← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.049

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.049 Arrest- Rolnummer: 49/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-31 Raadplegingen: 527 - laatst gezien 2026-06-18 14:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikel 61, § 1, tweede lid, van het decreet van 27 maart 1991, in die zin geïnterpreteerd dat voor het opleggen van een tuchtmaatregel ten aanzien van een leraar levensbeschouwelijk onderricht in een instelling van het Gemeenschapsonderwijs de instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer is vereist, zonder dat de raad van bestuur van de scholengroep en, in voorkomend geval, de kamer van beroep van het Gemeenschapsonderwijs, en vervolgens de Raad van State, controle kunnen uitoefenen op de beslissing van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer) - Geen schending (artikel 61, § 1, tweede lid, van het decreet van 27 maart 1991, in die zin geïnterpreteerd dat in zodanig geval de raad van bestuur van de scholengroep en, in voorkomend geval, de kamer van beroep van het Gemeenschapsonderwijs, en vervolgens de Raad van State, de in B.16.2 aangegeven controle kunnen uitoefenen) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 61, § 1, tweede lid, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 « betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs », gesteld door de Raad van State. Onderwijs - Vlaamse Gemeenschap - Gemeenschapsonderwijs - Tuchtstraffen - Procedure - Leerkracht levensbeschouwelijk onderricht Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 49/2025 van 20 maart 2025 Rolnummer : 8210 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 61, § 1, tweede lid, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 « betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 259.639 van 25 april 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 mei 2024, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 61, § 1, tweede lid, van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 de artikelen 10 en 24, § 4, van de Grondwet doordat voor het opleggen van een tuchtmaatregel ten aanzien van de leraar levensbeschouwelijk onderricht de instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer is vereist, terwijl voor de andere personeelsleden een instemming van een andere instantie niet is vereist en terwijl in het voormelde artikel 61, § 1, tweede lid, geen onderscheid wordt gemaakt tussen inbreuken op de ambtsplichten die een rechtstreeks verband vertonen met het levensbeschouwelijk vak en die welke niet zo een rechtstreeks verband vertonen? ». De Vlaamse Regering en de Vlaamse Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bart Staelens en mr. Joost Hoste, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen, hebben een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 11 december 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 5 juli 2022 legt de raad van bestuur van de scholengroep « Waasland van het Gemeenschapsonderwijs » aan een vastbenoemde leerkracht islamitische godsdienst in een van de onderwijsinrichtingen van die scholengroep, de tuchtstraf « schorsing voor één maand » op wegens bepaalde uitlatingen die hij tegenover zijn leerlingen over een door de betrokken onderwijsinrichting georganiseerde actie heeft gedaan. Met betrekking tot het standpunt van de bevoegde instantie voor islamitische godsdienst over de op te leggen tuchtstraf, dat conform artikel 61, § 1, tweede lid, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 « betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs » (hierna : het Rechtspositiedecreet) werd ingewonnen, wordt in de tuchtbeslissing vermeld dat de « vzw Centrum Islamonderwijs [...] aangaf dat de handelwijze van [de betrokken leerkracht] inderdaad niet door de beugel kon, zij het dat de vzw pleit voor een alternatieve aanpak en geen sanctie ». Op beroep van de betrokken leerkracht vernietigt de kamer van beroep van het Gemeenschapsonderwijs op 29 november 2022 de opgelegde tuchtstraf, aangezien de bevoegde instantie voor islamitische godsdienst, in weerwil van wat is vereist bij artikel 61, § 1, tweede lid, van het Rechtspositiedecreet, haar instemming met die tuchtstraf niet heeft verleend. Tegen de beslissing van de kamer van beroep stelt de betrokken scholengroep een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. De betrokken scholengroep voert aan dat artikel 61, § 1, tweede lid, van het Rechtspositiedecreet, waarop de beslissing van de kamer van beroep steunt, strijdig is met de artikelen 10 en 24, § 4, van de Grondwet, aangezien enkel het opleggen van een tuchtstraf aan een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht onderworpen is aan een vetorecht van een derde instantie, hoewel de ambtsplichten voor alle personeelsleden gelijk zijn. Op verzoek van de betrokken scholengroep stelt de Raad van State de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.

  1. De Vlaamse Regering verzoekt het Hof vooreerst om het onderzoek van de prejudiciële vraag te beperken tot de situatie die aan de orde is in het bodemgeschil, namelijk een inbreuk op ambtsplichten die een rechtstreeks verband vertonen met het levensbeschouwelijk vak. De situatie waarbij er een inbreuk werd begaan op ambtsplichten die geen rechtstreeks verband met het levensbeschouwelijk vak vertonen, moet het Hof volgens de Vlaamse Regering niet onderzoeken. A.
  2. De Vlaamse Regering merkt vervolgens op dat de in het geding zijnde bepaling voortbouwt op artikel 21 van de Grondwet, naar luid waarvan de Staat niet het recht heeft zich te bemoeien met de benoeming of 3 de installatie van de bedienaren van een eredienst. Die waarborg is ook van toepassing op regelingen inzake tucht. De Vlaamse Regering verwijst naar het arrest van het Hof nr. 45/2017 van 27 april 2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.045), waarin het Hof heeft geoordeeld dat er een pertinent onderscheid bestaat tussen inspecteurs van levensbeschouwelijke vakken en inspecteurs van andere vakken. Een leerkracht van een levensbeschouwelijk vak heeft dan ook, net als een inspecteur van een levensbeschouwelijk vak, een hybride statuut. Dat statuut impliceert dat de bevoegde instantie van de eredienst een rol moet spelen in de tuchtrechtelijke vervolging van een leerkracht die die eredienst onderricht, omdat het, op grond van de in de prejudiciële vraag vermelde toetsingsnormen, aan die instantie toekomt om te bepalen wat die eredienst inhoudt. Louter in ondergeschikte orde merkt de Vlaamse Regering nog op dat het daarbij niet relevant is of er tussen de inbreuk en het levensbeschouwelijk vak al dan niet een rechtstreeks verband bestaat, daar reeds het nagaan van een dergelijk verband een inmenging inhoudt in de vrijheid van eredienst. De in het geding zijnde bepaling is dan ook, in de interpretatie die in de prejudiciële vraag eraan wordt gegeven, bestaanbaar met de voormelde toetsingsnormen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.
  3. Artikel 61, § 1, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 « betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs » (hierna : het Rechtspositiedecreet) bepaalt : « In geval van tekortkoming aan hun plichten kunnen de personeelsleden één van de volgende sancties oplopen : 1° de blaam; 2° de afhouding van de wedde; 3° de schorsing bij tuchtmaatregel; 4° de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel; 5° de terugkeer tot de tijdelijke aanstelling voor het personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt, de terugzetting in rang voor het personeelslid dat vast benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt of het uitstel van vaste benoeming voor een bepaalde duur van het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur. De terugzetting in rang is niet van toepassing op de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst; 6° het ontslag. Naargelang de aard van de redenen waarom een ontslag gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen; 7° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom de afzetting gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen. 4 Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer ». B.1.
  4. De ambtsplichten van de personeelsleden zijn opgenomen in de artikelen 6 tot 11 van het Rechtspositiedecreet, die samen met artikel 12 deel uitmaken van hoofdstuk II (« Plichten ») van dat decreet. De artikelen 7 en 9 van dat decreet bepalen : « Art.
  5. De personeelsleden vervullen de taken die hun worden opgedragen, persoonlijk en nauwgezet, met inachtneming van de verplichtingen die hun door of krachtens de wet of het decreet of bij dienstorder zijn opgelegd. De personeelsleden respecteren daarbij de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder ». « Art.
  6. In de uitoefening van hun ambt moeten de personeelsleden de neutraliteit in acht nemen en aan het pedagogisch project van het gemeenschapsonderwijs gestalte geven. Zij mogen daarenboven hun gezag niet aanwenden voor politieke of commerciële doeleinden. De leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht moeten meewerken aan de realisatie van het pedagogisch project van het Gemeenschapsonderwijs en het schoolwerkplan ». B.1.
  7. Artikel 12 van het Rechtspositiedecreet regelt de gevolgen verbonden aan het niet naleven van de ambtsplichten van de personeelsleden en bepaalt : « Onverminderd de toepassing van de strafwetten wordt iedere overtreding door een vastbenoemd personeelslid en door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur van de in dit hoofdstuk vermelde bepalingen, al naar het geval, bestraft met een van de in artikel 61 bepaalde tuchtstraffen ». B.1.
  8. Krachtens artikel 62, § 1, van het Rechtspositiedecreet worden de tuchtstraffen uitgesproken door de raad van bestuur van de scholengroep waartoe de onderwijsinstelling waar het betrokken personeelslid werkzaam is, behoort. Die scholengroep oefent ook de functie uit van inrichtende macht. Het betrokken personeelslid kan tegen de door de raad van bestuur uitgesproken tuchtstraf administratief beroep aantekenen bij de kamer van beroep van het Gemeenschapsonderwijs, die de tuchtstraf kan bevestigen, vernietigen of een lichtere tuchtstraf kan uitspreken (artikel 71 van het Rechtspositiedecreet). 5 Ten gronde B.2.
  9. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 24, § 4, van de Grondwet, van artikel 61, § 1, tweede lid, van het Rechtspositiedecreet, doordat die bepaling het opleggen van een tuchtmaatregel aan een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht in een instelling van het Gemeenschapsonderwijs afhankelijk stelt van de instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of van de niet-confessionele zedenleer, terwijl voor het opleggen van een tuchtmaatregel aan de andere personeelsleden een instemming van een derde instantie niet is vereist, en terwijl die bepaling geen onderscheid maakt tussen inbreuken op de ambtsplichten die een rechtstreeks verband vertonen met het levensbeschouwelijk vak en die welke niet zo een rechtstreeks verband vertonen. B.2.
  10. Rekening houdend met de feiten van de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege en met de wijze waarop de prejudiciële vraag is geformuleerd, wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over het verschil in behandeling dat de in het geding zijnde bepaling voor een schoolbestuur in het leven roept op het vlak van de procedure inzake tuchtstraffen in het Gemeenschapsonderwijs, naargelang dat schoolbestuur een tuchtstraf overweegt ten aanzien van een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, dan wel ten aanzien van een leerkracht van een ander vak. B.3.
  11. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 24, § 4, van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in onderwijszaken. B.3.
  12. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende 6 beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  13. Voor het onderzoek van de prejudiciële vraag dient tevens te worden gewezen op de artikelen 19, 21 en 24, §§ 1 en 3, van de Grondwet. B.5.
  14. Artikel 19 van de Grondwet waarborgt de vrijheid van eredienst en de vrije openbare uitoefening ervan. Krachtens artikel 21, eerste lid, van de Grondwet mag de Staat zich niet bemoeien met de benoeming of de installatie van de bedienaren van een eredienst, noch hun verbieden briefwisseling te houden met hun overheid of hun akten openbaar te maken. De in artikel 21, eerste lid, van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van eredienst erkent de organisatorische autonomie van de geloofsgemeenschappen. Elke godsdienst is vrij zijn eigen organisatie in te richten waarin de Staat in beginsel niet vermag tussen te komen. B.5.
  15. De organisatorische autonomie van de geloofsgemeenschappen is niet absoluut en kan aan beperkingen worden onderworpen. Bovendien kan de naleving ervan variëren naargelang van de omstandigheden en het tijdperk, maar ook in het licht van de bijzondere kenmerken van de aangelegenheid waarop die van toepassing is. De naleving van de autonomie van de geloofsgemeenschappen past in een bepaalde juridische staatsordening en valt bijgevolg onder de naleving en de perken van het door de Staat vastgestelde juridische kader : er bestaat immers « in de praktijk van de Europese Staten, een grote verscheidenheid aan grondwettelijke modellen die de betrekkingen tussen de Staat en de erediensten regelen » (EHRM, grote kamer, 9 juli 2013, Sindicatul « Pǎstorul cel Bun » t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2013:0709JUD000é009, § 138; grote kamer, 12 juni 2014, Fernández Martínez t. Spanje, ECLI:CE:ECHR:2014:0612JUD005603007, § 130). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kent aan de Staten overigens een ruime beoordelingsmarge toe « wanneer de Staat een afweging dient te maken tussen tegenstrijdige privé- en overheidsbelangen of tussen verschillende door de Grondwet beschermde rechten » (EHRM, 23 september 2010, Obst t. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:2010:0923JUD000042503, § 42). 7 B.6.
  16. Artikel 24, § 1, eerste lid, van de Grondwet waarborgt de vrijheid van onderwijs. De vrijheid van onderwijs impliceert in beginsel de vrijheid voor de inrichtende macht om het pedagogisch project van het onderwijs te bepalen, het personeel te kiezen dat wordt tewerkgesteld met het oog op de verwezenlijking van de eigen onderwijsdoelstellingen, alsook het recht van inrichtende machten en schoolbesturen om het tuchtrecht toe te passen. B.6.
  17. Krachtens artikel 24, § 1, tweede lid, van de Grondwet moeten de gemeenschappen de keuzevrijheid van de ouders waarborgen. B.6.
  18. Artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet verplicht de gemeenschappen ertoe om neutraal onderwijs in te richten. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen. Daartoe legt artikel 24, § 1, vierde lid, van de Grondwet de openbare besturen die scholen inrichten de verplichting op om de keuze te bieden tussen het onderricht in een van de erkende godsdiensten en dat in de niet-confessionele zedenleer. Met de in artikel 24, § 1, vierde lid, bepaalde verplichting heeft de Grondwetgever aan de ouders en de leerlingen een fundamenteel recht toegekend, dat voor de overheid die onderwijs inricht de verplichting inhoudt om met name cursussen godsdienst in te richten. Wanneer de decreetgever die cursussen godsdienst inricht, is hij, met toepassing van artikel 21, eerste lid, van de Grondwet, verplicht de autonomie van de geloofsgemeenschappen te eerbiedigen. B.6.
  19. Volgens artikel 24, § 3, van de Grondwet heeft ieder recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden, is de toegang tot het onderwijs kosteloos tot het einde van de leerplicht en hebben alle leerlingen die leerplichtig zijn, ten laste van de gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding. Het door artikel 24, § 3, van de Grondwet gewaarborgde « recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden » brengt voor de bevoegde overheden, waaronder de decreetgever, en voor de inrichtende machten van onderwijs een positieve verplichting met zich mee om het onderwijs op dusdanige wijze te organiseren dat de fundamentele rechten en vrijheden van eenieder worden geëerbiedigd. 8 B.
  20. De in het geding zijnde bepaling houdt in dat de raad van bestuur van een scholengroep aan een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht die tewerkgesteld is in een instelling van het Gemeenschapsonderwijs die tot die scholengroep behoort, enkel een tuchtstraf kan opleggen met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. B.
  21. Het vereiste van de instemming van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer met de tuchtstraf past in een geheel van bepalingen van het Rechtspositiedecreet die voorzien in verschillende vormen van tussenkomst van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer in het kader van de beroepsloopbaan van de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht. Zo kunnen de leerkrachten van levensbeschouwelijke vakken enkel worden aangesteld of vast benoemd op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer (artikel 17, § 5, en artikel 37, § 1, tweede lid, van het Rechtspositiedecreet). Voor de affectatie of de mutatie van een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht is de instemming vereist van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer (artikel 31, § 2, van het Rechtspositiedecreet). De functiebeschrijving van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet- confessionele zedenleer (artikel 73ter, § 8, van het Rechtspositiedecreet). De bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten een bijdrage leveren tot de evaluatie van de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht (artikel 73decies, § 3, van het Rechtspositiedecreet). De tijdelijk aangestelde en de vastbenoemde leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht worden zonder opzegging ontslagen vanaf het ogenblik waarop de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer aan de opdracht van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht een einde maakt (artikel 86, 9°, van het Rechtspositiedecreet). Ten slotte zijn de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht onderworpen aan een eigen decretale inspectieregeling, waarin een belangrijke rol is toebedeeld aan de erkende godsdiensten en de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap (artikel 6, § 1, van het decreet van 1 december 1993 « betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken »). 9 B.9.
  22. De tussenkomst van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer in het kader van de beroepsloopbaan van de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht, gaat onder meer terug op artikel 9, eerste lid, van de wet van 29 mei 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving » (de zogeheten Schoolpactwet), dat voorzag in de tussenkomst van het hoofd van de eredienst bij de benoeming van een leerkracht godsdienst in een inrichting van het officieel onderwijs. B.9.
  23. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de Schoolpactwet werd opgemerkt dat het voormelde artikel 9 « er zich toe [beperkte] de bestaande wetgeving aan te passen aan de nieuwe vereisten die voortspruiten uit de [Schoolpactwet] » (Parl. St., Kamer, 1958-1959, nr. 199/1, p. 11); dat artikel 9 nam met betrekking tot de benoeming van een leerkracht godsdienst in een instelling van het officieel onderwijs de vroegere regeling over die « een dubbele instemming [impliceert] : die van de inrichtende macht en die van de hoofden of de vertegenwoordigers van de betrokken erediensten » (ibid., p. 12). Artikel 9, eerste lid, van de Schoolpactwet nam aldus de tekst over die was opgenomen in artikel 7, eerste lid, van de wet van 27 juli 1955 « houdende regelen inzake inrichting van het onderwijs van de Staat, de provincies en de gemeenten, en inzake subsidiëring door de Staat van inrichtingen voor middelbaar, normaal- en technisch onderwijs » (hierna : de wet van 27 juli 1955), dat artikel 8, eerste lid, van de gecoördineerde wetten van 30 april 1957 op het normaalonderwijs en artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten van 30 april 1957 op het middelbaar onderwijs is geworden. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 juli 1955 werd met betrekking tot artikel 7, eerste lid, uiteengezet : « De benoeming van de godsdienstleraars die door de Minister van Openbaar Onderwijs worden benoemd, op de voordracht van de hoofden van de erediensten is normaal, aangezien die personen deel uitmaken van het onderwijzend personeel en hij in voorkomend geval kan verplicht zijn te hunnen opzichte tuchtmaatregelen te nemen » (Parl. St., Kamer, 1954-1955, nr. 217/22, p. 5). Aan een lid dat vroeg « waarom de godsdienstleraars niet meer door de kerkelijke overheid zullen worden benoemd zoals vroeger », heeft de minister geantwoord : 10 « Als principe geldt dat de leraars door de Koning worden benoemd. Dat bepaalt ook het ontwerp, met dien verstande dat de benoeming geschiedt op de voordracht en met instemming van de kerkelijke overheid. Staat en kerkelijke overheid zullen beide met tuchtmacht gewapend zijn, de ene uitsluitend om de wetten [te doen eerbiedigen], de andere [als werkgever] met de rechten die eruit voortvloeien » (ibid., p. 28). B.10.
  24. Door te bepalen dat, in de onderwijsinstellingen van de Vlaamse Gemeenschap, aan een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht enkel een tuchtstraf kan worden opgelegd met instemming van de bevoegde instantie van het betrokken godsdienst- of niet-confessioneel zedenleeronderwijs, gaat de in het geding zijnde bepaling uit van de zorg om de authenticiteit van het godsdienst- en het niet-confessioneel onderwijs te waarborgen door het de bevoegde instantie van de betrokken eredienst en van de niet-confessionele zedenleer mogelijk te maken om niet alleen tussen te komen in de aanstelling en de benoeming van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, maar ook om deel te nemen aan de tuchtrechtelijke vervolging van de betrokken leerkracht. Zij strekt bijgevolg ertoe de autonomie van de geloofsgemeenschappen te waarborgen bij het bepalen van de inhoud van het godsdienstonderwijs. De in het geding zijnde bepaling strekt aldus ertoe de eerbiediging te verzekeren van de organisatorische autonomie van de geloofsgemeenschappen, zijnde een doelstelling die, zoals werd vermeld in B.5.1, voortvloeit uit artikel 21, eerste lid, van de Grondwet. B.10.
  25. Hoewel de autonomie van de geloofsgemeenschappen de decreetgever ertoe heeft gebracht om in het Rechtspositiedecreet het beginsel over te nemen volgens hetwelk de bevoegde instantie van de eredienst en van de niet-confessionele zedenleer moet tussenkomen in de aanstelling in en het behoud van de functie van leerkracht levensbeschouwelijk onderricht in de onderwijsinstellingen van de Vlaamse Gemeenschap, heeft dit hem evenwel niet ertoe gebracht terug te komen op de keuze die reeds in de wet van 27 juli 1955 werd gemaakt om die functie niet volkomen over te laten aan het oordeel van de bevoegde instantie van de eredienst en van de niet-confessionele zedenleer. De beslissing tot aanstelling en benoeming en de beslissing tot het opleggen van een tuchtstraf aan een dergelijke leerkracht wordt immers genomen door de raad van bestuur van de scholengroep waartoe de onderwijsinstelling waar het betrokken personeelslid werkzaam is, behoort. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding die in B.9.2 is vermeld, geniet de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, 11 wegens zijn benoeming door de raad van bestuur van de scholengroep, eveneens het statuut van ambtenaar. Hij heeft bijgevolg een hybride statuut en ressorteert zowel onder de sfeer van de eredienst als onder het openbaar ambt. B.
  26. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht in de onderwijsinstellingen van de Vlaamse Gemeenschap zijn onderworpen aan een ander statuut dan dat van de leerkrachten van de andere vakken die in de onderwijsinstellingen van de Vlaamse Gemeenschap werkzaam zijn. Dat verschil vloeit voort uit de gezamenlijke tussenkomst van de scholengroep en van de bevoegde instantie van de eredienst of van de niet- confessionele zedenleer in de loopbaan van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht. B.
  27. Het door de in het geding zijnde bepaling op het vlak van de tuchtprocedure in het leven geroepen verschil in behandeling berust op een objectief en pertinent criterium, namelijk de aangelegenheid waarop het onderwijs van de leerkracht die het voorwerp van de tuchtsanctie uitmaakt, betrekking heeft, aangelegenheid die verantwoordt dat de bevoegde instantie van de eredienst en van de niet-confessionele zedenleer wordt betrokken bij de tuchtregeling van de leerkrachten die zij voor de aanstelling of de benoeming heeft voorgedragen. De omstandigheid dat, zoals in de formulering van de prejudiciële vraag wordt vermeld, de in het geding zijnde bepaling geen onderscheid maakt tussen inbreuken op de ambtsplichten die een rechtstreeks verband vertonen met het levensbeschouwelijk vak en die welke niet zo een rechtstreeks verband vertonen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Niet de aard van de ambtsplicht die wordt geschonden verklaart de tussenkomst van de bevoegde instantie van de eredienst en van de niet-confessionele zedenleer, wel het feit dat de tuchtrechtelijk vervolgde gelast is met het onderricht van een levensbeschouwing; dat onderricht vertoont, zoals blijkt uit B.5.1, een nauwe band met de uitoefening van die levensbeschouwing. B.
  28. Het Hof moet evenwel nog nagaan of de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen heeft ten aanzien van het nagestreefde doel. B.
  29. Zoals is vermeld in B.10.2, heeft de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht een hybride statuut en ressorteert hij zowel onder de sfeer van de eredienst als onder het openbaar ambt. Vanaf zijn aanstelling of benoeming wordt de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht een tijdelijk of vastbenoemd personeelslid onder het gezag van de directeur van de school 12 waarin hij is tewerkgesteld. De bevoegdheid om tuchtstraffen op te leggen aan haar personeel is een prerogatief van de onderwijsinstelling. Het Rechtspositiedecreet wijkt daarvan niet af, in zoverre artikel 62, § 1, erin voorziet dat de beslissing tot het opleggen van een tuchtstraf dient te worden genomen door de raad van bestuur van de scholengroep waar de betrokken leerkracht is tewerkgesteld. B.15.
  30. Indien de voorwaarde van de instemming van de bevoegde instantie van de eredienst of van de niet-confessionele zedenleer zo moet worden geïnterpreteerd dat zij aan die instanties een absoluut vetorecht toekent tegen een door de raad van bestuur voorgestelde tuchtstraf, zonder enige controle op de redenen die aan de weigering tot instemming ten grondslag liggen, heeft de in het geding zijnde bepaling gevolgen die verder reiken dan hetgeen de eerbiediging van de autonomie van de geloofsgemeenschappen vereist en die onevenredig zijn ten aanzien van het nagestreefde doel. B.15.
  31. Volgens de in B.1.2 aangehaalde artikelen 7 en 9 van het Rechtspositiedecreet behoort het, onder meer, tot de ambtsplichten van de personeelsleden van de onderwijsinstellingen om de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder, te eerbiedigen en om gestalte te geven, dan wel mee te werken, aan het pedagogisch project van de desbetreffende onderwijsinstelling. Volgens het in B.1.3 aangehaalde artikel 12 van dat decreet geeft de niet-naleving van die ambtsplichten door de personeelsleden aanleiding tot een bestraffing « met een van de in artikel 61 bepaalde tuchtstraffen ». B.15.
  32. Zoals is vermeld in B.6.4, brengt het door artikel 24, § 3, van de Grondwet gewaarborgde « recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden » voor de bevoegde overheden, waaronder de decreetgever, en voor de inrichtende machten van onderwijs een positieve verplichting met zich mee om het onderwijs op dusdanige wijze te organiseren dat de fundamentele rechten en vrijheden van eenieder worden geëerbiedigd. Die positieve verplichting kan voor de inrichtende machten van onderwijs onder meer met zich meebrengen dat bij de niet-naleving, door een leerkracht, van de ambtsplicht betreffende de eerbiediging van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder, de gepaste tuchtrechtelijke maatregelen worden genomen. B.15.
  33. Zoals is vermeld in B.6.1, houdt de door artikel 24, § 1, eerste lid, van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van onderwijs onder meer de vrijheid in voor de inrichtende 13 macht om het pedagogisch project van het onderwijs te bepalen. Die vrijheid houdt in beginsel ook de bevoegdheid in om de medewerking van de leerkrachten aan dat pedagogisch project te bewaken. Onder meer om die reden brengt de vrijheid van onderwijs eveneens de bevoegdheid voor de inrichtende machten en de schoolbesturen met zich mee om het tuchtrecht toe te passen ten aanzien van de personeelsleden van de desbetreffende onderwijsinstellingen. B.15.
  34. Indien de voorwaarde van de instemming van de bevoegde instantie van de eredienst of van de niet-confessionele zedenleer zo moet worden geïnterpreteerd dat zij aan die instanties een absoluut vetorecht toekent tegen een door de raad van bestuur voorgestelde tuchtstraf, zonder enige controle op de redenen die aan de weigering tot instemming ten grondslag liggen, kan zij die raad van bestuur derhalve verhinderen zijn uit artikel 24, § 3, van de Grondwet voorvloeiende positieve verplichting na te komen en kan zij derhalve afbreuk doen aan de bij artikel 24, § 1, eerste lid, van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van onderwijs en aan de daarvan deel uitmakende vrijheid van de inrichtende macht om het pedagogisch project van het onderwijs te bepalen en in dat kader te waken over de medewerking van de leerkrachten aan dat project. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 24, § 4, van de Grondwet. B.16.
  35. De in het geding zijnde bepaling kan evenwel ook anders worden geïnterpreteerd. Bij zijn arrest nr. 45/2017 van 27 april 2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.045) heeft het Hof namelijk geoordeeld dat de autonomie van de geloofsgemeenschappen niet eraan in de weg staat dat het tuchtorgaan, in eerste instantie, en de rechtscolleges, in tweede instantie, nagaan of de beslissing die de bevoegde instantie van de eredienst in het kader van haar tussenkomst in de tuchtprocedure neemt, behoorlijk is gemotiveerd, niet is aangetast door willekeur en niet is genomen met een oogmerk dat vreemd is aan de uitoefening van de autonomie van de betrokken geloofsgemeenschap. Bij het voormelde arrest diende het Hof zich uit te spreken over de afzetting van een inspecteur godsdienst die door de Franse Gemeenschap, op voordracht van het hoofd van de eredienst waartoe de inspecteur behoorde, in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs van die Gemeenschap was benoemd. Het hoofd van de eredienst verzocht de Franse 14 Gemeenschap om de betrokken inspecteur af te zetten, omdat hij niet langer diens vertrouwen genoot. Het Hof oordeelde dat de in die zaak in het geding zijnde bepaling, namelijk artikel 9, vierde lid, van de Schoolpactwet, zoals destijds van toepassing in de Franse Gemeenschap, in de interpretatie dat zij de hiervoor vermelde controle op de beslissing van de bevoegde instantie van de eredienst door de Franse Gemeenschap en, in voorkomend geval, door de Raad van State toeliet, verenigbaar was met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.16.
  36. Uit het voormelde arrest volgt derhalve dat de beslissing die de bevoegde instantie van de eredienst of van de niet-confessionele zedenleer in het kader van haar tussenkomst in de tuchtprocedure neemt, door het tuchtorgaan en, in voorkomend geval, de bevoegde rechter moet kunnen worden gecontroleerd. Wanneer de bevoegde instantie van de eredienst of van de niet-confessionele zedenleer haar instemming weigert met een door de raad van bestuur van de betrokken scholengroep voorgestelde tuchtstraf, beschikken de raad van bestuur en, in voorkomend geval, de kamer van beroep van het Gemeenschapsonderwijs en de Raad van State derhalve over de mogelijkheid om na te gaan of die beslissing behoorlijk is gemotiveerd, niet is aangetast door willekeur en niet is genomen met een oogmerk dat vreemd is aan de uitoefening van de autonomie van de betrokken geloofsgemeenschap. In geval van een inbreuk op een van de in B.1.2 vermelde ambtsplichten, moeten zij, in het kader van hun controle, een grondig onderzoek wijden aan de omstandigheden van de zaak en moeten zij een uitvoerige afweging maken van de tegenstrijdige in het geding zijnde belangen. In dat verband dient erop te worden gewezen dat niet elke daad of verklaring die door een godsdienst of levensbeschouwing is « beïnvloed of gemotiveerd », kan worden beschouwd als een « uiting » ervan in de zin van artikel 19 van de Grondwet en artikel 9, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 12 oktober 1978, Arrowsmith t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1978:1012REP000705075, § 71; 29 april 2002, Pretty t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2002:0429JUD000234602, § 82), en dat de vrijheid van eredienst met name niet kan worden aangewend om de waarden en de beginselen te ondergraven die aan de Grondwet en aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ten grondslag liggen (vgl. arrest nr. 203/2019 van 19 december 2019, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.203, B.48). 15 B.16.
  37. In de in B.16.2 vermelde interpretatie heeft de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen en is zij bestaanbaar met de artikelen 10 en 24, § 4, van de Grondwet. 16 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat voor het opleggen van een tuchtmaatregel ten aanzien van een leraar levensbeschouwelijk onderricht in een instelling van het Gemeenschapsonderwijs de instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer is vereist, zonder dat de raad van bestuur van de scholengroep en, in voorkomend geval, de kamer van beroep van het Gemeenschapsonderwijs, en vervolgens de Raad van State, controle kunnen uitoefenen op de beslissing van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer, schendt artikel 61, § 1, tweede lid, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 « betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs » de artikelen 10 en 24, § 4, van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat in zodanig geval de raad van bestuur van de scholengroep en, in voorkomend geval, de kamer van beroep van het Gemeenschapsonderwijs, en vervolgens de Raad van State, de in B.16.2 aangegeven controle kunnen uitoefenen, schendt artikel 61, § 1, tweede lid, van het voormelde decreet van 27 maart 1991 de artikelen 10 en 24, § 4, van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 maart
  38. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.049 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.045 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.203 ECLI:CE:ECHR:1978:1012REP000705075 ECLI:CE:ECHR:2002:0429JUD000234602 ECLI:CE:ECHR:2010:0923JUD000042503 ECLI:CE:ECHR:2013:0709JUD000 ECLI:CE:ECHR:2014:0612JUD005603007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.