id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.143 Arrest- Rolnummer: 143/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-11-17 Raadplegingen: 576 - laatst gezien 2026-06-18 14:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikel 6, § 10, van de wet van 24 januari 1977 « betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten », zoals ingevoegd bij artikel 3, 5°, van de wet van 21 maart 2024) - Handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepaling tot 31 december 2026 - Verwerping van de beroepen voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 21 maart 2024 « tot wijziging van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten », ingesteld door de vzw « Buurtsuper.be » en de bv « Super De Meyer », door Luc Lamine, door de bv « Philip Morris Benelux » en door de vennootschap naar Nederlands recht « JT International Company Netherlands ». Volksgezondheid - Bescherming van de gezondheid van de verbruikers - Tijdelijk verbod voor de fabrikant tot het verkopen van tabaksproducten - Verbod op het uitstallen van tabaksproducten in en aan verkooppunten - Verbod op de verkoop van tabaksproducten in voedingswinkels van meer dan 400 m2 - Begrip « voedingswinkel » - Verbod op de verkoop van tabaksproducten in tijdelijke verkooppunten - Identiteitsbewijs voor wie tabaksproducten wil kopen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 143/2025 van 6 november 2025 Rolnummers : 8330, 8335, 8336 en 8338 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 21 maart 2024 « tot wijziging van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten », ingesteld door de vzw « Buurtsuper.be » en de bv « Super De Meyer », door Luc Lamine, door de bv « Philip Morris Benelux » en door de vennootschap naar Nederlands recht « JT International Company Netherlands ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij vier verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 27 en 30 september en 1 en 2 oktober 2024 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 30 september, 2 en 3 oktober 2024, zijn beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 21 maart 2024 « tot wijziging van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 april 2024) ingesteld respectievelijk door de vzw « Buurtsuper.be » en de bv « Super De Meyer », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Stefaan Verbouwe en mr. Rutger Robijns, advocaten bij de balie te Brussel, door Luc Lamine, door de bv « Philip Morris Benelux », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Frank Judo, mr. Cedric Jenart, mr. Laure Proost en mr. Louise Janssens, advocaten bij de balie te Brussel, en door de vennootschap naar Nederlands recht « JT International Company Netherlands », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nathalie De Weerdt, mr. Peter Wytinck en mr. Lieselotte Schellekens, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8330, 8335, 8336 en 8338 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. 2 De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean-François De Bock en mr. Joy Moens, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8330, 8336 en 8338 hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 2 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de zaak nr. 8330 A.1.
(4)een verstrenging van de sancties voor inbreuken op het reclame- en promotieverbod, waaronder een tijdelijk verbod voor de fabrikant op het verkopen van tabaksproducten. 11 B.2.1. Volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 maart 2024 geven die nieuwe maatregelen uitvoering aan de « Interfederale strategie 2022-2028 voor een rookvrije generatie » van 14 december 2022 (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3764/001, p. 4). Die Interfederale strategie beoogt het aantal dagelijkse gebruikers van tabaksproducten bij de bevolking van 15 jaar en ouder terug te dringen tot 10 % tegen 2028 en 5 % tegen 2040, het aantal personen die beginnen met tabaksproducten terug te dringen tot 0 % of bijna 0 % tegen 2040 en te streven naar een dagelijkse consumptie van tabaksproducten van 6 % in de leeftijdsgroep van 15-24 jaar tegen 2028 (Interfederale strategie, p. 7). B.2.2. Volgens de parlementaire voorbereiding zijn de nieuwe maatregelen « er onder meer op gericht tabaksproducten minder beschikbaar en minder aantrekkelijk te maken, zodat het gebruik ervan afneemt en het risico van beginnende rokers afneemt » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3764/001, p. 27). B.2.3. Ten slotte benadrukte de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 maart 2024 dat « er werd gekozen voor een stapsgewijze benadering » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3764/003, p. 31) en dat het « de intentie [is] om in de toekomst nog verdere stappen te zetten om de verkoop te beperken » (ibid., p. 4). B.3. De wet van 21 maart 2024 voorziet in een gefaseerde inwerkingtreding. De verplichting voor een verkoper van tabaksproducten om het identiteitsbewijs te vragen aan al wie tabaksproducten wil kopen en jonger lijkt dan 25 jaar, is in werking getreden op 12 april 2024. Het verbod op de verkoop van tabaksproducten in tijdelijke verkooppunten is in werking getreden op 1 januari 2025 (artikel 9, § 2). Het verbod op de verkoop van tabaksproducten in voedingswinkels van meer dan 400 m² en het verbod op het uitstallen van tabaksproducten in en aan verkooppunten is in werking getreden op 1 april 2025 (artikel 9, § 3). Ten slotte treedt de bij artikel 8 ingevoerde bijkomende sanctie voor inbreuken op het reclame- en promotieverbod in werking op 31 december 2025 (artikel 9, § 4). B.4. Artikel 2 van de wet van 18 mei 2024 « houdende diverse bepalingen inzake gezondheid en financiën » (hierna : de wet van 18 mei 2024) heeft het verbod op de verkoop van tabaksproducten in voedingswinkels van meer dan 400 m2 in artikel 6, § 10, van de wet van 12 24 januari 1977 aangevuld met de woorden « met uitzondering van de verkoop aan professionelen die werkzaam zijn in de tabakshandel. De producten mogen niet beschikbaar zijn voor particuliere consumenten ». Aangezien artikel 2 van de wet van 18 mei 2024 niet het voorwerp uitmaakt van de voorliggende beroepen tot vernietiging, houdt het Hof bij zijn onderzoek geen rekening met dat artikel. Ten gronde Wat betreft de strafrechtelijke sanctie inzake het tijdelijk verbod voor de fabrikant om tabaksproducten te verkopen B.5. Het eerste middel in de zaak nr. 8336 en het eerste tot en met het zesde middel in de zaak nr. 8338 zijn afgeleid uit de schending, door artikel 8 van de wet van 21 maart 2024, van de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, 14 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, met de vrijheid van ondernemen, gewaarborgd bij artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, met het beginsel van het persoonlijk karakter van de straf, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), met artikel 34 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU) en met artikel 7 van de richtlijn 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 « betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten » (hierna : de richtlijn 2003/33/EG). B.6. Artikel 15/2 van de wet van 24 januari 1977, zoals ingevoegd door artikel 8 van de wet van 21 maart 2024, kent de rechter de mogelijkheid toe om, in geval van niet-naleving van de bepalingen van artikel 7, § 2bis, van de wet van 24 januari 1977, de fabrikant te verbieden tabaksproducten te verkopen waarvoor verboden reclame is gemaakt, voor een periode van ten minste één jaar en ten hoogste vijf jaar. Artikel 7, § 2bis, heeft betrekking op het verbod op het voeren van reclame voor en het sponsoren door tabaksproducten. 13 De in artikel 15/2 bepaalde straf is een bijkomende straf die kan worden opgelegd boven op de straffen waarin artikel 15, § 3, van de wet van 24 januari 1977 voorziet. Krachtens die laatste bepaling, zoals vervangen door, het door de verzoekende partijen niet bestreden, artikel 7 van de wet van 21 maart 2024, worden de fabrikant, de invoerder, de uitgever en de drukker die artikel 7, §§ 2bis en 3, van de wet van 24 januari 1977 overtreden, bestraft met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 10 000 tot 100 000 euro of met een van die straffen alleen. Elke andere persoon die artikel 7, §§ 2bis en 3, van de wet van 24 januari 1977 overtreedt, wordt bestraft met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 250 tot 100 000 euro of met een van die straffen alleen. B.7. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.8.1. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.8.2. Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een 14 onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in artikel 16 van de Grondwet, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepaling, ermee rekening houdt. B.8.3. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea). B.8.4. Het strafrechtelijk verbod op de verkoop van tabaksproducten impliceert een beperking van het eigendomsrecht van producenten van de betrokken tabaksproducten. Die maatregel vormt evenwel geen onteigening in de zin van artikel 16 van de Grondwet. B.8.5. Elke inmenging in het eigendomsrecht moet een billijk evenwicht vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. B.9.1. De vrijheid van ondernemen, bedoeld in artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, moet worden uitgeoefend « met inachtneming van de in België van kracht zijnde internationale verdragen, van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid zoals vastgesteld door of krachtens de internationale verdragen en de wet » (artikel II.4 van hetzelfde Wetboek). De vrijheid van ondernemen dient derhalve in samenhang te worden gelezen met de toepasselijke bepalingen van het Unierecht, meer bepaald artikel 16 van het Handvest, dat wordt aangehaald in het middel. Het Hof is derhalve bevoegd om de bestreden bepalingen te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen. B.9.2. De vrijheid van ondernemen kan niet als een absolute vrijheid worden opgevat. Zij belet niet dat de bevoegde wetgever de economische bedrijvigheid van personen en ondernemingen regelt. Deze zou pas onredelijk optreden indien hij de vrijheid van ondernemen zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel. 15 B.10.1. Artikel 12 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter dat uiterlijk binnen achtenveertig uren te rekenen van de vrijheidsberoving moet worden betekend en enkel tot voorlopige inhechtenisneming kan strekken ». Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». B.10.2. Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». B.10.3. Artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren ». B.10.4. Artikel 49, lid 1, van het Handvest bepaalt : « Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen of nalaten. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien de wet na het begaan van het strafbare feit in een lichtere straf voorziet, is die van toepassing ». 16 B.10.5. In zoverre zij vereisen dat in elk misdrijf bij wet moet worden voorzien, hebben artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 49, lid 1, van het Handvest een draagwijdte die analoog is aan artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. De door die bepalingen verstrekte waarborgen vormen in die mate dan ook een onlosmakelijk geheel. B.10.6. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepaling en internationale bepalingen voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsvrijheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet, is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten voor welke handelingen en welke verzuimen hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. 17 Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden. B.11.1. Krachtens artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 14, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 48, lid 1, van het Handvest wordt eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet wordt bewezen. Wettelijke vermoedens zijn in beginsel niet in strijd met het vermoeden van onschuld (in die zin EHRM, 7 oktober 1988, Salabiaku t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1988:1007JUD001051983, § 28; 20 maart 2001, Telfner t. Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2001:0320JUD003350196, § 16). Zij moeten evenwel een redelijk verband van evenredigheid vertonen met het wettig nagestreefde doel (EHRM, 23 juli 2002, Janosevic t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:2002:0723JUD003461997, § 101; 23 juli 2002, Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:2002:0723JUD003698597, § 113; beslissing, 19 oktober 2004, Falk t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2004:1019DEC006627301), waarbij rekening moet worden gehouden met de ernst van de zaak en waarbij het recht van verdediging moet worden gevrijwaard (EHRM, 30 maart 2004, Radio France e.a. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2004:0330JUD005398400, § 24; 4 oktober 2007, Anghel t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1004JUD002818303, § 60; 30 juni 2011, Klouvi t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0630JUD003075403, § 41). B.11.2. Het fundamentele beginsel van het persoonlijke karakter van de straffen vereist dat een straf slechts kan worden opgelegd aan degene die het misdrijf heeft gepleegd of eraan heeft deelgenomen (EHRM, 29 augustus 1997, A.P., M.P. en T.P. t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:1997:0829JUD001995892, § 48). Dat beginsel wordt geschonden indien een strafsanctie wordt opgelegd aan een derde die niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het misdrijf. 18 B.11.3. Het rechtszekerheidsbeginsel verbiedt de wetgever om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. B.12. Artikel 34 van het VWEU houdt als uitdrukking van het fundamenteel beginsel van het vrije verkeer van goederen een verbod op kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten in (HvJ, grote kamer, 5 juni 2007, C-170/04, Rosengren e.a., ECLI:EU:C:2007:393, punt 31). Het verbiedt iedere nationale maatregel die de handel binnen de Europese Unie al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren (HvJ, 11 september 2008, C-141/07, Commissie t. Duitsland, ECLI:EU:C:2008:492, punt 28; 8 oktober 2020, C-602/19, kohlpharma GmbH, ECLI:EU:C:2020:804, punt 38). Wettelijke bepalingen waarbij als strafrechtelijke sanctie een verbod wordt opgelegd op de verkoop van tabaksproducten, zijn van dien aard dat het intracommunautair handelsverkeer in dergelijke producten, minstens onrechtstreeks, wordt belemmerd, en dienen bijgevolg te worden beschouwd als een bij artikel 34 van het VWEU in beginsel verboden maatregel die een gelijke werking heeft als een kwantitatieve invoerbeperking (HvJ, 10 april 2008, C-265/06, Commissie t. Portugal, ECLI:EU:C:2008:210, punten 32-36; grote kamer, 10 februari 2009, C- 110/05, Commissie t. Italië, ECLI:EU:C:2009:66, punten 56-58; 4 juni 2009, C-142/05, Mickelsson en Roos, ECLI:EU:C:2009:336, punten 16-17). Nationale maatregelen die de voormelde vrijheid kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk maken, zijn slechts toelaatbaar indien ze een doel van algemeen belang zoals de bescherming van de gezondheid en het leven van personen (cf. artikel 36 van het VWEU) of van de consument nastreven, geschikt zijn om de verwezenlijking daarvan te waarborgen en niet verder gaan dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken (HvJ, 12 september 2013, C-475/11, Kostas Konstantinides, ECLI:EU:C:2013:542, punten 50-51; 8 oktober 2020, C-602/19, kohlpharma GmbH, voormeld, punten 40-41). B.13. De artikelen 3 en 7 van de richtlijn 2003/33/EG bepalen : « Artikel 3 19 Reclame in gedrukte media en in diensten van de informatiemaatschappij 1. Reclame in de pers en andere gedrukte publicaties is alleen toegestaan voor publicaties die uitsluitend bestemd zijn voor personen die werkzaam zijn in de tabakshandel en voor publicaties die worden gedrukt en uitgegeven in derde landen, mits deze publicaties niet hoofdzakelijk voor de communautaire markt bestemd zijn. Andere reclame in de pers en andere gedrukte publicaties is verboden. 2. Reclame die niet is toegestaan in de pers en in andere gedrukte publicaties is niet toegestaan in diensten van de informatiemaatschappij. [...] Artikel 7 Sancties en handhaving De lidstaten stellen het stelsel van sancties, van toepassing op schendingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, vast en treffen alle nodige maatregelen om de tenuitvoerlegging van die sancties te waarborgen. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in artikel 10 genoemde datum in kennis van de desbetreffende bepalingen en delen haar alle latere wijzigingen ervan zo spoedig mogelijk mede. [...] ». B.14. De verzoekende partijen bekritiseren ten eerste het feit dat een tabaksfabrikant strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor overtredingen van het reclameverbod die niet door hem, maar door derden zijn begaan. B.15. De memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat tot de wet van 21 maart 2024 heeft geleid, vermeldt : « Inbreuken op het tabaksreclameverbod zijn momenteel strafbaar met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met geldboete van 250 (of 10.000 voor de fabrikant, de invoerder, de uitgever en de drukker) tot 100.000 euro. Hoewel deze bedragen vermeerderd moeten worden met de opdeciemen, momenteel x 8, is een bedrag van 100.000 x 8 (maximaal) te laag voor een tabaksfabrikant. Ondanks eerder opgelegde en betaalde geldboetes blijven zij het tabaksreclameverbod met de voeten treden. De sancties zijn dus niet doeltreffend, noch afschrikkend, zoals de TPD-richtlijn 2014/40/EU nochtans vereist. Daarnaast worden straffen regelmatig met uitstel opgelegd. 20 Naar aanleiding van fiche 15.3 van de interfederale strategie voor een rookvrije samenleving werd er ten slotte een bijkomende sanctie mogelijk gemaakt in het geval de fabrikant van tabaksproducten zelf het reclameverbod heeft overtreden. In dat geval kan er door de rechtbank aan fabrikanten een tijdelijk verkoopverbod worden opgelegd voor tabaksproducten waarvoor verboden reclame werd gemaakt » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3764/001, p. 7). B.16. Zoals ook de Ministerraad in zijn memories voor het Hof opmerkt, volgt uit de hiervoor vermelde memorie van toelichting dat het tijdelijk verbod voor de fabrikant om tabaksproducten te verkopen enkel kan worden opgelegd wanneer deze zelf het in artikel 7, § 2bis, van de wet van 24 januari 1977 opgenomen reclameverbod heeft overtreden. B.17. Aangezien de grief van de verzoekende partijen op een verkeerd uitgangspunt berust, is zij niet gegrond. B.18. Ten tweede is het volgens de verzoekende partijen onduidelijk voor welke tabaksproducten en ten aanzien van welke verkooppunten een verkoopverbod kan worden opgelegd. B.19. Uit zowel de tekst van de bestreden bepaling als uit de in B.15 vermelde memorie van toelichting blijkt dat het verbod geldt voor de tabaksproducten waarvoor verboden reclame wordt gemaakt. Wanneer verboden reclame werd gemaakt voor een merk, dan volgt uit het in artikel 7, § 2bis, 3°, van de wet van 24 januari 1977 opgenomen verbod op reclame voor tabaksmerken dat het verbod van toepassing is op het merk. Daarnaast kan, bij gebrek aan andersluidende bewoordingen, uit de bestreden bepaling worden afgeleid dat het verbod van toepassing is op alle verkooppunten. B.20. De grief van de verzoekende partijen is niet gegrond. B.21. Ten slotte bekritiseren de verzoekende partijen de evenredigheid van de bestreden straf. B.22. Het beginsel van de evenredigheid van de strafrechtelijke sancties impliceert dat de door de rechter uitgesproken sanctie in een redelijke verhouding moet staan tot het misdrijf dat 21 ermee wordt bestraft, rekening houdend met de elementen van de zaak. Dat beginsel wordt eveneens gewaarborgd in artikel 49, derde lid, van het Handvest. B.23. Uit de in B.15 vermelde memorie van toelichting blijkt dat de invoering van de bijkomende straf van het verbod voor tabaksfabrikanten op de verkoop van tabaksproducten mede is ingegeven door de vaststelling dat er zich, ondanks de bestaande straffen, overtredingen van het tabaksreclameverbod door tabaksfabrikanten blijven voordoen. B.24. De beoordeling van de ernst van een misdrijf en van de strengheid waarmee het misdrijf kan worden bestraft, behoort tot de beoordelingsvrijheid van de bevoegde wetgever. Hij kan bijzonder zware straffen opleggen in aangelegenheden waar de misdrijven ernstig afbreuk kunnen doen aan de grondrechten van de individuen en aan de belangen van de gemeenschap, in het bijzonder in aangelegenheden die, zoals die inzake het gebruik van tabaksproducten, betrekking hebben op gedragingen die grote gevaren inhouden voor de volksgezondheid. Derhalve komt het de bevoegde wetgever toe de grenzen en de bedragen vast te leggen waarbinnen de beoordelingsvrijheid van de rechter moet worden uitgeoefend. Het Hof zou een dergelijk systeem slechts kunnen afkeuren indien het onredelijk zou zijn. Het Hof zou zich op het aan de wetgever voorbehouden domein begeven indien het bij de vraag naar de verantwoording van de verschillen in de talrijke wetteksten houdende sancties telkens een afweging zou maken op grond van een waardeoordeel over de laakbaarheid van de betrokken feiten ten opzichte van andere strafbaar gestelde feiten. Wat de strafmaat betreft, moet de beoordeling van het Hof beperkt blijven tot die gevallen waar de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend is dat ze ertoe leidt vergelijkbare misdrijven onredelijk te behandelen. B.25. De wetgever vermag eveneens in strengere straffen te voorzien wanneer hij vaststelt dat de bestaande straffen niet volstaan om een gedragsverandering te bewerkstelligen. Een straf die een gedragswijziging beoogt teweeg te brengen, kan slechts nut hebben indien zij voldoende afschrikwekkend is. 22 B.26. Het verbod op de verkoop van tabaksproducten vertoont een causaal verband met de gepleegde inbreuk en kan in die zin bijdragen aan de bewustwording door de pleger van de inbreuk van wat het specifieke gedrag waarvoor hij gestraft werd, heeft kunnen teweegbrengen. De bestreden straf vertoont in dat opzicht een gelijkenis met het in artikel 7bis van het Strafwetboek bepaalde verbod dat de rechter aan een rechtspersoon kan opleggen om een werkzaamheid die deel uitmaakt van diens maatschappelijk doel te verrichten. Doordat die straf het risico op toekomstige inbreuken op het reclameverbod kan verminderen, bevordert zij de bescherming van de volksgezondheid, dat met het reclameverbod wordt nagestreefd. B.27. De bestreden straf is facultatief. De rechter kan het verbod op de verkoop van tabaksproducten opleggen, zonder dat hij daartoe verplicht is. De rechter die boven op de gevangenisstraf en/of de geldboete, het verbod op de verkoop van tabaksproducten wenst op te leggen, moet zijn keuze derhalve motiveren. De minimum- en de maximumduur waarin de bestreden bepaling voorziet, namelijk ten minste één jaar en ten hoogste vijf jaar, zijn niet onevenredig en bieden de rechter de mogelijkheid om de straf aan te passen aan de omstandigheden van de zaak. Het is de taak van de rechter om op grond van de ernst van de feiten te beoordelen of zij aanleiding geven tot een verbod op de verkoop van tabaksproducten, en om de duur van dat verbod te bepalen, een verplichting die ook voortvloeit uit het evenredigheidsbeginsel dat in elk geval van toepassing is. Daarbij moet ook in rekening worden gebracht dat tabaksfabrikanten in de regel een afdoende kennis hebben of moeten hebben van de tabaksreclamewetgeving, en derhalve moeten worden verondersteld met voldoende nauwkeurigheid de ernst van het misdrijf dat zij plegen en de daarmee samenhangende zwaarte van de sanctie waaraan zij zich blootstellen, te kunnen beoordelen. Voorts geldt het verbod, zoals ook is vermeld in B.19, enkel voor de tabaksproducten waarvoor verboden reclame is gemaakt. Ten slotte raakt de bestreden bepaling niet aan de bepalingen van de wet van 29 juni 1964 « betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie » (hierna : de wet van 29 juni 1964). B.28. Gelet op het voorgaande, voert de bestreden bepaling geen onevenredige straf in. 23 B.29. Het eerste middel in de zaak nr. 8336 en het eerste tot en met het zesde middel in de zaak nr. 8338 zijn niet gegrond. Wat betreft het verbod op het uitstallen van tabaksproducten in en aan verkooppunten B.30. Het vijfde middel in de zaak nr. 8336 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 4 en 7 van de wet van 21 maart 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van informatie, gewaarborgd bij artikel 11 van het Handvest, en met artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht. De verzoekende partij bekritiseert het strafrechtelijk beteugelde verbod om tabaksproducten uit te stallen aan en in verkooppunten. B.31.1. Artikel 11, lid 1, van het Handvest bepaalt : « Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te hebben en de vrijheid om kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen ». De vrijheid van meningsuiting wordt op een analoge wijze gewaarborgd in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.31.2. Informatie met een commerciële inhoud wordt beschermd door de vrijheid van meningsuiting (EHRM, 20 november 1989, markt intern Verlag GmbH en Klaus Beermann t. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:1989:1120JUD001057283, § 26; 30 januari 2018, Sekmadienis Ltd. t. Litouwen, ECLI:CE:ECHR:2018:0130JUD006931714, § 73). B.31.3. De vrijheid van meningsuiting kan, krachtens artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, onder bepaalde voorwaarden worden onderworpen aan formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, met het oog op, onder meer, de bescherming van de volksgezondheid, de goede naam of de rechten van anderen. De uitzonderingen waarmee zij gepaard gaat, dienen echter « eng te worden geïnterpreteerd, en de noodzaak om haar te beperken moet op overtuigende wijze worden aangetoond » (EHRM, grote kamer, 20 oktober 2015, Pentikäinen t. Finland, ECLI:CE:ECHR:2015:1020JUD001188210, § 87). 24 Een inmenging in de voormelde vrijheid van meningsuiting dient te worden vastgesteld bij een voldoende toegankelijke en nauwkeurige wet. Zij dient aldus in duidelijke en voldoende nauwkeurige bewoordingen te worden geformuleerd die het mogelijk maken dat eenieder – desnoods met gepast advies – in de gegeven context in redelijke mate de gevolgen van zijn handelen kan voorzien. Die vereisten dienen evenwel niet te leiden tot overdreven rigiditeit die zou verhinderen dat bij de interpretatie van een wettelijke norm rekening wordt gehouden met veranderende omstandigheden of opvattingen (EHRM, grote kamer, 22 oktober 2007, Lindon, Otchakovsky-Laurens en July t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2007:1022JUD002127902, § 41; grote kamer, 15 oktober 2015, Perinçek t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2015:1015JUD002751008, §§ 131-133; grote kamer, 7 juni 2012, Centro Europa 7 S.r.l. en Di Stefano t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2012:0607JUD003843309, §§ 141- 142). Voorts moet worden aangetoond dat de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving, aan een dwingende maatschappelijke behoefte beantwoordt en evenredig is aan de wettige doelstellingen die daarmee worden nagestreefd. Inzake het regelen van commerciële boodschappen en reclame beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. B.32. De parlementaire voorbereiding van de wet van 21 maart 2024 licht het uitstalverbod als volgt toe : « Het totale reclameverbod en de gestandaardiseerde pakjes zijn ingevoerd om tabaksproducten minder aantrekkelijk te maken en te voorkomen dat niet-rokers gaan roken. Om verder te gaan, moet het verbod op het uitstallen van tabaksproducten in verkooppunten (de zgn. ‘ display ban ’) worden ingevoerd als logische aanvulling op het totale reclameverbod. Het uitstallen en zichtbaar presenteren van tabaksproducten in verkooppunten vormt immers een belangrijke vorm van reclame voor deze producten. Andere Europese landen zoals Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, Kroatië, Finland en Ierland hebben reeds dit soort maatregelen genomen, die doeltreffend zijn gebleken. Dit verbod viseert alle tabaksproducten, inclusief de producten op basis van tabak en soortgelijke producten (bijvoorbeeld e-sigaretten, e-liquids, voor roken bestemde kruidenproducten, apparaten, filters, vloeitjes, enz.) Op specifiek verzoek van de klant kan de verkoper de gevraagde producten laten zien » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3764/001, p. 6). Nadat de afdeling wetgeving van de Raad van State, in haar advies over het voorontwerp van wet dat tot de wet van 21 maart 2024 heeft geleid, een opmerking formuleerde over de draagwijdte van het begrip « uitstallen » en de verhouding van dat begrip ten aanzien van het 25 bestaande reclameverbod (RvSt, advies nr. 74.604/3 van 27 november 2023, ibid., pp. 38-39), verduidelijkte de wetgever in de parlementaire voorbereiding dat « het verbod enkel de uitstalling van die hierbovengenoemde tabaksproducten viseert. Andere weergaven van die producten (bv. via foto’s/affiches) vielen sowieso al onder het reclameverbod van artikel 7 § 2bis » (ibid., p. 6). B.33. Zonder dat moet worden nagegaan of het uitstallen van tabaksproducten onder de vrijheid van meningsuiting valt, dient de bestreden maatregel in elk geval, om verenigbaar te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de vrijheid van ondernemen, een wettige doelstelling na te streven en evenredig te zijn met die doelstelling. B.34. Uit de in B.32 vermelde parlementaire voorbereiding volgt dat het uitstalverbod ertoe strekt de aantrekkelijkheid van tabaksproducten te verminderen, waardoor de verleiding om ze te kopen vermindert. De bestreden maatregel beoogt dus de bescherming van de volksgezondheid, en beantwoordt derhalve aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving. B.35. Zoals in de in B.32 weergegeven parlementaire voorbereiding wordt vermeld, vormt het uitstallen en zichtbaar presenteren van tabaksproducten in verkooppunten een belangrijke vorm van reclame voor die producten. Het zichtbaar uitstallen van een product vergroot de kans dat het product ook effectief zal worden aangekocht, en het vergroot ook de kans op impulsaankopen. Het risico op impulsaankopen doet zich niet alleen voor ten aanzien van rokers, maar ook ten aanzien van niet-rokers en, in het bijzonder, ten aanzien van jongeren, mede gelet op de diverse plaatsen waar tabaksproducten kunnen worden aangekocht (advies nr. 9549 van de Hoge Gezondheidsraad betreffende de elektronische sigaretten, juni 2022, p. 23), reden waarom de Hoge Gezondheidsraad ook voorstander is van een uitstalverbod voor tabaksproducten (ibid., pp. 9 en 24). Artikel 16, eerste lid, van de binnen de Wereldgezondheidsorganisatie gesloten kaderovereenkomst inzake de bestrijding van het tabaksgebruik (in werking getreden op 27 februari 2005 en geratificeerd op 1 november 2005) draagt elke Partij bij die overeenkomst overigens op om « op het desbetreffende regeringsniveau doeltreffende wetgevende [...] maatregelen [aan te nemen] en [...] deze uit [te voeren], om de verkoop van tabaksproducten aan personen jonger dan de in de binnenlandse of nationale wetgeving vastgestelde leeftijd of personen jonger dan achttien jaar, te verbieden », waarbij die maatregelen onder meer kunnen bestaan uit «
- b)het verbieden van de verkoop van 26 tabaksproducten indien deze direct toegankelijk zijn, zoals op winkelschappen ». Een van de richtsnoeren bij de voormelde kaderovereenkomst beveelt de Partijen bij die overeenkomst aan om een algemeen uitstalverbod in te voeren. B.36. Bij het bepalen van het gewenste niveau van bescherming van de volksgezondheid, wat de maatregelen in de strijd tegen de gezondheidsrisico’s van « tabaksproducten » betreft, en de daarmee samenhangende beperkingen van grondrechten, dient de wetgever rekening te houden met zijn positieve verplichtingen die voortvloeien uit artikel 23 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de binnen de Wereldgezondheidsorganisatie gesloten kaderovereenkomst inzake de bestrijding van het tabaksgebruik. B.37. Gelet op de aantrekkingskracht die gepaard gaat met het uitstallen van tabaksproducten in verkooppunten en in het licht van het doel van de wetgever om, zoals bepaald in de in B.2.1 vermelde « Interfederale strategie 2022-2028 voor een rookvrije generatie » van 14 december 2022, op een geleidelijke wijze, zowel het tabaksgebruik onder de algemene bevolking als specifiek het tabaksgebruik onder jongeren aanzienlijk te verminderen, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever, als volgende stap in de uitfasering van het tabaksgebruik, verder ingrijpt op de zichtbaarheid van tabaksproducten, door het bestaande reclameverbod aan te vullen met een verbod op het uitstallen van tabaksproducten in en aan verkooppunten. B.38. Hoewel het uitstalverbod de uitbaters van verkooppunten van tabaksproducten ertoe kan nopen belangrijke organisatorische maatregelen te nemen om zich aan dat verbod aan te passen, toont de verzoekende partij in de zaak nr. 8336 niet aan dat die aanpassingen onmogelijk of buitensporig moeilijk zijn. Bovendien dient bij de beoordeling of een beperking van de voormelde grondrechten met het oog op de volksgezondheid redelijk verantwoord is, rekening te worden gehouden met het feit dat, a fortiori gelet op de brede maatschappelijke consensus over de schadelijke gevolgen van tabaksproducten, fundamentele bekommernissen betreffende de volksgezondheid zwaarder kunnen doorwegen dan particuliere economische noden en dan grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van ondernemen en het recht op het ongestoord genot van eigendom (zie ook EHRM, 5 maart 2009, Société de Conception de Presse et d’Edition en 27 Ponson t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:0305JUD002693505, §§ 56-57; 5 maart 2009, Hachette Filipacchi Presse Automobile en Dupuy t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:0305JUD001335305, §§ 46-47; HvJ, 22 november 2018, C-151/17, Swedish Match AB, ECLI:EU:C:2018:938, punt 54; 24 februari 2022, C-452/20, PJ, ECLI:EU:C:2022:111). Uit het voorgaande volgt dat de bestreden bepalingen evenredig zijn met de door de wetgever nagestreefde wettige doelstelling. B.39. Het vijfde middel in de zaak nr. 8336 is niet gegrond. Wat betreft het verbod op de verkoop van tabaksproducten in voedingswinkels van meer dan 400 m² B.40. Artikel 3, 5°, van de wet van 21 maart 2024 voert een verbod in op de verkoop van tabaksproducten in voedingswinkels van meer dan 400 m². Artikel 6 van de voormelde wet bestraft de fabrikant en de invoerder en hij die, zonder de fabrikant of de invoerder te zijn, wetens tabaksproducten in de handel brengt, met overtreding van dat verbod, met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van vijftig euro tot drieduizend euro of met een van die straffen alleen. B.41. De parlementaire voorbereiding van de wet van 21 maart 2024 licht het bestreden verbod als volgt toe : « Er bestaat momenteel geen regelgeving die toelaat om de verkoop van tabaksproducten in België te beperken of te controleren. Dit impliceert dat tabaksproducten verkocht kunnen worden in heel veel verschillende types handelszaken : gespecialiseerde winkels, dagbladhandels, kruideniers, supermarkten, nachtwinkels, benzinestations, markten, festivals, horeca-instellingen, discotheken, … Het systeem van de traceerbaarheid van producten op basis van tabak heeft uitgewezen dat het aantal verkooppunten in België oploopt tot meer dan 20.000. Deze zeer hoge beschikbaarheid van tabaksproducten brengt een verhoging van het gebruik met zich mee en verhoogt het risico om ermee te beginnen onder de jonge niet-rokers. Het is dus nodig om het aantal verkooppunten te beperken, hetgeen ook aangeraden wordt in het advies nr. 9549 van de Hoge Gezondheidsraad betreffende de elektronische sigaretten. 28 Na advies van de Raad van State wordt nog verduidelijkt dat het de bedoeling is om de beschikbaarheid van tabaksproducten voor jonge niet-rokers te beperken en dat het, met dit doel in het achterhoofd, een goede eerste stap is om de verkoop in ‘ tijdelijke verkooppunten te verbieden ’. [...] [...] Daarnaast wordt er als tweede stap een verkoopverbod ingevoerd in voedingswinkels van meer dan 400 m². Voor voedingswinkels van meer dan 400 m² is een vergunning van de gewesten nodig en kunnen ze op die manier worden afgebakend. Na advies van de Raad van State wordt verduidelijkt dat het verbod beperkt wordt tot de grotere voedingswinkels (zijnde voornamelijk de supermarkten) aangezien er hier een groter doelpubliek van mogelijke consumenten van tabaksproducten wordt bereikt. Met het denormalisatieprincipe in het achterhoofd, is het van belang dat het ook weer een plek is waar regelmatig gezinnen met kinderen komen. Bovendien zijn de winkelbezoeken regelmatiger aangezien er voor dagelijkse boodschappen gewinkeld wordt. Aangezien er besloten werd om stapsgewijs te werken, leek het niet opportuun, noch proportioneel om voor de kleinere voedingswinkels een verkoopverbod van tabaksproducten op te leggen. Het verbod in de grotere voedingswinkels wordt verwacht al een aanzienlijk positieve gezondheidsimpact [te] hebben. Daarnaast zal de economische impact van een verkoopsverbod voor grotere voedingswinkels die over een ruimer aanbod van andere producten beschikken kleiner zijn. We willen hiermee een goed evenwicht vinden tussen enerzijds de gezondheidswinst en anderzijds de economische impact die het verbod op verkoop kan hebben bij kleinere winkels. In de categorie van de grootste winkels, namelijk groter dan 400 m², worden ook heel wat andere zaken gekocht en verkocht, waardoor de impact van de tabaksproducten op de omzet van de winkels beperkt is. Het is wel de intentie om stapsgewijs de verkoop aan tabaksproducten te reduceren, aangezien het één van de ‘ best buys ’ is van de WHO om een gedragswijziging ten gunste van de gezondheid van de burgers te krijgen » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3764/001, pp. 4-5). Met betrekking tot de keuze voor het begrip « voedingswinkels van meer dan 400 m² » liet de gemachtigde van de Regering, daarnaar gevraagd door de afdeling wetgeving van de Raad van State in het kader van haar advies over het voorontwerp van wet dat tot de wet van 21 maart 2024 heeft geleid, het volgende optekenen : « De verkoop van tabaksproducten wordt geleidelijk afgebouwd. Op termijn is het de bedoeling om de verkoop van tabaksproducten alleen nog in gespecialiseerde winkels toe te staan. 29 In de eerste plaats werd de verkoop via automatische distributieautomaten verboden (met uitzondering van de semigeautomatiseerde verkoop in de detailhandel waarbij er een leeftijdscontrole aan de kassa wordt uitgevoerd en op voorwaarde dat de tabaksproducten uit het zicht werden gehaald). Het verkoopverbod in de supermarkten is een verdere stap om het aantal verkooppunten te reduceren, aangezien supermarkten vaak een groot publiek trekken, onder wie gezinnen met kinderen. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de interfederale strategie 2022-2028 voor een rookvrije generatie werd er contact opgenomen met de FOD Economie om na te gaan of een bestaande definitie van ‘ supermarkt ’ kon worden aangewend om de handelszaken waar geen tabaksproducten meer zouden mogen worden verkocht, te omschrijven. Uit de bespreking is gebleken dat er geen definitie van ‘ supermarkt ’ bestond, maar dat grote supermarkten van meer dan 400 m² een socio-economische vergunning van het gewest moesten krijgen. Dat criterium werd dus in aanmerking genomen voor een tweede fase van de afbouw van het aantal verkooppunten van tabaksproducten. Volgens gegevens die in de loop van 2022 bij de gewesten en handelsfederaties werden verzameld, zijn er minstens 2850 supermarkten van meer dan 400 m². Ten tijde van de afronding van de interfederale strategie stond het aantal installaties die in het systeem van de traceerbaarheid van producten op basis van tabak als ‘ verkooppunt in de detailhandel ’ zijn geregistreerd, op 21787 » (ibid., pp. 37-38). Het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel B.42. Het vierde middel in de zaak nr. 8335 is afgeleid uit de schending, door artikel 3, 5°, van de wet van 21 maart 2024, van de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partij bekritiseert het feit dat de bestreden bepaling het begrip « voedingswinkel » niet definieert. B.43. Artikel 3, 5°, van de wet van 21 maart 2024 bevat geen omschrijving van het begrip « voedingswinkel ». Uit de in B.41 aangehaalde verklaring van de gemachtigde van de Regering blijkt dat voor dat begrip werd gekozen omdat er geen wettelijke definitie is van het begrip « supermarkt ». Volgens de Ministerraad moet het begrip « voedingswinkel » in zijn gebruikelijke betekenis worden verstaan, zijnde een winkel waar voornamelijk voeding wordt verkocht en waar de dagelijkse boodschappen worden gedaan. 30 B.44. Het begrip « voedingswinkel » is voldoende duidelijk voor de rechtsonderhorige. De omschrijving die de Ministerraad aan dat begrip geeft, stemt overigens overeen met de strekking die dat begrip krijgt in de omgangstaal en volgens de gewone betekenis, zodat de rechtsonderhorige redelijkerwijs in staat is de draagwijdte ervan te bepalen. B.45. Het vierde middel in de zaak nr. 8335 is niet gegrond. Het verschil in behandeling tussen voedingswinkels van meer dan 400 m² en niet- voedingswinkels B.46. Het derde middel in de zaak nr. 8335 is afgeleid uit de schending, door artikel 3, 5°, van de wet van 21 maart 2024, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepaling de verkoop van tabaksproducten in niet-voedingswinkels, zoals kleding- en meubelwinkels en winkels waar schoonheidsproducten worden verkocht, verder toelaat. B.47. Noch uit de tekst van artikel 3, 5°, van de wet van 21 maart 2024, noch uit de in B.41 vermelde parlementaire voorbereiding kan worden afgeleid dat kleding- en meubelwinkels en winkels waar schoonheidsproducten worden verkocht, die vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling geen tabaksproducten mochten verkopen, dat als gevolg van de bestreden bepaling wel zouden mogen. Aangezien het derde middel in de zaak nr. 8335 op een verkeerd uitgangspunt steunt, is het niet gegrond. 31 De verenigbaarheid van het verbod op de verkoop van tabaksproducten voor voedingswinkels van meer dan 400 m² met de grondrechten en met het recht van de Europese Unie B.48. Het enige middel in de zaak nr. 8330, het tweede middel in de zaak nr. 8335 en het derde middel in de zaak nr. 8336 zijn afgeleid uit de schending, door artikel 3, 5°, en artikel 6 van de wet van 21 maart 2024, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met artikel 16 van het Handvest, met artikel 15, lid 3, c), van de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 « betreffende diensten op de interne markt » (hierna : de richtlijn 2006/123/EG) en met het motiveringsbeginsel. De verzoekende partijen bekritiseren het verbod op de verkoop van tabaksproducten in voedingswinkels en het verschil in behandeling dat artikel 3, 5°, van de wet van 21 maart 2024 op dat vlak in het leven roept tussen voedingswinkels naargelang zij een oppervlakte van meer of minder dan 400 m² hebben. B.49.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De artikelen 20 en 21 van het Handvest waarborgen hetzelfde beginsel. Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens verbiedt discriminatie bij het genot van de in dat Verdrag vermelde rechten. Artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten waarborgt eveneens het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie. De voormelde bepalingen voegen niets toe aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.49.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat 32 dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.50.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.50.2. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.50.3. Artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « 1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam. 2. Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting ». 33 B.50.4. Het recht op eerbiediging van het privéleven heeft een zeer ruime draagwijdte en raakt onder meer aan de fysieke en psychische integriteit van een persoon (EHRM, 26 maart 1985, X. en Y. t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:1985:0326JUD000897880, § 22; 12 juni 2008, Bevacqua en S. t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2008:0612JUD007112701, § 65). B.50.5. Het recht op eerbiediging van het privéleven is evenwel niet absoluut. De voormelde grondwets- en verdragsbepalingen sluiten een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, voor zover zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. De wetgever beschikt ter zake over een beoordelingsvrijheid. Die vrijheid is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, is vereist dat de wetgever een billijk evenwicht heeft ingesteld tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. B.50.6. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens biedt niet alleen bescherming tegen een inmenging door de overheid, maar het houdt voor de overheid ook de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privé- en gezinsleven waarborgen, ook in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen, in het bijzonder ten aanzien van kinderen en andere kwetsbare personen (EHRM, 12 juni 2008, Bevacqua en S. t. Bulgarije, voormeld, § 64; grote kamer, 12 november 2013, Söderman t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:2013:1112JUD000578608, § 78; 3 september 2015, M. en M. t. Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2015:0903JUD001016113, § 176). B.51. Artikel 15 van de richtlijn 2006/123/EG bepaalt : « Aan evaluatie onderworpen eisen 1. De lidstaten onderzoeken of in hun rechtsstelsel de in lid 2 bedoelde eisen worden gesteld en zien erop toe dat eventueel bestaande eisen verenigbaar zijn met de in lid 3 bedoelde voorwaarden. De lidstaten passen hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om de eisen met die voorwaarden in overeenstemming te brengen. 2. De lidstaten onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in hun rechtsstelsel afhankelijk wordt gesteld van de volgende niet-discriminerende eisen : 34 [...] 3. De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen : [...]
- c)evenredigheid : de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. [...] ». B.52. Uit de in B.41 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met het verbod op de verkoop van tabaksproducten in voedingswinkels de beschikbaarheid van tabaksproducten beoogt te verminderen en dat de beperking van het verbod tot voedingswinkels van meer dan 400 m² past in een stapsgewijze benadering, waarmee de wetgever een evenwicht beoogt te vinden tussen de bescherming van de volksgezondheid en de economische impact van het verbod. Het criterium van de oppervlakte van 400 m² stemt overeen met de oppervlakte boven welke een winkel dient te beschikken over een gewestelijke omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten (voorheen sociaal-economische vergunning). B.53. Het komt de wetgever toe te oordelen in hoeverre het aangewezen is om, in het kader van zijn sociaaleconomisch beleid, maatregelen te nemen met het oog op de strijd tegen de gezondheidsrisico’s van tabaksproducten. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsvrijheid. Wanneer de wetgever in dat verband de verkoop van tabaksproducten regelt, valt het onder zijn beoordelingsvrijheid om te bepalen welke categorieën van handelszaken onder die regeling ressorteren. Het Hof vermag een dergelijke beleidskeuze, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. B.54. In gelijkaardige zin behoort de volksgezondheid tot de waarden en belangen die door het VWEU worden beschermd, en staat het aan de lidstaten om te beslissen op welk niveau zij die bescherming wensen te verzekeren en hoe dit niveau moet worden bereikt, zodat zij dienaangaande over een beoordelingsvrijheid beschikken (HvJ, 21 december 2023, C-96/22, 35 CDIL, ECLI:EU:C:2023:1025, punt 46; 17 oktober 2024, C-16/23, FA.RO. di YK & C. Sas, ECLI:EU:C:2024:886, punt 101). B.55. Gelet op de ruime toegankelijkheid en beschikbaarheid van tabaksproducten in voedingswinkels en de aanzienlijke risico’s voor de volksgezondheid die daarmee gepaard gaan en in het licht van het doel van de wetgever om, zoals bepaald in de in B.2.1 vermelde « Interfederale strategie 2022-2028 voor een rookvrije generatie » van 14 december 2022, op een geleidelijke wijze, het roken bij de bevolking aanzienlijk te verminderen, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever, als volgende stap in de vermindering van het aantal tabaksverkooppunten, heeft gekozen voor een verkoopverbod in voedingswinkels. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij in de zaak nr. 8336 aanvoert, kon de wetgever in het licht van die elementen eveneens van oordeel zijn dat het voor het behalen van zijn doelstelling niet volstond om zich te beperken tot het, door de wet van 21 maart 2024 eveneens ingevoerde en in B.30 tot B.39 behandelde, uitstalverbod, dat immers enkel ingrijpt op de zichtbaarheid van tabaksproducten, maar niet op de beschikbaarheid ervan. Hoewel een verkoopverbod ingrijpende financiële en economische gevolgen kan hebben voor de exploitanten van voedingswinkels, wegen die gevolgen niet op tegen de voordelen voor de volksgezondheid die voortvloeien uit de bijkomende beperking van de toegankelijkheid en beschikbaarheid van tabaksproducten. In gelijkaardige zin is de bescherming van de volksgezondheid volgens artikel 4, punt 8, van de richtlijn 2006/123/EG en overweging 7 ervan, een dwingende reden van algemeen belang die beperkingen van de vrijheid van verkeer kan rechtvaardigen (HvJ, 23 december 2015, C-293/14, Hiebler, ECLI:EU:C:2015:843, punt 58; 17 oktober 2024, C-16/23, voormeld, punt 81) en die, specifiek, beperkingen op de verkoop van tabaksproducten kan rechtvaardigen (HvJ, 17 oktober 2024, C-16/23, voormeld, punt 82). B.56. In zoverre de verzoekende partijen het tabaksverkoopverbod voor voedingswinkels op zichzelf beschouwd bekritiseren, zijn het enige middel in de zaak nr. 8330, het tweede middel in de zaak nr. 8335 en het derde middel in de zaak nr. 8336 niet gegrond. 36 B.57.1. In het licht van de doelstelling van de wetgever tot bescherming van de volksgezondheid, is het evenwel niet redelijk verantwoord om het verkoopverbod enkel toe te passen op voedingswinkels van meer dan 400 m². Zoals ook de afdeling wetgeving van de Raad van State opmerkte in haar advies over het voorontwerp van wet dat tot de wet van 21 maart 2024 heeft geleid (RvSt, advies nr. 74.604/3 van 27 november 2023, Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3764/001, p. 38), houdt de oppervlakte van een voedingswinkel geen verband met de gezondheidsrisico’s van tabaksproducten. In dezelfde zin hebben de doelstelling van de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten en de beoordeling die ermee samenhangt, geen uitstaans met de gezondheidsrisico’s van tabaksproducten (ibid.). Bovendien is het voor een consument, wanneer deze een voedingswinkel betreedt, moeilijk om vast te stellen of die winkel een oppervlakte van meer of minder dan 400 m² heeft en dus niet of wel tabaksproducten mag verkopen. Voorts is het onvoldoende aangetoond dat voedingswinkels met een kleinere oppervlakte dan 400 m² een ander publiek zouden aantrekken dat minder vatbaar is voor de gezondheidsrisico’s van tabaksproducten (ibid.). In de in B.41 aangehaalde verklaring verdedigt de gemachtigde van de Regering overigens het standpunt dat het « supermarkten » zijn die vaak een groot publiek aantrekken, waaronder gezinnen met kinderen, waarbij hij vervolgens opmerkt dat enkel de « grote supermarkten » over een gewestelijke sociaal- economische vergunning moeten beschikken. B.57.2. Zoals uit de in B.41 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt, is de beperking tot voedingswinkels van meer dan 400 m² dan ook niet zozeer ingegeven door de bescherming van de volksgezondheid, maar wel door de doelstelling om de vermindering van het aantal tabaksverkooppunten stapsgewijs door te voeren en door de economische impact van een tabaksverkoopverbod op kleinere voedingswinkels. Hoewel een stapsgewijze aanpak in beginsel aanvaardbaar is, en met name zou kunnen verantwoorden waarom de wetgever ervoor heeft gekozen om het tabaksverkoopverbod nog niet toe te passen op winkels waar niet voornamelijk voeding wordt verkocht, zoals gespecialiseerde tabakswinkels, nachtwinkels, dagbladhandels en tankstations, kan dit niet verantwoorden waarom binnen eenzelfde categorie van winkels een onderscheid wordt gemaakt dat enkel afhangt van de oppervlakte van de winkel. 37 Wat de economische impact betreft, werd in B.38 reeds vermeld dat de doelstelling van de bescherming van de volksgezondheid zwaarder weegt dan economische belangen, zodat het belang van die doelstelling negatieve economische gevolgen kan rechtvaardigen, zelfs wanneer deze aanzienlijk zijn. Bovendien blijkt noch uit de in B.41 vermelde parlementaire voorbereiding noch uit de memories van de Ministerraad in welk opzicht kleinere winkels waar voornamelijk voeding wordt verkocht zouden worden benadeeld door een algemeen tabaksverkoopverbod, daar het veeleer het onderscheid tussen verschillende categorieën van voedingswinkels is dat voor concurrentievervalsing kan zorgen. De bestreden maatregel dreigt dan ook te leiden tot een verschuiving van de verkoop van tabaksproducten naar kleinere voedingswinkels. B.58. In zoverre het de verkoop van tabaksproducten verbiedt in voedingswinkels van meer dan 400 m², maar niet in voedingswinkels van minder dan 400 m², schendt artikel 6, § 10, van de wet van 24 januari 1977, zoals ingevoegd bij artikel 3, 5°, van de wet van 21 maart 2024, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.59. Het enige middel in de zaak nr. 8330, het tweede middel in de zaak nr. 8335 en het derde middel in de zaak nr. 8336 zijn, in de in B.58 vermelde mate, gegrond. Het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel, volgens hetwelk niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt, verhindert evenwel dat het Hof uitsluitend de woorden « van meer dan 400 m² » in artikel 6, § 10, van de wet van 24 januari 1977, zoals ingevoegd bij artikel 3, 5°, van de wet van 21 maart 2024, zou vernietigen. Artikel 6, § 10, van de wet van 24 januari 1977, zoals ingevoegd bij artikel 3, 5°, van de wet van 21 maart 2024, moet bijgevolg worden vernietigd. B.60. Teneinde de wetgever de kans te bieden de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen en teneinde de geboden bijkomende bescherming van de volksgezondheid niet in het gedrang te brengen, dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling te worden gehandhaafd tot uiterlijk 31 december 2026. 38 Het verschil in behandeling tussen de verkoop van tabaksproducten en de verkoop van alcohol B.61. De verzoekende partij in de zaak nr. 8335 leidt een eerste middel af uit de schending, door artikel 3, 5°, van de wet van 21 maart 2024, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. De verzoekende partij bekritiseert de bestreden bepaling in zoverre het een verbod op de verkoop van tabaksproducten in voedingswinkels van meer dan 400 m² instelt, maar niet eenzelfde verbod instelt op de verkoop van alcoholische dranken. B.62. De wet van 21 maart 2024 bevat naast de in B.1.3 vermelde maatregelen op het vlak van tabaksproducten, eveneens verscheidene maatregelen om het gebruik van alcohol te ontmoedigen :