← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.131

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.131 Arrest- Rolnummer: 131/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-10-20 Raadplegingen: 379 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche

  1. Verwerping van het beroep (onder voorbehoud van de in B.42.2 vermelde interpretatie)
  2. Geen schending (artikelen 233undecies en 233duodecies van de Brusselse Huisvestingscode) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: - het beroep tot vernietiging van de ordonnantie van 22 juni 2023 van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest « tot invoeging in de Brusselse Huisvestingscode van de procedureregels voor gerechtelijke uitzettingen en tot wijziging van de middelen gebruikt door en ten voordele van het Begrotingsfonds voor Solidariteit », ingesteld door de vzw « Nationaal Eigenaars en Mede-Eigenaars Syndicaat »; - de prejudiciële vragen betreffende artikel 233duodecies van de Brusselse Huisvestingscode, ingevoegd bij artikel 4 van de ordonnantie van 22 juni 2023 van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest « tot invoeging in de Brusselse Huisvestingscode van de procedureregels voor gerechtelijke uitzettingen en tot wijziging van de middelen gebruikt door en ten voordele van het Begrotingsfonds voor Solidariteit », gesteld door de Vrederechter van het kanton Sint-Jans-Molenbeek en door de Vrederechter van het kanton Ukkel. Huisvesting - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Woninghuurovereenkomst - Handelshuur - Uithuiszetting - Procedure - Bevoegdheidverdelende regels - Winterstop - Uitstel van uitvoering van uitzettingsbeslissingen - Vereiste van evenredigheid van de beslissingen inzake huisvesting - Dagvaardingskosten - Voorafgaande ingebrekestelling en dagvaardings- en verschijningstermijn - Vermelding van het telefoonnummer en het e-mailadres van de huurder in de ingebrekestelling - Toepassing van de bestreden bepalingen op andere huurovereenkomsten dan die voor een hoofdverblijfplaats Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 131/2025 van 9 oktober 2025 Rolnummers : 8162, 8193 en 8194 In zake : - het beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 22 juni 2023 « tot invoeging in de Brusselse Huisvestingscode van de procedureregels voor gerechtelijke uitzettingen en tot wijziging van de middelen gebruikt door en ten voordele van het Begrotingsfonds voor Solidariteit », ingesteld door de vzw « Nationaal Eigenaars en Mede-Eigenaars Syndicaat »; - de prejudiciële vragen betreffende artikel éduodecies van de Brusselse Huisvestingscode, ingevoegd bij artikel 4 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 22 juni 2023 « tot invoeging in de Brusselse Huisvestingscode van de procedureregels voor gerechtelijke uitzettingen en tot wijziging van de middelen gebruikt door en ten voordele van het Begrotingsfonds voor Solidariteit », gesteld door de Vrederechter van het kanton Sint-Jans-Molenbeek en door de Vrederechter van het kanton Ukkel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 12 februari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 14 februari 2024, heeft de Vrederechter van het kanton Sint-Jans-Molenbeek de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Is artikel éduodecies van de ordonnantie van 17 juli 2023 [lees : 2003] houdende de Brusselse Huisvestingscode, ingevoegd bij artikel 4 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement van 22 juni 2023 (Belgisch Staatsblad, 21 augustus 2023), bestaanbaar met artikel 11 van de Grondwet, in zoverre het : 2 - een verschil in behandeling invoert tussen de verhuurders die, ingevolge een beslissing van de rechter waarbij de uitzetting van hun huurder wordt toegestaan, tot die uitzetting kunnen overgaan buiten de winterstop, en de verhuurders die, doordat zij tot die uitzetting wensen over te gaan gedurende de winterstop, het vonnis tot uitzetting niet ten uitvoer kunnen leggen, rekening ermee houdend dat de bewoningsvergoeding die door het Solidariteitsfonds ten laste kan worden genomen, niet noodzakelijk overeenstemt met het bedrag van de huur ? - een verschil in behandeling invoert tussen de verhuurders die, ingevolge de beslissing van de rechter om de uitzettingstermijn te verlengen overeenkomstig artikel éundecies, § 1, tweede lid, 3°, van de Brusselse Huisvestingscode, hun huurders niet kunnen uitzetten, en de verhuurders die, wegens de winterstop bepaald in artikel éduodecies van de Brusselse Huisvestingscode, zulks niet kunnen doen, in zoverre de eerstgenoemde categorie geen schuldvordering kan indienen bij het Solidariteitsfonds indien de huurder geen bewoningsvergoeding betaalt, terwijl de tweede categorie dat wel kan ? Schendt artikel éduodecies van de ordonnantie van 17 juli 2023 [lees : 2003] houdende de Brusselse Huisvestingscode, ingevoegd bij artikel 4 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement van 22 juni 2023 (Belgisch Staatsblad, 21 augustus 2023), artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het geen billijk evenwicht tot stand brengt tussen, enerzijds, de belangen van de huurder van een onroerend goed wiens uitzetting wordt opgeschort en, anderzijds, de belangen van de eigenaar-verhuurder, hetgeen een overdreven beperking van het recht op het ongestoord genot van eigendom van de verhuurder inhoudt, met name door het de rechter niet mogelijk te maken het belang van beide partijen in aanmerking te nemen om de uitzettingstermijn vast te stellen en rekening ermee houdend dat de bewoningsvergoeding die door het Solidariteitsfonds ten laste kan worden genomen, niet noodzakelijk overeenstemt met het bedrag van de huur ? ». b. Bij vonnis van 29 februari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 maart 2024, heeft de Vrederechter van het kanton Ukkel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel éduodecies van de Brusselse Huisvestingscode, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement van 22 juni 2023 (Belgisch Staatsblad van 21 augustus 2023), de artikelen 11 en 16 van de Grondwet en 5.69 en 5.73 van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het : - de uitzetting van een huurder die zijn verplichtingen niet nakomt, tijdelijk verbiedt, zelfs wanneer bepaalde huurovereenkomsten correct werden beëindigd, overeenkomstig de in de Brusselse Huisvestingscode gestelde regels, of ingevolge akkoorden voor een minnelijke schikking tussen de partijen waardoor de uitzetting mogelijk wordt, of ingevolge het flagrant, herhaaldelijk en aanhoudend niet-nakomen door de huurder van zijn verplichting om huur te betalen, het niet-sluiten van een verzekering die zijn aansprakelijkheid dekt, hetgeen een inmenging vormt in het eigendomsrecht van de verhuurder en het billijke evenwicht verbreekt tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van eigendom, - het recht op toegang tot de rechter beperkt, dat het recht impliceert om definitieve rechterlijke beslissingen ten uitvoer te leggen ? ». 3 c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 februari 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 13 maart 2024, heeft de vzw « Nationaal Eigenaars en Mede-Eigenaars Syndicaat », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Emmanuel Plasschaert en mr. Eric Montens, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de ordonnantie van 22 juni 2023 van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest « tot invoeging in de Brusselse Huisvestingscode van de procedureregels voor gerechtelijke uitzettingen en tot wijziging van de middelen gebruikt door en ten voordele van het Begrotingsfonds voor Solidariteit » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 augustus 2023; errata bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 en 31 mei 2024). Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8162, 8193 en 8194 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de vzw « Huurdersbond », de vzw « Brusselse Bond voor het Recht op Wonen » en de vzw « Loyers Négociés », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Isabelle de Viron, mr. Melvin Ouedraogo, mr. Vincent Letellier en mr. Véronique van der Plancke, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partijen in alle zaken); - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aurélien Vandeburie, mr. Nicolas Bonbled, mr. Camila Dupret Torres en mr. Anissa Batik, advocaten bij de balie te Brussel (in alle zaken). De verzoekende partij in de zaak nr. 8194, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Emmanuel Plasschaert, mr. Eric Montens en mr. Sofiane Fergali, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « Huurdersbond », de vzw « Brusselse Bond voor het Recht op Wonen » en de vzw « Loyers Négociés », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Isabelle de Viron, mr. Melvin Ouedraogo, mr. Vincent Letellier en mr. Véronique van der Plancke (in de zaak nr. 8194); - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. Anissa Batik (in de zaak nr. 8194). Bij beschikking van 30 april 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. 4 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen in de zaken nrs. 8162 en 8193 Het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil in de zaak nr. 8162 heeft betrekking op een huurovereenkomst die werd ontbonden ten nadele van de huurder, met een machtiging tot uitzetting. De verhuurder verzoekt het verwijzende rechtscollege hem ertoe te machtigen de huurder uit te zetten, ondanks de in artikel éduodecies van de Brusselse Huisvestingscode bedoelde winterstop. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat het niet bevoegd is om te beslissen om de toepassing van die bepaling te weren en beslist om het Hof vragen te stellen over de overeenstemming van die bepaling met de artikelen 11 en 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil in de zaak nr. 8193 heeft betrekking op het derdenverzet dat door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is ingesteld tegen een vonnis dat het verwijzende rechtscollege op 18 oktober 2023 heeft gewezen, waarbij wordt toegestaan dat een huurster uit haar woning wordt gezet tijdens de winterperiode, om reden dat artikel éduodecies van de Brusselse Huisvestingscode discriminerend is. In het verwijzingsvonnis stelt het verwijzende rechtscollege vast dat het Hof bevoegd is om de grondwettigheid van de voormelde bepaling te toetsen. Het vraagt het Hof dus of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5.69 en 5.73 van het Burgerlijk Wetboek. III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging dat is ingesteld in de zaak nr. 8194 A.1.
  3. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat het in de zaak nr. 8194 ingestelde beroep tot vernietiging onontvankelijk is omdat het niet tijdig is ingesteld. A.1.
  4. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert eveneens aan dat het beroep onontvankelijk is wegens gebrek aan belang, omdat de verzoekende partij zich houdt aan een abstracte uiteenzetting van haar belang om in rechte te treden en omdat geen van haar leden, noch enige eigenaar in België zich bij het vernietigingsberoep hebben aangesloten. In ondergeschikte orde doet de Regering gelden dat de verzoekende partij hoe dan ook geen belang heeft bij de vernietiging van de artikelen 1 tot 3 van de bestreden ordonnantie, die respectievelijk betrekking hebben op de bevoegdheid van de gewestelijke ordonnantiegever, op het bezorgen van het onbewoonbaarheidsbesluit van een woning aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna : het OCMW) van de plaats waar de woning zich bevindt en op het Gewestelijk Begrotingsfonds voor Solidariteit. A.
  5. De tussenkomende partijen voeren aan dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de vernietiging van artikel 1 van de bestreden ordonnantie, aangezien dat artikel het rechtsbestel niet wijzigt, noch bij de vernietiging van artikel 3 van die ordonnantie, met betrekking tot het Gewestelijk Begrotingsfonds voor Solidariteit, de middelen van dat Fonds en de bestemming van die middelen. A.
  6. De verzoekende partij doet gelden dat het de datum van het postmerk op de aangetekende zending van het verzoekschrift is die bewijskracht heeft met betrekking tot de inachtneming van de termijn om het beroep in te stellen en dat zij het beroep te dezen heeft verzonden binnen de vereiste termijn, hetgeen zowel het Hof, bij beschikking van 13 maart 2024, als het « track and trace »-systeem van bpost bevestigen. In ondergeschikte orde voert zij aan dat het feit dat bpost de daadwerkelijke ontvanger van de zending niet kan identificeren, een geval van overmacht uitmaakt, krachtens hetwelk het beroep moet worden geacht binnen de vereiste termijn te zijn ingesteld. 5 A.
  7. De verzoekende partij zet uiteen dat haar statutair doel erin bestaat het onroerende en roerende private eigendomsrecht te verdedigen. Zij voert aan dat de bestreden ordonnantie het eigendomsrecht op een onroerend goed rechtstreeks en ongunstig kan raken, in zoverre zij de mogelijkheden wijzigt om minstens de vruchten van dat goed daadwerkelijk te genieten, en in zoverre zij eveneens afbreuk doet aan een investering in een onroerend goed als spaarvorm. Zij voegt eraan toe dat het feit dat geen enkele eigenaar zich bij het beroep heeft aangesloten, daaraan geen afbreuk doet en dat zij verschillende concrete voorbeelden geeft van een aantasting van het onroerend eigendomsrecht die voortvloeit uit de bestreden ordonnantie. Ten aanzien van de middelen die zijn opgeworpen in het kader van het beroep tot vernietiging dat is ingesteld in de zaak nr. 8194 Wat betreft het eerste middel A.5.
  8. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 39, 134, 145 en 146 van de Grondwet en van de artikelen 6 en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). De verzoekende partij voert aan dat de bestreden ordonnantie, op zijn minst de artikelen 1, 3, 4 en 5 ervan, inbreuk maakt op de bevoegdheid van de federale overheid in gerechtelijke aangelegenheden. Dat middel bestaat uit drie onderdelen. In het eerste onderdeel doet de verzoekende partij gelden dat, aangezien de bestreden ordonnantie de tenuitvoerlegging van de uitzettingsbeslissingen uitstelt, zij het Gerechtelijk Wetboek wijzigt, terwijl enkel de federale overheid bevoegd is om dat te doen, en dat zij de veroordeelde persoon de mogelijkheid biedt om de uitzetting eenzijdig uit te stellen, hetgeen de uitvoerbare kracht van de uitgesproken vonnissen in het gedrang brengt. Zij voert aan dat de bestreden ordonnantie niet dezelfde logica als het Gerechtelijk Wetboek volgt, aangezien zij het toepassingsgebied uitbreidt van de regels inzake termijnen die in acht moeten worden genomen vóór de uitzetting, en aangezien zij, zelfs indien zij dezelfde logica van dat Wetboek zou volgen, inbreuk zou blijven maken op de federale bevoegdheden. Zij doet gelden dat die termijnen en dat uitstel noch tijdelijk zijn, noch voorbehouden aan bijzondere omstandigheden, aangezien de zorgen met betrekking tot de huisvesting in Brussel minstens dateren van de jaren 1990 en van de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangevoerde « acute crisis » van
  9. De winterstop is niet tijdelijk, aangezien hij is bedoeld om jaarlijks te worden toegepast voor onbepaalde duur, los van de toestand van de huurmarkt. De verzoekende partij voert dan ook aan dat de cumulatieve voorwaarden die door het Hof zijn vastgesteld in zijn arresten nrs. 97/2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.097) en 147/2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.147) niet in acht worden genomen. A.5.
  10. In het tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat aangezien de artikelen 3, 4 en 5 van de bestreden ordonnantie voorzien in de nadere regels voor het instellen van een rechtsvordering voor de bevoegde rechter en in de te volgen procedure, zij inbreuk maken op de bevoegdheid van de federale overheid in gerechtelijke aangelegenheden, terwijl dat niet noodzakelijk is voor de uitoefening door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van een eigen bevoegdheid en terwijl de weerslag van die bepalingen op de aangelegenheid die onder de bevoegdheid van de federale overheid valt, niet marginaal is. In een eerste subonderdeel voert de verzoekende partij aan dat de artikelen 3, 4 en 5 van de bestreden ordonnantie noch noodzakelijk, noch pertinent zijn, gelet op het door de ordonnantiegever beoogde doel van bescherming van het recht op huisvesting. Allereerst voorzagen de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek reeds in een gerechtelijke controle van de uitzettingsmaatregel. Vervolgens verergert de verlenging van de gerechtelijke procedures de situatie van zowel de verhuurder als de huurder (zij voert in dat verband de toename van de schulden en het voortbestaan van een precaire situatie aan), zonder het recht op huisvesting te vrijwaren, aangezien zij het oorspronkelijke en fundamentele probleem niet oplost, namelijk het verschil tussen het gemiddelde inkomen van de Brusselaars en de gemiddelde huurprijs, waarbij de ordonnantie het niet mogelijk maakt dat verschil te verkleinen, noch het aantal sociale woningen te verhogen, noch de mobiliteit te verbeteren. In een tweede subonderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat de verlenging van de termijn voor verschijning waarbinnen de OCMW’s kunnen optreden, noch noodzakelijk, noch pertinent is, aangezien de OCMW’s reeds ruim de tijd hadden om op te treden onder de vroegere regeling. Zij voert aan dat, indien de OCMW’s niet optraden, dat ofwel kwam wegens een gebrek aan middelen, een gebrek aan belang of omdat hun prioriteiten elders lagen, ofwel omdat de huurders geen beroep doen op de hulp van het OCMW wegens een negatief a priori of slechte ervaringen uit het verleden. In ondergeschikte orde doet zij gelden dat de bestreden ordonnantie niet in een bindende termijn voorziet waarbinnen de griffie de uitzettingseis moet meedelen aan het OCMW, waardoor de griffie de uitzettingseis dus kan meedelen op de dag vóór de terechtzitting, en zelfs erna. 6 Bijgevolg biedt de nieuwe regeling in werkelijkheid minder waarborgen dan die van het Gerechtelijk Wetboek wat betreft de mededeling aan het OCMW. In een derde subonderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel équinquies, § 2, 3°, van de Brusselse Huisvestingscode een nieuwe vereiste invoert die noch noodzakelijk, noch pertinent is, in zoverre het voorziet in de verplichting om, in de gedinginleidende akte, het telefoonnummer en, in voorkomend geval, het e-mailadres te vermelden van de persoon tegen wie de eis wordt ingediend, indien die informatie bekend is bij de verhuurder, terwijl die vermeldingen reeds op straffe van nietigheid waren voorgeschreven voor alle vorderingen inzake huurovereenkomsten. Bovendien doet de precisering « indien door de verhuurder bekend », die niet in het Gerechtelijk Wetboek voorkomt, rechtsonzekerheid ontstaan met betrekking tot de moeilijkheid voor de verhuurder om aan te tonen dat hij die elementen kent. Ten slotte toont die vermelding aan dat de ordonnantiegever die vermelding niet als noodzakelijk beschouwt, hetgeen ook blijkt uit de omstandigheid dat die vermelding niet is vereist wanneer de uitzettingseis bij conclusie wordt ingediend. Als vierde subonderdeel voert de verzoekende partij aan dat de in artikel équater van de Brusselse Huisvestingscode bedoelde verplichting om minstens een maand vóór het nemen van maatregelen tot invordering van een huur- of lastenschuld een ingebrekestelling te versturen, noch noodzakelijk, noch pertinent is, omdat, ten eerste, alle maatregelen worden beoogd, met inbegrip van bijvoorbeeld nieuwe vorderingen of tegenvorderingen die bij conclusie worden ingesteld tijdens het geding, terwijl het doel van de ordonnantiegever enkel erin bestond te voorzien in een ingebrekestelling vóór de gerechtelijke procedures; ten tweede, die verplichting ook betrekking heeft op situaties waarbij elke ingebrekestelling met een mogelijkheid tot remediëring wordt uitgesloten, bijvoorbeeld bij een ernstige tekortkoming die elke voortzetting onmogelijk maakt of in geval van een gegeven opzegging; ten derde, een termijn van zeven werkdagen zou volstaan voor een zorgvuldige huurder; ten vierde, de verplichting niet enkel betrekking heeft op de gevallen met betrekking tot een uitzetting en het door de ordonnantiegever beoogde doel van bescherming van het recht op huisvesting dus te buiten gaat; ten vijfde, die ingebrekestelling verplicht het telefoonnummer van de verhuurder moet bevatten, terwijl geen enkele bepaling de verhuurders verplicht om over een telefoon te beschikken en terwijl tal van hen het beheer van de huurovereenkomst delegeren of om veiligheidsredenen hun telefoonnummer niet wensen mee te delen. In een vijfde subonderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat de verplichting voor de verhuurder om de kosten van de dagvaarding hoe dan ook te dragen, noch noodzakelijk, noch pertinent is, gelet op het door de ordonnantiegever beoogde doel van bescherming van het recht op huisvesting. Volgens haar wordt met die verplichting in werkelijkheid een ander doel nagestreefd, namelijk de kosten van de procedure verminderen door aan te sporen tot het indienen van een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding, hetgeen, enerzijds, geenszins tot de gewestelijke bevoegdheid inzake huisvesting behoort en, anderzijds, de verhuurder belet om het geding met vaste datum in te leiden. De verzoekende partij voegt eraan toe dat die maatregel de kosten en de werklast van de griffie verzwaart, zodat hij klaarblijkelijk niet marginaal is. In een zesde en laatste subonderdeel doet de verzoekende partij gelden dat de bestreden ordonnantie noch noodzakelijk, noch pertinent is, in zoverre zij zich niet beperkt tot huurovereenkomsten voor een hoofdverblijfplaats, terwijl het recht op huisvesting enkel op die huurovereenkomsten betrekking heeft. A.5.
  11. In het derde en laatste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel éter van de Brusselse Huisvestingscode de gewestelijke bevoegdheid inzake huisvesting overschrijdt, in zoverre het betrekking heeft op handelshuurovereenkomsten zonder zich te beperken tot die welke betrekking hebben op een goed dat ook een woning voor de huurder is. Zij merkt in het bijzonder op dat de in paragraaf 2 van artikel éter bedoelde regel niet is beperkt tot de kwestie van het recht op huisvesting, terwijl er geen enkele reden is om hem op te leggen met betrekking tot de handelshuurovereenkomsten waarop de huisvesting geen betrekking heeft. A.6.
  12. In antwoord op het eerste middel brengt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in herinnering dat de gewesten, luidens de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, bevoegd zijn om de specifieke regels betreffende woninghuurovereenkomsten en handelshuurovereenkomsten vast te stellen, die zullen kunnen afwijken van het federaal gemeen recht en de voorwaarden inzake uithuiszetting zullen inhouden. Wat het eerste onderdeel betreft, voert zij aan dat elk uitstel van tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, bedoeld in de artikelen éundecies en éduodecies van de Brusselse Huisvestingscode, tijdelijk is en dat het wordt toegestaan in de uitzonderlijke omstandigheden van de acute huisvestingscrisis in Brussel, die de laatste jaren erger is geworden. Wat meer in het bijzonder de in artikel éundecies, §§ 1 en 2, van die Code bedoelde termijnen betreft, merkt de Regering op dat die bepaling in werkelijkheid de regels van artikel 1344quater van het Gerechtelijk Wetboek overneemt, zij het dat de termijn tussen het bericht van de deurwaarder en de uitzetting van vijf naar vijftien werkdagen wordt verhoogd. De 7 Regering is van mening dat, aangezien de termijnen in ruime mate identiek zijn aan de termijnen waarin de federale overheid voorziet, er geen inbreuk op de bevoegdheden van die laatste moet worden vastgesteld. Wat meer in het bijzonder de in artikel éundecies, § 3, van dezelfde Code bedoelde onderbreking van de termijn van één maand betreft, is de draagwijdte ervan beperkt, aangezien de onderbreking een aanvang neemt vanaf het bericht van uithuiszetting, zodat de uitzetting maar hoogstens een maand kan worden uitgesteld. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert eveneens aan dat de bij artikel éduodecies van de Brusselse Huisvestingscode ingevoerde winterstop evenmin inbreuk maakt op de bevoegdheden van de federale overheid, aangezien hij maar een tijdelijk uitstel van de uitzetting mogelijk maakt, in de uitzonderlijke omstandigheden van de acute huisvestingscrisis waarmee het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest te kampen heeft, en meer in het bijzonder de dramatische maatschappelijke realiteit rond uitzettingsvonnissen, die talrijker zijn in Brussel dan in de andere gewesten. Zij verwijst naar het voormelde arrest van het Hof nr. 97/2022, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat de ordonnantiegever gepaste maatregelen had kunnen nemen ter bescherming van de gezondheid en de huisvesting van een categorie van personen die zich zelfs in normale omstandigheden in een precaire situatie bevinden. In ondergeschikte orde merkt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op dat de door de verzoekende partij bekritiseerde termijnen niets te maken hebben met de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing die nog niet is uitgesproken, en dat de mogelijkheid om een uitzettingseis bij conclusie in te dienen geen onevenredige termijnen met zich meebrengt, aangezien de verhuurders die de proceduretermijnen willen inkorten, de aandacht van de griffie kunnen vestigen op het bestaan van een uitzettingseis, zoals in de parlementaire voorbereiding trouwens wordt opgemerkt. Wat betreft de opschorting van de uitzettingsprocedure, bedoeld in artikel éundecies, § 3, van de Brusselse Huisvestingscode, zet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering uiteen dat zij enkel plaatsvindt indien de huurder of de bewoner aan de deurwaarder het bewijs bezorgt van een effectieve huisvestingsoplossing, in welk geval het optreden van een rechter niet noodzakelijk is. A.6.
  13. Wat het tweede onderdeel betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de bestreden bepalingen overeenstemmen met het doel van de ordonnantiegever dat erin bestaat uithuiszettingen zoveel mogelijk te voorkomen. In verband met het eerste subonderdeel voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat het verlengen van de procedure en het uitstellen van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen volledig onder de gewestelijke bevoegdheid inzake huisvesting vallen. Zelfs indien dat niet het geval was, kunnen die maatregelen, die berusten op objectieve gegevens en op de aanbevelingen van deskundigen ter zake, worden genomen krachtens de impliciete bevoegdheden, omdat zij noodzakelijk zijn om een betere tenlasteneming te waarborgen van de personen die dreigen te worden uitgezet en om een herhuisvestingsoplossing te waarborgen. De noodzaak van de winterstop vloeit voort uit de dramatische maatschappelijke realiteit van de uitzettingen. De noodzaak van de verlenging van de proceduretermijnen beantwoordt aan het doel dat erin bestaat te vermijden dat de huurders zich in een uiterst ingewikkelde situatie bevinden tijdens de terechtzitting, en dus hun recht op huisvesting beter te waarborgen, in de context van de huisvestingscrisis die specifiek is voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De Regering doet gelden dat in de studies over de uitzettingen in dat Gewest werd gewezen op de nood aan een wetgevend optreden om de procedure rond de gerechtelijke controle van de uitzettingen te moduleren. Wat het tweede subonderdeel betreft, doet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gelden dat de verlenging van de termijn voor verschijning noodzakelijk en pertinent is ten aanzien van het doel dat erin bestaat de OCMW’s, die voortaan stelselmatig worden geïnformeerd vóór elke uitzetting, de tijd te geven om een diagnose te maken en om aangepaste en effectieve hulp voor te stellen. Verschillende studies hadden aanbevolen om dergelijke maatregelen te nemen, met name rekening houdend met het feit dat de OCMW’s verklaarden over onvoldoende tijd te beschikken tussen de kennisgeving van een uitzettingsprocedure en de datum van de inleidende zitting. Het gebrek aan middelen van de OCMW’s ontneemt aan de betwiste maatregelen niet hun nut en er werd in een aanvullende financiering van de OCMW’s voorzien. De Regering voert aan dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert, het niet noodzakelijk is om in een termijn te voorzien waarbinnen de griffie het verzoekschrift moet bezorgen aan het OCMW, aangezien artikel ésepties van de Brusselse Huisvestingscode voldoende waarborgt dat de OCMW’s op de hoogte zullen worden gehouden. Zij voert aan dat de verzoekende partij een verkeerde lezing maakt van de parlementaire voorbereiding. 8 Wat het derde en het vijfde subonderdeel betreft, merkt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op dat de wijziging van de nadere regels voor het instellen van de vordering en de verplichting voor de verhuurder om de dagvaardingskosten hoe dan ook te dragen noodzakelijk en pertinent zijn om de kostprijs van de gerechtelijke procedures inzake huurovereenkomsten te beperken en dat zij werden aangenomen op grond van objectieve gegevens, overeenkomstig de aanbevelingen van de deskundigen. Meer in het bijzonder is het nuttig en pertinent om in de gedinginleidende akte de vermelding op te leggen van het telefoonnummer en, in voorkomend geval, van het e-mailadres van de persoon tegen wie de eis wordt ingediend, indien door de verhuurder bekend. Die informatie is zeer nuttig voor de OCMW’s, aangezien zij daardoor makkelijker contact kunnen opnemen met de persoon en kunnen proberen de uitzetting te voorkomen. Het vermelden van die informatie wordt niet vereist in de uitzettingseis die bij conclusie wordt geformuleerd, aangezien zij in dat geval reeds bekend is bij de griffie en kan worden doorgegeven aan de OCMW’s, omdat ze reeds werd meegedeeld in het stadium van de gedinginleidende akte. De vermeende rechtsonzekerheid die voortvloeit uit het feit dat die gegevens enkel moeten worden vermeld indien de verhuurder ze kent, is noch pertinent ten aanzien van de aangevoerde toetsingsnormen, noch bewezen. Het is immers opportuun om het aan de rechter over te laten te beoordelen of de elementen die door de verhuurder worden aangevoerd om te verantwoorden dat die informatie wordt weggelaten, zijn aangetoond. Het is bovendien nuttig en pertinent om de kosten voor een gebruik van de dagvaarding te willen verminderen, die aanzienlijk zijn voor de huurders, die zich vaak in een situatie van betalingsachterstand bevinden. Die maatregel dient dus wel degelijk het doel van de bescherming van het recht op huisvesting van die personen. Wat betreft het argument van de verzoekende partij volgens hetwelk het verzoekschrift het niet mogelijk maakt om het geding met vaste datum in te leiden, voert de Regering aan dat het bewijs van de datum van het instellen van de vordering wordt overgelaten aan het oordeel van de rechter in het kader van de toetsing van de ontvankelijkheid en dat de verhuurders hun verzoekschrift ter griffie kunnen neerleggen in aanwezigheid van een deurwaarder. Wat betreft het argument volgens hetwelk die maatregel werkoverlast voor de griffies met zich mee kan brengen, voert de Regering aan dat dat geenszins wordt gestaafd, dat de meeste verhuurders reeds gebruikmaken van het verzoekschrift in plaats van de dagvaarding en dat zelfs elke eventuele werkoverlast verantwoord zou zijn ten aanzien van het doel van de ordonnantiegever dat erin bestaat de kosten van de procedure voor de huurders te verminderen. Wat het vierde subonderdeel betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de vereiste van een ingebrekestelling, een maand vooraleer er bijkomende maatregelen worden genomen, is gebaseerd op objectieve gegevens en op de aanbevelingen van de deskundigen ter zake. Aldus wordt in een studie die op verzoek van de Regering is uitgevoerd, gesuggereerd om te voorzien in stappen vóór het opstarten van de gerechtelijke procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot uitzetting. Op het argument van de verzoekende partij volgens hetwelk het toepassingsgebied van die vereiste al te ruim zou zijn, omdat het situaties omvat die niet pertinent zijn ten aanzien van het door de wetgever beoogde doel en situaties die niet kunnen worden verholpen, antwoordt de Regering dat de klassieke regels van overmacht van toepassing blijven, net zoals de artikelen 860 en 861 van het Gerechtelijk Wetboek inzake nietigheid. De termijn van een maand is gebaseerd op een aanbeveling van deskundigen. Hoewel die verplichting tot voorafgaande verzending van een ingebrekestelling weliswaar niet enkel de gevallen van uitzetting betreft, zet de Regering uiteen dat de vorderingen tot invordering van huur- of lastenschulden in sommige gevallen enkel in een later stadium, bij conclusie, aanleiding geven tot uitzettingseisen. Het zou dus niet pertinent zijn geweest om enkel de gevallen van uitzetting te beogen. De vereiste van een vermelding van het telefoonnummer van de verhuurder is noodzakelijk om de huurder, zijn raadsman of de personeelsleden van het OCMW de mogelijkheid te bieden de situatie te doen « de-escaleren », zonder dat het beroep op een derde voor het beheer van de huurovereenkomst de verhuurders, die in die hoedanigheid op de huurovereenkomst worden vermeld, van hun verantwoordelijkheid kan ontheffen. Wat het zesde subonderdeel betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat het verantwoord is dat de bestreden ordonnantie niet wordt beperkt tot de huurovereenkomsten voor een hoofdverblijfplaats, aangezien de woninghuurovereenkomst betrekking kan hebben op elke vorm van huurovereenkomst voor zover zij betrekking heeft op een woning, zoals handelshuurovereenkomsten met betrekking tot een goed dat ook een woning voor de huurder uitmaakt, « studentenhuurovereenkomsten » en medehuurovereenkomsten. De Regering voegt eraan toe dat de formulering dienaangaande van de bestreden ordonnantie voortvloeit uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 72.557/3 van 1 februari 2023 over het voorontwerp van ordonnantie dat de bestreden ordonnantie is geworden. A.6.
  14. Wat het derde onderdeel van het eerste middel betreft, doet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gelden dat de gewestelijke bevoegdheid inzake huurovereenkomsten niet alleen betrekking heeft op de specifieke regels betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen, maar ook op de specifieke regels betreffende de handelshuur. Zij zet eveneens uiteen dat krachtens artikel éter van de Brusselse Huisvestingscode de rechter enkel rekening dient te houden met de gevolgen van zijn beslissing voor het recht op huisvesting van de huurder indien het verhuurde goed geheel of gedeeltelijk wordt bestemd voor de huisvesting van de huurder, zodat het 9 overbodig is om die bepaling enkel te beperken tot de handelshuurovereenkomsten die betrekking hebben op een goed dat eveneens als hoofdverblijfplaats voor de huurder dient. Zij voegt eraan toe dat het ten aanzien van het door de ordonnantiegever beoogde doel logisch is dat de bestreden ordonnantie ook van toepassing is op andere soorten van huurovereenkomsten, zoals de « studentenhuurovereenkomst » of de medehuurovereenkomst. A.7.
  15. De tussenkomende partijen voeren aan dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet gegrond is omdat de verzoekende partij aan het voormelde arrest van het Hof nr. 147/2023 een draagwijdte toekent die het niet heeft. Dat arrest stelt immers niet de voorwaarden vast waaraan de wetgever op algemene wijze moet voldoen om op te treden; het stelt enkel de omstandigheden van de in het geding zijnde zaak vast en besluit daaruit dat de Waalse decreetgever geen afbreuk heeft gedaan aan het beginsel volgens hetwelk de rechterlijke beslissingen alleen door de aanwending van rechtsmiddelen kunnen worden gewijzigd, noch aan de bevoegdheidverdelende regels. Wat betreft de kritiek van de verzoekende partij met betrekking tot de verlenging van de proceduretermijnen en de mogelijkheid voor de rechter om de uitzettingstermijnen te verlengen, voeren de tussenkomende partijen aan dat het voormelde beginsel, volgens hetwelk de rechterlijke beslissingen alleen door de aanwending van rechtsmiddelen kunnen worden gewijzigd, niet kan zijn geschonden, omdat die termijnen betrekking hebben op hetzij de fase vóór het uitzettingsvonnis, hetzij de modalisering van de termijn van de uitzetting die bij dat vonnis zelf is bevolen. Wat betreft de verlenging van de uitzettingstermijn, de winterstop en de opschorting van de uitzettingsmaatregelen wanneer het bewijs van een herhuisvestingsoplossing wordt geleverd, voeren de tussenkomende partijen aan dat, zelfs indien zou worden aanvaard dat het uitzonderlijke karakter van de situatie als voorwaarde wordt gesteld voor de bevoegdheid van de gewestwetgever, quod non, niet zou kunnen worden betwist dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest te kampen heeft met een systemische huisvestingscrisis, die de maatregelen die zijn genomen om de effectiviteit van het recht op huisvesting te waarborgen, voldoende verantwoordt. Zij verwijzen naar de argumenten die dienaangaande zijn uiteengezet door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en naar de vaststellingen van het Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties over de mededeling nr. 61/2018, die is aangehaald in de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie, volgens welke de uithuiszetting enkel zou mogen worden bevolen op voorwaarde dat er geen andere oplossing bestaat en dat zij geen schending van fundamentele mensenrechten met zich meebrengt. De tussenkomende partijen doen eveneens gelden dat de winterstop daadwerkelijk onder de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden inzake verhuur van voor bewoning bestemde goederen valt. Door die winterstop wordt ook de verplichting, voor het Gewest, om het recht op huisvesting te verwezenlijken uitgevoerd, hetgeen volgens het Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten het verbod met zich meebrengt om ’s nachts en tijdens de winter over te gaan tot uitzettingen. Wat betreft het argument van de verzoekende partij volgens hetwelk de cumulatie van de maatregelen tot gevolg zou hebben dat een uitstel van de uitvoeringstermijnen van een vonnis voor een onevenredige periode mogelijk wordt gemaakt, zodat dat uitstel niet meer als tijdelijk zou kunnen worden aangemerkt, voeren de tussenkomende partijen aan dat het het doel van de hervorming verhult, dat in de eerste plaats erin bestaat het optreden van het OCMW te verbeteren om te vermijden dat een beroep moet worden gedaan op uitzettingen, waarbij de aanpassing van de procedure enkel ertoe strekt dat doel te bereiken. De tussenkomende partijen leggen eveneens uit dat het hoofdpunt van de hervorming de verbetering van de procedure is en dat de winterstop maar een subsidiaire maatregel is. Zij merken bovendien op dat, onder de door de verzoekende partij vermelde uitvoeringsmoeilijkheden, een aantal ervan verband houdt met het gebrek aan beschikbaarheid of medewerking van de politiediensten ter ondersteuning van een deurwaarder bij een uitzetting. A.7.
  16. Wat het tweede onderdeel betreft, zetten de tussenkomende partijen uiteen dat de voorwaarden om gebruik te maken van de impliciete bevoegdheden zijn vervuld. De ordonnantiegever beschikt over een uitgebreide beoordelingsbevoegdheid om zijn beleid in sociaaleconomische aangelegenheden te bepalen, temeer wanneer de omstandigheden een dringend optreden van hem vereisen. In verband met de verlenging van de proceduretermijnen voeren zij aan dat die verlenging het de OCMW’s mogelijk maakt om nuttig op te treden, zoals de OCMW’s van de stad Brussel, van Anderlecht en van Sint-Gillis, het Steunpunt voor de Diensten Schuldbemiddeling van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en een aantal tussenkomende partijen zelf daarvan getuigen. Zij voeren aan dat de ordonnantiegever, wegens de vaststellingen van het Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties over de mededeling nr. 61/2018, vermocht te oordelen dat de bestaande bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek niet volstonden opdat 10 de overheden zouden voldoen aan hun positieve verplichting om alle noodzakelijke maatregelen te nemen om het recht op huisvesting te verwezenlijken en al hun middelen daartoe in te zetten. Wat meer in het bijzonder het zesde subonderdeel betreft, doen de tussenkomende partijen gelden dat rekening zal kunnen worden gehouden met het feit dat het betrokken goed een tweede verblijf is, aangezien elk vonnis rekening moet houden met de gevolgen die het heeft voor het recht op huisvesting van de huurder en aangezien de rechter rekening kan houden met de herhuisvestingsmogelijkheid wanneer blijkt dat de huurder daadwerkelijk elders kan wonen. A.7.
  17. De tussenkomende partijen doen gelden dat het derde onderdeel niet gegrond is. Artikel éter van de Brusselse Huisvestingscode heeft uiteraard immers enkel betrekking op de handelshuurovereenkomsten met betrekking tot een goed dat ook tot woning strekt voor de huurder, in de zin van artikel ébis van dezelfde Code, dat het toepassingsgebied vaststelt van afdeling 10 die door de bestreden ordonnantie wordt ingevoegd in titel XI, hoofdstuk II, van die Code. Wat betreft het tweede middel A.8.
  18. Het tweede middel van de verzoekende partij is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Dat middel bestaat uit vier onderdelen. In het eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel 4 van de bestreden ordonnantie discriminerend is in zoverre het de verhuurders verschillend behandelt, naargelang de uitzetting van hun insolvente huurder wordt opgeschort met toepassing van artikel éundecies, § 1, 3°, of § 3, van de Brusselse Huisvestingscode of met toepassing van de in artikel éduodecies van dezelfde Code bedoelde winterstop. Terwijl de eerstgenoemden de bewoningsvergoeding die niet door de huurder is betaald tijdens de opschortingsperiode, niet zullen kunnen terugvorderen, kunnen de laatstgenoemden zich wenden tot het Gewestelijk Begrotingsfonds voor Solidariteit om ze terug te vorderen. De verzoekende partij beklemtoont dat die verschillende verhuurders zich in vergelijkbare situaties bevinden en zij verwijst naar het voormelde advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 72.557/
  19. Het loutere feit dat de juridische grondslagen van de opschorting van de tenuitvoerlegging waarmee die verhuurders worden geconfronteerd, kunnen verschillen, staat de vergelijkbaarheid van hun situaties niet in de weg. De duur van de opschorting is evenmin een pertinent criterium van onderscheid, aangezien in geen enkele beperking wordt voorzien voor de duur van de door de rechter opgelegde opschorting en aangezien die laatste ook de duur van de winterstop beoordeelt, in geval van dwingende noodzaak. A.8.
  20. In het tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel équinquies van de Brusselse Huisvestingscode discriminerend is in zoverre het erin voorziet dat elke verhuurder die een dagvaarding instelt in een geschil met betrekking tot een woninghuurovereenkomst, de dagvaardingskosten te zijnen laste zal houden, zelfs indien hij de zaak wint, terwijl alle andere schuldeisers die hun schuldvordering met succes in rechte doen gelden, hun schuldenaar veroordeeld zien tot het betalen van diezelfde kosten. De verzoekende partij voert aan dat dat verschil in behandeling niet verantwoord is ten aanzien van het door de ordonnantiegever beoogde doel van bescherming van het recht op huisvesting, noch ten aanzien van het doel dat erin bestaat de kosten van de procedure te beperken. A.8.
  21. In het derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel équater van de Brusselse Huisvestingscode discriminerend is in zoverre het de verhuurders van woningen de verplichting oplegt om minstens een maand vooraleer er maatregelen tot invordering van een huur- of lastenschuld worden genomen, een ingebrekestelling te versturen, terwijl een dergelijke termijn niet wordt opgelegd aan de huurders die een bezwaar in rechte zouden indienen tegen hun verhuurder. Zij voegt eraan toe dat hetzelfde geldt met betrekking tot de termijn van vaststelling van 40 dagen. Zij voert aan dat de termijn van een maand vóór elke invorderingsmaatregel kan leiden tot een verslechtering van de situatie waarmee de verhuurder wordt geconfronteerd, bijvoorbeeld in geval van beschadiging van het goed of het leegmaken ervan, en dat die termijn bijgevolg onevenredig is. Zij voert aan dat de verhuurders en de huurders zich in vergelijkbare situaties bevinden. Bovendien zijn huurders in het kader van een handelshuurovereenkomst, in het bijzonder, ondernemingen. In die hoedanigheid bevinden zij zich niet in een zwakke positie die, ook al zou zij worden bewezen, geen verantwoord criterium van onderscheid zouden uitmaken. A.8.
  22. In het vierde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden ordonnantie discriminerend is in zoverre de regels waarin zij voorziet, van toepassing zijn op de verhuurders van zowel hoofdverblijfplaatsen 11 als niet-hoofdverblijfplaatsen, zoals tweede verblijven en gezamenlijk gehuurde woningen, terwijl die twee categorieën van verhuurders zich in verschillende situaties bevinden ten aanzien van het doel van bescherming van het recht op huisvesting. De huurders van niet-hoofdverblijfplaatsen hebben per definitie de facto een andere woning ter beschikking. Wat betreft de goederen die het voorwerp van « studentenhuurovereenkomsten » en medehuurovereenkomsten uitmaken, kunnen de huurders ervan daarvan hun hoofdverblijfplaats maken, hetgeen de bepalingen met betrekking tot de woninghuurovereenkomst van toepassing maakt. A.9.
  23. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet gegrond is. Zij doet gelden dat de verhuurders wier uitzettingseis door de rechter wordt opgeschort op grond van artikel éundecies van de Brusselse Huisvestingscode, niet kunnen worden vergeleken met diegenen wier uitzettingseis wordt opgeschort met toepassing van de in artikel éduodecies van dezelfde Code bedoelde winterstop. Ofwel wordt immers tot de aan de eerstgenoemden opgelegde opschorting beslist door het bevoegde rechtscollege, in uitzonderlijke omstandigheden en nadat het rekening heeft gehouden met de belangen van de verhuurder (artikel éundecies, § 1), ofwel vindt zij automatisch plaats maar blijft zij onderworpen aan het oordeel van de rechter en wordt zij beperkt tot een termijn van één maand (artikel éundecies, § 3). De opschorting die aan de laatstgenoemden wordt opgelegd met toepassing van de winterstop, vindt dan weer automatisch plaats – waarbij het rechtscollege enkel een beoordelingsbevoegdheid heeft met betrekking tot de toegestane afwijkingen – en zij kan meer dan vier maanden duren. De Regering voert aan dat het bijgevolg verantwoord is om enkel voor die tweede categorie in een tegemoetkoming van het Gewestelijk Begrotingsfonds voor Solidariteit te voorzien. Die tegemoetkoming heeft niet tot doel elke individuele verhuurder te vergoeden voor elke onbetaalde huur. De Regering voert bovendien aan dat de formulering van het voormelde artikel éundecies van de Brusselse Huisvestingscode waarborgt dat enkel ernstige en reële herhuisvestingsoplossingen het uitstel van de uitzetting met zich mee zullen brengen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering doet eveneens gelden dat de wetgever met nadruk heeft gewezen op het feit dat de doelstellingen die met de invoering van de winterstop werden beoogd, niet hadden kunnen worden bereikt door artikel éundecies, aangezien de zeldzame termijnen die door de vrederechters worden toegekend, gemiddeld 40 dagen en niet de hele winter duren. In ondergeschikte orde voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat het verschil in behandeling tussen de verhuurders die in artikel éundecies van de Brusselse Huisvestingscode worden beoogd en die welke in artikel éduodecies van dezelfde Code worden beoogd, berust op een objectief en pertinent criterium, namelijk het feit of de schuldvordering van de verhuurder zich al dan niet aandient in de periode van de winterstop, en het is redelijk verantwoord ten aanzien van het feit dat het rechtscollege, bij de toepassing van de winterstop, geen rekening heeft gehouden met de persoonlijke en individuele situatie van de verhuurder, met name met zijn eventuele financiële moeilijkheden, en ten aanzien van het feit dat de opschorting meer dan vier maanden kan duren. A.9.
  24. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat het tweede onderdeel niet gegrond is, aangezien artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zelfs ambtshalve ten laste worden gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt. Bijgevolg kunnen de andere schuldeisers dan de in de bestreden ordonnantie bedoelde verhuurders, zelfs indien zij het proces hebben gewonnen, eveneens worden veroordeeld tot het dragen van de dagvaardingskosten. Artikel équinquies van de Brusselse Huisvestingscode blijft desalniettemin nuttig omdat het een draagwijdte heeft die aanzienlijk verschilt van die van het voormelde artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. A.9.
  25. Wat het derde onderdeel betreft, doet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gelden dat de verhuurders en de huurders of bewoners zich niet in vergelijkbare situaties bevinden, in het bijzonder in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waar de machtsverhouding tussen die twee categorieën van personen uit evenwicht is gebracht. De kwetsbare situatie waarin huurders zich bevinden, volstaat om te verantwoorden dat preventieve maatregelen, zoals de verplichting om een ingebrekestelling te versturen en de in de bestreden ordonnantie bedoelde termijnen voor dagvaarding en verschijning, worden ingevoerd teneinde gerechtelijke procedures en de ermee gepaard gaande kosten alsook uitzettingen te voorkomen. De Regering verwijst eveneens naar de argumenten die zij aanvoert in antwoord op het tweede en het vierde subonderdeel van het tweede onderdeel van het eerste middel. A.9.
  26. Wat het vierde onderdeel betreft, zet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering uiteen dat de verhuurders en huurders van hoofdverblijfplaatsen en die van niet-hoofdverblijfplaatsen zich, gelet op het doel van bescherming van het recht op huisvesting, niet in wezenlijk verschillende situaties bevinden. Op zijn minst is het verantwoord en evenredig, ten aanzien van dat doel, om die twee categorieën van personen aan de toepassing van 12 de bestreden ordonnantie te onderwerpen. Het doel van die laatste zou ten zeerste op de helling worden gezet indien andere soorten van huurovereenkomsten zouden worden uitgesloten van de bescherming waarin zij voorziet. A.10.
  27. De tussenkomende partijen voeren aan dat het tweede middel niet gegrond is. Wat het eerste onderdeel betreft, voeren zij argumenten aan die, in essentie, soortgelijk zijn aan die van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en zij wijzen op het geringe aantal termijnen die worden toegekend door de magistraten – volgens de wetgever het bewijs van hun voorzichtigheid. Zij voeren aan dat, zelfs indien de vergelijkbaarheid van de aangevoerde categorieën van verhuurders wordt aanvaard, het verschil in behandeling niet wordt verantwoord door de duur van de opschorting, maar door het feit dat de onbetaalde schuldvordering van de verhuurder al dan niet ontstaat op een ogenblik waarop het verboden is om uit te zetten en door het feit dat de verhuurders automatisch de gevolgen van de winterstop ondergaan, zonder dat met hun persoonlijke situatie rekening wordt gehouden. A.10.
  28. Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, beklemtonen de tussenkomende partijen dat de regel volgens welke de dagvaardingskosten ten laste van de eiser blijven, van toepassing is op alle partijen bij een huurovereenkomst, en dus eveneens op de huurders. Bovendien berust het door de verzoekende partij aangevoerde verschil in behandeling op een objectief criterium, namelijk de aangelegenheid van de woninghuurovereenkomst, en is het pertinent om het doel van vermindering van de procedurekosten in die aangelegenheid te bereiken. De tussenkomende partijen doen gelden dat de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht de maatregel onevenredige gevolgen zou hebben. A.10.
  29. Wat het derde onderdeel betreft, voeren de tussenkomende partijen aan dat het gebrek aan een voorafgaande ingebrekestelling enkel een nietigheidsgrond voor de gedinginleidende akte vormt wanneer de eis strekt tot de uitzetting van de huurder. Zij voeren aan dat het verschil in behandeling waarop door de verzoekende partij de aandacht is gevestigd, berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is, aangezien het de bedoeling is om de belangen van de huurder te beschermen, die als enige is blootgesteld aan het risico van uitzetting indien hij zijn verplichtingen niet nakomt, zodat zijn situatie niet kan worden vergeleken met die van de verhuurder. De tussenkomende partijen doen eveneens gelden dat de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht het verschil in behandeling onevenredige gevolgen zou hebben. A.10.
  30. Wat het vierde onderdeel betreft, voeren de tussenkomende partijen aan dat het beperken van de bestreden ordonnantie tot enkel de huurovereenkomsten voor een hoofdverblijfplaats het niet mogelijk zou maken om het doel dat erin bestaat uithuiszettingen te voorkomen, te bereiken, aangezien een aantal beschermenswaardige woonsituaties dan zouden worden uitgesloten. Zij doen eveneens gelden dat de bij de bestreden ordonnantie ingevoerde regeling op drie manieren wordt getemperd waardoor de gevolgen ervan ten aanzien van de verhuurders kunnen worden beperkt wanneer het niet noodzakelijk is om de huurder te beschermen : ten eerste dient de rechter, wanneer hij uitspraak doet over een vordering met betrekking tot een woninghuurovereenkomst, rekening te houden met de gevolgen van zijn beslissing voor het recht op huisvesting van de huurder, hetgeen hem meer bewegingsvrijheid laat wanneer de situatie van die laatste geen bijzondere bescherming vereist, bijvoorbeeld omdat hij over een andere woning beschikt, ten tweede kan de rechter, op verzoek van de verhuurder, de uitzettingstermijn inkorten door rekening te houden met de herhuisvestingsmogelijkheid van de huurder en, ten derde, kan de rechter afwijken van de winterstop wanneer een herhuisvestingsoplossing beschikbaar is. A.
  31. In antwoord op het argument van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met betrekking tot het tweede onderdeel van het tweede middel voert de verzoekende partij aan dat de Regering impliciet erkent dat het doel van de wetgever om het gebruik van de goedkoopste wijze van gedinginleiding te stimuleren reeds werd bereikt met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de rechter de mogelijkheid biedt om de dagvaardingskosten ten laste van de winnende partij te leggen indien zij foutief gebruik ervan heeft gemaakt. Zij voegt eraan toe dat de draagwijdte van artikel équinquies, § 1, van de Brusselse Huisvestingscode verschilt van die van het voormelde artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, dat betrekking heeft op kosten die foutief zijn veroorzaakt. In antwoord op het argument van de tussenkomende partijen met betrekking tot het vierde onderdeel van het tweede middel doet de verzoekende partij gelden dat de temperingen waarin zogenaamd is voorzien, niet op alle maatregelen betrekking hebben en dat het uitstel van de uitzetting dat verband houdt met het bezorgen van een bewijs van herhuisvesting, van toepassing is, zelfs wanneer de rechter heeft geoordeeld dat het recht op huisvesting niet was aangetast, bijvoorbeeld in geval van gebruik van het goed als tweede verblijf. 13 Wat betreft het derde middel A.12.
  32. Als derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het « fundamentele beginsel uit de Belgische rechtsorde van de scheiding der machten en met het beginsel volgens hetwelk de rechterlijke beslissingen alleen door de aanwending van rechtsmiddelen kunnen worden gewijzigd ». Dat middel bestaat uit twee onderdelen. In het eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel éundecies, § 3, van de Brusselse Huisvestingscode discriminerend is, in zoverre het voorziet in de automatische opschorting van de tenuitvoerlegging van een uitzettingsvonnis inzake een woninghuurovereenkomst wanneer de huurder of de bewoner aan de deurwaarder het bewijs bezorgt van een herhuisvestingsoplossing die uiterlijk een maand na het bericht van uithuiszetting effectief zal zijn, zonder de verhuurder de mogelijkheid te bieden om het ernstige karakter van dat bewijs te betwisten. De verzoekende partij voert aan dat die bepaling tot gevolg heeft dat de wijziging van een vonnis zonder aanwending van een rechtsmiddel mogelijk wordt gemaakt, terwijl de andere rechtzoekenden dan de betrokken verhuurders niet worden geraakt door de schending van het fundamentele beginsel volgens hetwelk de rechterlijke beslissingen alleen door de aanwending van rechtsmiddelen kunnen worden gewijzigd. Zij voert immers aan dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof, een « uitstel » van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar vonnis een schending van dat fundamentele beginsel kan uitmaken. Zij merkt op dat de vraag over de herhuisvesting rijst bij elke uitzettingsprocedure, zodat de belemmering voor de tenuitvoerlegging van het uitzettingsvonnis door de automatische opschorting ervan, zich niet enkel in uitzonderlijke omstandigheden zal voordoen. A.12.
  33. In het tweede onderdeel doet de verzoekende partij gelden dat artikel éduodecies van de Brusselse Huisvestingscode discriminerend is in zoverre het bepaalt dat, tussen 1 november en 15 maart, geen enkele uitzetting mag gebeuren uit een woning waarvoor een woninghuurovereenkomst is afgesloten of een handelshuurovereenkomst die een huisvestingsmogelijkheid omvat. Zij voert aan dat het loutere feit dat die winterstop los van de inhoud van het vonnis (en met name los van datgene waarin het voorziet met betrekking tot de uitvoeringstermijn) wordt opgelegd, tot gevolg heeft dat dat vonnis opnieuw in het geding wordt gebracht zonder aanwending van een rechtsmiddel, terwijl de andere rechtzoekenden dan de betrokken verhuurders niet worden geraakt door de schending van het fundamentele beginsel volgens hetwelk de rechterlijke beslissingen alleen door de aanwending van rechtsmiddelen kunnen worden gewijzigd. Zij voert aan dat zulks des te flagranter is in het geval waarin de uitzetting die uitdrukkelijk door de rechter werd toegestaan vóór 1 november, wordt uitgesteld, rekening houdend met het bewijs van een herhuisvestingsoplossing, en waarin zij onmogelijk wordt vóór 15 maart indien die oplossing geen werkelijkheid wordt. Zij herhaalt dat de maatregel niet tijdelijk maar permanent is en dat hij losstaat van de evolutie van de huurmarkt. A.13.
  34. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat het derde middel onontvankelijk is, in zoverre de verzoekende partij niet uiteenzet welke de te vergelijken categorieën van personen zijn, en in zoverre zij niet de schending aanvoert van een grondrecht, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij voert aan dat het beginsel volgens hetwelk de rechterlijke beslissingen alleen door de aanwending van rechtsmiddelen kunnen worden gewijzigd, niet bestaat in het Belgisch positief recht. De Regering doet eveneens gelden dat de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht het beginsel van de scheiding der machten zou zijn geschonden. A.13.
  35. In ondergeschikte orde, wat het eerste onderdeel betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat artikel éundecies, § 3, van de Brusselse Huisvestingscode een tijdelijk uitstel, in uitzonderlijke omstandigheden, van de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitzettingsbeslissingen uitmaakt en zij verwijst dienaangaande naar haar antwoord op het eerste middel. De Regering voert eveneens aan dat het eerste onderdeel op meerdere onjuiste uitgangspunten berust. Aldus leidt de voormelde bepaling niet ertoe dat de bewoordingen en de inhoud van een vonnis, en dus de uitvoerbare kracht ervan, worden gewijzigd zonder aanwending van een rechtsmiddel, aangezien zij zich beperkt tot het voorzien in een regeling die enkel betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van uitzettingsvonnissen. Vervolgens is het daadwerkelijk mogelijk om het bewijs van een herhuisvestingsmogelijkheid voor te leggen aan het oordeel van de rechter, aangezien de bestreden ordonnantie de bevoegdheid van de beslagrechter inzake middelen tot tenuitvoerlegging van vonnissen, bedoeld in de artikelen 1395, 1396 en 1498, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, niet in het geding brengt, hetgeen de staatssecretaris voor Huisvesting tijdens de parlementaire voorbereiding heeft bevestigd. Ten slotte dient de herhuisvestingsoplossing waarvan het bewijs aan de deurwaarder wordt bezorgd, effectief te zijn, hetgeen betekent dat enkel ernstige en reële oplossingen kunnen leiden tot een uitstel van de uitzetting. Aldus wordt bijvoorbeeld het bewijs dat identiek is aan een ander bewijs dat vroeger reeds werd voorgelegd, uitgesloten. De beslagrechter zal het ernstige karakter van het bewijs kunnen beoordelen, waarvan de mogelijke tussenkomst van het OCMW, 14 in voorkomend geval, een extra waarborg zal uitmaken. De parlementaire voorbereiding vermeldt bij voorbeelden van dergelijke bewijzen een ondertekende huurovereenkomst of een attest van het OCMW. A.13.
  36. Wat het tweede onderdeel betreft, herhaalt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat de winterstop een tijdelijk uitstel uitmaakt, in uitzonderlijke omstandigheden, van de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitzettingsbeslissingen en zij verwijst dienaangaande naar haar argumenten in antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel. Zij voegt eraan toe dat de rechter, krachtens artikel éduodecies, § 1, tweede lid, van de Brusselse Huisvestingscode, kan afwijken van de winterstop indien hij vaststelt dat er een herhuisvestingsoplossing bestaat. Indien, daarentegen, geen enkele uitzondering op de winterstop toepassing vindt, is het uitstel van de uitzetting verantwoord en evenredig, rekening houdend met de aanwezige belangen, met de met de ordonnantie beoogde doelstellingen en met de bij die ordonnantie ingevoerde waarborgen, zoals de bewoningsvergoeding. Zij zet bovendien uiteen dat de grote hervorming die via de bestreden ordonnantie is doorgevoerd, in het kader waarvan een reeks middelen werden ingevoerd om uitzettingen in Brussel te voorkomen, tot gevolg zou moeten hebben dat het aantal gevallen wordt beperkt waarin de winterstop van toepassing kan zijn. Evenzo maakt artikel éundecies, § 3, van dezelfde Code het volgens de Regering niet mogelijk om een vonnis te wijzigen, maar enkel om de tenuitvoerlegging ervan tijdelijk uit te stellen. A.14.
  37. De tussenkomende partijen voeren aan dat het derde middel niet gegrond is. Wat het eerste onderdeel betreft, doen zij gelden dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij beweert, artikel éundecies van de Brusselse Huisvestingscode het niet mogelijk maakt om rechterlijke beslissingen te wijzigen, maar enkel de wettelijke voorwaarden voor de tenuitvoerlegging ervan modaliseert. Bovendien zijn de voorwaarden om de onderbreking te verkrijgen van de termijn van vijftien werkdagen tussen het ogenblik waarop de deurwaarder de huurder informeert en de uitzetting, strikt bepaald in de bestreden ordonnantie. Aangezien de voormelde termijn drie weken duurt en de herhuisvesting effectief moet zijn binnen een maand na het bericht van uithuiszetting, wordt de verlenging strikt afgebakend. Die heeft bovendien betrekking op een bijzondere situatie, namelijk die waarbij de huurder op korte termijn elders kan gaan wonen, hetgeen een einde maakt aan de dwingende noodzaak om hem uit te zetten zonder een herhuisvestingsoplossing af te wachten. De tussenkomende partijen leiden daaruit af dat het beginsel volgens hetwelk de rechterlijke beslissingen alleen door de aanwending van rechtsmiddelen kunnen worden gewijzigd, niet fundamenteel wordt aangetast. De tussenkomende partijen voegen eraan toe dat artikel éundecies, § 3, dus in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het de bewoner niet de mogelijkheid biedt om zich bij de deurwaarder op een herhuisvestingsoplossing te beroepen waarmee de vrederechter reeds rekening heeft gehouden om de uitzettingstermijn in te korten. A.14.
  38. Wat het tweede onderdeel betreft, verwijzen de tussenkomende partijen naar de argumenten die zij hebben uiteengezet in antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel. A.15.
  39. Op het argument van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering volgens hetwelk de verzoekende partij de te vergelijken categorieën van personen niet zou identificeren, antwoordt zij dat zij op dat punt een dienstig verweer heeft kunnen voeren. A.15.
  40. Wat het eerste onderdeel betreft, antwoordt de verzoekende partij op het argument van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering volgens hetwelk het mogelijk zou blijven om het bewijs van een herhuisvestingsmogelijkheid voor te leggen aan het oordeel van de beslagrechter op grond van de artikelen 1395, 1396 en 1498, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat het optreden van de beslagrechter pas zou plaatsvinden na de belemmering van de tenuitvoerlegging van het uitzettingsvonnis, en dus na de wijziging van dat vonnis. Zij voert eveneens aan dat het argument erop neerkomt dat het aan de verhuurder staat om in rechte te treden teneinde een uitvoerbaar vonnis ten uitvoer te kunnen doen leggen. Wat betreft het vierde middel A.16.
  41. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het « fundamentele beginsel uit de Belgische rechtsorde van toegang tot de rechter » en van artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Dat middel bestaat uit vijf onderdelen. In het eerste onderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat artikel équinquies, § 2, derde lid, van de Brusselse Huisvestingscode de verplichting oplegt dat bij elke gedinginleidende akte met betrekking tot een 15 uitzettingseis een kopie van de in artikel équater van die Code bedoelde voorafgaande ingebrekestelling moet worden gevoegd. Krachtens dat laatste artikel bevat die ingebrekestelling de vermelding dat de brief een minnelijke invordering betreft en een gerechtelijke invordering beoogt te vermijden. De in het voormelde artikel équinquies, § 2, derde lid, van de Brusselse Huisvestingscode bedoelde uitzettingseisen kunnen evenwel worden gegrond op andere redenen dan een invordering, bijvoorbeeld de bevestiging van een wettelijk gegeven opzegging, zonder voorafgaande tekortkoming van de huurder. De verzoekende partij voert aan dat de verhuurder, in een dergelijk geval, de in artikel équater van die Code bedoelde ingebrekestelling niet kan versturen naar de huurder, hetgeen hem verhindert zich te gedragen naar artikel équinquies, § 2, derde lid, van dezelfde Code. Zijn recht op toegang tot een rechter wordt bijgevolg niet in acht genomen. A.16.
  42. In het tweede onderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat, in bepaalde omstandigheden, zoals het geval waarin de tekortkoming door de huurder dermate ernstig is dat zij elke voortzetting van de huurovereenkomst onmogelijk maakt, het voor de huurder niet mogelijk is ze te verhelpen. De verhuurder kan de in het voormelde artikel équater van de Brusselse Huisvestingscode bedoelde ingebrekestelling niet naar hem versturen met de vermelding die bij die bepaling wordt opgelegd. De verzoekende partij voert aan dat de opgelegde termijnen van 30 dagen tussen de ingebrekestelling en de gedinginleidende akte (artikel équater, § 3, van de Brusselse Huisvestingscode) en van 40 dagen vóór de vaststelling (artikel ésexies van dezelfde Code) bovendien onevenredig en ongerechtvaardigd zijn in geval van een ernstige tekortkoming, hetgeen afbreuk doet aan het recht van de betrokken verhuurders op toegang tot een rechter. A.16.
  43. In het derde onderdeel doet de verzoekende partij gelden dat artikel éter van de Brusselse Huisvestingscode eveneens afbreuk doet aan het recht van de betrokken verhuurders op toegang tot een rechter, en, algemener, op hun recht op een eerlijk proces, in zoverre het de rechter verplicht om uitsluitend rekening te houden met de elementen die de huurders of bewoners van het goed ten goede komen, hetgeen de mogelijkheid beperkt voor de verhuurders om hun rechten te doen gelden. Zij voert aan dat het zogenaamde verstoorde evenwicht tussen verhuurders en huurders dat de wetgever heeft willen verhelpen, enerzijds, geen betrekking heeft op de huurders van handelshuurovereenkomsten met betrekking tot een goed dat ook een woning voor de huurder uitmaakt en, anderzijds, niet de oorzaak van de huisvestingscrisis is, die meer voortvloeit uit de onachtzaamheid van de huurders die niet verschijnen op de inleidende zitting. Zij beklemtoont dat de maatregel dat probleem van niet-verschijning niet oplost. A.16.
  44. In het vierde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel équinquies van de Brusselse Huisvestingscode het recht van de verhuurders op toegang tot een rechter schendt in zoverre het hun de verplichting oplegt om, op straffe van nietigheid, het telefoonnummer en, in voorkomend geval, het e-mailadres van de huurder of van de bewoner te vermelden in de gedinginleidende akte met betrekking tot een woninghuurovereenkomst, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in het kader van het derde subonderdeel van het tweede onderdeel van het eerste middel. Zij legt uit dat de OCMW’s sedert 1998 worden geïnformeerd over de procedures tot opzegging van een huurovereenkomst en zij herhaalt dat het gebrek aan follow-up van de huurders door de OCMW’s verband houdt met de prioriteiten van de OCMW’s en met de houding van de huurders, die vaak weigeren om zich door de OCMW’s te laten helpen. A.16.
  45. In het vijfde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat alle proceduretermijnen die bij de bestreden ordonnantie in de Brusselse Huisvestingscode zijn ingevoegd, voor zover zij een doel van algemeen belang nastreven, hetgeen de verzoekende partij betwist, onevenredig zijn en afbreuk doen aan het recht van de betrokken verhuurders op toegang tot een rechter. Zij voegt eraan toe dat de aanbevelingen die de ordonnantiegever beweert te willen uitvoeren, de verplichting opleggen dat een onderscheid wordt gemaakt tussen professionele en niet-professionele verhuurders, hetgeen niet het geval is geweest, aangezien er geen rekening werd gehouden met de situatie van de verhuurder, noch in het bijzonder met de noodzaak voor hem om levensonderhoud uit zijn goed te halen (door het te verhuren of door het zelf te gebruiken). Wat de vaststellingen van het Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties over de mededeling nr. 61/2018 betreft, doet de verzoekende partij gelden dat zij de in België van kracht zijnde gerechtelijke procedure niet in het geding brengen maar zich ertoe beperken aan te klagen dat de Belgische Staat de huurder geen vervangwoning heeft voorgesteld waardoor hij zijn sociale banden kan vrijwaren. A.17.
  46. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat het vierde middel niet gegrond is. Zij brengt in herinnering dat het Hof heeft geoordeeld dat het uitstel van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing gedurende de tijd die strikt noodzakelijk is om een bevredigende oplossing te vinden, in uitzonderlijke omstandigheden kan worden verantwoord. Wat het eerste onderdeel van dat middel betreft, voert zij aan dat 16 artikel équater van de Brusselse Huisvestingscode betrekking heeft op de situatie van een verhuurder die een huur- of lastenschuld invordert en niet op die van een verhuurder die een andere vordering instelt, zoals de vordering tot geldigverklaring van een opzegging, wanneer de huurder weigert het goed te verlaten. De Regering voert aan dat niets een verhuurder die een dergelijke vordering instelt, verhindert om een ingebrekestelling naar zijn huurder te versturen, teneinde de tekortkoming te doen ophouden. Zij brengt eveneens in herinnering dat artikel 5.231 van het nieuw Burgerlijk Wetboek erin voorziet dat aan iedere sanctie wegens niet-nakoming een ingebrekestelling moet voorafgaan in de gevallen bedoeld in de artikelen 5.83 en 5.224, met name in het geval van een uitvoering in natura, zodat een vordering tot uitzetting mogelijk is en de door de verzoekende partij aangevoerde discriminerende behandeling onbestaande is. A.17.
  47. Wat het tweede onderdeel betreft, verwijt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de verzoekende partij dat zij de ernstige tekortkomingen van een huurder die de bij de bestreden ordonnantie opgelegde ingebrekestelling en termijnen onevenredig en onbruikbaar zouden kunnen maken, niet identificeert, en niet vermeldt wat een verhuurder die met die tekortkomingen wordt geconfronteerd, zou verhinderen om een ingebrekestelling te versturen teneinde de huurder de mogelijkheid te bieden om een einde te maken aan de tekortkoming die hem wordt verweten. Zij voert eveneens aan dat de verzoekende partij niet aantoont dat de bestreden ordonnantie de verhuurders zou verhinderen om de acties te ondernemen die zij nuttig zouden achten om voorlopige maatregelen te verkrijgen waardoor zij hun rechten kunnen vrijwaren, in afwachting van een uitzetting indien die verantwoord is. De Regering besluit dat de ordonnantie de aangevoerde discriminerende behandeling dus niet doet ontstaan. A.17.
  48. Wat het derde onderdeel betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de bekritiseerde maatregelen ertoe strekken de procedureregels inzake woninghuurovereenkomsten te verbeteren en aldus te waarborgen dat een uitzetting enkel wordt bevolen wanneer er geen enkele andere oplossing bestaat. Zij brengt in herinnering dat de verhuurders en de huurders zich, wegens hun respectieve hoedanigheden, niet in vergelijkbare situaties bevinden, in het bijzonder in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, en zij doet gelden dat het derde onderdeel op verkeerde uitgangspunten berust, aangezien de ordonnantie de rechter niet verplicht om uitsluitend rekening te houden met de elementen die de huurders of de bewoners ten goede komen, maar, integendeel, om uitspraak te doen door rekening te houden met de situatie van de partijen, zodat de belangen van de verhuurder niet worden vergeten. Het doel bestaat erin uitzettingen te voorkomen door de ondersteuning van de betrokken huurders te verbeteren, hetgeen ook in het belang van de verhuurders is. Bovendien is het vermogen van een huurder om zijn schuld aan te zuiveren niet slechts een fictie, aangezien zijn situatie kan evolueren, na de ingebrekestelling en de termijn voor verschijning, met name ingevolge de door het OCMW verleende hulp. A.17.
  49. Wat het vierde onderdeel betreft, brengt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in herinnering dat de verplichting om, in de gedinginleidende akte, het telefoonnummer en het e-mailadres van de huurder te vermelden, « indien door de verhuurder bekend », het de griffie mogelijk maakt om reeds over die informatie te beschikken wanneer een uitzettingseis wordt ingediend tijdens de procedure. Zij beklemtoont dat de in het geding zijnde informatie hoe dan ook moet worden gecodeerd bij de registratie van de huurovereenkomst. Zij verwijst naar haar antwoord op het derde subonderdeel van het tweede onderdeel van het eerste middel. A.17.
  50. Wat het vijfde onderdeel betreft, doet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gelden dat het recht op de onverwijlde tenuitvoerlegging van een definitieve rechterlijke beslissing niet absoluut is, maar het voorwerp moet uitmaken van een regeling die is uitgewerkt door de overheid, die ter zake een zekere beoordelingsmarge geniet. De bij de bestreden ordonnantie ingevoerde winterstop beperkt zich ertoe de tenuitvoerlegging van de door de rechter bevolen uitzetting tijdelijk uit te stellen. Dat uitstel, dat strikt beperkt is tot een termijn van vier maanden en twee weken, stemt overeen met een « risicovolle » periode van het jaar, en heeft niet tot gevolg dat de tenuitvoerlegging van de beslissing wordt verhinderd, ongeldig wordt verklaard of op buitensporige wijze wordt uitgesteld. Die termijn kan bovendien worden ingekort dankzij het optreden van de OCMW’s of door de rechter, die ertoe is gemachtigd om in vier gevallen af te wijken van de winterstop. Een bewoningsvergoeding is bovendien verschuldigd aan de verhuurder. In dat verband zet de Regering uiteen dat de tenlasteneming van die vergoeding door het Gewestelijk Begrotingsfonds voor Solidariteit, waarvan de vergoedingscapaciteit volkomen effectief is, zeker is zodra de voorwaarden zijn vervuld. In geval van huurschade brengt de bestreden ordonnantie het recht voor de verhuurder om een rechtsvordering in te stellen teneinde herstel te verkrijgen geenszins in het geding. Met de winterstop worden legitieme doelstellingen nagestreefd, namelijk het waarborgen van de effectiviteit van het recht op huisvesting en meer zekerheid voor kwetsbare personen, en het beperken van de situaties van uithuiszetting, hetgeen ook bijdraagt tot het waarborgen van het recht van de betrokken personen op gezondheid, op waardigheid en op leven. De Regering doet eveneens gelden dat rekening moet worden gehouden met de algehele grote hervorming in het kader waarvan de winterstop werd aangenomen, aangezien die het resultaat is van een lange reflectie, op grond van tal van studies naar de Brusselse sociaaleconomische context en huisvesting 17 en tal van interventies en overlegmomenten met talrijke actoren uit die sector. De winterstop strekt ertoe een antwoord te bieden op de volkomen uitzonderlijke situatie die de huisvestingscrisis in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest uitmaakt. De loutere omstandigheid dat de rechter die de uitzetting heeft toegestaan, reeds rekening heeft gehouden met het recht op huisvesting in zijn beslissing, verhindert de wetgever daarenboven niet om in een winterstop te voorzien, rekening houdend met de « risico’s » van de winterperiode en met het in de tijd beperkte karakter ervan, alsook met de beoogde uitzonderingen en waarborgen, met name inzake de tenlasteneming van onbetaalde bewoningsvergoedingen. Die maatregel waarborgt trouwens een gelijkheid tussen de verhuurders onderling en tussen de huurders onderling tijdens die periode, hetgeen bijdraagt tot een betere rechtszekerheid en een betere rechtsbedeling. De andere bepalingen van de bestreden ordonnantie met betrekking tot de termijnen voor het inleiden van de procedure, de proceduretermijnen en het uitstel van tenuitvoerlegging zijn noodzakelijk en pertinent, zonder dat zij tot gevolg hebben dat aan de verhuurders de toegang tot de rechter wordt ontzegd. Met die maatregelen wordt een legitiem doel nagestreefd, namelijk het voorkomen van uitzettingen, in een situatie van een huisvestingscrisis. Ten slotte voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat, aangezien de inmenging in het recht op toegang tot de rechter voldoende verantwoord is, er geen discriminatie kan bestaan tussen de verhuurders ten aanzien van wie het recht op toegang tot de rechter wordt gewaarborgd en diegenen ten aanzien van wie het niet wordt gewaarborgd. In ondergeschikte orde voert zij aan dat het verschil in behandeling dat de in artikel éduodecies van de Brusselse Huisvestingscode bedoelde opschorting zou doen ontstaan, zelfs indien het zou worden aangetoond, op een objectief en pertinent criterium zou berusten, namelijk het al dan niet toepassen van de winterstop tussen 1 november en 15 maart van het jaar dat volgt op het uitzettingsvonnis, en het zou redelijk verantwoord zijn ten aanzien van het legitieme doel van die winterstop, dat hiervoor in herinnering is gebracht. A.18.
  51. De tussenkomende partijen voeren aan dat het vierde middel niet gegrond is. Wat het eerste en het tweede onderdeel betreft, voeren zij aan dat, hoewel artikel équinquies, § 2, derde lid, 2°, van de Brusselse Huisvestingscode, op straffe van nietigheid, de verplichting oplegt dat de inleidende akte van elke uitzettingseis de « kopie [bevat] van de voorafgaande ingebrekestelling alsook van het bewijs dat ze minstens een maand voor de indiening van het verzoekschrift of voor de betekening van de dagvaarding is verstuurd », evenwel niet erin wordt voorzien dat die ingebrekestelling, op straffe van nietigheid, de vermeldingen moet bevatten die zijn bedoeld in artikel équater, dat enkel betrekking heeft op de ingebrekestelling vóór de invordering van een huur- of lastenschuld. Zij voeren aan dat, wanneer de eis betrekking heeft op een uitzetting wegens de ontbinding van de huurovereenkomst buiten elke tekortkoming vanwege de huurder om, het niet minder noodzakelijk is, ten aanzien van het doel dat erin bestaat zoveel mogelijk te vermijden dat een beroep wordt gedaan op de rechter, een voorafgaande ingebrekestelling op te leggen waarbij aan de huurder een termijn van een maand wordt toegekend om het goed te verlaten of om te onderhandelen over een verlenging van zijn bewoning in afwachting van een herhuisvestingsoplossing. Zulks geldt des te meer wanneer de vordering betrekking heeft op een zogenaamd onherstelbare tekortkoming. In dat verband kan de door de verzoekende partij bekritiseerde duur van de termijn voor verschijning worden verkort in spoedeisende gevallen, overeenkomstig artikel 708 van het Gerechtelijk Wetboek. A.18.
  52. Wat het derde onderdeel betreft, zetten de tussenkomende partijen uiteen dat de maatregel ertoe strekt de effectiviteit van het recht op huisvesting te verbeteren, door een algehele oplossing te verschaffen voor die structurele problematiek. De noodzaak van die maatregel vloeit met name voort uit het feit dat de huurder, in meer dan 60 % van de gevallen, niet aanwezig is ter terechtzitting, zelfs indien hij zich blootstelt aan een uitzettingsvonnis, ook al zou zijn huurschuld vaak kunnen worden aangezuiverd binnen redelijke termijnen, in voorkomend geval met de hulp van het OCMW. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij beweert, is die niet-deelname van de huurders aan de gerechtelijke procedure niet te wijten aan een onachtzaamheid van hen, maar aan de omstandigheden, namelijk, enerzijds, het feit dat andere zaken voor hen dringender zijn, namelijk de noodzaak om een nieuwe woning te vinden, en, anderzijds, diverse structurele hinderpalen die tot gevolg hebben dat, in de regel, kwetsbare personen hun rechten niet kennen en niet opeisen. De tussenkomende partijen voeren aan dat de bestreden ordonnantie de deelname van de huurders aan de gerechtelijke procedures kan verbeteren door de tijd te laten die nodig is om te voorzien in hulp, en zij doen gelden dat artikel éter van de Brusselse Huisvestingscode hoogstens de verplichting voor de rechter inhoudt om te waken over een billijk evenwicht, door rekening te houden met de gevolgen van zijn beslissing voor het recht van de huurder op huisvesting. Zij voegen eraan toe dat zulks noodzakelijkerwijs verschillende beoordelingen inhoudt naargelang het goed al dan niet de hoofdverblijfplaats van de huurder is. A.18.
  53. Wat het vierde onderdeel betreft, doen de tussenkomende partijen gelden dat de maatregel, die ertoe strekt de vermelding van de contactgegevens in de gedinginleidende akte op te leggen, pertinent is, aangezien het 18 doel ervan erin bestaat het het OCMW mogelijk te maken de huurder te contacteren. De nietigheidssanctie is bovendien evenredig, aangezien zij ertoe strekt de effectiviteit van die maatregel te waarborgen en aangezien zij niet automatisch is, maar onderworpen is aan het oordeel van de rechter. De tussenkomende partijen voeren eveneens aan dat die verplichting geen risico inhoudt voor de rechtszekerheid, aangezien, indien de verhuurder noch het telefoonnummer, noch het e-mailadres van zijn huurder kent, die laatste moeilijkheden zal hebben om het tegendeel aan te tonen. Dat risico moet overigens worden beoordeeld in een context waar het weinig waarschijnlijk is dat een eigenaar zich bij de ondertekening van de huurovereenkomst niet ervan vergewist dat hij zijn huurder zal kunnen contacteren. Zij voegen eraan toe dat eveneens rekening moet worden gehouden met de nieuwe verplichtingen met betrekking tot de registratie van woninghuurovereenkomsten. Die verplichtingen houden in dat de verhuurder het e-mailadres van de huurder kent, aangezien het een gegeven betreft dat verplicht moet worden gecodeerd bij de registratie van de huurovereenkomst. Ten slotte doen de tussenkomende partijen gelden dat de situatie van twee verweerders die het hoofd bieden aan een uitzettingseis, verschillen naargelang die eis werd ingediend bij conclusie of werd geformuleerd in de gedinginleidende akte. In het eerste geval is de verweerder immers verschenen en kent hij de inzet van de eis. Zij voegen eraan toe dat, indien de verhuurder de oorspronkelijke eiser is in dat geval, het OCMW dat een kopie van de desbetreffende conclusies zal ontvangen, de contactgegevens van de huurder zal kunnen verkrijgen door gewoonweg een beroep te doen op de griffie van het vredegerecht, aangezien die informatie beschikbaar zal zijn in de gedinginleidende akte. A.18.
  54. Wat het vijfde onderdeel betreft, zetten de tussenkomende partijen uiteen dat de bestreden maatregelen geenszins ertoe strekken de toegang tot de rechter te belemmeren, maar uitzettingen zoveel mogelijk te voorkomen, teneinde te streven naar de verwezenlijking van het recht op huisvesting. Zij herhalen dat één van de hoofdpunten van de hervorming erin bestaat het beroep op uitzettingen te beperken door een vroeg optreden van het OCMW en dat het dus raadzaam is om een toereikende termijn toe te kennen teneinde de effectiviteit van zijn optreden te waarborgen. Zij beweren dat de winterstop maar een subsidiaire maatregel uitmaakt, die enkel toepassing zal vinden in de gevallen waarin de uitzetting onvermijdelijk is. De tussenkomende partijen merken op dat de wetgever de winterstop heeft getemperd – de vier uitzonderingen waarin is voorzien – en gepaard heeft doen gaan met een waarborg – een ten laste van de bewoner gelegde bewoningsvergoeding, waarvan de betaling wordt gewaarborgd door het Gewest, via het Gewestelijk Begrotingsfonds voor Solidariteit. De aanpassing van de procedureregels en de termijnen strekt niet ertoe de toegang tot de rechter te belemmeren, maar de begeleidingsvoorzieningen en proactieve doorverwijzing van de huurder in elke fase die kan leiden tot de ontbinding van de huurovereenkomst, te versterken. Aldus dient de ingebrekestelling om de huurder de mogelijkheid te bieden zijn schuld te betalen of de verhuurder te contacteren om een redelijke oplossing voor te stellen en het beroep op gerechtelijke procedures zoveel mogelijk te vermijden. De verlenging van de termijn voor verschijning tot 40 dagen heeft enkel betrekking op de vorderingen tot uithuiszetting en het doel ervan bestaat erin de OCMW’s de mogelijkheid te bieden beide partijen bij het geschil te contacteren en te proberen een aanvaardbare oplossing te vinden. De verlenging van de termijnen strekt ertoe de ontbinding van de huurovereenkomst en de uitzetting te voorkomen door een betere informatieverstrekking aan de huurder en, voorafgaand aan de inleidende zitting, zijn proactieve ondersteuning en begeleiding door het OCMW mogelijk te maken. Die maatregelen zijn pertinent en evenredig ten aanzien van het doel ervan en belemmeren de toegang tot de rechter niet. Wat betreft de gevolgen van de onderbreking van de uitvoeringstermijn in geval van een bewijs van een herhuisvestingsoplossing, verwijzen de tussenkomende partijen naar hetgeen is uiteengezet in antwoord op het eerste onderdeel van het derde middel. A.19.
  55. De verzoekende partij doet, met betrekking tot het eerste onderdeel, gelden dat het argument van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering volgens hetwelk de in het voormelde artikel équater bedoelde ingebrekestelling enkel betrekking zou hebben op de uitzettingseisen, in strijd is met de formulering van het voormelde artikel équinquies en erop neerkomt dat de erin vervatte vereiste wordt uitgehold. Zij voert eveneens aan dat de verwijzing naar de artikelen 5.231, 5.83, 5.224 en 532 van het nieuw Burgerlijk Wetboek niet pertinent is, omdat die bepalingen geen betrekking hebben op de nietigheid van een gedinginleidende akte en geen vereiste van een ingebrekestelling bevatten. A.19.
  56. Wat het tweede onderdeel betreft, antwoordt de verzoekende partij op het argument van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering volgens hetwelk de verhuurders hun rechten zouden kunnen vrijwaren door voorlopige maatregelen, dat, indien de insolvente huurder wordt toegestaan gedurende 30 en vervolgens 40 dagen vóór de inleidende zitting in het gehuurde goed te blijven, geen enkele voorlopige maatregel zal kunnen voorkomen dat hij het gehuurde goed blijft beschadigen. A.19.
  57. Wat het derde onderdeel betreft, antwoordt de verzoekende partij op het argument van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering volgens hetwelk de verhuurders het e-mailadres van de huurder noodzakelijkerwijs 19 zouden moeten kennen, aangezien het gaat om een gegeven dat bij de registratie van de huurovereenkomst is gecodeerd, dat de vermelding van dat adres bij de registratie facultatief is. Wat betreft het vijfde middel A.20.
  58. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Dat middel bestaat uit drie onderdelen. In het eerste onderdeel doet de verzoekende partij gelden dat de in artikel éduodecies van de Brusselse Huisvestingscode bedoelde winterstop die een inmenging in het eigendomsrecht is, niet wordt verantwoord door enig doel van algemeen belang en, in ondergeschikte orde, dat die kennelijk onevenredig is. Zij merkt op dat de toepassing van die winterstop de opschorting van de tenuitvoerlegging van de uitzetting gedurende vier en een halve maand met zich meebrengt, ook al is die uitzetting volkomen verantwoord, aangezien zij het voorwerp heeft uitgemaakt van een analyse van de bevoegde rechtbank in het kader van een procedure op tegenspraak. Zij zet uiteen dat de bewoningsvergoeding die tijdens die periode verschuldigd zal zijn, en in voorkomend geval zal worden betaald door het Gewestelijk Begrotingsfonds voor Solidariteit, niet noodzakelijkerwijs het bedrag van de huur bereikt en niet de schade dekt die tijdens die periode aan het verhuurde goed is toegebracht door de bewoners. Zij voert aan dat de toepassing van de winterstop voor alle uitzettingen, ook wegens een zware fout of wegens de weigering om het goed na een legitieme opzegging te verlaten, onevenredig is. Zij voegt eraan toe dat de te dezen bestreden ordonnantie, in tegenstelling tot de hypothese die in het voormelde arrest nr. 147/2023 in het geding is, geen betrekking heeft op een onvoorziene en urgente situatie en niet in tijdelijke maatregelen voorziet. A.20.
  59. In het tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel éundecies, § 1, 3°, van de Brusselse Huisvestingscode afbreuk doet aan het eigendomsrecht. Allereerst stelt het de rechter in staat om de termijn van één maand waarvóór een uitzetting niet mag plaatsvinden, te verlengen, zonder een beperking in de tijd vast te stellen. Vervolgens voorziet het niet in een toereikende vergoeding van de verhuurder, aangezien de vergoeding kan worden vastgesteld op een waarde die lager is dan de huur en aangezien de verhuurder, in geval van insolventie van de huurder, zich niet tot het Gewestelijk Begrotingsfonds voor Solidariteit kan richten om een schadevergoeding te verkrijgen. De verzoekende partij voert aan dat die inmenging in het eigendomsrecht onevenredig is en zij verwijst naar het voormelde advies van de Raad van State. A.20.
  60. In het derde en laatste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel éundecies, § 3, van de Brusselse Huisvestingscode om dezelfde redenen als die welke in het eerste onderdeel van het derde middel zijn opgeworpen, afbreuk doet aan het eigendomsrecht van de verhuurders. A.21.1.
  61. Wat het vijfde middel betreft, doet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gelden dat het onontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht die grondwetsartikelen zouden zijn geschonden. Zij voert bovendien aan dat de beperking van het eigendomsrecht in beginsel niet aan een vergoeding is onderworpen, onder voorbehoud van het evenredigheidsbeginsel. A.21.1.
  62. Wat het eerste onderdeel betreft, doet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gelden dat de winterstop geen afbreuk doet aan het recht van de verhuurders op het ongestoord genot van hun eigendom. De winterstop is een maatregel die het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang regelt en een legitiem doel nastreeft, namelijk de daadwerkelijke uitoefening van het recht op huisvesting waarborgen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de maatregel evenredig is met dat doel, gezien de ruime beoordelingsmarge die aan de wetgever wordt gelaten inzake huisvesting, die het Hof enkel kan afkeuren in geval van een klaarblijkelijke vergissing of een onredelijke beoordeling. Zij brengt in herinnering dat de winterstop werd aangenomen in de context van een acute huisvestingscrisis waarmee het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt geconfronteerd. Zij geeft aan dat 81 % van de uitzettingen betrekking heeft op woningen die op de private markt worden gehuurd en dat de betrokken gezinnen vrijwel geen enkele geschikte en betaalbare woning in Brussel vinden. Zij verwijst naar een studie volgens welke de hoofdoorzaak voor de uitzettingen niet de onbetaalde huur is, maar de « onbetaalbare » huur. Zij verwijst naar de voormelde arresten van het Hof nrs. 97/2022 en 147/2023 en voert aan dat de lering ervan moet worden toegepast op dit geval waarin een pertinente en tijdelijke maatregel (aangezien de winterstop is beperkt tot de winterperiode) werd genomen in een uitzonderlijke context. 20 Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft de ordonnantiegever ervoor gezorgd dat een billijk evenwicht werd gevonden tussen de belangen van de huurders wier uitzetting wordt opgeschort en die van de verhuurders, aangezien hij erin heeft voorzien dat de bij de uitzettingsbeslissing vastgestelde bewoningsvergoeding verschuldigd blijft aan de verhuurder tijdens de periode van de winterstop. Zij wordt betaald hetzij door de huurder, hetzij via een mechanisme van tenlasteneming door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest via het Gewestelijk Begrotingsfonds voor Solidariteit. De in het geding zijnde beginselen leggen evenwel geen mechanisme van structurele vergoeding op. De Regering zet uiteen dat de bewoningsvergoeding verschuldigd is voor de duur van de winterstop, vanaf de datum waarop de uitzetting is toegestaan tot het vertrek van de huurder. De omstandigheid dat het door de rechter bepaalde bedrag van de bewoningsvergoeding niet noodzakelijk samenvalt met de huur, vloeit niet voort uit artikel éduodecies van de Brusselse Huisvestingscode, maar uit de beoordelingsbevoegdheid van de vrederechters, die uitspraak doen en daarbij de belangen van beide partijen in aanmerking nemen en die met name rekening kunnen houden met de eventuele tekortkomingen van de verhuurder. Zij herhaalt dat de vergoedingscapaciteit van het Fonds effectief is, aangezien reeds in een aanzienlijke begroting werd voorzien en aangezien de financiële prognoses in dat verband geldig werden verklaard door de Inspectie van Financiën en door de minister van Begroting. De kritiek van de verzoekende partij dienaangaande betreft dus, naast het feit dat zij ongegrond is, een budgettaire kwestie die de grondwettigheidstoets van de norm te buiten gaat. De Regering zet eveneens uiteen dat de toepassing van de winterstop onderhevig is aan uitzonderingen en dat het verhogen van het aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld door een uitzondering toe te voegen met betrekking tot de financiële situatie van de verhuurder, de winterstop zijn nuttig effect zou ontnemen. Zij voert aan dat, gelet op die waarborgen, de omstandigheid dat de uitzetting uiterst nauwkeurig werd geanalyseerd door de rechter die ze heeft bevolen, niet tot gevolg heeft dat de maatregel onevenredig wordt. Ten slotte doet zij gelden dat niets bewijst dat de verhuurder niet zal kunnen worden vergoed voor het nadeel dat voortvloeit uit de schade die aan zijn goed is toegebracht. A.21.1.
  63. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert eveneens aan dat, zelfs indien het vijfde middel ontvankelijk zou zijn in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, er moet worden vastgesteld dat de inmenging in het eigendomsrecht redelijk verantwoord en behoorlijk evenredig is, zodat er geen sprake kan zijn van een discriminatie tussen eigenaars-verhuurders ten aanzien van wie dat recht wordt gewaarborgd en die ten aanzien van wie dat recht niet wordt gewaarborgd. Het verschil in behandeling, zelfs indien het zou worden aangetoond, zou berusten op een objectief criterium, namelijk het al dan niet toepassen van de winterstop tussen 1 november en 15 maart van het jaar dat volgt op de uitzettingsbeslissing, en op een pertinent criterium, aangezien die periode de periode is waarin de uitzettingen het meest « risicovol » zijn. Het doel is legitiem, aangezien het de bedoeling is om de daadwerkelijke uitoefening van het recht op huisvesting en meer zekerheid voor kwetsbare personen te waarborgen, alsook de situaties van uithuiszetting te beperken, hetgeen ook bijdraagt tot het waarborgen van het recht op gezondheid, het recht op waardigheid en het recht op leven van de betrokken personen. Ten slotte is de maatregel noodzakelijk, adequaat en evenredig ten aanzien van dat doel. Ten eerste is uit de studies naar de sociaaleconomische context van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gebleken dat het optreden van de ordonnantiegever noodzakelijk was om uitzettingen tijdens de winterperiode te voorkomen. Ten tweede maakt het verbod om tijdens de winter uit te zetten het daadwerkelijk mogelijk te vermijden dat kwetsbare personen op straat terechtkomen tijdens die « risicovolle » periode. Ten derde vormt de winterstop slechts een subsidiaire maatregel – bestemd om enkel van toepassing te zijn indien de bij de bestreden ordonnantie ingevoerde preventiemechanismen hebben gefaald – waarvoor in uitzonderingen en in een mechanisme van vergoeding van de verhuurder wordt voorzien. A.21.
  64. Wat het tweede onderdeel betreft, doet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gelden dat artikel éundecies de inhoud van artikel 1344quater van het Gerechtelijk Wetboek grotendeels overneemt, omdat dat artikel aan de rechter reeds de verantwoordelijkheid had toegewezen om de termijn vast te stellen waarbinnen de uitzetting niet mocht plaatsvinden, onder de voorwaarden die hij bepaalde en rekening houdend met de belangen van beide partijen. Wat de ontstentenis van een vergoeding betreft, doet de Regering gelden dat zij in beginsel niet is vereist in geval van een beperking (en niet van een ontzegging) van het eigendomsrecht. Wat betreft de omstandigheid dat in een maximumbedrag wordt voorzien voor de bewoningsvergoeding, voert zij aan dat het een redelijke beperking is gelet op het « onbetaalbare » karakter van de huurgelden in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Ten slotte zijn de voorwaarden waaronder de termijn van een maand kan worden ingekort, soortgelijk aan die welke bestonden onder de gelding van artikel 1344quater van het Gerechtelijk Wetboek. A.21.
  65. Wat het derde onderdeel betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat het niet bestraffen van de huurder die een bewijs van herhuisvesting zou voorleggen dat niet ernstig is, geen onevenredige aantasting van het eigendomsrecht uitmaakt, aangezien dat bewijs kan worden onderworpen aan het oordeel van de rechter. Zij verwijst naar de argumenten die zij in antwoord op het eerste onderdeel van het derde middel heeft 21 uiteengezet. Wat de ontstentenis van een vergoeding door het Gewestelijk Begrotingsfonds voor Solidariteit betreft, brengt zij in herinnering dat die in beginsel niet is vereist in geval van een beperking (en niet van een ontzegging) van het eigendomsrecht. A.
  66. De tussenkomende partijen voeren aan dat het vijfde middel niet gegrond is. Zij verwijzen naar de argumentatie die zij uiteenzetten in de zaak nr. 8162 en voegen, met betrekking tot het eerste onderdeel, eraan toe dat de winterstop voortvloeit uit een keuze van de ordonnantiegever op een gebied waar het Hof hem een ruime beoordelingsbevoegdheid toekent. Wat het tweede onderdeel betreft, voegen zij eraan toe dat de mogelijkheid die aan de vrederechter wordt gelaten om het bedrag van de bewoningsvergoeding vast te stellen op een niveau dat lager is dan dat van de huur, een noodzakelijke maatregel is die een billijk evenwicht tussen de aanwezige belangen in acht neemt. Ten aanzien van de prejudiciële vragen die in de zaak nr. 8162 zijn gesteld A.
  67. De tussenkomende partijen voeren aan dat de prejudiciële vragen in de zaak nr. 8162 geen antwoord behoeven, aangezien de winterstop die de tenuitvoerlegging van het uitzettingsvonnis in de voor de verwijzende rechter hangende zaak verhindert, werd beëindigd op 16 maart
  68. A.
  69. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat die erop neerkomt dat een door de ordonnantiegever gemaakte keuze wordt voorgelegd aan het oordeel van het Hof, terwijl het Hof niet bevoegd is om de opportuniteit te toetsen van de maatregelen die zijn uitgevaardigd bij de voor het Hof bestreden normen en de ordonnantiegever, inzake huisvesting, over de ruimste bevoegdheid beschikt. Zij leidt daaruit af dat het Hof de in het geding zijnde norm enkel kan afkeuren indien zij op een klaarblijkelijke vergissing berust of indien zij onredelijk is. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering doet gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief en pertinent criterium, namelijk de periode waarin de uitzetting wordt opgeschort, die overeenstemt met een « risicovolle » periode voor uitgezette personen. Zij doet eveneens gelden dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is ten aanzien van het doel van de ordonnantiegever dat erin bestaat de daadwerkelijke uitoefening van het recht op huisvesting te waarborgen. Zij merkt op dat het Hof, in het voormelde arrest nr. 147/2023, de noodzaak van het voorkomen van uitzettingen heeft aanvaard en voert aan dat de maatregel evenredig is. Zij beroept zich met name op de mogelijkheid die aan de verhuurder is gegeven om een beroep te doen op het Gewestelijk Begrotingsfonds voor Solidariteit teneinde te vorderen dat zijn verlies van de bewoningsvergoeding tijdens de periode van de winterstop ten laste wordt genomen. A.
  70. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voeren de tussenkomende partijen in essentie dezelfde argumenten aan als de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Zij voegen eraan toe dat het feit dat het bedrag van de bewoningsvergoeding dat de verhuurder toekomt, in bepaalde gevallen lager zou kunnen zijn dan het bedrag van de huur, niet voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling maar uit de toepassing die de feitenrechter ervan maakt. A.
  71. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat zij geen antwoord behoeft, omdat, aangezien zij betrekking heeft op de onmogelijkheid om een schuldvordering in te dienen bij het Gewestelijk Begrotingsfonds voor Solidariteit in geval van een opschorting met toepassing van artikel éundecies, het in die laatste bepaling is, die niet het voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaakt, dat de oorsprong van het in het geding zijnde verschil in behandeling is gesitueerd, en niet in artikel éduodecies. Zij doet daarenboven gelden dat het antwoord op die vraag klaarblijkelijk niet nuttig is voor de oplossing van het voor de verwijzende rechter hangende geschil. In ondergeschikte orde doet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dezelfde argumenten gelden als die welke zij heeft uiteengezet in antwoord op het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr.
  72. A.
  73. De tussenkomende partijen voeren aan dat de tweede prejudiciële vraag geen antwoord behoeft en dat zij klaarblijkelijk niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil, om dezelfde redenen als die welke door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zijn aangevoerd. Ten gronde doen zij in essentie dezelfde argumenten gelden als die Regering. Zij voegen eraan toe dat het verschil in behandeling ook verantwoord is om budgettaire redenen en dat de mogelijkheid voor de rechter om de uitzettingstermijn te modaliseren door rekening te houden met bijzonder ernstige omstandigheden, bedoeld in artikel éundecies, § 1, 3°, van de Brusselse Huisvestingscode, is overgenomen uit artikel 1344quater van het Gerechtelijk Wetboek, zodat de bestreden 22 ordonnantie, op dat punt, niets toevoegt ten opzichte van de vroegere wetgeving. Zij brengen eveneens in herinnering dat het Hof, bij het voormelde arrest nr. 97/2022, de tijdens de COVID-19-pandemie ingestelde winterstop geldig heeft verklaard, ook al ging hij niet gepaard met enig vergoedingsmechanisme voor de verhuurders. Zij leiden daaruit af dat de mogelijkheid, voor de rechter, om de uitzettingstermijn te modaliseren door rekening te houden met de omstandigheden die eigen zijn aan het voorliggende geval, bedoeld in het voormelde artikel éundecies, § 1, 3°, niet gepaard moet gaan met een overheidsgarantiemechanisme voor de betaling van de bewoningsvergoedingen. Zij doen eveneens gelden dat, met toepassing van de lering van hetzelfde arrest, de in het voormelde artikel éundecies, § 1, 3°, bedoelde termijnverlenging niet onevenredig is, aangezien de verhuurder die meent een buitensporige last te dragen, de zaak aanhangig kan maken bij de gewone rechter, die bevoegd is om, in voorkomend geval, een vergoeding toe te kennen op grond van het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten. A.
  74. Wat de derde prejudiciële vraag betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat zij uit twee subvragen bestaat. De eerste heeft betrekking op de omstandigheid dat de in het geding zijnde bepaling de rechter niet de mogelijkheid zou bieden om rekening te houden met de belangen van beide partijen. De Regering voert aan dat die subvraag geen antwoord behoeft, omdat zij in essentie erop neerkomt dat aan het Hof een vraag wordt gesteld over de mogelijke schending van het recht op toegang tot de rechter. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat dat recht waarborgt, wordt evenwel niet beoogd in de prejudiciële vraag. In ondergeschikte orde voert zij aan dat de in het geding zijnde bepaling de verhuurder niet de toegang tot een rechter ontzegt, aangezien de uitzetting inhoudt dat er een rechterlijke beslissing bestaat waarbij zij werd toegestaan en dat dus een beroep werd gedaan op een rechtscollege waarvoor de verhuurder zijn belangen kan doen gelden. De door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering geïdentificeerde tweede subvraag heeft betrekking op de omstandigheid dat de bewoningsvergoeding, krachtens de in het geding zijnde bepaling, niet noodzakelijkerwijs overeenstemt met het bedrag van de huur. De Regering voert aan dat dat die subvraag klaarblijkelijk niet nuttig is voor de oplossing van het geschil, aangezien de rechter zijn rechtsmacht reeds heeft uitgeput met betrekking tot de toekenning van een bewoningsvergoeding en de vaststelling van het bedrag ervan, dat hij bovendien op een hogere som dan de huur heeft becijferd. Zij doet eveneens gelden dat die subvraag op een verkeerde lezing van het toepasselijke kader berust, aangezien de omstandigheid dat het bedrag van de bewoningsvergoeding mogelijk niet gelijk is aan het bedrag van de huur, niet voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling, maar uit de beoordelingsbevoegdheid van de vrederechters, waarbij de ordonnantiegever heeft geoordeeld dat hij zich niet erin vermocht te mengen. Zij leidt daaruit af dat die subvraag geen antwoord behoeft. In ondergeschikte orde, ten gronde, doet zij in essentie dezelfde argumentatie gelden als die welke in antwoord op het eerste onderdeel van het vijfde middel in de zaak nr. 8194 is uiteengezet. A.
  75. De tussenkomende partijen voeren aan dat de derde prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zij doen gelden dat de in het geding zijnde bepaling ertoe strekt het recht op huisvesting en op waardigheid te verwezenlijken en, specifieker, te voldoen aan de in het internationaal recht bedoelde verplichting om de tenuitvoerlegging van uitzettingen tijdens de winter te verbieden. Zij zetten uiteen dat de legitimiteit van een dergelijk doel niet kan worden beperkt tot uitzonderlijke situaties zoals de COVID-19-pandemie. Zij voeren aan dat de noodzaak van de maatregel wordt verantwoord door de omstandigheid dat tal van huurders noch aanwezig, noch vertegenwoordigd zijn op de inleidende zitting wanneer een uitzettingsprocedure tegen hen wordt ingeleid. Zij voeren aan dat de winterstop moet worden opgevat in het kader van de algehele hervorming die door de ordonnantiegever is doorgevoerd, die voorziet in een reeks maatregelen teneinde uitzettingen te voorkomen. Zij voeren bovendien aan dat die winterstop gepaard gaat met verschillende temperingen, waarvan sommige werden toegevoegd na het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, en met een systeem dat de betaling van de bewoningsvergoeding waarborgt. Zij besluiten daaruit dat de in het geding zijnde bepaling geen afbreuk doet aan het eigendomsrecht. Ten aanzien van de prejudiciële vragen die in de zaak nr. 8193 zijn gesteld A.
  76. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de prejudiciële vragen die in de zaak nr. 8193 zijn gesteld, geen antwoord behoeven in zoverre zij betrekking hebben op de schending van de artikelen 5.69 en 5.73 van het Burgerlijk Wetboek, aangezien die bepalingen van wetgevende aard zijn en dus geen deel uitmaken van de normen waarvan het Hof de inachtneming toetst. 23 A.
  77. In ondergeschikte orde voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de eerste vraag, die betrekking heeft op het recht van de verhuurders op het ongestoord genot van hun eigendom en op niet- discriminatie, erop neerkomt dat aan het Hof een door de ordonnantiegever gemaakte keuze wordt voorgelegd en zij werpt in dat verband dezelfde argumenten op als die welke zij heeft aangevoerd in antwoord op de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr.
  78. Wat de eventuele aantasting van het recht op het ongestoord genot van de eigendom betreft, voert zij dezelfde argumentatie aan als die welke is aangevoerd in antwoord op de tweede subvraag die volgens haar is vervat in de derde prejudiciële vraag in de zaak nr.
  79. Wat de eventuele discriminatie betreft, beroept zij zich op dezelfde argumentatie als die welke zij heeft aangevoerd in antwoord op de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr.
  80. Wat de tweede vraag betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat zij evenmin een antwoord behoeft, in zoverre zij erop neerkomt dat aan het Hof wordt gevraagd of de in het geding zijnde bepaling in overeenstemming is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat niet wordt beoogd in de prejudiciële vraag. In ondergeschikte orde doet zij gelden dat het recht op de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen niet absoluut is en dat het Hof heeft geoordeeld dat uitzonderlijke omstandigheden het uitstel van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing kunnen verantwoorden tijdens de tijd die strikt noodzakelijk is om een bevredigende oplossing te vinden voor de problemen van openbare orde. Zij werpt dezelfde argumenten op als die welke zij heeft geformuleerd in antwoord op het vijfde onderdeel van het vierde middel in de zaak nr.
  81. Zij voegt eraan toe dat de winterstop de tenuitvoerlegging van de uitzettingsbeslissing alleen maar uitstelt en dat, tijdens de duur van dat uitstel, een bewoningsvergoeding wordt betaald aan de verhuurder. Zij brengt eveneens in herinnering dat die winterstop past in een grote hervorming en dat die stop slechts een subsidiaire maatregel daarvan is. -B- Ten aanzien van het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 8194 Wat de bestreden bepalingen en de context ervan betreft B.
  82. Het beroep tot vernietiging betreft de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 22 juni 2023 « tot invoeging in de Brusselse Huisvestingscode van de procedureregels voor gerechtelijke uitzettingen en tot wijziging van de middelen gebruikt door en ten voordele van het Begrotingsfonds voor Solidariteit » (hierna : de ordonnantie van 22 juni 2023), die tot doel heeft uithuiszettingen te voorkomen door middel van verschillende maatregelen waarbij de procedure wordt aangepast en die kunnen leiden tot de ontbinding van een woninghuurovereenkomst en de uitzetting van de huurder, en door de tenuitvoerlegging van een beslissing waarbij uitzetting wordt toegelaten uit te stellen. B.2.
  83. Artikel 4 van de ordonnantie van 22 juni 2023 voegt, in titel XI, hoofdstuk II, van de Brusselse Huisvestingscode, aangenomen bij ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 juli 2003 (hierna : de Brusselse Huisvestingscode), een afdeling 10 in, luidende « Procedure inzake woninghuurovereenkomst en inzake uitzetting », die krachtens 24 artikel ébis ervan van toepassing is « op woninghuurovereenkomsten en handelshuurovereenkomsten in zoverre die betrekking hebben op een goed dat ook tot woning strekt voor de huurder » en afwijkt van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan de artikelen 1344bis tot 1344septies worden opgeheven (artikel 5 van de ordonnantie van 22 juni 2023). De « woninghuurovereenkomst » wordt gedefinieerd in artikel 2, § 1, 30°, van de Brusselse Huisvestingscode als « een huurovereenkomst betreffende een woning met uitsluiting van toeristische logies in de zin van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 8 mei 2014 ». Die nieuwe afdeling 10 van de Brusselse Huisvestingscode bevat elf artikelen, genummerd van ébis tot éduodecies. B.2.
  84. Artikel éter van de Brusselse Huisvestingscode bepaalt : « De rechter spreekt zich uit over elke aanvraag die een woninghuurovereenkomst betreft of een [handelshuurovereenkomst] [...], rekening houdend met de gevolgen van zijn beslissing voor het recht op huisvesting van de huurder. De ontbinding van het contract wordt slechts uitgesproken als de schuldvordering niet kan worden aangezuiverd binnen een redelijke termijn, gelet op de situatie van de partijen, of wanneer vastgesteld wordt dat de ontbinding van het contract een evenredige beslissing vormt gelet op de tekortkomingen die aan de eis ten grondslag liggen ». B.2.
  85. Artikel équater, §§ 1 en 3, van de Brusselse Huisvestingscode voorziet met name erin dat « elke invordering van een huur‒ of lastenschuld moet beginnen met een schriftelijke ingebrekestelling » gericht aan de huurder en dat niet mag worden overgegaan tot andere invorderingstechnieken tot de termijn waarvan de duur van minstens een maand in de ingebrekestelling moet worden vermeld, is verstreken. Artikel équater, § 2, 4°, van dezelfde Code voorziet eveneens erin dat « als de invordering uitgevoerd wordt door een advocaat, een openbaar ministerieel ambtenaar of een gerechtsmandataris, [...] de volgende tekst in een apart lid [moet] vermeld worden, vetgedrukt en in een ander lettertype : ‘ Deze brief betreft een minnelijke invordering en beoogt een gerechtelijke invordering te vermijden (daging voor de rechtbank of beslag) ’ ». B.2.
  86. Artikel équinquies, §§ 1 en 2, van de Brusselse Huisvestingscode bepaalt : 25 « §
  87. De inleidende eisen en de eisen voor een gedwongen tussenkomst inzake woninghuurovereenkomsten, met inbegrip van eisen die een uitzetting nastreven, komen tot stand via een schriftelijk verzoekschrift aan de griffie van de rechter. Een eis ingediend via dagvaarding is ontvankelijk, maar de dagvaardingskosten blijven ten laste van de aanvrager, zelfs als hij de zaak wint, behalve als het gebruik van deze wijze van rechtsingang opgelegd wordt door de wetgever, of verantwoord wordt door het feit dat de verweerder niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters. §
  88. Op straffe van nietigheid moet de gedinginleidende akte het volgende omvatten : [...] 3° de naam, voornamen, het domicilie, en indien door de verhuurder bekend, het telefoonnummer en in voorkomend geval het e-mailadres van de persoon tegen wie de eis wordt ingediend; [...] ». B.2.
  89. Artikel ésexies van de Brusselse Huisvestingscode bepaalt : « §
  90. Als de aanvraag via een verzoekschrift wordt ingediend, worden de partijen opgeroepen door de griffier, via een gerechtsbrief, om binnen vijftien dagen na de inschrijving van het verzoekschrift op de algemene rol t

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.