id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.064 Arrest- Rolnummer: 64/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-05-05 Raadplegingen: 276 - laatst gezien 2026-06-14 19:33 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 986 en 991 van hetzelfde Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Gerechtelijk recht - Gerechtelijk deskundigenonderzoek - Vereenvoudigd deskundigenonderzoek - Ereloon van de deskundige - Begroting - Ontstentenis van mogelijkheid van verzet of hoger beroep Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 64/2025 van 24 april 2025 Rolnummer : 8228 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 986 en 991 van hetzelfde Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 30 mei 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 juni 2024, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 986 en 991 van dat Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd of in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, wanneer het in die zin wordt geïnterpreteerd dat de beslissing waarbij het ereloon wordt begroot van de deskundige, die in het kader van een beperkt optreden (het zogenaamde ‘ vereenvoudigde ’ deskundigenonderzoek) in de zin van het voormelde artikel 986 is aangewezen, niet vatbaar is voor verzet of hoger beroep ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 26 februari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden 2 gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 15 mei 2023 wijst de Ondernemingsrechtbank Henegouwen, in het kader van een geschil met betrekking tot een verkoop van onroerende goederen, een deskundige aan voor een opdracht tot vereenvoudigd deskundigenonderzoek. Op 11 september 2023 sluit de deskundige zijn verslag af, waarbij hij zijn staat van het ereloon en de kosten voegt. Op de terechtzitting van 2 oktober 2023 betwist de eisende partij voor de Ondernemingsrechtbank de staat van het ereloon en de kosten, aangezien zij van mening is dat het aantal uren dat is besteed aan het bestuderen van het dossier, te hoog wordt geschat. In het proces-verbaal van verhoor van diezelfde datum begroot de Ondernemingsrechtbank Henegouwen de staat van het ereloon en de kosten van de deskundige zoals die is vastgesteld door die laatste in het kader van het verhoor. Op 11 december 2023 wordt hoger beroep ingesteld tegen die beslissing. Bij arrest van 30 mei 2024 stelt het Hof van Beroep te Bergen vast dat het bevoegde rechtscollege, in het kader van een vereenvoudigd deskundigenonderzoek, het ereloon en de kosten van de deskundige onmiddellijk moet begroten onderaan het proces-verbaal van de zitting. Tegen die beslissing kan geen hoger beroep worden ingesteld. Het Hof van Beroep te Bergen is van oordeel dat, hoewel het juist is dat de wetgever de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis kan beperken, de vraag rijst of artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verschil in behandeling creëert tussen de procedure voor het begroten van het ereloon en de kosten van de deskundige die optreedt in het kader van het vereenvoudigde deskundigenonderzoek, bedoeld in artikel 986 van het Gerechtelijk Wetboek, en die welke wordt geregeld in het kader van het « klassieke » deskundigenonderzoek, dat wordt beschreven in de artikelen 972 tot 983 van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij hoger beroep enkel openstaat in het tweede geval, terwijl de situaties die verschillend worden behandeld, vergelijkbaar zijn, aangezien de financiële last van een vereenvoudigd deskundigenonderzoek even groot kan zijn als die welke voortvloeit uit een « klassiek » deskundigenonderzoek. Het verwijzende rechtscollege stelt bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad brengt in herinnering dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het recht op een dubbele aanleg niet waarborgt en dat er, behalve in het strafrecht, geen algemeen beginsel bestaat dat een dergelijke waarborg inhoudt. 3 A.
- Hij doet gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling op een objectief criterium berust, namelijk de aard van het deskundigenonderzoek dat is bevolen door de rechter in het kader van het geschil. A.
- Hij merkt op dat de in het geding zijnde bepaling ertoe strekt het goede verloop van het gerechtelijk deskundigenonderzoek te waarborgen en de geschillen die in de loop van de procedure van het deskundigenonderzoek kunnen ontstaan, zoveel mogelijk te beperken. Het doel van het vereenvoudigde deskundigenonderzoek bestaat erin technisch advies te verlenen aan de rechters, binnen een ingekorte termijn en tegen een lagere kostprijs. Aangezien het niet aan dezelfde formele en procedurele vereisten als het klassieke deskundigenonderzoek is onderworpen, maakt het het eveneens mogelijk om het risico van procedure-incidenten te beperken. Gelet op die doelstellingen is het pertinent dat niet wordt voorzien in een mogelijkheid om hoger beroep in te stellen of verzet aan te tekenen tegen de beslissing waarbij het ereloon van deskundigen ingevolge een vereenvoudigd deskundigenonderzoek wordt begroot. A.
- Ten slotte voert de Ministerraad aan dat de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen heeft, aangezien de kosten van het vereenvoudigde deskundigenonderzoek aanzienlijk minder hoog zijn dan die van het klassieke deskundigenonderzoek, omdat het eerste niet aan hetzelfde formalisme wordt onderworpen en omdat daarbij niet dezelfde opeenvolgende stappen in acht moeten worden genomen als bij het tweede. Het vereenvoudigde deskundigenonderzoek beperkt zich tot de technische aspecten van de gestelde vraag. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de beslissing waarbij het ereloon wordt begroot van de deskundige die in het kader van een beperkt optreden met toepassing van artikel 986 van het Gerechtelijk Wetboek (hierna : het vereenvoudigde deskundigenonderzoek) is aangewezen, niet vatbaar is voor verzet of hoger beroep, terwijl de beslissing waarbij het ereloon van de deskundige wordt begroot met toepassing van artikel 991 van hetzelfde Wetboek, wel vatbaar is voor verzet en hoger beroep. B.
- Artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « §
- Met uitzondering van de beslissingen genomen met toepassing van de artikelen 971, 979, 987, eerste lid, en 991, zijn de beslissingen die het verloop van de procedure van het deskundigenonderzoek regelen niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. §
- De beslissingen die het onderwerp kunnen zijn van een gewoon rechtsmiddel in de zin van § 1 zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep. In afwijking van artikel 1068, eerste lid, maakt het hoger beroep tegen deze beslissingen de andere aspecten van het geschil zelf niet aanhangig bij de rechter in hoger beroep ». 4 B.
- Het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil heeft betrekking op een vereenvoudigd deskundigenonderzoek dat is bevolen met toepassing van artikel 986 van het Gerechtelijk Wetboek. Die bepaling luidt : « De rechter kan een deskundige aanwijzen die aanwezig moet zijn bij een onderzoeksmaatregel die hij heeft bevolen om technische toelichting te verstrekken. De rechter kan eveneens een deskundige aanwijzen om mondeling verslag te doen op de daartoe vastgestelde zitting. De rechter kan deze deskundigen gelasten tijdens hun verhoor stukken over te leggen die dienstig zijn voor de oplossing van het geschil. De deskundige mag zich van stukken bedienen. Deze stukken worden na de tussenkomst van de deskundige ter griffie neergelegd. De partijen of hun raadslieden kunnen hiervan kennis nemen. Van de verklaring van de deskundige wordt procesverbaal opgemaakt. Het ereloon en de kosten van de deskundige worden door de rechter onmiddellijk begroot onderaan het proces-verbaal met bevel tot tenuitvoerlegging ten laste van de partij of partijen die hij aanwijst en in de verhouding die hij bepaalt. Deze bedragen zullen in de eindbeslissing als gerechtskosten worden begroot ». B.
- Het deskundigenonderzoek dat niet vereenvoudigd is (hierna : het klassieke deskundigenonderzoek), moet voldoen aan de in de artikelen 972 tot 983 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde formele en procedurele vereisten. De begroting van het ereloon van het klassieke deskundigenonderzoek wordt geregeld in artikel 991 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt : « §
- Indien de partijen niet binnen dertig dagen na de neerlegging ter griffie van de gedetailleerde staat overeenkomstig § 2 aan de rechter hebben meegedeeld dat zij het bedrag van het ereloon en de kosten die door de deskundige worden aangerekend, betwisten, wordt dat bedrag door de rechter begroot onderaan op de minuut van de staat en wordt daarvan een bevel tot tenuitvoerlegging gegeven overeenkomstig het akkoord dat de partijen gesloten hebben of tegen de partij of partijen, zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot. §
- Indien één of meer partijen binnen de in § 1 bedoelde termijn niet akkoord gaan met de staat van kosten en ereloon en hun standpunt met redenen omkleden, gelast de rechter, overeenkomstig artikel 973, § 2, de oproeping van de partijen teneinde het bedrag van de kosten en het ereloon te begroten. De rechter stelt het bedrag vast van de kosten en het ereloon onverminderd eventuele schadevergoeding en intresten. 5 Hij houdt hoofdzakelijk rekening met de zorgvuldigheid waarmee het werk werd uitgevoerd, de nakoming van de vooropgestelde termijnen en de kwaliteit van het geleverde werk. Hij kan daarbij ook rekening houden met de moeilijkheid en duur van het geleverde werk, de hoedanigheid van de deskundige en de waarde van het geschil. De rechter verklaart het vonnis uitvoerbaar tegen de partij of partijen zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot. §
- Deze bedragen zullen in de eindbeslissing als gerechtskosten worden begroot ». De krachtens die bepaling genomen beslissingen met betrekking tot de begroting van het ereloon van de deskundigen zijn vatbaar voor hoger beroep en verzet, aangezien zij, bij wijze van uitzondering, uitdrukkelijk in artikel 963, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek worden beoogd, terwijl uit diezelfde bepaling voortvloeit dat zulks niet het geval is voor de krachtens artikel 986, vierde lid, van hetzelfde Wetboek genomen beslissingen. B.
- Het Hof wordt verzocht om artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.6.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.
- Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op een eerlijk proces. Artikel 14 van hetzelfde Verdrag verbiedt discriminaties bij het genot van de rechten en vrijheden die in het Verdrag zijn vermeld. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt niet het recht op een dubbele aanleg of op een cassatieberoep. Behalve in strafzaken bestaat er bovendien 6 geen algemeen beginsel dat een dergelijke waarborg inhoudt. Evenmin bestaat er een algemeen beginsel dat een recht op een cassatieberoep waarborgt. Wanneer de wetgever evenwel ten aanzien van bepaalde rechterlijke beslissingen voorziet in de mogelijkheid om hoger beroep of cassatieberoep in te stellen, mag hij die mogelijkheid niet zonder redelijke verantwoording ontzeggen aan rechtzoekenden die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. B.
- Het bij de in het geding zijnde bepaling in het leven geroepen verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de aard van het deskundigenonderzoek dat werd bevolen door de rechter. B.8.
- Het klassieke deskundigenonderzoek is onderworpen aan de vereisten van de artikelen 972 tot 983 van het Gerechtelijk Wetboek. Die bepalingen regelen de inhoud van de beslissing waarbij het deskundigenonderzoek wordt bevolen (artikel 972), de verplichting tot medewerking van de partijen en de oproeping voor de vergaderingen (artikel 972bis), de controle van het verloop van het deskundigenonderzoek (artikel 973), de neerlegging van het tussentijds verslag en de verlenging van de opdracht van de deskundige (artikel 974), de neerlegging van de bevindingen en de inaanmerkingneming van de opmerkingen van de partijen (artikel 976), de verzoening van de partijen (artikel 977), de neerlegging van het eindverslag (artikel 978), de vervanging van de deskundige (artikel 979), de tussenkomsten van de partijen in de loop van het deskundigenonderzoek (artikelen 980 en 981), het deskundigenonderzoek door meerdere deskundigen (artikel 982) en de kennisgeving van het vonnis aan de deskundige (artikel 983). Uit die procedurele en formele verplichtingen vloeit voort dat de kosten voor dat soort van deskundigenonderzoek hoog zijn en dat de volledige uitvoering ervan lang duurt. Bovendien, zoals de Ministerraad opmerkt, is het risico van procedure-incidenten hoger omdat bij het klassieke deskundigenonderzoek meer stappen worden doorlopen. De bij artikel 986 van het Gerechtelijk Wetboek aan de rechters toegewezen bevoegdheid om een vereenvoudigd deskundigenonderzoek te bevelen maakt het mogelijk die problemen te verhelpen. 7 B.8.
- In dezelfde zin heeft het in het geding zijnde artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek tot doel het goede verloop en de snelheid van het deskundigenonderzoek te waarborgen. De wetgever wou de geschillen die in de loop van het deskundigenonderzoek konden ontstaan, zoveel mogelijk beperken (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-2161/001, pp. 46 en 96). De in het geding zijnde bepaling voert bijgevolg een principiële regel in, namelijk de onmogelijkheid om hoger beroep in te stellen of verzet aan te tekenen tegen de beslissingen waarbij het verloop van de procedure van het deskundigenonderzoek wordt geregeld, die maar vier limitatief opgesomde uitzonderingen kent, namelijk de beslissingen die met toepassing van de artikelen 971, 979, 987, eerste lid, en 991 van het Gerechtelijk Wetboek zijn genomen. Gelet op de voormelde doelstellingen is het redelijk verantwoord dat de beslissing met betrekking tot de begroting van het ereloon van een deskundige die in het kader van een procedure van een vereenvoudigd deskundigenonderzoek is aangewezen, niet vatbaar is voor hoger beroep, in tegenstelling tot hetgeen het geval is voor de beslissing met betrekking tot het ereloon van een deskundige die is aangewezen om een klassiek deskundigenonderzoek uit te voeren. B.
- Ten slotte, aangezien de rechtzoekenden enkel ertoe zijn gehouden het ereloon van de deskundige te betalen nadat dat ereloon aan het oordeel van de rechter werd onderworpen en aangezien de kostprijs van het vereenvoudigde deskundigenonderzoek doorgaans aanzienlijk minder hoog is dan de kostprijs van het klassieke deskundigenonderzoek, heeft de maatregel geen onevenredige gevolgen. B.
- Artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 april
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.064 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div