id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.054 Arrest- Rolnummer: 54/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-04-14 Raadplegingen: 802 - laatst gezien 2026-06-19 00:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1. Schending (artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967, in zoverre het, voor de berekening van hun rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, voorziet in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op de geïndexeerde bezoldiging van bepaalde werknemers van de overheidssector) 2. De eerste, de tweede, de vijfde, de zesde, de zevende en de achtste prejudiciële vraag behoeven geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 4, § 1, tweede en derde lid, en 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Namen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Arbeidsongevallen - Overheidssector - Kleine blijvende arbeidsongeschiktheden - Renten - Berekening - Referentiebezoldigingen - Indexering Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 54/2025 van 3 april 2025 Rolnummer : 8169 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 4, § 1, tweede en derde lid, en 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 21 februari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 februari 2024, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Vraag nr. 1 : indien geen loskoppeling van de index - identiek maximumbedrag voor de statutaire/contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 en de andere [statutaire]/contractuele personeelsleden van de overheidssector - artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 280 van 30 maart 1984, bij gebrek aan een mechanisme van loskoppeling van de index dat van toepassing is op de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, 2 - in zoverre het hetzelfde maximumbedrag inzake bezoldiging toepast op, enerzijds, de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 en, anderzijds, de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in de koninklijke besluiten van 24 januari 1969 en van 12 juni 1970; - terwijl die twee categorieën zich van elkaar onderscheiden in zoverre de eerstgenoemden geen enkel mechanisme van loskoppeling van de index van de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente die de gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval vergoedt, toegepast zien, in tegenstelling tot de laatstgenoemden ? ’. Vraag nr. 2 : indien geen loskoppeling van de index - identiek maximumbedrag voor de statutaire/contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 en de andere statutaire/contractuele personeelsleden van de overheidssector - artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 280 van 30 maart 1984, bij gebrek aan een mechanisme van loskoppeling van de index dat van toepassing is op de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het geen enkele verplichting voor de Koning bevat om het in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 vervatte maximumbedrag te indexeren, ten aanzien van zowel, enerzijds, de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 als, anderzijds, de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in de koninklijke besluiten van 24 januari 1969 en van 12 juni 1970; - terwijl die twee categorieën zich van elkaar onderscheiden in zoverre de eerstgenoemden geen enkel mechanisme van loskoppeling van de index van de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente die de gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval vergoedt, toegepast zien, in tegenstelling tot de laatstgenoemden ? ’. Vraag nr. 3 : indien geen loskoppeling van de index - verschillend maximumbedrag overheidssector/privésector voor de werknemers of personeelsleden die zijn getroffen door eenzelfde ongeschiktheid - artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 280 van 30 maart 1984, bij gebrek aan een mechanisme van loskoppeling van de index dat van toepassing is op de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het een niet-geïndexeerd vast maximumbedrag toepast op de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970; 3 - terwijl de in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde werknemers, bij een gelijke blijvende ongeschiktheid, het in artikel 39 van die wet bedoelde geïndexeerde maximumbedrag toegepast zien ? ’. Vraag nr. 4 : indien geen loskoppeling van de index - verschillend maximumbedrag overheidssector/privésector voor de werknemers of personeelsleden die zijn getroffen door eenzelfde ongeschiktheid - artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 280 van 30 maart 1984, bij gebrek aan een mechanisme van loskoppeling van de index dat van toepassing is op de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het geen enkele verplichting voor de Koning bevat om het in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 vervatte maximumbedrag te indexeren, al was het maar ten aanzien van de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970; - terwijl de in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde werknemers, bij een gelijke blijvende ongeschiktheid, het in artikel 39 van die wet bedoelde geïndexeerde maximumbedrag toegepast zien ? ’. Vraag nr. 5 : indien geen loskoppeling van de index - verschillend maximumbedrag overheidssector/privésector voor de contractuele personeelsleden die zijn getroffen door eenzelfde ongeschiktheid - artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 280 van 30 maart 1984, bij gebrek aan een mechanisme van loskoppeling van de index dat van toepassing is op de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het een niet-geïndexeerd vast maximumbedrag toepast op de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970; - terwijl de in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde werknemers, bij een gelijke blijvende ongeschiktheid, het in artikel 39 van die wet bedoelde geïndexeerde maximumbedrag toegepast zien ? ’. Vraag nr. 6 : indien geen loskoppeling van de index - verschillend maximumbedrag overheidssector/privésector voor de contractuele personeelsleden die zijn getroffen door eenzelfde ongeschiktheid - artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit 4 nr. 280 van 30 maart 1984, bij gebrek aan een mechanisme van loskoppeling van de index dat van toepassing is op de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het geen enkele verplichting voor de Koning bevat om het in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 vervatte maximumbedrag te indexeren, al was het maar ten aanzien van de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970; - terwijl de in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde werknemers, bij een gelijke blijvende ongeschiktheid, het in artikel 39 van die wet bedoelde geïndexeerde maximumbedrag toegepast zien ? ’. Vraag nr. 7 : indien loskoppeling van de index - uniforme toepassing van het beginsel van niet-indexering van de rente op de overheids- en de privésector in hun geheel - [artikel] 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd, eerst bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen en vervolgens bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 (bekrachtigd bij de wet van 12 december 1997), in de interpretatie volgens welke artikel 4, § 1, eerste lid, moet worden geacht betrekking te hebben op de jaarlijkse bezoldiging van de in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 bedoelde ambtenaren en contractuele personeelsleden, uitgedrukt in de van de index losgekoppelde waarde ervan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het op de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970, een regeling toepast van niet-indexering van de rente wegens gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid die lager is dan (10 en vervolgens) 16 %, die identiek is aan de regeling die van toepassing is op de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in de wet van 10 april 1971; - terwijl, enerzijds, de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970, zich in een situatie bevinden die fundamenteel verschilt van die van de contractuele personeelsleden van de privésector, gelet op de interpretatie van artikel 4 zoals hiervoor is gesuggereerd (loskoppeling van de index van de basisbezoldiging), en terwijl het, anderzijds, door het corrigerende mechanisme (indexering op de datum van het ongeval) dat tot dan de mogelijkheid heeft geboden om het bedrag van de rente vast te stellen op basis van de bezoldiging die op de datum van het ongeval is ontvangen, impliciet af te schaffen, onevenredig is ten aanzien van de door de wetgever beoogde doelstellingen (besparing maar ook gelijke behandeling van de slachtoffers van arbeidsongevallen in de privé- en de overheidssector) ? ’. Vraag nr. 8 : indien loskoppeling van de index - uniforme toepassing van het beginsel van niet-indexering van de rente op de contractuele personeelsleden van de overheids- en de privésector - [artikel] 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 5 ‘ Schendt artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd, eerst bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen en vervolgens bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 (bekrachtigd bij de wet van 12 december 1997), in de interpretatie volgens welke artikel 4, § 1, eerste lid, moet worden geacht betrekking te hebben op de jaarlijkse bezoldiging van de in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 bedoelde contractuele personeelsleden, uitgedrukt in de van de index losgekoppelde waarde ervan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het op de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970, een regeling toepast van niet-indexering van de rente wegens gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid die lager is dan (10 en vervolgens) 16 %, die identiek is aan de regeling die van toepassing is op de contractuele personeelsleden van de privésector; - terwijl, enerzijds, de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970, zich in een situatie bevinden die fundamenteel verschilt van die van de contractuele personeelsleden van de privésector, gelet op de interpretatie van artikel 4 zoals hiervoor is gesuggereerd (loskoppeling van de index van de basisbezoldiging), en terwijl het, anderzijds, door het corrigerende mechanisme (indexering op de datum van het ongeval) dat tot dan de mogelijkheid heeft geboden om het bedrag van de rente vast te stellen op basis van de bezoldiging die op de datum van het ongeval is ontvangen, impliciet af te schaffen, onevenredig is ten aanzien van de door de wetgever beoogde doelstellingen ? ’ ». Memories zijn ingediend door : - C.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Simon Palate, advocaat bij de balie te Namen; - de gemeente Sambreville, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Vincent Neuprez en mr. Stéphanie Adam, advocaten bij de balie Luik-Hoei; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Maxime Ronsmans, advocaat bij de balie te Brussel. De gemeente Sambreville heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 12 februari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. 6 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 4 januari 2018 is een beambte van de gemeente Sambreville het slachtoffer van een arbeidsongeval dat hem een blijvende arbeidsongeschiktheid van 13 % berokkent. De gemeente Sambreville en de gemeentebeambte die het slachtoffer is van het ongeval, zijn het oneens over de berekening van het bedrag van de rente dat moet worden uitgekeerd aan de gemeentebeambte. Laatstgenoemde maakt de zaak aanhangig bij de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Namen. Hij doet gelden dat het bedrag van zijn bezoldiging dat als basis moet dienen voor de berekening van de rente, moet worden losgekoppeld van de index vóór de toepassing van het wettelijk maximumbedrag en dat het bedrag van zijn rente vervolgens moet worden geactualiseerd op de datum van zijn ongeval. Hij verzoekt in ondergeschikte orde om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat, naargelang van de in aanmerking genomen interpretatie van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 « betreffende de schadevergoeding, ten gunste van sommige personeelsleden van overheidsdiensten of overheidsinstellingen van de lokale sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk », de bezoldiging van de eiser die als basis dient voor de berekening van de rente, ofwel de op de datum van het ongeval daadwerkelijk ontvangen bezoldiging, ofwel zijn van de index losgekoppelde bezoldiging moet zijn. In het eerste geval wordt die daadwerkelijk ontvangen bezoldiging begrensd tot een niet-geïndexeerd maximumbedrag, hetgeen een discriminatie van de eiser ten opzichte van de werknemers van de privésector zou kunnen doen ontstaan, wier bezoldiging die als basis dient voor de berekening van hun rente, wordt beperkt tot een geïndexeerd maximumbedrag. In het tweede geval stemt de van de index losgekoppelde bezoldiging van de werknemer van de overheidssector overeen met een basisbedrag dat in 1990 en niet op het tijdstip van het ongeval werd vastgesteld, zodat de niet-indexering van de kleine renten, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », een actualisering van het bedrag op het tijdstip van het ongeval verhindert, terwijl de rente van de werknemers van de privésector wordt vastgesteld op basis van hun bezoldiging die wordt berekend op het tijdstip van het ongeval, met andere woorden op basis van hun geïndexeerde bezoldiging. Het verwijzende rechtscollege beslist dan ook om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.1. De eiser voor het verwijzende rechtscollege gedraagt zich naar het oordeel van het Hof wat de eerste tot en met de zesde prejudiciële vraag betreft. A.2. De Ministerraad voert aan dat de eerste en de tweede prejudiciële vraag geen antwoord behoeven omdat de door het verwijzende rechtscollege opgeworpen mogelijke discriminatie haar oorsprong vindt in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 « betreffende de schadevergoeding, ten gunste van sommige personeelsleden van overheidsdiensten of overheidsinstellingen van de lokale sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk » (hierna : het koninklijk besluit van 13 juli 1970) en niet in de bestreden bepalingen. De Ministerraad doet gelden dat de in het geding zijnde bepaling, door voor alle categorieën van werknemers van de overheidssector in hetzelfde maximumbedrag te voorzien, geen discriminatie doet ontstaan, en dat het de ter uitvoering van de wet genomen koninklijke besluiten zijn die verschillende categorieën in het leven hebben geroepen. De Ministerraad merkt op dat de wetgever, wanneer hij aan de Koning een machtiging verleent, niet kan aannemen dat het gebruik dat van die machtiging zal worden gemaakt, ongrondwettig zal zijn, en hij verwijst naar de arresten van het Hof nrs. 61/2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.061) en 178/2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.178). 7 A.3. Wat de derde en de vierde prejudiciële vraag betreft, is de Ministerraad van mening dat de in het geding zijnde bepaling voorziet in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op een niet-geïndexeerde bezoldiging en dat de voor de privésector ingevoerde regeling voorziet in de toepassing van een geïndexeerd maximumbedrag op een geïndexeerde bezoldiging, zodat elk systeem op een eigen logica berust en er geen discriminatie is. De Ministerraad verwijst naar het arrest van het Hof nr. 9/2016 van 21 januari 2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.009). Hij herhaalt dat de wetgever, wanneer hij aan de Koning een machtiging verleent, niet kan aannemen dat het gebruik dat van die machtiging zal worden gemaakt, ongrondwettig zal zijn. A.4. Wat de vijfde en de zesde prejudiciële vraag betreft, beklemtoont de Ministerraad dat zij identiek zijn aan de derde en de vierde prejudiciële vraag, zij het dat de categorie van werknemers van de overheidssector die erin wordt vergeleken met de werknemers van de privésector, enkel bestaat uit de werknemers van de overheidssector die zijn aangeworven op basis van een arbeidsovereenkomst. De Ministerraad doet gelden dat, rekening houdend met het bij de wet van 3 juli 1967 ingevoerde systeem, de contractuele personeelsleden en de statutaire personeelsleden die worden beoogd in de koninklijke besluiten die ter uitvoering van die wet zijn genomen, moeten worden geacht een en dezelfde categorie te vormen, zodat de in de vijfde en de zesde prejudiciële vraag bedoelde categorieën niet vergelijkbaar zijn en die vragen geen antwoord behoeven. A.5.1. De gemeente Sambreville doet gelden dat de eerste tot en met de zesde prejudiciële vraag niet tot de bevoegdheid van het Hof behoren omdat zij betrekking hebben op de interpretatie die aan een reglementaire bepaling en niet aan een wetsbepaling moet worden gegeven. In ondergeschikte orde voert zij aan dat die prejudiciële vragen klaarblijkelijk niet nuttig zijn voor de oplossing van het geschil, zodat zij geen antwoord behoeven. De gemeente Sambreville voert immers aan dat, gezien met name de parlementaire voorbereiding en de rechtspraak van het Hof van Cassatie, niet kan worden betwist dat de wet van 3 juli 1967 en het koninklijk besluit van 13 juli 1970 voorzien in een mechanisme van loskoppeling van de index van de basisbezoldiging. Zij doet eveneens gelden dat het mechanisme van loskoppeling van de index van de basisbezoldiging ook voortvloeit uit de geest van de artikelen 4 en 13 van de wet van 3 juli 1967, zodat, zelfs indien de toepassing van artikel 18, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 zou worden geweerd wegens ongrondwettigheid, overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet, het niet mogelijk zou zijn te oordelen dat de basisbezoldiging een geïndexeerde bezoldiging is. A.5.2. Wat de vierde prejudiciële vraag betreft, voert de gemeente Sambreville ten overvloede aan, enerzijds, dat het Hof bij het voormelde arrest nr. 9/2016 reeds heeft geoordeeld dat het in artikel 4, § 1, van de wet van 3 juli 1967 bedoelde maximumbedrag niet discriminerend is ten aanzien van de werknemers van de overheidssector omdat de voor de overheidssector ingevoerde regeling berust op een eigen interne logica, zoals de voor de privésector ingevoerde regeling, en, anderzijds, dat de keuze om niet in een indexering van het maximumbedrag te voorzien behoort tot de bevoegdheid van de Koning om een opportuniteitsbeoordeling te maken, waarin de rechter zich niet kan mengen. A.5.3. Wat de vijfde en de zesde prejudiciële vraag betreft, doet de gemeente Sambreville ten overvloede gelden dat de contractuele bedienden van de overheidssector niet vergelijkbaar zijn met de contractuele bedienden van de privésector, aangezien die twee categorieën aan verschillende wetgevingen worden onderworpen, waarbij de gunstigere bepalingen van toepassing zijn op de overheidssector. A.6.1. De eiser voor het verwijzende rechtscollege begrijpt de zevende prejudiciële vraag in die zin dat zij is opgesplitst in twee onderdelen. Wat het eerste onderdeel betreft, voert hij aan dat de in het geding zijnde bepaling een discriminatie doet ontstaan in zoverre de rente niet meer is gekoppeld aan de evolutie van de prijsindex. Hij is van mening dat artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het noodzakelijkerwijs betrekking heeft op een van de index losgekoppelde bezoldiging, ongeacht of er al dan niet een uitdrukkelijke bepaling in die zin bestaat in het koninklijk besluit dat de wet van 3 juli 1967 van toepassing maakt. Hij zet uiteen dat de wetgever in 1967 de voor de berekening van de rente in aanmerking genomen bezoldiging immers van de index heeft losgekoppeld ingevolge de invoering van een mechanisme van indexering van de eigenlijke rente. De verwijzing naar een in de regeling van de werknemers van de privésector bedoeld niet- geïndexeerd maximumbedrag is enkel zinvol indien de basisbezoldiging is losgekoppeld van de index. A.6.2. Wat het tweede onderdeel van de zevende prejudiciële vraag betreft, voert de eiser voor het verwijzende rechtscollege aan dat de bestreden bepaling discriminerend is indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat de rente van de aan de wet van 3 juli 1967 onderworpen werknemers met een blijvende arbeidsongeschiktheid van minder dan 16 % wordt behouden op een waarde die is vastgesteld op 1 januari 1990, zonder actualisering op de datum van het ongeval. Hij doet gelden dat die niet-actualisering van de waarde van de 8 rente onverenigbaar is met het door de wetgever nagestreefde doel om de indexering van de renten met betrekking tot arbeidsongeschiktheden van minder dan 16 % op dezelfde wijze af te schaffen in de overheidssector en in de privésector, en dat zij onevenredig is. A.7. Wat de achtste prejudiciële vraag betreft, doet de eiser voor het verwijzende rechtscollege gelden dat de contractuele werknemers van de overheidssector worden aangeworven binnen hetzelfde soort van arbeidsrelatie en dat zij aan dezelfde regels inzake sociale zekerheid worden onderworpen als de aan de wet van 10 april 1971 onderworpen werknemers, en hij verwijst voor het overige naar zijn uiteenzettingen met betrekking tot de zevende prejudiciële vraag. A.8. De Ministerraad voert aan dat de zevende en de achtste prejudiciële vraag geen antwoord behoeven, aangezien de loskoppeling van de index van de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente alsook het corrigerende mechanisme hun oorsprong vinden in een koninklijk besluit en niet in de in het geding zijnde bepaling. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de in het geding zijnde bepaling de werknemers van de overheidssector op soortgelijke wijze behandelt als die van de privésector, zodat er geen discriminatie is en de achtste prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, in zoverre de vergeleken categorieën niet vergelijkbaar zijn, gelet op zijn uiteenzettingen met betrekking tot de vijfde en de zesde prejudiciële vraag. A.9.1. De gemeente Sambreville voert aan dat het verschil in behandeling dat het voorwerp van de zevende prejudiciële vraag uitmaakt, niet discriminerend is omdat de werknemers van de overheidssector en die van de privésector zich niet in voldoende vergelijkbare situaties bevinden, aangezien elk systeem op een eigen logica is gebaseerd en tot doel heeft te voorzien in een forfaitaire schadeloosstelling. In ondergeschikte orde doet de gemeente Sambreville gelden dat de in het geding zijnde bepalingen niet in die zin zouden kunnen worden geïnterpreteerd dat zij een indexering van de basisbezoldiging in het stadium van de berekening van de rente inhouden, aangezien, indien die indexering de basisbezoldiging zou doen uitkomen op een hoger bedrag dan het in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 bedoelde wettelijk maximumbedrag, die bepaling zou worden geschonden, in zoverre zij voorziet in een niet-geïndexeerd maximumbedrag, waarbij het Hof de grondwettigheid van dat niet-geïndexeerde maximumbedrag reeds heeft bevestigd. In meer ondergeschikte orde voert de gemeente Sambreville aan dat, indien een discriminatie zou worden vastgesteld, het gehele systeem zou moeten worden herzien, zodat enkel de wetgever en de Koning ze zouden kunnen verhelpen, zonder dat de rechter zich in hun plaats kan stellen. A.9.2. Op het argument van de Ministerraad volgens hetwelk de zevende prejudiciële vraag geen antwoord behoeft aangezien de loskoppeling van de index van de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente alsook het corrigerende mechanisme hun oorsprong vinden in een koninklijk besluit en niet in de in het geding zijnde bepaling, antwoordt de gemeente Sambreville dat de arresten van het Hof waarnaar de Ministerraad verwijst, betrekking hebben op artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969, dat met name van toepassing is op de federale Staat en de deelentiteiten, en niet op artikel 18, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, dat te dezen van toepassing is. Zij doet gelden dat, indien artikel 18, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 niet uitdrukkelijk preciseert dat de bezoldiging waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de rente, een van de index losgekoppelde basisbezoldiging is, dat komt omdat dat beginsel voortvloeit uit de wet van 3 juli 1967. De gemeente Sambreville is van mening dat het voor de overheidssector bedoelde systeem, dat is gebaseerd op een bezoldiging buiten de index aangezien enkel de rente wordt geïndexeerd, zijn oorsprong vindt in de artikelen 4, § 1, eerste lid, en 13 van de wet van 3 juli 1967, waarbij het koninklijk besluit van 13 juli 1970 dat systeem enkel overneemt. A.10. Wat de achtste prejudiciële vraag betreft, doet de gemeente Sambreville gelden dat het een koninklijk besluit is dat de wet van 3 juli 1967 van toepassing maakt op de gemeentelijke contractuele personeelsleden, zodat het Hof niet bevoegd is om die prejudiciële vraag te beantwoorden. De gemeente Sambreville voert eveneens aan dat de contractuele personeelsleden van de overheidssector de gunstigere bepalingen van de wet van 3 juli 1967, die zij aanvoert in haar uiteenzettingen met betrekking tot de zevende prejudiciële vraag, op dezelfde wijze genieten als de statutaire personeelsleden. Zij leidt daaruit af dat de situatie van die personeelsleden niet vergelijkbaar is met die van de werknemers van de privésector. 9 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de berekening van de renten voor « kleine » blijvende arbeidsongeschiktheden in de overheidssector. B.1.2. Artikel 3, eerste lid, 1°, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967) bepaalt : « Volgens de in artikel 1 bepaalde regelen : 1° heeft degene die getroffen is door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte recht op :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.