid, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met de therapeutische vrijheid en met de vrije keuze van beroepsbeoefenaar. B.
  35. De verzoekende partijen voeren allereerst aan dat de bestreden bepaling in strijd met de standstill-verplichting het beschermingsniveau van zowel het recht op arbeid als het recht op bescherming van de gezondheid vermindert. B.15.
  36. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. 11 Die rechten omvatten inzonderheid : 1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen; 2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand; [...] ». B.15.
  37. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat door de van toepassing zijnde wetgeving wordt geboden, in aanzienlijke mate vermindert zonder redelijke verantwoording. B.15.
  38. In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de bevoegde wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid om de maatregelen te bepalen die moeten worden aangenomen om de door hem vastgestelde doelstellingen te bereiken. B.
  39. Het onderzoek van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1 en 4 van het herziene Europees Sociaal Handvest, die het recht op arbeid en het recht op billijke beloning waarborgen, leidt niet tot een andere conclusie. B.17.
  40. De bestreden bepaling verbetert de financiële toegankelijkheid van verstrekkingen van klinische biologie die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en die worden aangevraagd en verricht buiten de voor terugbetaling vastgestelde voorwaarden, door het bedrag dat ten laste mag worden gelegd van de rechthebbende te beperken tot het bedrag van het honorarium waarin de verplichte verzekering voorziet voor de betrokken verstrekking. B.17.
  41. De bestreden bepaling waarborgt aldus veeleer het in artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet gewaarborgde recht op bescherming van de gezondheid dan er afbreuk aan te doen. Zij kan weliswaar een negatieve financiële impact hebben op de niet-geconventioneerde zorgverleners, maar de verzoekende partijen tonen niet aan dat die financiële impact een achteruitgang, laat staan een aanzienlijke achteruitgang, van het beschermingsniveau van het recht op bescherming van de gezondheid inhoudt. 12 Voorts tonen de verzoekende partijen niet aan dat door de bestreden bepaling dermate veel zorgverleners hun activiteiten zouden stopzetten of verhuizen, dat het beschermingsniveau van het recht op bescherming van de gezondheid aanzienlijk zou worden verminderd. B.
  42. De bestreden bepaling geeft daarnaast evenmin aanleiding tot een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van het in artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet gewaarborgde recht op arbeid van de niet-geconventioneerde zorgverleners. Die bepaling verhindert hen immers niet om zich als zorgverlener te vestigen of om de klinische biologie te blijven uitoefenen, noch om de honoraria te ontvangen die krachtens de tariefakkoorden van toepassing zijn op alle geconventioneerde zorgverleners en op de niet-geconventioneerde zorgverleners die geen supplementen aanrekenen. Daarenboven is de bestreden bepaling uitsluitend van toepassing op verstrekkingen die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en die worden aangevraagd en verricht buiten de voor terugbetaling vastgestelde voorwaarden. Die situatie zou per definitie uitzonderlijk moeten zijn. Indien dat niet het geval is, vindt dat zijn oorzaak in de wijze waarop de voor terugbetaling vastgestelde voorwaarden zijn bepaald in de nomenclatuur. Dat blijkt eveneens uit de parlementaire voorbereiding : « De minister stelt in dit wetsontwerp voor dat, in die omstandigheden, enkel het bedrag dat de nomenclatuur voor die verstrekking voorziet kan worden aangerekend aan de patiënt. Het is dus geen debat over nieuwe en innovatieve technieken, maar wel over de niet-toepassing van bepaalde beperkingen. Het rekening houden met bijvoorbeeld innovatieve technieken kan enkel gebeuren door de nomenclatuur te laten evolueren. Daarvoor is dan weer een doelmatige besteding van het beschikbare budget nodig » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55- 3564/002, pp. 17-18). Bovendien, zelfs in de veronderstelling dat de bestreden maatregel het gebruik door bepaalde beroepsbeoefenaars van bepaalde verstrekkingen buiten de voorwaarden waarin de nomenclatuur voorziet, duur zou kunnen maken, kan niet in redelijkheid worden voorgehouden dat de bestreden maatregel de therapeutische vrijheid van die beroepsbeoefenaars beperkt. Ten slotte laat de maatregel het recht op vrije keuze van de beroepsbeoefenaar intact. B.
  43. Het derde middel is niet gegrond. 13 Wat betreft het vierde middel B.
  44. Het vierde middel is onder andere afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
  45. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling geconventioneerde zorgverleners en niet-geconventioneerde zorgverleners zonder redelijke verantwoording gelijk behandelt. B.
  46. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet zich ertegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  47. Doordat de bestreden bepaling voorziet in een beperking van het bedrag dat mag worden aangerekend voor verstrekkingen van de klinische biologie die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en die worden aangevraagd en verricht buiten de voor terugbetaling vastgestelde voorwaarden, onderwerpt zij de geconventioneerde en niet-geconventioneerde zorgverleners die dergelijke verstrekkingen verlenen aan een gelijke behandeling, terwijl zij zich in essentieel verschillende situaties bevinden. 14 B.
  48. Voor de niet-geconventioneerde zorgverleners houdt de bestreden maatregel geen verbod in om voor de verstrekkingen die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering, de honorariasupplementen aan te rekenen die mogelijk worden gemaakt door de toepassing van wettelijke bepalingen. Hoewel de bestreden maatregel het minder interessant maakt voor de niet-geconventioneerde zorgverleners om niet toe te treden tot de tariefakkoorden, temeer omdat zij niet de voordelen genieten die geconventioneerde zorgverleners genieten, ontneemt hij hun ook niet de keuze om al dan niet toe te treden tot die akkoorden. B.
  49. Gelet op het voorgaande is de gelijke behandeling niet onredelijk ten aanzien van de doelstelling van het vrijwaren van de toegankelijkheid van de verstrekkingen in de klinische biologie. B.
  50. Het vierde middel, in zoverre het is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is niet gegrond. B.
  51. Het vierde middel is daarnaast afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van artikel 27 van de Grondwet, artikel 12 van het Handvest en de artikelen 21 en 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens de verzoekende partijen worden de niet-geconventioneerde zorgverleners door de bestreden bepaling verplicht verenigd rond de tarieven uit het tariefakkoord. B.
  52. De verzoekende partijen tonen niet aan hoe de bestreden bepaling de vrijheid van vergadering die is gewaarborgd bij artikel 12 van het Handvest en bij artikel 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten zou kunnen schenden, zodat het middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van die bepalingen. B.29.
  53. Artikel 27 van de Grondwet bepaalt : « De Belgen hebben het recht van vereniging; dit recht kan niet aan enige preventieve maatregel worden onderworpen ». 15 Artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : «
  54. Eenieder heeft het recht op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
  55. De uitoefening van dit recht kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, welke bij de wet zijn voorgeschreven en die in een democratische samenleving geboden zijn in het belang van de nationale veiligheid of de openbare veiligheid, de openbare orde, de bescherming van de volksgezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel belet niet het opleggen van wettige beperkingen aan leden van de strijdmacht en van de politie in de uitoefening van dit recht.
  56. Geen bepaling in dit artikel geeft de Staten die partij zijn bij het Verdrag van 1948 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht de bevoegdheid wettelijke maatregelen te treffen, die de in dat Verdrag voorziene waarborgen in gevaar zouden brengen, of de wet zodanig toe te passen dat deze in gevaar zouden worden gebracht ». B.29.
  57. Aangezien artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 27 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn ingeschreven in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepaling, rekening houdt met die verdragsbepaling. B.
  58. De vrijheid van vereniging waarin de voormelde bepalingen voorzien, heeft tot doel de oprichting van private verenigingen en de deelname aan hun activiteiten te waarborgen. Zij impliceert het recht om zich te verenigen en de interne organisatie van de vereniging vrij te bepalen, maar ook het recht om zich niet te verenigen. B.
  59. De bestreden bepaling raakt niet aan het recht van de niet-geconventioneerde zorgverleners om zich niet te verenigen. Zij heeft niet tot doel of tot gevolg dat zij niet- geconventioneerde zorgverleners verplicht om zich te verenigen met collega’s of met andere beroepsbeoefenaars. De bestreden bepaling beperkt uitsluitend de mogelijkheid voor de niet- geconventioneerde zorgverleners om het bedrag te bepalen dat zij aanrekenen voor verstrekkingen die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en die worden aangevraagd en verricht buiten de voor terugbetaling vastgestelde voorwaarden. Die beperking heeft weliswaar tot gevolg dat 16 niet-geconventioneerde zorgverleners in een aantal gevallen de tarieven uit het tariefakkoord moeten aanrekenen, maar dat betekent niet dat zij daardoor verplicht met elkaar worden verenigd. B.
  60. Het vierde middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van artikel 27 van de Grondwet, artikel 12 van het Handvest en de artikelen 21 en 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, is niet gegrond. Wat betreft het vijfde middel B.
  61. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 49, 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), met artikel 15, lid 2, van het Handvest en de vrijheid van ondernemen, doordat zij de vrijheid van vestiging en de vrijheid van handel en nijverheid voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat op onevenredige wijze zou beperken. B.34.
  62. Artikel 49 van het VWEU bepaalt : « In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd. De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld ». B.34.
  63. Artikel 56 van het VWEU bepaalt : « In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. 17 Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en binnen de Unie zijn gevestigd ». B.34.
  64. Artikel 57 van het VWEU bepaalt : « In de zin van de Verdragen worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voorzover de bepalingen, betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn. De diensten omvatten met name werkzaamheden : a) van industriële aard, b) van commerciële aard, c) van het ambacht, d) van de vrije beroepen. Onverminderd de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, kan degene die de diensten verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke die staat aan zijn eigen onderdanen oplegt ». B.34.
  65. Artikel 15, lid 2, van het Handvest bepaalt : « Iedere burger van de Unie is vrij, in iedere lidstaat werk te zoeken, te werken, zich te vestigen en diensten te verrichten ». B.35.
  66. De beperkingen die worden beoogd door de artikelen 49 en 56 van het VWEU, zijn maatregelen, genomen door een lidstaat van de Europese Unie, die de uitoefening van de vrijheid van vestiging of het vrij verrichten van diensten verbieden, belemmeren of minder aantrekkelijk maken (HvJ, grote kamer, 28 april 2009, C-518/06, Commissie van de Europese Gemeenschappen t. Italiaanse Republiek, ECLI:EU:C:2009:270, punt 62; 8 juni 2023, C-468/20, Fastweb SpA e.a., ECLI:EU:C:2023:447, punt 81). De regeling van een lidstaat van de Europese Unie vormt geen beperking enkel omdat andere lidstaten minder rigoureuze of economisch gunstigere regels toepassen op verrichters 18 van soortgelijke diensten die op hun grondgebied zijn gevestigd (HvJ, grote kamer, 28 april 2009, C-518/06, voormeld, punt 63; 8 juni 2023, C-468/20, voormeld, punt 85). B.35.
  67. Bij het arrest van 12 september 2013 in zake Kostas Konstantinides (C-475/11, ECLI:EU:C:2013:542) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie meer bepaald geoordeeld : «
  68. Voorts zij eraan herinnerd dat een regeling van een lidstaat geen beperking in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vormt, enkel omdat andere lidstaten minder rigoureuze of economisch gunstigere regels toepassen op verrichters van soortgelijke diensten die op hun grondgebied zijn gevestigd (zie reeds aangehaald arrest Commissie/Italië, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
  69. Het bestaan van een beperking in de zin van het Verdrag kan dus niet worden afgeleid uit het enkele feit dat in een andere lidstaat dan de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde artsen zich voor de berekening van hun honoraria voor op het grondgebied van het Land Hessen verrichte diensten moeten voegen naar de op dat grondgebied geldende regels.
  70. Indien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling niet flexibel is, wat door de nationale rechter moet worden beoordeeld, vormt de toepassing van die regeling, die een afschrikkende werking kan hebben voor artsen uit andere lidstaten, echter een beperking in de zin van het Verdrag.
  71. Wat de rechtvaardiging van een dergelijke beperking betreft, is het vaste rechtspraak dat nationale maatregelen die de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, slechts toelaatbaar kunnen zijn mits zij een doel van algemeen belang nastreven, geschikt zijn om de verwezenlijking daarvan te waarborgen en niet verder gaan dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken (zie met name arrest van 16 april 2013, Las, C-202/11, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
  72. Dienaangaande staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, gesteld dat de toepassing ervan in omstandigheden zoals beschreven in de verwijzingsbeslissing een beperking van de vrijheid van dienstverrichting vormt, een doel van algemeen belang ten grondslag ligt. Algemeen zij erop gewezen dat de bescherming van de gezondheid en het leven van personen, zoals bedoeld in artikel 36 VWEU, en de bescherming van de consument behoren tot de doelstellingen die kunnen worden beschouwd als dwingende redenen van algemeen belang die een beperking van de vrijheid van dienstverrichting kunnen rechtvaardigen (zie in die zin met name arresten van 5 december 2006, Cipolla e.a., C-94/04 en C-202/04, Jurispr. blz. I-11421, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 november 2007, Ludwigs-Apotheke, C-143/06, Jurispr. blz. I-9623, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
  73. Met betrekking tot de vraag of een dergelijke regeling waaraan een doel van algemeen belang ten grondslag ligt, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is, staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of die regeling daadwerkelijk ertoe strekt het nagestreefde 19 doel op samenhangende en stelselmatige wijze te verwezenlijken. Voor de beoordeling van de evenredigheid moet met name rekening worden gehouden met de zwaarte van de voorgenomen sanctie.
  74. Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om na te gaan of de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, een beperking in de zin van artikel 56 VWEU vormt en, zo ja, of zij een doel van algemeen belang nastreeft, geschikt is om de verwezenlijking daarvan te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken ». B.36.
  75. Zonder dat het nodig is om te onderzoeken of de bestreden bepalingen beperkingen zijn in de zin van de artikelen 49 en 56 van het VWEU, volstaat het vast te stellen dat zij beantwoorden aan de beperkingsvoorwaarden vermeld in B.35.
  76. B.36.
  77. De bestreden bepaling beoogt in hoofdzaak de toegankelijkheid van de verstrekkingen in de klinische biologie te vrijwaren. De wet strekt dus ertoe de gezondheid te beschermen, doel dat is opgenomen in artikel 36 van het VWEU en dat, zoals is vermeld in B.35.2, een dwingende reden van algemeen belang kan vormen die een beperking van de vrije dienstverrichting kan verantwoorden. B.36.
  78. Uit het onderzoek van de middelen die zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet blijkt dat de bestreden bepaling pertinent en evenredig is in het licht van die doelstelling. De bestreden bepaling gaat niet verder dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelstelling te bereiken. Zij dwingen de niet-geconventioneerde zorgverleners immers niet om toe te treden tot de tariefakkoorden, en zij verbieden hen niet om voor de verstrekkingen die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering, de honorariasupplementen toe te passen die wettelijke bepalingen mogelijk maken. B.36.
  79. De bestreden bepaling schendt bijgevolg niet de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 49, 56 en 57 van het VWEU. B.36.
  80. Een onderzoek in het licht van artikel 15, lid 2, van het Handvest zou niet tot een ander besluit kunnen leiden. Die bepaling erkent immers de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, die ook worden gewaarborgd bij de artikelen 49 en 56 van het VWEU. Het Handvest bepaalt echter, in artikel 52, lid 2, dat de door dat Handvest erkende rechten die 20 voorkomen in bepalingen van de verdragen, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door die verdragen zijn gesteld. B.
  81. In zoverre het vijfde middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen, is het niet gegrond. B.38.
  82. De vrijheid van ondernemen, bedoeld in artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, moet worden uitgeoefend « met inachtneming van de in België van kracht zijnde internationale verdragen, van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid zoals vastgesteld door of krachtens de internationale verdragen en de wet » (artikel II.4 van hetzelfde Wetboek). B.38.
  83. De vrijheid van ondernemen kan niet als een absolute vrijheid worden opgevat. Zij belet niet dat de bevoegde wetgever de economische bedrijvigheid van personen en ondernemingen regelt. Die wetgever zou pas onredelijk optreden indien hij de vrijheid van ondernemen zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel. Uit het onderzoek van het vijfde middel blijkt reeds dat de bestreden bepaling pertinent en evenredig is in het licht van de doelstelling om de toegankelijkheid van de verstrekkingen in de klinische biologie te vrijwaren. Wat betreft het zesde middel B.
  84. Het zesde middel is afgeleid uit een schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat geconventioneerde en niet-geconventioneerde zorgverleners op ongelijke wijze zouden worden behandeld. Beide categorieën van zorgverleners kunnen hun honorarium niet vrij bepalen, maar de niet-geconventioneerde zorgverleners genieten niet de sociale voordelen die de geconventioneerde zorgverleners wel genieten. B.
  85. In essentie is dit middel gelijkaardig aan het vierde middel en is het bijgevolg ongegrond om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in B.24 en B.
  86. 21 Voor zover het middel is afgeleid uit de verschillen inzake de sociale voordelen die gelden voor geconventioneerde en niet-geconventioneerde zorgverleners, vindt dat verschil in behandeling zijn oorsprong niet in de bestreden bepaling. B.
  87. Het zesde middel is niet gegrond. 22 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 maart
  88. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.044 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD007304901 ECLI:CE:ECHR:2011:1206DEC004423211 ECLI:CE:ECHR:2012:0607JUD003843309 ECLI:CE:ECHR:2013:1015DEC006636509 ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013 ECLI:CE:ECHR:2018:0925JUD007663911 ECLI:CE:ECHR:2022:0906DEC007881516 ECLI:EU:C:2009:270 ECLI:EU:C:2013:542 ECLI:EU:C:2022:346 ECLI:EU:C:2023:447 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.847 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.