id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.091 Arrest- Rolnummer: 91/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-06-30 Raadplegingen: 626 - laatst gezien 2026-06-18 21:52 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging van artikel 10 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 22 december 2023 « houdende diverse bepalingen betreffende Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslagen », ingesteld door de nv « Residentie Paloke », door de nv « Home Sebrechts », door de bv « Seniors Care-Ion », door de nv « Wood Side Residence » en anderen, door de nv « New Philip » en anderen, door de nv « Vesper » en anderen en door de nv « Aedifica » en anderen. Sociaal recht - Bejaardenbeleid - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Rusthuizen - Programmering - Erkenning - Erkende plaatsen - Verval van rechtswege bij niet-bezetting Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 91/2025 van 19 juni 2025 Rolnummers : 8273, 8274, 8275, 8276, 8277, 8278 en 8282 In zake : de beroepen tot vernietiging van artikel 10 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 22 december 2023 « houdende diverse bepalingen betreffende Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslagen », ingesteld door de nv « Residentie Paloke », door de nv « Home Sebrechts », door de bv « Seniors Care-Ion », door de nv « Wood Side Residence » en anderen, door de nv « New Philip » en anderen, door de nv « Vesper » en anderen en door de nv « Aedifica » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter Joséphine Moerman, waarnemend voorzitster, rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter, en de rechters Michel Pâques, Danny Pieters, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter Joséphine Moerman, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij zeven verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 10 en 11 juli 2024 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 11, 12 en 15 juli 2024, zijn beroepen tot vernietiging van artikel 10 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 22 december 2023 « houdende diverse bepalingen betreffende Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslagen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 januari 2024) ingesteld respectievelijk door de nv « Residentie Paloke », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Kristiaan Caluwaerts en mr. Jorge Chávez Aréstegui, advocaten bij de balie van Antwerpen, door de nv « Home Sebrechts », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Kristiaan Caluwaerts en mr. Jorge Chávez Aréstegui, door de bv « Seniors Care-Ion », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Kristiaan Caluwaerts en mr. Jorge Chávez Aréstegui, door de nv « Wood Side Residence », de bv « Résidence Les Tamaris » en de nv « LNA Santé », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Kristiaan Caluwaerts en mr. Jorge Chávez Aréstegui, door de nv « New Philip », de nv « Longchamps Libertas », de nv « Résidence du Cinquantenaire », de nv « Les Jardins d’Ariane », de nv « International Residence Service », de nv « Parc Palace », de nv « Résidence Diamant », de nv « Résidence Rinsdelle », de nv « Palacea », de bv « Château Chenois 2 Gestion » en de nv « emeis Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Kristiaan Caluwaerts en mr. Jorge Chávez Aréstegui, door de nv « Vesper », de nv « Vivalys », de nv « Vivalto Home Belgium » en de vennootschap naar Frans recht « Vivalto Vie Holding SAS », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Kristiaan Caluwaerts en mr. Jorge Chávez Aréstegui, en door de nv « Aedifica », de nv « Care Property Invest » en de nv « Cofinimmo », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Barteld Schutyser en mr. Bart Martel, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8273, 8274, 8275, 8276, 8277, 8278 en 8282 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Kaiser en mr. Pierre Bellemans, advocaten bij de balie te Brussel, en door mr. Anthony Poppe, advocaat bij de balie te Gent, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 30 april 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.1. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277, 8278 en 8282 vorderen de vernietiging van artikel 10 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 22 december 2023 « houdende diverse bepalingen betreffende Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslagen », dat artikel 15, § 1, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 24 april 2008 « betreffende de voorzieningen voor ouderen » (hierna : de ordonnantie van 24 april 2008) vervangt. Zij zetten uiteen dat artikel 15, § 1, van de ordonnantie van 24 april 2008, zoals vervangen door het voormelde artikel 10, in essentie met zich meebrengt dat de helft van de erkenningen van plaatsen in ouderenvoorzieningen die gedurende het voorafgaande jaar gemiddeld onbezet bleven, vervalt. A.1.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274 en 8275, de eerste en de tweede verzoekende partij in de zaak nr. 8276, de eerste tot de tiende verzoekende partij in de zaak nr. 8277 en de eerste en de tweede verzoekende partij in de zaak nr. 8278 zijn van mening dat zij belang hebben bij de vernietiging van de bestreden 3 bepaling, daar zij vennootschappen zijn die actief zijn in de commerciële sector van voorzieningen voor ouderen op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Zij wijzen allen erop dat zij reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van de in de bestreden bepaling vervatte maatregel. De derde verzoekende partij in de zaak nr. 8276 zet uiteen dat zij een Franse holdingvennootschap is waarvan de eerste twee verzoekende partijen in die zaak deel uitmaken. De elfde verzoekende partij in de zaak nr. 8277 wijst erop dat zij een Belgische holdingvennootschap is waarvan de overige verzoekende partijen in die zaak deel uitmaken en dat haar in het verleden genomen investeringsbeslissingen onder meer waren gebaseerd op de erkende plaatsen in de desbetreffende ouderenvoorzieningen. De derde verzoekende partij in de zaak nr. 8278 zet uiteen dat zij een Belgische holdingvennootschap is die de aandelen van de eerste twee verzoekende partijen in die zaak aanhoudt. De vierde verzoekende partij in de zaak nr. 8278 wijst erop dat zij een Franse holdingvennootschap is die de aandelen van de derde verzoekende partij in die zaak aanhoudt en dat zij haar deelneming in de desbetreffende rusthuizen heeft verworven omwille van de bestaande activa en de toekomstige mogelijkheden om die te blijven exploiteren. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8282 zetten uiteen dat zij eigenaar zijn van zorgvastgoed op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest waarin voorzieningen voor ouderen worden uitgebaat en dat hun inkomsten afhangen van de inkomsten die zij uit de terbeschikkingstelling van het vastgoed verwerven. Zij zetten uiteen dat de desbetreffende voorzieningen hebben geïnvesteerd om de komende vergrijzingsgolf op te vangen en dat de bestreden bepaling die investeringen afstraft. De ongunstige financiële gevolgen van die bepaling voor de beheerders van de voorzieningen zetten zich volgens hen naar hen door, daar zij dreigen te worden geconfronteerd met wanbetalingen vanwege hun huurders en daar zij nu reeds een vermogensverlies lijden. Zij zijn van mening dat daaruit hun belang bij het beroep tot vernietiging van de bestreden bepaling blijkt. Ten gronde Wat betreft de middelen afgeleid uit de schending van het eigendomsrecht A.2. Het eerste middel in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277, 8278 en 8282 is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.1. Volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 dienen een vergunning, een erkenning en een legitieme verwachting om op basis van een vergunning of een erkenning een plaats in een ouderenvoorziening te kunnen exploiteren, te worden gekwalificeerd als eigendom in de zin van de in het middel vermelde referentienormen. Zij zijn van mening dat de ontzetting van de eigendom waarin de bestreden bepaling voorziet, niet « ten algemenen nutte » is, terwijl artikel 16 van de Grondwet alleen in dat geval een eigendomsberoving toelaat. De door de ordonnantiegever nagestreefde doelstelling betreffende de keuzevrijheid van de ouderen en de nagestreefde budgettaire doelstellingen kunnen volgens hen de eigendomsberoving niet rechtvaardigen. Zij zijn in essentie van mening dat de keuze die een oudere maakt met betrekking tot een voorziening, niet wordt bepaald door de sector waartoe die voorziening behoort (openbare of private sector), maar door de kwaliteit van de zorg, de kostprijs en de locatie van de voorziening. Wat de budgettaire doelstellingen betreft, betwisten zij dat een onbezette plaats bijkomende kosten met zich meebrengt voor de openbare financiën. Bovendien wijzen zij erop dat de ordonnantiegever precies de bedoeling heeft de vervallen verklaarde erkenningen terug in omloop te brengen om zo het evenwicht tussen de private en de openbare sector te kunnen herstellen. Zij zijn ook van mening dat de bestreden bepaling leidt tot meer kosten voor de openbare financiën, daar het de bedoeling is om te komen tot meer voorzieningen in de openbare sector. A.3.2. Het in de bestreden bepaling geregelde verval van erkenning beantwoordt volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 om meerdere redenen niet aan de vereiste van evenredigheid. Ten eerste zijn de erkenningen reeds sinds lange tijd verworven door de beheerders van de voorzieningen, waarbij steeds werd aanvaard dat die erkenningen ook gelden voor bedden die tijdelijk niet bezet zijn. Ten tweede is de sector van de voorzieningen voor ouderen een sector waarbij het van belang is om een langetermijnvisie te ontwikkelen. Door over te gaan tot een vervallenverklaring van voorheen verworven erkenningen wordt het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel volgens hen geschonden. Dat laatste beginsel is ook geschonden doordat het aandeel van de erkende plaatsen dat toebehoort aan de commerciële sector reeds sinds lang hetzelfde is, een situatie die het gevolg is van het feit dat de bevoegde Brusselse overheid gedurende lange tijd op dat vlak niet is opgetreden. Ten derde bestaat er voor de beheerders van voorzieningen, met uitzondering van het wettigheidstoezicht van de Raad van State, geen formele verweermogelijkheid tegen de 4 maatregel van het verval van de erkenningen. Ten vierde gebeurt de telling van het aantal onbezette bedden op basis van de bedden waarvoor een tegemoetkoming van het RIZIV wordt ontvangen, waardoor tal van feitelijk bezette bedden toch als onbezet worden beschouwd voor een aantal dagen. Ten vijfde gebeurt het verval op basis van het gemiddelde aantal onbezette bedden van het voorgaande jaar, wat met zich meebrengt dat het mogelijk is dat er erkenningen vervallen voor bedden die ondertussen bezet zijn. Ten zesde is het eerste verval van erkenningen gebeurd in 2024, op basis van cijfers vanaf juni 2022, wat een schending van het beginsel van de niet-retroactiviteit uitmaakt. Ten zevende wordt onvoldoende rekening gehouden met het feit dat plaatsen tijdelijk onbezet kunnen zijn ten gevolge van onderhouds- en verbeteringswerken. Ten achtste is het niet mogelijk om erkenningen opnieuw aan te vragen zonder een nieuwe specifieke vergunning tot ingebruikneming en exploitatie (hierna : de SVIE) aan te vragen. Ten negende is het voor individuele beheerders van de commerciële sector niet mogelijk om dergelijke vergunningen te verkrijgen zolang de commerciële sector als geheel meer dan 50 % van de vergunde plaatsen heeft. Ten slotte konden de erkenningen voorheen worden aangekocht en verkocht en staan ze vaak opgenomen als boekhoudkundig actief. A.3.3. Het in de bestreden bepaling geregelde verval van erkenningen is volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 daarnaast in strijd met artikel 16 van de Grondwet omdat niet is voorzien in een billijke en voorafgaande schadevergoeding. A.4.1. Uit de parlementaire voorbereiding leiden de verzoekende partijen in de zaak nr. 8282 af dat de ordonnantiegever ervan is uitgegaan dat langdurig onbezette bedden erop wijzen dat die bedden niet aan een behoefte beantwoorden en dat de in de bestreden bepaling vervatte maatregel de ontwikkeling van projecten zou bevorderen die beter aan de behoeften van ouderen beantwoorden. Daarnaast is de ordonnantiegever volgens hen ervan uitgegaan dat de rusthuisbedden op een onevenwichtige manier verdeeld waren tussen de verschillende sectoren en dat de bestreden maatregel het mogelijk zou maken om een aanzienlijk aantal bedden te herverdelen over die sectoren. Ten slotte heeft de ordonnantiegever met de bestreden bepaling volgens hen ook budgettaire doelstellingen nagestreefd. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8282 zijn van mening dat de bestreden bepaling niet pertinent is ten aanzien van de voormelde doelstellingen, daar de onbezette bedden wel degelijk tegemoetkomen aan een behoefte, meer bepaald een behoefte die zich wegens de vergrijzing zal manifesteren binnen enkele jaren. Zij beklemtonen daarbij dat investeringen in zorgvastgoed tijdig moeten gebeuren en dat het aanvragen van vergunningen en erkenningen veel tijd in beslag neemt. Daarnaast zijn zij van mening dat een bepaalde graad van niet-bezetting wenselijk is om de keuzevrijheid van de ouderen te kunnen waarborgen. Zij doen ook gelden dat de ordonnantiegever op geen enkele wijze heeft uitgelegd waarom nieuwe projecten beter aan de behoeften van ouderen zouden beantwoorden dan de reeds bestaande voorzieningen. Zij zijn van mening dat uit de cijfers blijkt dat ouderen op dit ogenblik reeds voor een voorziening in de gewenste sector kunnen kiezen en dat de keuzevrijheid aldus niet in het gedrang is. Zij bekritiseren de stelling van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (hierna: het Verenigd College) dat de bestreden bepaling een financieel risico beoogt te voorkomen, daar niets de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie verplicht om elk jaar kredieten te blokkeren die uitgaan van een bezettingsgraad van 100 % en daar een provisie zou kunnen worden ingeschreven in de begroting waarbij zou kunnen worden bepaald dat het Verenigd College die kan aanwenden ter dekking van verschillende uitgavenposten, waaronder de post die betrekking heeft op de financiering van bezette bedden. A.4.2. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 8282 heeft de bestreden maatregel een grote impact op de voorzieningen voor ouderen. Zij illustreren die impact aan de hand van becijferde voorbeelden en leiden eruit af dat de bestreden maatregel de rendabiliteit van de voorzieningen heel snel in het gedrang kan brengen en de waarde van het zorgvastgoed heel snel kan doen dalen. Die maatregel kan volgens hen leiden tot de noodzaak voor de beheerders van een voorziening om die voorziening te sluiten wegens een gebrek aan operationele en financiële efficiëntie, wat dan weer kan leiden tot een tekort aan beschikbare bedden op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. A.4.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8282 merken op dat zij op grond van het geldende wettelijke kader en de verwachte demografische evoluties kapitaalintensieve vastgoedinvesteringen op lange termijn zijn aangegaan, met legitieme verwachtingen omtrent groei. Door met de bestreden bepaling die groei onmogelijk te maken en zelfs aan te sturen op het inkrimpen van de private sector met winstoogmerk, wordt hun eigendomsrecht volgens hen geschonden, daar die investeringen thans niet langer rendabel zijn. Uit rechtspraak van het Hof en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leiden zij af dat vergunningen verleend aan ondernemingen en toekomstige inkomsten kunnen worden gekwalificeerd als eigendom in de zin van de in het middel vermelde referentienormen. 5 A.4.4. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 8282 zijn de door de bestreden bepaling veroorzaakte beperkingen van het eigendomsrecht des te ernstiger daar de eerste referentieperiode om de niet-bezettingsgraad te berekenen, samenvalt met de periode tijdens en vlak na de COVID-pandemie. Zij wijzen erop dat de niet- bezettingsgraad in die periode onverwacht hoger lag wegens oversterfte en door de terughoudendheid van ouderen om na de pandemie naar een voorziening te verhuizen. De in de bestreden bepaling vervatte correctiemaatregelen doen volgens hen geen afbreuk aan het voorgaande. De beperkingen van het eigendomsrecht zijn volgens hen ook des te ernstiger daar de bestreden bepaling niet duidelijk is op het vlak van de berekening van de bezettingsgraad tijdens de referentieperiode en daar het Verenigd College wordt gemachtigd om de regels voor de berekening van de gemiddelde niet-bezettingsgraad te verduidelijken en aan te vullen, en om de parameters voor de toepassing van de uitzonderingen op de vervallenverklaring aan te passen. A.4.5. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8282 zijn van mening dat de gevolgen van de bestreden maatregel om meerdere redenen niet evenredig zijn ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. Zij beklemtonen daarbij dat de bestreden maatregel ingrijpt op perfect wettig ontstane situaties, daar de voorzieningen hun erkenningen hebben verkregen na het doorlopen van procedures die de overheid zelf heeft georganiseerd, waarbij die voorzieningen hun activiteiten en investeringen op die erkenningen hebben afgestemd. De ernstige impact op de voorzieningen staat bovendien in schril contrast met het feit dat een onbezet erkend bed geen impact heeft op de overheidsbegroting. Ook uit het feit dat de eerste referentieperiode samenvalt met de periode op het einde en vlak na de COVID-pandemie volgt dat de bestreden maatregel niet evenredig is ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. Daar de eerste erkenningen reeds op 15 april 2024 zijn vervallen, heeft de sector zich ook niet op die maatregel kunnen voorbereiden, wat bijdraagt tot de onevenredigheid ervan. Bovendien wordt een niet-bezetting van korte duur heel snel afgestraft, wat disproportioneel is in het licht van de langetermijnplanning en de investeringen vereist in de zorgsector. Het is ook niet uitgesloten dat bezette erkende bedden plots zonder erkenning vallen. De minimumdrempel van 5 % waarin de bestreden bepaling voorziet op het vlak van het behoud van onbezette bedden is manifest onvoldoende, daar die toegelaten leegstand zeer snel zal zijn opgebruikt. De minimumdrempel van 25 RVT-bedden brengt voor de private sector met winstoogmerk geen soelaas, daar die sector veel minder vaak een beroep kan doen op die drempel. De verzoekende partijen zijn ook van mening dat er veel minder verregaande maatregelen konden worden genomen om het aanbod beter af te stemmen op de behoeften van de ouderen. Bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden bepaling dient volgens hen ook rekening te worden gehouden met andere reeds genomen maatregelen die nadelig zijn voor de private sector met winstoogmerk. Voorzieningen die tot die sector behoren, kunnen immers geen nieuwe SVIE verkrijgen zolang die sector een aandeel van meer dan 50 % van het totaal van de als rusthuisplaatsen erkende plaatsen vertegenwoordigt, waardoor voorzieningen in de private sector met winstoogmerk hun vervallen erkenningen niet met nieuwe plaatsen kunnen compenseren. Ook is de overdracht van erkende bedden tussen voorzieningen niet meer mogelijk. De onevenredigheid van de bestreden maatregel vloeit volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 8282 ook voort uit het feit dat niet is voorzien in een mechanisme dat de beheerders van een voorziening toelaat de redenen voor de niet-bezetting te verantwoorden, evenals uit het feit dat niet is voorzien in een compensatie voor de beperking van het eigendomsrecht. Het wijzigen van de vervaldatum van 1 januari naar 15 april en het uitsluiten van de centra voor kortverblijf heeft volgens hen weinig impact op de verregaande gevolgen van de bestreden maatregel. A.5. Het Verenigd College is van mening dat de uit de schending van het eigendomsrecht afgeleide middelen niet gegrond zijn. A.6.1. Het Verenigd College wijst erop dat de bekritiseerde beperking van het eigendomsrecht is ingevoerd door een bepaling die kracht van wet heeft. Het is van mening dat met de hervorming van de sector van de ouderenvoorzieningen meerdere wettige doelstellingen worden nagestreefd : ten eerste, het versterken en het opnieuw in evenwicht brengen van het hele continuüm van hulp en zorg voor senioren, van thuis tot in het rust- en verzorgingstehuis; ten tweede, senioren een waardig leven bieden; ten derde, de ouderen de toegang waarborgen tot de hulp en diensten die bij hen passen. Het specifieke doel van de bestreden bepaling is het stimuleren van de ontwikkeling van voorzieningen die beter voldoen aan de behoeften van de ouderen. Uit het arrest van het Hof nr. 84/2024 van 18 juli 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.084) leidt het Verenigd College af dat de nagestreefde doelstellingen wettig zijn. A.6.2. Het Verenigd College betwist het standpunt van de verzoekende partijen dat het waarborgen van de keuzevrijheid van de ouderen een drogreden vormt. Het is juist dat ouderen hun keuze niet zozeer baseren op het 6 statuut van de beheerder van een voorziening, maar wel op de kostprijs van de zorg, die gemiddeld hoger is in de private sector met winstoogmerk dan in de andere sectoren. De maatregel om erkenningen van onbezette bedden te doen vervallen, is overigens niet uitsluitend gericht op de private sector met winstoogmerk, maar op alle sectoren. Uit cijfergegevens blijkt immers dat er in alle sectoren sprake is van onderbezetting van bedden. Het is niet correct te stellen dat de bestreden bepaling een tekort aan voorzieningen tot gevolg zal hebben en dat de private sector met winstoogmerk zal verdwijnen. De private sector met winstoogmerk zal weliswaar geen nieuwe vergunningen kunnen krijgen zolang die sector een aandeel vertegenwoordigt van meer dan 50 % van het totaal van de erkende plaatsen, maar hij blijft de bestaande erkenningen van bezette bedden behouden en blijft ook met voorsprong de grootste sector. Het Verenigd College wijst erop dat de bestreden maatregel werd genomen op grond van de vaststelling dat een groot aantal plaatsen gedurende de laatste tien jaar structureel onbezet waren gebleven : terwijl er in 2013 van de 15 000 plaatsen ongeveer 13 500 plaatsen waren bezet, is dat nu ongeveer 11 800 van de 14 200 plaatsen. A.6.3. Het Verenigd College is het niet eens met het standpunt van de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling geen positief effect heeft op de begroting. Een erkende plaats komt immers in aanmerking voor financiering, waardoor het bestaan van onbezette erkende plaatsen een financieel risico inhoudt voor de overheid, risico dat de ordonnantiegever verhindert om nieuwe beleidskeuzes te maken. Met de bestreden bepaling heeft de ordonnantiegever dat risico willen wegnemen. Een budgettaire doelstelling is overigens een wettige doelstelling. Het Verenigd College verwijst in dat kader naar het arrest van het Hof nr. 135/2010 van 9 december 2010 (ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.135), dat handelt over de opvang en de huisvesting van ouderen in het Waalse Gewest en leidt eruit af dat de te dezen door de ordonnantiegever nagestreefde doestellingen wettig zijn. Bovendien heeft de ordonnantiegever met de bestreden bepaling de reeds in 2022 ingevoerde vervalregeling willen verzachten. Een vervallen erkenning zal overigens enkel worden toegekend aan een andere voorziening wanneer die voorziening die erkenning nodig heeft gelet op de zorgvraag. Rekening houdend met de structurele onderbezetting over alle sectoren heen, zullen die erkenningen echter naar alle waarschijnlijkheid vervallen blijven en kunnen de desbetreffende begrotingskredieten worden aangewend voor andere doeleinden in de ouderenzorg. A.6.4. Volgens het Verenigd College is de bestreden bepaling niet onevenredig ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. De aanvangsdatum van de eerste referentieperiode is, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, niet kennelijk onredelijk, daar uit cijfers blijkt dat de oversterfte in de rusthuizen ten gevolge van de pandemie heeft plaatsgevonden tijdens de eerste besmettingsgolf van maart 2020, dus meer dan twee jaar vóór de aanvang van de eerste referentieperiode. Bovendien vervallen jaarlijks slechts de helft van de erkenningen van de onbezette plaatsen en kan een voorziening steeds over onbezette plaatsen ten belope van 5 % van de erkende plaatsen beschikken, met een minimum van drie onbezette erkende plaatsen, waardoor de maatregel in de tijd gespreid wordt en de voorzieningen steeds over een minimum aan erkende onbezette bedden blijven beschikken. Er wordt overigens ook rekening gehouden met de cijfers van het laatste kwartaal van het jaar T-1 in plaats van met de cijfers van de eerste referentieperiode indien de toepassing van de cijfers van het laatste kwartaal van het jaar T-1 voor minder verval zou zorgen. Het Verenigd College betwist het standpunt van de verzoekende partijen dat de voorzieningen niet de mogelijkheid hebben gehad om zich voor te bereiden op de bestreden maatregel. Het mechanisme van het automatisch verval van erkenningen is immers voor het eerst toegepast op 15 april 2024 en de beheerders konden en kunnen nog steeds de nodige maatregelen nemen, daar het verval gebeurt op jaarbasis en slechts geldt voor de helft van de onbezette bedden. Het Verenigd College betwist eveneens de stelling dat voorzieningen worden verhinderd om kamers te renoveren, daar er specifieke regelingen gelden voor renovatiewerken. A.6.5. Het Verenigd College is het niet eens met de stelling van de verzoekende partijen dat de uitbating van private woonzorgcentra in het gedrang komt, daar de niet-bezette bedden niet worden gefinancierd en het vervallen van de erkenningen van niet-bezette bedden geen enkele economische impact heeft op de uitbaters van de voorzieningen. Er is ook geen sprake van een toekomstige behoefte ten gevolge van de toenemende vergrijzing, daar is vastgesteld dat het aantal bezette bedden gedurende tien jaar niet is gestegen en daar ouderen meer en meer kiezen voor alternatieve vormen van ouderenzorg en ondersteuning. De ordonnantiegever kan overigens de regelgeving nog wijzigen indien de maatschappelijke omstandigheden dat zouden vereisen. A.6.6. Volgens het Verenigd College kunnen de voorzieningen een intern beroep instellen bij de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag (Iriscare) om de berekening van het aantal erkende plaatsen te betwisten, zodat niet kan worden beweerd dat er geen enkel verweer mogelijk is tegen de bestreden maatregel. A.6.7. De cijfermatige voorbeelden die de verzoekende partijen in de zaak nr. 8282 aanhalen, kunnen volgens het Verenigd College niet doen besluiten tot de onevenredigheid van de bestreden bepaling, daar de 7 verzoekende partijen verkeerdelijk ervan uitgaan dat een zorgvastgoedproject op kruissnelheid een bezettingsgraad heeft van 95 %, daar zij ten onrechte aanspraken trachten te putten uit het economisch potentieel van een voorziening voor ouderen en daar er is voorzien in een uitzondering voor startende instellingen. Wat betreft de middelen afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie A.7. Het tweede middel in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. A.8.1. Volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 volgt uit de parlementaire voorbereiding van de ordonnanties die de laatste jaren werden aangenomen op het vlak van de voorzieningen voor ouderen dat de ordonnantiegever het aandeel van de commerciële sector in het zorgaanbod heeft willen terugschroeven. Om dat doel te bereiken, heeft de ordonnantiegever bepaald dat de erkenning voor bepaalde onbezette plaatsen komt te vervallen, dat om de erkenning terug te krijgen een nieuwe aanvraag moet worden ingediend voor een SVIE en dat het voor individuele commerciële beheerders niet mogelijk is een dergelijke vergunning te verwerven zolang de commerciële sector als geheel meer dan 50 % van de erkende bedden bezit. Uit dit alles leiden zij af dat de commerciële sector wordt benadeeld ten voordele van de andere sectoren. A.8.2. Volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 zijn de beheerders van ouderenvoorzieningen die behoren tot de private sector met winstoogmerk, in het licht van de ter discussie staande regeling, vergelijkbaar met de beheerders van voorzieningen die behoren tot andere sectoren, daar zij alle actief zijn op dezelfde markt en dezelfde soort dienst leveren. A.8.3. Volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 wordt het bekritiseerde verschil in behandeling niet verantwoord door een wettig doel. In zoverre de ordonnantiegever heeft beoogd om de commerciële sector te treffen, ten voordele van de openbare sector, kan dat doel niet als wettig worden beschouwd. Dat doel is onterecht ingegeven door de veronderstelling dat de commerciële sector per definitie zorg aanbiedt die duurder en minder kwaliteitsvol is dan de zorg aangeboden door de andere sectoren. In zoverre de ordonnantiegever verwijst naar het bieden van keuzevrijheid aan de ouderen en naar budgettaire motieven, zijn de desbetreffende doelstellingen evenmin wettig, daar zij zijn gebaseerd op drogredenen. De verzoekende partijen beargumenteren hun stelling ter zake op een gelijksoortige wijze als bij hun eerste middel. A.8.4. Volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 is het in het leven geroepen verschil in behandeling bovendien niet pertinent om de nagestreefde doelstellingen te bereiken, daar de rechtsvorm van een voorziening geen enkele weerslag heeft op de keuze van een oudere betreffende een voorziening en evenmin een weerslag op de begroting. Wat dat laatste betreft, toont de ordonnantiegever op geen enkele wijze aan dat voorzieningen van beheerders met een winstoogmerk nadeliger zouden zijn voor de begroting dan voorzieningen van de openbare sector of van de private sector zonder winstoogmerk. Zij wijzen bovendien op artikel 7, § 4, van de ordonnantie van 24 april 2008 en leiden eruit af dat er reeds een – minder verregaande – maatregel bestaat om het aantal plaatsen in de voorzieningen te verminderen, die de in de bestreden bepaling vervatte maatregel overbodig maakt. Zij verwijzen ook naar artikel 7, § 1/1, van die ordonnantie en leiden eruit af dat de nagestreefde doelstelling betreffende de financiële toegankelijkheid tot voorzieningen voor ouderen reeds is bereikt. A.8.5. De bestreden bepaling is volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 bovendien onevenredig. Zij verwijzen in dat kader naar hun argumentatie bij hun eerste middel. A.8.6. Volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 verschilt de bestreden bepaling van de bepalingen van het decreet van het Waalse Gewest dat het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 135/2010 heeft beoordeeld, doordat het aandeel van de commerciële sector in de voorzieningen voor ouderen van het Waalse Gewest slechts 56 % bedroeg, doordat de Waalse decreetgever reeds sinds 1997 blijk had gegeven van het doel om de ontwikkeling van rusthuizen met een winstoogmerk te verminderen en doordat de Waalse decreetgeving geen verbod bevatte tot overdracht van vergunningen. A.9. Het tweede middel in de zaak nr. 8282 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 8 A.10.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8282 doen gelden dat de bestreden bepaling geen onderscheid maakt naargelang van de sector waartoe een voorziening behoort, terwijl de voorzieningen van de private sector met winstoogmerk zich, ten gevolge van de in 2022 genomen maatregelen, in een situatie bevinden die wezenlijk verschilt van die van de voorzieningen van de private sector zonder winstoogmerk en van de openbare sector. In tegenstelling tot die laatste categorieën van voorzieningen kunnen de voorzieningen van de private sector met winstoogmerk de vervallen erkenningen immers niet compenseren door een nieuwe SVIE aan te vragen, ten gevolge van de maatregel die het aandeel van de private sector met winstoogmerk in de erkende plaatsen beperkt tot 50 %. A.10.2. Voor de gelijke behandeling van de voormelde ongelijke situaties is er volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 8282 geen redelijke verantwoording. Met de bestreden bepaling heeft de ordonnantiegever in essentie een verregaande inkrimping van de private sector met winstoogmerk beoogd, wat volgens hen geen legitieme doelstelling is. Minstens is de bestreden bepaling niet pertinent ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen, daar een keuzerecht op basis van de sector waartoe een voorziening behoort en een herstelling van het evenwicht tussen sectoren niet relevant zijn en daar de Brusselse bevolking reeds voldoende keuze heeft tussen de verschillende sectoren. De bestreden bepaling kan bovendien met zich meebrengen dat de keuzevrijheid van de ouderen wordt beperkt, daar uit de lokalisatie van de diverse voorzieningen blijkt dat de private sector met winstoogmerk de geografische toegankelijkheid tot voorzieningen waarborgt en daar de bestreden bepaling ertoe kan leiden dat voorzieningen niet meer rendabel zijn en ophouden te bestaan. De gelijke behandeling van de onderscheiden sectoren is ook niet pertinent ten aanzien van de doelstelling om voldoende lage prijzen in de ouderenzorg te waarborgen, daar elke prijsverhoging, verhoging van marges en prijsindexering door voorzieningen voor ouderenzorg door de overheid dienen te worden goedgekeurd en daar de financiële toegankelijkheid tot voorzieningen voor ouderenzorg reeds een afzonderlijk criterium vormt in het kader van de toekenning van een SVIE. A.10.3. De bestreden bepaling heeft volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 8282 bovendien onevenredige gevolgen, daar zij de geografische bereikbaarheid van de voorzieningen en de keuzevrijheid van de ouderen in het gedrang brengt, daar zij op middellange termijn bijdraagt tot een tekort aan plaatsen in de voorzieningen, daar het Verenigd College een blanco cheque heeft gekregen om het evenwicht tussen de sectoren in te vullen, daar voorzieningen geen mogelijkheid meer hebben om bedden of plaatsen onder elkaar over te dragen en daar niet is voorzien in een compensatie voor de economische schade die de voorzieningen van de private sector met winstoogmerk lijden. A.11.1. Het Verenigd College is van mening dat de verzoekende partijen in wezen de gevolgen bekritiseren van artikel 10, b), van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 15 december 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 24 april 2008 betreffende de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen » (hierna : de ordonnantie van 15 december 2022), dat erin voorziet dat de voorzieningen uit de private sector met winstoogmerk, na een automatisch verval van erkende plaatsen, geen nieuwe SVIE meer kunnen aanvragen zolang die sector meer dan 50 % van het totaalaantal als rusthuisplaatsen erkende plaatsen vertegenwoordigt. Die kritiek dient evenwel te worden verworpen, daar artikel 10, b), van de ordonnantie van 15 december 2022 te dezen niet het voorwerp uitmaakt van het beroep. A.11.2. Zelfs indien de grondwettigheid van het voormelde artikel 10, b), te dezen zou kunnen worden onderzocht, dient volgens het Verenigd College te worden vastgesteld dat de onderscheiden sectoren van de ouderenvoorzieningen niet vergelijkbaar zijn ten aanzien van de in die bepaling vervatte maatregel. De voorzieningen die behoren tot de private sector met winstoogmerk zijn immers onderworpen aan de controle van vennootschappen in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en die voorzieningen hebben tot doel winst te maken en die winst uit te keren aan hun aandeelhouders. De ordonnantiegever wil de pluraliteit van sectoren waarborgen precies omdat ze verschillend zijn, waardoor een keuzevrijheid wordt gecreëerd voor de ouderen. Het feit dat een sector een winstoogmerk heeft, onderscheidt hem noodzakelijkerwijs van andere sectoren op het vlak van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de voorzieningen. De niet-vergelijkbaarheid volgt volgens het Verenigd College ook uit de wanverhouding tussen het grote aantal erkende bedden in de private sector met winstoogmerk (65 %) en het kleinere aantal erkende bedden in de twee andere sectoren (20 % voor de openbare sector en 15 % voor de private sector zonder winstoogmerk). A.11.3. Wat de toepassing van de te dezen bestreden maatregel betreft, bevinden alle voorzieningen zich volgens het Verenigd College in een vergelijkbare situatie, daar er onderbezetting is in de drie sectoren en daar die maategel precies beoogt de onderbezetting in de voorzieningen tegen te gaan. 9 A.12.1. Het Verenigd College is bovendien van mening dat de bestreden bepaling redelijk is verantwoord, daar de ordonnantiegever wettige doelstellingen heeft nagestreefd, meer bepaald de ontwikkeling van voorzieningen die beter voldoen aan de behoeften van ouderen, het waarborgen van de keuzevrijheid van de ouderen en het waarborgen van de toegang tot de hulp en de diensten die bij de ouderen passen. De maatregel van het verval van de erkenningen van niet-bezette plaatsen wordt overigens zonder onderscheid toegepast op alle voorzieningen voor ouderenzorg, ongeacht de sector waartoe zij behoren, waardoor er geen sprake kan zijn van een ongelijke behandeling van gelijke situaties. In zoverre de verzoekende partijen beweren dat ongelijke situaties gelijk worden behandeld, is hun kritiek in werkelijkheid gericht tegen artikel 10, b), van de ordonnantie van 15 december 2022. Het Verenigd College wijst erop dat het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 84/2024 heeft geoordeeld dat dat artikel in overeenstemming is met de Grondwet. Er is geen enkele reden om te dezen anders te oordelen. A.12.2. Volgens het Verenigd College heeft de bestreden bepaling geen onevenredige gevolgen ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. De budgettaire overwegingen die worden aangehaald om de regeling te rechtvaardigen, houden verband met de diversificatie van de maatregelen inzake ouderenzorg die de ordonnantiegever op termijn aan de Brusselse ouderen wil kunnen aanbieden. Het feit dat sommige instellingen over een groot aantal erkende bedden beschikken die structureel onbezet zijn, verhindert een dergelijke diversificatie. Een onbezet erkend bed kan immers op elk moment gebruikt worden om financiering te verkrijgen. Op die manier vormen de onbezette bedden een belangrijk budgettair risico voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, dat verhindert dat er nieuwe beleidskeuzes worden gemaakt (bijvoorbeeld beleidskeuzes betreffende de financiering van alternatieve vormen van ouderenzorg). De bestreden bepaling veroorzaakt overigens geen financieel nadeel aan de betrokken voorzieningen. Bovendien heeft de ordonnantiegever voorzien in weloverwogen begeleidende maatregelen, zoals de beperking van het verval tot 50 % van de onbezette bedden, het recht om 5 % onbezette bedden aan te houden, de uitgestelde toepassing van de maatregel voor startende voorzieningen, de niet-toepasbaarheid van de maatregel op erkende plaatsen voor kortverblijf en andere correctiemechanismen. Het zal bovendien meer dan vijf jaar duren voordat de erkenningen voor de structureel onbezette bedden volledig vervallen zullen zijn. A.12.3. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel is geschonden, doet het Verenigd College gelden dat de ordonnantiegever zijn beleid vermag aan te passen aan de wijzigende omstandigheden van het algemeen belang. Bovendien konden de voorzieningen niet ervan uitgaan dat de erkenningen voor onbepaalde duur zouden blijven gelden, daar artikel 7, § 4, van de ordonnantie van 24 april 2008 reeds voorzag in een systeem van verval van vergunningen. Ondernemingen die actief zijn in de ouderensector weten overigens dat hun activiteiten onderhevig zijn aan wijzigingen in de regelgeving die ingegeven zijn door veranderende maatschappelijke behoeften. A.12.4. Het Verenigd College is van mening dat niet diende te worden voorzien in een verweermogelijkheid voor de voorzieningen die het voorwerp uitmaken van de in de bestreden bepaling vervatte maatregel, daar het verval van erkenningen enkel betrekking heeft op structureel onbezette plaatsen, daar die onbezette bedden niet worden gefinancierd, daar slechts 50 % van de onbezette bedden vervallen, daar het verval van rechtswege gebeurt en daar het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht geen toepassing vindt wanneer de overheid een gebonden bevoegdheid heeft. A.12.5. De omstandigheid dat het eerste verval van erkenningen in 2024 is gebeurd op basis van de cijfers van 2022, doet volgens het Verenigd College niet ertoe besluiten dat het verbod met terugwerkende kracht is geschonden. De bestreden bepaling heeft immers maar uitwerking vanaf 11 januari 2024, namelijk de dag van de bekendmaking van de ordonnantie in het Belgisch Staatsblad. Bovendien werd de maatregel voor het eerst pas toegepast op 15 april 2024. Volgens het Verenigd College doet de onmiddellijke inwerkingtreding van de bestreden bepaling geen afbreuk aan de redelijke verwachtingen van de ouderenvoorzieningen, daar zij niet ervan konden uitgaan dat hun erkenningen voor niet-bezette bedden voor altijd zouden gelden. A.12.6. Het Verenigd College is ten slotte van mening dat de verzoekende partijen niet aantonen dat er op middellange termijn een tekort aan plaatsen zal ontstaan, dat rusthuizen hun deuren zullen moeten sluiten en dat de bestreden bepaling economische schade voor ouderenvoorzieningen met zich mee zal brengen. Wat betreft de middelen afgeleid uit de schending van economische vrijheden A.13. Het derde middel in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 49 en 56 van het Verdrag 10 betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), met de vrijheid van ondernemen, met de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht (hierna : het WER), met artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen (hierna : de bijzondere wet van 12 januari 1989) juncto artikel 6, § 1, VI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) en met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest). A.14.1. Volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 schendt de bestreden bepaling enkele fundamentele economische vrijheden, meer bepaald de vrijheid van vestiging (gewaarborgd door artikel 49 van het VWEU), het vrije verkeer van diensten (gewaarborgd door artikel 56 van het VWEU) en de vrijheid van ondernemen (gewaarborgd door artikel II.3 van het WER en door artikel 16 van het Handvest). Zij wijzen erop dat artikel II.4 van het WER bepaalt dat de vrijheid van ondernemen wordt uitgeoefend met inachtneming van de in België van kracht zijnde internationale verdragen, waaronder het VWEU. De toepasselijkheid van de voormelde vrijheden kan volgens hen niet worden betwist, daar artikel 6, § 1, VI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt dat de gewesten hun bevoegdheden moeten uitoefenen met inachtneming van de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen en van de vrijheid van handel en nijverheid. Ze doen daarbij gelden dat die bepaling ingevolge artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 ook van toepassing is in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. A.14.2. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna : het Hof van Justitie) leiden de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 af dat de voormelde economische vrijheden ook van toepassing zijn in de sector van de ouderenvoorzieningen en dat budgettaire doelstellingen in beginsel geen rechtvaardiging kunnen vormen voor een belemmering van die vrijheden. Een ernstige aantasting van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel kan volgens hen wel een dwingende reden van algemeen belang uitmaken die een beperking van die vrijheden kan rechtvaardigen, maar de ordonnantiegever heeft op geen enkel ogenblik aangetoond dat er sprake is van een ernstig financieel onevenwicht en dat het beperken van de erkenningen en de vergunningen van de commerciële sector een dergelijk onevenwicht zou kunnen verhelpen. De nagestreefde doelstelling betreffende de keuzevrijheid van de ouderen kan die inmenging evenmin rechtvaardigen. Zij beargumenteren hun standpunt ter zake op een gelijksoortige wijze als bij hun eerste middel. In zoverre het Verenigd College aanvoert dat de verzoekende partijen geen grensoverschrijdend element aantonen, merken zij op dat ook Belgische vennootschappen zich kunnen beroepen op de economische vrijheden van het recht van de Europese Unie en wijzen zij erop dat sommige verzoekende partijen Franse vennootschappen zijn. A.15. In ondergeschikte orde verzoeken de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278, in hun vijfde middel, het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie betreffende de bestaanbaarheid van de bestreden bepaling met de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten. In hun memorie van antwoord formuleren zij een voorstel voor een prejudiciële vraag. A.16.1. Het Verenigd College is van mening dat het derde middel in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 niet gegrond is. Wat de aangevoerde schending van de artikelen 49 en 56 van het VWEU betreft, laten de verzoekende partijen na om aan te geven op welke wijze de bestreden bepaling een grensoverschrijdend karakter zou hebben en op welke manier het vrije verkeer van diensten of het recht op vrije vestiging geraakt zouden worden door die bepaling. De bestreden bepaling is bovendien zonder onderscheid van toepassing op alle voorzieningen gelegen op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, ongeacht de lidstaat van afkomst van de uitbater in kwestie. Die bepaling beantwoordt overigens volgens het Verenigd College ook aan een dwingende vereiste van algemeen belang en de erin vervatte maatregel is geschikt om het nagestreefde doel te bereiken, waarbij niet verder wordt gegaan dan wat nodig is voor het bereiken van dat doel. Er is aldus volgens het Verenigd College geen sprake van een schending van het recht van vrije vestiging en van het vrije verkeer van diensten. A.16.2. Volgens het Verenigd College is er evenmin sprake van een schending van de vrijheid van ondernemen, daar het behoud van onbezette bedden een financieel risico inhoudt voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en daar de bestreden bepaling dat risico beoogt te beperken. Dat de nagestreefde doelstellingen legitiem zijn, blijkt volgens het Verenigd College uit het voormelde arrest nr. 84/2024 van het Hof. De bestreden maatregel is ook noodzakelijk om het mechanisme voor de herverdeling van de erkende bedden in te voeren door middel van een objectieve procedure. De bestreden bepaling beantwoordt ook aan de vereiste van evenredigheid, daar de ordonnantiegever de erin vervatte maatregel heeft beperkt tot wat strikt noodzakelijk is om het gewenste doel te bereiken. 11 A.16.3. Uit het voormelde arrest nr. 84/2024 van het Hof leidt het Verenigd College af dat er te dezen geen grensoverschrijdend element aanwezig is, daar de bestreden bepaling enkel van toepassing is op zorginrichtingen die zich bevinden op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Er is dan ook volgens het Verenigd College geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Bovendien dient het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag te worden verworpen omdat de verzoekende partijen geen concreet voorstel van zulk een vraag doen in hun verzoekschrift. Wat betreft de middelen afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet A.17. Het vierde middel in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan. A.18.1. Volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 wordt het recht om op een aangename manier ouder te worden met de nodige bijstand gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet. Zij zijn van mening dat de bestreden bepaling de standstill-verplichting die voortvloeit uit dat artikel, schendt en om die reden ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.18.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 doen gelden dat door het verval van erkenningen, het aantal erkende plaatsen in de ouderenvoorzieningen daalt, wat volgens hen een vermindering van het beschermingsniveau geboden door de van toepassing zijnde wetgeving met zich meebrengt. De capaciteit in de ouderenvoorzieningen zal volgens hen slechts kunnen toenemen als de actoren van de openbare sector en van de private sector zonder winstoogmerk voorzieningen openen en daartoe de nodige investeringen doen, waarbij het volgens hen evenwel sterk kan worden betwijfeld dat dat zal gebeuren. A.18.3. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8273, 8274, 8275, 8276, 8277 en 8278 zijn van mening dat de bestreden bepaling ook een verschil in behandeling in het leven roept dat niet redelijk is verantwoord tussen ouderen die een voorkeur hebben voor een voorziening van de commerciële sector en ouderen die een voorkeur hebben voor een voorziening die niet tot de commerciële sector behoort. Daar de commerciële sector maximaal 50 % van het aantal beschikbare plaatsen voor zijn rekening mag nemen, zullen bepaalde plaatsen in die sector niet meer ter beschikking mogen worden gesteld van ouderen die een voorkeur hebben voor de commerciële sector. A.19. Volgens het Verenigd College brengt de betreden bepaling niet met zich mee dat het niveau van de bescherming van de gezondheid van ouderen vermindert, daar die bepaling betrekking heeft op onbezette plaatsen, daar jaarlijks slechts de helft van de structureel onbezette plaatsen vervalt en daar voorzieningen nieuwe vergunningen en erkenningen kunnen aanvragen wanneer zij aantonen dat dit noodzakelijk is voor hun voorziening. Het vervallen van de erkenningen zorgt immers ervoor dat er opnieuw ruimte ontstaat in de programmering. De drempel van 50 % voor de private sector met winstgevend oogmerk brengt bovendien niet met zich mee dat het keuzerecht van de ouderen vermindert, daar het verval van de erkenningen gradueel gebeurt en beperkt is tot de helft van de structureel onbezette plaatsen en daar een voorziening mag blijven beschikken over onbezette plaatsen ten belope van 5 % van haar erkende plaatsen, met een minimum van 3 of 25 onbezette erkende plaatsen. Ouderen die een voorkeur hebben voor de voorzieningen van de commerciële sector worden dan ook niet gediscrimineerd ten opzichte van personen die een voorkeur hebben voor de voorzieningen van een andere sector. -B– Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.1.1. Het bestreden artikel 10 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 22 december 2023 « houdende diverse bepalingen betreffende Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslagen » (hierna : de ordonnantie van 22 december 2023) heeft betrekking op het vervallen van de erkenning van plaatsen in 12 voorzieningen voor ouderen die gelegen zijn op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wegens niet-bezetting van die plaatsen. Dat artikel vervangt artikel 15, § 1, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 24 april 2008 « betreffende de voorzieningen voor ouderen » (hierna : de ordonnantie van 24 april 2008) als volgt : « In deze paragraaf verstaat men onder : 1° ‘ voorziening ’: een voorziening die valt onder een categorie van voorzieningen waarvoor het Verenigd College een programmering heeft vastgesteld op grond van hoofdstuk II of door toepassing van artikel 31, met uitzondering van de centra voor dagverzorging en van de plaatsen voor kortverblijf; 2° ‘ gemiddelde niet-bezettingsgraad ’ : de niet-bezettingsgraad van een voorziening, zoals beschikbaar in de toepassing voor de tegemoetkomingsberekening, die wordt berekend op basis van het gewogen gemiddelde aantal plaatsen van de voorziening tijdens een bepaalde periode; 3° ‘ jaarlijkse gemiddelde niet-bezettingsgraad ’ : de gemiddelde niet-bezettingsgraad tijdens de referentieperiode; 4° ‘ referentieperiode ’ : referentieperiode die start op 1 juli van het jaar T-2 en eindigt op 30 juni van het jaar T-1, waarbij het eerste jaar T het jaar 2024 betreft; 5° ‘ plaats ’ : een plaats waarbij een voorziening een erkenning of een voorlopige werkingsvergunning geniet. Elk jaar vervallen van rechtswege de erkenningen van de helft van het gemiddelde aantal plaatsen van een voorziening die tijdens de referentieperiode onbezet waren. Het verval van de erkenningen wordt door Iriscare vastgesteld op 15 april van elk jaar T op basis van de jaarlijkse gemiddelde niet-bezettingsgraad van elke voorziening. In afwijking van het tweede lid heeft, wanneer het aantal plaatsen waarvan het verval van de erkenning zou moeten worden vastgesteld hoger is dan het gemiddelde aantal onbezette plaatsen tijdens het laatste kwartaal van het jaar T-1, het verval alleen betrekking op het gemiddelde aantal onbezette plaatsen tijdens het laatste kwartaal van het jaar T-1. In afwijking van het tweede en het derde lid mag elke voorziening over onbezette plaatsen ten belope van vijf procent van haar plaatsen beschikken, met een minimum van drie onbezette plaatsen. Het minimum van drie niet-bezette erkende plaatsen wordt verhoogd tot 25 wanneer de toepassing van het tweede of het derde lid het totale aantal plaatsen met een bijzondere erkenning voor de verzorging van zwaar afhankelijke en hulpbehoevende ouderen in een voorziening zou verlagen naar minder dan 25. Voor alle latere opvang- of huisvestingcapaciteitstoenames moet opnieuw een specifieke vergunning tot ingebruikneming en exploitatie worden aangevraagd. 13 Het aantal onbezette plaatsen waarvoor de erkenning in toepassing van het tweede of het derde lid als vervallen moet worden beschouwd, wordt, in voorkomend geval, naar de lagere eenheid afgerond. Het aantal onbezette plaatsen waarover een voorziening in toepassing van het vierde lid mag beschikken wordt, in voorkomend geval, naar de hogere eenheid afgerond. Het tweede lid is niet van toepassing gedurende de eerste vijf jaar na de toekenning van de eerste voorlopige werkingsvergunning van de voorziening, noch gedurende de eerste vijf jaar na de toekenning van een voorlopige werkingsvergunning voor een uitbreiding met meer dan 20% van de erkende capaciteit van de voorziening. Het Verenigd College mag de regels voor de berekening van de gemiddelde niet- bezettingsgraad van de plaatsen, zoals bedoeld in deze paragraaf, verduidelijken en aanvullen. Het mag het percentage en het aantal plaatsen, zoals bedoeld in het vierde lid, wijzigen. Het mag ook het aantal jaren en het percentage, zoals bedoeld in het achtste lid, wijzigen ». B.1.2. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Dit artikel herschrijft de bepalingen van artikel 15, § 1, van de ordonnantie van 24 april 2008, voor meer leesbaarheid. De wijzigingen die daaraan worden aangebracht, zijn uitsluitend formeel, met uitzondering van drie materiële correcties. De eerste betreft de datum waarop de diensten van Iriscare het verval vaststellen (15 april van elk jaar T). De tweede is een correctie die moet worden toegepast als er een sterke stijging is van de bezettingsgraad van de voorziening tussen de referentieperiode in kwestie (1 juli van het jaar T- 2 tot en met 30 juni van het jaar T-1) en de datum van toepassing van het vervalmechanisme (15 april van het jaar T) (nieuw ontwerpartikel 15, § 1, derde lid). Die correctie is bedoeld om te voorkomen dat de vaststelling van het verval van de erkenning betrekking heeft op plaatsen die bezet zijn op het tijdstip waarop het mechanisme wordt toegepast. De laatste materiële correctie bestaat erin centra voor kortverblijf uit te sluiten van het mechanisme voor het vervallen van de erkenning van onbezette plaatsen. Het lijkt erop dat de bezettingsgraad in deze categorie ouderenvoorzieningen te sterk onderhevig is aan seizoensgebonden schommelingen om het mechanisme te kunnen toepassen. Centra voor kortverblijf, net zoals centra voor dagverzorging (al uitgesloten van hetzelfde mechanisme), behoren tot de alternatieven voor ouderenzorg in rusthuizen en rust- en verzorgingstehuizen, waarvan het Verenigd College de uitbreiding wil aanmoedigen » (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2023-2024, B-172/1, p. 4). B.2. De ordonnantie van 24 april 2008 organiseert de sector van de voorzieningen voor ouderen op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest die, wegens hun organisatie, niet onder de bevoegdheid van de Franse of Vlaamse Gemeenschap ressorteren. 14 Luidens artikel 2, 4°, van die ordonnantie, dient onder « voorzieningen voor ouderen » te worden verstaan : woningen voor ouderen (artikel 2, 4°, a)), service-residenties en residentiële gebouwen die diensten aanbieden (artikel 2, 4°, b)), rusthuizen (artikel 2, 4°, c)), centra voor dagverzorging (artikel 2, 4°, d)), centra voor dag- en nachtopvang (artikel 2, 4°,
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.