id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.073 Arrest- Rolnummer: 73/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-05-12 Raadplegingen: 427 - laatst gezien 2026-06-18 13:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 28 september 2023 « houdende wijziging van de Brusselse Huisvestingscode met het oog op de invoering van een voorkeurrecht voor huurders van wie de woning te koop wordt aangeboden », ingesteld door de vzw « Federia » en anderen. Huisvesting - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Huurovereenkomst met betrekking tot een hoofdverblijfplaats - Verkoop van het gehuurde goed - Voorkeurrecht van de huurder Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 73/2025 van 30 april 2025 Rolnummer : 8219 In zake : het beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 28 september 2023 « houdende wijziging van de Brusselse Huisvestingscode met het oog op de invoering van een voorkeurrecht voor huurders van wie de woning te koop wordt aangeboden », ingesteld door de vzw « Federia » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 mei 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 mei 2024, is beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 28 september 2023 « houdende wijziging van de Brusselse Huisvestingscode met het oog op de invoering van een voorkeurrecht voor huurders van wie de woning te koop wordt aangeboden » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 december 2023, tweede editie) ingesteld door de vzw « Federia », de vzw « Confederatie van Immobiliënberoepen Vlaanderen », Leslie Gentric, Armaury Hermanns, Tanguy De Maeyer, Cédric De Man, Philippine Vanhemelrijck, Christophe Van Den Bosch, Lancelot Ullens, Jean Vroye, Sébastien Nyssens, Hélène Doussis, Aymeric Francqui, Martine Akinci, Camille Grare, Inès Fonsny, Nicolas Wedenig, Nadia Hartkamp, Audrey Moulin, Daniela Palaghioi, Stanislas d’Udekem d’Acoz, Jérôme Wiard, Catherine De Jaegere, Grégory Bulcke, Anne Bouix, Guillaume d’Udekem d’Acoz, Raphaël de Witte, Greta Parmentier, Sarah Fernandez, Géraldine Lutz, Camille Bastenière, Loubna Karraz, William Powis de Tenbossche, Victorine Ilamas, Véronique Dugait, Martin Roberti de Winghe, Gauthier Lust, Dora Gogos-Massaert, Ravel Touijar, Murat Dur, Xavier Bruyninckx, Corentin Houtmeyers, de bv « Albert Immo », de bv « Ifac Service », de nv « Dewaele Real Estate », de nv « Trevi Vlaanderen », de cv « Steven van Eeckhoudt », de bv « Immo Leolux », Jan Kurris, de bv « Immo 2 Groot - Leeuw », de bv « Wouter Leus », de bv « domoXim » en de bv « Homerun Real Estate », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean Laurent en mr. Simon Noppe, advocaten bij de balie te Brussel. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jérôme Sohier, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 26 februari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1. De verenigingen « Federia » en « Confederatie van Immobiliënberoepen Vlaanderen » verantwoorden hun belang in zoverre zij de belangen van verschillende actoren van de vastgoedsector verdedigen en de bestreden norm de werking van de transacties wijzigt, zowel voor de verhuur als voor de verkoop van onroerende goederen. De andere verzoekende partijen zijn vastgoedmakelaars die hun belang verantwoorden in zoverre de bestreden ordonnantie een rechtstreekse weerslag heeft op hun praktijk, op hun eventuele beroepsaansprakelijkheid en op de Brusselse vastgoedmarkt, waarop zij hun activiteiten uitoefenen. A.2. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de bestreden ordonnantie de situatie van de verzoekende partijen niet rechtstreeks en ongunstig raakt. De bestreden ordonnantie beoogt volgens haar de eigenaars van als hoofdverblijfplaats verhuurde onroerende goederen en de huurders die houder zijn van een langdurige huurovereenkomst. De vastgoedkantoren en vastgoedmakelaars zijn niet rechtstreeks betrokken. Zij is van mening dat de verzoekende partijen niet uitleggen in welk opzicht hun activiteit ongunstig zou worden geraakt. De vastgoedmakelaar moet enkel zich ervan vergewissen dat de verhuurder de verplichting naleeft om de huurder in te lichten en, zo niet, moet hij zelf aan de huurder een kennisgeving doen indien hij zijn identiteit kent. Bovendien, wanneer de huurder van zijn voorkeurrecht gebruikmaakt, vindt de verkoper onmiddellijk een koper en wordt de activiteit van de vastgoedmakelaar versneld en vergemakkelijkt. Ten slotte doet de bestreden ordonnantie geen afbreuk aan het eigendomsrecht (eerste middel) van de verzoekende partijen, aangezien zij optreden als vastgoedmakelaars voor een goed waarvan zij niet de eigenaar zijn. Zij doet evenmin afbreuk aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (tweede middel), aangezien de verzoekende partijen noch verkoper, noch koper van het goed zijn en zij dus niet het slachtoffer van enige discriminatie zijn. A.3. De verzoekende partijen antwoorden dat verschillende elementen het mogelijk maken hun belang te verantwoorden. Ten eerste verplicht de bestreden ordonnantie de eigenaar ertoe zijn goed te verkopen tegen een 3 prijs die voortvloeit uit een « theoretische » schatting, terwijl het net het op de markt brengen van het goed is dat mogelijke kandidaat-kopers toelaat een bod te doen, zodat de eigenaar het goed niet tegen een optimale prijs zal verkopen. Ten tweede, aangezien vastgoedmakelaars worden vergoed wanneer een rechtmatige koper is gevonden en in functie van de verkoopprijs, hebben zij er een klaarblijkelijk belang bij dat het goed wordt verkocht op basis van een optimaal bod dat voortvloeit uit het op de markt brengen van dat goed en dat die verkoop niet wordt geannuleerd. De vastgoedmakelaars worden eveneens blootgesteld aan een risico op inkomstenverlies, aangezien de bestreden ordonnantie, zoals in de parlementaire voorbereiding wordt bevestigd, de eigenaar ertoe aanzet het goed rechtstreeks aan zijn huurder te verkopen, waardoor hij het goed niet te koop moet aanbieden en geen advertentie of commissie aan een vastgoedmakelaar moet betalen. Ten derde heeft de vastgoedmakelaar de plicht om zich ervan te vergewissen dat aan de huurder van het gehuurde goed, vóór de ondertekening van de verkoop, kennis werd gegeven van de intentie om te verkopen. De huurder die te goeder trouw handelde zal zich tegen de vastgoedmakelaar kunnen keren indien die verplichting niet is nageleefd. Ten vierde zorgt een vastgoedmakelaar bij zijn bemiddelend optreden in de regel voor het gehele verkoopproces, zodat de ingrepen in dat proces noodzakelijkerwijs op hem betrekking hebben. Ten vijfde brengen de verzoekende partijen in herinnering dat zij niet moeten aantonen dat zij een belang hebben bij de middelen. A.4. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering repliceert dat de bestreden ordonnantie de eigenaar niet verhindert om een beroep te doen op een vastgoedmakelaar, vóór de kennisgeving van de verkoop van het goed die geldt als verkoopaanbod ten gunste van de huurder, om de verkoopprijs van het onroerend goed te bepalen, over te gaan tot de publicatie van een vastgoedadvertentie, de bezoeken te organiseren en de verkoopovereenkomst voor te bereiden. De enige nieuwe verplichting voor de vastgoedmakelaars is de kennisgeving aan de huurder van de intentie om te verkopen. De bestreden ordonnantie heeft hoogstens onrechtstreeks betrekking op de vastgoedmakelaars, omdat zij als lasthebbers van de eigenaar optreden. Ten aanzien van de middelen Wat betreft het eerste middel A.5. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het eigendomsrecht is geschonden wegens de invoering van het voorkeurrecht waarover de huurder van het te koop aangeboden goed beschikt. In een tweede onderdeel stellen zij dat de vordering tot indeplaatsstelling waarover de huurder beschikt wanneer de verkoop is voltrokken zonder dat hem daarvan kennis werd gegeven, onbestaanbaar is met de voormelde bepalingen. Eerste onderdeel A.6. De verzoekende partijen doen vooraf gelden dat de aan de verhuurder opgelegde informatie– en verkoopverplichtingen een regeling van het eigendomsgebruik uitmaken. Zij leiden daaruit af dat de wetgever niet over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. A.7. De verzoekende partijen zijn van mening dat het doel van de ordonnantiegever, in tegenstelling tot wat in de parlementaire voorbereiding wordt vermeld, niet erin bestaat te zorgen voor een betere uitoefening van het recht op huisvesting vanuit een sociaal oogpunt. De maatregel strekt niet ertoe huurders te helpen die een goed niet zouden kunnen verwerven wegens de kostprijs ervan. De verzoekende partijen zijn van mening dat het nagestreefde doel niet legitiem is, aangezien de maatregel niet steunt op een doel van sociale rechtvaardigheid, maar een maatregel vormt waarbij de huurders van het betrokken goed worden bevoordeeld. A.8. De verzoekende partijen stellen eveneens dat de invoering van een voorkeurrecht niet toelaat het nagestreefde doel te bereiken, aangezien de bestreden ordonnantie geen enkele weerslag heeft op de financiële middelen van de kandidaat-kopers en dat zij het aantal beschikbare woningen op de vastgoedmarkt niet verhoogt. De verzoekende partijen doen gelden dat andere middelen die minder afbreuk doen aan het eigendomsrecht zouden hebben toegelaten het doel van de wetgever te bereiken. Zij vermelden met name een strengere informatieplicht ten aanzien van de huurder alvorens het goed te koop wordt aangeboden, een forfaitaire schadevergoeding voor de huurder die niet op voorhand werd ingelicht, de mogelijkheid voor de verhuurder en de huurder om af te zien van het mechanisme van het voorkeurrecht, de invoering van bijkomende afwijkingen van 4 het voorkeurrecht, de beperking van dat mechanisme tot de woningen met een lagere vastgoedwaarde, de versterking van de steunmaatregelen bij een eerste vastgoedaankoop, en de ontwikkeling van het sociale huisvestingsbeleid, van sociale verhuurkantoren en van een gewestelijk collectief en solidair spaarsysteem. De verzoekende partijen doen ten slotte gelden dat een voorkeurrecht had kunnen worden ingevoerd, in het kader waarvan de huurder, vóór elke andere mogelijke koper, een bod kan doen in functie van zijn financiële draagkracht. Indien zijn bod wordt geweigerd, zou de huurder zich binnen een termijn van zeven dagen nog kunnen aanpassen aan een bod van een andere kandidaat-koper dat hoger ligt dan het oorspronkelijke bod. De verzoekende partijen zijn eveneens van mening dat de maatregel onevenredige gevolgen heeft. Ten eerste worden de verhuurder, zijn notaris en zijn vastgoedmakelaar gedurende ten minste 30 dagen geblokkeerd, in afwachting van de beslissing van de huurder. Bovendien doet volgens hen elke verlaging van de verkoopprijs een nieuwe termijn van zeven dagen ingaan waarin het verkoopproces volkomen stilligt, zelfs als het nieuwe bod hoger is dan het bod dat de huurder heeft geweigerd. Zij voeren aan dat de bestreden ordonnantie niet de situatie regelt waarin kandidaat-kopers een bod zouden doen dat hoger is dan hun oorspronkelijke bod in de periode tussen de kennisgeving aan de huurder en de uitoefening van zijn voorkooprecht. Zij vestigen eveneens de aandacht op de kostprijs van de aangetekende zending en de tijd die het vervullen van die formaliteit in beslag neemt. Ten tweede zijn de bestreden bepalingen het voorwerp van grijze zones en interpretatiemoeilijkheden. Het is met name mogelijk te oordelen dat het voorkeurrecht van de huurder bestaat vanaf het ogenblik dat het goed te koop wordt aangeboden, zodat de eigenaar verplicht zou zijn om een prijs te bepalen voordat het goed te koop wordt gesteld op de markt en op basis daarvan aan de huurder een prijsvoorstel zou moeten doen. In die interpretatie zou er een discriminatie zijn tussen de eigenaars die hun goed uit de hand verkopen en diegenen die een beroep doen op de openbare verkoop. De termijn van 30 dagen waarover de huurder beschikt, gaat bovendien pas in op de dag waarop hij de aangetekende zending heeft ontvangen, zodat die termijn pas begint te lopen op het ogenblik dat de afwezige huurder zijn aangetekende zending op het postkantoor gaat afhalen. De verhuurder kan zijn goed dan niet verkopen wegens het stilzitten van zijn huurder. De verzoekende partijen leggen eveneens de nadruk op de onzekerheden over de termijn die de huurder moet genieten in het geval van een verkoopaanbod dat met een minimumprijs is aangekondigd. Ten derde zijn de verzoekende partijen van mening dat de invoering van een voorkeurrecht dat enkel van toepassing is op langdurige huurovereenkomsten, zou kunnen leiden tot een tendens om langdurige huurovereenkomsten niet te verlengen, of die zelfs op te zeggen met het oog op een verkoop. Ten vierde blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de bestreden norm geïnspireerd is op het voorkooprecht van een pachter, op het voorkooprecht van de overheid in bepaalde gebieden van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en op het Franse stelsel van het voorkeurrecht van de huurder wiens huurovereenkomst wordt beëindigd door « een opzegging voor verkoop ». Volgens de verzoekende partijen kan de bestreden maatregel echter niet redelijk worden verantwoord door de loutere verwijzing naar in lichte mate soortgelijke mechanismen in het kader van een markt waarin de uitdagingen en de actoren geenszins identiek zijn. A.9. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering brengt in herinnering dat de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt in socio-economische aangelegenheden en inzake de uitoefening van het recht op een behoorlijke huisvesting, met name met het oog op sociale rechtvaardigheid. A.10. Volgens haar leidt de bestreden ordonnantie niet tot een onteigening, noch tot een verbeurdverklaring van de betrokken onroerende goederen. Noch het goed, noch de huurgelden die hij ontvangt, worden aan de eigenaar ontzegd. Hij beschikt nog over de vrijheid om te verkopen en de prijs te bepalen. De maatregel beperkt enkel de keuze van de koper. Hij brengt volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering geen inmenging in het eigendomsrecht met zich mee. De enige door de bestreden ordonnantie ingevoerde wijziging bestaat erin dat de vastgoedmakelaar en de notaris zich ervan moeten vergewissen dat de eigenaar de huurder correct heeft ingelicht over zijn intentie om te verkopen en, als dat niet het geval is, zij zelf daartoe moeten overgaan. Die verplichting vormt geen inmenging in het eigendomsrecht en heeft geen ernstige weerslag op de vastgoedmarkt. A.11. Zij wordt verantwoord door het doel dat erin bestaat de huurder meer zekerheid en stabiliteit te bieden betreffende de woning en de buurt waarin hij soms al jaren gevestigd is. Het gaat om een legitieme doelstelling, die in overeenstemming is met het recht op huisvesting. Verschillende parlementsleden van de oppositie waren van mening dat de eventuele inbreuk verantwoord en evenredig was. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering doet gelden dat de argumentatie van de verzoekende partijen met betrekking tot de alternatieve maatregelen die hadden kunnen worden genomen, de opportuniteit betreft. Zij merkt op dat de ordonnantiegever de evenredigheid van de maatregel in acht heeft genomen. De inmenging in het eigendomsrecht is minimaal, aangezien het voorkeurrecht enkel van toepassing is op langdurige 5 huurovereenkomsten voor een hoofdverblijfplaats, en dat op voorwaarde dat de huurder er gedomicilieerd is, dat het niet geldt wanneer de kopers familieleden van de verhuurder zijn en dat het niet geldt voor de verkoop van gebouwen met meerdere woningen waarin verschillende huurders wonen, indien het gebouw in zijn geheel wordt verkocht. Bovendien is de uitoefening van het voorkeurrecht onderworpen aan korte en strikte termijnen, om mogelijke instabiliteit in het verkoopproces te beperken. De Regering stelt dat de bestreden ordonnantie tot gevolg heeft dat de verkoop wordt versneld en de werklast voor de vastgoedmakelaars wordt verlicht. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, leidt het voorkeurrecht niet tot bijkomende onzekerheden in de procedure, aangezien de zoektocht naar een mogelijke koper door de vastgoedmakelaar niet minder onzeker is. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat het risico dat de eigenaar de langdurige huurovereenkomst niet zou verlengen om te vermijden dat hij aan het ingevoerde mechanisme wordt onderworpen, laag is, aangezien, naast het feit dat dat risico aan de wilsautonomie van de partijen te wijten is, de eigenaar alle belang erbij heeft dat de huurder, die het goed reeds kent, de koper ervan wordt, waardoor hij geen stappen zal moeten ondernemen, noch kosten zal moeten maken om het goed te koop aan te bieden, om ervoor te adverteren en om bezoeken te organiseren. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen stellen, is het verkoopproces niet onvoorspelbaar, noch stilgelegd, aangezien de procedure duidelijk is en de termijnen kort zijn. A.12. De verzoekende partijen antwoorden dat, hoewel het juist is dat het niet aan het Hof staat om te bepalen welke alternatieve maatregel door de ordonnantiegever had moeten zijn ingevoerd, het Hof enkel hoeft vast te stellen dat de ordonnantiegever klaarblijkelijk over meerdere alternatieven beschikte om aan de doelstelling te voldoen. Door te stellen dat de eigenaar vrij blijft om de prijs te bepalen, schendt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering volgens hen het bilaterale karakter van de prijsvaststelling. Tweede onderdeel A.13. De verzoekende partijen stellen dat, in geval van een verkoop die in strijd is met de bestreden bepalingen, de oorspronkelijke kopers van een goed worden onteigend door de gevolgen van de vordering tot indeplaatsstelling. A.14. Zij verwijzen naar de uiteenzettingen in verband met het eerste onderdeel en doen gelden dat het doel van de maatregel niet legitiem is en dat die niet toelaat het nagestreefde doel te bereiken. Zij zijn ook van mening dat minder ingrijpende maatregelen hadden kunnen worden ingevoerd, namelijk een forfaitaire boete of een boete op basis van een percentage van de prijs van het bod, de nietigheid van de aan de huurder gegeven opzegging, een verjaringsduur van de vordering tot indeplaatsstelling die minder dan een jaar bedraagt of een combinatie van die maatregelen. De verzoekende partijen voeren aan dat de vordering tot indeplaatsstelling onevenredige gevolgen heeft. Voor de onteigening wordt niet voorzien in « billijke en voorafgaande schadeloosstelling », aangezien de prijs een maand, zes maanden, of zelfs een jaar na de verkoop kan worden terugbetaald, ongeacht de evolutie van de waarde van het goed gedurende die tijd, terwijl uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat rekening moet worden gehouden met de venale waarde van het goed op de dag van de onteigening en niet op de dag van de aankoop (EHRM, 2 juli 2002, Motais de Narbonne t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2002:0702JUD004816199, § 19). Zij zijn van mening dat de maatregel geen billijk evenwicht tot stand brengt tussen het algemeen belang en de grondrechten. Zij doen eveneens gelden dat de – met name vreemde – inspiratiebronnen van de maatregel niet toelaten die maatregel te verantwoorden. A.15. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering doet gelden dat, indien wordt aangenomen dat er een inmenging in het eigendomsrecht zou zijn, die inmenging niet nadelig zou zijn voor de eigenaar-verkoper, maar voor een derde, kandidaat-koper, die geen houder is van het eigendomsrecht. Volgens haar is de vordering tot indeplaatsstelling ruim geïnspireerd op de huidige praktijken in het kader van pachtovereenkomsten. Zij kan enkel worden aangewend indien de eigenaar zijn verplichting om het goed bij voorrang aan de huurder aan te bieden, niet is nagekomen, in welk geval de koper die te goeder trouw heeft gehandeld zich tegen de in gebreke blijvende verkoper zal kunnen keren. Die situatie, waarin de verkoop op onwettige wijze is voltrokken, kan niet worden gelijkgesteld met een onteigening zonder meer, aangezien, zoals dat het geval is voor elke onwettige verkoop, de derde koper wettelijk gezien niet de eigenaar van het goed is. 6 A.16. Wat betreft de alternatieve maatregelen die de wetgever had kunnen nemen, stelt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat sancties zoals een forfaitaire boete of de invoering van een kortere verjaringstermijn, niet kunnen waarborgen dat de huurder eigenaar kan worden van zijn woning heeft, zodat zij het niet mogelijk maken om de nagestreefde doelstelling te bereiken. Het gaat bovendien om een opportuniteitsvraag, en niet om een rechtsvraag. A.17. De verzoekende partijen antwoorden dat het de bestreden ordonnantie is die de nieuwe onwettigheid doet ontstaan wanneer de verkoop die heeft plaatsgevonden zonder de huurder hierover in te lichten, wordt aangemerkt, zodat dient te worden onderzocht of die ordonnantie tot een legitieme en evenredige inmenging in het eigendomsrecht leidt. A.18. Volgens hen laat de mogelijkheid voor de koper om zich tegen de in gebreke blijvende verkoper te keren niet toe de inmenging te verantwoorden. Uit de indeplaatsstelling blijkt bovendien dat de koper die zijn goed sinds meerdere maanden betrekt, zijn woning zou verliezen, hetgeen kennelijk zijn recht op huisvesting in het gedrang zou brengen. De verzoekende partijen zijn van mening dat de bewering volgens welke de door hen aangehaalde alternatieve maatregelen niet toelaten om ten aanzien van huurders voor een betere eigendomswerving te zorgen, op geen enkel element, noch op enige overweging uit de parlementaire voorbereiding steunt. A.19. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering repliceert dat de invoering van de vordering tot indeplaatsstelling een legitieme doelstelling nastreeft en dat zij pertinent is, aangezien zij ertoe strekt de naleving van het wettigheidsbeginsel te waarborgen, door een onwettige situatie ten gevolge van een onwettige verkoop weg te werken. De partijen dienen te worden teruggeplaatst in de positie zoals die geweest zou zijn indien de verkoper zijn verplichting om de huurder in te lichten, was nagekomen, hetgeen eveneens de doeltreffendheid van het recht op huisvesting waarborgt. Wat betreft het tweede middel A.20. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In een eerste onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden ordonnantie een discriminatie creëert tussen de mogelijke of oorspronkelijke kopers van het goed en de huurders ervan. In een tweede onderdeel voeren zij aan dat de bestreden ordonnantie een discriminatie doet ontstaan tussen de personen die worden onteigend door de gevolgen van een vordering tot indeplaatsstelling en de personen die worden onteigend in het kader van wetgevingen met betrekking tot de onteigening ten algemenen nutte. Eerste onderdeel A.21. De verzoekende partijen zijn van mening dat de mogelijke of oorspronkelijke kopers van het goed en de huurders ervan tot twee vergelijkbare categorieën van personen behoren, aangezien zij beiden tot doel hebben een goed te kopen en over de middelen daartoe beschikken. A.22. De verzoekende partijen stellen dat het criterium van onderscheid, namelijk het bestaan van een huurovereenkomst met betrekking tot het goed, niet pertinent is, aangezien het niet toelaat de aan de huurder van het goed gegeven voor hem te verantwoorden ten aanzien van een andere mogelijke koper. Dat geldt des te meer wanneer die koper eveneens huurder van een goed is. Bovendien is geen van de mechanismen waarop het ingevoerde stelsel is geïnspireerd, van toepassing op de langdurige woninghuurovereenkomst. A.23. De verzoekende partijen herhalen de argumentatie met betrekking tot het onwettige karakter van de nagestreefde doelstelling en het gebrek aan relevantie en noodzaak van de maatregel, die zij in het kader van het eerste middel hebben uiteengezet. A.24. Zij zijn van mening dat de maatregel onevenredige gevolgen heeft voor de mogelijke koper die wordt geconfronteerd met het voorkeurrecht van de huurder ondanks zijn bod van hetzelfde niveau. De oorspronkelijke koper die te goeder trouw handelde kan bovendien worden onteigend door middel van een vordering tot indeplaatsstelling, ter bescherming van het recht op huisvesting van een huurder die zich nochtans in dezelfde situatie bevindt. 7 A.25. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering doet gelden dat het verschil in behandeling berust op het feit dat de huurder reeds lang de betrokken woning betrekt en dat hij er vaak persoonlijke verbouwingen heeft uitgevoerd. Het is wegens die belangrijke band dat de wetgever de rechtspositie van de huurder heeft willen stabiliseren. Het verschil in behandeling berust bijgevolg op een objectief en pertinent criterium. De doelstelling om de woonstabiliteit te bevorderen, is een belangrijk algemeen belang dat buitensporige vastgoedspeculatie kan voorkomen en de vastgoedmarkt kan stimuleren. A.26. De verzoekende partijen antwoorden dat, in tegenstelling tot wat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering beweert, het doel van de ordonnantie erin bestaat de toegang tot eigendom te bevorderen. Zij zijn van mening dat die doelstelling alle huurders betreft, zodat zij niet toelaat een verschil in behandeling te verantwoorden. Zij doen gelden dat de maatregel niet noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken, aangezien het mogelijk was geweest te bepalen dat het voorkeurrecht niet geldt wanneer de koper het goed koopt om er zijn enige en exclusieve verblijfplaats te vestigen en op voorwaarde dat hij geen andere woning bezit, naar het voorbeeld van hetgeen de Vlaamse wetgeving bepaalt. De verzoekende partijen stellen dat het stabiliseren van de bewoning door een huurder die reeds over de middelen beschikt om een eigendom te verwerven, een kennelijk onredelijk doel is en dat het nastreven van dat doel de eigendomsverwerving niet kan bevorderen. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat de in de memorie van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangehaalde doelstellingen om sociale cohesie te bevorderen, om buitensporige vastgoedspeculatie te bestrijden en om de vastgoedmarkt meer te stimuleren, moeten worden beschouwd als zijnde a posteriori aangevoerd, doordat zij niet werden vermeld in de parlementaire voorbereiding, zodat zij de maatregel niet kunnen verantwoorden. Tweede onderdeel A.27. De verzoekende partijen doen gelden dat de huurder, in geval van een indeplaatsstelling, aan de oorspronkelijke koper de aankoopprijs van het goed en de notariskosten moet terugbetalen. Blijven ten laste van de oorspronkelijke koper de verhuiskosten, de herinrichtingskosten, het eventuele verlies van gunstige voorwaarden voor het hypothecair krediet en de kosten inherent aan de verplichting om huisvesting te vinden in afwachting van de aankoop van een nieuw goed. In het kader van een onteigening ten algemenen nutte daarentegen moet de schadevergoeding een integrale schadeloosstelling toelaten, zodat zij alle schade omvat die uit de onteigening voortvloeit, met inbegrip van de morele schade en het verlies van een voordeel. De schadevergoeding gaat bovendien vooraf aan de onteigening en het bedrag ervan moet door een rechter worden beoordeeld. De verzoekende partijen zijn van mening dat dat verschil in behandeling discriminerend is. Volgens hen zijn de personen die tot de twee betrokken categorieën behoren vergelijkbaar, aangezien zij beiden worden onteigend. A.28. De verzoekende partijen zijn van mening dat het criterium van onderscheid gelegen is in het verschil tussen de doeleinden van de vergeleken wettelijke regelingen. Aangezien met beide onteigeningen een doel van algemeen nut wordt nagestreefd, is een verschil in behandeling op grond van de nagestreefde doelstelling van algemeen belang echter niet pertinent. Zij verwijzen naar hun voorgaande uiteenzettingen met betrekking tot het onwettige karakter van het nagestreefde doel en de irrelevantie van de maatregel. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat minder ingrijpende maatregelen hadden kunnen worden ingevoerd. Zij wijzen op de mogelijkheid om de inbezitneming van het onteigende goed te laten afhangen van de effectieve betaling, door de voormalige huurder, van de oorspronkelijke prijs van het onteigende goed, op de mogelijkheid om te voorzien in een « integrale vergoeding » van de schade ten gevolge van de onteigening, op de mogelijkheid om in een rechtsvordering te voorzien die vergelijkbaar is met de in het kader van de onteigening ten algemenen nutte georganiseerde vordering, waarbij een rechter de werkelijke schade van de onteigende persoon kan beoordelen en op de mogelijkheid om te voorzien in alternatieven voor de vordering tot indeplaatsstelling, zoals in het kader van het eerste middel is aangehaald. 8 De verzoekende partijen zijn ten slotte van mening dat de bestreden ordonnantie, door niet te voorzien in dezelfde waarborgen als de procedure voor onteigening ten algemenen nutte, geen billijk evenwicht tot stand brengt tussen de betrokken belangen. Zij stellen dat in de parlementaire voorbereiding niet wordt aangetoond dat de wetgever rekening zou hebben gehouden met de evenredigheid van de maatregel. A.29. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de oorspronkelijke koper van het goed zich niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van onteigende personen in het kader van de wetgevingen met betrekking tot onteigening ten algemenen nutte. De oorspronkelijke koper wordt immers niet onteigend, aangezien hij zich niet kan beroepen op een regelmatige eigendomstitel van het goed. Er is geen gelijkheid in de onwettigheid. De uitgesloten koper kan zich bovendien tegen de in gebreke blijvende verkoper keren en zo een vergoeding van zijn schade verkrijgen. -B- Ten aanzien van de bestreden ordonnantie B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 28 september 2023 « houdende wijziging van de Brusselse Huisvestingscode met het oog op de invoering van een voorkeurrecht voor huurders van wie de woning te koop wordt aangeboden » (hierna : de bestreden ordonnantie). B.2. Met de bestreden ordonnantie heeft de wetgever willen zorgen voor « een betere uitoefening van het recht op huisvesting zoals vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2022-2023, A-724/1, p. 2). Het doel van de ordonnantiegever is om « de huurder de mogelijkheid te geven de door hem bewoonde woning bij voorrang te kopen ingeval deze te koop wordt aangeboden, teneinde de eigendomsverwerving te bevorderen en tegelijkertijd de stabiliteit van de bewoning te verhogen » (ibid., p. 3). B.3.1. Artikel 2 van de bestreden ordonnantie voert een afdeling 4bis in, met als opschrift « Voorkeurrecht van de huurder bij verkoop van het gehuurde goed », in hoofdstuk III van titel XI van de Brusselse Huisvestingscode. Die afdeling omvat de artikelen 247/1 tot 247/4. B.3.2. Artikel 247/1 van de Brusselse Huisvestingscode bepaalt : « § 1. Bij verkoop van een woning waarvoor een huurovereenkomst voor hoofdverblijfplaats werd afgesloten, heeft de huurder een voorkeurrecht, op voorwaarde dat hij 9 in de woning is gedomicilieerd, voor zichzelf, zijn echtgeno(o)t(e), wettelijk samenwonende of feitelijk samenwonende partner, of voor zijn afstammelingen of adoptiekinderen of die van zijn echtgeno(o)t(e), wettelijk samenwonende of feitelijk samenwonende partner, op voorwaarde dat zij ook in die woning zijn gedomicilieerd. Dit voorkeurrecht vervalt bij het overlijden van de huurder(
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.