ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 december 2023 « tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat het invoeren van overgangsmaatregelen voor vergunningen in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof betreft », ingesteld door Jan Stevens. Milieu - Vlaams Gewest - Programmatische Aanpak Stikstof - Veehouderijen of mestverwerkingsinstallaties - Vergunning - Verlenging - Overgangsmaatregelen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 123/2025 van 25 september 2025 Rolnummer : 8283 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 december 2023 « tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat het invoeren van overgangsmaatregelen voor vergunningen in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof betreft », ingesteld door Jan Stevens. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter Luc Lavrysen, rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter,
de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt
Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep
rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 juli 2024 ter post aangetekende brief
ter griffie is ingekomen op 16 juli 2024, heeft Jan Stevens, bijgestaan
vertegenwoordigd door mr. Philippe Vande Casteele, advocaat bij de balie van Antwerpen, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 december 2023 « tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat het invoeren van overgangsmaatregelen voor vergunningen in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof betreft » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 januari 2024). De Vlaamse Regering, bijgestaan
vertegenwoordigd door mr. Gregory Verhelst, advocaat bij de balie van Antwerpen, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. 2 Bij beschikking van 18 juni 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman
Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was
de dag van de terechtzitting bepaald op 16 juli 2025. Op de openbare terechtzitting van 16 juli 2025 : - zijn verschenen : . mr. Philippe Vande Casteele, voor de verzoekende partij; . mr. Ward Vangrunderbeeck, advocaat bij de balie van Antwerpen, loco mr. Gregory Verhelst, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman
Emmanuelle Bribosia verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging
het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
, van het omgevingsvergunningsdecreet, zoals vervangen bij de bestreden bepaling, een schending inhoudt van de artikelen 10, 11
23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid, verworven rechten
legitieme verwachtingen. A.4.1. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert de verzoekende partij aan dat artikel 394/2, § 1, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsdecreet een ongerechtvaardigd verschil in behandeling invoert. De verzoekende partij bekritiseert dat vergunningen die zijn verstreken in 2021 of 2022
kel voor een termijnverlenging in aanmerking komen wanneer de houders ervan een hernieuwingsaanvraag hebben ingediend 3 vóór de einddatum van de vergunning, terwijl houders van vergunningen die zijn verstreken in 2023 of 2024 geen hernieuwingsaanvraag moesten indienen vóór het verstrijken van de einddatum van de vergunning. Nochtans bevinden zij zich in dezelfde situatie, waarbij de verdere exploitatie na de einddatum van de vergunning onwettig is. De gevolgen van het verschil in behandeling zijn kennelijk onredelijk, doordat houders van vergunningen die verstreken zijn in 2021
2022
die geen tijdige hernieuwingsaanvraag hebben ingediend, geen verlenging van hun vergunningstermijn kunnen verkrijgen om verder te exploiteren. A.4.2. Bovendien doet de decreetgever hiermee afbreuk aan de beginselen van rechtszekerheid, verworven rechten
legitieme verwachtingen. Houders van vergunningen konden op grond van het stikstofakkoord van 23 februari 2022
het voorstel voor het stikstofdecreet rechtmatig ervan uitgaan dat er een tijdelijke verlenging zou komen van hun vergunningen, terwijl die rechtmatige verwachting met de bestreden bepaling retroactief wordt beperkt. A.
het stikstofdecreet een overgangsregeling uitgewerkt voor exploitaties van een ingedeelde inrichting of activiteit (IIOA’s) die stikstofemissies veroorzaken. De bekritiseerde differentiatie bij het toekennen van die tijdelijke gunst beantwoordt aan een wettig doel. De decreetgever heeft met de bestreden bepaling de illegale verderzetting van een dergelijke exploitatie zoveel mogelijk willen beperken
geen gunst willen toekennen aan exploitaties die al gedurende een langere periode zonder vergunning verder geëxploiteerd hebben. A.6.
de opmaakprocedure liep in 2022, vond de decreetgever het aangewezen om voor de inrichtingen met een in 2023
2024 aflopende vergunning een afzonderlijke regeling uit te werken. Bovendien werden in de loop van 2022 een aantal bijkomende stikstofarresten gewezen waardoor de toepassing van de tijdelijke beoordelingskaders uit de toenmalige ministeriële instructie van 2 mei 2021 op losse schroeven werd gezet. A.6.
kele maanden zonder vergunning uitgebaat werden toen er concrete vooruitzichten waren voor de vaststelling van de definitieve goedkeuring van de Programmatische Aanpak Stikstof. Bovendien is de bekritiseerde overgangsregeling louter een verderzetting van de vorige regeling. A.6.6. Daarnaast stelt de verzoekende partij ten onrechte dat uit het stikstofakkoord van 23 februari 2022 volgt dat aflopende vergunningen automatisch verlengd werden. Een akkoord van de Vlaamse Regering kan een decreet niet wijzigen
een exploitatie moet de geldende regelgeving volgen. De verzoekende partij diende haar hernieuwingsaanvraag uiterlijk op 8 april 2021 in te dienen, toen het stikstofakkoord zelfs nog niet bestond. Het eerste onderdeel van het eerste middel is bijgevolg niet gegrond. A.7. Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, stelt de Vlaamse Regering dat de verzoekende partij nalaat uiteen te zetten op welke wijze artikel 394/2, § 4, van het omgevingsvergunningsdecreet een discriminatie zou inhouden. De bestreden regeling versoepelt de voorwaarde in artikel 70, § 1, tweede lid, van het omgevingsvergunningsdecreet dat een hernieuwingsaanvraag ten minste twaalf maanden vóór de einddatum moet worden ingediend. De verzoekende partij geeft niet aan tussen welke vergelijkbare categorieën van personen die voorwaarde een ongerechtvaardigd verschil in behandeling zou invoeren. Voorts is er geen verschil in behandeling, daar de bekritiseerde bepaling geldt voor alle exploitaties die stikstofemissies veroorzaken
die moesten wachten op een decretaal beoordelingskader inzake de stikstofimpact. Het opleggen van die voorwaarde past binnen het wettige doel om de termijn van twaalf maanden in te korten zodat een nieuwe vergunningsaanvraag tijdig kan worden ingediend
rekening kan worden gehouden met de vereisten van de definitieve Programmatische Aanpak Stikstof. Ten aanzien van het tweede middel A.8. In het tweede middel voert de verzoekende partij aan dat artikel 394/1, § 2, derde lid, van het omgevingsvergunningsdecreet de artikelen 10, 11
23 van de Grondwet schendt, doordat het exploitaties verschillend behandelt naargelang de vergunningstermijn is verstreken vóór de inwerkingtreding van artikel 394/2 van het omgevingsvergunningsdecreet dan wel uiterlijk op 31 januari
dus rechtsgeldig geëxploiteerd worden. De bijkomende gunstregeling beoogt de exploitant met een geldige vergunning te beschermen tegen de mogelijk lange duurtijd van de administratieve procedure, zonder dat die diens exploitatie zou moeten stopzetten omdat er geen tijdige beslissing valt. Beide categorieën van inrichtingen zijn dan ook niet vergelijkbaar. Ook is er een wezenlijk verschil tussen beide categorieën van inrichtingen. Het betrokken artikel werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 16 januari 2024, maar trad retroactief in werking op 30 november
23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 190 ervan
met het beginsel van behoorlijke bekendmaking, met het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten, met het verbod van retroactiviteit, met het beginsel « nullum crimen sine culpa »
met de adagia « lex mitior »
« lex certa ». A.10.
waarvoor geen hernieuwingsaanvraag werd ingediend. A.10.5. In het vierde onderdeel van het derde middel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepaling niet voldoet aan de bekendmakingsvereisten, gewaarborgd in artikel 190 van de Grondwet, noch aan het rechtszekerheidsbeginsel
het verbod van retroactiviteit, aangezien de decreetgever niet heeft voorzien in een redelijke termijn voor de betrokkenen om kennis te nemen van de voorschriften
zich eraan te conformeren. De verzoekende partij had ondertussen haar handelen afgestemd op de toezegging in het vervolgtraject van het stikstofakkoord, wachtend op de overgangsmaatregelen
het stikstofdecreet. A.11.1. De Vlaamse Regering merkt vooreerst op dat de verzoekende partij met haar derde middel haar kritiek in de zaak nr. 8066 integraal overneemt. Bij zijn arrest nr. 55/2024 van 16 mei 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.055) heeft het Hof in die zaak het beroep verworpen, aangezien het
ige middel berustte op een verkeerd uitgangspunt. Dat arrest heeft een absoluut gezag van gewijsde. Een middel dat reeds verworpen werd, kan niet opnieuw opgeworpen worden. Het derde middel is dan ook niet ontvankelijk. A.11.2. In ieder geval blijkt uit het voormelde arrest dat het derde middel ongegrond is, aangezien het op een verkeerd uitgangspunt berust. De verzoekende partij gaat verkeerdelijk ervan uit dat zij rechtmatig erop mocht vertrouwen dat haar vergunning voor de exploitatie van haar veehouderij, die afliep op 8 april 2022, op grond van de aankondiging bij het stikstofakkoord van 23 februari 2022 werd verlengd met achttien maanden waardoor zij geen hernieuwingsaanvraag heeft ingediend
verder heeft geëxploiteerd. A.11.3. De Vlaamse Regering stelt vast dat de kritiek in het eerste onderdeel van het derde middel identiek is aan die welke wordt aangevoerd in het eerste middel
verwijst naar haar weerlegging van dat middel. 6 A.11.4. Wat betreft het tweede, derde
vierde onderdeel van het derde middel is de Vlaamse Regering van oordeel dat zij niet ontvankelijk zijn in zoverre zij niet duidelijk zijn uiteengezet. De verzoekende partij heeft
kel de beweerde schending van het verbod van retroactiviteit
de schending van de bekendmakingsvereiste uitgewerkt. De verzoekende partij meent ten onrechte dat de bestreden bepaling de beoordeling van een mogelijke strafvordering op een ongunstige wijze zou beïnvloeden. Artikel 190 van de Grondwet verbiedt op zich niet dat aan de bekendgemaakte norm uitwerking wordt verleend vanaf een datum die voorafgaat aan de bekendmaking ervan. De bestreden bepaling verbindt bepaalde gevolgen aan rechtsfeiten die in het verleden hebben plaatsgevonden, maar ze legt niet met terugwerkende kracht gedragsregels op aan de rechtsonderhorige. Ze verstoort de rechtszekerheid van de rechtsonderhorigen geenszins, want ze bevestigt of versoepelt slechts bestaande voorschriften. Voorts toont de verzoekende partij niet aan op welke wijze de bestreden bepalingen strijdig zouden zijn met beginselen van het strafrecht. Die onderdelen zijn dan ook niet gegrond. Ten aanzien van de handhaving van de rechtsgevolgen A.
, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 25 april 2014 « betreffende de omgevingsvergunning » (hierna : het omgevingsvergunningsdecreet), zoals vervangen bij artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 december 2023 « tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat het invoeren van overgangsmaatregelen voor vergunningen in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof betreft » (hierna : het decreet van 22 december 2023). B.1.2. Met het decreet van het Vlaamse Gewest van 9 juni 2023 « tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat het invoeren van overgangsmaatregelen voor vergunningen in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof betreft » (hierna : het decreet van 9 juni 2023) werd bij wijze van overgangsmaatregel een verlengingsregeling ingevoerd die toeliet vergunningen voor veehouderijen of mestverwerkingsinstallaties die verliepen in 2021, 2022
2023, te verlengen tot 31 december 2023,
hun de mogelijkheid te bieden een (nieuwe) hernieuwingsaanvraag in te dienen, in de 7 veronderstelling dat er op dat moment een decretaal kader rond stikstof beschikbaar zou zijn (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1728/1, p. 2). B.1.3. Het decreet van 22 december 2023 voorziet in een bijkomende verlengingsregeling van vergunningen tot
met 31 december 2024 als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Een van rechtswege verlenging geldt voor vergunningen waarvan de termijn al was verlengd tot 31 december 2023 met toepassing van het decreet van 9 juni 2023 (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 1894/1, pp. 4-5). B.1.
met 31 december 2024 als voldaan is aan de volgende voorwaarden : 1° de vergunning heeft betrekking op een ingedeelde inrichting of activiteit die stikstofemissies veroorzaakt; 2° de vergunningstermijn is : a) verstreken in 2021 of 2022
er werd ten minste vóór de einddatum van de vergunning een hernieuwingsaanvraag ingediend waarover nog geen definitieve beslissing werd genomen; b) verstreken of verstrijkt in de loop van 2023 of 2024; 3° er wordt een verzoek tot verlenging van de vergunningstermijn bij de bevoegde overheid, vermeld in paragraaf 2, ingediend, die daar uitdrukkelijk akte van neemt conform paragraaf 2, eerste lid; 4° het verzoek tot verlenging van de vergunningstermijn wordt ingediend uiterlijk op de dag voor het verstrijken van de lopende vergunningstermijn. Voor de vergunningen waarvan de vergunningstermijn is verstreken voor de inwerkingtreding van dit artikel of waarvan de vergunningstermijn verstrijkt uiterlijk op 31 januari 2024, kan het verzoek, in afwijking van het eerste lid, alsnog ingediend worden tot uiterlijk 1 maart 2024. In afwijking van het eerste lid wordt de vergunningstermijn van een milieuvergunning of een omgevingsvergunning die werd verleend voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die stikstofemissies veroorzaakt
waarvan de vergunningstermijn al werd verlengd tot 31 december 2023, overeenkomstig artikel 394/2, zoals dat gold op de dag vóór de inwerkingtreding van het decreet van 22 december 2023 tot wijziging van het decreet van 8 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat het invoeren van overgangsmaatregelen voor vergunningen in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof betreft, van rechtswege verlengd tot
met 31 december
In afwijking van artikel 70, § 1, tweede lid, mogen ingedeelde inrichtingen of activiteiten die stikstofemissies veroorzaken, verder geëxploiteerd worden na de einddatum van de vergunning in afwachting van een definitieve beslissing over een hernieuwingsaanvraag, op voorwaarde dat die hernieuwingsaanvraag uiterlijk voor de voormelde einddatum wordt ingediend ». Krachtens artikel 3 van het decreet van 22 december 2023 heeft dat decreet uitwerking vanaf 30 november 2023. Ten aanzien van het belang B.2.1. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partij bij de vernietiging van de bestreden bepaling. B.2.2. De Grondwet
de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks
ongunstig zou kunnen worden geraakt. 9 B.2.3. De verzoekende partij voert aan dat zij houder was van een vergunning voor de uitbating van een veehouderij, in de zin van artikel 394/2, § 1, 1°, van het omgevingsvergunningsdecreet,
dat zij niet voldoet aan de in artikel 394/2, § 1, 2°, vermelde vereiste dat tijdig een hernieuwingsaanvraag werd ingediend. Zij doet aldus blijken van een voldoende belang bij haar beroep. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.3.1. De drie aangevoerde middelen zijn afgeleid uit de schending, door artikel 394/2, § 1, eerste lid, 2°, § 2, derde lid,
, zoals vervangen bij artikel 2 van het decreet van 22 december 2023, van de artikelen 10, 11, 12, 14
23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid, verworven rechten
legitieme verwachtingen, met artikel 190 van de Grondwet
het beginsel van behoorlijke bekendmaking, met het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten, met het verbod van retroactiviteit, met het beginsel « nullum crimen sine culpa »
met de adagia « lex mitior »
« lex certa ». B.3.
het gebrek aan bindende kracht ervan, niet volstaan om de decretale vergunningsplicht te wijzigen of op te heffen, noch om de geldigheidsduur van een specifieke vergunning te verlengen. B.3.5. De middelen berusten op een verkeerd uitgangspunt
zijn derhalve niet gegrond, in zoverre ze zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12
14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid, verworven rechten
legitieme verwachtingen, met artikel 190 van de Grondwet
het beginsel van behoorlijke bekendmaking, met het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten, met het verbod van retroactiviteit, met het beginsel « nullum crimen sine culpa »
met de adagia « lex mitior »
« lex certa ». B.
met 31 december
11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust
het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel
de gevolgen van de betwiste maatregel
met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen
het beoogde doel. B.5.2. Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. B.
B.1.3, een vervolg op een eerdere overgangsregeling ingevoerd bij het decreet van 9 juni
wijkt zo af van de hernieuwingsvoorwaarden voor een omgevingsvergunning van bepaalde duur bepaald in artikel 70, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet (ibid.). Artikel 70, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet luidt : « De hernieuwing van een omgevingsvergunning die of van een gedeelte ervan dat voor bepaalde duur is verleend, kan op zijn vroegst 24 maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning aangevraagd worden. Als de vergunningsaanvraag ten minste twaalf maanden voor de einddatum van een omgevingsvergunning van bepaalde duur wordt ingediend, mag de stedenbouwkundige handeling in stand worden gehouden of mag de ingedeelde inrichting of activiteit verder geëxploiteerd worden na de einddatum in afwachting van een definitieve beslissing over de aanvraag. De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene
sectorale milieuvoorwaarden
de tot dan toe geldende bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning ». B.8.2. De vergunningstermijn van een milieuvergunning of een omgevingsvergunning die werd verleend voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, wordt op basis van de bestreden bepaling verlengd tot
met 31 december 2024 als voldaan is aan vier voorwaarden. Ten eerste heeft de vergunning betrekking op een ingedeelde inrichting of activiteit die stikstofemissies veroorzaakt. Ten tweede is de vergunningstermijn verstreken in 2021, 2022, 2023 of 2024. Voor de vergunningstermijnen verstreken in 2021 of 2022 werd ten minste vóór de einddatum van de vergunning een hernieuwingsaanvraag ingediend waarover nog geen definitieve beslissing werd genomen. Ten derde wordt er een verzoek tot verlenging van de vergunningstermijn bij de bevoegde overheid ingediend, die daar uitdrukkelijk akte van neemt. Ten vierde wordt het verzoek tot verlenging van de vergunningstermijn ingediend uiterlijk op de dag vóór het verstrijken van de lopende vergunningstermijn. Voor vergunningen 13 waarvan de verjaringstermijn is verstreken uiterlijk op 31 januari 2024, kan het verzoek alsnog ingediend worden tot uiterlijk 1 maart 2024 (artikel 394/2, § 1, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet, zoals vervangen bij artikel 2 van het decreet van 22 december 2023). Binnen 30 dagen neemt de bevoegde overheid uitdrukkelijk akte van het verzoek tot verlenging als aan die voorwaarden is voldaan. Die aktename geldt als bevestiging dat de milieuvergunning of omgevingsvergunning is verlengd. Als het verzoek tijdig is ingediend, mag verder geëxploiteerd worden na de einddatum van de vergunning in afwachting van de aktename (artikel 394/2, § 2, van het omgevingsvergunningsdecreet, zoals vervangen bij artikel 2 van het decreet van 22 december 2023). In afwijking van artikel 70, § 1, tweede lid, van het omgevingsdecreet mogen ingedeelde inrichtingen of activiteiten die stikstofemissies veroorzaken, verder geëxploiteerd worden na de einddatum van de vergunning in afwachting van een definitieve beslissing over een hernieuwingsaanvraag, op voorwaarde dat die hernieuwingsaanvraag uiterlijk vóór de einddatum wordt ingediend (artikel 394/2, § 4, van het omgevingsvergunningsdecreet, zoals vervangen bij artikel 2 van het decreet van 22 december 2023). Voorts worden de vergunningen waarvan de vergunningstermijn al werd verlengd tot 31 december 2023 op grond van de eerdere overgangsregeling, ingevoerd bij het decreet van 9 juni 2023, van rechtswege verlengd tot
met 31 december 2024 (artikel 394/2, § 1, tweede lid, van het omgevingsvergunningsdecreet, zoals vervangen bij artikel 2 van het decreet van 22 december 2023). B.8.3. Omwille van de rechtszekerheid is het redelijk verantwoord dat de decreetgever aan houders van een milieuvergunning of een omgevingsvergunning die werd verleend voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die stikstofemissies veroorzaakt,
die is verstreken in 2021 of 2022, de voorwaarde oplegt dat zij ten minste vóór de einddatum van de vergunning een hernieuwingsvraag indienden om een verlenging van de vergunningstermijn te kunnen genieten. Er anders over oordelen, zou immers tot gevolg hebben dat de houders langdurig een inrichting of activiteit zouden hebben geëxploiteerd zonder de vereiste vergunning. 14 B.8.4. Voorts draagt artikel 23, derde lid, 2°
4°, van de Grondwet de bevoegde wetgevers op om het recht op bescherming van de gezondheid
het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu te waarborgen. Ter bescherming van de menselijke gezondheid
het leefmilieu is het van bijzonder belang dat de uitstoot van schadelijke verontreinigende stoffen wordt vermeden, voorkomen of verminderd. De decreetgever beoogt met de voorwaarde dat de betrokken vergunninghouders ten minste vóór de einddatum van de vergunning een hernieuwingsvraag indienden, de impact van de bijstelling van de vergunningstermijnen op de daling van de stikstofdeposities zo beperkt mogelijk te houden, wat essentieel is om de uitstoot van stikstof tegen 2030 aanzienlijk te kunnen verminderen (zie in die zin, Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 1894/1, p. 5). B.8.5. De overgangsmaatregel doet evenmin op buitensporige wijze afbreuk aan het vertrouwensbeginsel voor de houders van vergunningen die verstreken zijn in 2021 of 2022, aangezien zij normaal gezien ten laatste twaalf maanden vóór de einddatum van de vergunning een hernieuwingsaanvraag dienden in te dienen
de overgangsregelingen tot gevolg hebben dat zij een hernieuwingsaanvraag konden indienen uiterlijk tot de einddatum van hun vergunning. Bovendien kunnen zij een verlenging van rechtswege krijgen als de vergunningstermijn al werd verlengd op grond van de eerdere overgangsregeling. B.9. De middelen zijn niet gegrond. 15 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans
het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 september 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.123 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.055 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.