id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.050 Arrest- Rolnummer: 50/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-31 Raadplegingen: 256 - laatst gezien 2026-06-14 19:33 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 3 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2024 « houdende diverse maatregelen betreffende het onderwijs » (wijziging van artikel 16, § 2, van het decreet van 11 april 2014 « tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs »), ingesteld door Damien Piret. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Bekwaamheidsbewijs - Leraar vrachtwagenchauffeur - Attest van slagen voor het door het Sociaal Fonds Transport en Logistiek georganiseerde sectorale bekwaamheidsexamen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 50/2025 van 20 maart 2025 Rolnummer : 8254 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 3 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2024 « houdende diverse maatregelen betreffende het onderwijs » (wijziging van artikel 16, § 2, van het decreet van 11 april 2014 « tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs »), ingesteld door Damien Piret. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 juni 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 juli 2024, heeft Damien Piret beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 3 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2024 « houdende diverse maatregelen betreffende het onderwijs » (wijziging van artikel 16, § 2, van het decreet van 11 april 2014 « tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs »), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 februari
- De Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Judith Merodio en mr. Laurane Feron, advocates bij de balie Luik-Hoei, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 29 januari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na 2 ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre artikel 3 van het decreet van 18 januari 2024 « houdende diverse maatregelen betreffende het onderwijs », enkel voor het ambt van leraar « vrachtwagenchauffeur », afwijkt van het in dat decreet verankerde algemene beginsel volgens hetwelk enkel de door de Franse Gemeenschap uitgereikte, erkende, gelijkgestelde of als gelijkwaardig beschouwde bekwaamheidsbewijzen kunnen worden toegelaten als bestanddelen van het bekwaamheidsbewijs dat toegang verleent tot de onderwijsambten. Volgens de verzoekende partij is er geen redelijke verantwoording voor het feit dat, inzake de vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot de ambten, de leerkrachten « vrachtwagenchauffeur » anders worden behandeld dan al hun collega’s. De verzoekende partij merkt in dat verband op dat de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling het voormelde verschil in behandeling geenszins verantwoordt. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de bestreden bepaling, ondanks de door de Franse Gemeenschapsregering vermelde verscheidenheid aan situaties waarin leerkrachten zich bevinden, een uitzondering vormt op een algemeen beginsel, dat van toepassing is op heel het onderwijzend personeel, en volgens hetwelk de bekwaamheidsbewijzen moeten worden uitgereikt na door de overheid georganiseerde en geldig verklaarde opleidingen. Hoewel het juist is dat er eveneens een uitzondering bestaat voor de ambten van « moderne talen », waarvoor de getuigschriften van slagen voor taaltesten uitgereikt door Belgische of internationale organisaties worden toegelaten, neemt dat niet weg dat de Regering de lijst van die organisaties en het vereiste slaagniveau onder verwijzing naar het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader moet bepalen, hetgeen niet het geval is voor het ambt van « vrachtwagenchauffeur ». A.1.
- De verzoekende partij voert eveneens aan dat de bestreden bepaling ertoe strekt voor de toekomst tegemoet te komen aan de bezwaren die zij heeft geformuleerd naar aanleiding van haar verschillende beroepen voor de Raad van State, teneinde een decretale grondslag te verlenen aan de vereiste geslaagd te zijn voor het door het Sociaal Fonds Transport en Logistiek (hierna : het SFTL) georganiseerde sectorale bekwaamheidsexamen, zodat de door de decreetgever nagestreefde doelstelling niet legitiem is. A.1.
- Wat het SFTL betreft, voegt de verzoekende partij eraan toe dat het gaat om een fonds voor bestaanszekerheid dat is bestemd voor de arbeiders van de transport- en logistieke sector, dat wordt gefinancierd via werkgeversbijdragen en gezamenlijk wordt beheerd door de representatieve werkgevers- en vakbondsorganisaties uit die sector. In het kader van zijn opdrachten stelt het SFTL vrachtwagens ter beschikking van onderwijsinstellingen, als tegenprestatie voor kwaliteitsvol onderwijs, met toepassing van een in 2017 met het Algemeen Bestuur Onderwijs van de Franse Gemeenschap ondertekend convenant. Met toepassing van dat convenant kan een vergoeding worden uitbetaald aan de leraars die zorgen voor het onderhoud, de technische controle en de herstelling van de voertuigen, met name door het slagen voor een bekwaamheidsproef die wordt afgelegd voor een vertegenwoordiger van het SFTL en een delegatie van het lerarenkorps van de betrokken schoolinrichting. Dat convenant schrijft a contrario niet voor dat het slagen voor die proef geldt als bekwaamheidsbewijs dat toegang verleent tot het ambt van leerkracht. De hoedanigheid van aangestelde of benoemde leerkracht is in werkelijkheid een voorafgaande voorwaarde om voor die proef te slagen en staat volledig los ervan. De bekwaamheid van de leerkracht blijkt uit zijn bekwaamheidsbewijzen en geenszins uit het 3 slagen voor de voormelde proef, zodat er geen enkele reden bestaat om die proef op te leggen als een bestanddeel van het bekwaamheidsbewijs dat toegang verleent tot het ambt van leraar « vrachtwagenchauffeur ». Wat betreft het nieuwe convenant, dat in 2023 is ondertekend en waarop door de Franse Gemeenschapsregering de aandacht is gevestigd, stelt de verzoekende partij vast dat daarin het slagen voor het door het SFTL georganiseerde sectorale bekwaamheidsexamen wordt opgelegd om het ambt van leraar « vrachtwagenchauffeur » te kunnen uitoefenen, hetgeen onwettig en in strijd met het besluit van 5 juni 2014 « betreffende de ambten, bekwaamheidsbewijzen en barema’s tot uitvoering van de artikelen 7, 16, 50 en 263 van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs » (hierna: het besluit van 5 juni 2014) blijkt te zijn. De verzoekende partij voert overigens aan dat dat nieuwe convenant niet werd ondertekend door de bevoegde overheid. A.1.
- De verzoekende partij voegt eraan toe dat de Franse Gemeenschap het sectorale bekwaamheidsexamen niet heeft gecontroleerd om na te gaan of het voldeed aan de vereisten die worden opgelegd voor alle proeven tot het behalen van een getuigschrift die toegang verlenen tot de vereiste bekwaamheidsbewijzen om een betrekking in het onderwijs uit te oefenen. Zij beklemtoont in dat verband dat de examenprocedure waarin het voormelde convenant voorziet, niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een decretale of reglementaire geldigverklaring of erkenning. Er is overigens in geen enkele controle van het verloop van dat examen voorzien. Dat examen biedt dus niet de waarborgen die de door de Franse Gemeenschap erkende of gelijkgestelde proeven tot het behalen van een getuigschrift bieden. De door de Franse Gemeenschapsregering aangehaalde omstandigheid dat de bestreden bepaling zou worden verantwoord door de specifieke kenmerken van het door de leraars « vrachtwagenchauffeur » gebruikte materieel, blijkt niet pertinent, aangezien andere categorieën van leerkrachten ook ertoe worden gebracht soortgelijk materieel te gebruiken, zoals leraars « buschauffeur » en leraars « digitale besturing ». De bestreden bepaling kan overigens evenmin worden verantwoord door het bestaan van een convenant, aangezien de overheid niet gebonden kan zijn door een private overeenkomst die haar specifieke aanwervingsregels oplegt en die bepalend zou zijn voor de continuïteit van de openbare dienst. A.1.
- De verzoekende partij beklemtoont eveneens dat in beginsel niets de schoolinrichtingen verbiedt om hun onderwijs voor « vrachtwagenchauffeur » te verstrekken door gebruik te maken van andere voertuigen en andere middelen dan die welke het SFTL ter beschikking stelt. Zij stelt bovendien dat het SFTL het correcte gebruik van het aan de scholen ter beschikking gestelde materieel ook kan controleren via de cycli van voortgezette opleidingen. Wat de samenstelling van de examencommissie voor het sectorale bekwaamheidsexamen betreft, merkt de verzoekende partij op dat die commissie met name bestaat uit collega’s van de kandidaat, hetgeen het bijzondere karakter van de proef beklemtoont, terwijl een vereist bekwaamheidsbewijs een algemene strekking moet hebben en de leerkracht moet toelaten om zijn ambt overal in de Franse Gemeenschap uit te oefenen. De verzoekende partij wijst bovendien met nadruk op het vage karakter van de evaluatiecriteria, die noch worden bekendgemaakt, noch ter kennis van de kandidaat worden gebracht. A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering preciseert vooraf dat een nieuw convenant werd ondertekend in 2023 tussen het SFTL, de Franse Gemeenschap, de drie federaties van inrichtende machten en Wallonie-Bruxelles Enseignement. Dat convenant bepaalt voortaan dat de terbeschikkingstelling van voertuigen aan leraars « vrachtwagenchauffeur » afhankelijk wordt gesteld van het slagen voor het sectorale bekwaamheidsexamen. De Franse Gemeenschapsregering beweert dat de overwegingen van de verzoekende partij over de wettigheid van dat convenant noch pertinent, noch ontvankelijk zijn in het kader van de procedure voor het Hof. Zij voegt eveneens eraan toe dat het voormelde besluit van 5 juni 2014 werd gewijzigd na de aanneming van de bestreden bepaling, maar dat het het attest van slagen voor het door het SFTL georganiseerde sectorale bekwaamheidsexamen niet heeft toegevoegd aan de lijst van bekwaamheidsbewijzen om het ambt van leraar « vrachtwagenchauffeur » uit te oefenen. Zij voert eveneens aan dat de Franse Gemeenschap het voormelde convenant vrij en ongedwongen heeft gesloten. A.2.
- Wat het enige middel betreft, stelt de Franse Gemeenschapsregering in hoofdorde dat de beoogde categorieën van personen zich in objectief verschillende situaties bevinden en dat zij niet op dezelfde manier kunnen worden behandeld. De Franse Gemeenschapsregering merkt in dat verband op dat de categorie die bestaat uit « alle leerkrachten », bijzonder moeilijk te omvatten is, aangezien zij een heterogeen geheel vormt. Die categorie is in werkelijkheid dermate vaag dat de vergelijking niet pertinent blijkt te zijn. De Franse Gemeenschapsregering beweert hoe dan ook dat de situatie van de leraars « vrachtwagenchauffeur » niet kan worden vergeleken met die van de andere leerkrachten, aangezien zij dagelijks ertoe worden gebracht met 4 breekbaar materieel van het SFTL te werken, in tegenstelling tot hun collega’s. De Franse Gemeenschapsregering merkt eveneens op dat er voor de ambten van « moderne talen » een uitzondering bestaat die soortgelijk is aan die waarin de bestreden bepaling voorziet. A.2.
- In ondergeschikte orde voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Zij merkt allereerst op dat dat verschil berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk de aard van het verstrekte onderwijs en het soort van materieel dat daarbij wordt gebruikt. Dat materieel blijkt immers breekbaar en duur te zijn. De Franse Gemeenschapsregering beweert bovendien dat de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen, die van budgettaire en organisatorische aard zijn, legitiem zijn. Het slagen voor het examen van het SFTL is overigens noodzakelijk om het goede gebruik en de beheersing te waarborgen van de lesvoertuigen die ter beschikking worden gesteld van de scholen die de optie « vrachtwagenchauffeur » organiseren. De Franse Gemeenschapsregering preciseert in dat verband dat de betrokken school verantwoordelijk is voor het onderhoud en de herstelling van de voertuigen, met dien verstande dat de kosten ten laste van het SFTL zijn. Zij voegt eraan toe dat het examen van het SFTL is afgebakend en berust op objectieve criteria, zoals blijkt uit het voormelde convenant. Het gaat dus om een objectieve en pertinente evaluatie van de bekwaamheid van de kandidaat-leraars « vrachtwagenchauffeur ». A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering beweert bovendien dat de bestreden bepaling geenszins werd aangenomen als reactie op de procedures die de verzoekende partij heeft ingesteld voor de Raad van State, waarin die partij trouwens tegenover Wallonie-Bruxelles Enseignement en niet tegenover de Franse Gemeenschap staat. A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering merkt ten slotte op dat de bekwaamheidsbewijzen die noodzakelijk zijn om het ambt van leraar « vrachtwagenchauffeur » uit te oefenen, zullen worden beoordeeld op het ogenblik dat de bestreden machtiging ten uitvoer wordt gelegd en dat de Regering de pertinentie en de objectiviteit van het proces voor de afgifte van het SFTL-attest daarbij zal onderzoeken in het kader van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de draagwijdte ervan B.1.
- Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op artikel 3 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2024 « houdende diverse maatregelen betreffende het onderwijs » (hierna : het decreet van 18 januari 2024). Die bepaling wijzigt artikel 16, § 2, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 11 april 2014 « tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs » (hierna : het decreet van 11 april 2014). B.1.
- Het decreet van 11 april 2014 voert een hervorming door « die al meer dan 40 jaar werd aangekondigd », die de invoering met zich meebrengt « van een eenvormige regeling van bekwaamheidsbewijzen en ambten waarbij de voorrang wordt gegarandeerd aan de vereiste bekwaamheidsbewijzen boven de voldoende bekwaamheidsbewijzen en de invoering van een regeling van schaarstebekwaamheidsbewijzen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2013-2014, nr. 632/1, p. 9). 5 B.1.
- Met toepassing van artikel 15 van het decreet van 11 april 2014 bieden verschillende bekwaamheidsbewijzen de mogelijkheid om ambten uit te oefenen in de in datzelfde decreet beoogde inrichtingen en personeelscategorieën (eerste lid). Die bekwaamheidsbewijzen worden, behoudens uitzondering, onderverdeeld in vier categorieën : de vereiste bekwaamheidsbewijzen, de voldoende bekwaamheidsbewijzen, de schaarstebekwaamheidsbewijzen en de andere bekwaamheidsbewijzen (tweede lid). B.1.
- Artikel 16, § 1, eerste lid, van het decreet van 11 april 2014 bepaalt : « De vereiste bekwaamheidsbewijzen, de voldoende bekwaamheidsbewijzen en de schaarstebekwaamheidsbewijzen worden voor elk ambt door de Regering vastgesteld, na advies van de Commissie. De besluiten die overeenkomstig dit artikel worden goedgekeurd, worden het Parlement ter bevestiging voorgelegd binnen de twaalf maanden volgend op de goedkeuring ervan. Als die bevestiging niet wordt verleend, houden ze op uitwerking te hebben bij het verstrijken van die termijn ». B.1.
- Vóór de wijziging ervan bij artikel 3 van het decreet van 18 januari 2024 bepaalde artikel 16, § 2, van het decreet van 11 april 2014 : « Met uitzondering van de categorie van andere bekwaamheidsbewijzen [kunnen alleen] de diploma’s, brevetten, getuigschriften of specialisaties die door de Franse Gemeenschap worden uitgereikt, of die gelijkwaardig zijn, die door de Franse Gemeenschap worden erkend of gelijkgesteld, […] worden toegelaten als bestanddeel van het bekwaamheidsbewijs. Voor de ambten van moderne talen kunnen bovendien in aanmerking komen als bestanddeel van het bekwaamheidsbewijs, de getuigschriften van slagen in taaltesten uitgereikt door de Belgische of internationale organisaties waarvan de regering de lijst bepaalt alsook het vereiste slaagniveau met verwijzing naar het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor de talen : leren, onderwijzen, evalueren ». B.1.
- De verschillende bekwaamheidsbewijzen waarvan de in het decreet van 11 april 2014 bedoelde personeelsleden houder moeten zijn, alsook de barema’s die eraan zijn verbonden, worden opgesomd in bijlage 2 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 5 juni 2014 « betreffende de ambten, bekwaamheidsbewijzen en barema’s tot uitvoering van de artikelen 7, 16, 50 en 263 van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs », overeenkomstig artikel 3 van dat besluit. 6 B.2.
- Artikel 3 van het decreet van 18 januari 2024 voegt een derde lid toe aan artikel 16, § 2, van het decreet van 11 april 2014, dat bepaalt : « Voor de functies van vrachtwagenchauffeur kan het slaagattest voor het sectorale bekwaamheidsexamen georganiseerd door het Sociaal Fonds Transport en Logistiek ook worden toegelaten als bestanddeel van het bekwaamheidsbewijs ». B.2.
- In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 18 januari 2024 wordt in dat verband vermeld : « Het onderhavige ontwerpdecreet voorziet […] in wijzigingen aan verschillende wetgevingen, met name teneinde : - het nieuwe tussen de schoolinrichtingen en het Sociaal Fonds Transport en Logistiek gesloten convenant toe te passen, dat voorziet in het verplicht slagen voor een door dat Fonds georganiseerd bekwaamheidsexamen. Om die vereiste neer te leggen in de regeling met betrekking tot de bekwaamheidsbewijzen, is het noodzakelijk om artikel 16 van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs te wijzigen teneinde een dergelijk attest van slagen voor het door het Sociaal Fonds Transport en Logistiek georganiseerde examen te kunnen opnemen in de regeling met betrekking tot de bekwaamheidsbewijzen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2023-2024, nr. 628/1, p. 8). En : « De in het onderhavige ontwerp vervatte bepalingen brengen enkel technische correcties aan en/of beogen tegemoet te komen aan de situatie van een zeer specifieke sector (de transport- en logistieke sector) waar het belangrijk was om rekening te kunnen houden met de materiële omstandigheden voor het organiseren van opleidingen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2023-2024, nr. 628/2, pp. 17 en 18). B.2.
- Het bijzonder convenant dat in 2023 is gesloten tussen het Fonds voor Bestaanszekerheid voor de ondernemingen die behoren tot de sector van het wegvervoer en de logistiek voor rekening van derden en tot de RSZ-categorie 083 – dat doorgaans wordt aangeduid als het « Sociaal Fonds Transport en Logistiek » (hierna : het SFTL) –, de drie federaties van inrichtende machten, de inrichtende macht « Wallonie-Bruxelles Enseignement » en het Algemeen Bestuur Onderwijs van de Franse Gemeenschap (hierna : het bijzonder convenant), heeft tot doel de samenwerking tussen de onderwijssector en de sector van het wegvervoer en de logistiek in het ambtsgebied van de Franse Gemeenschap zowel kwalitatief als kwantitatief te ondersteunen, te versterken en te verbeteren, met name door de 7 kwaliteit van de opleiding te vergroten en de bekwaamheid van de leerkrachten en leerlingen te ontwikkelen door materieel ter beschikking te stellen en het volgen van opleidingen (punt 3 van het bijzonder convenant). B.2.
- Het bijzonder convenant heeft betrekking op de leraars en leerlingen van de optie « vrachtwagenchauffeur » van het kwalificerend en beroepsonderwijs met volledig leerplan, alsook op de studenten die die opleiding volgen bij een instelling voor sociale promotie (punt 4 van het bijzonder convenant). Dat convenant preciseert dat de proeven die leiden tot het verkrijgen van het kwalificatiegetuigschrift voor de voormelde optie, worden georganiseerd overeenkomstig het decreet van 20 juli 2022 « betreffende het traject van kwalificerend onderwijs », het koninklijk besluit van 29 juni 1984 « betreffende de organisatie van het secundair onderwijs » en de van toepassing zijnde rondzendbrieven (punt 6.3.2, A, van het bijzonder convenant). Met toepassing van het bijzonder convenant stelt het SFTL opleidingsvoertuigen ter beschikking van de leraars van de optie « vrachtwagenchauffeur », op voorwaarde dat zij aantonen dat zij zijn geslaagd voor een door het SFTL georganiseerd sectoraal bekwaamheidsexamen, met dien verstande dat zij, indien zij niet zijn geslaagd voor dat examen, geen toegang hebben tot de opleidingsvoertuigen, tenzij de raad van bestuur van het SFTL een afwijking toestaat (punt 6.2.3 van het bijzonder convenant). Wanneer aan de voorwaarde is voldaan, bezorgt het SFTL het rollend materieel aan de leerkrachten van elke school die de voormelde optie organiseert en neemt het de kosten met betrekking tot de aankoop, het onderhoud en de terbeschikkingstelling van de voertuigen ten laste (punten 6.3.2, B, en 6.1.5, A, van het bijzonder convenant). Ten gronde B.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 16, § 2, derde lid, van het decreet van 11 april 2014, zoals ingevoegd bij artikel 3 van het decreet van 18 januari 2024, in zoverre die bepaling de Franse Gemeenschapsregering ertoe machtigt het attest van slagen voor het door het SFTL georganiseerde sectorale bekwaamheidsexamen toe te laten als bestanddeel van het bekwaamheidsbewijs voor de personen die het ambt van leraar « vrachtwagenchauffeur » 8 uitoefenen, terwijl, met betrekking tot de personen die andere onderwijsambten uitoefenen, alleen de diploma’s, brevetten, getuigschriften of specialisaties die door de Franse Gemeenschap worden uitgereikt, of die gelijkwaardig zijn, die door de Franse Gemeenschap worden erkend of gelijkgesteld, in beginsel kunnen worden toegelaten als bestanddeel van het bekwaamheidsbewijs. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.5.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de in het middel beoogde categorieën van personen zich in situaties bevinden die niet vergelijkbaar zijn wegens de specifieke kenmerken van het materieel dat wordt gebruikt door de personen die het ambt van vrachtwagenchauffeur uitoefenen, materieel dat toebehoort aan het SFTL en aan de onderwijsinstellingen wordt uitgeleend. B.5.
- Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. De bijzondere kenmerken van het ambt van leraar « vrachtwagenchauffeur », met name wat het in het kader van het onderwijs gebruikte materieel betreft, kunnen weliswaar een element zijn in de beoordeling van het verschil in behandeling, maar zij kunnen niet volstaan om tot niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. De in het enige middel beoogde categorieën van personen oefenen onderwijsambten uit waarvoor een bekwaamheidsbewijs in de zin van artikel 15 van het decreet van 11 april 2014 is vereist. Zij zijn dus voldoende vergelijkbaar ten aanzien van de bestreden maatregel, die betrekking heeft op de getuigschriften die kunnen worden toegelaten als bestanddeel van het voormelde bekwaamheidsbewijs. 9 B.6.
- Het bestreden verschil in behandeling berust op de aard van het uitgeoefende onderwijsambt. Het betreft een objectief criterium. B.6.
- Dat criterium is bovendien pertinent ten aanzien van de door de decreetgever nagestreefde legitieme doelstelling, die erin bestaat rekening te houden met de materiële bijzonderheden voor het organiseren van het onderwijs in het kader van het ambt van leraar « vrachtwagenchauffeur », zoals blijkt uit de in B.2.2 vermelde parlementaire voorbereiding. Dat ambt wordt immers gekenmerkt door een nauwe samenwerking met het SFTL, met name via een terbeschikkingstelling van het onderwijsmateriaal en een tenlasteneming van de kosten, die is geformaliseerd in het bijzonder convenant dat in B.2.3 en B.2.4 is omschreven. Wat betreft de grief van de verzoekende partij volgens welke dat convenant niet zou zijn ondertekend door de bevoegde overheid, dient te worden opgemerkt dat noch artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, noch enige grondwets- of wetsbepaling aan het Hof de bevoegdheid verlenen om uitspraak te doen over de geldigheidsvoorwaarden van een overeenkomst. B.7.
- Het Hof moet nog onderzoeken of de bestreden bepaling geen onevenredige gevolgen heeft voor de personen die het ambt van leraar « vrachtwagenchauffeur » uitoefenen. B.7.
- Allereerst is het in artikel 16, § 2, eerste lid, van het decreet van 11 april 2014 vervatte beginsel volgens hetwelk « alleen de diploma’s, brevetten, getuigschriften of specialisaties die door de Franse Gemeenschap worden uitgereikt, of die gelijkwaardig zijn, die door de Franse Gemeenschap worden erkend of gelijkgesteld, kunnen worden toegelaten als bestanddeel van het bekwaamheidsbewijs », niet absoluut. De decreetgever heeft een bijzondere regeling willen vastleggen met betrekking tot de bestanddelen van het bekwaamheidsbewijs voor bepaalde onderwijsambten. Dat is het geval voor de ambten van moderne talen, met toepassing van artikel 16, § 2, tweede lid, van het decreet van 11 april
- B.7.
- Voorts verplicht geen enkele decretale of reglementaire bepaling de scholen die de optie « vrachtwagenchauffeur » organiseren, om samen te werken met het SFTL. 10 Het bijzonder convenant is enkel van toepassing in het geval van een dergelijke samenwerking. B.7.
- Bovendien legt de bestreden bepaling op zich geen nieuw bestanddeel van het bekwaamheidsbewijs voor dat ambt vast. Zij beperkt zich ertoe de Franse Gemeenschapsregering ertoe te machtigen te bepalen of, en in voorkomend geval onder welke voorwaarden, het attest van slagen voor het door het SFTL georganiseerde sectorale bekwaamheidsexamen kan worden toegelaten als bestanddeel van dat bekwaamheidsbewijs. Die machtiging werd nog niet ten uitvoer gelegd, zodat het verkrijgen van het voormelde attest niet kan worden opgelegd als bestanddeel van het bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leraar « vrachtwagenchauffeur ». B.7.
- Wanneer een wetgever een machtiging verleent, moet worden aangenomen, behoudens aanwijzingen in de tegenovergestelde zin, dat hij de gemachtigde enkel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden op een wijze die bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Voor het overige verlenen noch artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, noch enige grondwettelijke of wettelijke bepaling het Hof de bevoegdheid om uitspraak te doen over de wijze waarop de Franse Gemeenschapsregering de haar door de decreetgever toegekende bevoegdheden al dan niet heeft uitgeoefend. Het staat aan de gewone rechter en aan de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, om, in voorkomend geval, de wijze waarop de bestreden machtiging ten uitvoer is gelegd, te controleren en daarbij na te gaan of zij geen onevenredige gevolgen heeft voor de personen die het ambt van vrachtwagenchauffeur uitoefenen. B.
- Het enige middel is niet gegrond. 11 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 maart
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.050 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div