← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.056

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.056 Arrest- Rolnummer: 56/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-04-14 Raadplegingen: 266 - laatst gezien 2026-06-14 19:33 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 107 van het Vlaamse decreet van 18 mei 2018 « houdende de Vlaamse sociale bescherming », gesteld door de Raad van State. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Vlaamse Gemeenschap - Volksverzekering - Mobiliteitshulpmiddelen - Toekenning - Voorwaarden en bedrag - Machtiging aan de Regering Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 56/2025 van 3 april 2025 Rolnummer : 8187 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 107 van het Vlaamse decreet van 18 mei 2018 « houdende de Vlaamse sociale bescherming », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest nr. 258.931 van 26 februari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 maart 2024, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 ‘ houdende Vlaamse sociale bescherming ’, artikel 23 van de Grondwet in zoverre die bepaling machtiging verleent aan de Vlaamse Regering om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en de voorwaarden vast te leggen waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend en waarbij het bedrag van deze tegemoetkomingen van toepassing is op de huurcontracten in het kader van mobiliteitshulpmiddelen die vóór 1 januari 2019 zijn gesloten conform artikel 28, § 8, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 ‘ tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ’ ? ». « Schendt artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 ‘ houdende Vlaamse sociale bescherming ’, artikel 23 van de Grondwet in zoverre die bepaling machtiging verleent aan de Vlaamse Regering om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en de voorwaarden vast te leggen waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend en aldus geïnterpreteerd 2 dat het de Vlaamse regering toekomt de minister ermee te belasten om de omvang van die tegemoetkomingen te bepalen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Spronken Orthopedie », de nv « Arseus Medical », de bv « De Rijcker-GO » en de nv « V!GO International », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Koen Geelen en mr. Nick Parthoens, advocaten bij de balie van Limburg, en door mr. Sarah Jacobs, advocate bij de balie van Antwerpen; - de Vlaamse Gemeenschap (vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin) en de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bart Staelens en mr. Joost Hoste, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. Bij beschikking van 29 januari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van verschillende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 5 februari 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 26 februari

  1. Op de openbare terechtzitting van 26 februari 2025 : - zijn verschenen : . mr. Nick Parthoens, voor de nv « Spronken Orthopedie », de nv « Arseus Medical », de bv « De Rijcker-GO » en de nv « V!GO International »; . mr. Bart Staelens, tevens loco mr. Joost Hoste, voor de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De nv « Spronken Orthopedie », de nv « Arseus Medical », de bv « De Rijcker-GO » en de nv « V!go International », zijnde de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege, zijn erkende verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen. Op 26 februari 2019 hebben zij bij de Raad van State beroepen ingesteld strekkende tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 « houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming » (hierna : het besluit van 30 november 2018) en van het ministerieel besluit van 7 december 2018 « betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat de mobiliteitshulpmiddelen betreft ». Zij betwisten de toepassing van de nieuwe huurforfaits op de contracten met betrekking tot het verhuren van mobiliteitshulpmiddelen die op 1 januari 2019 al waren gesloten. Bij het verwijzingsarrest van 26 februari 2024 oordeelt de Raad van State dat de verzoekende partijen, wat het besluit van 30 november 2018 betreft, enkel belang hebben bij de nietigverklaring van artikel 648, in samenhang gelezen met artikel 262, § 3, ervan, in de mate dat de laatstgenoemde bepaling de rechtsgrond vormt voor de vaststelling van de huurforfaits die, zonder onderscheid, met ingang van 1 januari 2019 van toepassing zijn op de huurcontracten in het kader van mobiliteitshulpmiddelen die vóór 1 januari 2019 zijn gesloten. De verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege voeren onder meer aan dat er geen wettige rechtsgrond voorhanden is voor die bepalingen van het besluit van 30 november 2018, omdat het decreet van 18 mei 2018 « houdende de Vlaamse sociale bescherming » in strijd is met het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet. Alvorens uitspraak over dat middel te doen, acht de Raad van State het noodzakelijk om – op voorstel van de verzoekende partijen – de hiervoor weergegeven vragen voor te leggen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.
  2. De nv « Spronken Orthopedie », de nv « Arseus Medical », de bv « De Rijcker-GO » en de nv « V!go International » (hierna : de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege) voeren aan dat de prejudiciële vragen bevestigend moeten worden beantwoord. A.1.
  3. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voeren zij aan dat het in het geding zijnde artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 « houdende de Vlaamse sociale bescherming » (hierna : het decreet van 18 mei 2018) op erg ruime wijze erin voorziet dat de Vlaamse Regering de bevoegdheid heeft om het bedrag van de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en om de voorwaarden vast te stellen waaraan moet zijn voldaan opdat de tegemoetkoming wordt verleend. In zoverre de Vlaamse Regering aldus wordt gemachtigd om de draagwijdte en de toekenningsvoorwaarden te bepalen, heeft de decreetgever het onderwerp niet afdoende bepaald en artikel 23 van de Grondwet geschonden. Het bedrag van de tegemoetkomingen en de toekenningsvoorwaarden zijn immers essentieel voor het sociale beschermingsstelsel. Het zijn bij uitstek elementen die niet aan de Regering kunnen worden gedelegeerd. A.1.
  4. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, voeren de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege aan dat het bepalen van de omvang van de huurforfaits geen element van bijkomstige aard of van beperkt belang is. Dergelijk essentieel element kan niet aan de uitvoerende macht worden gedelegeerd en al zeker niet door de Vlaamse Regering verder worden gedelegeerd aan een individuele minister. Dat geldt temeer daar er geen enkel kader is vastgelegd waarbinnen die bedragen moeten worden bepaald. A.2.
  5. De Vlaamse Regering en de Vlaamse Gemeenschap voeren aan dat de prejudiciële vragen ontkennend moeten worden beantwoord. A.2.
  6. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voeren zij aan dat het in het geding zijnde artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 duidelijk de contouren schetst waarbinnen de Vlaamse Regering verder kan verordenen. De decreetgever heeft niet enkel het recht op mobiliteitshulpmiddelen toegekend, maar ook aangegeven wat de Vlaamse Regering minstens dient te bepalen en de finaliteit van de Vlaamse sociale bescherming omschreven. De decreetgever is aldus tegemoetgekomen aan de eisen die aan delegaties worden gesteld in de rechtspraak van het 4 Hof, in de adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State en in de rechtsleer. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft in haar adviezen dan ook geen enkele opmerking inzake de in het geding zijnde bepaling gemaakt. Het is volgens de Vlaamse Regering en de Vlaamse Gemeenschap evident dat kan worden voorzien in een delegatie aan de Vlaamse Regering voor het bepalen van het bedrag van de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen, dat om tal van redenen kan evolueren, evenals voor het bepalen van de voorwaarden daaromtrent. Dat impliceert dat de Vlaamse Regering, bij het bepalen van het bedrag en de voorwaarden, ook de eventuele onmiddellijke toepasbaarheid van de verordenende regel mag vastleggen. Het verwijzende rechtscollege heeft de overgangsmaatregel ten gronde overigens reeds correct bevonden. A.2.
  7. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, voeren de Vlaamse Regering en de Vlaamse Gemeenschap aan dat het in de regel niet verboden is om een verordenende bevoegdheid te delegeren aan een minister, die uiteraard ook het standstill-beginsel moet eerbiedigen. De minister maakt bovendien deel uit van de Vlaamse Regering, die onder de controle staat van het Vlaams Parlement. Voorts kan elke adressaat van de norm zich wenden tot de Raad van State, hetgeen de verzoekende partijen in de bodemgeschillen overigens hebben gedaan. De regelgeving met betrekking tot de Vlaamse sociale bescherming is uitvoerig uitgewerkt in het decreet van 18 mei 2018, dat de beleidslijnen en de fundamentele regels vastlegt. De delegaties aan de Vlaamse Regering strekken ertoe het systeem van de Vlaamse sociale bescherming verder uit te werken. Het is logisch en pragmatisch dat de Vlaamse Regering aan de Vlaamse minister de bevoegdheid delegeert om puur cijfermatig in de bijlagen de forfaits te bepalen. Die forfaits moeten immers voortdurend kunnen worden aangepast aan de noden van de door inflatie en indexatie evoluerende tijd en aan de technologische evoluties en inzichten. -B- B.
  8. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 107 van het Vlaamse decreet van 18 mei 2018 « houdende de Vlaamse sociale bescherming » (hierna : het decreet van 18 mei 2018), dat de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen betreft. B.
  9. Het decreet van 18 mei 2018 beoogt een Vlaamse sociale zekerheid uit te bouwen die complementair is aan de federale sociale zekerheid (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1474/1, p. 3). Het is een volksverzekering, waarbij rechten worden gekoppeld aan het betalen van een jaarlijkse premie (artikel 5 van het decreet van 18 mei 2018). Die volksverzekering bestaat uit verschillende pijlers, waaronder de mobiliteitshulpmiddelen (artikel 4 van het decreet van 18 mei 2018). Krachtens artikel 2, eerste lid, 20°, van het decreet van 18 mei 2018 zijn de mobiliteitshulpmiddelen « de hulpmiddelen die bedoeld zijn om de bewegingsfunctie te ondersteunen, namelijk rolstoelen, loophulpmiddelen, orthopedische driewielfietsen, stasystemen, zitkussens ter preventie van doorzitwonden, modulair aanpasbare systemen ter ondersteuning van de zithouding en onderstellen en de aanpassingen ervan. Een rolstoel, loophulpmiddel of orthopedische driewielfiets zijn speciaal ontworpen toestellen om personen 5 te helpen zich binnenshuis en buitenshuis te verplaatsen ». Krachtens artikel 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018 kan de Vlaamse Regering die definitie van mobiliteitshulpmiddelen « uitbreiden met andere hulpmiddelen die als finaliteit hebben de bewegingsfunctie te ondersteunen ». Titel 4 van deel 2 van het decreet van 18 mei 2018 betreft « [de] tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen » en omvat de artikelen 105 tot
  10. Krachtens artikel 105, § 1, van het decreet van 18 mei 2018 « [bestaat de] financiering van mobiliteitshulpmiddelen in het kader van de Vlaamse sociale bescherming [...] uit de toekenning aan de gebruiker door de zorgkas van een tegemoetkoming [...] die via trekkingsrechten wordt uitbetaald ». Een trekkingsrecht is « het recht op een persoonsvolgend budget dat verloopt via een rechtstreekse betaling door de zorgkas aan de erkende zorgvoorziening of verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen die zorg verleent aan de gebruiker » (artikel 2, eerste lid, 32°, van het decreet van 18 mei 2018). De gebruiker, zijnde de persoon die een beroep doet op de Vlaamse sociale bescherming, maakt dus geen aanspraak op een vrij besteedbare vergoeding, doch wel op de rechtstreekse betaling van een tegemoetkoming door de zorgkas aan de betreffende verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1474/1, pp. 36 en 88). Die financiering voor mobiliteitshulpmiddelen neemt de vorm aan van tegemoetkomingen in het kader van de aankoop van mobiliteitshulpmiddelen, enerzijds, en van tegemoetkomingen in de vorm van periodieke huurforfaits, anderzijds (artikel 106, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018). Het in het geding zijnde artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 machtigt de Vlaamse Regering om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en de voorwaarden vast te leggen waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend. Die bepaling luidt : « De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen en legt de voorwaarden vast waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend. Daarvoor bepaalt de Vlaamse Regering onder meer : 1° het gebruiksdoel van de mobiliteitshulpmiddelen; 2° de functionele specificaties van de mobiliteitshulpmiddelen; 3° de hernieuwingscriteria voor de verschillende mobiliteitshulpmiddelen; 6 4° de vergoedingscriteria voor het mobiliteitshulpmiddel, het uitproberen van het mobiliteitshulpmiddel en de aanpassingen aan het mobiliteitshulpmiddel; 5° de mogelijke cumulaties van mobiliteitshulpmiddelen; 6° de vergoedingscriteria voor onderhoud en herstelling ». B.3.
  11. Beide prejudiciële vragen strekken ertoe van het Hof te vernemen of het in het geding zijnde artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 artikel 23 van de Grondwet schendt, « in zoverre die bepaling machtiging verleent aan de Vlaamse Regering om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en de voorwaarden vast te leggen waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend ». In de eerste prejudiciële vraag refereert het verwijzende rechtscollege daarenboven aan het feit dat « het bedrag van deze tegemoetkomingen van toepassing is op de huurcontracten in het kader van mobiliteitshulpmiddelen die vóór 1 januari 2019 zijn gesloten conform artikel 28, § 8, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 ‘ tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ’ ». In de tweede prejudiciële vraag legt het verwijzende rechtscollege de in het geding zijnde bepaling aan het Hof voor in de interpretatie « dat het de Vlaamse regering toekomt de minister ermee te belasten om de omvang van die tegemoetkomingen te bepalen ». B.3.
  12. Gelet op hun samenhang, onderzoekt het Hof de beide prejudiciële vragen samen. B.
  13. Artikel 23, tweede lid en derde lid, 2°, van de Grondwet verplicht de bevoegde wetgever om het recht op sociale zekerheid te waarborgen en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht te bepalen. Die grondwetsbepaling verbiedt die wetgever echter niet machtigingen te verlenen aan de uitvoerende macht, voor zover die machtigingen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de wetgever het onderwerp heeft aangegeven. 7 Die grondwetsbepaling verplicht de wetgever niet om alle essentiële elementen van het recht op sociale zekerheid te regelen en verbiedt hem niet om de uitvoerende macht ertoe te machtigen die te regelen. B.5.
  14. Het decreet van 18 mei 2018 voorziet in de financiering van mobiliteitshulpmiddelen in het kader van de Vlaamse sociale bescherming. Die financiering houdt in dat de zorgkas aan de gebruiker een tegemoetkoming toekent die rechtstreeks wordt betaald aan de betreffende verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en die de vorm aanneemt van tegemoetkomingen in het kader van de aankoop van mobiliteitshulpmiddelen, enerzijds, en van tegemoetkomingen in de vorm van periodieke huurforfaits, anderzijds. De decreetgever heeft in artikel 2, eerste lid, 20°, van het decreet van 18 mei 2018 bepaald welke mobiliteitshulpmiddelen onder het toepassingsgebied van die regeling vallen, waarbij de Vlaamse Regering die definitie van mobiliteitshulpmiddelen kan uitbreiden met andere hulpmiddelen die als finaliteit hebben de bewegingsfunctie te ondersteunen. Voorts wordt in artikel 119 van het decreet van 18 mei 2018 bepaald wie recht heeft op een tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen, namelijk « [elke] gebruiker met een beperking van de mobiliteit, die een gevolg is van een fysieke, mentale, cognitieve of psychologische stoornis ». Het in het geding zijnde artikel 107 machtigt de Vlaamse Regering om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en om de voorwaarden vast te leggen waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend. De decreetgever heeft daarbij verduidelijkt welke elementen de Vlaamse Regering dient te bepalen, onder meer

(1)het gebruiksdoel van de mobiliteitshulpmiddelen;
(2)de functionele specificaties van de mobiliteitshulpmiddelen;
(3)de hernieuwingscriteria voor de verschillende mobiliteitshulpmiddelen;
(4)de vergoedingscriteria voor het mobiliteitshulpmiddel, het uitproberen van het mobiliteitshulpmiddel en de aanpassingen aan het mobiliteitshulpmiddel;
(5)de mogelijke cumulaties van mobiliteitshulpmiddelen;
(6)de vergoedingscriteria voor onderhoud en herstelling. B.5.
  1. Aldus wordt door het decreet van 18 mei 2018 op duidelijke wijze het onderwerp aangegeven van de maatregelen die door de Vlaamse Regering ten uitvoer dienen te worden gelegd. 8 B.5.
  2. Bovendien kon de decreetgever, door zulk een delegatie te verlenen, de Vlaamse Regering niet machtigen om bepalingen aan te nemen die zouden leiden tot een schending van het grondwettelijk recht op sociale zekerheid. Het komt de bevoegde rechter toe na te gaan of de Vlaamse Regering op een al dan niet wettige wijze gebruik heeft gemaakt van de delegatie die haar werd verleend. B.5.
  3. In zoverre de prejudiciële vragen voor het overige betrekking hebben op de onmiddellijke toepassing van het door de Vlaamse Regering bepaalde bedrag van de tegemoetkoming op de lopende huurcontracten voor mobiliteitshulpmiddelen evenals op een delegatie door de Vlaamse Regering aan de minister om de omvang van die tegemoetkomingen te bepalen, betreffen zij de uitvoering van de in het geding zijnde bepalingen, die niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. B.
  4. Gelet op het voorgaande is artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 bestaanbaar met artikel 23 van de Grondwet. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 107 van het Vlaamse decreet van 18 mei 2018 « houdende de Vlaamse sociale bescherming » schendt artikel 23 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 april
  5. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.056 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.160 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.