id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.084 Arrest- Rolnummer: 84/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-06-09 Raadplegingen: 326 - laatst gezien 2026-06-18 20:48 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over de artikelen 43 en 50 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. Administratief recht - Onteigening voor het algemeen nut - Vlaams Gewest - Onteigeningsbesluit - Vernietigingsberoepen - Controle van de wettigheid - Raad voor Vergunningsbetwistingen - Vrederechter Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 84/2025 van 28 mei 2025 Rolnummer : 8425 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 43 en 50 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Danny Pieters, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 23 januari 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 februari 2025, heeft de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 43 en/of artikel 50 van het decreet van 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut, in werking getreden op 1 januari 2018, de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met elkaar gelezen, doordat daarin niet wordt voorzien dat de voor de gewone rechter tijdens de gerechtelijke fase van een onteigening aangevoerde schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel door het definitieve onteigeningsbesluit geen aanleiding kan geven tot het onwettig verklaren van de onteigening als de partij die de schending aanvoert niet aantoont dat hij door de ingeroepen onwettigheid benadeeld wordt, waarbij de omstandigheid dat de aangevoerde schending een onwettigheid uitmaakt die mogelijk aanleiding kan geven tot het onwettig verklaren van het definitieve onteigeningsbesluit op zich niet maakt dat de partij benadeeld wordt door de ingeroepen onwettigheid, zonder evenwel afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de schending aan te voeren van regels die de openbare orde aanbelangen; terwijl artikel 43 van het decreet van 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut, in werking getreden op 1 januari 2018, bepaalt dat het definitieve onteigeningsbesluit door de belanghebbenden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen kan 2 worden bestreden met toepassing van de regels die met betrekking tot de geschillenbeslechting door dat rechtscollege zijn bepaald bij of krachtens het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges en dus met inbegrip van artikel 35, derde lid van voormeld decreet van 4 april 2014 luidens welke bepaling de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel geen aanleiding kan geven tot een vernietiging als de partij die de schending aanvoert niet wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid, waarbij de omstandigheid dat de aangevoerde schending een onwettigheid uitmaakt die mogelijk aanleiding kan geven tot vernietiging, op zich niet maakt dat de partij benadeeld wordt door de ingeroepen onwettigheid, zonder evenwel afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de schending aan te voeren van regels die de openbare orde aanbelangen, zodat het de Raad voor Vergunningsbetwistingen toekomt te onderzoeken of de verzoekende partij nadeel lijdt door de aangevoerde onwettigheid en het middel te verwerpen indien deze partij geen nadeel aantoont, en terwijl artikel 6quater van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij bijzondere wet van 8 augustus 1988, zoals ingevoerd bij artikel 33 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de zesde staatshervorming, bepaalt dat de gewesten de gerechtelijke procedure bepalen die specifiek van toepassing is in geval van onteigening ten algemene nutte van een goed in het betreffende gewest gelegen, met inachtneming van een billijke en voorafgaande schadeloosstelling zoals bepaald in artikel 16 van de Grondwet ». Op 26 februari 2025 hebben de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Geen enkele memorie werd ingediend. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De zaak voor het verwijzende rechtscollege betreft de onteigening van een perceel in Roeselare. De onteigenende instantie, de stad Roeselare, heeft de zaak aanhangig gemaakt bij de Vrederechter te Roeselare en heeft daarmee de gerechtelijke fase van de onteigening opgestart. De Vrederechter te Roeselare heeft de onteigening onwettig verklaard, waarop de stad Roeselare een beroep heeft ingediend bij de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. In het kader van dat beroep werpt de stad Roeselare op dat de burgerlijke rechter, in de gerechtelijke fase van de onteigening, moet nagaan of de partij die een onwettigheid aanvoert ten aanzien van de onteigening, door die onwettigheid in haar belangen is geschaad. Op verzoek van de stad Roeselare stelt het verwijzende rechtscollege de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- In hun conclusies hebben de rechters-verslaggevers geoordeeld dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. De partijen hebben geen memorie met verantwoording ingediend. -B- B.
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.