← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.047

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.047 Arrest- Rolnummer: 47/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-31 Raadplegingen: 659 - laatst gezien 2026-06-18 15:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over artikel 42 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Veiligheidsmaatregelen - Verval van het recht tot sturen - Lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid - Beoordeling door de rechter Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 47/2025 van 20 maart 2025 Rolnummers : 8184 en 8185 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 42 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij twee vonnissen van 22 februari 2024, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 5 maart 2024, heeft de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «

  1. Schendt artikel 42 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, samen gelezen met de bijlage 6 bij het K.B. 23.03.1998 betreffende het rijbewijs, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet) én artikel 6.1 E.V.R.M., art. 14.1 IVBPR, in de interpretatie dat deze bepaling de beoordeling van de geestelijke geschiktheid beperkt tot de aandoeningen specifiek omschreven in de bijlage 6 bij het KB 23.03.1998 betreffende het rijbewijs, terwijl de lichamelijke geschiktheid [lees : ongeschiktheid] ook kan vastgesteld worden zelfs indien de betrokkene voldoet aan de normen dienaangaande uit de voormelde bijlage.
  2. Schendt artikel 42 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, samen gelezen met de bijlage 6 bij het K.B. 23.03.1998 betreffende het rijbewijs, artikel 3 § 1, tweede lid Gecoördineerde wet van 10.05.2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet) 2 én artikel 6.1 E.V.R.M., art. 14.1 IVBPR, in de interpretatie dat het begrip lichamelijke en/of geestelijke ongeschiktheid een medische invulling heeft en de rechtbank derhalve bij vaststelling van de ongeschiktheid een diagnose zou stellen.
  3. Schendt artikel 42 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, samen gelezen met de bijlage 6 bij het K.B. 23.03.1998 betreffende het rijbewijs, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet), het algemeen rechtsbeginsel van de innerlijke overtuiging van de rechter, art. 32 VTSv én artikel 6.1 E.V.R.M., art. 14.1 IVBPR, in de interpretatie dat deze bepaling de bij beoordeling van de rijgeschiktheid enkel in geval van verslavingsproblematieken toelaat het strafregister als bewijselement te gebruiken, doch niet bij andere aandoeningen.
  4. Schendt artikel 42 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, samen gelezen met de bijlage 6 bij het K.B. 23.03.1998 betreffende het rijbewijs, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet), het algemeen rechtsbeginsel van de innerlijke overtuiging van de rechter, art. 32 VTSv én artikel 6.1 E.V.R.M., art. 14.1 IVBPR, in de interpretatie dat deze bepaling bij beoordeling van de rijgeschiktheid de aanstelling van een deskundige noodzakelijk stelt, behoudens bij verslavingsproblematieken die wel middels andere elementen kunnen bewezen worden ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8184 en 8185 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Steve Ronse en mr. Thomas Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 29 januari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de bodemgeschillen in de zaken nrs. 8184 en 8185 worden de gedaagden bij verwijzingsbeslissingen van 22 februari 2024 schuldig bevonden aan de hun ten laste gelegde inbreuken op de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet) en veroordeeld tot de in de verwijzingsbeslissingen bepaalde straffen. Het verwijzende rechtscollege acht het daarenboven nodig om te oordelen over de toepassing van artikel 42 van de Wegverkeerswet, dat bepaalt dat bijkomend een verval van het recht tot sturen moet worden uitgesproken wanneer de schuldige « lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig ». Het verwijzende rechtscollege stelt zich evenwel de vraag hoe het die ongeschiktheid dient vast te stellen. In die omstandigheid legt het verwijzende rechtscollege, alvorens ten gronde uitspraak te doen over de toepassing van artikel 42 van de Wegverkeerswet, de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen aan het Hof voor. III. In rechte -A- A.
  5. De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven en in ieder geval ontkennend moeten worden beantwoord. A.
  6. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag voert de Ministerraad aan dat noch uit de bewoordingen van het in het geding zijnde artikel 42 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet), noch uit de parlementaire voorbereiding ervan enige beperking blijkt van de wijze waarop de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig kan worden vastgesteld. De rechter oordeelt soeverein over de geschiktheid van de schuldige om een motorvoertuig te besturen. Dat wordt bevestigd door het Hof van Cassatie. Bovendien zou het Hof de facto gevraagd worden om de wettigheid van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs » te beoordelen, hetgeen niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. A.
  7. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is in zoverre het Hof wordt verzocht de in het geding zijnde bepaling te toetsen aan artikel 3, § 1, van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, evenals in zoverre het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs ». De Ministerraad merkt voorts op dat noch uit de bewoordingen van de in het geding zijnde bepaling, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan blijkt dat de rechter een medische diagnose stelt wanneer hij het verval van het recht tot sturen uitspreekt van een persoon die lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt daarentegen dat de rechter, wanneer hij dat noodzakelijk acht, een deskundige kan aanstellen die desgevallend een medische diagnose kan stellen. Het is evenwel steeds de rechter die op onaantastbare wijze oordeelt of de betrokkene geestelijk of lichamelijk ongeschikt is tot het besturen van een motorvoertuig, rekening houdende met alle hem beschikbare gegevens. A.
  8. Ten aanzien van de derde en de vierde prejudiciële vraag voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vragen onontvankelijk zijn in zoverre het Hof wordt verzocht de in het geding zijnde bepaling te toetsen aan artikel 32 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Voorts herhaalt de Ministerraad dat de rechter op onaantastbare wijze oordeelt of de betrokkene geestelijk of lichamelijk ongeschikt is tot het besturen van een motorvoertuig, rekening houdende met alle hem beschikbare gegevens. Dat veronderstelt steeds een beoordeling in concreto door de rechter. In tegenstelling tot wat de prejudiciële vragen suggereren, bevat de in het geding zijnde bepaling geen voorschriften omtrent welke bewijsmiddelen bij welke aandoeningen mogen worden aangewend ter beoordeling van de rijgeschiktheid van de betrokkene. 4 -B- B.1.
  9. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 42 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet). Die bepaling betreft het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid om een motorvoertuig te besturen, zijnde een veiligheidsmaatregel die naast de straf moet worden uitgesproken (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2868/001, p. 26; Cass., 6 februari 2024, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.6). Artikel 42 van de Wegverkeerswet bepaalt : « Verval van het recht tot sturen moet uitgesproken worden wanneer, naar aanleiding van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader, de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig. De uitspraak van dit verval is mogelijk in elke graad van veroordeling, ongeacht wie het rechtsmiddel heeft ingesteld. De duur van het verval van het recht tot sturen is afhankelijk van het bewijs dat betrokkene niet meer ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen ». B.1.
  10. De prejudiciële vragen vermelden eveneens bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs », dat als opschrift heeft « Minimumnormen en attesten inzake de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig ». Volgens de bewoordingen ervan « beschrijft [die bijlage] de functionele stoornissen en aandoeningen die de uitsluiting tot gevolg hebben en de geneeskundige normen waaraan de kandidaat voor een rijbewijs of een voorlopig rijbewijs en de houder van een rijbewijs, moeten voldoen ». B.2.
  11. Aan het Hof worden vragen gesteld over de grondwettigheid van artikel 42 van de Wegverkeerswet, in samenhang gelezen met bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs », in de interpretatie dat : 5 - die bepaling de beoordeling van de geestelijke geschiktheid beperkt tot de aandoeningen specifiek omschreven in bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs » (eerste prejudiciële vraag); - het begrip lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid een medische invulling heeft en de rechtbank derhalve bij de vaststelling van de ongeschiktheid een diagnose zou stellen (tweede prejudiciële vraag); - die bepaling bij de beoordeling van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid enkel in geval van verslavingsproblematieken toelaat het strafregister als bewijselement te gebruiken (derde prejudiciële vraag) en in alle andere gevallen de aanstelling van een deskundige vereist (vierde prejudiciële vraag). B.2.
  12. De prejudiciële vragen betreffen alle de wijze waarop de rechter de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig dient vast te stellen. Gelet op hun samenhang, onderzoekt het Hof ze samen. B.
  13. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de bepalingen die het toepast te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. B.4.
  14. Krachtens artikel 42 van de Wegverkeerswet moet de rechter het verval van het recht tot sturen uitspreken wanneer de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig. Artikel 42 van de Wegverkeerswet stelt geen beperkingen aan de wijze waarop de rechter de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig vaststelt. Volgens het Hof van Cassatie oordeelt de rechter onaantastbaar of die lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid vaststaat op het ogenblik van zijn beslissing en kan hij voor dat oordeel steunen op alle hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de betrokkene tegenspraak heeft kunnen voeren (Cass., 30 januari 2024, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.13). De rechter oordeelt onaantastbaar of het voor die vaststelling aangewezen is een deskundige of een technisch raadgever aan te stellen en de rechter kan bij die beoordeling de aard van de vervolgde feiten in aanmerking nemen, alsook 6 voorafgaande veroordelingen, ongeacht of die een rechtstreeks verband hebben met de vervolgde feiten (Cass., 12 september 2023, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.13). B.4.
  15. Uit de bewoordingen van de in het geding zijnde bepaling blijkt niet dat de vaststelling van de geestelijke ongeschiktheid om een motorvoertuig te besturen, beperkt is tot de functionele stoornissen en aandoeningen die zijn vastgesteld in bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs ». Dat blijkt evenmin uit de totstandkoming van de wet van 20 juli 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer », waarbij artikel 42 van de Wegverkeerswet werd uitgebreid tot de geestelijke ongeschiktheid. In de toelichting bij het amendement dat heeft geleid tot die uitbreiding, wordt louter verduidelijkt dat « geestelijke ongeschiktheid [...] betrekking [heeft] op psychische aandoeningen zoals bijvoorbeeld dementie » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1428/004, p. 15). Ook het Hof van Cassatie oordeelt dat de rechter kan vaststellen dat er een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid is voor het besturen van een motorvoertuig, ook al blijkt niet dat de betrokkene lijdt aan een functionele stoornis of een aandoening of dat hij niet voldoet aan de geneeskundige normen als beschreven in bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs » (Cass., 11 oktober 2022, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.8). Het verwijzende rechtscollege refereert ter zake aan een verklaring van de bevoegde minister bij de totstandkoming van de voormelde wet van 20 juli
  16. In antwoord op een subamendement, waarin als voorbeeld van geestelijke ongeschiktheid om een motorvoertuig te besturen werd verwezen naar « mentale toestanden als depressies – een steeds meer voorkomend fenomeen in onze cultuur – psychotische periodes, een verregaande agressieve ingesteldheid, zwaar risicogedrag zoals het organiseren van of de deelname aan straatraces, een grote onverschilligheid voor het lot van anderen, oncontroleerbaar recidiverend gedrag enz. » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1428/005, p. 12), stelde de bevoegde minister dat « de ‘ geestelijke ongeschiktheid ’ waarvan sprake in het subamendement niet dezelfde is als die welke juridisch verankerd is in bijlage 6 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs », zodat « het debat hierover best in een andere context wordt gehouden » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1428/010, p. 58). Die verklaring volstaat niet om, tegen de bewoordingen van de in het geding zijnde bepaling en de rechtspraak van het Hof van Cassatie in, te besluiten dat de geestelijke ongeschiktheid om een motorvoertuig te 7 besturen anders moet worden vastgesteld dan de lichamelijke ongeschiktheid en beperkt is tot de functionele stoornissen en aandoeningen die zijn vastgesteld bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs ». Het blijkt voorts niet dat de rechter, bij het vaststellen van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig, een medische diagnose stelt. Indien de rechter een medische diagnose evenwel nodig acht, dient een deskundigenonderzoek te worden bevolen, zodat de rechter vervolgens een oordeel kan vellen rekening houdende met de resultaten van dat deskundigenonderzoek. De rechter oordeelt onaantastbaar of een dergelijk deskundigenonderzoek nodig is teneinde de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig te kunnen vaststellen, dan wel of er voor dat oordeel reeds voldoende gegevens beschikbaar zijn, waarbij de rechter tevens rekening kan houden met voorafgaande veroordelingen (Cass., 12 september 2023, voormeld). Noch artikel 42 van de Wegverkeerswet, noch enige andere bepaling maakt ter zake een onderscheid naargelang het een verslavingsproblematiek, dan wel een andere aandoening betreft. Het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 30 januari 2024, dat in de verwijzingsbeslissingen wordt aangehaald, bevestigt het voorgaande. In dat arrest wordt geoordeeld : «
  17. De rechter oordeelt in beginsel onaantastbaar of die lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig vaststaat op het ogenblik van zijn beslissing. Hij kan voor dat oordeel steunen op alle hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de betrokkene tegenspraak heeft kunnen voeren. Een medisch, psychologisch of psychiatrisch deskundigenonderzoek is niet noodzakelijk, maar kan in het licht van de omstandigheden aangewezen zijn.
  18. De rechter kan zijn oordeel over het voorhanden zijn van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig gronden of medegronden op gerechtelijke veroordelingen, voor zover uit de aard van de bewezenverklaarde misdrijven een dergelijke ongeschiktheid kan worden afgeleid, zoals onder meer veroordelingen waaruit een verslaving blijkt aan alcohol, medicijnen of drugs. Het loutere bestaan van een dergelijke veroordeling volstaat daartoe niet.
  19. De rechter kan de toestand van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig evenwel niet afleiden uit het gegeven dat een veroordeelde herhaaldelijk werd veroordeeld wegens overtredingen van de Wegverkeerswet of de uitvoeringsbesluiten ervan. Het doel van de door artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde maatregel de samenleving te beschermen laat immers niet toe deze maatregel, die een verplicht karakter heeft, toe te passen buiten de door de wetgever bepaalde strikte voorwaarde van een 8 daadwerkelijke lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig ». In tegenstelling tot wat in de verwijzingsbeslissingen wordt gesuggereerd, volgt uit dat arrest niet dat de rechter enkel bij verslavingsproblematieken rekening kan houden met voorafgaande strafrechtelijke veroordelingen om de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig vast te stellen, noch dat voor alle andere aandoeningen een medisch attest vereist is. Uit dat arrest volgt enkel dat het loutere bestaan van voorafgaande strafrechtelijke veroordelingen, zonder dat daaruit een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid kan worden afgeleid, niet volstaat om de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid vast te stellen. B.
  20. Uit het voorgaande blijkt dat de in B.2.1 vermelde interpretaties van de in het geding zijnde bepaling kennelijk onjuist zijn. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 maart
  21. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.047 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.