← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.054

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.054 Arrest- Rolnummer: 54/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-04-14 Raadplegingen: 802 - laatst gezien 2026-06-19 00:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1. Schending (artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967, in zoverre het, voor de berekening van hun rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, voorziet in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op de geïndexeerde bezoldiging van bepaalde werknemers van de overheidssector) 2. De eerste, de tweede, de vijfde, de zesde, de zevende en de achtste prejudiciële vraag behoeven geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 4, § 1, tweede en derde lid, en 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Namen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Arbeidsongevallen - Overheidssector - Kleine blijvende arbeidsongeschiktheden - Renten - Berekening - Referentiebezoldigingen - Indexering Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 54/2025 van 3 april 2025 Rolnummer : 8169 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 4, § 1, tweede en derde lid, en 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 21 februari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 februari 2024, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Vraag nr. 1 : indien geen loskoppeling van de index - identiek maximumbedrag voor de statutaire/contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 en de andere [statutaire]/contractuele personeelsleden van de overheidssector - artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 280 van 30 maart 1984, bij gebrek aan een mechanisme van loskoppeling van de index dat van toepassing is op de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, 2 - in zoverre het hetzelfde maximumbedrag inzake bezoldiging toepast op, enerzijds, de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 en, anderzijds, de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in de koninklijke besluiten van 24 januari 1969 en van 12 juni 1970; - terwijl die twee categorieën zich van elkaar onderscheiden in zoverre de eerstgenoemden geen enkel mechanisme van loskoppeling van de index van de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente die de gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval vergoedt, toegepast zien, in tegenstelling tot de laatstgenoemden ? ’. Vraag nr. 2 : indien geen loskoppeling van de index - identiek maximumbedrag voor de statutaire/contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 en de andere statutaire/contractuele personeelsleden van de overheidssector - artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 280 van 30 maart 1984, bij gebrek aan een mechanisme van loskoppeling van de index dat van toepassing is op de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het geen enkele verplichting voor de Koning bevat om het in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 vervatte maximumbedrag te indexeren, ten aanzien van zowel, enerzijds, de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 als, anderzijds, de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in de koninklijke besluiten van 24 januari 1969 en van 12 juni 1970; - terwijl die twee categorieën zich van elkaar onderscheiden in zoverre de eerstgenoemden geen enkel mechanisme van loskoppeling van de index van de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente die de gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval vergoedt, toegepast zien, in tegenstelling tot de laatstgenoemden ? ’. Vraag nr. 3 : indien geen loskoppeling van de index - verschillend maximumbedrag overheidssector/privésector voor de werknemers of personeelsleden die zijn getroffen door eenzelfde ongeschiktheid - artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 280 van 30 maart 1984, bij gebrek aan een mechanisme van loskoppeling van de index dat van toepassing is op de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het een niet-geïndexeerd vast maximumbedrag toepast op de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970; 3 - terwijl de in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde werknemers, bij een gelijke blijvende ongeschiktheid, het in artikel 39 van die wet bedoelde geïndexeerde maximumbedrag toegepast zien ? ’. Vraag nr. 4 : indien geen loskoppeling van de index - verschillend maximumbedrag overheidssector/privésector voor de werknemers of personeelsleden die zijn getroffen door eenzelfde ongeschiktheid - artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 280 van 30 maart 1984, bij gebrek aan een mechanisme van loskoppeling van de index dat van toepassing is op de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het geen enkele verplichting voor de Koning bevat om het in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 vervatte maximumbedrag te indexeren, al was het maar ten aanzien van de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970; - terwijl de in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde werknemers, bij een gelijke blijvende ongeschiktheid, het in artikel 39 van die wet bedoelde geïndexeerde maximumbedrag toegepast zien ? ’. Vraag nr. 5 : indien geen loskoppeling van de index - verschillend maximumbedrag overheidssector/privésector voor de contractuele personeelsleden die zijn getroffen door eenzelfde ongeschiktheid - artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 280 van 30 maart 1984, bij gebrek aan een mechanisme van loskoppeling van de index dat van toepassing is op de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het een niet-geïndexeerd vast maximumbedrag toepast op de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970; - terwijl de in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde werknemers, bij een gelijke blijvende ongeschiktheid, het in artikel 39 van die wet bedoelde geïndexeerde maximumbedrag toegepast zien ? ’. Vraag nr. 6 : indien geen loskoppeling van de index - verschillend maximumbedrag overheidssector/privésector voor de contractuele personeelsleden die zijn getroffen door eenzelfde ongeschiktheid - artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit 4 nr. 280 van 30 maart 1984, bij gebrek aan een mechanisme van loskoppeling van de index dat van toepassing is op de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het geen enkele verplichting voor de Koning bevat om het in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 vervatte maximumbedrag te indexeren, al was het maar ten aanzien van de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970; - terwijl de in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde werknemers, bij een gelijke blijvende ongeschiktheid, het in artikel 39 van die wet bedoelde geïndexeerde maximumbedrag toegepast zien ? ’. Vraag nr. 7 : indien loskoppeling van de index - uniforme toepassing van het beginsel van niet-indexering van de rente op de overheids- en de privésector in hun geheel - [artikel] 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 ‘ Schendt artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd, eerst bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen en vervolgens bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 (bekrachtigd bij de wet van 12 december 1997), in de interpretatie volgens welke artikel 4, § 1, eerste lid, moet worden geacht betrekking te hebben op de jaarlijkse bezoldiging van de in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 bedoelde ambtenaren en contractuele personeelsleden, uitgedrukt in de van de index losgekoppelde waarde ervan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het op de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970, een regeling toepast van niet-indexering van de rente wegens gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid die lager is dan (10 en vervolgens) 16 %, die identiek is aan de regeling die van toepassing is op de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in de wet van 10 april 1971; - terwijl, enerzijds, de statutaire en contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970, zich in een situatie bevinden die fundamenteel verschilt van die van de contractuele personeelsleden van de privésector, gelet op de interpretatie van artikel 4 zoals hiervoor is gesuggereerd (loskoppeling van de index van de basisbezoldiging), en terwijl het, anderzijds, door het corrigerende mechanisme (indexering op de datum van het ongeval) dat tot dan de mogelijkheid heeft geboden om het bedrag van de rente vast te stellen op basis van de bezoldiging die op de datum van het ongeval is ontvangen, impliciet af te schaffen, onevenredig is ten aanzien van de door de wetgever beoogde doelstellingen (besparing maar ook gelijke behandeling van de slachtoffers van arbeidsongevallen in de privé- en de overheidssector) ? ’. Vraag nr. 8 : indien loskoppeling van de index - uniforme toepassing van het beginsel van niet-indexering van de rente op de contractuele personeelsleden van de overheids- en de privésector - [artikel] 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 5 ‘ Schendt artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals gewijzigd, eerst bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen en vervolgens bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 (bekrachtigd bij de wet van 12 december 1997), in de interpretatie volgens welke artikel 4, § 1, eerste lid, moet worden geacht betrekking te hebben op de jaarlijkse bezoldiging van de in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 bedoelde contractuele personeelsleden, uitgedrukt in de van de index losgekoppelde waarde ervan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het op de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970, een regeling toepast van niet-indexering van de rente wegens gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid die lager is dan (10 en vervolgens) 16 %, die identiek is aan de regeling die van toepassing is op de contractuele personeelsleden van de privésector; - terwijl, enerzijds, de contractuele personeelsleden die zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1970, zich in een situatie bevinden die fundamenteel verschilt van die van de contractuele personeelsleden van de privésector, gelet op de interpretatie van artikel 4 zoals hiervoor is gesuggereerd (loskoppeling van de index van de basisbezoldiging), en terwijl het, anderzijds, door het corrigerende mechanisme (indexering op de datum van het ongeval) dat tot dan de mogelijkheid heeft geboden om het bedrag van de rente vast te stellen op basis van de bezoldiging die op de datum van het ongeval is ontvangen, impliciet af te schaffen, onevenredig is ten aanzien van de door de wetgever beoogde doelstellingen ? ’ ». Memories zijn ingediend door : - C.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Simon Palate, advocaat bij de balie te Namen; - de gemeente Sambreville, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Vincent Neuprez en mr. Stéphanie Adam, advocaten bij de balie Luik-Hoei; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Maxime Ronsmans, advocaat bij de balie te Brussel. De gemeente Sambreville heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 12 februari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. 6 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 4 januari 2018 is een beambte van de gemeente Sambreville het slachtoffer van een arbeidsongeval dat hem een blijvende arbeidsongeschiktheid van 13 % berokkent. De gemeente Sambreville en de gemeentebeambte die het slachtoffer is van het ongeval, zijn het oneens over de berekening van het bedrag van de rente dat moet worden uitgekeerd aan de gemeentebeambte. Laatstgenoemde maakt de zaak aanhangig bij de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Namen. Hij doet gelden dat het bedrag van zijn bezoldiging dat als basis moet dienen voor de berekening van de rente, moet worden losgekoppeld van de index vóór de toepassing van het wettelijk maximumbedrag en dat het bedrag van zijn rente vervolgens moet worden geactualiseerd op de datum van zijn ongeval. Hij verzoekt in ondergeschikte orde om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat, naargelang van de in aanmerking genomen interpretatie van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 « betreffende de schadevergoeding, ten gunste van sommige personeelsleden van overheidsdiensten of overheidsinstellingen van de lokale sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk », de bezoldiging van de eiser die als basis dient voor de berekening van de rente, ofwel de op de datum van het ongeval daadwerkelijk ontvangen bezoldiging, ofwel zijn van de index losgekoppelde bezoldiging moet zijn. In het eerste geval wordt die daadwerkelijk ontvangen bezoldiging begrensd tot een niet-geïndexeerd maximumbedrag, hetgeen een discriminatie van de eiser ten opzichte van de werknemers van de privésector zou kunnen doen ontstaan, wier bezoldiging die als basis dient voor de berekening van hun rente, wordt beperkt tot een geïndexeerd maximumbedrag. In het tweede geval stemt de van de index losgekoppelde bezoldiging van de werknemer van de overheidssector overeen met een basisbedrag dat in 1990 en niet op het tijdstip van het ongeval werd vastgesteld, zodat de niet-indexering van de kleine renten, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », een actualisering van het bedrag op het tijdstip van het ongeval verhindert, terwijl de rente van de werknemers van de privésector wordt vastgesteld op basis van hun bezoldiging die wordt berekend op het tijdstip van het ongeval, met andere woorden op basis van hun geïndexeerde bezoldiging. Het verwijzende rechtscollege beslist dan ook om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.1. De eiser voor het verwijzende rechtscollege gedraagt zich naar het oordeel van het Hof wat de eerste tot en met de zesde prejudiciële vraag betreft. A.2. De Ministerraad voert aan dat de eerste en de tweede prejudiciële vraag geen antwoord behoeven omdat de door het verwijzende rechtscollege opgeworpen mogelijke discriminatie haar oorsprong vindt in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 « betreffende de schadevergoeding, ten gunste van sommige personeelsleden van overheidsdiensten of overheidsinstellingen van de lokale sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk » (hierna : het koninklijk besluit van 13 juli 1970) en niet in de bestreden bepalingen. De Ministerraad doet gelden dat de in het geding zijnde bepaling, door voor alle categorieën van werknemers van de overheidssector in hetzelfde maximumbedrag te voorzien, geen discriminatie doet ontstaan, en dat het de ter uitvoering van de wet genomen koninklijke besluiten zijn die verschillende categorieën in het leven hebben geroepen. De Ministerraad merkt op dat de wetgever, wanneer hij aan de Koning een machtiging verleent, niet kan aannemen dat het gebruik dat van die machtiging zal worden gemaakt, ongrondwettig zal zijn, en hij verwijst naar de arresten van het Hof nrs. 61/2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.061) en 178/2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.178). 7 A.3. Wat de derde en de vierde prejudiciële vraag betreft, is de Ministerraad van mening dat de in het geding zijnde bepaling voorziet in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op een niet-geïndexeerde bezoldiging en dat de voor de privésector ingevoerde regeling voorziet in de toepassing van een geïndexeerd maximumbedrag op een geïndexeerde bezoldiging, zodat elk systeem op een eigen logica berust en er geen discriminatie is. De Ministerraad verwijst naar het arrest van het Hof nr. 9/2016 van 21 januari 2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.009). Hij herhaalt dat de wetgever, wanneer hij aan de Koning een machtiging verleent, niet kan aannemen dat het gebruik dat van die machtiging zal worden gemaakt, ongrondwettig zal zijn. A.4. Wat de vijfde en de zesde prejudiciële vraag betreft, beklemtoont de Ministerraad dat zij identiek zijn aan de derde en de vierde prejudiciële vraag, zij het dat de categorie van werknemers van de overheidssector die erin wordt vergeleken met de werknemers van de privésector, enkel bestaat uit de werknemers van de overheidssector die zijn aangeworven op basis van een arbeidsovereenkomst. De Ministerraad doet gelden dat, rekening houdend met het bij de wet van 3 juli 1967 ingevoerde systeem, de contractuele personeelsleden en de statutaire personeelsleden die worden beoogd in de koninklijke besluiten die ter uitvoering van die wet zijn genomen, moeten worden geacht een en dezelfde categorie te vormen, zodat de in de vijfde en de zesde prejudiciële vraag bedoelde categorieën niet vergelijkbaar zijn en die vragen geen antwoord behoeven. A.5.1. De gemeente Sambreville doet gelden dat de eerste tot en met de zesde prejudiciële vraag niet tot de bevoegdheid van het Hof behoren omdat zij betrekking hebben op de interpretatie die aan een reglementaire bepaling en niet aan een wetsbepaling moet worden gegeven. In ondergeschikte orde voert zij aan dat die prejudiciële vragen klaarblijkelijk niet nuttig zijn voor de oplossing van het geschil, zodat zij geen antwoord behoeven. De gemeente Sambreville voert immers aan dat, gezien met name de parlementaire voorbereiding en de rechtspraak van het Hof van Cassatie, niet kan worden betwist dat de wet van 3 juli 1967 en het koninklijk besluit van 13 juli 1970 voorzien in een mechanisme van loskoppeling van de index van de basisbezoldiging. Zij doet eveneens gelden dat het mechanisme van loskoppeling van de index van de basisbezoldiging ook voortvloeit uit de geest van de artikelen 4 en 13 van de wet van 3 juli 1967, zodat, zelfs indien de toepassing van artikel 18, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 zou worden geweerd wegens ongrondwettigheid, overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet, het niet mogelijk zou zijn te oordelen dat de basisbezoldiging een geïndexeerde bezoldiging is. A.5.2. Wat de vierde prejudiciële vraag betreft, voert de gemeente Sambreville ten overvloede aan, enerzijds, dat het Hof bij het voormelde arrest nr. 9/2016 reeds heeft geoordeeld dat het in artikel 4, § 1, van de wet van 3 juli 1967 bedoelde maximumbedrag niet discriminerend is ten aanzien van de werknemers van de overheidssector omdat de voor de overheidssector ingevoerde regeling berust op een eigen interne logica, zoals de voor de privésector ingevoerde regeling, en, anderzijds, dat de keuze om niet in een indexering van het maximumbedrag te voorzien behoort tot de bevoegdheid van de Koning om een opportuniteitsbeoordeling te maken, waarin de rechter zich niet kan mengen. A.5.3. Wat de vijfde en de zesde prejudiciële vraag betreft, doet de gemeente Sambreville ten overvloede gelden dat de contractuele bedienden van de overheidssector niet vergelijkbaar zijn met de contractuele bedienden van de privésector, aangezien die twee categorieën aan verschillende wetgevingen worden onderworpen, waarbij de gunstigere bepalingen van toepassing zijn op de overheidssector. A.6.1. De eiser voor het verwijzende rechtscollege begrijpt de zevende prejudiciële vraag in die zin dat zij is opgesplitst in twee onderdelen. Wat het eerste onderdeel betreft, voert hij aan dat de in het geding zijnde bepaling een discriminatie doet ontstaan in zoverre de rente niet meer is gekoppeld aan de evolutie van de prijsindex. Hij is van mening dat artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het noodzakelijkerwijs betrekking heeft op een van de index losgekoppelde bezoldiging, ongeacht of er al dan niet een uitdrukkelijke bepaling in die zin bestaat in het koninklijk besluit dat de wet van 3 juli 1967 van toepassing maakt. Hij zet uiteen dat de wetgever in 1967 de voor de berekening van de rente in aanmerking genomen bezoldiging immers van de index heeft losgekoppeld ingevolge de invoering van een mechanisme van indexering van de eigenlijke rente. De verwijzing naar een in de regeling van de werknemers van de privésector bedoeld niet- geïndexeerd maximumbedrag is enkel zinvol indien de basisbezoldiging is losgekoppeld van de index. A.6.2. Wat het tweede onderdeel van de zevende prejudiciële vraag betreft, voert de eiser voor het verwijzende rechtscollege aan dat de bestreden bepaling discriminerend is indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat de rente van de aan de wet van 3 juli 1967 onderworpen werknemers met een blijvende arbeidsongeschiktheid van minder dan 16 % wordt behouden op een waarde die is vastgesteld op 1 januari 1990, zonder actualisering op de datum van het ongeval. Hij doet gelden dat die niet-actualisering van de waarde van de 8 rente onverenigbaar is met het door de wetgever nagestreefde doel om de indexering van de renten met betrekking tot arbeidsongeschiktheden van minder dan 16 % op dezelfde wijze af te schaffen in de overheidssector en in de privésector, en dat zij onevenredig is. A.7. Wat de achtste prejudiciële vraag betreft, doet de eiser voor het verwijzende rechtscollege gelden dat de contractuele werknemers van de overheidssector worden aangeworven binnen hetzelfde soort van arbeidsrelatie en dat zij aan dezelfde regels inzake sociale zekerheid worden onderworpen als de aan de wet van 10 april 1971 onderworpen werknemers, en hij verwijst voor het overige naar zijn uiteenzettingen met betrekking tot de zevende prejudiciële vraag. A.8. De Ministerraad voert aan dat de zevende en de achtste prejudiciële vraag geen antwoord behoeven, aangezien de loskoppeling van de index van de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente alsook het corrigerende mechanisme hun oorsprong vinden in een koninklijk besluit en niet in de in het geding zijnde bepaling. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de in het geding zijnde bepaling de werknemers van de overheidssector op soortgelijke wijze behandelt als die van de privésector, zodat er geen discriminatie is en de achtste prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, in zoverre de vergeleken categorieën niet vergelijkbaar zijn, gelet op zijn uiteenzettingen met betrekking tot de vijfde en de zesde prejudiciële vraag. A.9.1. De gemeente Sambreville voert aan dat het verschil in behandeling dat het voorwerp van de zevende prejudiciële vraag uitmaakt, niet discriminerend is omdat de werknemers van de overheidssector en die van de privésector zich niet in voldoende vergelijkbare situaties bevinden, aangezien elk systeem op een eigen logica is gebaseerd en tot doel heeft te voorzien in een forfaitaire schadeloosstelling. In ondergeschikte orde doet de gemeente Sambreville gelden dat de in het geding zijnde bepalingen niet in die zin zouden kunnen worden geïnterpreteerd dat zij een indexering van de basisbezoldiging in het stadium van de berekening van de rente inhouden, aangezien, indien die indexering de basisbezoldiging zou doen uitkomen op een hoger bedrag dan het in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 bedoelde wettelijk maximumbedrag, die bepaling zou worden geschonden, in zoverre zij voorziet in een niet-geïndexeerd maximumbedrag, waarbij het Hof de grondwettigheid van dat niet-geïndexeerde maximumbedrag reeds heeft bevestigd. In meer ondergeschikte orde voert de gemeente Sambreville aan dat, indien een discriminatie zou worden vastgesteld, het gehele systeem zou moeten worden herzien, zodat enkel de wetgever en de Koning ze zouden kunnen verhelpen, zonder dat de rechter zich in hun plaats kan stellen. A.9.2. Op het argument van de Ministerraad volgens hetwelk de zevende prejudiciële vraag geen antwoord behoeft aangezien de loskoppeling van de index van de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente alsook het corrigerende mechanisme hun oorsprong vinden in een koninklijk besluit en niet in de in het geding zijnde bepaling, antwoordt de gemeente Sambreville dat de arresten van het Hof waarnaar de Ministerraad verwijst, betrekking hebben op artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969, dat met name van toepassing is op de federale Staat en de deelentiteiten, en niet op artikel 18, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, dat te dezen van toepassing is. Zij doet gelden dat, indien artikel 18, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 niet uitdrukkelijk preciseert dat de bezoldiging waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de rente, een van de index losgekoppelde basisbezoldiging is, dat komt omdat dat beginsel voortvloeit uit de wet van 3 juli 1967. De gemeente Sambreville is van mening dat het voor de overheidssector bedoelde systeem, dat is gebaseerd op een bezoldiging buiten de index aangezien enkel de rente wordt geïndexeerd, zijn oorsprong vindt in de artikelen 4, § 1, eerste lid, en 13 van de wet van 3 juli 1967, waarbij het koninklijk besluit van 13 juli 1970 dat systeem enkel overneemt. A.10. Wat de achtste prejudiciële vraag betreft, doet de gemeente Sambreville gelden dat het een koninklijk besluit is dat de wet van 3 juli 1967 van toepassing maakt op de gemeentelijke contractuele personeelsleden, zodat het Hof niet bevoegd is om die prejudiciële vraag te beantwoorden. De gemeente Sambreville voert eveneens aan dat de contractuele personeelsleden van de overheidssector de gunstigere bepalingen van de wet van 3 juli 1967, die zij aanvoert in haar uiteenzettingen met betrekking tot de zevende prejudiciële vraag, op dezelfde wijze genieten als de statutaire personeelsleden. Zij leidt daaruit af dat de situatie van die personeelsleden niet vergelijkbaar is met die van de werknemers van de privésector. 9 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de berekening van de renten voor « kleine » blijvende arbeidsongeschiktheden in de overheidssector. B.1.2. Artikel 3, eerste lid, 1°, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967) bepaalt : « Volgens de in artikel 1 bepaalde regelen : 1° heeft degene die getroffen is door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte recht op :

  1. a)een vergoeding van de kosten voor dokter, chirurg, apotheker, verpleging, prothese en orthopedie;
  2. b)een rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid;
  3. c)een bijslag wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid na de herzieningstermijn ». B.1.3. Het in het geding zijnde artikel 4, § 1, van de wet van 3 juli 1967 bepaalt : « De rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op grond van de jaarlijkse bezoldiging waarop het slachtoffer recht heeft op het tijdstip dat het ongeval zich heeft voorgedaan of de beroepsziekte is vastgesteld. Zij is evenredig met het aan het slachtoffer toegekende percentage aan arbeidsongeschiktheid. Overschrijdt de jaarlijkse bezoldiging 24 332,08 EUR, dan wordt zij slechts tot dat bedrag in aanmerking genomen voor de berekening van de rente. Het bedrag van dit plafond is dit dat van kracht is op de datum van consolidatie van de arbeidsongeschiktheid of op de datum waarop de arbeidsongeschiktheid een karakter van bestendigheid vertoont. Naar aanleiding van een algemene herwaardering van de wedden in de overheidssector en in de mate van die herwaardering kan de Koning dit bedrag wijzigen ». 10 B.1.4. Het in het geding zijnde artikel 13 van de wet van 3 juli 1967 bepaalt : « De in artikel 3, eerste lid, bedoelde renten, de in artikel 4, § 2, bijkomende vergoedingen, de verergerings- en overlijdensbijslagen worden vermeerderd of verminderd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De Koning bepaalt hoe zij aan de spilindex 138,01 worden gekoppeld. Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de renten wanneer de blijvende arbeidsongeschiktheid geen 16 % bereikt ». B.2.1. Het koninklijk besluit van 13 juli 1970 « betreffende de schadevergoeding, ten gunste van sommige personeelsleden van overheidsdiensten of overheidsinstellingen van de lokale sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk » (hierna : het koninklijk besluit van 13 juli 1970) maakt de wet van 3 juli 1967 van toepassing op het personeel van de lokale besturen. Aangezien de eiser voor het verwijzende rechtscollege beambte is bij een gemeente, valt hij onder de regeling van dat koninklijk besluit. Artikel 18 van dat koninklijk besluit bepaalt wat onder « jaarlijkse bezoldiging » dient te worden verstaan : « Voor de vaststelling van het bedrag der renten in geval van blijvende ongeschiktheid of van overlijden, moet onder jaarlijkse bezoldiging worden verstaan iedere wedde, loon of als wedde of loon geldende vergoeding door de getroffene op het tijdstip van het ongeval verkregen, vermeerderd met de toelagen of vergoedingen die geen werkelijke lasten dekken en die hem uit hoofde van de arbeidsovereenkomst of van het wettelijke of reglementair statuut zijn verschuldigd. Voor het bepalen van die bezoldiging, wordt echter geen rekening gehouden met de bezoldigingsverminderingen wegens de leeftijd van het slachtoffer. Heeft het ongeval zich voor 1 juli 1962 voorgedaan, dan wordt de jaarlijkse bezoldiging vermenigvuldigd met een coëfficiënt om ze aan te passen aan de schommelingen van de kosten voor levensonderhoud tussen de datum van het ongeval en 1 juli 1962. Deze coëfficiënt wordt vastgesteld, overeenkomstig de in bijlage gevoegde tabel. Voor de leerlingen en de personeelsleden in dienst genomen bij een overeenkomst voor beroepsopleiding wordt de rente vastgesteld op grond van het bedrag, vastgesteld overeenkomstig artikel 38/1, derde lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. Voor de categorieën van getroffenen waarop de Koning, in uitvoering van artikel 1ter, vijfde lid, van de wet, de bijzondere regeling van het artikel 86/1 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 toepasselijk heeft verklaard wordt de rente vastgesteld op grond van het bedrag, vastgesteld overeenkomstig artikel 86/1, 4°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 ». B.2.2. Andere koninklijke besluiten, die niet van toepassing zijn op het geschil voor het verwijzende rechtscollege, maken de wet van 3 juli 1967 van toepassing op andere 11 personeelsleden van de overheidssector. Tot die andere besluiten behoort met name het koninklijk besluit van 24 januari 1969 « betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk » (hierna : het koninklijk besluit van 24 januari 1969). Het koninklijk besluit van 24 januari 1969 bevat, in de artikelen 13 en 14 ervan, bepalingen die soortgelijk zijn aan artikel 18 van het voormelde koninklijk besluit van 13 juli 1970. In artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 wordt evenwel gepreciseerd dat, « wanneer het ongeval zich heeft voorgedaan na 30 juni 1962, […] de in artikel 13 bedoelde jaarlijkse bezoldiging niet de verhoging [omvat] als gevolg van de koppeling ervan aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk op het tijdstip van het ongeval ». Die precisering komt niet voor in het koninklijk besluit van 13 juli 1970, dat van toepassing is op het geschil voor het verwijzende rechtscollege. B.2.3. Ten aanzien van die elementen is het verwijzende rechtscollege van oordeel dat artikel 18 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 vatbaar is voor twee interpretaties. Volgens een eerste interpretatie, die het verwijzende rechtscollege als « letterlijke » interpretatie aanmerkt, is de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente, de jaarlijkse bezoldiging die daadwerkelijk verschuldigd is aan het slachtoffer op het tijdstip van het ongeval, zijnde een geïndexeerde bezoldiging. Volgens een tweede interpretatie, vanuit een bekommernis om samenhang met de regels die van toepassing zijn op de andere werknemers van de overheidssector, moet de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente, in die zin worden begrepen dat zij « niet de verhoging [omvat] als gevolg van de koppeling ervan aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk op het tijdstip van het ongeval », met andere woorden dat zij is losgekoppeld van de index. In de verwijzingsbeslissing geeft het verwijzende rechtscollege aan dat het, in dat stadium, niet wenst te bepalen welke van die twee interpretaties van artikel 18 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 in aanmerking moet worden genomen. De eerste tot en met de zesde prejudiciële vraag passen in het kader van de eerste interpretatie en de zevende en de achtste prejudiciële vraag passen in het kader van de tweede interpretatie. 12 Ten aanzien van de zevende en de achtste prejudiciële vraag B.3. Met de zevende en de achtste prejudiciële vraag vraagt het verwijzende rechtscollege het Hof of artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de slachtoffers van een arbeidsongeval die zijn getroffen door een « kleine » blijvende arbeidsongeschiktheid en die tot de overheidssector behoren, en de slachtoffers van een arbeidsongeval die zijn getroffen door dezelfde arbeidsongeschiktheid en die tot de privésector behoren, op dezelfde wijze behandelt, terwijl hun referentiebezoldigingen niet op dezelfde wijze worden berekend met het oog op de vaststelling van het bedrag van de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid. In geen van beide gevallen wordt de rente immers geïndexeerd, maar in de overheidssector wordt bij de berekening van de rente rekening gehouden met de niet-geïndexeerde jaarlijkse bezoldiging op het tijdstip van het ongeval, terwijl in de privésector rekening wordt gehouden met het geïndexeerde basisloon. B.4. Wat de berekeningsbasis betreft op grond waarvan in de overheidssector de rente wordt vastgesteld, wordt in de verwijzingsbeslissing verwezen naar artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 en naar artikel 18 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, in de tweede interpretatie die het rechtscollege beoogt in aanmerking te nemen van die laatste bepaling, die overeenstemt met datgene waarin de artikelen 13 en 14, § 2, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 voorzien. B.5.1. Zoals het Hof bij de arresten nrs. 178/2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.178) en 61/2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.061) met betrekking tot het voormelde artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 heeft geoordeeld, blijkt dat de niet-indexering van de berekeningsbasis van de rente in de overheidssector niet aan een wetskrachtige norm kan worden toegeschreven, maar voortvloeit uit het voormelde artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969. Evenzo vloeit de niet-indexering te dezen voort uit artikel 18 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, in de tweede interpretatie die het rechtscollege overweegt in aanmerking te nemen van die bepaling, die overeenstemt met datgene waarin artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 voorziet. B.5.2. Noch artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, noch enige grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof de 13 bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of de bepalingen van een koninklijk besluit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden. Met toepassing van artikel 159 van de Grondwet komt het het verwijzende rechtscollege toe de bepalingen van een koninklijk besluit die niet in overeenstemming zouden zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet toe te passen. B.6. De zevende en de achtste prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. Ten aanzien van de eerste tot en met de zesde prejudiciële vraag B.7.1. De gemeente Sambreville doet ten onrechte gelden dat de eerste tot en met de zesde prejudiciële vraag betrekking hebben op de interpretatie van een reglementaire bepaling. Hoewel artikel 18 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 en de interpretatie ervan pertinent zijn om die prejudiciële vragen te beantwoorden, hebben die laatste wel degelijk betrekking op de grondwettigheid van artikel 4, § 1, van de wet van 3 juli 1967. B.7.2. In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie houdt in dat de in de wet van 3 juli 1967 en in de voormelde koninklijke besluiten bedoelde regeling van schadeloosstelling voor arbeidsongevallen coherent wordt toegepast op de verschillende categorieën van personeelsleden van de overheidssector. De rechtspraak van de hoven en rechtbanken is evenwel verdeeld over de vraag of de in het voormelde artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 bedoelde regel van de loskoppeling van de index van de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente, moet worden toegepast dan wel of, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, de toepassing van die bepaling moet worden geweerd wegens de discriminatie die zij doet ontstaan tussen de werknemers die onder het toepassingsgebied van dat koninklijk besluit vallen en die van de privésector, wier rente wordt berekend op basis van hun geïndexeerde bezoldiging. Het staat niet aan het Hof zich uit te spreken over die uiteenlopende rechtspraak. 14 De interpretatie van artikel 18 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 die het verwijzende rechtscollege als « letterlijke » interpretatie aanmerkt, zou, indien zij in aanmerking werd genomen, tot gevolg hebben dat de regeling van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 wordt afgestemd op die van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 wanneer de in artikel 14, § 2, van dat laatste besluit bedoelde toepassing van de regel van de loskoppeling van de index buiten toepassing wordt gelaten overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet. Gelet op die elementen is de interpretatie van artikel 18 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 die het verwijzende rechtscollege als « letterlijke » interpretatie aanmerkt, niet kennelijk verkeerd, en zijn de eerste tot en met de zesde prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet zonder nut voor de oplossing van het geschil. B.7.3. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arresten nrs. 164/2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.164) en 58/2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.058), is het bovendien niet vereist dat het verwijzende rechtscollege, wanneer het onderzoekt of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil, reeds een beslissende keuze maakt voor een bepaalde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling. Hetzelfde geldt met betrekking tot de interpretatie van andere bepalingen die van toepassing zijn en die een weerslag hebben op de aan het Hof gestelde vragen. De omstandigheid dat het verwijzende rechtscollege zich niet heeft uitgesproken over de interpretatie van artikel 18 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 die in aanmerking moet worden genomen, betekent aldus niet dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven. B.8. Met de derde en de vierde prejudiciële vraag vraagt het verwijzende rechtscollege het Hof of artikel 4, § 1, van de wet van 3 juli 1967 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het, voor de berekening van hun rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, op de bezoldiging van de in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 bedoelde personeelsleden een niet-geïndexeerd vast maximumbedrag toepast en in zoverre het de Koning niet verplicht om het bedrag van het maximumbedrag waarin het voorziet, te indexeren, terwijl voor de in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde werknemers van de privésector een geïndexeerd maximumbedrag wordt toegepast op hun geïndexeerde bezoldiging. 15 B.9. Artikel 39, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt : « Overschrijdt het jaarloon het bedrag dat hierna wordt vermeld, dan komt het, voor de vaststelling van de vergoedingen en renten, slechts ten belope van dat bedrag in aanmerking dat als volgt wordt bepaald : […] 9° vanaf 1 januari 2018 : 35.652,45 EUR (index 102,10; basis 2004 = 100); […] Deze loonbedragen worden gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen op de wijze bepaald door de Koning. De Koning kan deze bedragen wijzigen na advies van de Nationale Arbeidsraad. De loonbedragen, bedoeld in het eerste en derde lid, die in aanmerking genomen worden voor de vaststelling van de vergoedingen en renten, zijn uitsluitend deze die van kracht zijn op de datum van het ongeval ». B.10.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.10.2. De wetgever beschikt bij het bepalen van zijn beleid in sociaal-economische aangelegenheden over een ruime beoordelingsvrijheid. Dit is met name het geval wanneer het erom gaat de wijze te regelen waarop de arbeidsongevallen worden vergoed, wat tot het geheel van de socialezekerheidsregelingen behoort. In het raam van een beleid van kostenbeheersing komt het, rekening houdend met de finaliteit van de betrokken vergoeding en met het te garanderen financiële evenwicht, de wetgever toe te bepalen op welke wijze de vergoeding van de schade ingevolge een arbeidsongeval moet worden vastgesteld. De wetgever vermag hierbij evenwel het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet te schenden. 16 B.11.1. De wet van 3 juli 1967 werd aangenomen om het personeel van de overheidsdiensten te verzekeren tegen de gevolgen van de ongevallen op de weg of de plaats van het werk en van de beroepsziekten. « Het nagestreefde doel bestaat erin hun een stelsel te bezorgen dat kan vergeleken worden met het stelsel dat reeds toegepast wordt in de privé-sector. De Regering oordeelde het noch mogelijk noch wenselijk de personeelsleden van de overheidsdiensten te onderwerpen aan dezelfde bepalingen als de arbeiders en de bedienden uit de privé-sector. Het statuut der ambtenaren bevat particulariteiten waarmee rekening dient gehouden en die in zekere gevallen, het aanvaarden van eigen regelen rechtvaardigen. Het doel blijkt [lees : blijft] evenwel hetzelfde : aan het slachtoffer een vergoeding verzekeren welke aangepast is aan het nadeel opgelopen tengevolge van een ongeval » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 1023/1, pp. 3 en 4; Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 242, p. 3). « Van een eenvoudige uitbreiding van het stelsel van de privé-sector tot de openbare sector is er dus geenszins sprake » (Parl. St., Kamer, 1966-1967, nr. 339/6, p. 2). B.11.2. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever voor de werknemers van de privésector en die van de openbare sector vergelijkbare stelsels heeft willen vaststellen op het vlak van de regeling van schadeloosstelling van slachtoffers van een arbeidsongeval, zonder evenwel te voorzien in een eenvoudige uitbreiding van het stelsel van de privésector tot de openbare sector, gelet op de eigen kenmerken van elke sector. B.12.1. Het Hof heeft meermaals geoordeeld dat het door de objectieve verschillen tussen werknemers van de privésector en die van de openbare sector verantwoord is dat zij aan verschillende systemen zijn onderworpen en dat kan worden aanvaard dat bij een nadere vergelijking van beide systemen verschillen in behandeling aan het licht komen, nu eens in de ene zin, dan weer in de andere, onder voorbehoud dat elke regel dient overeen te stemmen met de logica van het systeem waarvan die regel deel uitmaakt. B.12.2. De eigen logica van elk systeem inzake arbeidsongevallen verantwoordt dat verschillen bestaan tussen de overheidssector en de privésector, meer bepaald wat de procedureregels, het niveau en de modaliteiten van de vergoeding betreft. Het behoort tot de bevoegdheid van de wetgever om met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te beoordelen of een grotere gelijkschakeling wenselijk is en te bepalen 17 op welk tijdstip en op welke wijze via concrete maatregelen vorm moet worden gegeven aan een grotere eenvormigheid tussen beide regelgevingen. B.13. Wat in het bijzonder de keuze betreft om in een vast maximumbedrag te voorzien dat moet worden toegepast op de bezoldiging van het slachtoffer, voorzag de wet van 3 juli 1967 oorspronkelijk evenwel in een verwijzing naar het maximumbedrag waarin voor de werknemers van de privésector is voorzien, en zulks teneinde de in de overheidssector toepasselijke regeling « in overeenstemming te brengen met de in de privé-sector getroffen regeling » (Parl. St., Kamer, 1966-1967, nr. 339/6, pp. 6 en 7). Het is bij het koninklijk bijzonderemachtenbesluit nr. 280 van 30 maart 1984 « tot wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » dat werd beslist om over te gaan naar een vast maximumbedrag, opnieuw met het oog op overeenstemming met de regeling waarin voor de werknemers van de privésector is voorzien, zoals blijkt uit het verslag aan de Koning dat aan dat koninklijk besluit voorafgaat : « Het als plafond door de wetgever bepaalde forfaitaire bedrag moet constant blijven en mag niet normaal met het indexmechanisme meeëvolueren om het doorlopend in overeenkomst te brengen met de bezoldiging die geïndexeerd is. Het in overeenstemming brengen is slechts denkbaar indien de basisbezoldiging gekoppeld is aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen zoals in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. Wat het personeel betreft dat onder de toepassing valt van de wet van 3 juli 1967 wordt daarentegen de bezoldiging die in aanmerking komt voor de berekening van de rente altijd aan 100 pct. berekend, dit is zonder verhoging ingevolge de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen » (Belgisch Staatsblad, 6 april 1984, p. 4289). De parlementaire voorbereiding van de wet van 6 december 1984 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten vastgesteld ter uitvoering van artikel 1, 1° en 2°, van de wet van 6 juli 1983 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning » bevestigt het doel van de wetgever om « het evenwicht met de particuliere sector te herstellen » (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 957/7, p. 111). B.14. Bij zijn arrest nr. 9/2016 van 21 januari 2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.009) heeft het Hof het volgende geoordeeld : 18 « In de privésector wordt de bovengrens voor het bepalen van de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid jaarlijks geactualiseerd aan de hand van het indexcijfer van de consumptieprijzen, in verhouding tot het eveneens geïndexeerde basisloon. In de overheidssector daarentegen wordt de bovengrens in beginsel - behoudens een aanpassing ervan naar aanleiding van een algemene herwaardering - bepaald in verhouding tot de niet-geïndexeerde jaarlijkse bezoldiging. Beide stelsels berusten derhalve op een eigen interne logica » (B.8). B.15. Evenwel kan met toepassing van artikel 18 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente van de eiser voor het verwijzende rechtscollege, zijn geïndexeerde bezoldiging zijn. De wet van 3 juli 1967 verhindert niet die interpretatie van het voormelde artikel 18 aangezien, zoals in B.4 tot B.5.2 is vermeld, geen enkele bepaling van de wet van 3 juli 1967, noch enige andere wetsbepaling de inaanmerkingneming van een niet-geïndexeerde bezoldiging opleggen. De wetgever, die aan de Koning de mogelijkheid heeft gelaten om erin te voorzien dat de bezoldiging waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de rente, de geïndexeerde bezoldiging is, heeft in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 overigens voorzien in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag. De wijziging van het maximumbedrag waartoe de Koning kan overgaan, krachtens artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967, staat bovendien niet gelijk met een indexering. B.16. De toepassing, voor de berekening van de rente van de betrokken werknemers van de overheidssector, van een vast maximumbedrag op hun geïndexeerde bezoldiging is niet pertinent ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde en in B.13 vermelde doelstelling om de in de overheidssector toepasselijke regeling met betrekking tot het maximumbedrag van de referentiebezoldiging in overeenstemming te brengen met de in de privésector getroffen regeling. Zij is evenmin pertinent ten aanzien van de in B.11.1 en B.11.2 vermelde algemenere doelstelling van de wetgever om vergelijkbare regelingen in te voeren voor de werknemers van de privésector en voor die van de overheidssector. Hoewel, zoals in B.12.1 en B.12.2 is vermeld, de objectieve verschillen tussen beide categorieën van werknemers verantwoorden dat die 19 categorieën aan verschillende systemen worden onderworpen, verantwoordt geen enkel specifiek kenmerk dat eigen is aan de overheidssector de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op een geïndexeerde basisbezoldiging. B.17. Artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967, in zoverre het, voor de berekening van de rente van bepaalde werknemers van de overheidssector in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, de toepassing oplegt van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op de geïndexeerde bezoldiging die als basis dient voor de berekening van die rente, is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.18.1. Gelet op het antwoord op de derde en de vierde prejudiciële vraag is het antwoord op de eerste, de tweede, de vijfde en de zesde prejudiciële vraag niet nuttig voor de oplossing van het voor de verwijzende rechter hangende geschil. B.18.2. De eerste, de tweede, de vijfde en de zesde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. 20 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : 1. In zoverre het, voor de berekening van hun rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, voorziet in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op de geïndexeerde bezoldiging van bepaalde werknemers van de overheidssector, schendt artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 2. De eerste, de tweede, de vijfde, de zesde, de zevende en de achtste prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 april 2025. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.054 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:CTLIE:2026:ARR.20260324.1 citeert: ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.164 ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.178 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.009 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.061 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.058 geciteerd door: ECLI:BE:CTLIE:2026:ARR.20260130.1 ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.