← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.106

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.106 Arrest- Rolnummer: 106/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-07-28 Raadplegingen: 850 - laatst gezien 2026-06-18 14:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Verwerping van de beroepen wat de in B.10.2, B.14.2, B.20.2, B.38.4.1, B.39.4.1, B.41.3, B.42.1, B.43.3, B.45.3.1, B.45.3.2, B.47.3.1, B.47.3.2, B.50.3, B.52.2, B.53.3 en B.55 vermelde grieven betreft - Schorsing van het onderzoek van de andere grieven op totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan in de zaak C-813/24 Smartflats Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 1 februari 2024 « betreffende het toeristische verblijf », ingesteld door Ward Decabooter en anderen. Economisch recht - Toerisme - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Toeristische logies - Bevoegdheidverdelende regels - Exploitatievoorwaarden - Beginsel van de voorafgaande registratie - Voorwaarden van de registratie - Registratieprocedure - Schorsing van de registratie - Beroep bij de bevoegde minister - Administratieve sancties Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 106/2025 van 17 juli 2025 Rolnummer : 8294 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 1 februari 2024 « betreffende het toeristische verblijf », ingesteld door Ward Decabooter en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter Pierre Nihoul, rechter Joséphine Moerman, waarnemend voorzitster, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 augustus 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 augustus 2024, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 1 februari 2024 « betreffende het toeristische verblijf » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 fébruari 2024, tweede editie; erratum in het Belgisch Staatsblad van 7 oktober 2024) ingesteld door Ward Decabooter, Joerg Lackenbauer, de bv « Immobilière Chair et Pain », de bv « Housingvastgoed », de bv « Artevinimmo », de vzw « Short Term Rental Belgium », de bv « T4Teen », de bv « Nested », de nv « Smartflats » en de bv « Sweet Inn Belgique », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Simonart, mr. Julien Eyletten en mr. Ronald Fonteyn, advocaten bij de balie te Brussel. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Fabien Hans, mr. Thomas Cambier en mr. Manon Martin, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. 2 Bij beschikking van 21 mei 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.

  1. De verzoekende partijen, zijnde Ward Decabooter, Joerg Lackenbauer, de bv « Immobilière Chair et Pain », de bv « Housingvastgoed », de bv « Artevinimmo », de vzw « Short Term Rental Belgium », de bv « T4Teen », de bv « Nested », de nv « Smartflats » en de bv « Sweet Inn Belgique », zijn actief in de sector van het toeristische verblijf op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, zowel wat de kortetermijnverhuur als het verlenen van hoteldiensten betreft. Zij menen te doen blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 1 februari 2024 « betreffende het toeristische verblijf » (hierna : de ordonnantie van 1 februari 2024), die op hen van toepassing is, aangezien het bij die ordonnantie ingevoerde vergunningsstelsel een rem zet op het betreden van de markt van het toeristische verblijf, wat elke mededinging met de traditionele spelers van de sector belet en afbreuk doet aan de vrijheid van ondernemen. Volgens de verzoekende partijen wordt hun situatie dus rechtstreeks en ongunstig geraakt door de bestreden ordonnantie. A.1.
  2. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering werpt de exceptio obscuri libelli op. Zij wijst erop dat het verzoekschrift, dat 180 pagina’s telt en 19 middelen, die zelf zijn onderverdeeld in 106 onderdelen die niet duidelijk uiteenzetten welke bepalingen door elk van de grieven worden beoogd, noch in welk opzicht de in de verschillende middelen aangevoerde referentiebepalingen zijn geschonden, niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt echter dat de verzoekende partijen verplicht zijn om, vanaf het indienen van het verzoekschrift, de redenen uiteen te zetten waarom de in de middelen aangehaalde bepalingen geschonden zijn. Bijgevolg dient het verzoekschrift, of op zijn minst de verschillende middelen ervan, onontvankelijk te worden verklaard. Hoe dan ook kunnen de lacunes van het oorspronkelijke verzoekschrift niet worden weggewerkt door middel van de uiteenzetting die de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord aanvoeren. Ten aanzien van het verzoek tot opschorting van de uitspraak A.
  3. De verzoekende partijen preciseren dat een van hen, de nv « Smartflats », partij is in twee procedures die momenteel aanhangig zijn bij het Hof van Beroep te Brussel, met betrekking tot de overeenstemming van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « betreffende het toeristische logies » (hierna : de ordonnantie van 8 mei 2014) ‒ opgeheven bij de bestreden ordonnantie ‒ met de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 « betreffende diensten op de interne markt » (hierna : de Dienstenrichtlijn). Bij een arrest van 14 november 2024 heeft het Hof van Beroep te Brussel, alvorens recht te doen, zeven prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De verzoekende partijen voeren aan dat het antwoord van het Hof van Justitie op die vragen zeker een weerslag zal hebben op de 3 uitkomst van de vernietigingsprocedure, zodat zij, in hoofdorde, vragen dat het Hof de uitspraak aanhoudt totdat het Hof van Justitie zich over die vragen heeft uitgesproken. Indien het Hof een dergelijk verzoek zou inwilligen, vragen de verzoekende partijen dat ook de prejudiciële vragen die zij formuleren met betrekking tot de in het kader van de voorliggende zaak bestreden ordonnantie, aan het Hof van Justitie worden gesteld met het oog op een samenvoeging of een gezamenlijke behandeling, of minstens dat de vernietigingsprocedure niet verder wordt vertraagd. A.3.
  4. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van oordeel dat de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vragen niet moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie, zoals blijkt uit de uiteenzetting over de ontvankelijkheid en de grond van de zaak. Hoe dan ook kunnen de verzoekende partijen, via de voormelde door het Hof van Beroep te Brussel gestelde prejudiciële vragen, niet de lacunes van hun verzoekschrift omzeilen, noch het Hof ertoe brengen om middelen te behandelen die niet zijn uiteengezet. A.3.
  5. De prejudiciële vragen die door het Hof van Beroep te Brussel zijn gesteld, hebben overigens betrekking op de vroegere regeling betreffende het toeristische verblijf, waarin de ordonnantie van 8 mei 2014 voorzag, en niet op de bestreden ordonnantie zelf. De eventuele antwoorden van het Hof van Justitie zullen te dezen dus niet kunnen worden overgenomen, gelet op de verschillen tussen beide ordonnanties. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst bovendien erop dat het Hof hoe dan ook niet gebonden is door het voormelde arrest dat het Hof van Beroep te Brussel heeft gewezen in het kader van specifieke gerechtelijke procedures betreffende bevelen tot onmiddellijke stopzetting op het grondgebied van de stad Brussel. In feite verschilt de context van het geschil dat ten grondslag ligt aan dat arrest, dat met name betrekking heeft op de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning en op de Brusselse stedenbouwkundige regeling in ruime zin, met inbegrip van artikel 98 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, volkomen van de voorliggende vernietigingsprocedure. Te dezen maakt het loutere feit dat de bestreden ordonnantie naar het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening verwijst, het niet mogelijk om een andere wending te geven aan het voorwerp van het beroep tot vernietiging via een incidentele grondwettigheidstoets. De verzoekende partijen formuleren overigens geen enkel middel dat rechtstreeks en uitdrukkelijk het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening en de vereiste van een stedenbouwkundige vergunning beoogt. Over het algemeen betwist de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de pertinentie en het nut van de door het Hof van Beroep te Brussel gestelde prejudiciële vragen, gelet op onder meer de rechtspraak van het Hof van Justitie over de toepassing van de Dienstenrichtlijn op de sector van het toeristische verblijf. A.3.
  6. Tot slot merkt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op dat de verzoekende partijen niet aangeven welke van de vragen die zij te dezen stellen, moeten worden gesteld in aanvulling op die welke door het Hof van Beroep te Brussel zijn gesteld. Hoe dan ook is het Hof te dezen perfect in staat om zich uit te spreken over het beroep tot vernietiging zonder vragen te moeten stellen aan het Hof van Justitie. Overigens is het door de verzoekende partijen geformuleerde verzoek tot samenvoeging volkomen onrealistisch gelet op de termijnen van de prejudiciële procedure voor het Hof van Justitie, aangezien de zaak voor dat rechtscollege klaar zal zijn om te worden bepleit voordat het Hof het voorliggende beroep onderzoekt. Ten aanzien van de verzoeken om onderzoeksmaatregelen A.4.
  7. De verzoekende partijen beklemtonen dat, op 24 januari 2019, de Europese Commissie aan de Belgische Staat een ingebrekestelling heeft gericht met betrekking tot de vergunningsprocedure en de algemene vereisten die het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest oplegde aan de aanbieders van toeristische verblijfsdiensten met toepassing van de ordonnantie van 8 mei 2014, die weliswaar werd opgeheven bij de bestreden ordonnantie maar in een soortgelijk vergunningsstelsel voorzag. Bijgevolg vragen de verzoekende partijen dat het Hof, alvorens recht te doen en bij wijze van onderzoeksmaatregelen, beveelt om een kopie van de voormelde ingebrekestelling, de antwoorden van de Belgische autoriteiten op die ingebrekestelling en de eventuele replieken van de Europese Commissie over te leggen. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen, aangezien de afdeling wetgeving van de Raad van State uitdrukkelijk de aandacht van de ordonnantiegever op die ingebrekestelling heeft gevestigd, dat de vragen die de afdeling wetgeving in dat verband heeft gesteld, de antwoorden van de afgevaardigde van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de aan de afdeling wetgeving toegezonden documenten worden overgelegd. A.4.
  8. Indien het Hof het verzoek tot opschorting van de uitspraak zou inwilligen, vragen de verzoekende partijen dat het ook de uitspraak over de onderzoeksmaatregelen zou aanhouden, aangezien het mogelijk is dat de komende procedure voor het Hof van Justitie hun inzage verleent in de stukken waarvan de overlegging wordt gevraagd. 4 A.5.1 De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de door de verzoekende partijen vermelde procedure niet kan worden gelijkgesteld met een echte niet-nakomingsprocedure. In feite gaat het om stappen die worden gezet om een dialoog tussen de Europese Commissie en een lidstaat te openen teneinde de overeenstemming van een regelgeving met het Europese recht te beoordelen. Die stappen hebben een louter informatieve draagwijdte en laten niet toe te besluiten tot een schending van het Europese recht. Krachtens artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU) kan de Commissie alleen wanneer zij na afloop van die dialoog ervan overtuigd is dat het recht van de Europese Unie is geschonden, een met redenen omkleed advies uitbrengen en beslissen om de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie. Pas vanaf dat tijdstip wordt dus een niet-nakomingsprocedure ingesteld. Te dezen heeft de Europese Commissie wel degelijk, in 2019, de Belgische Staat verzocht om haar zijn opmerkingen mee te delen over de overeenstemming van de Brusselse regeling inzake toeristisch verblijf met de Dienstenrichtlijn, waarna een vertrouwelijke uitwisseling plaatsvond tussen de Belgische Staat en de Europese Commissie. Die stap van de Europese Commissie heeft evenwel nooit geleid tot een met redenen omkleed advies, en nog minder tot een aanhangigmaking bij het Hof van Justitie. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voegt eraan toe dat de voormelde stap van de Europese Commissie in een veel ruimer proces dan dat van het toeristische verblijf past, en dat aan alle lidstaten ingebrekestellingen zijn gericht in het kader van een grootschalige campagne om de overeenstemming van verschillende soorten regelingen over zeer diverse onderwerpen, met de Dienstenrichtlijn, te verifiëren. De onderzoeksmaatregel die de verzoekende partijen in hoofdorde vragen, is dus niet pertinent. A.5.
  9. Hoe dan ook is de hele fase van dialoog tussen de Commissie en een lidstaat strikt vertrouwelijk, zoals blijkt uit het afgeleide recht van de Europese Unie en uit de rechtspraak van het Hof van Justitie. Overigens heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, bij een vonnis van 12 september 2024, het vertrouwelijke karakter van die fase bevestigd. A.5.
  10. Wat betreft de in ondergeschikte orde gevraagde onderzoeksmaatregelen, die betrekking hebben op de procedure voor de afdeling wetgeving van de Raad van State, merkt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op dat zij overbodig zijn aangezien de stukken waarvan de overlegging wordt gevraagd, op volkomen transparante wijze zijn opgenomen in het advies van de afdeling wetgeving over het voorontwerp dat ten grondslag ligt aan de bestreden ordonnantie. Ten gronde A.
  11. De verzoekende partijen voeren vooraf aan dat de schending van de bepalingen van het primaire en afgeleide recht van de Europese Unie noodzakelijkerwijs een schending van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie dat is gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met zich meebrengt, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof. Bovendien veronderstelt de schending van de Dienstenrichtlijn ipso facto een schending van het primaire recht van de Europese Unie. Wat het eerste middel betreft A.
  12. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 6 tot 12, 17, 30 en 37 van de ordonnantie van 1 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12, eerste lid, 23, tweede lid en derde lid, 1°, en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 34 en 159 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Protocol nr. 12 bij dat Verdrag, met de artikelen 6, 15, 16, 20, 21, 51, lid 1, en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : het VEU), met de artikelen 6, 18, 26, 49, 50, 56, 57, 59, 60, 61, 195 en 288, eerste en derde alinea, van het VWEU en met de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, 4, 5, 9, 10, 13 en 15 van de Dienstenrichtlijn. A.8.
  13. In een eerste onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de vereiste van voorafgaande registratie van de toeristische verblijfsvestiging niet wordt gerechtvaardigd door duidelijke, transparante en ondubbelzinnige redenen van algemeen belang, maar door een geheel van tegenstrijdige doelstellingen, waarvan sommige vreemd zijn aan of strijdig zijn met de Dienstenrichtlijn. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie blijkt dat zij minstens vijf doelstellingen nastreeft die niet onder het begrip « dwingende redenen van algemeen belang » vallen, namelijk de bescherming van het imago van Brussel, de bescherming van de levenskwaliteit van 5 de bewoners en de buurt, de bescherming van de exploitanten, de regeling van de concurrentie in de sector om te zorgen voor gezonde concurrentie en, ten slotte, de harmonisatie van de procedures voor alle toeristische verblijfsvestigingen, met het oog op administratieve vereenvoudiging en transparantie, alsook het voorkomen van ongelijke behandeling. A.8.
  14. De verzoekende partijen voeren aan dat de criteria van de bescherming van het imago van Brussel, de bescherming van de levenskwaliteit van de bewoners en de buurt, en de bescherming van de exploitanten niet noodzakelijk dwingende redenen van algemeen belang vormen en in elk geval niet als zodanig zijn voorgesteld. Bovendien komt het criterium van de concurrentieregeling in de sector om te zorgen voor gezonde concurrentie niet overeen met het criterium dat erin bestaat eerlijke concurrentie tussen concurrerende aanbieders te waarborgen. In werkelijkheid heeft het voormelde criterium van de concurrentieregeling, in combinatie met de dubbelzinnige criteria van de bescherming van de exploitanten en het voorkomen van ongelijke behandeling, uiteindelijk tot doel de traditionele spelers in de sector van het toeristische verblijf te beschermen tegen de spelers van de nieuwe economie, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie. De voormelde criteria zijn aldus in tegenspraak met artikel 14, 5), van de Dienstenrichtlijn. De doelstelling inzake de geregelde concurrentie is overigens discriminerend, met schending van de artikelen 9 en 10 van de Dienstenrichtlijn. Tot slot werd de doelstelling inzake de harmonisatie van de procedures evenmin voorgesteld als een dwingende reden van algemeen belang. A.8.
  15. Aangezien de noodzaak van het bestreden vergunningsstelsel niet alleen door aanvaardbare dwingende redenen van algemeen belang maar ook door andere doelstellingen blijkt te worden gerechtvaardigd, worden de voormelde dwingende redenen aangetast, gewijzigd of tegengesproken door die doelstellingen. Bijgevolg kan de noodzaak van het vergunningsstelsel op zich niet worden gerechtvaardigd door objectieve, duidelijke en ondubbelzinnige dwingende redenen van algemeen belang. A.8.
  16. In hun memorie van antwoord vragen de verzoekende partijen dat een andere prejudiciële vraag, boven op de twaalf prejudiciële vragen die zij in hun oorspronkelijke verzoekschrift formuleren ‒ zoals zij verder in de memorie van antwoord zijn weergegeven ‒, zou worden gesteld aan het Hof van Justitie, opdat dat laatste zou onderzoeken of het recht van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 9 en 10 van de Dienstenrichtlijn, zich verzet tegen de nationale praktijk die erin bestaat een vergunningsstelsel of de criteria van een dergelijk stelsel gedeeltelijk te rechtvaardigen door redenen die vreemd zijn aan die welke worden beoogd in artikel 4, 8), van de Dienstenrichtlijn. A.9.
  17. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat er geen verplichting is om een onderscheid te maken tussen hetgeen in de parlementaire voorbereiding wordt voorgesteld als dwingende redenen van algemeen belang of als andere doelstellingen. Op grond van het feit dat sommige doelstellingen niet worden beschouwd als dwingende redenen van algemeen belang, kan niet worden aangenomen dat zij zouden moeten worden onderscheiden van de dwingende redenen van algemeen belang, en nog minder dat zij zouden kunnen worden beschouwd als strijdig met de dwingende redenen van algemeen belang. Bovendien geven de verzoekende partijen volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering niet aan in welk opzicht de verwijzing naar doelstellingen die geen dwingende redenen van algemeen belang zouden zijn of naar tegenstrijdige doelstellingen, een schending van de in het middel beoogde bepalingen zou impliceren wanneer er doelstellingen voorhanden zijn die als dwingende redenen van algemeen belang zijn erkend door de rechtspraak van het Hof van Justitie. Het eerste onderdeel van het eerste middel is dus niet ontvankelijk of op zijn minst niet gegrond. A.9.
  18. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering volstaat overigens, krachtens artikel 9 van de Dienstenrichtlijn, één dwingende reden van algemeen belang om de behoefte aan een vergunningsstelsel te rechtvaardigen. De kritiek die de verzoekende partijen formuleren over andere in de parlementaire voorbereiding vermelde doelstellingen, hebben dus geen weerslag op de beoordeling van de grondwettigheid van de bestreden ordonnantie. In werkelijkheid, vanaf het ogenblik dat er een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is ter rechtvaardiging van de behoefte aan een vergunningsstelsel, belet niets de wetgever om andere doelstellingen na te streven zonder dat die stuk voor stuk een dwingende reden van algemeen belang moeten vormen die als zodanig wordt beschouwd en erkend door de rechtspraak van het Hof van Justitie. A.9.
  19. In elk geval houdt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering staande dat de andere doelstellingen waarnaar de ordonnantiegever heeft verwezen bij de aanneming van de bestreden ordonnantie, volledig in het verlengde liggen van dwingende redenen van algemeen belang. Zo ligt de bescherming van de levenskwaliteit van de bewoners en van het imago van Brussel in de lijn van de dwingende reden van algemeen belang inzake de bescherming van de ruimtelijke ordening en van het stedelijk milieu. Het is immers door een coherent beleid inzake stedelijke ruimtelijke ordening te waarborgen, onder meer dankzij een evenwichtige verdeling van de verschillende 6 gebruiksvormen, dat men gelijktijdig de bescherming van de levenskwaliteit van de bewoners en van het imago van de stad waarborgt. Overigens hangen alle doelstellingen die erin bestaan een eerlijke concurrentie te waarborgen, de concurrentie te regelen en de procedures te harmoniseren, samen en beogen zij de inachtneming van het gelijkheidsbeginsel voor de verschillende spelers van de toeristische verblijfssector te waarborgen. Die doelstelling kan niet los worden gezien van andere dwingende redenen van algemeen belang. Zo waarborgt zij de afnemer van diensten een gemeenschappelijk pakket van kwaliteits- en veiligheidswaarborgen, ongeacht het type van toeristische verblijfsvestiging of de boekingswijze die hij wil gebruiken. Die gelijkheid onder alle operatoren blijkt essentieel voor een goede werking van het stelsel, dat niet zou functioneren indien bepaalde categorieën van exploitanten van toeristische verblijven aan elke verplichting zouden ontsnappen. Tot slot is het Hof van Justitie sinds lange tijd van oordeel dat de bescherming van een eerlijke concurrentie een dwingende reden van algemeen belang vormt. A.10.
  20. In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat, in de veronderstelling dat de dwingende redenen van algemeen belang aanvaardbaar zijn, hoe dan ook moet worden vastgesteld dat zij niet vooraf openbaar zijn bekendgemaakt en dat zij niet op duidelijke en eenduidige wijze in de tekst van de ordonnantie van 1 februari 2024 zijn opgenomen, waardoor zij van andere bijkomende doelstellingen hadden kunnen worden onderscheiden. A.10.
  21. In dat verband vragen de verzoekende partijen dat vier prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie. A.10.3.
  22. De eerste vraag strekt ertoe te bepalen of, aangezien de criteria van de vergunningsvoorwaarden van de erin beoogde vergunningsstelsels gerechtvaardigd, duidelijk, objectief, vooraf openbaar bekendgemaakt, transparant en toegankelijk moeten zijn, de Dienstenrichtlijn, en meer bepaald de artikelen 4, 9 en 10 ervan, in samenhang gelezen met de overwegingen 40, 56, 63 en 65 ervan, in die zin moet worden uitgelegd dat de dwingende redenen van algemeen belang waarop die criteria steunen, zelf gerechtvaardigd, duidelijk, objectief, vooraf openbaar bekendgemaakt, transparant en toegankelijk moeten zijn. A.10.3.
  23. De tweede vraag strekt ertoe te bepalen of, indien de eerste vraag bevestigend zou worden beantwoord, ervan moet worden uitgegaan dat de bekendmaking van de voormelde dwingende redenen uiterlijk gelijktijdig met die van de genoemde criteria moet plaatsvinden. A.10.3.
  24. De derde vraag strekt ertoe te bepalen, indien de tweede vraag bevestigend zou worden beantwoord, of de in het geding zijnde redenen moeten worden bekendgemaakt in het eigenlijke instrument waarbij de genoemde criteria openbaar worden bekendgemaakt. A.10.3.
  25. De vierde vraag strekt ertoe te bepalen, indien de eerste vraag bevestigend zou worden beantwoord, of de dwingende redenen van algemeen belang moeten worden bekendgemaakt in het eigenlijke instrument waarbij de criteria openbaar worden bekendgemaakt wanneer kan worden aangetoond dat, zonder die bekendmaking, die dwingende redenen van algemeen belang dubbelzinnig of ambigu zouden kunnen lijken. A.11.
  26. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat het onmogelijk is te begrijpen, bij het lezen van het onderdeel, in welk opzicht de niet-bekendmaking van de dwingende redenen van algemeen belang in de tekst zelf van de ordonnantie een schending van de in het middel beoogde bepalingen zou impliceren. De uiteenzetting van dat onderdeel bevat in dat verband geen enkele uitleg, zodat dit onderdeel van het eerste middel niet ontvankelijk is. Bovendien ziet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering niet in in welk opzicht de verzoekende partijen een belang hebben om zulke kritiek te formuleren, aangezien zij erkennen dat de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie meerdere dwingende redenen van algemeen belang vermeldt waarvan zij erkennen dat zij ook kennis ervan hebben genomen. A.11.
  27. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voegt eraan toe dat geen enkele door de verzoekende partijen beoogde bepaling oplegt dat de dwingende redenen van algemeen belang moeten worden bekendgemaakt, hetzij in de tekst zelf van de ordonnantie, hetzij gelijktijdig met de aanneming ervan. De verzoekende partijen erkennen dat overigens impliciet, aangezien zij zelf preciseren dat de Dienstenrichtlijn enkel de verplichting oplegt dat de vergunningscriteria – en niet de dwingende redenen van algemeen belang – vooraf openbaar moeten worden bekendgemaakt. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering legt artikel 9 van de Dienstenrichtlijn weliswaar op dat de behoefte aan een vergunningsstelsel wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen 7 belang, maar het is in dat verband voldoende dat die dwingende reden als zodanig wordt erkend door het Hof van Justitie, in voorkomend geval op basis van de inhoud van de parlementaire voorbereiding, maar zonder zich daartoe te beperken. Er is bijgevolg geen reden om de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. A.
  28. In een derde onderdeel maken de verzoekende partijen bezwaar tegen het feit dat de Europese Commissie niet in kennis werd gesteld van de dwingende redenen van algemeen belang, hetgeen in strijd is met het voorschrift van artikel 15, lid 7, van de Dienstenrichtlijn. Die kennisgeving heeft precies tot doel de Europese Commissie in staat te stellen om een voorafgaande controle te verrichten van de overeenstemming van nationale regelingen met het recht van de Europese Unie. A.13.
  29. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt dat de verzoekende partijen geen belang hebben om de eventuele niet-kennisgeving aan de Europese Commissie te bekritiseren. Zij voeren overigens geen enkel element aan waaruit kan worden afgeleid dat een dergelijke niet-kennisgeving een schending van de in het middel geciteerde bepalingen met zich zou meebrengen, zodat het derde onderdeel van het eerste middel niet ontvankelijk is of op zijn minst niet gegrond. A.13.
  30. In elk geval voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de kennisgevingsplicht waarin artikel 15, lid 7, van de Dienstenrichtlijn voorziet, te dezen niet van toepassing is omdat geen enkele vereiste van de bestreden ordonnantie kan worden ondergebracht in de categorieën bedoeld in artikel 15, lid 2, van die richtlijn. A.13.
  31. Zelfs indien zulk een kennisgevingsplicht van toepassing zou zijn, legt artikel 15, lid 7, van de Dienstenrichtlijn geen enkele termijn op voor de kennisgeving aan de Europese Commissie en voorziet het in dat verband niet in enige sanctie. A.
  32. In hun memorie van antwoord vullen de verzoekende partijen het derde onderdeel aan met een « nieuw middel », van openbare orde, dat is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 « betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/1535), die ook een kennisgevingsplicht oplegt die bij de aanneming van de bestreden ordonnantie hoe dan ook niet is nagekomen. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de bestreden ordonnantie de verwezenlijking van de economische rechten bedoeld in artikel 23 van de Grondwet, met name het recht van eenieder om zijn beroepsarbeid vrij te kiezen, belemmert. A.
  33. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de grief die is afgeleid uit de schending van de richtlijn (EU) 2015/1535 niet ontvankelijk is en dat de verzoekende partijen geen rechtvaardiging geven voor het zogenaamde karakter van « openbare orde » van die grief. Die is dus niet ontvankelijk, omdat zij niet tijdig is aangevoerd en omdat zij niet uiteenzet in welk opzicht de referentiebepaling is geschonden. A.
  34. In een vierde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de dwingende reden van algemeen belang betreffende de bescherming van de ruimtelijke ordening en het stedelijk milieu niet gerechtvaardigd, niet duidelijk, niet objectief, niet transparant, noch toegankelijk is. In werkelijkheid blijkt die dwingende reden vaag en onbegrijpelijk. Noch de parlementaire voorbereiding, noch de bewoordingen van de bestreden ordonnantie verschaffen in dat opzicht verduidelijking. A.
  35. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst erop dat de kritiek van de verzoekende partijen op zich de bestreden bepalingen niet ongrondwettig maakt, aangezien die bepalingen slechts betrekking hebben op een van de doelstellingen die door de ordonnantiegever worden nagestreefd, onverminderd de andere doelstellingen die blijven bestaan en die de tekst blijven rechtvaardigen. In dat verband brengt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in herinnering dat de dwingende redenen van algemeen belang niet hoeven te worden bekendgemaakt, noch uiteengezet. Overigens, zelfs indien de enige uiteengezette verantwoording de bescherming van de woonfunctie zou zijn, dan nog zou dat geen schending van de in het middel aangevoerde bepalingen met zich meebrengen, aangezien vaststaat dat een dergelijke doelstelling een dwingende reden van algemeen belang vormt die is erkend door de rechtspraak van het Hof van Justitie. Hoe dan ook stelt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering vast dat de verzoekende partijen erkennen dat de dwingende reden van algemeen belang inzake de bescherming van de ruimtelijke ordening en van het stedelijk 8 milieu uitdrukkelijk werd aangevoerd in de parlementaire voorbereiding, die overigens een hoofdstuk bevat waarin die dwingende reden van algemeen belang uitvoerig wordt uiteengezet. A.18.
  36. In een vijfde onderdeel zijn de verzoekende partijen van mening dat de beoordelingselementen waarop de ordonnantiegever de dwingende redenen van algemeen belang wil doen steunen, zelf niet gerechtvaardigd, niet duidelijk, niet objectief, niet vooraf openbaar bekendgemaakt, niet transparant, noch toegankelijk zijn. De parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie bevat dienaangaande principiële aanspraken. A.18.
  37. In dat verband vragen de verzoekende partijen om twee andere vragen te stellen aan het Hof van Justitie. A.18.3.
  38. De vijfde vraag strekt ertoe te bepalen, indien de voormelde eerste vraag bevestigend zou moeten worden beantwoord, of de Dienstenrichtlijn oplegt dat de beoordelingselementen waarop de overheid de door haar aangevoerde dwingende redenen van algemeen belang doet steunen, zelf gerechtvaardigd, duidelijk, objectief, vooraf openbaar bekendgemaakt, transparant en toegankelijk moeten zijn. A.18.3.
  39. De zesde vraag strekt ertoe te bepalen, indien de vijfde vraag bevestigend zou worden beantwoord, of de bekendmaking van de voormelde beoordelingselementen uiterlijk gelijktijdig met die van de dwingende redenen van algemeen belang waarop zij betrekking hebben, dient plaats te vinden. A.18.
  40. In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen dat de elementen voor de beoordeling van de dwingende redenen van algemeen belang verwijzen naar de studies en analyses die het mogelijk maken om de gegrondheid van een regelgeving objectief te beoordelen. A.19.
  41. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat het vijfde onderdeel onbegrijpelijk is in zoverre het de idee aangeeft dat het niet voldoende zou zijn om dwingende redenen van algemeen belang aan te voeren ter rechtvaardiging van een regelgeving, maar dat bovendien de elementen voor de beoordeling van die dwingende redenen duidelijk zouden moeten worden uiteengezet. Daarbij leggen de verzoekende partijen in hun verzoekschrift niet uit waarin die beoordelingselementen bestaan, noch in welke zin die welke in de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie zouden zijn gepreciseerd, niet voldoende duidelijk zouden zijn. De preciseringen in de memorie van antwoord moeten als niet-ontvankelijk worden beschouwd omdat zij te laat werden gegeven. Bovendien leggen de verzoekende partijen niet uit in welk opzicht de grief die zij uiteenzetten tot een schending van de in het middel aangehaalde bepalingen leidt. A.19.
  42. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering herinnert overigens eraan dat de dwingende redenen van algemeen belang niet uitdrukkelijk hoeven te worden vermeld in de parlementaire voorbereiding. Hetzelfde geldt a fortiori voor de voormelde beoordelingselementen. Hoe dan ook bevat de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie te dezen een duidelijke opsomming van de dwingende redenen van algemeen belang, die uitvoerig worden toegelicht, meer bepaald met verwijzing naar tal van studies en analyses. Bijgevolg hoeven de andere twee door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vragen niet te worden gesteld. Wat het tweede middel betreft A.
  43. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 5, § 2, 7, eerste lid, 9°, 10, 12, eerste lid, 2°, en 17, §1, eerste lid, 1°, van de ordonnantie van 1 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12, eerste lid, 23, tweede lid en derde lid, 1°, en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 34 en 159 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Protocol nr. 12 bij dat Verdrag, met de artikelen 6, 15, 16, 20, 21, 51, lid 1, en 52 van het Handvest, met artikel 3, lid 3, van het VEU, met de artikelen 6, 18, 26, 49, 50, 56, 57, 59, 60, 61, 195 en 288, eerste en derde alinea, van het VWEU en met de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, 4, 5, 9, 10, 13 en 15 van de Dienstenrichtlijn. A.
  44. In de eerste negentien onderdelen voeren de verzoekende partijen aan dat de vereisten bedoeld in artikel 5, § 2, tweede lid, 1° tot 3°, van de ordonnantie van 1 februari 2024, die de exploitatievoorwaarden vaststellen met betrekking tot de dienstverrichtingen, de frequentie van de activiteit alsook de uitrusting en de inrichting, noch noodzakelijk, noch evenredig zijn in het licht van de dwingende redenen van algemeen belang inzake de bescherming van de dienstenafnemer, de ruimtelijke ordening, het stedelijk milieu, de huisvesting en een eerlijke concurrentie. Die vereisten schenden dus artikel 10, lid 2, b) en c), van de Dienstenrichtlijn. In hun 9 memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen aan dat de kritiek kan worden toegeschreven aan de bestreden ordonnantie zelf, zonder dat het nodig is de aanneming van uitvoeringsmaatregelen af te wachten. A.
  45. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst erop dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht een machtiging aan de Regering om exploitatievoorwaarden te bepalen, zou leiden tot een schending van de in het middel aangevoerde bepalingen. In feite zijn de eerste negentien onderdelen van het tweede middel niet ontvankelijk. Hoe dan ook voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat artikel 5, § 2, tweede lid, 1° en 2°, van de bestreden ordonnantie geen eis vormt in de zin van artikel 4, 7), van de Dienstenrichtlijn. Artikel 5, § 2, tweede lid, 1° en 2°, van de bestreden ordonnantie bevat immers geen enkele verplichting, verbodsbepaling of voorwaarde, maar beperkt zich ertoe de Regering te machtigen om exploitatievoorwaarden vast te stellen. Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn is overigens niet van toepassing op een bepaling die geen enkele vergunningsvoorwaarde bevat maar die enkel de Regering machtigt om zulke voorwaarden aan te nemen. Het middel dat is afgeleid uit de schending van die richtlijn is dus niet gegrond. In werkelijkheid betreffen de grieven van de verzoekende partijen niet de tekst zelf van de bestreden ordonnantie, maar de toekomstige uitvoeringsbesluiten ervan. A.
  46. In het twintigste en het eenentwintigste onderdeel stellen de verzoekende partijen dat er hoe dan ook geen enkele reden is waarom de in artikel 5, § 2, bedoelde exploitatievoorwaarden het voorwerp uitmaken van een stelsel van voorafgaande vergunning en niet van een goedkeuring achteraf of een gewone aangifteplicht. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie betreffende artikel 9, lid 1, c), van de Dienstenrichtlijn volgt immers dat voorafgaande controles slechts in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd zijn, wanneer wordt aangetoond dat controles achteraf ondoeltreffend zijn of te laat komen om ernstige schade voor de dienstenafnemers te vermijden, hetgeen te dezen niet het geval is. A.
  47. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat de grieven van de verzoekende partijen niet gegrond zijn, om dezelfde redenen als die welke worden vermeld betreffende de eerste negentien onderdelen. Hoe dan ook kan de niet-overeenstemming van een stelsel met het recht van de Europese Unie niet worden afgeleid uit het loutere feit dat de verzoekende partijen een ander mechanisme, zoals een gewone aangifteplicht, zouden hebben verkozen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering begrijpt overigens niet waarin die aangifte zou bestaan, noch op welke manier zij zou toelaten de doelstellingen die met het stelsel worden nagestreefd, te bereiken. Wat het derde middel betreft A.
  48. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door de artikelen 5, § 2, 6 tot 12, 17, § 1, eerste lid, 1°, 30 en 37 van de ordonnantie van 1 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12, eerste lid, 16, 23, tweede lid en derde lid, 1°, en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 34 en 159 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Protocol nr. 12 bij dat Verdrag, met de artikelen 6, 15, 16, 20, 21, 51, lid 1, en 52 van het Handvest, met artikel 3, lid 3, van het VEU, met de artikelen 6, 18, 26, 49, 50, 56, 57, 59, 60, 61, 195 en 288, eerste en derde alinea, van het VWEU en met de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, 4, 5, 9, 10, 13 en 15 van de Dienstenrichtlijn. A.
  49. Vooraf voeren de verzoekende partijen aan dat de stedenbouwkundige regels in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, volgens welke voor de uitoefening van de activiteit van kortetermijnverhuur van een woning een stedenbouwkundige vergunning moet worden verkregen vóór de uitoefening van een economische activiteit, reeds een vergunningsstelsel vormen in de zin van artikel 4, 6), van de Dienstenrichtlijn, zodat de kortetermijnverhuur van een woning onderworpen is aan twee afzonderlijke, cumulatieve en opeenvolgende vergunningsstelsels. De verzoekende partijen stellen dat overweging 9 van de Dienstenrichtlijn, de rechtsleer, de rechtspraak van het Hof van Justitie en die van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar ook de soft law in het recht van de Europese Unie die interpretatie bevestigen. In hun memorie van antwoord verduidelijken zij dat de achtste en de negende prejudiciële vraag die zij in hun verzoekschrift formuleren, betrekking hebben op het derde middel. A.27.
  50. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering begrijpt niet in welk opzicht de voorafgaande uiteenzetting van de verzoekende partijen zou aantonen dat de in het middel beoogde bepalingen geschonden zijn. Aangezien dat middel uit verschillende onderdelen bestaat, dient te worden gerefereerd aan de uiteenzetting van elk onderdeel. 10 Hoe dan ook moet ervan worden uitgegaan dat de eventuele kritiek op de stedenbouwkundige regels van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest losstaat van het beroep. A.27.
  51. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is het overigens ten onrechte dat de verzoekende partijen het stedenbouwkundige stelsel gelijkstellen met een vergunningsstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn. De voorschriften inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw zijn immers in overweging 9 van die richtlijn uitdrukkelijk opgenomen als een voorbeeld van voorschriften die niet onder het toepassingsgebied van die richtlijn vallen, aangezien zij niet specifiek van invloed zijn op een dienstenactiviteit, maar daarentegen algemeen van toepassing zijn. Bovendien is het feit dat ten grondslag ligt aan de verplichting van een stedenbouwkundige vergunning, bedoeld in artikel 98, § 1, 5°, van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijke Ordening, niet de uitoefening van een bepaalde activiteit, maar de wijziging van bestemming. De verplichting om een stedenbouwkundige vergunning te verkrijgen, kan niet alleen een weerslag hebben op de exploitatie van toeristische verblijven in geval van een bestemmingswijziging, maar ook op alle andere activiteiten die kunnen worden overwogen. De exploitatie van toeristische verblijven is dus niet de enige activiteit die wordt geraakt door de verplichting van een stedenbouwkundige vergunning in geval van een bestemmingswijziging. Die analyse wordt niet ter discussie gesteld door de rechtspraak van het Hof van Justitie. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt eveneens op dat de omstandigheid dat stelsels soortgelijke of zelfs identieke doelstellingen nastreven, op zich geen ongrondwettigheid met zich meebrengt. A.27.
  52. In haar memorie van wederantwoord wijst de Brusselse Hoofdstedelijke Regering erop dat de verzoekende partijen in werkelijkheid de grondwettigheid van de bestreden ordonnantie trachten te laten afhangen van die van artikel 98, § 1, 5°, van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, wat erop neerkomt dat de grondwettigheid van een norm die de inachtneming van een andere regelgeving oplegt, impliceert dat alle strafrechtelijke of sociaalrechtelijke regels vooraf worden geverifieerd, wat niet toelaatbaar is. In werkelijkheid staat de kwestie van de grondwettigheid van artikel 98, § 1, 5°, van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening los van het voorliggende beroep tot vernietiging. In ondergeschikte orde, indien het Hof zou oordelen dat het nodig is om de grondwettigheid van artikel 98, § 1, 5°, van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening te onderzoeken, bevestigt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering opnieuw dat die bepaling niet onderworpen is aan de Dienstenrichtlijn, anders zou het gehele Brusselse stedenbouwkundig stelstel ter discussie moeten worden gesteld. In uiterst ondergeschikte orde voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat artikel 98, § 1, 5°, van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening evenredig is in zoverre het een doel nastreeft dat duidelijk overeenkomt met de dwingende reden van algemeen belang inzake de bescherming van het stedelijk milieu, zoals zij is erkend door de rechtspraak van het Hof van Justitie. A.28.
  53. In een eerste onderdeel stellen de verzoekende partijen dat het vergunningsstelsel dat is geregeld bij de artikelen 6 tot 9 van de ordonnantie van 1 februari 2024 niet steunt op dwingende redenen van algemeen belang die passend en voldoende gedetailleerd zijn, hetgeen strijdig is met artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. A.28.
  54. In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen dat het onderdeel niet tot doel heeft de grondslag van de aangevoerde dwingende redenen van algemeen belang ter discussie te stellen, maar wel het vermogen en de geschiktheid van het bestreden stelsel om die dwingende redenen te verwezenlijken. Zij stellen dat de verwezenlijking van die dwingende redenen strikt onder het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening valt, en niet onder de bestreden ordonnantie. Volgens de verzoekende partijen veroorzaken de bestreden bepalingen een administratieve verdubbeling die de toegang tot een economische activiteit vertraagt en waarvan de noodzaak niet is aangetoond door de verwezenlijking van de aangevoerde dwingende redenen. De verzoekende partijen preciseren overigens dat de tiende prejudiciële vraag die zij in hun verzoekschrift hebben geformuleerd en die zij licht herformuleren, betrekking heeft op het eerste onderdeel van dat middel. A.29.
  55. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verschilt het eerste onderdeel van het derde middel niet van de grieven die zijn geformuleerd in het kader van het eerste middel. Bovendien hangt het nauw samen met de andere onderdelen van het middel, zodat dient te worden verwezen naar de opmerkingen betreffende die onderdelen. A.29.
  56. In haar memorie van wederantwoord wijst de Brusselse Hoofdstedelijke Regering erop dat de verzoekende partijen, in hun memorie van antwoord, het onderdeel van het middel grondig hebben gewijzigd, zodat die kritiek te laat komt en niet ontvankelijk is. Hoe dan ook voert zij aan dat de in de memorie van antwoord geformuleerde stelling veronderstelt dat een gewone verdubbeling van de controle kan aantonen dat een vereiste niet geschikt is om te voldoen aan de dwingende redenen van algemeen belang van een stelsel, waardoor eender 11 welke regelgeving die verplicht om de inachtneming van een andere wetgeving te bewijzen, onwettig zou worden. Overigens heeft de door de verzoekende partijen geformuleerde prejudiciële vraag in werkelijkheid betrekking op het tweede onderdeel van het middel. A.30.
  57. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de stedenbouwkundige regels, die reeds een vergunningsstelsel vormen, zijn verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang, namelijk, ten eerste, de bescherming van het milieu via onder meer het criterium van een « goede ruimtelijke ordening », ten tweede, de bescherming van de woonmarkt en, ten derde, de bescherming van de dienstenafnemer via het voorafgaande advies van de brandweer. Overigens strekt het vergunningsstelsel dat is geregeld bij de artikelen 6 tot 9 van de ordonnantie van 1 februari 2024 zogenaamd ertoe, als dwingende redenen van algemeen belang, ten eerste, de bescherming van de dienstenafnemer via het brandveiligheidsattest, ten tweede, de bescherming van de woonmarkt via het attest van conformiteit met de stedenbouwkundige voorschriften en de regels inzake ruimtelijke ordening en, ten derde, de bescherming van het stedelijk milieu via het voormelde conformiteitsattest te waarborgen. Die verdubbeling bemoeilijkt de toegang tot een economische activiteit. Overigens worden de doelstellingen die zogenaamd worden nagestreefd met de ordonnantie van 1 februari 2024, reeds verwezenlijkt door een minder dwingende maatregel, namelijk die welke vastligt bij de stedenbouwkundige regels. Beide wetgevingen streven bijgevolg doelstellingen van algemeen belang na die elkaar overlappen, hetgeen noch noodzakelijk, noch evenredig is in het licht van artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. A.30.
  58. In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen dat hun kritiek betrekking heeft op het bestaan van het vergunningsstelsel in zijn geheel, dat niet noodzakelijk blijkt, aangezien de regels inzake ruimtelijke ordening reeds de aangevoerde dwingende redenen van algemeen belang omvatten. Een stedenbouwkundige vergunning, eventueel gekoppeld aan een systeem van aangifte en een controle achteraf, is voldoende. Volgens hen zou alleen de vereiste van een uittreksel uit het strafregister een controle vooraf kunnen legitimeren. A.31.
  59. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering beklemtoont eerst dat de omstandigheid dat twee verschillende stelsels soortgelijke dwingende redenen van algemeen belang nastreven, daarom nog niet leidt tot een cumulatie van stelsels die verboden is door de Dienstenrichtlijn. Wanneer een stelsel een vergunning afhankelijk stelt van de inachtneming van een bepaalde wet, is het immers evident dat de doelstellingen die met die voorwaarde worden nagestreefd identiek zullen zijn aan die van de in acht te nemen wet. Daaruit volgt echter niet dat er sprake is van een verboden cumulatie van twee vergunningsstelsels in de zin van de Dienstenrichtlijn. Achter de kritiek op het vergunningsstelsel van de bestreden ordonnantie in zijn geheel, is het argument van de verzoekende partijen in werkelijkheid gericht tegen een van de voorwaarden ervan, namelijk de vereiste om een stedenbouwkundig conformiteitsattest over te leggen, hetgeen te complex zou zijn. Die complexiteit volgt echter niet uit het stelsel van de bestreden ordonnantie, maar uit het feit dat voor een bestemmingswijziging steeds een stedenbouwkundige vergunning vereist is. A.31.
  60. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt overigens op dat het stelsel van de bestreden ordonnantie, enerzijds, en de Brusselse stedenbouwkundige regelgeving, anderzijds, niet dezelfde draagwijdte hebben en niet kunnen worden gecumuleerd. Vooreerst dient te worden vastgesteld, wanneer het stelsel van de bestreden ordonnantie in zijn geheel wordt bekeken, dat het niet beperkt is tot het aantonen van de stedenbouwkundige conformiteit en tot de brandveiligheidsnormen, maar dat het de registratie onderwerpt aan heel wat andere elementen die moeten beantwoorden aan doelstellingen die geen verband houden met die van de stedenbouwkundige wetgeving. Bovendien, zelfs wanneer enkel de voorwaarde van overlegging van een stedenbouwkundig conformiteitsattest in aanmerking wordt genomen, is er geen verdubbeling van twee identieke vergunningsstelsels. Immers, enerzijds legt het stedenbouwkundige stelsel de verplichting op om vooraf een vergunning te verkrijgen voor elke bestemmingswijziging. Er dient een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning te worden ingediend bij de bevoegde overheid, die over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt om te bepalen of de bestemmingswijziging overeenstemt met haar beleid inzake ruimtelijke ordening, en anderzijds is een stedenbouwkundig conformiteitsattest louter een wettigheidsattest dat aantoont dat de stedenbouwkundige wetgeving in acht is genomen uit het oogpunt van de stedenbouwkundige bestemming. Zoals de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft beklemtoond, is een stedenbouwkundig conformiteitsattest geen vergunning, maar een attest dat voortvloeit uit een gewone feitelijke vaststelling na een vergelijking tussen de bestemming die was toegestaan door de laatste stedenbouwkundige vergunning en de bestemming die werd aangegeven in het kader van de exploitatie als toeristische verblijfsvestiging. Zodoende onderzoekt de overheid 12 niet of de voorwaarden voor een stedenbouwkundige vergunning zijn vervuld en oefent zij geen opportuniteitscontrole uit, maar stelt zij enkel vast of het goed in overeenstemming is met de stedenbouwkundige situatie, dan wel of daarentegen de exploitatie van een toeristische verblijfsvestiging een stedenbouwkundig misdrijf met zich meebrengt wegens een niet-vergunde bestemmingswijziging. A.31.
  61. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering preciseert verder nog dat de grootste hindernis voor een vergunning om een onroerend goed te exploiteren als toeristisch verblijf verband houdt met het feit dat exploitanten woongebouwen omvormen tot toeristische verblijven, zonder evenwel ooit een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning wegens een bestemmingswijziging in te dienen. Het loutere gegeven dat het goed ter beschikking wordt gesteld van toeristen, brengt een bestemmingswijziging met zich mee en vormt het feit dat ten grondslag ligt aan de verplichting om een stedenbouwkundige vergunning te verkrijgen. In tegenstelling tot wat in andere situaties geldt, vindt de bestemmingswijziging uitsluitend plaats wegens de wijziging van het type verhuur van het goed, zonder dat enig ander type van handelingen en werken in het onroerend goed noodzakelijk is. Het is dus door het goed ter beschikking te stellen van toeristen dat exploitanten zich schuldig maken aan stedenbouwkundige misdrijven wanneer zij niet vooraf de stedenbouwkundige vergunning voor de bestemmingswijziging hebben verkregen. Om die reden is een voorafgaande controle van de stedenbouwkundige conformiteit gerechtvaardigd en noodzakelijk, zoals in de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie wordt beklemtoond. Die situatie past overigens volkomen binnen de logica van het beginsel van de autonomie van administratieve regelingen. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering vormt de vereiste om een conformiteitsattest over te leggen enkel een hindernis voor de uitoefening van de activiteit wanneer de exploitant zich niet heeft geconformeerd aan de stedenbouwkundige wetgeving en geen vergunning voor de bestemmingswijziging heeft verkregen. In een dergelijk geval zou de exploitatie van het goed als toeristische verblijfseenheid hoe dan ook onmogelijk zijn, omdat zij een strafrechtelijk misdrijf zou uitmaken in de zin van de artikelen 300 en 306 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. Indien daarentegen de bestemming van het goed in overeenstemming is met die welke is toegestaan door de stedenbouwkundige vergunning, zal het attest onmiddellijk worden afgegeven. De verificatie waarin de bestreden ordonnantie voorziet, is beperkt tot het noodzakelijke en voorziet niet in een cumulatie van vergunningsstelsels die uitsluitend dezelfde doelstellingen nastreven. A.31.
  62. In haar memorie van wederantwoord wijst de Brusselse Hoofdstedelijke Regering erop dat de kritiek van de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord wezenlijk verschilt van die welke diezelfde partijen in het verzoekschrift hebben geuit. Die nieuwe kritiek dient bijgevolg als niet-ontvankelijk te worden beschouwd. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt daarnaast op dat de verzoekende partijen erkennen dat de vereiste van een uittreksel uit het strafregister aanvaardbaar is en een controle vooraf zou kunnen legitimeren, zodat zij toegeven dat het bestreden systeem noodzakelijk is. Hoe dan ook is de kritiek van de verzoekende partijen op de andere vergunningsvoorwaarden niet pertinent. A.32.
  63. In een derde onderdeel preciseren de verzoekende partijen dat het vergunningsstelsel bedoeld in de artikelen 6 tot 9 van de ordonnantie van 1 februari 2024 de betrokken economische operatoren verplicht om te voldoen aan een eerste vergunningsstelsel alvorens erop te mogen vertrouwen de door de ordonnantie vereiste vergunning te kunnen genieten, hetgeen onevenredig en discriminerend is, alsook strijdig met de Dienstenrichtlijn. A.32.
  64. Volgens de verzoekende partijen leidt het opeenvolgende en cumulatieve karakter van de vergunningsstelsels ertoe dat de economische operatoren die hun activiteit van kortetermijnverhuur van een woning wensen uit te oefenen, verschillend worden behandeld naargelang zij al dan niet over de vereiste bodembestemming beschikken. Immers, een economische operator die voor zijn gebouw over een historische bodembestemming of een oude stedenbouwkundige bestemming beschikt, zal zijn economische activiteit kunnen uitoefenen zodra hij een registratienummer heeft verkregen bij het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Omgekeerd zal een economische operator die niet over een bodembestemming of een stedenbouwkundige bestemming beschikt voor het gebouw waarin hij zijn activiteit wenst uit te oefenen, een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning moeten indienen waarbij hij alle opgelegde voorwaarden moet vervullen, en pas daarna zal hij een attest van conformiteit met de normen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw kunnen verkrijgen en zich ten slotte kunnen registreren bij het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. A.32.
  65. In de praktijk betekent dit dat de economische operator de kosten moet dragen van de indiening van een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, de onzekerheid van de beslissing van de administratieve overheid moet ondergaan en, ten slotte, de uitoefening van zijn economische activiteit moet uitstellen gedurende de periode die nodig is voor het verkrijgen van de vergunning. 13 A.32.
  66. In hun memorie van antwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat, aangezien het bestreden conformiteitsattest bewijst dat het stelsel van stedenbouwkundige vergunningen in acht is genomen, het logisch is dat sommige van hun grieven afstralen op de Brusselse regelgeving inzake stedenbouw. A.33.
  67. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van oordeel dat het onderdeel moeilijk te begrijpen is en dat de kritiek samenhangt met het feit dat de exploitant van een gebouw waarvan de stedenbouwkundige bestemming die van hotelinrichting is, geen stedenbouwkundige vergunning hoeft te verkrijgen, terwijl de exploitant van een gebouw dat een andere bestemming heeft wel zulk een vergunning moet verkrijgen voordat hij een toeristische verblijfsactiviteit kan overwegen. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreft die kritiek derhalve het stelsel van de stedenbouwkundige vergunning en niet de bestreden ordonnantie op zich. Hoe dan ook betreft het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat is gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de bescherming van personen, en niet van gebouwen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst overigens erop dat de eigenaar van een gebouw dat van rechtswege reeds bestemd is als hotelinrichting, zich niet in dezelfde situatie bevindt als de eigenaar van een gebouw met een andere bestemming. Er zou dus geen sprake kunnen zijn van discriminatie tussen die twee categorieën. Integendeel, alle eigenaars van gebouwen die deze gebouwen willen bestemmen als hotelinrichting, bevinden zich in dezelfde situatie, aangezien die bestemming moet zijn toegestaan door een stedenbouwkundige vergunning of moet overeenstemmen met de bestemming van rechtswege. A.33.
  68. In haar memorie van wederantwoord wijst de Brusselse Hoofdstedelijke Regering erop dat de kritiek van de verzoekende partijen in feite uitsluitend betrekking heeft op de Brusselse stedenbouwkundige regelgeving, en niet op de bestreden ordonnantie. A.34.
  69. In een vierde onderdeel stellen de verzoekende partijen dat het vergunningsstelsel dat is geregeld bij de artikelen 6 tot 9 van de ordonnantie van 1 februari 2024 – dat vereist dat een toeristische verblijfsvestiging voldoet aan de brandveiligheidsnormen en de categoriale exploitatievoorwaarden voordat een exploitatievergunning wordt toegekend - niet noodzakelijk is en dat het bijgevolg niet in overeenstemming is met artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. A.34.
  70. Volgens de verzoekende partijen zijn de naleving van de normen inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening, alsook de naleving van de brandveiligheidsnormen reeds gewaarborgd in het kader van de stedenbouwkundige regels, telkens wanneer een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend, zodat de naleving van de brandveiligheidsnormen en van de categoriale exploitatievoorwaarden achteraf zou kunnen worden gecontroleerd. De doelstellingen van de bestreden ordonnantie zouden kunnen worden bereikt via een stelsel van voorafgaande aangifte. Voor zover dienstig preciseren de verzoekende partijen dat een eventuele economische exploitatievergunning niet kan worden beschouwd als een attest dat de stedenbouwkundige conformiteit waarborgt. A.35.
  71. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering oordeelt dat het vierde onderdeel niet voldoende duidelijk is, aangezien de verzoekende partijen niet preciseren welke voorwaarden achteraf zouden moeten worden gecontroleerd, noch in welk opzicht de controle waarin de bestreden ordonnantie voorziet ongrondwettig of onevenredig zou zijn. Hun kritiek lijkt gericht te zijn op het beginsel zelf van een controle vooraf, maar zij zetten niet uiteen waarom die controle zou moeten worden uitgesloten. A.35.
  72. Wat betreft de bewering van de verzoekende partijen dat een eventuele economische exploitatievergunning niet kan worden beschouwd als een attest dat de stedenbouwkundige conformiteit waarborgt, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat die onbegrijpelijk is en geen verband houdt met het middel. A.35.
  73. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst overigens erop dat de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie de noodzaak van een aan de exploitatie voorafgaande controle aantoont. Bovendien wordt een exploitatie van een toeristische verblijfsvestiging niet noodzakelijk voorafgegaan door de indiening van een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, die aanleiding geeft tot een brandveiligheidscontrole. Bepaalde exploitaties van toeristische verblijfsvestigingen moeten immers niet worden voorafgegaan door de indiening van een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning. Dat is het geval wanneer de exploitatie geen bestemmingswijziging impliceert, bijvoorbeeld wanneer het onroerend goed hoofdzakelijk als woning bestemd blijft ondanks de occasionele exploitatie van een gedeelte van dat goed als toeristische verblijfseenheid. Overigens baseren bepaalde exploitanten zich op een oude stedenbouwkundige vergunning, zodat een recente en aan de exploitatie voorafgaande controle gerechtvaardigd is. Aangezien een stedenbouwkundige vergunning eens en voor 14 altijd wordt verleend en niet beperkt is in de tijd, is het waarschijnlijk dat er geen controle van de brandveiligheidsnormen heeft plaatsgevonden naar aanleiding van die vergunning, of op zijn minst dat die controle betrekking had op achterhaalde normen. Het is ook mogelijk dat het gebouw intussen wijzigingen heeft ondergaan waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, maar die een weerslag kunnen hebben op de naleving van de brandveiligheidsnormen. Een nieuwe voorafgaande controle van de naleving van die normen vóór de exploitatie is derhalve onontbeerlijk. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering beklemtoont verder nog dat een stedenbouwkundig conformiteitsattest enkel kan waarborgen dat het goed in overeenstemming is met de stedenbouwkundige bestemming. Het is dus mogelijk dat een stedenbouwkundig conformiteitsattest wordt afgegeven terwijl het te exploiteren goed aanzienlijke werken heeft ondergaan zonder stedenbouwkundige vergunning. Zulke strafbare werken kunnen een gevaar inhouden en een overtreding van de brandveiligheidsnormen met zich meebrengen. Rekening houdend met een essentiële veiligheidsvereiste is het onontbeerlijk de conformiteit met de brandveiligheidsnormen te waarborgen, los van de conformiteit met de stedenbouwkundige bestemming. A.36.
  74. In een vijfde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het doel van de bescherming van de huisvesting en van het milieu kan worden bereikt door de invoering van een quotaregeling per wijk, eventueel gekoppeld aan een progressief belastingmechanisme naargelang van de omvang van de activiteit, hetgeen minder ingrijpend zou zijn dan het bestreden vergunningsstelsel. Bijgevolg is het vergunningsstelsel dat is geregeld bij de artikelen 6 tot 9 van de ordonnantie van 1 februari 2024 noch noodzakelijk, noch in overeenstemming met artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. A.36.
  75. In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen dat de door hen voorgestelde quotaregeling erin zou bestaan, binnen een geografische ruimte, het aantal vestigingen die hoteldiensten of diensten van kortetermijnhuisvesting aanbieden, te begrenzen. Zij wijzen erop dat de Dienstenrichtlijn quota niet verbiedt wanneer slechts een beperkt aantal exploitaties kan worden toegewezen. A.
  76. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is het vijfde onderdeel volstrekt onbegrijpelijk en bijgevolg niet ontvankelijk of op zijn minst niet gegrond. Hoe dan ook worden in de parlementaire voorbereiding de redenen uiteengezet waarom niet werd geopteerd voor een quotaregeling. Het is overigens niet omdat andere mechanismen mogelijk zouden zijn dat het stelsel van de bestreden ordonnantie als ongrondwettig moet worden beschouwd. In haar memorie van wederantwoord verduidelijkt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat de door de verzoekende partijen voorgestelde quotaregeling hetzij discriminerend, hetzij ondenkbaar zou zijn. A.
  77. In een zesde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de vereisten bedoeld in artikel 5 van de ordonnantie van 1 februari 2024 en het vergunningsstelsel dat is geregeld bij de artikelen 6 tot 9 van die ordonnantie – dat bepaalt dat een toeristische verblijfsvestiging moet voldoen aan zowel de voorwaarden inzake stedenbouwkundige conformiteit en brandveiligheidsnormen als de categoriale exploitatievoorwaarden - onevenredig zijn en niet in overeenstemming zijn met artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Er bestaat volgens de verzoekende partijen immers geen enkele rechtsgrond die zou toestaan dat het criterium van het voldoen aan de brandveiligheidsnormen niet los van de voorwaarden inzake stedenbouwkundige conformiteit wordt onderzocht. A.
  78. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst erop dat het onderdeel onbegrijpelijk is in zoverre de verzoekende partijen niet aangeven waarop de kritiek is gericht, noch in welk opzicht de bestreden bepaling ongrondwettig zou zijn. Zij meent bijgevolg niet in staat te zijn om erop te antwoorden, zodat het onderdeel niet- ontvankelijk of op zijn minst niet-gegrond moet worden verklaard. A.40.
  79. In een zevende onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat het vergunningsstelsel dat is geregeld bij de artikelen 6 tot 9 van de ordonnantie van 1 februari 2024, in zoverre het zowel de economische operatoren die hun eigen verblijfplaats exploiteren als de economische operatoren die gebouwen exploiteren die niet hun eigen verblijfplaats zijn aan een registratieverplichting onderwerpt, niet in overeenstemming is met artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. A.40.
  80. Volgens de verzoekende partijen is de vereiste van een voorafgaande vergunning niet evenredig voor de exploitanten die hun eigen verblijfplaats ter beschikking stellen, omdat die terbeschikkingstelling geen impact heeft op het aantal beschikbare woningen, noch op de goede ruimtelijke ordening. Bijgevolg kunnen die doelstellingen niet worden aangevoerd om te rechtvaardigen dat hun activiteit wordt onderworpen aan een 15 vergunningsstelsel. Bovendien houdt in dat geval de aard van de activiteit niet méér risico’s in op het vlak van brand, hygiëne of gezondheid dan een klassieke betrekking van een goed. Het stelsel van voorafgaande vergunning zet dus al te zeer een rem op de exploitatie van een toeristisch verblijf voor een particulier op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Dat systeem is ook discriminerend in zoverre het personen die zich in verschillende situaties bevinden wegens de aard van hun activiteit, aan eenzelfde verplichting van een voorafgaande vergunning onderwerpt, zonder rekening te houden met de specifieke kenmerken van de exploitanten die hun eigen woning ter beschikking stellen. A.40.
  81. In hun memorie van antwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat in het Waalse Gewest de personen die hun eigen woning verhuren, zijn vrijgesteld van de verplichting van een stedenbouwkundige vergunning, met toepassing van artikel R.IV.4-1 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening. A.41.
  82. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen beweren, de bestreden ordonnantie niet alle exploitanten en types van toeristische verblijven op dezelfde manier behandelt. De wetgever heeft voorzien in een gradatie van de verplichtingen volgens het type van exploitant en van toeristische verblijfsvestiging, zoals in de parlementaire voorbereiding van die ordonnantie wordt beklemtoond. Bovendien strekt de machtiging aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering ertoe dat bij het vaststellen van de exploitatievoorwaarden wordt toegezien op een modalisering van die voorwaarden, teneinde een evenredigheid te waarborgen die afhangt van de bijzonderheden van elke betrokken categorie van vestigingen. Die machtiging bakent de bevoegdheid van de Regering af, meer bepaald door de criteria vast te stellen op grond waarvan zij de verschillende categorieën van toeristisch verblijf kan regelen. Die criteria zijn eveneens verduidelijkt in de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie. A.41.
  83. Bovendien ziet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering niet in in welk opzicht een voorafgaande registratieverplichting sowieso onevenredig zou zijn voor de exploitanten van toeristische verblijven die hun hoofdverblijfplaats in het voor die activiteit bestemde gebouw hebben. In werkelijkheid zal de evenredigheid van die verplichting afhangen van de voorwaarden waaraan de registratie moet voldoen. Die voorwaarden verschillen precies naargelang van een reeks criteria die het mogelijk maken het geval van een toeristisch verblijf op de hoofdverblijfplaats van de exploitant in aanmerking te nemen. Tot slot dient niet a priori en algemeen te worden aangenomen dat een registratie noodzakelijkerwijs een rem zet op de uitoefening van de activiteit van het exploiteren van toeristische verblijven. A.41.
  84. In haar memorie van wederantwoord voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de verzoekende partijen zich vergissen wat de draagwijdte van het Waalse stelsel betreft, aangezien, met toepassing ervan, het geheel of gedeeltelijk ter beschikking stellen van een goed als toeristisch verblijf, zelfs occasioneel, een bestemmingswijziging vormt waarvoor een stedenbouwkundige vergunning moet worden verkregen. De enige vrijstelling waarin in het Waalse Gewest is voorzien, betreft het ter beschikking stellen van minder dan zes kamers bij de bewoner. Hoe dan ook kan de omstandigheid dat een ander stelsel in een vrijstelling voorziet, niet leiden tot de onbestaanbaarheid van de bestreden ordonnantie met de Dienstenrichtlijn. A.42.
  85. In een achtste en laatste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het vergunningsstelsel en de procedure die zijn geregeld bij de artikelen 6 tot 10 van de ordonnantie van 1 februari 2024, in zoverre zij de dienstverrichters onderwerpen aan een procedure waarin verschillende overheden en tal van tussenpersonen moeten optreden, de artikelen 9 en 13 van de Dienstenrichtlijn schenden, terwijl een minder ingrijpend stelsel zou toelaten een soortgelijke doelstelling te bereiken. A.42.
  86. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden procedure, die tot tal van vertragingen leidt en de uitoefening van de activiteit ongetwijfeld vertraagt, buitengewoon ingewikkeld is. De verzoekende partijen betreuren met name het feit dat de betrokken gemeente optreedt in de vergunningsprocedure, boven op de gewestelijke overheid. A.43.
  87. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst erop dat het niet volstaat te beweren dat een vergunningsstelsel ingewikkeld is om de ongrondwettigheid van dat stelsel aan te tonen. Te dezen oefenen de verzoekende partijen in dat onderdeel uitsluitend kritiek uit op een zogenaamde ingewikkeldheid, zonder evenwel aan te tonen in welk opzicht de zogenaamde procedurele vereisten van het stelsel overbodig zouden zijn of het onevenredige karakter van de aldus opgelegde verplichtingen zouden teweegbrengen. Zodoende zetten zij niet uiteen in welk opzicht de bepalingen zijn geschonden, waardoor dat onderdeel dient te worden beschouwd als niet- ontvankelijk of op zijn minst niet-gegrond. Bovendien zijn de beweringen van de verzoekende partijen louter peremptoir over de ingewikkeldheid van het stelsel, die niet wordt hardgemaakt. De Brusselse Hoofdstedelijke 16 Regering wijst erop dat, hoe dan ook, de bevoegdheid van de gemeenten inzake het stedenbouwkundig conformiteitsattest precies ertoe strekt de doeltreffendheid voor de exploitanten van toeristische verblijven te verbeteren. Omgekeerd zou de uitoefening van die bevoegdheid door het Gewest strijdig zijn geweest met het beginsel van de gemeentelijke autonomie en zou zij hebben geleid tot administratieve complexiteit. Voor elk dossier had het Gewest zich moeten richten tot de gemeente van de plaats waar het betrokken gebouw gelegen is, wat zou hebben geleid tot een splitsing van de administratieve stappen en tot een nog grotere vertraging bij de behandeling van de aanvragen. Wat het vierde middel betreft A.
  88. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending, door de artikelen 6, 7, eerste lid, 1°, 8, § 1, tweede lid, 1°, en § 2, tweede lid, 10, 12, eerste lid, 9°, en 17, § 1, eerste lid, 1°, van de ordonnantie van 1 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12, eerste lid, 16, 23, tweede lid en derde lid, 1°, en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 34 en 159 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met artikel 1 van het Protocol nr. 12 bij datzelfde Verdrag, met de artikelen 6, 15, 16, 17, 20, 21, 51, lid 1, en 52 van het Handvest, met artikel 3, lid 3, van het VEU, met de artikelen 6, 18, 26, 49, 50, 56, 57, 59, 60, 61, 195 en 288, eerste en derde alinea, van het VWEU en met de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, 4, 5, 9, 10, 13 en 15 van de Dienstenrichtlijn. A.45.
  89. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de voorwaarde inzake het toekennen van een attest van conformiteit met de stedenbouwkundige bestemming bedoeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van de ordonnantie van 1 februari 2024, noch evenredig, noch noodzakelijk is in zoverre zij, in de zin van artikel 10, lid 3, van de Dienstenrichtlijn, overlappen met de eisen en controles waaraan de betrokken vestiging reeds onderworpen is met toepassing van de stedenbouwkundige regels. Er wordt immers, in het kader van het verkrijgen van het attest, geen enkel onderzoek verricht inzake concurrentie, brandveiligheid, bescherming van de huisvesting of bescherming van het milieu. A.45.
  90. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de voorwaarde inzake het toekennen van het attest van conformiteit met de stedenbouwkundige bestemming bedoeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van de ordonnantie van 1 februari 2024, noch noodzakelijk, noch evenredig is in zoverre zij het bewijs vormt van de naleving van een eerste autonoom vergunningsstelsel, te weten het vergunningsstelsel geregeld bij artikel 98, § 1, 5°, van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. Het gaat om een uitzondering op het beginsel van de autonomie van de administratieve regelingen en om een schending van de Dienstenrichtlijn. A.
  91. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering ziet niet in in welk opzicht de inhoud van het eerste en het tweede onderdeel verschilt van de kritiek die werd geformuleerd in het kader van het tweede onderdeel van het derde middel, zodat dient te worden verwezen naar de uiteenzetting van dat laatste onderdeel. A.
  92. In een derde onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de voorwaarde voor het toekennen van een attest van conformiteit met de normen inzake ruimtelijke ordening discriminerend is in zoverre zij verhuurders die een bepaalde activiteit uitoefenen verschillend behandelt, zonder dat die vereiste gerechtvaardigd en evenredig blijkt. De exploitanten van toeristische verblijven zijn immers de enige verhuurders die over een attest van conformiteit met de normen inzake ruimtelijke ordening moeten beschikken om hun economische activiteit te starten en publiek te ontvangen, in tegenstelling tot andere operatoren zoals klinieken, internaten, ziekenhuizen, woonzorgcentra, scholen en, meer algemeen, elke vestiging die bestemd is om personen te ontvangen. De bestreden regel legt met andere woorden een aan de uitoefening van een activiteit voorafgaande vereiste op, terwijl alle andere verhuurders daarvan zijn vrijgesteld. De Dienstenrichtlijn verbiedt in dat verband dat een toekenningsvoorwaarde discriminerend of onevenredig is. A.48.
  93. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst erop dat geen enkele van de categorieën waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, een verhuur afhankelijk stelt van een vergunningsstelsel. De categorieën waartussen een discriminatie wordt aangevoerd, zijn niet vergelijkbaar in zoverre de exploitatie als toeristisch verblijf onderworpen is aan een vergunningsstelsel, terwijl de andere categorieën dat niet zijn. De verzoekende partijen voeren echter geen enkele discriminatie aan die verband houdt met het feit dat de toeristische verblijven de enige zouden zijn waarvoor een registratieverplichting geldt. Bovendien moet eraan worden herinnerd dat iedereen verplicht is de stedenbouwkundige conformiteit van een goed in acht te nemen. Het feit alleen dat de verzoekende partijen onderworpen zijn aan een registratieregeling in het kader waarvan die conformiteit wordt 17 geverifieerd, vormt op zich geen onevenredig verschil in behandeling. Hoe dan ook rechtvaardigen de specifieke kenmerken van de exploitatie van toeristische verblijven de noodzaak om vooraf de stedenbouwkundige conformiteit aan te tonen door middel van een attest. A.48.
  94. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering brengt in herinnering dat de bijzondere aard van een verhuur als toeristisch verblijf samenhangt met het feit dat de exploitatie van het goed als toeristische verblijfseenheid over het algemeen een aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen bestemmingswijziging met zich meebrengt. Zo zijn in de praktijk de meeste toeristische verblijfsvestigingen die illegaal op het Brusselse grondgebied worden geëxploiteerd, gevestigd in gebouwen waarvan de oorspronkelijke stedenbouwkundige bestemming die van huisvesting is. Dat kan worden verklaard door het feit dat de omschakeling van een huisvestingsactiviteit naar een toeristische verblijfsactiviteit op zich geen ingreep, noch een verbouwing impliceert. Dat zou niet het geval zijn voor het ombouwen van een kantoorgebouw of een ziekenhuis voor een toeristische verblijfsactiviteit. In sommige gevallen impliceert de exploitatie van een toeristische verblijfsvestiging in een woongebouw geen bestemmingswijziging. Dat is bijvoorbeeld het geval voor een persoon die zijn goed verhuurt als toeristische verblijfseenheid wanneer hij met vakantie is. Dat geldt eveneens voor de verhuur van een kamer in een eengezinswoning in het kader van een toeristische verblijfsactiviteit, maar waarbij de hoofdbestemming van het gebouw huisvesting blijft. In de meeste gevallen is het echter de toeristische verblijfsactiviteit die ten grondslag ligt aan de bestemmingswijziging, omdat de bestemming van het gebouw overgaat van woning naar hotelinrichting. Zo bevinden, in Brussel, de meeste toeristische verblijfsvestigingen die zonder registratie worden geëxploiteerd, zich in gebouwen die bestemd zijn voor huisvesting en waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning werd aangevraagd noch verkregen met het oog op de toelating voor een bestemmingswijziging naar hotelinrichting. Die situatie rechtvaardigt dat het onontbeerlijk is de stedenbouwkundige conformiteit van het goed te waarborgen door middel van een attest dat moet worden overgelegd vóór de exploitatie. Omgekeerd zou het absurd en contraproductief zijn om eerst een vergunning af te geven voor de exploitatie van een goed als toeristische verblijfseenheid, en vervolgens de stopzetting van de activiteit te bevelen en de exploitant te bestraffen wegens de uitoefening van een activiteit die gepaard gaat met een stedenbouwkundig misdrijf. Een dergelijke situatie doet zich niet op dezelfde manier voor bij de verhuur van goederen die bestemd zijn als scholen, woonzorgcentra, internaten of ziekenhuizen. Over het algemeen geldt ofwel dat het betrokken goed historisch reeds voor een dergelijk gebruik is bestemd en is er dus geen stedenbouwkundige vergunning vereist voor de bestemmingswijziging, ofwel dat het goed bestemd was voor een ander gebruik maar dat de bestemmingswijziging aanzienlijke verbouwingen impliceert waardoor hoe dan ook een stedenbouwkundige vergunning moet worden verkregen. A.
  95. In een vierde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de voorwaarde voor het toekennen van een attest van conformiteit met de normen inzake ruimtelijke ordening discriminerend is in zoverre zij voor alle exploitanten geldt, terwijl het vereisen van dat document ten aanzien van de exploitanten die hun eigen woning verhuren niet verantwoord is en niet kan worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, aangezien de activiteiten van die exploitanten geen bijkomend risico inhouden in vergelijking met een gewone betrekking van de woning. Bovendien heeft het ter beschikking stellen van zijn eigen woning geen impact op de huurmarkt, noch op het milieu, of heeft het slechts een verwaarloosbare impact daarop. Een eventuele vrijstelling van de voormelde verplichting zou in elk geval geen concurrentieverstoring op de markt teweegbrengen. A.
  96. Vooreerst verwijst de Brusselse Hoofdstedelijke Regering naar de uiteenzetting over het zevende onderdeel van het derde middel. Daarnaast vestigt zij de aandacht op de machtiging waarin artikel 8, § 2, van de bestreden ordonnantie voorziet, die het mogelijk maakt vrijstelling te verlenen van de verplichting om een stedenbouwkundig conformiteitsattest over te leggen. Hoe dan ook is het niet correct ervan uit te gaan dat een toeristische verblijfsvestiging waarin de exploitant gewoonlijk verblijft, geen enkele impact zal hebben op de huisvesting, zoals in de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie wordt beklemtoond. Hetzelfde geldt voor de doelstellingen inzake de bescherming van het stedelijk milieu, de veiligheid en de regeling van een eerlijke concurrentie. A.
  97. In een vijfde onderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat artikel 8, § 2, tweede lid, van de ordonnantie van 1 februari 2024 het aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering overlaat om vast te stellen in welke gevallen bepaalde categorieën van toeristische verblijfsactiviteiten moeten worden vrijgesteld van het attest bedoeld in artikel 8, § 1, derde lid, 1°, van de ordonnantie van 1 februari 2024, voor zover de toeristische verblijfsactiviteit geen verlies van huisvesting ten gevolge heeft. Volgens de verzoekende partijen gaat het om een essentieel element van het bestreden stelsel. Zij voegen eraan toe dat de handhaving van die 18 toekenningsvoorwaarde voor personen die ter plaatse wonen, niet gerechtvaardigd is door een dwingende reden van algemeen belang. Bovendien moet de voormelde delegatie worden geïnterpreteerd als een verplichting voor de Regering, en niet als een mogelijkheid. A.
  98. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt dat de verzoekende partijen geen verband leggen tussen hun kritiek en de bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd. In de uiteenzetting van het onderdeel wordt overigens niet aangegeven welke van de tientallen bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, de bepalingen zijn die op basis van die kritiek zouden zijn geschonden. Het onderdeel dient dus niet-ontvankelijk of op zijn minst niet-gegrond te worden verklaard. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt overigens op dat de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende macht en de uitvoerende macht wordt geregeld bij de artikelen 105 en 108 van de Grondwet, alsook bij de artikelen 17, 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvan de schending niet wordt aangevoerd. Overigens wordt in de bestreden ordonnantie de draagwijdte van de machtiging aan de Regering uitdrukkelijk omschreven en geregeld. In de parlementaire voorbereiding van die ordonnantie wordt dat nog verder verduidelijkt. A.
  99. In een zesde en zevende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de voorwaarde van een conformiteitsattest niet gerechtvaardigd is door de dwingende redenen van algemeen belang inzake de strijd tegen oneerlijke concurrentie en de bescherming van de dienstenafnemer, aangezien in de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie enkel de doelstelling inzake de bescherming van de ruimtelijke ordening, het stedelijk milieu en de huisvesting wordt beoogd. Die voorwaarde is dus niet noodzakelijk, noch evenredig. A.
  100. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst in de eerste plaats naar de memorie van toelichting bij de bestreden ordonnantie, die heldere uitleg bevat met betrekking tot de grieven van de verzoekende partijen. Daarnaast brengt zij in herinnering dat het volstaat dat een eis in de zin van de Dienstenrichtlijn wordt gerechtvaardigd door een enkele dwingende reden van algemeen belang om aanvaardbaar te zijn. Wat in het bijzonder de dwingende reden inzake de bescherming van de dienstenafnemer betreft, wijst de Brusselse Hoofdstedelijke Regering erop dat uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling blijkt dat het doel daarvan is dat een toerist de zekerheid heeft dat hij, wanneer hij op afstand een verblijf boekt in een toeristische verblijfseenheid, niet stuit op problemen die verband houden met een onregelmatige exploitatie. Die bekommernis geldt ook ten aanzien van een exploitatie die aanleiding zou geven tot een schending van de stedenbouwkundige bestemming. A.55.
  101. In een achtste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de voorwaarde van een attest van conformiteit met de normen inzake ruimtelijke ordening niet afdoende gerechtvaardigd is door de dwingende redenen van algemeen belang inzake de bescherming van de huisvesting en van het stedelijk milieu. In dat verband merken de verzoekende partijen op dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake pertinentie en evenredigheid blijkt dat de inachtneming van die vereisten in concreto moet worden onderzocht. A.55.
  102. Volgens de verzoekende partijen beantwoordt het attest van conformiteit met de normen inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening niet op coherente en systematische wijze aan de doelstellingen van de ordonnantiegever, aangezien de studies waarop het bestreden systeem berust, niet voldoende duidelijk zijn. De door de ordonnantiegever verschafte bewijselementen laten met andere woorden niet toe de vastgestelde doelstellingen te bereiken. De verzoekende partijen wijzen nog erop dat het bestreden stelsel niet verplicht om huisvesting te creëren, noch om onroerende goederen weer op de huurmarkt te brengen, in tegenstelling tot de regels inzake stedenbouw of huisvesting. In werkelijkheid draagt dat stelsel dus niet ertoe bij de huisvesting te beschermen, maar beoogt het de uitoefening van een economische activiteit te belemmeren in het voordeel van andere historische spelers van de sector van het toeristische verblijf. A.
  103. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst in eerste instantie naar de uiteenzetting betreffende het zesde onderdeel. Daarnaast preciseert zij dat de Dienstenrichtlijn niet oplegt dat een vereiste doelstellingen nastreeft die moeten worden geschraagd door studies. Hoe dan ook bestaan er tal van wetenschappelijke studies die, enerzijds, een probleem van woningschaarste in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en, anderzijds, een negatieve weerslag van de toeristische verblijfsactiviteit op het woningaanbod aantonen. De parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie verwijst uitdrukkelijk naar zulke studies. A.
  104. In een negende onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de voorwaarde van een attest van conformiteit met de normen inzake ruimtelijke ordening niet noodzakelijk, noch evenredig is met het doel inzake de bescherming van de huisvesting, aangezien de regels betreffende huisvesting en de regels betreffende stedenbouw volstaan om dat doel te bereiken. De uitoefening van de activiteit van kortetermijnverhuur van een woning of het aanbieden van diensten vereisen immers, behoudens uitzondering, dat men beschikt over een 19 vergunning met een stedenbouwkundige bestemming van hotelinrichting, hetgeen een vergunningsstelsel vormt. In werkelijkheid vormt de bestreden attestregeling enkel een verificatie van het feit of de geplande activiteit in overeenstemming is met de stedenbouwkundige vergunning. A.
  105. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst erop dat de vereiste van een attest niet van dien aard is dat zij een onevenredige inbreuk op de fundamentele vrijheden veroorzaakt. Zoals reeds werd aangetoond, is een verificatie van de stedenbouwkundige conformiteit overigens noodzakelijk in het licht van de specifieke kenmerken van de exploitatie van toeristische verblijven, niettegenstaande de verplichtingen die worden opgelegd vanuit de stedenbouwkundige regels. A.
  106. In een tiende onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de voorwaarde van een attest van conformiteit met de normen inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening niet noodzakelijk, noch evenredig is met de doelstelling inzake de bescherming van de huisvesting, in zoverre zij zonder onderscheid van toepassing is op het hele grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie is het immers noodzakelijk dat een vergunningsstelsel, opdat het evenredig zou zijn, een beperkte geografische reikwijdte heeft. De Dienstenrichtlijn is te dezen dus geschonden. Volgens de verzoekende partijen zou een mechanisme van quota per wijk of per gemeente die struikelsteen kunnen vermijden. A.
  107. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt dat de verzoekende partijen zich vergissen over de draagwijdte van de rechtspraak van het Hof van Justitie waarop zij zich beroepen. Bovendien blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie dat de wetgever heeft geoordeeld dat de toepassing van een geografisch criterium met betrekking tot de verplichting om een stedenbouwkundig conformiteitsattest over te leggen, niet opportuun was. A.
  108. In een elfde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat, rekening houdend met de vereisten en controles van de stedenbouwkundige regels die gezien hun doel gelijkwaardig of in wezen vergelijkbaar zijn, de vereiste van een vergunning in plaats van een gewone aangifte onevenredig is. Zulk een alternatief aangiftesysteem zou eventueel gepaard kunnen gaan met een controle achteraf of een systeem van melding aan de bevoegde overheden, hetgeen voldoende zou blijken om het nagestreefde doel inzake de bescherming van het stedelijk milieu te bereiken, zonder dat dit een rem zet op de uitoefening van een economische activiteit. A.
  109. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt dat het onderdeel onbegrijpelijk is in zoverre het de idee van een voorafgaande aangifte betreft. Bijgevolg moet het niet-ontvankelijk of op zijn minst niet-gegrond worden verklaard. Voor het overige herinnert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering eraan dat de vereiste van een voorafgaand conformiteitsattest noodzakelijk is, zoals werd aangetoond. Met een voorafgaande aangifte zou het nagestreefde doel niet kunnen worden verwezenlijkt. A.
  110. In een twaalfde onderdeel stellen de verzoekende partijen dat economische operatoren die een economische activiteit wensen uit te oefenen die bestaat in de kortetermijnverhuur van een woning, verschillend worden behandeld naargelang van de manier waarop zij de vereiste bodembestemming verwerven of erover beschikken. Enerzijds wordt een economische operator die voor zijn gebouw over een historische bodembestemming of een oude stedenbouwkundige bestemming beschikt, geacht in overeenstemming te zijn met het eerste vergunningsstelsel zonder evenwel de vergunningsvoorwaarden van dat vergunningsstelsel in acht te hebben genomen. Die economische operator kan een conformiteitsattest verkrijgen en wordt geacht het eerste vergunningsstelsel dat is geregeld door de stedenbouwkundige regels in acht te hebben genomen, zonder dat hij noodzakelijkerwijs de specifieke voorwaarden daarvan vervult. Anderzijds moet een economische operator die niet over een bodembestemming of een stedenbouwkundige bestemming beschikt voor het gebouw waarin hij zijn activiteit wenst uit te oefenen, een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning indienen en vervolgens die vergunning verkrijgen door alle voorwaarden van dat eerste vergunningsstelsel in acht te nemen. Pas nadat hij die stedenbouwkundige vergunning heeft verkregen, kan de economische operator een attest van conformiteit met de normen inzake ruimtelijke ordening verkrijgen en kan hij zich ten slotte registreren bij het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Dat betekent concreet dat die economische operator kosten moet dragen die verbonden zijn aan de indiening van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag, de onzekerheid van de beslissing van een administratieve overheid moet ondergaan en de uitoefening van zijn economische activiteit moet uitstellen gedurende de periode die nodig is om een stedenbouwkundige vergunning te verkrijgen, terwijl een andere economische operator de last van die administratieve procedure niet moet dragen, aangezien hij voor zijn gebouw over de bodembestemming beschikt zonder dat hij evenwel de voorwaarden eigen aan de uitoefening van de activiteit heeft moeten vervullen. 20 A.
  111. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat de aangevoerde discriminatie, voor zover bewezen, voortvloeit uit de stedenbouwkundige regelgeving en niet uit de bestreden ordonnantie, aangezien het niet de ordonnantie is die bepaalt of het noodzakelijk is om al dan niet een stedenbouwkundige vergunning voor een bestemmingswijziging te verkrijgen. A.65.
  112. In een dertiende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen, zonder dat een objectieve, legitieme, redelijke en evenredige grond voorhanden is, de exploitanten op dezelfde manier behandelen, ongeacht of zij een toeristische verblijfsvestiging exploiteren die voordien tot bewoning werd aangewend of bestemd dan wel een toeristische verblijfsvestiging die niet tot bewoning is aangewend of bestemd, aangezien zij hen allemaal aan dezelfde vergunningsvoorwaarden onderwerpen. A.65.
  113. Volgens de verzoekende partijen kan niet ervan worden uitgegaan dat het gebruik voor woondoeleinden van een gebouw dat een andere stedenbouwkundige bestemming dan huisvesting heeft, raakt aan het aantal beschikbare woningen, of de huurmarkt aantast. De vereiste van een attest van conformiteit met de normen inzake ruimtelijke ordening kan niet worden verantwoord voor die economische operatoren, en is onevenredig. Het criterium voor de toekenning van het attest van conformiteit met de normen inzake ruimtelijke ordening is dus discriminerend in zoverre het zonder legitiem doel van toepassing is op de operatoren wier activiteit niet raakt aan de huisvesting. A.
  114. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is de door de verzoekende partijen aangevoerde discriminatie niet gelegen in de vereiste om een stedenbouwkundig conformiteitsattest over te leggen, maar wel in de voorwaarden die zijn vastgesteld door het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening voor het stedenbouwkundig conformiteitsattest van het goed. Zij brengt in herinnering dat het bestreden stelsel gerechtvaardigd is door andere dwingende redenen van algemeen belang dan die inzake de bescherming van de huisvesting. A.
  115. In een veertiende onderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de exploitanten van een toeristische verblijfsvestiging die niet aangewend noch bestemd is tot huisvesting, niet onderwerpen aan een gewone voorafgaande aangifteplicht, hetgeen zou volstaan om de door de wetgever nagestreefde doelstellingen te bereiken. A.
  116. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van oordeel dat de grieven van de verzoekende partijen met betrekking tot de belemmering van de exploitatie niet voortvloeien uit de bestreden ordonnantie, maar uit de stedenbouwkundige regelgeving. Zij verwijst voor het overige naar de uiteenzetting betreffende het elfde en het dertiende onderdeel. A.69.
  117. In een vijftiende onderdeel wijzen de verzoekende partijen erop dat de voorwaarde inzake de toekenning van het attest van conformiteit met de normen inzake ruimtelijke ordening een ontradende en ingewikkelde administratieve formaliteit vormt die de toegang tot een economische activiteit vertraagt zonder dat zij het mogelijk maakt het nagestreefde doel te bereiken, hetgeen de artikelen 10 en 13 van de Dienstenrichtlijn schendt. A.69.
  118. De verzoekende partijen preciseren dat een attest van conformiteit met de normen inzake ruimtelijke ordening wordt toegekend na afloop van een procedure die wordt gevoerd bij de bevoegde gemeente. Het gaat om een ontradende procedure die de uitoefening van een economische activiteit onnodig vertraagt. Het door de gemeente gevoerde onderzoek is immers beperkt tot het verifiëren van de stedenbouwkundige bestemming van het goed waarin de activiteit is gepland, zodat haar optreden niet noodzakelijk is en een soortgelijke controle kan worden uitgevoerd door de gewestelijke overheid, hetgeen dezelfde waarborgen zou bieden. A.
  119. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt vast dat de kritiek van de verzoekende partijen overeenstemt met de kritiek die in andere middelen en onderdelen is geformuleerd. A.
  120. Tot slot voeren de verzoekende partijen in een zestiende onderdeel aan dat de voorwaarde inzake de toekenning van het attest van conformiteit met de normen inzake ruimtelijke ordening niet voldoet aan de vereisten van voorzienbaarheid van de Dienstenrichtlijn in zoverre de beoordelingsbevoegdheid van de gemeenten om te bepalen wat als een nevenactiviteit van een woonfunctie wordt getolereerd, niet voldoende geregeld is. In dat verband vestigen de verzoekende partijen de aandacht op een risico van verschillende administratieve praktijken naargelang van de betrokken gemeente. Zij hebben daarnaast kritiek op de definitie van « hotelinrichting », die verwarring schept. 21 A.
  121. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat de kritiek van de verzoekende partijen losstaat van de bestreden ordonnantie, aangezien zij in werkelijkheid betrekking heeft op de stedenbouwkundige regelgeving, namelijk het bestaan van een beoordelingsbevoegdheid van de gemeenten om te bepalen wanneer een bestemmingswijziging plaatsvindt met toepassing van artikel 98 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening en het gewestelijke bestemmingsplan. Het onderdeel is dus niet ontvankelijk of op zijn minst niet gegrond. Wat het vijfde middel betreft A.
  122. De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit de schending, door de artikelen 6, 7, eerste lid, 2°, 8, § 1, derde lid, 2°, en 13 tot 16 van de ordonnantie van 1 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12, eerste lid, 23, tweede lid en derde lid, 1°, en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 34 en 159 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Protocol nr. 12 bij dat Verdrag, met de artikelen 6, 1fe 5, 16, 20, 21, 51, lid 1, en 52 van het Handvest, met artikel 3, lid 3, van het VEU, met de artikelen 6, 18, 26, 49, 50, 56, 57, 59, 60, 61, 195 en 288, eerste en derde alinea, van het VWEU en met de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, 4, 5, 9, 10, 13 en 15 van de Dienstenrichtlijn. De verzoekende partijen preciseren dat de toekenningsvoorwaarden van een vergunningsstelsel een onlosmakelijk geheel vormen, zodat de schending van het recht van de Europese Unie door één toekenningsvoorwaarde van een vergunningsstelsel ertoe leidt dat het stelsel in zijn geheel onbestaanbaar is met dat recht, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie. A.74.
  123. In een eerste onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de toekenningsvoorwaarde van een vergunningsstelsel die bestaat in het brandveiligheidsattest, niet noodzakelijk is in zoverre een controle achteraf, gekoppeld aan de naleving van de voorwaarden van het eerste vergunningsstelsel dat is vastgesteld door de stedenbouwkundige regels, waarborgt dat de doelstelling op minder dwingende wijze wordt nagestreefd. Bijgevolg is artikel 10, c), van de Dienstenrichtlijn geschonden. A.74.
  124. Volgens de verzoekende partijen leidt de cumulatie van de stelsels inzake stedenbouwkundige vergunning en economische vergunning tot een dubbele verificatie van de brandveiligheidsnormen. Zij beklemtonen in dat verband dat voor het verkrijgen van de eerste vergunning, in de vorm van een stedenbouwkundige vergunning, reeds een gunstig advies van de brandweer en de naleving van bepaalde voorwaarden, vastgesteld in het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, vereist zijn. De verzoekende partijen doen gelden dat een controle achteraf door de brandweer, in dat kader, voldoende en doeltreffender blijkt. A.
  125. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt vast dat de kritiek van de verzoekende partijen de kritiek weerspiegelt die reeds in de vorige middelen werd geuit. Zij verduidelijkt daarnaast dat de exploitatie van een toeristische verblijfsvestiging een verificatie van de naleving van de brandveiligheidsnormen vereist, boven op de verificatie van de naleving van de stedenbouwkundige regels die voortvloeien uit de toekenning van een stedenbouwkundige vergunning. Hoe dan ook is het niet kennelijk onredelijk om te eisen dat, vóór de exploitatie, een conformiteitsattest voor brand wordt overgelegd. Het doel daarvan is de bescherming van de dienstenafnemers en van de toekomstige exploitanten zelf te waarborgen. Er komen immers onafgebroken toeristen en het zou onaanvaardbaar zijn dat hun veiligheid niet vóór hun komst gewaarborgd is. Wat de exploitanten betreft, kan dankzij de voorafgaande controle worden vermeden dat aan anderen schade wordt berokkend en dat aanzienlijke investeringen worden gedaan in een project dat, in zijn huidige staat, in strijd zou zijn met de brandveiligheidsregels. De omstandigheid dat sommige onroerende goederen recent zijn gecontroleerd op de brandveiligheidsnormen in het kader van een andere administratieve regeling, doet niet af aan die vaststelling. De bestreden ordonnantie voorziet immers in bepaalde strengere normen, precies wegens de toeristische verblijfsactiviteit en het feit dat het gaat om het verwelkomen van toeristen die op afstand een overeenkomst hebben gesloten zonder dat zij het goed vooraf hebben bezocht, en die derhalve niet ermee bekend zijn. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voegt eraan toe dat de vereiste om een brandveiligheidsattest over te leggen geen belemmering vormt voor de economische activiteit, tenzij er een belemmering is die verband houdt met de onveiligheid van het goed, hetgeen in dat geval gerechtvaardigd zou zijn. Hoe dan ook zijn de vermeende administratieve lasten die door de verzoekende partijen worden aangevoerd, algemeen en abstract geformuleerd. In dezelfde geest is het onderscheid dat de verzoekende partijen opnieuw willen maken tussen een controle vooraf en een controle achteraf, ongegrond. Dat onderscheid heeft immers geen weerslag op de exploitatie, tenzij er sprake is van een onveilige situatie, in welk geval een controle a priori gerechtvaardigd is. 22 A.76.
  126. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de procedure inzake de toekenning van een brandveiligheidsattest een ontradend effect heeft en de toegang tot een economische activiteit vertraagt. Zij vestigen de aandacht op de aanzienlijke kostprijs voor het verkrijgen van een dergelijk attest. A.76.
  127. Volgens de verzoekende partijen leiden de vereiste van een brandveiligheidsattest en de procedure voor het verkrijgen van het veiligheidsattest ertoe, in het kader van de opening van een nieuwe vestiging, dat een exploitant wordt verplicht een instapklare vestiging niet te exploiteren gedurende de periode die nodig is voor de controle van de conformiteit met de brandveiligheidsnormen, terwijl de conformiteit met de brandveiligheidsnormen reeds is gewaarborgd door het stedenbouwrecht en door de controles die in dat kader door de brandweer worden verricht. Zulk een administratieve last vertraagt de uitoefening van de economische activiteit, doordat de economische operatoren achtereenvolgens worden verplicht twee niet-concomitante administratieve procedures te doorlopen. Die situatie leidt derhalve tot een overlapping en schendt dus het beginsel van administratieve vereenvoudiging, gewaarborgd bij de artikelen 10 en 13 van de Dienstenrichtlijn. A.
  128. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat het onderdeel nauw samenhangt met het eerste onderdeel, aangezien het eveneens ervan uitgaat dat de vereiste van de overlegging van een brandveiligheidsattest overbodig zou zijn wegens het bestaan van een eerder verrichte controle met betrekking tot de brandveiligheidsnormen bij de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning. Er wordt derhalve verwezen naar de uiteenzetting betreffende het eerste onderdeel. Overigens wijst de Brusselse Hoofdstedelijke Regering erop dat artikel 14, § 3, van de ordonnantie van 1 februari 2024 de Regering machtigt om de aanvraag– en toekenningsprocedure voor het brandveiligheidsattest te bepalen. Derhalve kan moeilijk worden aangenomen dat de toekenningsprocedure ingewikkeld is. Wat betreft de zogenaamd onevenredige belemmering die deze procedure zou vormen, stelt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering vast dat die voorwaarde enkel zou kunnen leiden tot een blokkering wanneer het gebouw niet zou voldoen aan de brandveiligheidsnormen. In dat geval is het echter duidelijk dat de veiligheidsvereiste voor de gebruikers voorrang heeft op de onmiddellijke uitoefening van een economische activiteit. Zelfs in dat geval kan bovendien, op grond van artikel 14, § 1, derde lid, van de bestreden ordonnantie, een tijdelijk brandveiligheidsattest worden toegekend wanneer een niet-naleving van de brandveiligheidsnormen de veiligheid van personen niet ernstig in het gedrang brengt. Wat het zesde middel betreft A.
  129. De verzoekende partijen leiden een zesde middel af uit de schending, door de artikelen 6, 7, eerste lid, 3°, 8, § 1, derde lid, 3°, 10, 12, eerste lid, 1°, en 17, § 1, eerste lid, 1°, van de ordonnantie van 1 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12, eerste en tweede lid, 14, 23, tweede lid en derde lid, 1°, en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 34 en 159 ervan, met de artikelen 7 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij dat Verdrag, met artikel 1 van het Protocol nr. 12 bij datzelfde Verdrag, met de artikelen 6, 15, 16, 20, 21, 49, lid 3, 50, 51, lid 1, en 52 van het Handvest, met artikel 3, lid 3, van het VEU, met de artikelen 6, 18, 26, 49, 50, 56, 57, 59, 60, 61, 195 en 288, eerste en derde alinea, van het VWEU en met de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, 4, 5, 9, 10, 13 en 15 van de Dienstenrichtlijn. A.
  130. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt dat de uiteenzetting van het middel op zich enkel betrekking heeft op artikel 7, eerste lid, 3°, van de bestreden ordonnantie. Het middel dient dus te worden geweerd voor zover het de vernietiging van andere bepalingen beoogt. A.
  131. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de vereiste bedoeld in artikel 7, eerste lid, 3°, van de ordonnantie van 1 februari 2024 in strijd is met het beginsel non bis in idem doordat zij een beroepsverbod instelt dat boven op de strafbepalingen van artikel 30 van diezelfde ordonnantie komt. A.
  132. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst erop dat de verzoekende partijen niet aangeven welke van de tientallen bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd in het middel, zouden worden geraakt door de vermeende schending van het beginsel non bis in idem. Hoe dan ook is dat beginsel te dezen niet van toepassing, aangezien het bestreden exploitatieverbod noch een strafrechtelijke sanctie, noch de uitkomst van een nieuwe strafprocedure is. Het gaat om een ordemaatregel die wordt genomen in het kader van een administratieve procedure die voorafgaat aan de exploitatie van een toeristisch verblijf, en die niet tot doel heeft opnieuw een 23 inbreukmakend gedrag te bestraffen. Met de uitsluiting waarin artikel 7, eerste lid, 3°, van de bestreden ordonnantie voorziet, wordt een preventief doel en geen punitief doel nagestreefd. Het doel bestaat immers erin de veiligheid van de toeristen te waarborgen en te voorkomen dat zij in contact komen met personen die ernstige misdrijven hebben gepleegd. Overigens is de bestreden uitsluiting slechts het automatische gevolg van een eerste definitieve veroordeling. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest voert met andere woorden geen nieuw onderzoek naar het misdrijf en het in het geding zijnde gedrag, zodat er geen sprake kan zijn van een nieuwe procedure. Tot slot maakt de keuze van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om die exploitatievoorwaarde vast te leggen deel uit van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. A.
  133. In een tweede onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de vereiste bedoeld in artikel 7, eerste lid, 3°, van de ordonnantie van 1 februari 2024 niet noodzakelijk, noch evenredig is in het licht van de dwingende reden van algemeen belang inzake de bescherming van de dienstenafnemer, aangezien zij achteraf kan worden gecontroleerd. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de ontstentenis van veroordelingen gewoon zou kunnen worden aangegeven, eventueel op eer, in plaats van een criterium te vormen voor het verkrijgen van de gevraagde vergunning. A.
  134. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt vast dat de kritiek opnieuw verwijst naar het onderscheid tussen voorafgaande controles en controles achteraf, dat uitsluitend een reëel gevolg heeft voor de personen die zwaar veroordeeld zijn en die in dat geval een valse verklaring zouden willen afleggen teneinde de activiteit onmiddellijk uit te oefenen zonder te worden gehinderd door het feit dat zij zijn veroordeeld voor een van de in de bestreden ordonnantie bedoelde misdrijven. Wanneer dat niet het geval is, is het enige gevolg van administratieve aard. Hoe dan ook bevat de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie uitleg over de bestaansreden van de betwiste vereiste. De bestreden ordonnantie houdt overigens enkel rekening met de veroordelingen betreffende feiten die een risico kunnen inhouden bij contacten met toeristen of in het kader van de activiteit van terbeschikkingstelling van toeristische verblijven. A.
  135. In een derde onderdeel zijn de verzoekende partijen van mening dat de vereiste bedoeld in artikel 7, eerste lid, 3°, van de ordonnantie van 1 februari 2024 niet noodzakelijk is in het licht van de dwingende reden van algemeen belang inzake de bescherming van de dienstenafnemer, aangezien die vereiste, zonder dat daarbij een redelijke, legitieme en evenredige grond voorhanden is, enerzijds, de personen die veroordeeld zijn zonder uitstel en, anderzijds, de personen die voorwaardelijk zijn veroordeeld indien de betrokkene het voordeel van uitstel niet heeft verloren, de personen die gratie hebben gekregen en de personen die zijn veroordeeld bij eenvoudige schuldigverklaring op dezelfde manier behandelt. Immers, door een aantal personen die de ten laste gelegde feiten hebben gepleegd uit te sluiten, om strafprocedurele redenen die losstaan van het doel inzake de bescherming van de dienstenafnemers, kan de bestreden maatregel dat doel hoe dan ook niet bereiken, althans niet volledig. A.
  136. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat de bestreden bepaling niet de draagwijdte heeft die de verzoekende partijen eraan geven. Overigens wordt de betwiste vereiste in de parlementaire voorbereiding verduidelijkt. Wat het zevende middel betreft A.
  137. De verzoekende partijen leiden een zevende middel af uit de schending, door de artikelen 6, 7, eerste lid, 4°, 8, § 1, derde lid, 3°, 10, 12, eerste lid, 1°, en 17, § 1, eerste lid, 1°, van de ordonnantie van 1 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12, eerste en tweede lid, 14, 23, tweede lid en derde lid, 1°, en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 34 en 159 ervan, met de artikelen 7 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij dat Verdrag, met artikel 1 van het Protocol nr. 12 bij datzelfde Verdrag, met de artikelen 6, 15, 16, 20, 21, 49, lid 3, 50, 51, lid 1, en 52 van het Handvest, met artikel 3, lid 3, van het VEU, met de artikelen 6, 18, 26, 49, 50, 56, 57, 59, 60, 61, 195 en 288, eerste en derde alinea, van het VWEU en met de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, 4, 5, 9, 10, 13 en 15 van de Dienstenrichtlijn. A.
  138. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt dat de uiteenzetting van het middel op zich enkel betrekking heeft op artikel 7, eerste lid, 4°, van de bestreden ordonnantie. Het middel dient dus te worden geweerd voor zover het de vernietiging van andere bepalingen beoogt. A.
  139. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de vereiste bedoeld in artikel 7, eerste lid, 4°, van de ordonnantie van 1 februari 2024 – volgens welke de exploitant niet in gebreke mag blijven voor de betaling van een administratieve geldboete opgelegd wegens een inbreuk op de ordonnantie van het Brusselse 24 Hoofdstedelijke Gewest van 23 december 2016 « betreffende de gewestbelasting op de inrichtingen van toeristisch logies » (hierna : de ordonnantie van 23 december 2016), die definitief is geworden, ofwel ten gevolge van een administratieve beslissing, ofwel krachtens een gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan – niet verantwoord is in het licht van de dwingende redenen van algemeen belang inzake de bescherming van de dienstenafnemers, de bescherming van eerlijke concurrentie of de bescherming van de ruimtelijke ordening, het stedelijk milieu en de huisvesting. A.
  140. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst naar de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie, die de draagwijdte van artikel 7, eerste lid, 4°, van de ordonnantie van 1 februari 2024 bepaalt. De omstandigheid dat de nagestreefde fiscale doelstelling in de parlementaire voorbereiding niet als dwingende reden van algemeen belang wordt gekwalificeerd, brengt geen ongrondwettigheid teweeg, temeer omdat die doelstelling samenhangt met andere doelstellingen die wel uitdrukkelijk als dwingende redenen van algemeen belang zijn gekwalificeerd, zoals de bescherming van eerlijke concurrentie. A.
  141. In een tweede onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de vereiste bedoeld in artikel 7, eerste lid, 4°, van de ordonnantie van 1 februari 2024 niet noodzakelijk, noch evenredig is in het licht van de dwingende redenen van algemeen belang die zijn vermeld in het eerste onderdeel, aangezien zij achteraf kan worden gecontroleerd. A.
  142. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering preciseert dat de bestreden bepaling niet ertoe strekt de voortzetting van een activiteit te beletten, maar wel een operator die zich in de illegaliteit bevindt te beletten om zijn activiteit uit te breiden ondanks die illegaliteit. Bovendien volstaat het niet, om de betwiste vereiste te beschouwen als niet-vervuld, dat de operator in gebreke blijft voor de betaling van de gewestbelasting op de toeristische verblijven, noch dat hij is veroordeeld tot een geldboete wegens niet-betaling van die belasting. Het is immers noodzakelijk dat de exploitant nog steeds niet overgaat tot betaling van de geldboete nadat hij in gebreke is gebleven voor de betaling van de belasting, nadat hij om die reden is veroordeeld tot betaling van een geldboete en nadat die veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan. Bovendien gaat het in wezen om een tijdelijke onmogelijkheid tot uitbreiding van de activiteit, aangezien het volstaat de geldboete te betalen om aan de betwiste vereiste te voldoen. A.
  143. In een derde onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de vereiste bedoeld in artikel 7, eerste lid, 4°, van de ordonnantie van 1 februari 2024 in strijd is met het beginsel non bis in idem, aangezien zij een bijkomende sanctie van beroepsverbod invoert, boven op die waarin is voorzien voor de inbreuken bedoeld in de ordonnantie van 23 december
  144. A.
  145. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst erop dat de kritiek vergelijkbaar is met de kritiek die werd geformuleerd in het kader van het eerste onderdeel, zodat zij naar de uiteenzetting van dat onderdeel verwijst. A.
  146. In een vierde onderdeel wijzen de verzoekende partijen erop dat de vereiste bedoeld in artikel 7, eerste lid, 4°, van de ordonnantie van 1 februari 2024, in de zin van artikel 10, lid 3, van de Dienstenrichtlijn, overlapt met gelijkwaardige of, gezien hun doel, in wezen vergelijkbare eisen en controles waaraan de exploitant reeds is onderworpen met toepassing van de ordonnantie van 23 december 2016 en de uitvoeringsbepalingen ervan. A.
  147. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering kan te dezen geen sprake zijn van overlapping, aangezien de ordonnantie van 23 december 2016 geen voorwaarden bepaalt voor de exploitatie van een nieuwe vestiging en niet kan worden gelijkgesteld met een vergunningsstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn. Noch uit die ordonnantie, noch uit de bepalingen die de uitvoering ervan waarborgen, blijkt immers dat een niet-betaling van de geldboete de uitoefening van een toeristische verblijfsactiviteit onmogelijk maakt. In feite gaat het om een uitsluiting die enkel voortvloeit uit de toepassing van de bestreden ordonnantie. Hoe dan ook is het niet verboden dat een overheid zich vóór de aanvang van een activiteit ervan vergewist dat de reeds lopende activiteiten andere toepasselijke regelgeving niet schenden. A.

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.