id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.097 Arrest- Rolnummer: 97/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-07-07 Raadplegingen: 539 - laatst gezien 2026-06-18 22:19 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 2, 3, § 1, c), en 8, § 1, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 « betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen », gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Fiscaal recht - Gewestelijke belastingen - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Belasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op onroerende eigendommen die niet voor bewoning bestemd zijn - Belastbare materie - Bevoegdheidverdelende regels Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 97/2025 van 26 juni 2025 Rolnummers : 8444 en 8445 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 2, 3, § 1, c), en 8, § 1, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 « betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen », gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij twee arresten van 26 februari 2025, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 24 maart 2025, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 2, 3, § 1, c en 8 § 1 van de Ordonnantie van 23 juli 1992 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen, artikel 170 § 2 van de Grondwet, het artikel 11, samen gelezen met artikel 3, 5°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en gewesten en artikel 1 van de wet van 23 januari 1989 betreffende de in artikel 170 §§ 1 en 2 van de Grondwet bedoelde belastingbevoegdheid in de mate dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een gewestelijke belasting heft ten laste van bepaalde houders van een zakelijk recht of van een recht van gebruik van onroerende eigendommen die niet voor bewoning bestemd zijn, rekening houdend met het gegeven dat de belastbare materie van deze gewestelijke belasting het houden van dat zakelijk recht is, terwijl deze onroerende eigendommen al belastbaar zijn door de onroerende voorheffing bedoeld in artikel 3, 5° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 en gezien het gegeven dat die onroerende voorheffing, als zelfstandige belasting, zonder mogelijkheid van verrekenbaarheid ervan met verschuldigde inkomstenbelastingen en zonder 2 mogelijkheid van terugbetaalbaarheid ervan, verschuldigd zijnde met het kadastraal inkomen als deel van de berekeningsbasis van de belastbare grondslag ervan, ongeacht het al dan niet daadwerkelijk behalen van inkomsten eruit, als belastbare materie het houden van een zakelijk recht heeft zoals omschreven in artikel 251 WIB92 ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8444 en 8445 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Op 1 april 2025 hebben de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaken af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Memories met verantwoording zijn ingediend door : - de nv « Connectimmo », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Hans Symoens, advocaat bij de balie van Antwerpen (in de zaak nr. 8444); - de nv van publiek recht « Proximus », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Hans Symoens (in de zaak nr. 8445); - het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Cédric Molitor, advocaat bij de balie te Brussel (in beide zaken). De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De nv « Connectimmo », de appellante voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 8444, en de nv van publiek recht « Proximus », de appellante voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 8445, zijn als eigenaar van gebouwen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest onderworpen aan de belasting van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen. Bij verzoekschrift van 8 mei 2013 betwist de nv van publiek recht « Proximus » de aanslagen die te haren aanzien waren gevestigd voor de aanslagjaren 2006 tot 2013 bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Bij verzoekschrift van 13 mei 2013 doet de nv « Connectimmo » hetzelfde voor de aanslagen die te haren aanzien waren gevestigd voor de aanslagjaren 2005 tot 2013. De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel verklaart in beide zaken bij vonnis van 22 december 2014 de vorderingen van de respectieve vennootschappen ongegrond. De nv « Connectimmo » en de nv van publiek recht « Proximus » stellen hoger beroep in tegen dat vonnis. Na te hebben geoordeeld dat de belasting van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen niet dezelfde belastbare materie heeft als de vennootschapsbelasting, acht het Hof van Beroep te Brussel het in beide zaken noodzakelijk om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. 3 III. In rechte -A- A.1. In hun conclusies genomen met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof geven de rechters-verslaggevers aan dat zij, op grond van dezelfde motieven als die van het arrest nr. 119/2007 van 19 september 2007 (ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.119), ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen de prejudiciële vragen in die zin te beantwoorden dat de artikelen 2, 3, § 1, c), en 8, § 1, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 « betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen » (hierna : de ordonnantie van 23 juli 1992) verenigbaar zijn met artikel 170, § 2, van de Grondwet, artikel 11 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (hierna : de bijzondere wet van 16 januari 1989), in samenhang gelezen met artikel 3, 5°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989, en artikel 1 van de wet van 23 januari 1989 « betreffende de in artikel 170, §§ 1 en 2, van de Grondwet bedoelde belastingbevoegdheid ». A.2. De appellante voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 8444 en de appellante voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 8445 zijn van oordeel dat de zienswijze van de rechters-verslaggevers niet kan worden gevolgd. Volgens hen heeft de belasting van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen betrekking op dezelfde belastbare materie als de onroerende voorheffing, zijnde het houden van een zakelijk recht, en is zij daarom niet verenigbaar met de voormelde bevoegdheidverdelende regels. Zij doen gelden dat het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 119/2007 foutief heeft geoordeeld dat de belastbare materie van de onroerende voorheffing de inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen is. Het al dan niet verkrijgen van inkomsten uit onroerend goed is immers irrelevant voor het verschuldigd zijn en de berekening van de onroerende voorheffing, die sinds 1990 geen eigenlijke verrekenbare voorheffing meer is. Daarenboven wijzen zij erop dat het aan het verwijzende rechtscollege staat om de in het geding zijnde bepalingen te interpreteren en dat het daarbij niet gebonden is door eerdere interpretaties van het Hof. Te dezen heeft het verwijzende rechtscollege in de prejudiciële vraag aangegeven dat beide belastingen het houden van een zakelijk recht als belastbare materie hebben. Het Hof dient de prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden. Rekening houdend met die interpretatie en met de overige preciseringen die het verwijzende rechtscollege heeft aangebracht, verschilt de onderhavige prejudiciële vraag dan ook van de prejudiciële vraag die het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 119/2007 heeft beantwoord. Tot slot merken zij op dat het onderscheid tussen belastbare materie en belastbare grondslag is vervaagd en dat het begrip « materie » in artikel 11 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 niet alleen verwijst naar belastbare materie maar ook naar belastbare grondslag. Artikel 11 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 is dan ook inhoudelijk analoog aan artikel 464, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat de provincies, de agglomeraties en gemeenten verbiedt om opcentiemen te heffen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van niet-inwoners of gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen. In het kader van die laatste bepaling hebben het Hof van Cassatie en de Raad van State reeds geoordeeld dat een lokale belasting die gebruikmaakt van het kadastraal inkomen in de berekeningsgrondslag, een verboden belasting is. Bijgevolg dient de in het geding zijnde gewestelijke belasting ook te worden beschouwd als een verboden belasting aangezien zij gebruikmaakt van het kadastraal inkomen. A.3. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van oordeel dat er geen reden bestaat om in deze zaak niet in dezelfde zin te oordelen als in het voormelde arrest nr. 119/2007. Bovendien wijst zij erop dat het Hof ook bij zijn latere arrest nr. 44/2008 van 4 maart 2008 (ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.044) heeft bevestigd dat de belastbare materie van de onroerende voorheffing de inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen zijn. 4 -B- B.1. Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of de artikelen 2, 3, § 1, c), en 8, § 1, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 « betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen » (hierna : de ordonnantie van 23 juli 1992) verenigbaar zijn met artikel 170, § 2, van de Grondwet, artikel 11 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (hierna : de bijzondere wet van 16 januari 1989), in samenhang gelezen met artikel 3, 5°, van dezelfde bijzondere wet, en artikel 1 van de wet van 23 januari 1989 « betreffende de in artikel 170, §§ 1 en 2, van de Grondwet bedoelde belastingbevoegdheid » (hierna : de wet van 23 januari 1989), in zoverre « het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een gewestelijke belasting heft ten laste van bepaalde houders van een zakelijk recht of van een recht van gebruik van onroerende eigendommen die niet voor bewoning bestemd zijn, rekening houdend met het gegeven dat de belastbare materie van deze gewestelijke belasting het houden van dat zakelijk recht is, terwijl deze onroerende eigendommen al belastbaar zijn door de onroerende voorheffing bedoeld in artikel 3, 5° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 en gezien het gegeven dat die onroerende voorheffing, als zelfstandige belasting, zonder mogelijkheid van verrekenbaarheid ervan met verschuldigde inkomstenbelastingen en zonder mogelijkheid van terugbetaalbaarheid ervan, verschuldigd zijnde met het kadastraal inkomen als deel van de berekeningsbasis van de belastbare grondslag ervan, ongeacht het al dan niet daadwerkelijk behalen van inkomsten eruit, als belastbare materie het houden van een zakelijk recht heeft zoals omschreven in artikel 251 WIB92 ». B.2. Artikel 2 van de ordonnantie van 23 juli 1992, in de versie die van toepassing is voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « Vanaf het belastingjaar 1993 wordt een jaarlijkse belasting geheven ten laste van de bezetters van bebouwde eigendommen, gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en van houders van een zakelijk recht op onroerende eigendommen die niet voor bewoning bestemd zijn. Deze belasting is verschuldigd op basis van de bestaande toestand op 1 januari van het belastingjaar ». Artikel 3, § 1, c), van de ordonnantie van 23 juli 1992, in de laatste versie die van toepassing is voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : 5 « De belasting is verschuldigd : […]
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.