id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.065 Arrest- Rolnummer: 65/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-05-05 Raadplegingen: 266 - laatst gezien 2026-06-16 08:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 12 en 13 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 21 december 2012 « tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Gewestbelastingen - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Belasting op bebouwde eigendommen en op sommige onroerende goederen - Betalingsachterstand - Verhogingen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 65/2025 van 24 april 2025 Rolnummer : 8238 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 12 en 13 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 21 december 2012 « tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 22 september 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 juni 2024, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 12 en 13 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in samenhang gelezen met de andere bepalingen van dezelfde ordonnantie, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en artikel 16 van de Grondwet, - in zoverre zij erin voorzien dat de gewestbelasting ten laatste twee maanden, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de verzending van het aanslagbiljet, moet worden betaald, dat in geval van niet-betaling een herinneringsbrief wordt verstuurd, dat in geval van niet-betaling binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de verzending van die eerste herinneringsbrief, een tweede herinneringsbrief bij aangetekende postzending of bij elektronische aangetekende zending wordt verstuurd, dat, indien de gewestbelasting niet 2 werd betaald binnen de termijn bedoeld in artikel 12, § 1, een verhoging verschuldigd is gelijk aan 20 % van het ontdoken of laattijdig betaalde belastingbedrag en dat voor elke niet-betaalde of buiten de termijn van dertig dagen, ingaande vanaf de zevende dag volgend op de verzending van de eerste herinneringsbrief bedoeld in artikel 12, § 2, betaalde gewestbelasting, een verhoging verschuldigd is gelijk aan 50 % van het ontdoken of te laat betaalde belastingbedrag; - in zoverre de in artikel 13 bedoelde verhogingen ertoe strekken de niet-betaling van de belasting binnen de in de artikelen 12 en 13 bedoelde termijnen te bestraffen, terwijl de loutere niet-tijdige betaling van de belastingen meestal enkel aanleiding geeft tot de toepassing van nalatigheidsinteresten, met uitsluiting van een sanctie, hetgeen een onverantwoord verschil in behandeling zou kunnen uitmaken tussen de personen die de in de ordonnantie van 21 december 2012 bedoelde belastingen (zijnde de belasting die is bedoeld in de ordonnantie van 23 juli 1992 betreffende de gewestbelasting ten laste van houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen en de belastingen die zijn bedoeld in de ordonnantie van 22 december 1994 betreffende de overname van de provinciale fiscaliteit, volgens artikel 2 van de ordonnantie van 21 december 2012) verschuldigd zijn en de personen die andere belastingen verschuldigd zijn; - in zoverre de in artikel 13 bedoelde verhogingen automatisch van toepassing zijn, zonder mogelijkheid voor de administratie en voor de hoven en rechtbanken die ertoe worden gebracht kennis te nemen van een beroep tegen die verhogingen, om rekening te houden met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de omvang van de verhogingen en zonder mogelijkheid om maatregelen tot individualisering van die sancties toe te passen (zoals de vaststelling van de sanctie tussen een minimum en een maximum, de inaanmerkingneming van verzachtende omstandigheden, de mogelijkheid om de verhoging te verminderen of het uitstel), gelet op de ernst van de inbreuk en de persoonlijkheid van degene die ze heeft begaan, met inbegrip van het bedrieglijk opzet, de goede trouw en het repetitieve of occasionele karakter van de inbreuk, hetgeen erop zou kunnen neerkomen dat personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld; - in zoverre de in artikel 13 bedoelde verhogingen kunnen worden toegepast naast de van rechtswege eisbare interest indien de belasting niet wordt betaald binnen de termijnen, volgens artikel 14 van dezelfde ordonnantie van 21 december 2012, hetgeen inhoudt dat de in artikel 13 bedoelde verhogingen niet ertoe strekken de financiële gevolgen van de betalingsachterstanden te compenseren, waarmee rekening zou kunnen worden gehouden om te beoordelen of de in artikel 13 bedoelde verhogingen onevenredig zijn; - in zoverre dat systeem van verhoging ertoe kan leiden dat de niet-betaling van de belasting binnen de in de artikelen 12 en 13 bedoelde termijnen strenger wordt bestraft dan de overtredingen van dezelfde ordonnantie van 21 december 2012, die worden begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, waarvoor het bedrag van de geldboete is vastgesteld op een maximumbedrag van 20 000 euro voor een eerste inbreuk wanneer de ontdoken belasting minstens 10 000 euro bedraagt, volgens artikel 28/1 van die ordonnantie, en in zoverre de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend zou kunnen zijn dat zij leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling; - en in zoverre de in artikel 13 bedoelde verhogingen onevenredige beperkingen van de rechten van de betrokken personen en een onevenredige aantasting van het recht op het ongestoord genot van de eigendom inhouden ? ». 3 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de Franse Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Antoine Dayez en mr. Sébastien De Schrevel, advocaten bij de balie te Brussel; - het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Cédric Molitor en mr. Matthieu de Mûelenaere, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 26 februari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De Franse Gemeenschap is, voor het aanslagjaar 2017, vijf aanslagen in de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen verschuldigd, belasting die in het leven is geroepen bij de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 « betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen ». Na twee betalingsherinneringen vorderen de bevoegde diensten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van de Franse Gemeenschap, naast de nalatigheidsinteresten, verhogingen ten bedrage van 306 379,93 euro, zijnde 50 % van het bedrag van de verschuldigde belastingen. De Franse Gemeenschap betwist die inkohiering voor de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die het verwijzende rechtscollege is. Zij verzoekt de Rechtbank om de gevorderde verhogingen geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden of, zo niet, uitstel toe te passen, wegens het feit dat die veel weg hebben van strafsancties en onevenredig zijn. Aangezien het verwijzende rechtscollege vaststelt dat de verhogingen wel degelijk strafsancties in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens uitmaken en dat het, op grond van de in het geding zijnde ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 21 december 2012 « tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », over geen enkele mogelijkheid beschikt om de bedragen te moduleren, acht het het noodzakelijk om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
- Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is de prejudiciële vraag onduidelijk. Volgens haar omvat zij zes subvragen die overeenstemmen met de zes « streepjes » ervan. 4 Ten eerste behoeft de loutere herinnering aan de in het geding zijnde bepaling, in het eerste « streepje », geen antwoord. Indien het de bedoeling is om de mogelijkheid zelf om verhogingen en betalingstermijnen uit te vaardigen in het geding te brengen, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat die mogelijkheid inherent is aan de fiscale bevoegdheid. Ten tweede wordt in de prejudiciële vraag gewezen op het feit dat de loutere betalingsachterstand doorgaans geen aanleiding geeft tot een sanctie maar tot nalatigheidsinteresten. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering wordt in die zin uitgegaan van de verkeerde veronderstelling dat de in het geding zijnde verhogingen een strafsanctie uitmaken. Zij hebben daarentegen een aansporend doel en geen enkele repressieve bedoeling, in tegenstelling tot de administratieve geldboeten waarin uitdrukkelijk in artikel 28/1 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 21 december 2012 « tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 21 december 2012) is voorzien. In dat deel van de prejudiciële vraag lijkt eveneens te worden aangenomen dat alle fiscale wetgevers op dezelfde wijze wetgevend zouden moeten optreden. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kan zijn fiscale bevoegdheid evenwel op een andere manier uitoefenen dan de andere entiteiten van het land, en is bovendien niet ertoe gehouden in een uniforme behandeling te voorzien voor alle belastingen die het in het leven roept. Ten derde worden in de prejudiciële vraag het automatische karakter van de verhogingen en het gebrek aan individualisering opgeworpen. Zoals hiervoor is vermeld, betwist de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat de verhogingen als strafsancties in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden beschouwd. Niets maakt het mogelijk zulks vast te stellen, aangezien er internrechtelijk geen enkele kwalificatie in die zin bestaat, aangezien die verhogingen niet ertoe strekken strafbaar gedrag te bestraffen maar enkel aansporend zijn, en aangezien zij geen betrekking hebben op een aanzienlijk bedrag, omdat dat laatste wordt vastgesteld in verhouding tot de verschuldigde belasting en a fortiori in verhouding tot de vermoedelijke draagkracht van de belastingplichtige. In ondergeschikte orde, indien de verhogingen als strafsancties zouden moeten worden aangemerkt, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat er geen supralegislatieve verplichting bestaat om voor de rechter te voorzien in de mogelijkheid om het bedrag te moduleren. De enige verplichting bestaat erin dat niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt, aan de rechter mag kunnen ontsnappen. Te dezen bestaat er evenwel geen enkele beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de administratie, en dus geen enkele schending. Ten slotte ziet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering niet in in welk opzicht het gedrag van de belastingschuldige in aanmerking zou moeten worden genomen, rekening houdend met het doel dat erin bestaat de inning van de inkomsten uit de gewestelijke fiscaliteit te optimaliseren en dat van toepassing is ongeacht de bedoeling van de belastingschuldige. Ten vierde heeft de prejudiciële vraag betrekking op het naast elkaar bestaan van de verhogingen en de nalatigheidsinteresten. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst naar de argumentatie die is uiteengezet met betrekking tot de tweede subvraag. Voor het overige beklemtoont zij dat de twee mechanismen verschillende doelstellingen nastreven, namelijk de compensatie van de betalingsachterstand voor de interesten, en de optimalisering van de inning voor de verhogingen. Volgens haar wil het verwijzende rechtscollege in werkelijkheid dat geen enkele verhoging ooit nog mogelijk is wanneer nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn. Ten vijfde blijkt uit de prejudiciële vraag een verschil in behandeling met de belastingschuldigen die bedrog hebben gepleegd. Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is die vergelijking niet pertinent. De in het geding zijnde verhogingen zijn van toepassing, ongeacht de reden voor de betalingsachterstand. In geval van bedrog kan de belastingschuldige worden veroordeeld tot een administratieve geldboete met toepassing van artikel 28/1, § 1, van de ordonnantie van 21 december
- De persoon die bedrog pleegt, wordt dus mogelijk tegelijk aan de geldboeten, aan de verhogingen en aan de nalatigheidsinteresten onderworpen. De toepassingsgebieden van de geldboeten en van de verhogingen zijn verschillend en dus niet vergelijkbaar. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voegt eraan toe dat de bedragen evenmin vergelijkbaar zijn, aangezien de geldboeten vaststaan, terwijl de verhoging wordt vastgesteld op grond van de verschuldigde belasting en bijgevolg in verhouding staat tot de draagkracht van de belastingschuldige. Ten zesde vermeldt de prejudiciële vraag de bestaanbaarheid met het eigendomsrecht. Aangezien de eerste vijf subvragen moeten worden verworpen, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat hetzelfde geldt voor de zesde subvraag. In ondergeschikte orde voert zij aan dat het eigendomsrecht niet absoluut is, vooral in fiscale zaken, waar de wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt. Indien een belastingverhoging kan worden beschouwd als een inmenging, wordt zij verantwoord door het doel dat erin bestaat de heffing van de 5 belastingen te waarborgen. Bovendien is het bedrag niet dermate hoog dat het het evenwicht tussen het algemeen belang en de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom klaarblijkelijk zou verbreken. Een voorzichtige en zorgvuldige belastingplichtige die tijdig betaalt, zal eraan ontsnappen. Ten slotte is de verhoging gradueel en wordt het tarief vastgesteld in verhouding tot de draagkracht van de belastingschuldige, terwijl het aansporend blijft. A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de bij de artikelen 12 en 13 van de ordonnantie van 21 december 2012 ingevoerde verhogingen het evenredigheidsbeginsel schenden en een onverantwoorde inmenging in het recht op het ongestoord genot van haar eigendom uitmaken. In de eerste plaats kan de onevenredigheid worden afgeleid uit de ontstaansgeschiedenis van de maatregel. De in het geding zijnde verhogingen hebben de oorspronkelijke verhoging van 200 % van het bedrag van de belasting, die is vastgelegd in artikel 17 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 « betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen », vervangen. Die verhoging was reeds bekritiseerd door de afdeling wetgeving van de Raad van State. In 2019 heeft de ordonnantiegever geoordeeld dat nalatigheidsinteresten van 7 % volstonden om de niet-tijdige betaling doeltreffend te bestraffen en aan te sporen tot het betalen van de belasting. De tarieven van 20 % en 50 % staan bijgevolg niet in verhouding tot hetgeen de ordonnantiegever inmiddels als adequaat beschouwt en volgens de Franse Gemeenschapsregering bewijst dat voldoende dat de in het geding zijnde maatregel onevenredig is in de ogen zelf van de ordonnantiegever van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Vervolgens wordt de onevenredigheid versterkt door het naast elkaar bestaan van de in het geding zijnde verhogingen en de nalatigheidsinteresten. Die laatste vormen maatregelen die de rechten van de belastingschuldigen minder aantasten dan de verhogingen en het nagestreefde aansporende doel op even adequate wijze bereiken, zoals de Franse Gemeenschapsregering reeds heeft opgeworpen. Bijgevolg vormen de verhogingen een overlapping en gaan zij verder dan hetgeen noodzakelijk is, zonder enig nadeel te vergoeden. Dat naast elkaar bestaan is overigens een zeldzaamheid in vergelijking met andere, met name federale belastingen, waarvoor geen enkele verhoging bestaat voor de loutere betalingsachterstand, wanneer geen sprake is van bedrieglijk opzet, wegens het bestaan zelf van de nalatigheidsinteresten. Ten slotte zijn de in het geding zijnde verhogingen des te onevenrediger daar er, met toepassing van de voormelde ordonnantie van 23 juli 1992, zoals gewijzigd bij de ordonnantie van 21 december 2012, een mogelijkheid bestaat om administratieve geldboeten op te leggen wegens inbreuk op de verplichtingen die voortvloeien uit die ordonnantie. Die mogelijkheid vormt eveneens een overlapping met de verhogingen, waarvan het doel eveneens erin bestaat een gedrag te bestraffen. De Franse Gemeenschapsregering beweert dat het feit dat die administratieve geldboeten over het algemeen minder aanzienlijk zijn dan de verhogingen, terwijl die laatste geen enkel bedrieglijk gedrag vooronderstellen, haar argument nog versterkt. A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering voert vervolgens aan dat de bekritiseerde regeling van verhogingen in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in zoverre zij geen enkele mogelijkheid tot modulering of kwijtschelding toestaat, terwijl die verhogingen strafsancties in de zin van die bepaling uitmaken. De verhogingen zijn immers op identieke wijze van toepassing, ongeacht het al dan niet bedrieglijk opzet, de goede of de kwade trouw van de belastingschuldige, of nog, los van het bestaan van overmacht. Die ontstentenis is des te onevenrediger daar, voor andere belastingen, met name de in artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde directe belastingen, de mogelijkheid om een verhoging van 50 % van het ingekohierde bedrag uit te spreken, is gebaseerd op het bestaan van bedrog, en die verhoging kan worden verminderd of volledig kan worden kwijtgescholden. A.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering antwoordt dat het feit dat de ordonnantiegever zich pas in 2019 heeft gebogen over de evenredigheid, niet toelaat te besluiten dat de regeling van 2012 onevenredig is. Dat zou immers erop neerkomen dat wordt aangevoerd dat de wetgever destijds klaarblijkelijk niet op een goede manier wetgevend zou zijn opgetreden, ondanks zijn vrijheid ter zake. Uit de invoering van een nieuwe regeling kan niet worden afgeleid dat de oude ipso facto ongrondwettig zou zijn. Bovendien verschilt de feitelijke situatie van die welke door de Franse Gemeenschapsregering is voorgesteld, aangezien de opeenvolgende ordonnanties, tussen 1992 en 2019, niet vergelijkbaar zijn wat de respectieve toepassingsgebieden ervan betreft. Wat de vergelijking met de federale belastingen betreft, beweert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat niets de decreet- en ordonnantiegevers verplicht om op dezelfde wijze wetgevend op te treden als de federale wetgever, op gevaar af het federalisme van het land te miskennen. 6 Ten slotte, wat het strafrechtelijke karakter betreft, is de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van mening dat de Franse Gemeenschapsregering dat punt enkel tot uitdrukking brengt, zonder het op enigerlei wijze te staven. Zij ziet niet in wat het bestrafte gedrag zou zijn. De verhoging wordt veroorzaakt door het verstrijken van de tijd, dat een volkomen objectief criterium is. De vermelding van overmacht is overigens niet pertinent, aangezien die volgens het Hof van Cassatie steeds kan worden aangevoerd als ontheffingsclausule. A.
- Volgens de Franse Gemeenschapsregering gaat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering over tot een kunstmatige opsplitsing van de prejudiciële vraag die het niet mogelijk maakt de schending van het evenredigheidsbeginsel naar behoren te begrijpen. In tegenstelling tot hetgeen de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aanvoert, brengt de Franse Gemeenschapsregering niet de bevoegdheid van het Gewest om een verhoging uit te vaardigen in het geding, maar betwist zij de nadere regels en de evenredigheid van de verhogingen die te dezen in het leven werden geroepen. Wat het zogenaamd aansporende karakter van de verhogingen betreft, voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat het, bij de lezing van de parlementaire voorbereiding van 1992, overduidelijk is dat zij een repressief karakter hebben, aangezien zij ertoe strekken de niet-tijdige betaling te bestraffen. In dat verband vergelijkt zij die situatie met die van de strafbedingen, die ertoe strekken de niet-uitvoering van een contractuele verplichting forfaitair te bestraffen, en die zijn beperkt tot 10 %. Dat vormt het bewijs dat de ordonnantiegever verder is gegaan dan hetgeen noodzakelijk is. Bovendien voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat, aangezien de verhoging het bedrag van de strafrechtelijke geldboete te boven gaat, zoals dat te dezen het geval is, niet kan worden betwist dat zij een strafrechtelijk karakter heeft. Het feit dat de geldboete in bepaalde gevallen hoger kan zijn dan de verhoging, doet daaraan geen afbreuk. Wat betreft de bevoegdheid van de rechter en de beoordelingsmarge van de administratie die beperkt is, beweert de Franse Gemeenschapsregering dat het net dat is wat zij betwist en wat volgens haar haar grondrechten schendt. Het argument van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met betrekking tot het feit dat de verhogingen geen overlapping vormen met de nalatigheidsinteresten, kan niet worden gevolgd en geen enkele dergelijke analyse blijkt uit de parlementaire voorbereiding. De Franse Gemeenschapsregering brengt in herinnering dat de wetgeving van 2019 de verhoging gewoonweg heeft afgeschaft, net omdat de interesten toereikend werden bevonden. Bovendien kunnen die laatste worden kwijtgescholden, rekening houdend met de feitelijke situatie en met het gedrag van de belastingschuldige. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1.
- Het geschil voor het verwijzende rechtscollege heeft betrekking op de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen, belasting die in het leven is geroepen bij de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 « betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen ». Die belasting werd ingevoerd om « de financiering van het Gewest [te] waarborgen. Daarbij wil [de Gewestregering] echter niet 7 minder alert zijn voor het beleid inzake huisvesting » (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1991-1992, A-184/1, p. 2). B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 12 en 13 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 21 december 2012 « tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 21 december 2012), die een verhoging van de hiervoor vermelde belasting invoeren in geval van niet-betaling of betaling buiten de opgelegde termijn. Zij bepalen : « Art.
- §
- Zodra de kohieren uitvoerbaar verklaard zijn, wordt aan de betrokken belastingplichtigen een aanslagbiljet gezonden. Het aanslagbiljet is gedateerd en draagt de vermeldingen bedoeld in artikel 10, §
- De gewestbelasting moet ten laatste twee maanden, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de verzending van het aanslagbiljet, worden betaald. §
- In geval van niet-betaling wordt een herinneringsbrief verstuurd. In geval van niet-betaling binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de verzending van deze eerste herinneringsbrief, wordt een tweede herinneringsbrief bij aangetekende postzending of bij elektronische aangetekende zending verstuurd. Beide herinneringsbrieven zijn gedateerd en dragen de vermeldingen aangeduid in de eerste paragraaf. §
- Indien de belastingplichtige hiermee instemt, kunnen de in § 1 bedoelde verzending van aanslagbiljet en de in § 2 bedoelde verzending van eerste herinnering worden vervangen door een elektronische terbeschikkingstelling of een elektronische verzending van deze documenten. Deze elektronische terbeschikkingstelling of elektronische verzending geldt dan als verzending in de zin van §§ 1 en
- De modaliteiten van de elektronische verzending of terbeschikkingstelling worden bepaald door de regering. Art.
- Indien de gewestbelasting niet werd betaald binnen de termijn bedoeld in artikel 12, § 1, is een verhoging verschuldigd gelijk aan 20 % van het ontdoken of laattijdig betaalde belastingbedrag. Voor elke niet-betaalde of buiten de termijn van dertig dagen, ingaande vanaf de zevende dag volgend op de verzending van de eerste herinneringbrief bedoeld in artikel 12, § 2, betaalde gewestbelasting, is een verhoging verschuldigd gelijk aan 50 % van het ontdoken of te laat betaalde belastingbedrag ». De ordonnantie van 21 december 2012 werd sindsdien opgeheven bij artikel 143 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 6 maart 2019 « betreffende de Brusselse Codex Fiscale Procedure ». 8 B.1.
- Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof om de in het geding zijnde bepalingen te onderzoeken in combinatie met de andere bepalingen van de ordonnantie van 21 december 2012, zonder evenwel te preciseren welke. Uit de feiten van de voor het verwijzende rechtscollege hangende zaak blijkt dat het geschil betrekking heeft op de betwisting van verhogingen van 20 % en vervolgens van 50 %, die op de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege zijn toegepast, voor het aanslagjaar
- Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie en tot de bepalingen die uitdrukkelijk in de prejudiciële vraag worden vermeld, namelijk de artikelen 12 en 13 van de ordonnantie van 21 december
- Ten gronde B.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de prejudiciële vraag onduidelijk is geformuleerd en dat zij in werkelijkheid zes subvragen bevat. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing en uit de formulering van de prejudiciële vraag blijkt dat het verwijzende rechtscollege de argumentatie van de eisende partij voor dat rechtscollege heeft willen voorleggen aan het Hof. Volgens die laatste bestaan er een reeks grieven ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen, die alle leiden tot de vordering om het bedrag van de verhogingen die wegens de aangevoerde onevenredigheid ervan worden betwist, kwijt te schelden of te verminderen. Eerst worden de in de in het geding zijnde bepalingen bedoelde verhogingen betwist ten aanzien van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, aangezien er onverantwoorde verschillen in behandeling zouden bestaan. Vervolgens brengt de prejudiciële vraag het automatische karakter van die verhogingen in het geding, alsook de daarmee samenhangende onmogelijkheid voor de rechter om over te gaan tot een vermindering of een kwijtschelding, in het licht van de voormelde referentienormen, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Ten slotte heeft de prejudiciële vraag betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde verhogingen met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met 9 artikel 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), in zoverre zij een onevenredige inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de betrokken belastingschuldigen met zich mee zouden brengen. Het Hof onderzoekt die grieven na elkaar. Wat betreft de verschillen in behandeling B.
- Aan het Hof wordt eerst gevraagd of de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre zij onverantwoorde verschillen in behandeling zouden invoeren. B.4.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt, in fiscale aangelegenheden, een bijzondere toepassing van het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.4.
- Bij het bepalen van zijn beleid in fiscale zaken beschikt de ordonnantiegever over een ruime beoordelingsvrijheid. De bevoegdheid om in belastingverhogingen te voorzien, is inherent aan de belastingbevoegdheid. Het komt de ordonnantiegever toe de nadere regels en de voorwaarden voor een verhoging van de in het geding zijnde belasting te bepalen. Het staat niet aan het Hof te oordelen over de opportuniteit of de wenselijkheid van die verhoging. De maatschappelijke keuzen die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden 10 gemaakt, behoren tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever. Het Hof vermag dergelijke beleidskeuzen, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. B.5.
- Eerst wordt opgeworpen dat er een verschil in behandeling zou bestaan tussen de personen die de in het geding zijnde verhogingen verschuldigd zijn, die ze gecumuleerd zien met de nalatigheidsinteresten, en de personen die andere belastingen verschuldigd zijn, die uitsluitend aan nalatigheidsinteresten worden onderworpen in geval van niet-tijdige betaling, behalve in geval van bedrog. B.5.
- De niet nader gespecificeerde vermelding van personen die andere belastingen verschuldigd zijn, is onvoldoende nauwkeurig om twee categorieën van personen te identificeren wier situaties in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de grondwettigheid van een verschil in behandeling tussen dergelijke categorieën. De prejudiciële vraag, zoals zij is geformuleerd, is in die mate onontvankelijk. B.6.
- Er wordt vervolgens opgeworpen dat er een verschil in behandeling zou bestaan tussen, enerzijds, de personen die de in het geding zijnde verhogingen verschuldigd zijn en wier gedrag niet bedrieglijk is, en, anderzijds, de personen die dezelfde belasting verschuldigd zijn en die aan een administratieve geldboete worden onderworpen, met toepassing van artikel 28/1 van de ordonnantie van 21 december 2012, in geval van bedrieglijk gedrag, in zoverre het bedrag van die geldboete lager kan zijn dan het bedrag van de in het geding zijnde verhogingen. B.6.
- Artikel 28/1 van de ordonnantie van 21 december 2012 biedt de door de Regering gemachtigde ambtenaar de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen aan elke persoon die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden een inbreuk pleegt op de verplichtingen van die ordonnantie. De opgelopen administratieve geldboete kan ten hoogste 20 000 euro bedragen. B.6.
- Het toepassingsgebied van de artikelen 12 en 13 van de ordonnantie van 21 december 2012 is beperkt tot de hypothese waarin de verschuldigde belasting te laat wordt betaald, ongeacht het gedrag van de belastingschuldige. Artikel 28/1 van dezelfde ordonnantie 11 kan dan weer betrekking hebben op hypotheses die veel talrijker en uiteenlopender zijn, en is gebaseerd op het bestaan van bedrieglijk gedrag. De in het geding zijnde verhogingen zijn van toepassing ongeacht het al dan niet bedrieglijke karakter van de betalingsachterstand, en de personen wier betalingsachterstand verband houdt met bedrieglijk gedrag, kunnen worden veroordeeld tot administratieve geldboeten boven op de verhogingen en niet in de plaats ervan. In tegenstelling tot hetgeen de Franse Gemeenschapsregering aanvoert, wordt hetzelfde gedrag dus wel degelijk strenger bestraft in geval van bedrog. Het loutere feit dat, zoals de Franse Gemeenschapsregering opmerkt, het bedrag van de verhogingen in bepaalde gevallen hoger kan zijn dan dat van de opgelopen geldboeten, doet daaraan geen afbreuk. Bijgevolg is het verschil in behandeling van de personen die aan de ene of de andere regeling worden onderworpen, redelijk verantwoord. B.6.
- De artikelen 12 en 13 van de ordonnantie van 21 december 2012 zijn bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Wat betreft de kwijtschelding of de vermindering van de verhogingen B.
- Aan het Hof wordt vervolgens gevraagd of de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie volgens welke het automatische karakter van de verhogingen in geval van niet-tijdige betaling van de verschuldigde belastingen leidt tot de onmogelijkheid voor de rechter om, enerzijds, maatregelen tot individualisering toe te kennen zoals zij mogelijk zijn voor de strafrechter en, anderzijds, de evenredigheid van de verhogingen te beoordelen en bijgevolg een kwijtschelding of een vermindering ervan toe te kennen. B.8.
- Het Hof onderzoekt eerst of de in het geding zijnde verhogingen kunnen worden beschouwd als strafsancties in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 12 B.8.
- Een maatregel is een strafsanctie in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien hij volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter heeft of indien uit de aard van het strafbaar feit, namelijk de algemene draagwijdte en het preventieve en repressieve karakter van de bestraffing, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, of nog, indien uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat, blijkt dat hij een straffend en daardoor ontradend karakter heeft (EHRM, grote kamer, 15 november 2016, A en B t. Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2016:1115JUD002413011, §§ 105-107; grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2009:0210JUD001493903, § 53; grote kamer, 23 november 2006, Jussila t. Finland, ECLI:CE:ECHR:2006:1123JUD007305301, §§ 30-31). B.8.
- Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat de belastingverhoging die is vastgelegd in artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, waarvan de draagwijdte kon worden ingeperkt door de rechter, hoewel zij niet onder het Belgische strafrecht ressorteert, gebaseerd was op een algemene bepaling die op alle belastingplichtigen van toepassing was en een zowel ontradend als repressief doel nastreefde (EHRM, grote kamer, 3 november 2022, Vegotex International S.A. t. België, ECLI:CE:ECHR:2022:1103JUD004981209, § 49). Het heeft bovendien geoordeeld dat die sanctie, die 10 % vertegenwoordigt van de belasting die de verzoekende vennootschap verschuldigd was, aanzienlijk was (ibid.). Als belastingverhogingen « niet strekken tot de geldelijke vergoeding van een nadeel, maar in essentie erop zijn gericht te straffen om een herhaling van soortgelijke handelingen te voorkomen », is dat een factor die kan wijzen op een strafsanctie in de zin van artikel 6 van het Verdrag (EHRM, 24 februari 1994, Bendenoun t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1994:0224JUD001254786, § 47). Hetzelfde geldt voor belastingverhogingen van 10 % van het bedrag van de belasting, waarvan het doel zowel ontradend als repressief blijkt te zijn (EHRM, grote kamer, 23 november 2006, Jussila t. Finland, voormeld, § 38; zie eveneens EHRM, 23 juli 2002, Janosevic t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:2002:0723JUD003461997, § 68). B.8.
- De in artikel 13 van de ordonnantie van 21 december 2012 bedoelde verhogingen werden door de ordonnantiegever niet uitdrukkelijk geconcipieerd als sancties, net zomin als zij in het leven werden geroepen om aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest berokkende 13 schade te vergoeden. Uit de opeenvolgende versies van de wetgevingen ter zake blijkt dat de ordonnantiegever, door een regeling van verhoging van de belasting wegens niet-betaling binnen de toegestane termijn in te voeren, een aansporend doel heeft nagestreefd, zoals de Brusselse Hoofdstedelijke Regering opmerkt. Bovendien wordt in de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 juli 1997 « tot wijziging van de procedure van het onderzoek, de inning en de vervolgingen inzake gewestelijke autonome fiscaliteit », waarbij is overgegaan tot de hervorming van de regeling die vervolgens tot de in het geding zijnde bepalingen heeft geleid, aangegeven dat « deze verhoging [...] niet enkel de administratieve kosten [moet] dekken die een bijkomende administratieve rappelfase met zich brengt, doch ook een voldoende afschrikking [moet] zijn voor de belastingplichtigen opdat ze de belasting niet systematisch te laat betalen » (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1996-1997, A-148/3, p. 15). Met die verhogingen wordt dus eveneens een compenserend en ontradend doel nagestreefd. Die verhogingen kunnen dan ook worden geacht bedoeld te zijn als sanctie voor de niet-naleving van de verplichting tot betaling, « ten laatste twee maanden, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de verzending van het aanslagbiljet » (in het geding zijnde artikel 12, § 1, tweede lid). Ten slotte kunnen die verhogingen in bepaalde gevallen zwaar blijken te zijn, zoals dat te dezen het geval is voor het verwijzende rechtscollege. B.8.
- Bijgevolg overheerst het repressieve karakter van de verhoging en vormt die een sanctie van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.8.
- Het Hof houdt evenwel rekening met het feit dat de in het geding zijnde bepalingen betrekking hebben op een fiscale procedure. Anders dan strafrechtelijke geldboeten in de strikte zin, vormt een belastingverhoging in zekere zin een uitbreiding van de belastingschuld, aangezien ze wordt berekend op basis van die schuld (EHRM, grote kamer, 3 november 2022, Vegotex International S.A. t. België, voormeld, § 62). Ook in het bodemgeschil vormt de belastingverhoging, overeenkomstig de in het geding zijnde bepalingen, een percentage van de verschuldigde belasting. 14 B.9.
- Het Hof onderzoekt eerst de onmogelijkheid voor de burgerlijke rechter om op de in het geding zijnde verhogingen de maatregelen tot individualisering van de straf toe te passen die in de regel aan de strafrechter toebehoren, waaronder de verzachtende omstandigheden of het uitstel. B.9.
- Wanneer de dader van eenzelfde feit op een alternatieve wijze kan worden gestraft, dat wil zeggen wanneer hij, voor dezelfde feiten, ofwel naar de correctionele rechtbank kan worden verwezen ofwel hem een administratieve geldboete kan worden opgelegd waartegen hem een beroep wordt geboden voor een rechtbank, heeft het Hof geoordeeld dat er in beginsel een parallellisme moet bestaan tussen de maatregelen van individualisering van de straf : wanneer voor dezelfde feiten de correctionele rechtbank een boete kan opleggen die minder bedraagt dan het wettelijk minimum indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn (artikel 85 van het Strafwetboek) of wanneer uitstel kan worden toegekend (wet van 29 juni 1964 « betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie »), moet de rechtbank, waarbij het beroep tegen de beslissing om een administratieve sanctie op te leggen aanhangig is gemaakt, in beginsel over dezelfde mogelijkheden van individualisering van de straf beschikken. B.9.
- Zulks is te dezen niet het geval. Het gedrag dat de in het geding zijnde verhogingen beogen te bestraffen, namelijk de niet-betaling van de belasting binnen de opgelegde termijn, kan niet worden vervolgd voor de correctionele rechtbank. Het in B.9.2 vermelde vereiste is dus niet van toepassing. B.10.
- Het Hof onderzoekt vervolgens de onmogelijkheid voor de burgerlijke rechter om de evenredigheid van de in het geding zijnde verhogingen te beoordelen en bijgevolg een kwijtschelding of een vermindering ervan toe te kennen. B.10.
- Aangezien is aangenomen dat de verhogingen een repressief karakter kunnen vertonen, houdt het Hof, bij de toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, rekening met de waarborgen vervat in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en, met name, de waarborg dat een onafhankelijke en onpartijdige rechter een controle met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de door de bevoegde administratieve overheid vastgelegde verhogingen. 15 B.
- Wanneer de wetgever oordeelt dat de inbreuk op de verplichting om binnen de opgelegde termijn te betalen het voorwerp moet uitmaken van een aansporende maatregel met een repressief en ontradend karakter, behoort het tot zijn beoordelingsbevoegdheid te beslissen of het opportuun is om te opteren voor een verhoging, zoals te dezen vastgelegd. De beoordeling van de ernst van die tekortkoming en de zwaarwichtigheid waarmee die kan worden bestraft, behoren tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. B.
- Het staat aan de wetgever om de bedragen van de verhogingen vast te stellen, die hoog kunnen zijn indien de inbreuk de belangen van de gemeenschap ernstig kan aantasten, alsook de nadere regels en grenzen van de beoordelingsbevoegdheid van de administratie en van die van de rechtbank. Het Hof zou een dergelijk systeem alleen kunnen afkeuren indien het op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het algemene beginsel volgens hetwelk inzake sancties niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing van de rechter, of indien het een onevenredige inperking van het recht op een eerlijk proces van de betrokken personen zou inhouden. B.13.
- De in het geding zijnde verhogingen vloeien voort uit de vaststelling, door de administratie, van het overschrijden van de wettelijke betalingstermijnen. De administratie beschikt in dat verband over een zogenoemde gebonden bevoegdheid. Met toepassing van de artikelen 12 en 13 van de ordonnantie van 21 december 2012 beschikt de administratie evenmin over de mogelijkheid om over te gaan tot een kwijtschelding of een vermindering van de opgelopen verhogingen. De rechter dient dus binnen dezelfde grenzen als die van de administratie de opgelopen verhogingen al dan niet te bevestigen, zonder het bedrag ervan te kunnen moduleren. B.13.
- De in het geding zijnde bepalingen verhinderen niet dat tegen de opgelegde belastingverhoging wegens niet-tijdige betaling een beroep wordt ingesteld bij de bevoegde rechter. Evenmin verhinderen die bepalingen dat de rechter diens toezicht uitoefent met volle rechtsmacht, waarbij de rechter kan nagaan of de belastingverhoging in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen. Aldus vermag de rechter in het bijzonder na te gaan of aan de voorwaarden is voldaan om een dergelijke verhoging op te leggen. 16 B.13.
- De omstandigheid dat de administratie een gebonden bevoegdheid heeft, leidt op zich niet tot de schending van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Die bepaling verzet zich niet ertegen dat de wetgever, onder voorbehoud dat hij geen maatregel mag nemen die onredelijk is, vaststelt wanneer een niet-tijdige betaling aanleiding geeft tot een belastingverhoging en aldus de beoordelingsvrijheid van de administratie of de rechter uitsluit. B.
- Daarenboven zijn de in het geding zijnde belastingverhogingen niet onevenredig ten aanzien van het aansporende, compenserende en ontradende doel dat de ordonnantiegever nastreeft. Het bedrag van de in het geding zijnde verhogingen wordt gradueel bepaald. De gewestbelasting moet ten laatste twee maanden, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de verzending van het aanslagbiljet, worden betaald. In geval van niet-betaling wordt een herinneringsbrief verstuurd en is een verhoging verschuldigd gelijk aan 20 % van het ontdoken of niet-tijdig betaalde belastingbedrag. In geval van niet-betaling binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de verzending van de eerste herinneringsbrief, wordt een tweede herinneringsbief verstuurd en is een verhoging verschuldigd gelijk aan 50 % van het ontdoken of niet-tijdig betaalde belastingbedrag. Die bedragen, in tegenstelling tot die van de nalatigheidsinteresten, blijven niet verder oplopen. Zij worden bovendien vastgesteld in verhouding tot het bedrag van de oorspronkelijke belasting. De ordonnantiegever vermocht redelijkerwijs te oordelen dat bij dergelijke weinig complexe feiten er geen reden is om de administratie toe te laten te oordelen over de ernst van de niet-tijdige betaling. De ordonnantiegever vermocht eveneens te oordelen dat het niet noodzakelijk is de administratie ertoe te machtigen de belastingverhoging te verminderen of kwijt te schelden. Hieruit vloeit voort dat de ordonnantiegever kon beslissen aan de rechter geen bevoegdheden toe te wijzen waarover de administratie evenmin beschikt. B.
- Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, zijn de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 17 Wat betreft het eigendomsrecht B.
- Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof ten slotte te onderzoeken of de in het geding zijnde bepalingen geen onevenredige inmenging in het eigendomsrecht van de beoogde belastingschuldigen met zich meebrengen in het licht van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. B.17.
- Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.17.
- Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de in het geding zijnde bepaling, ermee rekening houdt. B.17.
- Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van eigendom (eerste alinea, eerste zin). Een belasting, een verhoging of een andere heffing of boete houden in beginsel een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom in. 18 Artikel 1, tweede alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol vermeldt dat de bescherming van het eigendomsrecht « op geen enkele wijze het recht [aantast] dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». De inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom is enkel verenigbaar met dat recht indien ze een redelijk verband van evenredigheid heeft tot het nagestreefde doel, dat wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. Ofschoon de wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt, schendt een belasting of een andere heffing bijgevolg dat recht indien ze op de belastingplichtige of heffingsplichtige een overdreven last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie (EHRM, 31 januari 2006, Dukmedjian t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD006049500, §§ 52-58; beslissing, 15 december 2009, Tardieu de Maleissye e.a. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:1215DEC005185407; 16 maart 2010, di Belmonte t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2010:0316JUD007263801, §§ 38-40). B.18.
- De in het geding zijnde verhogingen vormen een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de personen die de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen verschuldigd zijn. B.18.
- Uit hetgeen in B.8.4 is vermeld, blijkt dat de ordonnantiegever, door een regeling van verhoging van de belasting wegens niet-betaling binnen de opgelegde termijn in te voeren, een aansporend maar eveneens compenserend en ontradend doel heeft nagestreefd. Die doelstellingen zijn legitiem. B.18.
- De toepassing van de in het geding zijnde verhogingen hangt af van een objectief criterium, namelijk de niet-tijdige betaling van een door de belastingschuldige verschuldigde belasting. Zoals is vermeld in B.14, wordt het bedrag van die verhogingen gradueel bepaald, aangezien het eerst 20 % en vervolgens, na de tweede herinneringsbrief, 50 % van de verschuldigde belasting bedraagt. Die bedragen, in tegenstelling tot die van de nalatigheidsinteresten, blijven niet verder oplopen. Zij worden bovendien vastgesteld in verhouding tot het bedrag van de oorspronkelijke belasting, kunnen maximaal oplopen tot een 19 verhoging van 50 % bij een langdurige niet-betaling en blijven in beginsel evenredig met de draagkracht van de belastingschuldigen. Bijgevolg doen de verhogingen geen buitensporige last op de belastingschuldigen rusten en brengen zij hun financiële situatie niet fundamenteel in gevaar. Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid waarover de wetgever in fiscale zaken beschikt, zoals in B.4.2 is vermeld, wordt het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van het recht op het ongestoord genot van de eigendom niet verbroken. B.
- De in het geding zijnde bepalingen zijn bestaanbaar met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. 20 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 12 en 13 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 21 december 2012 « tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » schenden niet de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van dat Verdrag. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 april
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.065 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:CE:ECHR:1994:0224JUD001254786 ECLI:CE:ECHR:2002:0723JUD003461997 ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD006049500 ECLI:CE:ECHR:2006:1123JUD007305301 ECLI:CE:ECHR:2009:0210JUD001493903 ECLI:CE:ECHR:2009:1215DEC005185407 ECLI:CE:ECHR:2010:0316JUD007263801 ECLI:CE:ECHR:2016:1115JUD002413011 ECLI:CE:ECHR:2022:1103JUD004981209 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div