id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.125 Arrest- Rolnummer: 125/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-10-06 Raadplegingen: 508 - laatst gezien 2026-06-18 20:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1. Vernietiging (artikel 479 van het Wetboek van strafvordering in zoverre het de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof niet vermeldt als dragers van het voorrecht van rechtsmacht) 2. Vernietiging (in artikel 479, eerste lid, eerste streepje, van het Wetboek van strafvordering de woorden « met uitzondering van de plaatsvervangende rechters », in artikel 479, eerste lid, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek de woorden « of de plaatsvervangende rechters » en in artikel 479, eerste lid, derde streepje, van hetzelfde Wetboek de woorden « of de plaatsvervangende raadsheren ») 3. Verwerping van de beroepen voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (vervanging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering), ingesteld door Luc Van Calenbergh en Bram Van Thillo, door Heidi Bortels en anderen en door Len Augustyns en Koen Vaneecke. Strafrechtspleging - Rechtsplegingen van bijzondere aard - Voorrecht van rechtsmacht van de magistraten - Toepassingsgebied - Uitsluiting - Referendarissen bij het Grondwettelijk Hof - Leden van het Coördinatiebureau van de Raad van State - Plaatsvervangende rechters en raadsheren Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 125/2025 van 25 september 2025 Rolnummers : 8298, 8360 en 8373 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (vervanging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering), ingesteld door Luc Van Calenbergh en Bram Van Thillo, door Heidi Bortels en anderen en door Len Augustyns en Koen Vaneecke. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter Joséphine Moerman, waarnemend voorzitster, rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter, en de rechters Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van rechter Joséphine Moerman, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 augustus 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 augustus 2024, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (vervanging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 mei 2024, ingesteld door Luc Van Calenbergh en Bram Van Thillo. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de gedeeltelijke schorsing van dezelfde wetsbepaling. Bij het arrest nr. 141/2024 van 27 november 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.141), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 april 2025, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 november 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 november 2024, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging van dezelfde wetsbepaling ingesteld door Heidi Bortels, Lien De Geyter, Thibault Gaudin, Nicolas Goethals, Sarah Lambrecht, Youri Mossoux, Quentin Pironnet, 2 Bernadette Renauld, Mathilde Rousseau, Sophie Seys, Tim Souverijns, Jan Theunis, Ann-Sophie Vandaele en Martin Vrancken. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 november 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 november 2024, is beroep tot gehele vernietiging van dezelfde wetsbepaling ingesteld door Len Augustyns en Koen Vaneecke, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jan Fransen, advocaat bij de balie van Antwerpen. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8298, 8360 en 8373 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Gelet op het voorwerp van de beroepen, dat tevens de referendarissen van het Grondwettelijk Hof aanbelangt, waarvan veertien naderhand ook effectief een beroep tot vernietiging hebben ingesteld, heeft het Hof bij beschikking van 17 september 2024 alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen genomen om de wapengelijkheid van alle mogelijk in de rechtspleging betrokken partijen te waarborgen. Memories zijn ingediend door : - Ann-Sophie Vandaele (tussenkomende partij in de zaken nrs. 8298 en 8373); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aube Wirtgen en mr. Sietse Wils, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 2 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het enige middel in de zaak nr. 8298 A.1.1. In hun enige middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8298 aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij een onverantwoord verschil in 3 behandeling tussen de auditeurs bij de Raad van State en de referendarissen bij het Coördinatiebureau van de Raad van State in het leven roept. A.1.2. Zij zetten uiteen dat de referendarissen bij het Hof van Cassatie, het Grondwettelijk Hof en de Raad van State, in tegenstelling tot de referendarissen bij de rechtbanken van eerste aanleg, het statuut van onafhankelijk en onpartijdig magistraat hebben en lid van hun rechtscollege zijn. De referendarissen bij het Coördinatiebureau worden aangeworven middels een vergelijkend wervingsexamen dat tegelijkertijd voor auditeurs en referendarissen wordt georganiseerd. Zij spelen een essentiële rol bij de totstandkoming van de arresten van die rechtscolleges en hebben daarom een geldelijk en ambtelijk statuut van magistraat. Vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling behoorde ook het voorrecht van rechtsmacht tot dat statuut. Dat voorrecht van rechtsmacht is een beschermingsstatuut dat beoogt de onafhankelijkheid van de rechterlijke functie te waarborgen en buitensporigheden van hen die een voorbeeld van correctheid zouden moeten zijn, krachtdadig te beteugelen. De bestreden bepaling schrapt dat statuut voor de referendarissen van het Coördinatiebureau, maar behoudt het voor de auditeurs. Beide categorieën van ambtsdragers zullen voortaan bijgevolg door onderscheiden magistraten worden vervolgd en berecht. A.1.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling blijkt volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 8298 dat de wetgever gekozen heeft voor een criterium van onderscheid dat is ontwikkeld door de Hoge Raad voor de Justitie, namelijk « effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling ». Aan de hand van dat criterium heeft hij de ambten die weliswaar een belangrijke medewerking en bijstand verlenen aan, maar niet zelf effectief belast zijn met de rechtsbedeling, uitgesloten van het toepassingsgebied van het voorrecht van rechtsmacht. Nochtans heeft de Hoge Raad voor de Justitie geenszins aanbevolen om de ambten van referendaris bij het Grondwettelijk Hof, bij het Hof van Cassatie en bij de Raad van State van de lijst van personen met dit beschermingsstatuut te schrappen. A.1.4. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8298 betwisten niet dat de wetgever vermag te bepalen welke ambten volgens hem buiten het voorrecht van rechtsmacht vallen, zij het dat die invulling niet kennelijk onredelijk mag zijn en dat zij niet op onevenredige wijze afbreuk mag doen aan de rechten van bepaalde ambtsdragers. Zij betwisten evenmin dat dit criterium van onderscheid objectief is, maar betwisten wel de pertinentie ervan. De wetgever rechtvaardigt het verschil in behandeling volgens hen op grond van twee argumenten. Ten eerste zou de afwezigheid van « nominatieve » betrokkenheid van de referendarissen bij de rechtsbedeling impliceren dat zij niet het voorwerp kunnen uitmaken van roekeloze of tergende vervolgingen die hen kunnen destabiliseren of hun optreden onmogelijk kunnen maken met de bedoeling te verhinderen dat zij medeburgers vervolgen of recht spreken. Ten tweede verwijst hij naar de afwezigheid te hunnen aanzien van een risico op straffeloosheid of een schijn van partijdigheid indien zij hun rechtstreekse ambtsgenoten of bovengeschikten zouden beoordelen. De vrees voor een roekeloze of tergende vervolging kan, aldus de verzoekende partijen, het verschil in behandeling tussen de auditeurs bij de Raad van State en de referendarissen van het Coördinatiebureau niet rechtvaardigen, aangezien ook de auditeurs geen personen kunnen vervolgen of recht kunnen spreken. Een auditeur verstrekt immers slechts een niet-bindend advies aan de bevoegde kamer en beschikt niet over enige beslissings- of vervolgingsmacht. Overigens hebben ook de staatsraden en kamervoorzitters uit de afdeling wetgeving niet als taak medeburgers te vervolgen of recht te spreken : zij verstrekken slechts een niet-bindend advies aan bepaalde overheidsinstanties over voorstellen of (voor)ontwerpen van wetgevende of reglementaire normen. Tussen de afdeling wetgeving en de afdeling bestuursrechtspraak bestaat weliswaar een « ad hoc-mobiliteit », maar dat neemt niet weg dat, zolang een staatsraad of auditeur aan de afdeling wetgeving is toegewezen, hij niet « effectief en permanent belast is met de rechtsbedeling ». Het percentage dossiers dat de auditeurs en staatsraden van de afdeling wetgeving afhandelen in de afdeling bestuursrechtspraak, is overigens verwaarloosbaar. Ook de doelstelling om straffeloosheid en partijdigheid te vermijden, kan het bestreden verschil in behandeling niet rechtvaardigen. Die doelstelling rechtvaardigt slechts dat strafzaken betreffende in verdenking gestelde magistraten niet door hun rechtstreekse of ondergeschikte ambtsgenoten mogen worden afgehandeld. Geen enkele magistraat in de Raad van State is evenwel een rechtstreekse of ondergeschikte ambtsgenoot van een strafrechter. In dat verband bevinden de auditeurs en de referendarissen van het Coördinatiebureau zich dus niet een verschillende situatie. A.1.5. Meer algemeen geldt dat ook de leden van het Coördinatiebureau effectief en permanent - zij het onrechtstreeks - belast zijn met de rechtsbedeling, aangezien zij krachtens artikel 77, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, onder meer de stand van de wetgeving bijhouden en hun documentatie daarover ter beschikking stellen van de beide afdelingen van de Raad en van het publiek. Burgers 4 kunnen hun daarover om advies vragen en de leden van het Coördinatiebureau ondertekenen dat advies met vermelding van hun naam en functie, met andere woorden « nominatief ». Omgekeerd is het niet zo dat alle leden van de Raad van State nominatief in de procedure verschijnen door de arresten van de afdeling bestuursrechtspraak of de adviezen van de afdeling wetgeving te ondertekenen. Alleen de griffier en de kamervoorzitter ondertekenen immers het arrest of het advies, met uitsluiting van de overige staatsraden. Het door de auditeur ondertekende advies heeft dan weer geen publiek karakter. A.1.6. Tot slot wijzen de verzoekende partijen in de zaak nr. 8298 op de wettelijk verankerde mobiliteit tussen de leden van het auditoraat en van het Coördinatiebureau. Krachtens artikel 71, § 1, vierde en vijfde lid, van de voormelde gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen de leden van het auditoraat bij iedere nuttige vacature bij voorrang worden benoemd tot referendaris bij het Coördinatiebureau, en hetzelfde geldt in omgekeerde richting. De staatsraden worden krachtens artikel 70, § 2, tweede lid, van dezelfde gecoördineerde wetten overigens voor de helft uit de leden van het auditoraat en van het Coördinatiebureau benoemd. De bestreden bepaling bemoeilijkt bijgevolg de toepassing van het hele stelsel van het voorrecht van rechtsmacht. A.2. De tussenkomende partij in de zaak nr. 8298 beperkt zich ertoe zich aan te sluiten bij het middel van de verzoekende partijen. A.3.1. De Ministerraad wijst erop dat het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht als uitzonderingsregime ten opzichte van het gemeen strafrecht restrictief moet worden geïnterpreteerd. Dat stelsel is niet zozeer een waarborg voor de vervolgde magistraat, maar voor het algemeen belang, doordat het een onpartijdige en serene rechtsbedeling van magistraten verzekert. Het vermijdt immers dat zij worden onderworpen aan ondoordachte, onverantwoorde of tergende vervolgingen, alsook dat zij te streng of met te veel toegeeflijkheid zouden worden beoordeeld. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het aan de wetgever toekomt te bepalen welke overheidsambten het voorrecht van rechtsmacht moeten kunnen genieten om die doelstellingen van algemeen belang te bereiken. A.3.2. Het bestreden verschil in behandeling berust volgens de Ministerraad op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling. De wetgever heeft dat criterium van onderscheid overgenomen van de Hoge Raad voor de Justitie, die in het verslag van een bijzonder onderzoek uit 2015 voorstelde om het verouderde stelsel van het voorrecht van rechtsmacht grondig te hervormen. A.3.3. Het criterium van onderscheid is volgens de Ministerraad ook pertinent in het licht van de doelstelling, die eveneens is overgenomen uit het voormelde verslag, om het aantal personen dat dit voorrecht geniet, te beperken tot diegenen die daadwerkelijk het voorwerp zouden kunnen uitmaken van destabiliserende en roekeloze vorderingen of ten aanzien van wie een risico op straffeloosheid of een schijn van partijdigheid bestaat. Die risico’s bestaan immers slechts ten aanzien van de personen die effectief en permanent met de rechtsbedeling zijn belast. A.3.4. De Ministerraad voert aan dat de leden van het Coördinatiebureau bij de Raad van State in het licht van dat criterium verschillen van de staatsraden en de auditeurs. Zij hebben geen rechtsprekende functie. Hun takenpakket bestaat erin de stand van de wetgeving bij te houden, documentatie ter beschikking te stellen van de afdeling bestuursrechtspraak en de afdeling wetgeving, de documentatie met betrekking tot de stand van de wetgeving ter beschikking te stellen van het publiek, de coördinatie en codificatie van wetgeving voor te bereiden en de beginselen van wetgevingstechniek uit te werken en te verspreiden. Dit zijn weliswaar belangrijke taken, die bovendien bijdragen aan de voorbereiding van rechtspraak, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de leden van het Coördinatiebureau zelf zijn belast met de eigenlijke rechtsbedeling. Daarentegen zijn de staatsraden, met name wanneer zij zijn toegewezen aan de afdeling bestuursrechtspraak, effectief belast met de hoogste administratieve rechtspraak. De auditeurs beslechten weliswaar zelf geen geschillen, maar nemen rechtstreeks deel aan het onderzoek van de zaken. Wat meer bepaald het verschil in behandeling tussen auditeurs en leden van het Coördinatiebureau betreft, wijst de Ministerraad erop dat de leden van het Coördinatiebureau niet bevoegd zijn om in het kader van voor de Raad van State hangende zaken te vorderen, te besluiten of onder hun handtekening advies uit te brengen. De adviezen van de auditeurs dragen daarentegen wel de handtekening van die auditeurs. Dat ook de staatsraden en auditeurs toegewezen aan de afdeling wetgeving het voorrecht van rechtsmacht genieten, vloeit dan weer voort uit de grote mobiliteit die tussen beide afdelingen bestaat. In functie van de noodwendigheden van de dienst, met name de werklast van beide afdelingen, kunnen de korpschefs tijdelijk 5 staatsraden en auditeurs toewijzen aan de behandeling van dossiers in de andere afdeling. Auditeurs worden overigens niet aan een van beide afdelingen toegewezen, maar aan het auditoraat, waarna zij door hun korpschef worden ingezet naargelang van de noodwendigheden. Die grote flexibiliteit verschilt van de mogelijke mobiliteit tussen het auditoraat en het Coördinatiebureau, aangezien een overgang tussen die functies een verklaring, een benoeming bij koninklijk besluit en een nieuwe eedaflegging vereist. Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 8360 A.4.1. In hun eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met artikel 142, eerste en zesde lid, van de Grondwet, doordat zij niet met de bijzondere meerderheid bedoeld in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet is aangenomen, in zoverre zij een essentieel aspect van het statuut van de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof regelt. A.4.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 zetten uiteen dat het Hof bevoegd is om na te gaan of een materie bij een gewone of bij een bijzondere meerderheid moet worden geregeld, aangezien zulks een bevoegdheidverdelende regel uitmaakt. Die bijzonderemeerderheidswet dient krachtens artikel 4, laatste lid, van de Grondwet te worden aangenomen « met een meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja- stemmen in beide taalgroepen twee derden van de uitgebrachte stemmen bereikt ». A.4.3. Krachtens artikel 142 van de Grondwet moeten alle regels met betrekking tot de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van het Hof bij bijzonderemeerderheidswet worden aangenomen. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 verwijzen in dat verband naar de parlementaire voorbereiding bij de grondwetsherziening van 15 juli 1988, waarin de Grondwetgever die bijzondere meerderheid in verband bracht met de fundamentele rol van het Hof in de organisatie van de Staat, en meer bepaald in de verhouding tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten. Diezelfde parlementaire voorbereiding beschouwt de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989) als een van de basiswetten die de structuur en de werking van onze federale Staat bepalen. De samenstelling van het Hof, zoals die was geregeld in de wet van 28 juni 1983 « houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof » (hierna : de wet van 28 juni 1983), omvat niet alleen de rechters, maar ook de referendarissen en de griffiers. De regels met betrekking tot de samenstelling van het Hof in die wet betreffen niet alleen de benoeming van die ambtsdragers, maar ook allerhande regels over hun statuut en over de uitoefening van hun functie. Artikel 109 van de wet van 28 juni 1983 breidt het voorrecht van rechtsmacht uit naar de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof. Dit gebeurde weliswaar bij gewone meerderheid, maar de grondwetsherziening van 15 juli 1988 bevatte in dat verband een overgangsbepaling krachtens welke twee bestaande wetten die de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van het Grondwettelijk Hof regelden, en die met een gewone meerderheid waren aangenomen, van toepassing bleven tot wanneer de vereiste bijzonderemeerderheidswet was aangenomen. Die wetten waren de wet van 28 juni 1983 en de wet van 10 mei 1985 « betreffende de gevolgen van de door het Arbitragehof gewezen vernietigende arresten ». Uit die overgangsbepaling blijkt dat, in de visie van de Grondwetgever, alle regels die in de wet van 28 juni 1983 waren opgenomen, betrekking hadden op de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van het Hof. Alleen de inhoud van de wet van 2 februari 1984 « betreffende de wedden van de leden, de referendarissen en de griffiers van het Arbitragehof, hun voordracht en benoeming, evenals de smaad en het geweld tegen de leden van dit Hof » mocht voortaan nog met een gewone meerderheid worden gewijzigd. Uit het voorgaande volgt, aldus de verzoekende partijen in de zaak nr. 8360, dat alleen de bijzondere wetgever bevoegd is om het statuut van de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof te wijzigen, met inbegrip van wijzigingen inzake het voorrecht van rechtsmacht. A.4.4. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 voeren aan dat het vraagstuk van de toepasselijkheid van de regels inzake het voorrecht van rechtsmacht inderdaad betrekking heeft op de samenstelling van het Hof, aangezien het raakt aan de verhouding tussen de uitvoerende en rechterlijke macht, enerzijds, en de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof, anderzijds. Die laatsten moeten immers in elke zaak die zij behandelen de argumenten van de Ministerraad of de betrokken gemeenschaps- of gewestregering onderzoeken en zij behandelen regelmatig prejudiciële vragen die door rechtscolleges van de rechterlijke macht worden gesteld. Datzelfde vraagstuk heeft ook betrekking op de werking van het Hof in een rechtsstaat, aangezien het raakt aan de onafhankelijkheid van de magistraten van het Hof, waaronder de referendarissen. 6 Het zou in dat verband weinig coherent zijn de tucht en de onverenigbaarheden van de referendarissen wel in een bijzonderemeerderheidswet te regelen, maar het voorrecht van rechtsmacht aan die bijzonderemeerderheidsvereiste te onttrekken. A.5.1. Volgens de Ministerraad had de bestreden bepaling niet met een bijzondere meerderheid moeten worden aangenomen, zelfs niet in zoverre ze betrekking heeft op de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof. Het voorrecht van rechtsmacht is immers op hen van toepassing verklaard met een wetsbepaling die bij gewone meerderheid is aangenomen, namelijk bij artikel 109 van de wet van 28 juni 1983. Ook het voorrecht van rechtsmacht zelf is geregeld in wetsbepalingen die bij een gewone meerderheid zijn aangenomen. De bestreden bepaling wijzigt die wetsbepalingen. Aangezien wijzigingsbepalingen zich onmiddellijk integreren in de gewijzigde bepalingen, heeft het geen zin die wijzigingsbepalingen aan te nemen met een andere meerderheid dan de gewijzigde bepalingen. Het is weliswaar juist dat de artikelen 35 tot 39 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 het statuut van de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof regelen, maar die bepalingen hebben slechts betrekking op hun aantal en op hun benoeming, en niet op hun strafrechtelijke vervolging. Geen enkele bepaling van de bijzondere wet van 6 januari 1989 heeft als gevolg dat de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof magistraten zouden zijn. A.5.2. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, indien het Hof dit middel gegrond zou achten, het slechts kan overgaan tot een gedeeltelijke vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024, namelijk slechts in zoverre de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof niet langer over het voorrecht van rechtsmacht beschikken. Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 8360 A.6.1. In hun tweede middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 aan dat de bestreden bepaling, in zoverre zij de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof uitsluit van het voorrecht van rechtsmacht, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het een ongerechtvaardigd verschil in behandeling in het leven roept tussen de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof en de magistraten die wel nog onder het voorrecht van rechtsmacht vallen. A.6.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 erkennen dat de bestreden bepaling een legitieme doelstelling nastreeft. Zij beoogt immers het aantal titularissen van het voorrecht van rechtsmacht te beperken aan de hand van het criterium van het effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling. In zoverre de bestreden bepaling evenwel gevolg wil geven aan aanbevelingen van de Hoge Raad voor de Justitie, merken zij op dat dit orgaan slechts een adviesbevoegdheid heeft ten aanzien van leden van de rechterlijke orde, maar niet ten aanzien van de magistraten in het Grondwettelijk Hof. In zoverre de wetgever de bestreden hervorming heeft voorbereid in samenwerking met het College van procureurs-generaal en met de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, merken zij op dat ook die organen geen bevoegdheid hebben ten aanzien van de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof is op geen enkele manier betrokken geweest bij de hervorming van het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht. A.6.3.1. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 is de bestreden bepaling evenwel niet pertinent in het licht van de nagestreefde doelstelling. De referendarissen bij het Grondwettelijk Hof zijn immers magistraten die effectief en permanent met de rechtsbedeling zijn belast. Hun statuut van magistraat vloeit vooreerst voort uit het feit dat zij worden aangeworven middels een vergelijkend examen, waarvan het Hof de voorwaarden bepaalt, door een jury die voor de helft uit rechters in het Grondwettelijk Hof bestaat. Zij worden vervolgens aangesteld voor een stage van drie jaar en hun benoeming wordt definitief na afloop van die stage, behoudens een andersluidende beslissing van het Hof tijdens het derde jaar van de stage. Hun statuut van magistraat vloeit daarnaast voort uit hun takenpakket. Zij oefenen in wezen een rechterlijke taak uit wanneer zij de ontvankelijkheid van een zaak onderzoeken, de feiten en de standpunten van de partijen samenvatten, de zaak op objectieve en onpartijdige wijze onderzoeken en het ontwerparrest opstellen dat als basis dient voor de beraadslaging door de rechters. Voorts gelden voor hen dezelfde onverenigbaarheden als voor de rechters in het Grondwettelijk Hof. Het is dan ook evident dat het Hof de referendarissen zowel op zijn website als in jaarverslagen, andere publicaties en toespraken als magistraten aanduidt. 7 De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 wijzen tot slot op enkele normen die zouden aantonen dat de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof magistraten zijn. Krachtens artikel 3, § 3, eerste lid, 2°, van de wet van 5 april 1955 « inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en leden van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen », wordt voor weddeverhogingen in de magistratuur rekening gehouden met de ervaring als referendaris bij het Grondwettelijk Hof. Krachtens artikel 2, § 2, van het besluit van de Waalse Regering van 9 juli 1998 « tot bepaling van de samenstelling en de werking van de Commissie voor inzage van bestuursdocumenten » moet de voorzitter van die commissie een magistraat of een eremagistraat zijn. In het verleden is die functie al tweemaal toegewezen aan een referendaris bij het Grondwettelijk Hof. A.6.3.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 wijzen ook erop dat de bijstand van de referendarissen essentieel is voor de werking van het Hof. Hun aantal is steeds verhoogd in functie van de toename van de bevoegdheden van het Hof en de complexiteit van de behandelde zaken. De bijdrage van de referendarissen waarborgt de partijen overigens een dubbel onderzoek, dat op geen enkele andere wijze kan worden gewaarborgd, aangezien het Hof geen parket en geen auditoraat heeft en zijn arresten niet vatbaar zijn voor hoger beroep. De parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling vermeldt in dat verband dat de referendarissen niet nominatief - met naam en handtekening - optreden in de procedure en dat zij geen beslissingsmacht hebben. Die omschrijving gaat evenwel eraan voorbij dat ook de auditeurs bij de Raad van State en de advocaten-generaal bij het Hof van Cassatie niet zetelen, niet delibereren en geen beslissingsmacht hebben. Overigens ondertekenen de referendarissen wel degelijk de ontwerparresten en nota’s die zij opstellen aan de hand van de vermelding van hun initialen op de eerste bladzijde ervan. Dat zijn weliswaar louter interne documenten, maar het illustreert de rechtstreekse betrokkenheid van de referendarissen bij de rechtsbedeling. Dat hun naam niet wordt vermeld in de arresten van het Hof, sluit overigens niet uit dat de referendarissen kunnen worden blootgesteld aan de risico’s die het voorrecht van rechtsmacht beoogt te vermijden. De identiteit van de referendarissen is immers gekend, aangezien hun aantal beperkt is en hun namen en foto’s op de website van het Hof terug te vinden zijn. A.6.3.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 verwijzen nog naar het arrest van het Hof nr. 117/98 van 18 november 1998 (ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.117), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de toepassing van het voorrecht van rechtsmacht op de auditeurs bij de Raad van State gerechtvaardigd is wegens hun nauwe betrokkenheid bij de rechtsbedeling. Hoewel zij niet de uiteindelijke beslissing nemen die het geschil beslecht, oordeelde het Hof dat zij rechtstreeks meewerken aan het onderzoek van de zaken en aldus voldoende lijken op zetelende magistraten om onder hetzelfde statuut te vallen. Dat geldt volgens de verzoekende partijen evenzeer voor de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof : ook zij werken rechtstreeks mee aan het onderzoek van de zaken. De bestreden bepaling roept bijgevolg een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling in het leven tussen de auditeurs bij de Raad van State, die aan het voorrecht van rechtsmacht onderworpen blijven, en de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof, die dat aspect van hun statuut verloren zijn. A.6.4. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 voeren tot slot aan dat de bestreden bepaling onevenredige gevolgen heeft in het licht van de nagestreefde doelstelling. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat de samenstelling van grondwettelijke hoven de nodige waarborgen moet bieden op het vlak van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Uit een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 29 augustus 2024 blijkt dat die vereisten niet alleen van toepassing zijn op de leden van een rechtscollege, maar ook op de medewerkers en referendarissen in zoverre zij rechterlijke taken op zich nemen, zoals het opstellen van ontwerparresten. Die vereiste van onafhankelijkheid houdt krachtens diezelfde rechtspraak in dat de organieke wetgeving van de rechtscolleges waarborgen moet bevatten om de magistraten en hun medewerkers te beschermen tegen externe druk en beïnvloeding vanuit andere overheidsorganen zolang zij aan de rechtsbedeling meewerken. Het voorrecht van rechtsmacht is een dergelijke waarborg ter bescherming van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van magistraten en hun medewerkers, en vormt aldus een essentieel aspect van de bescherming van de rechtsstaat. De situatie in sommige andere landen toont aan dat een erosie van de rechtsstaat stapsgewijs begint en plots heel snel in negatieve zin kan evolueren. Met name wanneer dergelijke omstandigheden zich in België zouden voordoen, vormen waarborgen zoals het voorrecht van rechtsmacht een nuttig instrument om die externe druk af te wenden. Een inperking van het voorrecht van rechtsmacht schendt aldus artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 8 A.7.1. Het verweer van de Ministerraad komt grotendeels overeen met zijn verweer in de zaak nr. 8298. Hij voegt nog eraan toe dat, wanneer de wetgever redelijkerwijze vaststelt dat een bepaalde categorie van personen, te dezen de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof, niet effectief en permanent met de rechtsbedeling is belast, het onder zijn beoordelingsvrijheid valt om hen uit te sluiten van het voorrecht van rechtsmacht. Aangezien de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof geen enkele beslissingsmacht hebben, geen procedurestukken ondertekenen en niet deelnemen aan de beraadslaging, kon de wetgever redelijkerwijze oordelen dat zij niet effectief en permanent met de rechtsbedeling zijn belast. A.7.2. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, indien het Hof dit middel gegrond zou achten, het slechts kan overgaan tot een gedeeltelijke vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024, namelijk slechts in zoverre de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof niet langer over het voorrecht van rechtsmacht beschikken. Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 8373 A.8.1. In hun eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij een ongerechtvaardigd verschil in behandeling in het leven roept tussen de plaatsvervangende rechters en raadsheren, enerzijds, en de werkende magistraten, anderzijds. A.8.2. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 doet de bestreden bepaling afbreuk aan de bestaande rechtsbescherming, op grond van het permanente karakter van het belast zijn met de rechtsbedeling. Het risico op tergende en roekeloze vorderingen waartegen het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht de magistraten wil beschermen, hangt nochtans niet samen met het permanente karakter van het werk als magistraat, maar enkel met het effectief belast zijn met de rechtsbedeling. In zoverre plaatsvervangende rechters en raadsheren rechtsgedingen beslechten, zijn zij vatbaar voor externe druk. Zij merken ook op dat zij geen bescherming nodig hebben tegen rechtmatige strafvervolgingen, daar zij niet voornemens zijn misdrijven te plegen en daar een voorrecht van rechtsmacht ook geen immuniteit oplevert. Zij hebben slechts, net zoals alle magistraten die effectief rechtsgedingen beslechten, nood aan bescherming tegen onrechtmatige strafvervolgingen, die als enige bedoeling hebben om druk te zetten op de uitoefening van hun rechterlijke opdracht. A.8.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 wijzen erop dat het Hof bij zijn arrest nr. 134/2011 van 27 juli 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.134) heeft geoordeeld dat plaatsvervangende rechters en raadsheren zich onderscheiden doordat zij zijn onderworpen aan dezelfde regels van onverenigbaarheid, met uitzondering van de mogelijkheid om het beroep van advocaat of notaris uit te oefenen. Plaatsvervangende rechters en raadsheren mogen bijgevolg aan andere regels inzake het voorrecht van rechtsmacht worden onderworpen dan die voor raadsheren in sociale zaken en rechters in handelszaken. Zij mogen enkel werkzaamheden uitoefenen die worden beheerst door een strikte deontologie waarop toezicht wordt uitgeoefend door een tuchtoverheid die hun de toegang tot het beroep kan ontzeggen. A.9. De tussenkomende partij ontwikkelt geen argumentatie en geeft niet aan of zij het middel gegrond of niet gegrond acht. A.10. Het verweer van de Ministerraad komt grotendeels overeen met zijn verweer in de zaken nrs. 8298 en 8360. Hij voegt nog eraan toe dat het effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling wel degelijk een objectief en pertinent criterium van onderscheid is dat toelaat de beperkte categorie van personen die het voorrecht van rechtsmacht moet genieten, af te bakenen. Het is immers bij de personen die permanent met de rechtspraak belast zijn, dat het gevaar het grootst is dat zij het voorwerp kunnen uitmaken van tergende en roekeloze vervolgingen die hen kunnen destabiliseren of hun optreden onmogelijk kunnen maken, of dat een schijn van partijdigheid ontstaat. Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 8373 A.11.1. In hun tweede middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij een ongerechtvaardigd verschil in behandeling in het leven roept tussen de plaatsvervangende rechters en raadsheren, enerzijds, en plaatsvervangende magistraten, zijnde de magistraten op rust die nog worden ingezet om geschillen te beslechten, anderzijds. 9 A.11.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 wijzen erop dat ook het advies van de Raad van State, afdeling wetgeving, bij het voorontwerp dat tot de bestreden bepaling heeft geleid, gewag maakte van die discriminatie. De Raad zag niet in waarom plaatsvervangende rechters en raadsheren niet onder het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht zouden moeten vallen, terwijl magistraten op rust die nog als plaatsvervangend magistraat optreden, wel onder dat stelsel blijven vallen, daar ook die laatste categorie van personen die functie niet op permanente wijze uitoefent. In antwoord op die opmerking heeft de wetgever dat verschil in behandeling trachten te verantwoorden door op te merken dat magistraten op rust tot aan hun inruststelling permanent met de rechtsbedeling waren belast, dat zij de eretitel van hun ambt mogen voeren en dat zij het statuut van magistraat behouden wanneer zij daar niet uitdrukkelijk afstand van hebben gedaan. Die verklaring neemt evenwel niet weg dat de plaatsvervangende rechters en raadsheren en de plaatsvervangende magistraten op dezelfde wijze worden geconfronteerd met het risico op tergende en roekeloze vervolgingen, namelijk in zoverre zij op niet-permanente maar effectieve wijze betrokken zijn bij de rechtsbedeling. A.11.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 voeren ook aan dat het feit dat zij naast hun plaatsvervanging het beroep van advocaat of notaris uitoefenen, geen onderscheidende factor is. Het risico op tergende en roekeloze vervolgingen hangt immers samen met de mate waarin zij als plaatsvervangend rechter of raadsheer optreden, en staat los van hun andere beroep. A.12. De tussenkomende partij ontwikkelt geen argumentatie en geeft niet aan of zij het middel gegrond of niet gegrond acht. A.13. De Ministerraad wijst erop dat de bestreden bepaling ook de magistraten op rust in beginsel uitsluit van het voorrecht van rechtsmacht. Slechts de magistraten op rust bedoeld in de artikelen 156bis, 383, §§ 2 tot 4, en 383bis van het Gerechtelijk Wetboek blijven tijdelijk onder dat stelsel vallen. De magistraten bedoeld in artikel 383bis van het Gerechtelijk Wetboek blijven hun ambt uitoefenen na hun inruststelling, in dezelfde hoedanigheid als voordien, tot wanneer is voorzien in de invulling van het ambt dat als gevolg van de inruststelling vacant is geworden. Bijgevolg is het logisch dat ze in die periode aan het voorrecht van rechtsmacht onderworpen blijven. De magistraten bedoeld in de artikelen 156bis en 383, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek worden aangesteld om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen. Dat is een functie van effectieve rechtsbedeling voor een in de tijd beperkte periode. De plaatsvervangende rechters en raadsheren bevinden zich volgens de Ministerraad in een andere situatie, daar zij geen beroepsmagistraten zijn en dus nooit effectief en permanent met de rechtsbedeling belast zijn geweest. Bovendien kan aan een plaatsvervangend magistraat worden gevraagd om een assisenzaak of een andere belangrijke zaak voor te zitten, terwijl zulks voor een plaatsvervangend rechter of raadsheer ondenkbaar is. Het vrijstellen van die plaatsvervangende magistraat van het voorrecht van rechtsmacht zou die zaken ernstig kunnen verstoren. Ook zou bij plaatsvervangende magistraten een grotere objectieve onpartijdigheid aanwezig zijn dan bij plaatsvervangende rechters en raadsheren. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.1. De beroepen viseren de beperking van het toepassingsgebied ratione personae van het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht. Die beperking is ingevoerd met de vervanging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering bij artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (hierna : de wet van 15 mei 2024), dat in werking is getreden op 28 november 2024. 10 De verzoekende partijen in de zaak nr. 8298 vorderen de vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024, in zoverre het artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vervangt en in zoverre die laatste bepaling geen melding meer maakt van de leden van het Coördinatiebureau van de Raad van State. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 vorderen de vernietiging van artikel 479, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 43 van de wet van 15 mei 2024, in zoverre het de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof niet opneemt in de opsomming van de titularissen van het voorrecht van rechtsmacht. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 vorderen de vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 zonder meer. B.2.1. De artikelen 479 tot 489 van het Wetboek van strafvordering voorzien in een van het gemeen strafprocesrecht afwijkende rechtspleging, « voorrecht van rechtsmacht » genoemd, voor de misdrijven gepleegd door bepaalde ambtsdragers. De parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 2024 vermeldt de doelstellingen van die afwijkende rechtspleging : « Zoals blijkt uit de voorbereidende werken van het Wetboek van Strafvordering uit 1808 bestond de ratio legis van het voorrecht van rechtsmacht er geenszins in een privilege voor de leden van de magistratuur in het leven te roepen, maar wel om in het algemeen belang de onafhankelijkheid van het gerechtelijk ambt te waarborgen door : - De magistraten enerzijds te beschermen tegen roekeloze of tergende vervolgingen die er op gericht zouden zijn hen te destabiliseren of hun optreden onmogelijk te maken, aangezien hun opdracht om medeburgers te vervolgen of recht te spreken hen in zeer sterke mate aan dergelijke aanvallen blootstelt; - Anderzijds elk risico op straffeloosheid en elke mogelijke zweem van partijdigheid te vermijden, door ervoor te zorgen dat zaken betreffende in verdenking gestelde magistraten niet door hun rechtstreekse of ondergeschikte ambtgenoten afgehandeld moeten worden. Die laatsten zouden zich zo in een delicate of tweeslachtige positie bevinden met het risico dat zij hierbij blijk zouden geven van ‘ een al te grote mildheid of een overmatige strengheid. [...] die, om trouw te zijn aan zijn plichten, alle uitingen van haat het hoofd biedt, nooit het slachtoffer zal worden van onrechtvaardige wrok ’ » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, p. 16). Rekening houdend met die doelstellingen, die verband houden met de goede werking van de rechtsbedeling, is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel dat het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht bestaanbaar is met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 15 juli 2003, Ernst e.a. t. België, ECLI:CE:ECHR:2003:0715JUD003340096; beslissing, 7 november 2023, Bastiaens t. België 11 en Lernout e.a. t. België, ECLI:CE:ECHR:2023:1107DEC002593012). De specifieke regels inzake het onderzoek, de vervolging en de berechting strekken immers ertoe te voorkomen dat, enerzijds, roekeloze, onverantwoorde of tergende vervolgingen zouden worden ingesteld tegen de personen op wie die regeling van toepassing is en, anderzijds, diezelfde personen te streng of met te veel toegevendheid zouden worden behandeld (EHRM, 15 juli 2003, Ernst e.a. t. België, voormeld, § 50). Wel vereist het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de rechten die het vermeende slachtoffer uit de gemeenrechtelijke strafprocedure put en die in het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht afwezig zijn, worden gecompenseerd door andere rechtsmiddelen die hem toelaten zijn rechten uit te oefenen (ibid., § 53). De regels betreffende het voorrecht van rechtsmacht zijn dus ingesteld om redenen van algemeen belang en niet in het persoonlijke belang van de personen op wie de regeling van toepassing is. Door voor die personen in een afwijkende regeling te voorzien, beschermt de wetgever immers de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid, en vermijdt hij een aantasting van het vertrouwen van het publiek in het rechtssysteem. Die regels zijn van openbare orde, zodat die personen niet eraan kunnen verzaken, ook niet wanneer zij oordelen dat de toepassing van de gewone regels van de strafrechtspleging voor hen gunstiger is. B.2.2. Artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 vervangt hoofdstuk III (artikelen 479 tot 489) van titel IV van boek II van het Wetboek van strafvordering, dat de vervolging van en het onderzoek naar misdaden en wanbedrijven inzake magistraten regelt. Met die wijziging wil de wetgever het voorrecht van rechtsmacht in overeenstemming brengen met de hedendaagse maatschappelijke opvattingen en met de ontwikkelingen inzake strafprocesrechtelijke waarborgen. Hij houdt daarbij onder meer rekening met de aanbevelingen van de Hoge Raad voor de Justitie (HRJ, Voorrecht van rechtsmacht in het kader van het dossier Jonathan Jacob (bijzonder onderzoek), 27 maart 2015, www.hrj.be), met het « Wetgevend verslag 2017 » van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aan het Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie, en met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, pp. 15-28 en 88-103). 12 B.2.3. Een van die hervormingen heeft betrekking op de beperking van het toepassingsgebied ratione personae van het voorrecht van rechtsmacht. Artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 43 van de wet van 15 mei 2024, bepaalt : « Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder een bij een misdrijf betrokken magistraat verstaan hij die van het plegen van een misdaad of wanbedrijf verdacht, in verdenking gesteld, beklaagd of beschuldigd wordt en die op het moment van het misdrijf of op het moment van de vervolging een van volgende ambten bekleedt : - vrederechter of rechter in de politierechtbank met uitzondering van de plaatsvervangende rechters; - magistraat in of bij de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de ondernemingsrechtbank, met uitzondering van de rechters in sociale zaken, de rechters in ondernemingszaken of de plaatsvervangende rechters; - magistraat in of bij het Hof van Cassatie, het hof van beroep of het arbeidshof, met uitzondering van de raadsheren in sociale zaken of de plaatsvervangende raadsheren; - elke andere magistraat van het openbaar ministerie; - magistraat van het Grondwettelijk Hof, de Raad van State, het auditoraat bij de Raad van State, het Rekenhof of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op handelingen door de bij een misdrijf betrokken magistraat gesteld na zijn opruststelling, tenzij hij het ambt van plaatsvervangend magistraat bekleedt of zijn ambt verder uitoefent overeenkomstig de artikelen 156bis, 383, §§ 2 tot 4, en 383bis van het Gerechtelijk Wetboek ». B.2.4. De parlementaire voorbereiding van de bestreden hervorming vermeldt daaromtrent : «
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.