id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.055 Arrest- Rolnummer: 55/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-04-14 Raadplegingen: 418 - laatst gezien 2026-06-18 14:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 65/1, § 8, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. Strafvordering - Politie over het wegverkeer - Bevel tot betalen - Beroep - Bijkomende termijn - Voorwaarden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 55/2025 van 3 april 2025 Rolnummer : 8172 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 65/1, § 8, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 19 februari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 februari 2024, heeft de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 65/1, § 8 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968 (Wegverkeerswet) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM in zoverre het de overtreder verplicht om aan te tonen dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen binnen de in § 2 bedoelde termijn, terwijl de bij verstek veroordeelde overeenkomstig artikel 187 § 1 Wetboek van Strafvordering in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen en niet dient aan te tonen dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de betekening ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Steve Ronse en mr. Thomas Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 12 februari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van 2 wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil betreft een beroepsprocedure in het kader van artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer ». In het verwijzingsvonnis merkt het verwijzende rechtscollege op dat de procedure bevel tot betalen en de strafprocedure na dagvaarding door het openbaar ministerie vergelijkbaar zijn, « in die zin dat beide procedures leiden tot een definitieve veroordeling ». In het kader van de procedure hoger beroep tegen het bevel tot betalen ligt de bewijslast van een negatief feit bij de overtreder (geen kennis hebben kunnen nemen van het bevel tot betalen), terwijl in het kader van de procedure op verzet de bewijslast van een positief feit bij het openbaar ministerie ligt (kennisname van de betekening van het verstekvonnis). Volgens het verwijzende rechtscollege is « de bewijslast voor de overtreder in het kader van de procedure hoger beroep tegen het bevel tot betalen […] dus veel strenger, terwijl er in beide gevallen na het verstrijken van de beroeps-/verzetstermijn sprake is van een definitieve veroordeling ». Dienvolgens stelt het verwijzende rechtscollege de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad voert aan dat de te vergelijken procedures niet vergelijkbaar zijn. Het beroep tegen een bevel tot betalen maakt geen onderdeel uit van een gerechtelijke procedure. De overtreder verliest geen enkel recht en de bevoegdheden van de rechtbank worden niet ingekort. Een verstekvonnis, en de daaraan gekoppelde mogelijkheid tot verzet, past wel in het kader van een gerechtelijke procedure. De wijze waarop het gebrek aan kennisname in deze verschillende procedures dient te worden aangetoond, moet niet identiek zijn. A.
- De Ministerraad voert tevens aan dat er geen schending is van het recht op toegang tot de rechter, aangezien artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » uitdrukkelijk bepaalt dat indien de overtreder binnen de wettelijk voorgeschreven beroepstermijn geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen, hij alsnog beroep kan instellen binnen de vijftien dagen na de dag van de kennisname of binnen de vijftien dagen volgend op de eerste daad van invordering van de geldsom door of op vervolging van de bevoegde administratie van de FOD Financiën. 3 -B- B.
- Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of artikel 65/1, § 8, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt, in zoverre het de overtreder verplicht om aan te tonen dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen binnen de in artikel 65/1, § 2, bedoelde termijn om een bijkomende beroepstermijn van vijftien dagen te genieten teneinde het bevel tot betalen te betwisten, terwijl de bij verstek veroordeelde in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening heeft kennis gekregen (artikel 187, § 1, van het Wetboek van strafvordering), zonder dat hij moet aantonen dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de betekening. B.2.
- Artikel 65/1, § 8, van de Wegverkeerswet bepaalt : « Als de overtreder aantoont dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn om beroep in te dienen, kan hij dit beroep alsnog indienen binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de dag waarop hij van dit bevel kennis heeft gekregen of volgend op de eerste daad van invordering van de geldsom door of op vervolging van de bevoegde administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën. De in paragraaf 2 bedoelde bepalingen zijn van toepassing. In dat geval is de verjaring van de strafvordering geschorst vanaf de dag waarop het bevel tot betalen van rechtswege uitvoerbaar is geworden tot de dag waarop de overtreder het beroep indient ». B.2.
- Artikel 187, § 1, van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld. 4 Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan hij die bij verstek veroordeeld is in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis. De burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen alleen in verzet komen overeenkomstig de bepaling van het eerste lid. De betekening aan de personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd, wordt eveneens aan diens woonplaats of verblijfplaats gedaan ». Het verzet is een gewoon rechtsmiddel dat openstaat voor de partij die bij verstek is veroordeeld teneinde vanwege het rechtscollege dat bij verstek heeft geoordeeld, een nieuwe beslissing na een contradictoir debat te verkrijgen. B.
- Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen, te dezen het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.4.
- Met het bevel tot betalen had de wetgever tot doel het openbaar ministerie in staat te stellen een uitvoerbare titel op te maken, zodat geen beroep moet worden gedaan op de strafrechter om een overtreder aan wie voorafgaandelijk een minnelijke schikking is voorgesteld, tot betaling te dwingen. De parlementaire voorbereiding van de programmawet van 25 december 2016 vermeldt : « Het bevel tot betalen is de laatste stap in de procedure van een eventueel verval van de strafvordering tegen betaling van een som » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2208/001, p. 28). Pas nadat de beroepstermijn is verstreken, kan de procureur des Konings of de door hem aangestelde parketjurist het niet-betaalde bevel tot betaling dat invorderbaar is, uitvoerbaar verklaren, waardoor de strafvordering vervalt (artikel 65/1, § 3, van de Wegverkeerswet). Desgevallend kan het openbaar ministerie, zolang de strafvordering niet is verjaard, ook ervoor 5 opteren om in plaats van het bevel uitvoerbaar te verklaren, de overtreder te dagvaarden en zodoende de strafvordering op gang te brengen. B.4.
- Het bevel tot betalen is in beginsel de vijfde aanmaning tot betalen : « De overtreder krijgt namelijk een onmiddellijke inning, een rappel daarvan, een minnelijke schikking en opnieuw een rappel alvorens er een bevel tot betalen wordt uitgevaardigd » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2208/001, p. 29). De verzoeker heeft derhalve reeds op verschillende ogenblikken de kans gehad de strafvordering te doen vervallen door de verkeersboete te betalen. Het wordt verzonden per aangetekende brief, per gerechtsbrief (artikel 46, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek), of, overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek, via het door de Koning aangewezen informaticasysteem van Justitie (artikel 65/1, § 1, derde lid, van de Wegverkeerswet). Het bevel tot betalen wordt geacht te zijn ontvangen de tiende werkdag na de dagtekening van het bevel tot betalen (artikel 65/1, § 1, vierde lid, van de Wegverkeerswet). B.4.
- Tegen het bevel tot betalen kan, door de persoon die het bevel tot betalen heeft ontvangen of diens advocaat, beroep worden aangetekend bij de politierechtbank binnen de dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel tot betalen. In geval van een beroep worden zowel de overtreder als de procureur des Konings in kennis gebracht van de zittingsdatum (artikel 65/1, § 2, zesde lid, van de Wegverkeerswet). Als de overtreder kan aantonen dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen binnen de termijn van dertig dagen om beroep in te dienen, kan hij dit beroep alsnog indienen binnen een termijn van vijftien dagen « volgend op de dag waarop hij van dit bevel kennis heeft gekregen of volgend op de eerste daad van invordering van de geldsom door of op vervolging van de bevoegde administratie » van de FOD Financiën (artikel 65/1, § 8, eerste lid, van de Wegverkeerswet). B.4.
- Wat de bijkomende termijn betreft om vooralsnog beroep in te dienen wanneer de overtreder kan aantonen dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen, vermeldt de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 25 december 2016 : 6 « Deze paragraaf bepaalt de mogelijkheid van het indienen van beroep bij de politierechtbank door de overtreder, indien de overtreder kan aantonen dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen. […] De procureur des Konings informeert de administratie, die binnen de Federale Overheidsdienst Financiën bevoegd is voor de invordering van de niet-fiscale schulden, van de indiening van het beroep. In dat geval is de verjaring van de strafvordering geschorst vanaf de dag waarop het bevel tot betalen van rechtswege uitvoerbaar is geworden tot de dag waarop de overtreder het beroep indient » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2208/001, pp. 32 en 33). « Volgens de minister gaat dit voorbeeld vooral over burgers die niet attent genoeg zijn geweest. Het enige echte risico is wanneer de persoon bijvoorbeeld met vakantie zou zijn en daardoor geen kennis heeft gekregen van het bevel tot betalen. Hij zou dit dan ook kunnen bewijzen. Vergeten we niet dat deze bijkomende termijn van vijftien dagen een voordeel heet te zijn » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2208/007, p. 8). B.5.
- De overtreder die nalaat binnen de termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst, gevolg te geven aan het bevel tot betalen, legt zijn vijfde opeenvolgende aanmaning tot betaling naast zich neer. Ook de overtreder die kan aantonen dat hij het bevel tot betalen niet heeft ontvangen, heeft voorheen vier opeenvolgende aanmaningen tot betalen van de verkeersboete naast zich neergelegd. B.5.
- Door bij de vijfde aanmaning de bewijslast van de niet-kennisname van het bevel tot betalen bij de overtreder zelf te leggen, rekening houdend met de vaststelling dat het bevel tot betalen wordt verzonden per aangetekende brief, met ontvangstbewijs, voor de overtreders die beschikken over een woonplaats in België, en met de vaststelling dat, om de kansen te vergroten dat de aangetekende brief de overtreder ook daadwerkelijk zal bereiken, en dan vooral tijdens de vakantieperiodes, een kopie van het bevel tot betalen eveneens bij gewone brief wordt verzonden (Omzendbrief nr. 04/2013 van het College van Procureurs-generaal bij de Hoven van Beroep, p. 8), wordt het recht op toegang tot de rechter van de overtreder niet onevenredig beperkt. B.
- Artikel 65/1, § 8, van de Wegverkeerswet is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 65/1, § 8, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 april
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.055 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div