← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.060

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.060 Arrest- Rolnummer: 60/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-04-14 Raadplegingen: 777 - laatst gezien 2026-06-18 19:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Onontvankelijkheid van de prejudiciële vraag Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel I.1, eerste lid, 1°, a), van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Hasselt. Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Faillissement - Begrip « onderneming » - Natuurlijke persoon - Bestuurder van een vennootschap Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 60/2025 van 3 april 2025 Rolnummer : 8286 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel I.1, eerste lid, 1°, a), van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Hasselt. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 17 juli 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 juli 2024, heeft de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Hasselt, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel I.1, eerste lid, 1°,

  1. a)Wetboek Economisch Recht (WER) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate een bestuurder van een vennootschap, wanneer deze aangifte van staking van betaling doet, in een bepaalde interpretatie van artikel I.1, eerste lid, 1°,
  2. a)WER als ondernemer wordt aanzien en vervolgens in staat van faillissement kan verklaard worden in welk geval de bestuurder van de automatische kwijtschelding van restschulden geniet (art. XX.173, § 2 WER), behoudens verzoek tot weigering namens elke belanghebbende en het openbaar ministerie (art. XX.173, § 3 WER), terwijl dezelfde bestuurder die in een andere interpretatie van artikel I.1, 1° WER niet als ondernemer wordt aanzien, bijgevolg niet in staat van faillissement kan worden verklaard, en daardoor niet kan genieten van een automatische kwijtschelding van restschulden, maar daarentegen, in dat laatste geval, aan het mechanisme van de collectieve schuldenregeling onderworpen kan worden, met een terugbetalingsmodaliteit over een periode van 5 (gerechtelijke aanzuiveringsregeling) tot 7 jaar (minnelijke aanzuiveringsregeling) ? Is het verschil in behandeling tussen enerzijds de bestuurder die als ondernemer wordt aanzien en derhalve in staat van faillissement kan verklaard worden met als gevolg de principiële automatische kwijtschelding van schulden en anderzijds de bestuurder die niet als 2 ondernemer wordt aanzien en derhalve enkel aan het mechanisme van de collectieve schuldenregeling onderworpen kan worden, zonder de principiële automatische kwijtschelding van schulden, grondwettig en vormt dit geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? Dit alles in de wetenschap dat de hoedanigheid van de bestuurder en of deze al dan niet een ondernemer is in de zin van artikel I.1, eerste lid, 1°,
  3. a)WER een feitelijke aangelegenheid is, waarbij de rechtspraak over gelijkluidende feiten tot aleatoire verschillende resultaten kan komen, hetgeen schijnbaar de gelijkheid tussen bestuurders van ondernemingen aantast (vgl. I. VEROUGSTRAETE, ‘ Structuur van boek X(
  4. x): begrippen en perspectieven na de wet van 7 juni 2023 ’ in A. VAN HOE, I. VAN DE PLAS (eds.), Het insolventierecht na de omzetting van de Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie, TBH 2024, nr. 13, voetnoot 36) ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 12 februari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 19 juni 2024 hebben zowel de bv « K en Z » als Dennie Beliën, bestuurder van die vennootschap, een aangifte van staking van betaling gedaan bij het verwijzende rechtscollege, de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Hasselt. Op 27 juni 2024 heeft het verwijzende rechtscollege de bv « K en Z » failliet verklaard. Op 10 juli 2024 heeft Dennie Beliën, op verzoek van het verwijzende rechtscollege, aanvullende stukken neergelegd om zijn eigen aangifte te vervolledigen. Het verwijzende rechtscollege vraagt zich af of de bestuurder van een vennootschap als een onderneming in de zin van de in het geding zijnde bepaling moet worden gekwalificeerd. Het stelt aan het Hof de hierboven vermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is. Het in die vraag vermelde verschil in behandeling vloeit voort uit de wijze waarop artikel I.1, eerste lid, 1°, a), van het Wetboek van economisch recht wordt toegepast. Het staat aan de hoven en rechtbanken om die bepaling te interpreteren en toe te passen. 3 A.2. De Ministerraad vervolgt dat, overeenkomstig artikel I.1, eerste lid, 1°, a), van het Wetboek van economisch recht, enkel natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen als een onderneming worden beschouwd. Het mandaat van bestuurder van een vennootschap wordt in beginsel steeds op zelfstandige basis uitgeoefend. Bestuurders kunnen immers niet door een arbeidsovereenkomst met de vennootschap zijn verbonden (artikelen 5:70, § 1, tweede lid, 6:58, § 1, tweede lid, en 7:85, § 1, derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen). Opdat er sprake is van een beroepsactiviteit, is het vereist dat het mandaat wordt uitgeoefend met regelmaat en met het oogmerk een inkomen te verwerven. A.3. Volgens de Ministerraad is het uitgesloten dat eenzelfde bestuurder van een vennootschap nu eens wel voldoet aan de voorwaarden van artikel I.1, eerste lid, 1°, a), van het Wetboek van economisch recht en derhalve de hoedanigheid van onderneming heeft en dan weer niet daaraan voldoet en die hoedanigheid niet heeft. De prejudiciële vraag steunt daarom op een onjuist uitgangspunt. Het in die vraag vermelde verschil in behandeling is onbestaande. A.4. In elk geval is artikel I.1, eerste lid, 1°, a), van het Wetboek van economisch recht bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aldus de Ministerraad. Het is niet onredelijk dat een natuurlijke persoon die op zelfstandige basis het mandaat van bestuurder van een vennootschap uitoefent als beroepsactiviteit, failliet kan worden verklaard en een kwijtschelding van de restschulden kan genieten. De kwijtschelding is immers bedoeld om gefailleerden die te goeder trouw zijn een tweede kans te bieden, teneinde het ondernemerschap aan te moedigen en een nieuwe start mogelijk te maken. -B- B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de voorwaarden waaronder een natuurlijke persoon die bestuurder is van een vennootschap als een onderneming wordt beschouwd. B.2. Boek XX van het Wetboek van economisch recht heeft betrekking op de insolventie van de ondernemingen. Dat boek werd ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht ». Artikel 70 van die wet heeft de faillissementswet van 8 augustus 1997 opgeheven, onder voorbehoud van de verdere toepassing ervan op de lopende faillissementsprocedures. B.3.1. Artikel I.23 van het Wetboek van economisch recht bevat de definities voor de toepassing van het voormelde boek XX. Die bepaling definieert het begrip « schuldenaar » als « een onderneming met uitzondering van iedere publiekrechtelijke rechtspersoon » (8°). 4 B.3.2. Krachtens artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij artikel 35 van de wet van 15 april 2018 « houdende hervorming van het ondernemingsrecht », wordt voor de toepassing van dat Wetboek onder « onderneming » verstaan : « elk van volgende organisaties : (
  5. a)iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent; (
  6. b)iedere rechtspersoon; (
  7. c)iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. […] ». B.3.3. Artikel XX.99, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht bepaalt : « De schuldenaar die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en van wie het krediet geschokt is, bevindt zich in staat van faillissement ». B.3.4. Artikel XX.173 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « § 1. Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of een derde. De kwijtschelding heeft geen gevolgen voor de onderhoudsschulden van de gefailleerde noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft. § 2. Onverminderd paragraaf 1, bevrijden de sluiting van het faillissement bedoeld in artikel XX.135 en de sluiting bedoeld in artikel XX.171 de schuldenaar van zijn restschulden. § 3. Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan, bij verzoekschrift waarvan door de griffier wordt kennis gegeven aan de gefailleerde vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis vorderen dat de kwijtschelding voor een deel of volledig wordt geweigerd bij met redenen omklede beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement, of wetens naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand op de vragen van de rechter-commissaris of van de curator onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. [...] ». 5 B.4.1. Uit de prejudiciële vraag en de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege het Hof ondervraagt over het verschil in behandeling dat zou voortvloeien uit het feit dat artikel I.1, eerste lid, 1°, a), van het Wetboek van economisch recht op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd, waardoor eenzelfde natuurlijke persoon die bestuurder is van een vennootschap in een eerste interpretatie wel en in een tweede interpretatie niet als een onderneming zou worden beschouwd, en dat hij uitsluitend in de eerste interpretatie een kwijtschelding van de restschulden in geval van een faillissement zou kunnen genieten, overeenkomstig artikel XX.173 van dat Wetboek. B.4.2. Aldus heeft de prejudiciële vraag, zoals de Ministerraad aanvoert, betrekking op de interpretatie van artikel I.1, eerste lid, 1°, a), van het Wetboek van economisch recht. Het staat aan de hoven en rechtbanken, onder toezicht van het Hof van Cassatie, te beoordelen of een natuurlijke persoon die bestuurder is van een vennootschap al dan niet als een onderneming dient te worden beschouwd (zie in dat verband ook Cass., 23 november 2023, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.1; 9 februari 2023, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230209.1F.1; 18 maart 2022, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220318.1F.9). Het Grondwettelijk Hof is niet bevoegd om een verschil in behandeling dat louter voortvloeit uit de uiteenlopende interpretatie van eenzelfde wetsbepaling door verschillende hoven en rechtbanken, te toetsen aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, aangezien het aan het Hof van Cassatie toekomt de eenheid van interpretatie en van toepassing van de rechtsnormen te waarborgen. B.5. De prejudiciële vraag is onontvankelijk. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag is onontvankelijk. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 april 2025. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.060 Gerelateerde publicatie(
  8. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220318.1F.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230209.1F.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.