← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.159

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.159 Arrest- Rolnummer: 159/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-15 Raadplegingen: 294 - laatst gezien 2026-06-15 06:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikel 15, 2°, b), van de wet van 28 december 2023) - Handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepaling tot uiterlijk 31 december 2026 - Verwerping van de beroepen voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 28 december 2023 « houdende diverse fiscale bepalingen », ingesteld door de vzw « Fédération Interdiocésaine des Bibliothécaires et Bibliothèques Catholiques » en de vzw « Centre Multimédia Don Bosco », door de vzw « Caritas Internationaal België » en anderen, door de vzw « Kom op tegen Kanker » en anderen, door de vzw « Agoria » en anderen, door de vzw « Global Action in the Interest of Animals », door de vzw « Abbaye de Maredsous » en anderen en door de vzw « Abbaye des Bénédictines » en anderen. Fiscaal recht - Successierechten - Taks tot vergoeding der successierechten - Belastbare grondslag - Vrijstelling - Toepassingsgebied - Bevoegdheidverdelende regels Tekst van de beslissing ERROR GetNoECLIfromNoROLE Invalid no ROLE - Invalid an_role 2043 in A.43.2 D Grondwettelijk Hof Arrest nr. 159/2025 van 4 december 2025 Rolnummers : 8249, 8253, 8257, 8263, 8264, 8269 en 8270 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 28 december 2023 « houdende diverse fiscale bepalingen », ingesteld door de vzw « Fédération Interdiocésaine des Bibliothécaires et Bibliothèques Catholiques » en de vzw « Centre Multimédia Don Bosco », door de vzw « Caritas Internationaal België » en anderen, door de vzw « Kom op tegen Kanker » en anderen, door de vzw « Agoria » en anderen, door de vzw « Global Action in the Interest of Animals », door de vzw « Abbaye de Maredsous » en anderen en door de vzw « Abbaye des Bénédictines » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij zeven verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 26, 27 en 28 juni en 1 juli 2024 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 28 juni en 1, 2 en 3 juli 2024, zijn beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 28 december 2023 « houdende diverse fiscale bepalingen » (wijzigingen van het Wetboek der successierechten betreffende de taks tot vergoeding der successierechten), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2023, tweede editie, ingesteld respectievelijk door de vzw « Fédération Interdiocésaine des Bibliothécaires et Bibliothèques Catholiques » en de vzw « Centre Multimédia Don Bosco », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aurélien Bortolotti en mr. Elisabeth Kiehl, advocaten bij de balie Luik-Hoei, door de vzw « Caritas Internationaal België », de vzw « Hachiko », de vzw « United Fund for Belgium », de vzw « Damiaanactie », de vzw « Çavaria », de vzw « Dyadis - Belgische Vereniging ter Toewijzing van Hulphonden aan Mindervaliden », de private stichting « Atinob », de private stichting « Veltas », de private stichting « Bel Air II », de private stichting « Wave », de vzw « Belgische Vereniging voor Strijd tegen Mucoviscidose », de vzw « Broerderlijk Delen », de private stichting « Albert van Dijk », de vzw « Brailleliga, 2 Vereniging voor hulp aan blinde en slechtziende personen », de private stichting « Jean-François Peterbroeck », de vzw « Licht voor de Wereld », de private stichting « Btinob », de vzw « Diabetes Liga », de vzw « Solidagro », de vzw « Multiple Sclerose Liga Vlaanderen » en de vzw « Benisur » (thans : de vzw « Dr. Réginald Moreels UNICHIR »), bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Anton van Zantbeek, advocaat bij de balie te Brussel, en door mr. Siemon Aelbrecht, advocaat bij de balie te Gent, door de vzw « Kom op tegen Kanker », de vzw « Ontwikkelingshulp Van De Belgische Jezuïeten Aan De Derde Wereld », de vzw « Centraal Beleid van de Colleges », de vzw « Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen », de vzw « Lieven Gevaert Fonds », de vzw « Klooster van de H. Vincentius A Paulo », de vzw « Zusters van de Bermhertigheid Jesu », de vzw « Congregatie van de Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, België », de private stichting « Steunfonds Gasthuiszusters van Antwerpen », de vzw « Zwartzusters van Brugge », de vzw « Sint-Franciscus Xaveriusziekenhuis » en de vzw « Redemptoristen Vlaanderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Stein De Maeijer, advocaat bij de balie te Brussel, door mr. Ellen Vandingenen en mr. Zosia Daniels, advocates bij de balie van Antwerpen, en door mr. Bart De Cock, advocaat bij de balie te Gent, door de vzw « Agoria », de vzw « Belgische federatie van de handel en diensten », de vzw « Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen », de vzw « Embuild », de vzw « Verbond van Belgische Ondernemingen », de vzw « Federatie van de Elektriciteits- en Gasnetbeheerders in België », de vzw « Koninklijke Belgische Redersvereniging », de vzw « Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen », de vzw « Algemene Belgische Schoonmaak Unie » en de vzw « World Wide Fund for Nature - Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Wouter Verhoeye en mr. Flip Dalle, advocaten bij de balie van Antwerpen, door de vzw « Global Action in the Interest of Animals », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Anthony Godfroid, advocaat bij de balie van Antwerpen, door de vzw « Abbaye de Maredsous », de vzw « Vereniging van de Dochters der Liefde van de Heilige Vincentius a Paulo », de vzw « Karmelietessen van Sint-Jozef », de vzw « Congrégation des Sœurs de Sainte-Marie de Namur », de vzw « Filles de Marie de Pesche », de vzw « De Broeders Maristen van België », de vzw « Les Sœurs de la Doctrine Chrétienne », de vzw « Maison internationale de Mons », de vzw « Service d’entraide Foyer Saint Augustin », de vzw « Service d’Entraide Quart-Monde », de vzw « Hospitalières du Sacré-Cœur », de vzw « Fraternité de Tibériade », de vzw « Maisons St Damien » en de vzw « Religieuses de l’Assomption », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Henri d’Ursel, mr. Thomas Linard de Guertechin en mr. Julie Roger, advocaten bij de balie te Brussel, en door de vzw « Abbaye des Bénédictines », de vzw « Abbaye du Val-Dieu » en de vzw « Abbaye de Leffe », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Louis Dehin, advocaat bij de balie Luik-Hoei. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8249, 8253, 8257, 8263, 8264, 8269 en 8270 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Mark Delanote, advocaat bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bart Martel, mr. Kristof Caluwaert en mr. Quinten Jacobs, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. 3 Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Ingevolge de verzoeken van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8253, 8257 en 8270 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 24 september 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 22 oktober

  1. Op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2025 : - zijn verschenen : . mr. Aurore Dewulf, advocate bij de balie van Waals-Brabant, loco mr. Elisabeth Kiehl, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8249; . mr. Siemon Aelbrecht en mr. Marc-Etienne Baijot, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco mr. Anton van Zantbeek, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8253; . mr. Ellen Vandingenen en mr. Bart De Cock, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8257; . mr. Wouter Verhoeye en mr. Flip Dalle, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8263; . mr. Wouter Verhoeye, tevens loco mr. Anthony Godfroid, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 8264; . mr. Thomas Linard de Guertechin en mr. Omar Arab, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco mr. Henri d’Ursel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8269; . mr. Louis Dehin, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8270; . mr. Mark Delanote, voor de Ministerraad; . mr. Kristof Caluwaert, tevens loco mr. Bart Martel, en mr. Quinten Jacobs, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Yasmine Kherbache verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. In rechte -A- Ten aanzien van de zaak nr. 8249 A.
  2. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending, door de artikelen 11 tot 15 van de wet van 28 december 2023 « houdende diverse fiscale bepalingen » (hierna : de wet van 28 december 2023), van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 ervan, doordat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling doen ontstaan tussen, enerzijds, verenigingen zonder winstoogmerk die bibliotheekactiviteiten hebben of die een bibliotheek uitbaten en, anderzijds, verenigingen zonder winstoogmerk die een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de taks tot vergoeding van de successierechten kunnen genieten, en in het bijzonder de verenigingen zonder winstoogmerk die een privaat archief uitbaten of een dergelijke activiteit uitoefenen. De eerste categorie van verenigingen zonder winstoogmerk kan, in tegenstelling tot de tweede categorie, namelijk geen enkele vrijstelling genieten van de taks tot vergoeding van de successierechten. A.2.
  3. De Ministerraad werpt op dat het middel onontvankelijk is. De verzoekende partijen ontwikkelen uitsluitend grieven tegen artikel 150, tweede alinea, 6°, 7°, 12° en 13°, van het Wetboek der successierechten, zoals gewijzigd bij artikel 15 van de wet van 28 december 2023, maar hebben geen belang bij de vernietiging van die bepaling. Een eventuele vernietiging zou de verzoekende partijen immers geen voordeel opleveren. In geval van een vernietiging zouden zij evenmin een vrijstelling kunnen genieten. De vernietiging zou louter tot gevolg hebben dat bepaalde rechtspersonen geen beroep meer kunnen doen op een gedeeltelijke vrijstelling. A.2.
  4. De verzoekende partijen antwoorden dat de artikelen 11 tot 15 een onlosmakelijk geheel vormen en dat zij belang hebben bij hun beroep. Volgens hen dient het Hof een zelfherstellende lacune vast te stellen. Minstens zou een vernietiging hun een kans geven op een nieuwe, meer gunstige regeling. A.3.
  5. Ten gronde zijn de verzoekende partijen van oordeel dat het bestreden verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. Er is geen objectief criterium om beide categorieën van verenigingen zonder winstoogmerk van elkaar te onderscheiden. Private centra van archieven zijn niets meer dan een soort historische bibliotheek. Zij hebben hetzelfde doel, namelijk toegang bieden tot cultuur, worden op vergelijkbare wijze erkend en gesubsidieerd, houden een groot aantal goederen aan in eigendom en moeten op vergelijkbare wijze investeren in de aankoop en het onderhoud van goederen. Daarnaast zijn de bibliotheken ook vergelijkbaar en soms verbonden met verenigingen zonder winstoogmerk die actief zijn in sectoren zoals de sector van de bescherming van kinderen en jongeren, de sportsector en de onderwijssector, die wel een gedeeltelijke vrijstelling genieten. Zowel de bibliotheken als die verenigingen zonder winstoogmerk vervullen belangrijke sociale en maatschappelijke functies die verantwoorden dat ze dezelfde vrijstelling kunnen genieten, zodat hun activiteiten niet worden belemmerd door de taks. In ieder geval heeft het verschil in behandeling onevenredige gevolgen. Zo zal bij de berekening van de taks bijvoorbeeld rekening worden gehouden met subsidies die nog niet zijn aangewend, en worden publieke bibliotheken niet getroffen. A.3.
  6. De Ministerraad is van oordeel dat het enige middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Hij doet gelden dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de keuzes van de wetgever, die over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt om vrijstellingen te bepalen, op een manifeste vergissing berusten of onredelijk zijn. Voorts zijn er wel degelijk verschillen tussen bibliotheken en centra van private archieven. Die laatste hebben een eigen statuut en zijn slechts beperkt toegankelijk waardoor zij minder potentiële inkomstenbronnen hebben. Daarnaast zijn de bibliotheken niet vergelijkbaar met enige andere categorie van personen die een gedeeltelijke vrijstelling geniet. 5 Ten aanzien van de zaak nr. 8253 Wat betreft het eerste middel A.
  7. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 11, 14, 15, 18 en 19 van de wet van 28 december 2023, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling instellen tussen, enerzijds, rechtspersonen die aan de taks tot vergoeding van de successierechten zijn onderworpen maar een gedeeltelijke vrijstelling kunnen genieten en, anderzijds, rechtspersonen die aan de taks tot vergoeding van de successierechten zijn onderworpen en geen vrijstelling kunnen genieten. Alleen voor de eerste categorie van belastingplichtigen wordt de belastingverhoging waarin de wet van 28 december 2023 voorziet, immers geneutraliseerd. A.5.
  8. De Ministerraad is van oordeel dat het middel onontvankelijk is. Volgens hem vloeit het bestreden verschil in behandeling uitsluitend voort uit artikel 15, 2°, b), van de wet van 28 december
  9. De verzoekende partijen hebben evenwel geen belang bij de vernietiging van die bepaling. Een eventuele vernietiging zou de verzoekende partijen immers geen voordeel opleveren. In geval van een vernietiging zouden zij evenmin een vrijstelling kunnen genieten. De vernietiging zou louter tot gevolg hebben dat bepaalde rechtspersonen geen beroep meer kunnen doen op een gedeeltelijke vrijstelling. Overigens hebben de verzoekende partijen volgens de Ministerraad evenmin belang bij de vernietiging van de overige bestreden bepalingen. Het beroep is ten aanzien van die bepalingen bovendien hoe dan ook niet ontvankelijk wegens gebrek aan heldere uiteenzetting. A.5.
  10. De verzoekende partijen antwoorden dat de Ministerraad het beroep onterecht herleidt tot een beroep tegen artikel 15, 2°, b), van de wet van 28 december
  11. De artikelen 11, 14, 15, 18 en 19 van dezelfde wet vormen een nieuwe wilsuiting van de wetgever en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De verzoekende partijen worden ook rechtstreeks door die bepalingen geraakt aangezien zij onderworpen worden aan een belastingverhoging zonder dat voor hen in een vrijstelling is voorzien die de belastingverhoging neutraliseert. A.6.
  12. Ten gronde zijn de verzoekende partijen van oordeel dat het bestreden verschil in behandeling vergelijkbare categorieën van personen betreft en niet redelijk verantwoord is. Allereerst merken zij op dat de taks tot vergoeding van de successierechten die ingevoerd is om de vrees van de dode hand tegen te gaan, volledig achterhaald is en dus zou moeten worden afgeschaft. In ieder geval is het niet aanvaardbaar dat de wetgever voorziet in een belastingverhoging en de invoering van belastingschijven zonder dat de belastbare grondslag wordt aangepast naar een netto belastbare grondslag. Vervolgens zetten zij uiteen dat het verschil in behandeling op een dubieus doel berust. Het oorspronkelijke wetsontwerp bevatte uitsluitend een vrijstelling voor de zorgsector die tot doel had de zorgsector te ondersteunen na de COVID-19-pandemie en verdere investeringen te ondersteunen om hoogwaardige zorgverstrekking te kunnen blijven garanderen. Daarna is ten gevolge van politieke druk van de gemeenschappen en de gewesten en van verscheidene belastingplichtigen in verschillende bijkomende vrijstellingen voorzien waarvan het doel niet nader is bepaald. De verklaring van de Regering dat aldus private stichtingen worden geviseerd die grote vermogens aanhouden om successierechten te vermijden, kan in geen geval als doel worden aanvaard. De Regering gaat voorbij aan het feit dat het vermogen van een private stichting alleen kan worden aangewend in overeenstemming met het belangeloos doel en de statuten van de private stichting. Bovendien komt het aan de gewesten toe om misbruiken te bestrijden die plaatsvinden in het kader van gewestelijke belastingen. Voorts doen zij gelden dat de taks tot vergoeding van de successierechten oorspronkelijk net de gelijke fiscale behandeling van verengingen zonder winstoogmerk en zelfs de instellingen van openbaar nut beoogde. Met de wet van 28 december 2023 heeft de wetgever evenwel op willekeurige wijze afbreuk gedaan aan die gelijke behandeling. Daarnaast heeft hij reeds eerder een ongerechtvaardigd verschil in behandeling ingesteld tussen, enerzijds, de verenigingen zonder winstoogmerk en de private stichtingen, en, anderzijds, de vakbonden, ziekenfondsen, publieke instellingen en instellingen van openbaar nut, doordat die laatste categorie niet of niet meer onderworpen is aan of vrijgesteld is van de taks tot vergoeding van de successierechten. Zij wijzen erop dat verschillende verenigingen zonder winstoogmerk net zoals de vakbonden zich inzetten voor de bescherming van grondrechten, dat verschillende verenigingen zonder winstoogmerk en private stichtingen net zoals de ziekenfondsen en de universitaire onderzoeksinstellingen tot doel hebben de levenskwaliteit van zorgbehoevende mensen of wetenschappelijk onderzoek naar uiteenlopende ziekten te bevorderen, en dat verschillende verenigingen zonder winstoogmerk net zoals bepaalde instellingen van openbaar nut zich inzetten voor goede doelen en voor de bevordering van de samenleving, terwijl alleen de vakbonden, ziekenfondsen, universitaire onderzoeksinstellingen en instellingen van openbaar nut niet onderworpen zijn aan 6 de taks tot vergoeding van de successierechten of een vrijstelling genieten. Evenmin valt volgens hen in te zien waarom verenigingen zonder winstoogmerk die een privaat archief of een dierenasiel uitbaten een gedeeltelijke vrijstelling kunnen genieten, terwijl verengingen zonder winstoogmerk die bibliotheken of andere archieven uitbaten of die assistentiehonden opleiden geen vrijstelling kunnen genieten. Hetzelfde geldt tot slot voor een groot aantal verenigingen zonder winstoogmerk en private stichtingen die maatschappelijk even relevant zijn of die, net zoals de zorgsector, eveneens geleden hebben onder de COVID-19-crisis en moeten investeren. A.6.
  13. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Hij voert allereerst aan dat de verzoekende partijen in grote mate de opportuniteit van de taks tot vergoeding van de successierechten bekritiseren en dat zij onterecht de verengingen zonder winstoogmerk, de internationale verengingen zonder winstoogmerk en de private stichtingen vergelijken met andere rechtspersonen. De keuze van een rechtsvorm bepaalt immers in beginsel het belastingstelsel dat van toepassing is op de rechtspersoon. Voorts merkt de Ministerraad op dat voor de beoordeling van het verschil in behandeling uitsluitend rekening moet worden gehouden met de specifieke doelstellingen die de wetgever nastreeft met de gedeeltelijke vrijstellingen zoals zij blijken uit de parlementaire voorbereiding. Die doelstellingen houden verband met het sociaal en economisch beleid dat de wetgever wil voeren, en verantwoorden de gemaakte keuzes. De vergelijkingen die de verzoekende partijen maken tussen de verenigingen zonder winstoogmerk die geen vrijstelling genieten en de verenigingen zonder winstoogmerk die wel een gedeeltelijke vrijstelling genieten, gaan ook niet op. Zo zijn de verenigingen zonder winstoogmerk die tot doel hebben onderzoek te verrichten naar ziekten niet te vergelijken met de universitaire onderzoeksinstellingen aangezien zij zelf geen onderzoekscentra uitbaten. In dezelfde zin gaat de vergelijking met rechtspersonen die deel uitmaken van de gedeeltelijk vrijgestelde zorgsector ook niet op aangezien alleen zij noodzakelijkerwijs veel infrastructuur nodig hebben. Wat betreft het tweede middel A.7.
  14. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 11, 14, 15, 18 en 19 van de wet van 28 december 2023, van het evenredigheidsbeginsel en de federale loyauteit vervat in artikel 143, § 1, van de Grondwet. De verzoekende partijen wijzen allereerst erop dat de taks tot vergoeding van de successierechten ingevoerd is om de Staat schadeloos te stellen voor het verlies aan inkomsten uit de erfbelasting dat het gevolg was van het toekennen van rechtspersoonlijkheid aan verenigingen zonder winstoogmerk en private stichtingen. Sinds de overdracht van de bevoegdheid inzake de successierechten aan de gewesten raakt die taks bijgevolg aan de bevoegdheden van de gewesten. Vervolgens doen zij gelden dat de wetgever met de wet van 28 december 2023 de gewestelijke bevoegdheden effectief heeft geschonden. In de eerste plaats heeft hij vastgehouden aan de bruto belastbare grondslag, terwijl de gewesten inzake successierechten hebben gekozen voor een netto belastbare grondslag. Daarnaast doet de belastingverhoging afbreuk aan de Vlaamse vrijstelling van successierechten voor legaten aan goede doelen die hun werkingsmiddelen beoogt te maximaliseren. Het goede doel zal namelijk door de wetswijziging zelf zwaarder worden belast. In dezelfde zin wordt afbreuk gedaan aan de Vlaamse vrijstelling van de onroerende voorheffing die goede doelen kunnen genieten. A.7.
  15. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het middel gegrond is en dat de artikelen 15, 1°, en 19 van de wet van 28 december 2023 moeten worden vernietigd, aangezien zij de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheid inzake successierechten op overdreven wijze bemoeilijken. Zij merkt op dat de wetgever met de wet van 28 december 2023 het uitgangspunt dat de taks tot vergoeding van de successierechten wordt gekenmerkt door een brede belastbare grondslag waarop een laag tarief wordt toegepast, heeft verlaten. Hij heeft, enerzijds, zich inspirerend op de successierechten, in een sterk verhoogde en progressieve tariefstructuur voorzien. Anderzijds, heeft hij zich, wat de belastbare grondslag betreft, niet gespiegeld aan de successierechten. Hij heeft namelijk bevestigd dat voor de berekening van de taks rekening wordt gehouden met het bruto belastbare vermogen. Vervolgens zet zij uiteen dat die combinatie van maatregelen voor de betrokken rechtspersonen, en in het bijzonder voor de goede doelen die geen gedeeltelijke vrijstelling kunnen genieten, tot een substantieel vermogensverlies leidt. Bijgevolg doorkruist de wet van 28 december 2023 de maatregel van het Vlaamse Gewest die erin bestaat het tarief van legaten aan goede doelen te verlagen naar 0 % zodat de middelen integraal kunnen worden aangewend voor hun doel. Goede doelen zullen immers een deel van die middelen moeten gebruiken om de taks tot vergoeding van de successierechten te betalen. Het nuttig effect van de gewestelijke vrijstelling wordt zo in belangrijke mate tenietgedaan. Hetzelfde geldt voor subsidies die de Vlaamse Gemeenschap aan de betrokken 7 rechtspersonen toekent. Dat alles is bovendien gebeurd zonder het Vlaamse Gewest te raadplegen en zonder enig overleg. A.7.
  16. De Ministerraad is van oordeel dat het middel ongegrond is. Volgens hem valt de taks tot vergoeding van de successierechten onder de algemene fiscale bevoegdheid van de federale overheid. Het staat haar in beginsel vrij de belastingplichtigen, de belastbare grondslag, de vrijstellingen en de tariefstructuur te bepalen. Het feit dat die taks een budgettaire weerslag kan hebben op de gewesten, betekent niet dat de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden overdreven moeilijk wordt gemaakt. Bovendien wordt voorbijgegaan aan het feit dat in een voetvrijstelling van 50 000 euro is voorzien, dat de liquiditeiten en het bedrijfskapitaal om gedurende het jaar te worden aangewend voor de activiteit van de vereniging of private stichting, uitgesloten zijn van de belastbare grondslag, dat belastingplichtigen met een belastbaar vermogen tot 346 000 euro net minder zullen moeten betalen, dat voor bepaalde sectoren in een gedeeltelijke vrijstelling is voorzien die het beleid van de gemeenschappen en gewesten ondersteunt, en dat er reeds lagere tarieven waren voor legaten aan goede doelen op het ogenblik dat de taks werd ingevoerd. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen en de Vlaamse Regering aanvoeren, is er ook geen aanzienlijke verhoging van de tarieven. De successierechten zijn door niet-indexering van de tariefschijven meer verhoogd dan de taks tot vergoeding van de successierechten. Ten aanzien van de zaak nr. 8257 Wat het eerste middel betreft A.
  17. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 15, 2°, b), en 19, uitgezonderd de invoeging in artikel 152 van het Wetboek der successierechten van de voetvrijstelling op de eerste schijf van 50 000 euro, van de wet van 28 december 2023, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Het middel bestaat uit twee onderdelen. A.9.
  18. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste middel onontvankelijk is. Wat het eerste onderdeel betreft, werpt hij op dat de verzoekende partijen niet helder uiteenzetten waarom artikel 19 van de wet van 28 december 2023 zou moeten worden vernietigd, en dat zij geen belang hebben bij de vernietiging van een gedeeltelijke vrijstelling die andere personen toekomt. Daarnaast zet alleen de eerste verzoekende partij uiteen waarom zij ook een gedeeltelijke vrijstelling zou moeten kunnen genieten. Wat het tweede onderdeel betreft, doet hij gelden dat opnieuw een heldere uiteenzetting ontbreekt en dat het onderdeel eigenlijk gericht is tegen artikel 150, derde lid, van het Wetboek der successierechten, dat niet gewijzigd is door de bestreden bepalingen. A.9.
  19. De verzoekende partijen betwisten dat het eerste middel niet ontvankelijk is. Wat het eerste onderdeel betreft, voeren zij aan dat de bestreden bepalingen onlosmakelijk verbonden zijn. De gedeeltelijke vrijstellingen zijn immers maar ingevoegd om de nieuwe progressieve tarieven te neutraliseren ten aanzien van bepaalde sectoren, waardoor voor hen de belastingdruk niet wordt verhoogd. Alleen door beide bepalingen te vernietigen, kan het oude systeem terug herleven. Daarnaast voeren zij aan dat ze voldoende uiteenzetten waarom zij vergelijkbaar zijn met rechtspersonen die een gedeeltelijke vrijstelling genieten, en dat zij belang hebben aangezien zij door de wet van 28 december 2023 aanzienlijk meer belasting moeten betalen. Wat het tweede onderdeel betreft, doen zij gelden dat zij niet de vernietiging vorderen van artikel 150, derde lid, van het Wetboek der successierechten. Volgens hen is het de invoeging van de progressieve tarieven die tot de ongrondwettigheid aanleiding geeft. A.10.
  20. In het eerste onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen in de eerste plaats aan dat de gedeeltelijke vrijstellingen die zijn ingevoegd in artikel 150, tweede lid, 6° en 7°, van het Wetboek der successierechten een ongerechtvaardigd verschil in behandeling creëren, doordat zij zijn gekoppeld aan btw- vrijstellingen. Door de verwijzing naar het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : het BTW-Wetboek), kunnen uitsluitend btw-plichtigen de gedeeltelijke vrijstelling genieten, terwijl verenigingen zonder winstoogmerk en private stichtingen die in dezelfde sectoren actief zijn, doch zonder btw-plichtig te zijn, geen gedeeltelijke vrijstelling kunnen genieten. Daarnaast doen de verzoekende partijen gelden dat, zonder redelijke verantwoording, bepaalde sectoren niet worden ondersteund via een gedeeltelijke vrijstelling, hoewel zij eveneens een zeer belangrijke maatschappelijke rol vervullen. Zij zien niet in waarom zij geen gedeeltelijke vrijstelling kunnen genieten, terwijl private archieven en dierenasielen wel een dergelijke vrijstelling hebben verkregen. Dat geldt des te meer wanneer zij erkende instellingen zijn waardoor giften in aanmerking komen voor een belastingvermindering. Als voorbeeld verwijzen 8 zij naar de eerste verzoekende partij, de vzw « Kom op tegen kanker », die een belangrijke bijdrage levert aan het kankeronderzoek en de patiëntenondersteuning, maar geen gedeeltelijke vrijstelling kan genieten. Tot slot bekritiseren de verzoekende partijen dat binnen een sector onverantwoorde verschillen in behandeling zijn gecreëerd. Er is volgens hen met name een onverantwoord verschil in behandeling ontstaan tussen, enerzijds, onderwijsinstellingen, zorginstellingen en aan de taks onderworpen rechtspersonen die onroerende goederen aan dergelijke instellingen ter beschikking stellen, en, anderzijds, de verzoekende partijen die over financiële middelen beschikken om het onderwijs, de zorg of wetenschappelijk onderzoek te ondersteunen of te financieren. In dezelfde zin is het volgens hen eveneens niet redelijk verantwoord dat culturele instellingen die zich uitsluitend toeleggen op het maken van artistieke creaties geen gedeeltelijke vrijstelling kunnen genieten als ze niet zelf instaan voor de organisatie van de voorstellingen. A.10.
  21. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste onderdeel van het eerste middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Ten eerste mocht de wetgever volgens hem verwijzen naar het BTW-Wetboek. Er moet immers rekening worden gehouden met het feit dat de wetgever eveneens oog heeft gehad voor de situatie waarin de voor de beoogde activiteit gebruikte goederen in een afzonderlijke entiteit zijn overgebracht. Bovendien is het niet onredelijk dat de gedeeltelijke vrijstelling in de eerste plaats toekomt aan rechtspersonen die goederen gebruiken voor de door de wetgever beoogde activiteiten. Overigens leidt de verwijzing naar het BTW-Wetboek tot meer rechtszekerheid. Ten tweede heeft de wetgever zich volgens hem niet vergist en heeft hij niet onredelijk gehandeld bij het afbakenen van de categorieën van personen die een gedeeltelijke vrijstelling kunnen genieten. De wetgever heeft specifieke sectoren afgebakend die welbepaalde activiteiten in de samenleving ontplooien. Ten derde staat volgens hem de belastingvermindering voor giften in de personenbelasting volledig los van de keuze van de wetgever om in het kader van de taks tot vergoeding van de successierechten een welbepaald sociaal-economisch beleid te voeren. A.11.
  22. In het tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat het draagkrachtbeginsel wordt geschonden. Met de invoering van de progressieve tarieven beoogt de wetgever dat de sterkste schouders de grootste lasten dragen, maar die doelstelling wordt niet bereikt doordat de taks tot vergoeding van de successierechten op een brutogrondslag wordt geheven. Doordat schulden in beginsel niet in aanmerking worden genomen, worden belastingplichtigen met een gelijk vermogen verschillend behandeld en worden belastingplichtigen met een verschillend vermogen gelijk behandeld. A.11.
  23. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede onderdeel van het eerste middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. De invoering van de nieuwe progressieve tariefstructuur staat in de eerste plaats los van de belastbare grondslag. Daarnaast valt de belastbare grondslag niet samen met alle bezittingen van de onderworpen rechtspersoon. Verschillende bezittingen worden krachtens artikel 150, tweede lid, van het Wetboek der successierechten buiten beschouwing gelaten, en enkele limitatief opgesomde lasten kunnen krachtens artikel 150, derde lid, van hetzelfde Wetboek in mindering worden gebracht. Wat het tweede middel betreft A.
  24. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 15, 2°, b), en 19, uitgezonderd de invoeging in artikel 152 van het Wetboek der successierechten van de voetvrijstelling op de eerste schijf van 50 000 euro, van de wet van 28 december 2023, van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, doordat het begrip « omzet » geen voldoende duidelijk criterium is om de toekenning van een vermindering van de belastbare grondslag daarvan afhankelijk te maken. A.13.
  25. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede middel onontvankelijk is. Volgens hem richten de verzoekende partijen uitsluitend grieven tegen artikel 15, 2°, b), 6°, van de wet van 28 december
  26. Zij hebben evenwel geen belang bij de vernietiging van die bepaling aangezien die bepaling louter een voordeel toekent aan een andere categorie van personen. A.13.
  27. De verzoekende partijen betwisten dat het tweede middel niet ontvankelijk zou zijn. Zij wijzen opnieuw erop dat hun belang blijkt uit het feit dat ze geen vrijstelling kunnen genieten, terwijl zij een bijzondere rol hebben in verschillende sociale sectoren. 9 A.14.
  28. De verzoekende partijen zetten ten gronde uiteen dat de in artikel 15, 2°, b), 6°, van de wet van 28 december 2023 vervatte voorwaarde dat de belastingplichtige voor meer dan de helft van zijn omzet handelingen moet verrichten die van de belasting over de toegevoegde waarde zijn vrijgesteld op grond van artikel 44, § 2, 1°, 2°, 3°, 4°, a), of 9°, van het BTW-Wetboek, het fiscaal wettigheidsbeginsel schendt, aangezien het begrip « omzet » onvoldoende duidelijk is. Dat begrip wordt in de wet van 28 december 2023 niet gedefinieerd en in de parlementaire voorbereiding wordt het zelfs verward met de omvang van de activiteiten. Ook uit het BTW- Wetboek kan geen betekenis van het begrip « omzet » worden afgeleid. Volgens de verzoekende partijen verwijst omzet in het algemeen naar de totale opbrengst binnen een bepaalde periode. Die omschrijving stemt evenwel niet overeen met wat boekhoudkundig als omzet wordt beschouwd. Boekhoudkundig is namelijk niet elke opbrengst ook deel van de omzet. Deze onduidelijkheid treft in het bijzonder de subsidies. Subsidies zijn vaak een belangrijke inkomstenbron van de rechtspersonen die worden beoogd met de vrijstellingen, maar zij zijn boekhoudkundig geen deel van de omzet tenzij het om prijssubsidies gaat. Overigens maken in het kader van de belasting over de toegevoegde waarde prijssubsidies ook deel uit van de maatstaf van heffing, terwijl investerings- en werkingssubsidies buiten het toepassingsgebied vallen. Tot slot is het volgens de verzoekende partijen eveneens onduidelijk of rekening moet worden gehouden met de omzet van het voorafgaande belastbare tijdperk of met de geschatte omzet van het komend jaar, en of opbrengst uit drank- of eetgelegenheden waarvoor een tolerantie bestaat, eveneens meetelt. A.14.
  29. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is, aangezien het omzetcriterium een duidelijk criterium is dat beoogt te waarborgen dat de activiteit die de wetgever wil aanmoedigen, de hoofdactiviteit is. Volgens hem is het evident dat rekening moet worden gehouden met de gerealiseerde omzet van het voorafgaande kalenderjaar. Bovendien blijkt uit artikel 3:90 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en artikel 26 van het BTW-Wetboek duidelijk dat tegemoetkomingen van de overheid in het kader van een tariferingspolitiek als compensatie voor lagere ontvangsten, in de omzet vervat zitten. Overigens verwijzen de verzoekende partijen zelf naar de relevante wettelijke definitie van omzet. Tot slot kunnen de verzoekende partijen een beroep doen op de Dienst Voorafgaande Beslissingen indien zij alsnog niet zeker zouden zijn van de interpretatie van het begrip omzet. Ten aanzien van de zaak nr. 8263 Wat het eerste middel betreft A.
  30. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 11 van de wet van 28 december 2023, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden bepaling een verschil in behandeling instelt tussen, enerzijds, rechtspersonen waarvan zowel de statutaire als de werkelijke zetel in België zijn gevestigd en, anderzijds, rechtspersonen waarvan enkel de werkelijke zetel in België is gevestigd. Alleen de eerste categorie van rechtspersonen is namelijk belastingplichtig. A.16.
  31. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste middel onontvankelijk is. Het bestreden verschil in behandeling vindt zijn oorsprong niet in de wet van 28 december 2023 maar in een wijziging van het vennootschaps- en verenigingsrecht. De verzoekende partijen bekritiseren een terminologische afstemming op het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die de bestaande regeling niet beoogt te wijzigen. A.16.
  32. De verzoekende partijen betwisten dat het middel onontvankelijk zou zijn. Volgens hen heeft de wetgever middels de bestreden bepaling zijn wil geuit om opnieuw wetgevend op te treden met betrekking tot het personele toepassingsgebied van de taks tot vergoeding van de successierechten. Hij heeft zich het bestreden verschil in behandeling opnieuw toegeëigend door toe te voegen dat de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de private stichtingen slechts onderworpen zijn indien ze worden beheerst door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, wat vereist dat zij hun statutaire zetel hebben in België. A.17.
  33. Ten gronde voeren de verzoekende partijen aan dat er voor het bestreden verschil in behandeling geen redelijke verantwoording bestaat. De taks tot vergoeding van de successierechten beoogt een compensatie te zijn voor het verlies aan successierechten. Evenwel wijkt zij, wat haar personele toepassingsgebied betreft, net af van de successierechten. Voor de successierechten is namelijk bepalend of men zijn domicilie of zetel van vermogen heeft in het Rijk, wat overeenstemt met de werkelijke zetel. Waar de belangrijkste betrokken natuurlijke personen hun woonplaats hebben, is voorts irrelevant. 10 A.17.
  34. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Volgens hem gaat de vergelijking die de verzoekende partijen maken niet op. Alleen rechtspersonen die hun statutaire zetel in België hebben, kunnen een vereniging zonder winstoogmerk, internationale vereniging zonder winstoogmerk of private stichting zijn. In zoverre de verzoekende partijen zouden vergelijken met vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen, wijst hij erop dat de wetgever een verschil in behandeling mag creëren naargelang van de gekozen rechtsvorm. De belangrijkste betrokken natuurlijke personen zullen zich overigens in beginsel bevinden in het land waar de statutaire zetel is gevestigd. Tot slot is een verwijzing naar de successierechten in dat kader niet relevant aangezien successierechten afhankelijk zijn van een overlijden, terwijl de taks tot vergoeding van de successierechten jaarlijks wordt geheven. Wat het tweede middel betreft A.
  35. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door artikel 15, 2°, b), van de wet van 28 december 2023, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Het middel bestaat uit vier onderdelen. A.19.
  36. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede middel onontvankelijk is. De verzoekende partijen hebben geen belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling. Een eventuele vernietiging zou namelijk louter tot gevolg hebben dat bepaalde rechtspersonen geen beroep meer kunnen doen op een gedeeltelijke vrijstelling. Overigens baten de verzoekende partijen geen natuurhulpcentrum of wildopvangcentrum uit waardoor zij zeker geen belang hebben bij een kritiek die daarop betrekking heeft. Tot slot is de grief die afgeleid is uit het verschil in behandeling onder private archieven naargelang zij al dan niet erkend zijn, een nieuw middel dat niet tijdig wordt geformuleerd in de memorie van antwoord. A.19.
  37. De verzoekende partijen doen gelden dat zij wel belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepaling. In het geval dat het Hof de bestreden bepaling vernietigt, dan ontstaat er voor hen een kans op een meer gunstige regeling. A.20.
  38. In het eerste onderdeel van het tweede middel, dat in hoofdorde wordt aangevoerd, voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling een verschil in behandeling creëert tussen, enerzijds, de belastingplichtigen die tot de bevoorrechte sectoren behoren en, anderzijds, de belastingplichtigen die niet tot de bevoorrechte sectoren behoren, terwijl dat verschil in behandeling niet pertinent is ten aanzien van de historische doelstelling van de taks tot vergoeding van de successierechten. In het kader van de successierechten is er geen bepaling die sommige activa uitsluit van de belastbare grondslag van de successierechten of die in een vrijstelling voorziet op basis van de activiteiten die met het vermogen van de erflater worden uitgevoerd. Bijgevolg is het niet pertinent om in het kader van de taks tot vergoeding van de successierechten in een gedeeltelijke vrijstelling te voorzien die steunt op de activiteit die met het vermogen wordt uitgeoefend. Door de taks tot vergoeding van de successierechten af te stemmen op de erfbelasting, is er voor de wetgever immers geen ruimte om in het kader van die belasting een beleid te voeren dat niet afgestemd is op de erfbelasting. A.20.
  39. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste onderdeel van het tweede middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Volgens hem dient geen rekening te worden gehouden met de historische doelstelling van de taks tot vergoeding van de successierechten maar met de specifieke doelstellingen die met de vrijstellingen worden nagestreefd. Het staat de wetgever vrij om met de taks tot vergoeding van de successierechten een afzonderlijk beleid te voeren. A.21.
  40. In het tweede onderdeel van het tweede middel, dat in ondergeschikte orde wordt aangevoerd, werpen de verzoekende partijen op dat de bestreden bepaling een verschil in behandeling creëert tussen, enerzijds, de belastingplichtigen die tot de bevoorrechte sectoren behoren en, anderzijds, de belastingplichtigen die niet tot de bevoorrechte sectoren behoren, terwijl dat verschil in behandeling niet pertinent is ten aanzien van de doelstellingen die worden nagestreefd met de gedeeltelijke vrijstellingen voor de bevoorrechte sectoren. Allereerst kan de nood aan hoogwaardige en dure infrastructuur niet verantwoorden dat alleen aan de zorgsector, maatwerkbedrijven, medische huizen, private archieven en dierenasielen een gedeeltelijke vrijstelling wordt verleend. Er zijn immers nog tal van sectoren waarin een vergelijkbare nood aan infrastructuur bestaat. Vervolgens kan het feit dat maatwerkbedrijven en medische huizen een zorgfunctie uitoefenen die soortgelijk is aan die van de belastingplichtigen van de zorgsector niet verantwoorden dat alleen zij eveneens een gedeeltelijke vrijstelling genieten. Naast de maatwerkbedrijven en medische huizen zijn er nog tal van belastingplichten die een 11 soortgelijke zorgfunctie uitoefenen, zoals belastingplichtigen die hulp aanbieden in gebieden die geen toegang hebben tot reguliere zorg. In tegenstelling tot de maatwerkbedrijven en medische huizen vervullen zij zelfs een identieke zorgfunctie. Daarnaast kan de gedeeltelijke vrijstelling voor dierenasielen niet worden verantwoord op grond van het feit dat zij een zorgfunctie voor dieren vervullen. Zij moeten immers geen echte zorgfunctie vervullen aangezien de opvang van dieren volstaat. Daartegenover staat dat belastingplichtigen die effectief zorg verlenen aan dieren of die opvang verlenen aan wilde dieren, geen vrijstelling kunnen genieten. Voorts kan de bewaarfunctie die centra voor private archieven vervullen, niet verantwoorden dat andere belastingplichtigen die erfgoed bewaren, zoals onroerend erfgoed, geen vrijstelling kunnen genieten. In ieder geval is het, aldus hun memorie van antwoord, niet verantwoord dat de toekenning van de gedeeltelijke vrijstelling afhangt van de erkenning als privaat archief door de bevoegde gemeenschap aangezien de erkenningsvoorwaarden tussen de gemeenschappen verschillen. Tot slot is de gedeeltelijke vrijstelling voor de cultuursector en de sportsector, in tegenstelling tot wat de wetgever beoogt, niet afgestemd op het beleid inzake cultuurcheques en sportcheques. A.21.
  41. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede onderdeel van het tweede middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Volgens hem berusten de criteria van onderscheid niet op een vergissing en zijn ze niet kennelijk onredelijk. De verzoekende partijen tonen ook niet aan dat de criteria van onderscheid niet pertinent zijn. Zij poneren slechts dat er nog vergelijkbare categorieën van personen bestaan, zonder evenwel te duiden waaruit hun soortgelijke of identieke activiteiten precies bestaan. In het bijzonder wijst de Ministerraad, wat de dierenasielen betreft, erop dat de wetgever een bestaand beleid met betrekking tot dierenasielen beoogt te bestendigen en te versterken. Wat de centra voor private archieven betreft, doet hij nog gelden dat de grote investeringen die nodig zijn om erfgoed te bewaren in de private archieven, een bijzonderheid is die zich niet voordoet bij onroerend erfgoed, en dat het de federale wetgever niet toekomt om erkenningsvoorwaarden te wijzigen. Wat de cultuursector en de sportsector betreft, voert hij tot slot nog aan dat uit de parlementaire stukken duidelijk blijkt dat alleen de belastingplichtigen worden beoogd die onder de btw- vrijstellingen vallen. A.22.
  42. In het derde onderdeel van het tweede middel, dat in uiterst ondergeschikte orde wordt aangevoerd, doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling creëert onder belastingplichtigen die behoren tot de zorg-, sport-, onderwijs- en cultuursector naargelang hun omzetcijfer voor meer of minder dan 50 % procent voortkomt uit de relevante activiteit die vrijgesteld is van de btw. Het is niet redelijk verantwoord dat, wanneer meer dan 50 % van de omzet voortvloeit uit de vrijgestelde activiteit, de gedeeltelijke vrijstelling kan worden genoten op het gehele vermogen, ongeacht of dat vermogen ook effectief wordt aangewend voor die activiteit, terwijl in het andere geval geen enkele vrijstelling geldt, zelfs wanneer het vermogen voor meer dan 50 % voor de beoogde activiteit wordt aangewend. Volgens de verzoekende partijen kan dat verschil in behandeling niet worden verantwoord door het feit dat een pro-rata-toepassing van de vrijstelling een administratieve overlast zou creëren en aanleiding zou geven tot vele geschillen. De belastingplichtigen moeten immers steeds al hun bezittingen aangeven en eventuele geschillen zullen voornamelijk voortvloeien uit de keuze van de wetgever om de gedeeltelijke vrijstelling te koppelen aan de btw-vrijstellingen. Volgens hen wordt er overigens nog een bijkomend onverantwoord verschil in behandeling gecreëerd, doordat de gedeeltelijke vrijstelling voor maatwerkbedrijven, medische huizen, dierenasielen en private archieven niet gekoppeld is aan enig kwantitatief criterium. A.22.
  43. De Ministerraad is van oordeel dat het derde onderdeel van het tweede middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Volgens hem beoogt de wetgever met het omzetcriterium invulling te geven aan het vereiste dat de beoogde activiteit de hoofdactiviteit is van de belastingplichten. Ten aanzien van de doelstellingen die de wetgever met de beoogde gedeeltelijke vrijstellingen nastreeft, is dat niet onredelijk. De wetgever diende daarbij niet in een pro-rata-regeling te voorzien. Hij mocht immers ervan uitgaan dat passieve bezittingen ook aangewend zullen worden voor de beoogde activiteit. Bovendien worden aldus administratieve overlast en geschillen vermeden aangezien geen oplijsting moet worden gemaakt van de aanwending van bepaalde activa en daar ook geen discussie over kan ontstaan. Tot slot is het redelijk verantwoord dat de wetgever niet met een omzetcriterium heeft gewerkt bij de maatwerkbedrijven, medische huizen, dierenasielen en private archieven aangezien zij aan erkenningsvoorwaarden zijn onderworpen. A.23.
  44. In het vierde onderdeel van het tweede middel, dat eveneens in uiterst ondergeschikte orde wordt aangevoerd, zetten de verzoekende partijen uiteen dat de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling creëert onder belastingplichtigen die behoren tot de maatwerkbedrijven, medische centra, dierenasielen en private archieven, naargelang zij al dan niet zijn erkend door de bevoegde regering. Volgens hen 12 volgt uit het arrest van het Hof nr. 10/2020 van 23 januari 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.010) dat het niet redelijk verantwoord is dat alleen belastingplichtigen die een erkenning hebben een gedeeltelijke vrijstelling kunnen genieten. Minstens geldt dat voor de maatwerkbedrijven en de private archieven aangezien voor hen de erkenning slechts optioneel is. A.23.
  45. De Ministerraad is van oordeel dat het vierde onderdeel van het tweede middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Volgens hem is het bestreden verschil in behandeling niet vergelijkbaar met dat in het voormelde arrest nr. 10/
  46. In dat arrest werden twee categorieën van rechtspersonen vergeleken met vergelijkbare activiteiten, maar waarvan één categorie niet in aanmerking kon komen voor een erkenning. In casu fungeert de erkenning als een kwaliteitslabel dat elke rechtspersoon kan nastreven en waarvan hij dus niet a priori wordt uitgesloten. Wat het derde middel betreft A.
  47. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door artikel 15, 1°, van de wet van 28 december 2023, in samenhang gelezen met artikel 19 van dezelfde wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat een onverantwoorde gelijke behandeling wordt ingesteld onder belastingplichtigen naargelang zij hun vermogen al dan niet met schulden financieren. A.25.
  48. De Ministerraad werpt op dat het derde middel onontvankelijk is. Volgens hem vloeit de bestreden gelijke behandeling voort uit artikel 150, derde lid, van het Wetboek der successierechten, dat niet is gewijzigd door de wet van 28 december
  49. A.25.
  50. De verzoekende partijen antwoorden dat het middel gericht is tegen de bruto belastbare grondslag van de taks tot vergoeding van de successierechten die voortvloeit uit de bestreden bepalingen, en niet tegen de beperkte kostenaftrek waarin artikel 150, derde lid, van het Wetboek der successierechten voorziet. Bijgevolg is het middel ontvankelijk. A.26.
  51. De verzoekende partijen zetten ten gronde uiteen dat de bestreden gelijke behandeling, die voortvloeit uit de keuze om te werken met een bruto belastbare grondslag, niet redelijk verantwoord is ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. Ten eerste kan die gelijke behandeling niet worden verantwoord ten aanzien van de doelstelling om de breedste schouders de zwaarste lasten te laten dragen, aangezien het hebben van schulden de financiële draagkracht mee bepaalt. Ten tweede gaat die gelijke behandeling in tegen de doelstelling om te voorzien in een compensatoire belasting voor het niet heffen van successierechten. In het kader van de successierechten kunnen schulden in beginsel immers wel worden afgetrokken. In het kader van de taks tot vergoeding van de successierechten is dat niet het geval tenzij het gaat om liquiditeiten en bedrijfskapitaal bestemd voor het gebruik gedurende het jaar. A.26.
  52. De Ministerraad is van oordeel dat het derde middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Hij wijst erop dat de belastbare grondslag niet zonder meer samenvalt met alle bezittingen van de belastingplichtige. In het bijzonder wordt geen rekening gehouden met liquiditeiten en bedrijfskapitaal bestemd om gedurende het jaar te worden gebruikt, waardoor de werkingsmiddelen van het jaar niet worden belast. Daarenboven is het tarief van de taks tot vergoeding van de successierechten aanzienlijk lager dan dat van de successierechten, en leidt de wet van 28 december 2023 tot een belastingvermindering voor de belastingplichtigen met een vermogen dat kleiner is dan 346 000 euro. Wat het vierde middel betreft A.
  53. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending, door artikel 15, 2°, b), van de wet van 28 december 2023, in samenhang gelezen met artikel 19 van dezelfde wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling invoeren tussen belastingplichtigen die tot de bevoorrechte sectoren behoren en belastingplichtigen die niet tot die sectoren behoren, terwijl dat verschil in behandeling niet pertinent is ten aanzien van de doelstelling om de budgettaire impact van de progressieve tarieven te neutraliseren voor de bevoorrechte sectoren. A.28.
  54. De Ministerraad werpt op dat het vierde middel onontvankelijk is. De verzoekende partijen hebben geen belang bij de vernietiging van een maatregel die volgens hen te gunstig is maar waaronder zij niet vallen. 13 Een vernietiging zou hun geen voordeel opleveren. In ieder geval kan het bestreden verschil in behandeling geen aanleiding geven tot de vernietiging van artikel 19 van de wet van 28 december
  55. A.28.
  56. De verzoekende partijen antwoorden dat de bestreden bepalingen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn aangezien de gedeeltelijke vrijstellingen zijn ingevoerd om de progressieve tarieven voor bepaalde belastingplichtigen te neutraliseren. Aangezien de vernietiging hun minstens de kans geeft op een nieuwe, meer gunstige regeling, hebben zij voorts ook belang. Het middel is bijgevolg ontvankelijk. A.29.
  57. De verzoekende partijen zetten ten gronde uiteen dat gedeeltelijke vrijstellingen voor de bevoorrechte sectoren zijn ingevoerd om de impact van de nieuwe progressieve tarieven voor hen te neutraliseren. Evenwel hebben de bestreden bepalingen een structurele belastingvermindering tot gevolg. Zij kunnen immers niet alleen een gedeeltelijke vrijstelling genieten, maar eveneens de nieuwe voetvrijstelling van 50 000 euro die steeds geldt ongeacht het vermogen van de belastingplichtige, terwijl voorheen een vrijstelling van 25 000 euro gold die verviel zodra de belastingplichtige een groter vermogen had. Daarvoor bestaat geen redelijke verantwoording, temeer daar de andere belastingplichtigen net worden onderworpen aan een belastingverhoging. A.29.
  58. De Ministerraad is van oordeel dat het vierde middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Hij wijst erop dat de nieuwe voetvrijstelling en de progressieve tarieven gelden voor alle belastingplichtigen. Bijgevolg houdt de wet van 28 december 2023 ook voor sommige belastingplichtigen die geen gedeeltelijke vrijstelling kunnen genieten een belastingverlaging in. Voor het overige maken de verzoekende partijen ten onrechte geen onderscheid tussen het doel van de algemene hervorming en het specifieke doel van de gedeeltelijke vrijstellingen voor bepaalde sectoren. Ten aanzien van de zaak nr. 8264 A.
  59. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending, door de artikelen 15, 2°, b), 12° en 13°, en 19 van de wet van 28 december 2023, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen, enerzijds, instellingen die dierenasielen beheren en instellingen waarvan minstens 75 % van het vermogen wordt aangewend voor de werking van een dierenasiel, en, anderzijds, dierenrechtenorganisaties zoals de vzw « Global Action in the Interest of Animals ». A.31.
  60. De Ministerraad werpt op dat het enige middel onontvankelijk is. Volgens hem sluit het middel niet aan bij de gevraagde vernietiging van artikel 19 van de wet van 28 december
  61. Voorts heeft de verzoekende partij volgens hem geen belang bij de vernietiging van de bestreden bepalingen aangezien een eventuele vernietiging haar geen voordeel zal opleveren. A.31.
  62. De verzoekende partij betwist dat zij geen belang zou hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen. De bestreden bepalingen houden voor haar een belastingverhoging in. De vernietiging van die bepalingen geeft haar een kans op een meer gunstige regeling. Voor het overige dient zij geen belang bij het middel aan te tonen. A.32.
  63. De verzoekende partij merkt ten gronde op dat dierenrechtenorganisaties zoals zijzelf, vergelijkbaar zijn met instellingen die dierenasielen beheren en instellingen waarvan minstens 75 % van het vermogen wordt aangewend voor de werking van een dierenasiel. Haar statutair doel is vergelijkbaar met dat van rechtspersonen die tot de tweede categorie behoren. Zij vervult eveneens een maatschappelijke zorgfunctie naar dieren toe, en zij dient om haar doel te verwezenlijken eveneens te beschikken over hoogwaardige materialen, infrastructuur en kwaliteitsvolle activa. Gelet op die gelijkenissen is het volgens haar niet redelijk om het al dan niet zelf dieren in asiel houden als criterium van onderscheid te gebruiken. De zorg voor dieren kan immers ook gebeuren door het indienen van strafklachten, het organiseren van manifestaties en door te onderhandelen met ministers en parlementsleden. Bovendien kan zij volgens haar statuten toevluchtsoorden voor dieren oprichten en dieren plaatsen voor adoptie. Door de belastbare grondslag voor de tweede categorie van personen te verminderen, wordt voorts het doel van de algemene hervorming dat erin bestaat de inkomsten te verhogen door de belasting meer af te stemmen op de erfbelasting, ook niet bereikt aangezien voor hen de verhoogde progressieve tarieven worden geneutraliseerd. Tot slot heeft het bestreden verschil in behandeling onevenredige gevolgen aangezien dierenrechtenorganisaties met een vermogen van meer dan 346 154 euro minder middelen overhouden om zich in te zetten voor hun bestaansreden. 14 A.32.
  64. De Ministerraad is van oordeel dat het enige middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Volgens hem is de verzoekende partij niet vergelijkbaar met een dierenasiel of een instelling die een dierenasiel beheert. Het indienen van strafklachten en het lobbyen is immers niet te vergelijken met het opvangen van dieren. Het feit dat zij volgens haar statuten toevluchtsoorden voor dieren kan oprichten en beheren, doet daaraan geen afbreuk. In ieder geval berust het verschil in behandeling volgens hem op een objectief criterium, namelijk het opvangen van dieren, en is het niet onevenredig. Het feit dat de verzoekende partij middelen verliest, maakt de belasting niet onevenredig, temeer daar zij over een zeer groot vermogen beschikt. Bovendien worden de werkingsmiddelen uitgesloten van de belastbare grondslag. Ten aanzien van de zaak nr. 8269 Wat het eerste middel betreft A.
  65. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 11, 12, 15 en 19 van de wet van 28 december 2023, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 27 ervan, artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling instellen tussen, enerzijds, verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en private stichtingen, en, anderzijds, stichtingen van openbaar nut (eerste onderdeel), en doordat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling instellen onder verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en private stichtingen naargelang zij al dan niet een vermindering van de belastbare grondslag kunnen genieten (tweede onderdeel). A.34.
  66. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste middel onontvankelijk is. Wat het eerste onderdeel betreft, werpt hij op dat het bestreden verschil in behandeling niet voortvloeit uit de bestreden bepalingen. Het verschil in behandeling bestond reeds vóór de wet van 28 december 2023 en de wetgever heeft op dat punt niet opnieuw wetgevend opgetreden. In ieder geval kan het bestreden verschil in behandeling geen aanleiding geven tot de vernietiging van de bestreden bepalingen aangezien het voortvloeit uit artikel 147 van het Wetboek der successierechten, zoals gewijzigd bij artikel 11 van de wet van 28 december
  67. Wat het tweede onderdeel betreft, doet hij gelden dat het bestreden verschil in behandeling geen aanleiding kan geven tot de vernietiging van de bestreden bepalingen aangezien het voortvloeit uit artikel 150 van het Wetboek der successierechten, zoals gewijzigd bij artikel 15 van de wet van 28 december
  68. Voorts hebben de verzoekende partijen geen belang bij de vernietiging van artikel 15 van de wet van 28 december 2023 aangezien het hun geen voordeel zou kunnen opleveren. De vernietiging zou louter tot gevolg kunnen hebben dat bepaalde rechtspersonen geen beroep meer kunnen doen op een gedeeltelijke vrijstelling. Tot slot zetten de verzoekende partijen niet uiteen in welk opzicht artikel 27 van de Grondwet, artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten zouden zijn geschonden. A.34.
  69. De verzoekende partijen betwisten dat het eerste middel onontvankelijk zou zijn. Zij wijzen erop dat zij belang hebben bij hun beroep aangezien zij onder het toepassingsgebied van de taks tot vergoeding van de successierechten vallen en door de bestreden bepalingen aan een aanzienlijke belastingverhoging zijn onderworpen. Daarnaast doen zij gelden dat de wetgever, ook wat het toepassingsgebied van de taks tot vergoeding van de successierechten betreft, de wil had om opnieuw wetgevend op te treden. De wet van 28 december 2023 voorziet immers in een volledige hervorming van die taks. In ieder geval moeten bestaande verschillen in behandeling opnieuw worden geëvalueerd wanneer voor een van de categorieën van personen de situatie verslechterd is. A.35.
  70. De verzoekende partijen werpen in het eerste onderdeel van het eerste middel op dat stichtingen van openbaar nut volledig vrijgesteld zijn van de taks tot vergoeding van de successierechten, terwijl bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en private stichtingen, zoals de verzoekende partijen, een doel hebben dat stichtingen van openbaar nut ook kunnen hebben, maar niet vrijgesteld zijn. Door de wet van 28 december 2023 worden zij bovendien in beginsel veel zwaarder belast dan in het verleden. Daarvoor bestaat volgens hen geen redelijke verantwoording. Het verschil in behandeling berust louter op een formeel criterium, namelijk de erkenning krachtens een koninklijk besluit, en is arbitrair aangezien het verlenen van de erkenning een discretionaire bevoegdheid van de bevoegde minister betreft. Daarnaast worden verenigingen aldus gedwongen om een erkenning als stichting van openbaar nut te verkrijgen, wat afbreuk doet aan de vrijheid van vereniging. 15 A.35.
  71. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste onderdeel van het eerste middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Volgens hem zijn de stichtingen van openbaar nut niet vergelijkbaar met de verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en private stichtingen, aangezien zij erkend moeten worden via koninklijk besluit. Minstens mag de wetgever een onderscheid maken naargelang van de rechtsvorm. Het feit dat fiscale gevolgen verschillen naargelang van de rechtsvorm, doet ook geen afbreuk aan de vrijheid van vereniging. A.36.
  72. In het tweede onderdeel van het eerste middel betogen de verzoekende partijen dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor het feit dat bepaalde categorieën van belastingplichtigen een vermindering van de belastbare grondslag hebben gekregen, terwijl zij geen vrijstelling kunnen genieten, hoewel ook zij essentiële sociale functies vervullen. Voor hen heeft dat ook onevenredige gevolgen aangezien zij veel activa hebben maar weinig middelen. A.36.
  73. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede onderdeel van het eerste middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Hij werpt op dat de wetgever specifieke sectoren heeft willen ondersteunen, op basis van pertinente criteria. De keuzes van de wetgever zijn niet kennelijk onredelijk en berusten evenmin op een vergissing. Wat het tweede middel betreft A.
  74. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 11, 12, 15 en 19 van de wet van 28 december 2023, van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, doordat de uitsluiting van de stichtingen van openbaar nut van het toepassingsgebied van de taks tot vergoeding van de successierechten het fiscaal wettigheidsbeginsel schendt. A.38.
  75. De Ministerraad betoogt dat het tweede middel niet ontvankelijk is. Volgens hem is het toepassingsgebied van de taks tot vergoeding van de successierechten niet gewijzigd door de bestreden bepalingen. In ieder geval kan het bestreden verschil in behandeling geen aanleiding geven tot de vernietiging van de bestreden bepalingen aangezien het voortvloeit uit artikel 147 van het Wetboek der successierechten, zoals gewijzigd bij artikel 11 van de wet van 28 december
  76. A.38.
  77. De verzoekende partijen betwisten dat het tweede middel niet ontvankelijk zou zijn. Zij merken op dat de wetgever, ook wat het toepassingsgebied van de taks tot vergoeding van de successierechten betreft, de wil had om opnieuw wetgevend op te treden. De wet van 28 december 2023 voorziet immers in een volledige hervorming van die taks. A.39.
  78. De verzoekende partijen voeren ten gronde aan dat de minister van Justitie in strijd met het fiscaal wettigheidsbeginsel over een discretionaire bevoegdheid beschikt om bepaalde rechtspersonen al dan niet aan de taks tot vergoeding van de successierechten te onderwerpen. Het is namelijk hij die beslist of een erkenning als stichting van openbaar nut wordt verleend. A.39.
  79. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Hij wijst erop dat de kritiek van de verzoekende partijen eigenlijk gericht is tegen artikel 2:6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Het is dat artikel dat bepaalt hoe de stichting van openbaar nut rechtspersoonlijkheid verkrijgt. Overigens is de minister verplicht om de erkenning te verlenen indien het doel bestaat in de verwezenlijking van een werk van filantropische, levensbeschouwelijke, religieuze, wetenschappelijke, artistieke, pedagogische of culturele aard. Ten aanzien van de zaak nr. 8270 A.
  80. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending, door artikel 15, 1° en 2°, b), 14° en 15°, van de wet van 28 december 2023, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat belastingplichtigen die beschermd onroerend erfgoed beheren geen vermindering van de belastbare grondslag krijgen, terwijl centra voor private archieven en belastingplichtigen waarvan minstens 75 % van het vermogen wordt aangewend voor de werking van dergelijke centra, dat voordeel wel genieten. A.41.
  81. De Ministerraad werpt op dat het enige middel onontvankelijk is. Allereerst kan het middel volgens hem in geen geval aanleiding geven tot de vernietiging van artikel 15, 1°, van de wet van 28 december
  82. Het 16 bestreden verschil in behandeling vloeit immers uitsluitend voort uit artikel 15, 2°, b), 14° en 15°, van de wet van 28 december
  83. Voorts hebben de verzoekende partijen geen belang bij de vernietiging van die bepalingen aangezien een eventuele vernietiging hun geen voordeel zal opleveren. Een eventuele vernietiging zou louter tot gevolg hebben dat er geen gedeeltelijke vrijstelling meer is voor private archieven. A.41.
  84. De verzoekende partijen betogen dat de exceptie moet worden verworpen. Volgens hen hebben zij belang bij de vernietiging van de voormelde bepalingen aangezien zij onterecht geen beroep kunnen doen op een vermindering van de belastbare grondslag. A.42.
  85. Ten gronde voeren de verzoekende partijen aan dat het om dezelfde categorie van belastingplichtigen gaat, minstens dat beide categorieën van belastingplichtigen vergelijkbaar zijn, en dat het verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. Beide categorieën van belastingplichtigen zorgen voor het behoud van erfgoed. Zij zijn daardoor beiden aan beperkingen onderworpen en moeten een zware financiële last dragen. A.42.
  86. De Ministerraad is van oordeel dat het enige middel, indien ontvankelijk, niet gegrond is. Het bestreden verschil in behandeling berust op een objectief criterium en is redelijk verantwoord. Alleen voor de private archieven geldt namelijk dat zij, om het erfgoed te beschermen, grote investeringen moeten doen in de onroerende goederen waarin de private archieven gevestigd zijn. Daarnaast hebben private archieven minder mogelijkheden om extra inkomsten te verkrijgen aangezien zij slechts beperkt publiek toegankelijk zijn en een zeer specifieke functie hebben. Eigenaars van onroerend erfgoed kunnen daarentegen bijvoorbeeld betaalde bezoeken en tentoonstellingen organiseren. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.43.
  87. De Ministerraad verzoekt het Hof om, in geval van een gedeeltelijke of volledige vernietiging van de bestreden bepalingen, de gevolgen te handhaven. Volgens hem kan de vernietiging immers leiden tot tal van budgettaire en administratieve moeilijkheden en procedures. De handhaving zou in ieder geval nodig zijn indien de vernietiging van een vrijstelling tot gevolg zou hebben dat de verzoekende partijen een voordeel genieten dat zij niet zouden hebben genoten indien de wetgever in geen vrijstelling had voorzien. A.43.2 De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8257, 8263 en 8264 zijn van mening dat de gevolgen niet mogen worden gehandhaafd. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8257 werpen op dat de Ministerraad het verzoek tot handhaving onvoldoende motiveert, dat het moeten terugbetalen van onwettige belastingen steeds een budgettaire impact heeft en bijgevolg op zich geen rechtvaardiging voor een handhaving vormt, dat de wetgever op de hoogte was van de mogelijke ongrondwettigheid en dat de handhaving net aanleiding zal geven tot procedures aangezien belastingplichtigen dan via de gewone rechter rechtsherstel zullen willen verkrijgen. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8263 voeren op hun beurt aan dat de budgettaire impact van een vernietiging beperkt is aangezien de opbrengst beperkt is en de hervorming maar enkele jaren uitwerking zal hebben gehad, dat het eventueel terug te betalen bedrag makkelijk te bepalen is en de procedures gekend zijn, dat de handhaving net tot procedures aanleiding zal geven en dat de wetgever op de hoogte was van mogelijke ongrondwettigheden. De verzoekende partij in de zaak nr. 8264 doet tot slot gelden dat de handhaving de wetgever zal aanzetten om in de toekomst meer ongrondwettige initiatieven te nemen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
  88. De beroepen tot vernietiging hebben betrekking op de artikelen 11 tot 15, 18 en 19 van de wet van 28 december 2023 « houdende diverse fiscale bepalingen » (hierna : de wet van 28 december 2023), die alle deel uitmaken van titel 3 (« Wijzigingen van het Wetboek der 17 successierechten betreffende de taks tot vergoeding der successierechten »), hoofdstuk 1 (« Wijzigingen van het Wetboek der successierechten »), van die wet. B.2.
  89. Zoals het opschrift van titel 3 van de wet van 28 december 2023 aangeeft, brengen de bepalingen die ervan deel uitmaken wijzigingen aan in het Wetboek der successierechten met betrekking tot de taks tot vergoeding der successierechten. De wetgever beoogt met die bepalingen de taks tot vergoeding der successierechten te moderniseren (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3607/005, p. 4). B.2.
  90. De taks tot vergoeding der successierechten werd ingevoerd bij de wet van 27 juni 1921 « waarbij aan de vereenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend » (hierna : de wet van 27 juni 1921), meer bepaald bij titel III (« Fiscale bepalingen ») van die wet. Luidens de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet strekt de taks tot vergoeding der successierechten ertoe de niet-inning, door de Staat, van normaal in geval van overlijden verschuldigde rechten van overgang te compenseren, niet-inning die het gevolg is van de eeuwigdurende bestemming van de verenigingen zonder winstoogmerk (de zogenaamde « dode hand ») : « De verandering, door het ontwerp aan het stelsel der vereenigingen zonder winstgevend doel toegebracht [namelijk het verlenen van rechtspersoonlijkheid] heeft noodzakelijk ten gevolge dat ook de fiscale wetgeving in zake de ten dienste dezer organismen aangewende goederen, dient gewijzigd. Onder het huidig stelsel behoort de eigendom van die goederen naar rechten aan tusschengestelde natuurlijke personen. Bij overlijden van ieder der schijnbare eigenaars, wordt door den Staat, op de waarde der goederen, hetzij rechten wegens overgang onder de levenden, hetzij erfenisrechten geheven [...]. Met het nieuw stelsel berust het eigendomsrecht der goederen bij het hoofd der vereeniging zelve, die een zedelijk lichaam is, en dit recht is onveranderlijk, zoolang de vereeniging blijft bestaan. Daar de goederen niet meer op anderen overgaan, zal de schatkist door dit feit de opbrengst van registratie- en erfenisrechten, die zij thans beurt, moeten derven. Het is dan ook billijk den Staat schadeloos te stellen voor het verlies aan belasting dat het invoeren van het nieuwe stelsel ten gevolge zal hebben » (Parl. St., Kamer, 1919-1920, nr. 375, memorie van toelichting, p. 1). Het « verslag der raadgevende commissie » vermeldt : 18 « Ongetwijfeld is het feit, dat velen wantrouwend staan tegenover de rechtspersoonlijkheid zelve - begrip waaraan men, naar ouder gewoonte, gemakkelijk het gevreesde begrip der doode hand vastknoopt - aanleiding geweest dat in ons land een rationeele en methodische wetgeving op de zedelijke lichamen zoolang is uitgebleven » (Parl. St., Kamer, 1919-1920, nr. 375, bijlage, verslag der raadgevende commissie, p. 3). De minister van Financiën heeft in 1998, in antwoord op een parlementaire vraag, erop gewezen dat de ratio legis van de invoering van de taks tot vergoeding der successierechten – die erin bestaat de Schatkist te compenseren voor gederfde successierechten – nog steeds geldt : de handhaving van die taks is gegrond omdat de reden waarom de taks destijds werd ingevoerd, blijft bestaan (Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, 7 september 1998, QRVA 49-142, pp. 19555-19557). B.3.
  91. De artikelen 11 tot 14 van de wet van 28 december 2023 hebben betrekking op het toepassingsgebied en de volledige vrijstellingen van de taks tot vergoeding der successierechten, zoals vervat in de artikelen 147 tot 149 van het Wetboek der successierechten. Vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen, bepaalden die laatste artikelen : « Art.
  92. De verenigingen zonder winstoogmerk en de private stichtingen zijn vanaf 1 januari volgend op de datum van hun oprichting onderworpen aan een jaarlijkse taks tot vergoeding van de successierechten. Art.
  93. Aan de taks zijn onderworpen : 1° de verenigingen zonder winstoogmerk na 10 juli 1921 opgericht; 2° de inrichtingen en verenigingen zonder winstoogmerk die rechtspersoonlijkheid verkregen hebben bij de wetten van 7 augustus 1919, van 12 maart en van 25 mei 1920; 3° de private stichtingen; 4° de internationale verenigingen zonder winstoogmerk. Art. 148bis. De inrichtingen en verenigingen zonder winstoogmerk, de private stichtingen en de internationale verenigingen zonder winstoogmerk waarvan het geheel van de bezittingen bedoeld in artikel 150 een waarde heeft die 25.000 EUR niet overschrijdt, zijn niet aan de taks onderworpen. Art.
  94. Zijn van de taxe vrijgesteld : 1° de gemachtigde compensatiekassen voor kindertoeslagen en de gemachtigde onderlinge kassen voor kindertoeslagen; 19 2° de inrichtingen en verenigingen zonder winstoogmerken die rechtspersoonlijkheid vóór 11 juli 1921 hebben verkregen, andere dan deze waarover het gaat in het 2° van vorig artikel; 3° de erkende pensioenkassen voor zelfstandigen; 4° de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, voor wat betreft de onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs en de verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die tot uitsluitend doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voornoemde inrichtende machten wordt verstrekt; 5° de verenigingen zonder winstoogmerk, private stichtingen of internationale verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die door de bevoegde overheid zijn erkend als terreinbeherende natuurverenigingen en die tot uitsluitend doel hebben natuurpatrimonium aan te kopen en te beheren in functie van het behoud van het natuurlijk erfgoed van België, en voor zover dit patrimonium als natuurgebied wordt beheerd en, desgevallend begeleid, toegankelijk is voor het publiek; 5° (sic) de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting ». B.3.
  95. De artikelen 11 tot 14 van de wet van 28 december 2023 wijzigen die bepalingen als volgt : - artikel 11 van de wet van 28 december 2023 vervangt in artikel 147 van het Wetboek der successierechten de woorden « en de private stichtingen » door de woorden « , de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de private stichtingen, beheerst door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, »; - de artikelen 12 en 13 van de wet van 28 december 2023 heffen respectievelijk de artikelen 148 en 148bis van het Wetboek der successierechten op; - artikel 14 van de wet van 28 december 2023 vervangt in artikel 149 van het Wetboek der successierechten het woord « taxe » door het woord « taks », heft in hetzelfde artikel de bepaling onder 2° op, vernummert eveneens in hetzelfde artikel de laatste bepaling onder 5° tot 6°, en vervangt opnieuw in hetzelfde artikel de bepaling onder 3° door de volgende bepaling : « 3° de verenigingen zonder winstoogmerk belast door of krachtens de wet met het beheer van de betaling van wettelijke pensioenen; ». 20 B.4.
  96. Artikel 15 van de wet van 28 december 2023 brengt wijzigingen aan in artikel 150 van het Wetboek der successierechten, dat de bezittingen bepaalt die onderworpen zijn aan de taks tot vergoeding der successierechten. Vóór de wijziging ervan bij artikel 15 van de wet van 28 december 2023, bepaalde dat laatste artikel : « De belasting is verschuldigd op het geheel van de bezittingen van de inrichting, de vereniging zonder winstoogmerk, private stichting of internationale vereniging zonder winstoogmerk. Daaronder zijn evenwel niet begrepen : 1° de nog verschuldigde en niet gekapitaliseerde intresten, rentetermijnen, huur- en pachtgelden en, meer in het algemeen, burgerlijke vruchten van welke aard ook, alsmede jaarlijkse bijdragen en inschrijvingsgelden; 2° de al dan niet genoten natuurlijke vruchten; 3° de liquiditeiten en het bedrijfskapitaal bestemd om gedurende het jaar verbruikt te worden voor de activiteit van de vereniging of stichting; 4° de in het buitenland gelegen onroerende goederen; 5° de effecten uitgegeven door vennootschappen waarvan de vereniging of stichting als bezitter-emittent wordt aangemerkt krachtens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of, indien de vennootschap niet door dat Wetboek wordt beheerst, overeenkomstig de bepalingen van het recht dat haar beheerst, op voorwaarde dat de certificaten krachtens artikel 13, § 1, eerste lid, van de wet van 15 juli 1998 betreffende de certificatie van effecten uitgegeven door handelsvennootschappen voor de toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gelijkgesteld worden met de effecten waarop ze betrekking hebben. Van het in het eerste lid bedoelde geheel van de bezittingen kunnen geen lasten in mindering worden gebracht, met uitzondering van : 1° de nog niet betaalde termijnen van hypothecaire leningen, mits de hypotheek is gevestigd op goederen van de vereniging of stichting en minstens 50 % van de hoofdsom van de lening waarborgt; 2° de door de vereniging of stichting als algemene legataris van een nalatenschap nog uit te voeren legaten van een geldsom. Op de belasting ingesteld bij artikel 147 zijn de bepalingen van boek I betreffende de belastinggrondslag en betreffende de rechtsregeling van de voorwaardelijke en betwiste bezittingen van overeenkomstige toepassing, met uitzondering evenwel van artikel 21, III. Voor financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet, bestaat de belastinggrondslag in de beurswaarde ervan. Onder 21 beurswaarde wordt verstaan de slotkoers van een financieel instrument, zoals die als koersinformatie beschikbaar is in de gespecialiseerde pers of in gespecialiseerde elektronisch raadpleegbare bronnen. De waarden moeten worden aangegeven overeenkomstig de beurswaarde ervan op de eerste openingsdag van de beurs in de maanden januari, februari of maart. Wanneer er op een van die data geen notering is, kunnen de waarden ook worden aangegeven volgens de beurswaarde ervan op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld. Indien er op de gekozen datum voor bepaalde van de aan te geven waarden wel en voor andere geen notering is, moeten laatstbedoelde waarden worden aangegeven volgens de beurswaarden op de eerstvolgende dag waarop er wel een notering is. De aangever mag slechts een van de voormelde data kiezen, die zal gelden voor al de aan te geven waarden. De aangever geeft zijn keuze op in de aangifte, waarin hij tevens de door hen geraadpleegde bron voor de opgegeven beurswaarden vermeldt ». B.4.
  97. Artikel 15 van de wet van 28 december 2023 wijzigt die bepaling als volgt : « [...] 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : ‘ De taks is verschuldigd op het geheel van de bezittingen, waar zij zich ook bevinden, van de belastingplichtigen. ’; 2° het tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de bepaling onder 4° wordt opgeheven; b) het lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 6° tot 15° luidende : ‘ 6° tot beloop van 62,3 percent van hun waarde, de bezittingen van een belastingplichtige die in aanmerking komt voor de in artikel 44, § 2, 1°, 2°, 3°, 4°, a), of 9°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde en die, voor meer dan de helft van zijn omzet, handelingen verricht die van de belasting op de toegevoegde waarde zijn vrijgesteld op grond van dat artikel; 7° tot beloop van 62,3 percent van hun waarde, de bezittingen van een belastingplichtige waarvan minstens 75 percent van het patrimonium wordt aangewend door een instelling bedoeld in de bepaling onder 6° tot de realisatie van handelingen bedoeld in artikel 44, § 2, 1°, 2°, 3°, 4°, a), of 9°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde; 8° tot beloop van 62,3 percent van hun waarde, de bezittingen van de maatwerkbedrijven die opgericht of erkend zijn door de bevoegde gewestelijke regering of instelling; 9° tot beloop van 62,3 percent van hun waarde, de bezittingen van een belastingplichtige waarvan minstens 75 percent van het patrimonium wordt aangewend voor de werking van een maatwerkbedrijf bedoeld in de bepaling onder 8°; 10° tot beloop van 62,3 percent van hun waarde, de bezittingen van : 22 a) de medische huizen bedoeld in artikel 32, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; b) de andere medische huizen, geïntegreerde gezondheidsverenigingen en wijkgezondheidscentra, erkend door de bevoegde gewest- of gemeenschapsoverheid; 11° tot beloop van 62,3 percent van hun waarde, de bezittingen van een belastingplichtige waarvan minstens 75 percent van het patrimonium wordt aangewend voor de werking van een medisch huis, geïntegreerde gezondheidsvereniging of wijkgezondheidscentrum bedoeld in de bepaling onder 10°; 12° tot beloop van 62,3 percent van hun waarde, de bezittingen van de instellingen die tot doel hebben dierenasielen te beheren en die de erkenning hebben gekregen bedoeld in artikel 5 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren of in artikel D.32 van het Waalse Dierenwelzijnwetboek; 13° tot beloop van 62,3 percent van hun waarde, de bezittingen van een belastingplichtige waarvan minstens 75 percent van het patrimonium wordt aangewend voor de werking van een dierenasiel bedoeld in de bepaling onder 12°; 14° tot beloop van 62,3 percent van hun waarde, de bezittingen van de centra voor private archieven die erkend zijn door de bevoegde gemeenschapsregering of -instelling; 15° tot beloop van 62,3 percent van hun waarde, de bezittingen van een belastingplichtige waarvan minstens 75 percent van het patrimonium wordt aangewend voor de werking van een centrum voor private archieven bedoeld in de bepaling onder 14 ’; 3° in het vierde lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de woorden ‘ en betreffende de rechtsregeling van de voorwaardelijke en betwiste bezittingen ’ worden opgeheven; b) het woord ‘ belasting ’ wordt vervangen door het woord ‘ taks ’ ». B.4.
  98. Artikel 44, § 2, 1°, 2°, 3°, 4°, a), en 9°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : het BTW-Wetboek), waarnaar verwezen wordt in artikel 15 van de wet van 28 december 2023, bepaalt : « Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld : 1° a) de ziekenhuisverpleging en de medische verzorging alsmede de diensten en de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen, verricht door ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, klinieken en dispensaria. Deze vrijstelling is niet van toepassing op de diensten die betrekking hebben op ingrepen en behandelingen zonder therapeutisch doel. 23 De diensten en leveringen van goederen zijn uitgesloten van de in het eerste lid bedoelde vrijstelling in de volgende gevallen : - wanneer zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen; - wanneer zij in hoofdzaak ertoe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen die worden verricht in rechtstreekse mededinging met aan de belasting onderworpen handelingen van commerciële ondernemingen; b) het vervoer van zieken of gewonden met speciaal daartoe uitgeruste vervoermiddelen; [...] 2° de diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk, met de sociale zekerheid en met de bescherming van kinderen en jongeren en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend. Worden met name bedoeld : - de instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben; - de kinderbewaarplaatsen, de zuigelingentehuizen en de instellingen die in hoofdzaak het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben; - de instellingen voor gezinshulp; - de centra voor levens- en gezinsvragen; - de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen; - de psycho-medisch-sociale centra en de centra voor leerlingenbegeleiding; - de instellingen die de gehandicaptenzorg tot doel hebben; - de instellingen die de begeleiding, de omkadering of de opvang van personen die zich in materiële of morele moeilijkheden bevinden tot doel hebben; - de instellingen bedoeld in het koninklijk besluit van 17 december 2003 betreffende de subsidiëring van instellingen die voorzien in een gespecialiseerde begeleiding voor burgers die betrokken zijn in een gerechtelijke procedure; - de externe diensten erkend bij het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk en de gemeenschappelijke interne diensten die voldoen aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 27 oktober 2009 betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk; 24 3° de diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen, wanneer die exploitanten en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en zij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan; 4° a) het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van het verrichten van nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikt didactisch materiaal, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichamen met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de voornoemde diensten; [...] 9° de organisatie van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, van tentoonstellingen, concerten of conferenties alsook de leveringen van goederen die nauw samenhangen met deze diensten door instellingen erkend door de bevoegde overheid, mits de inkomsten die zij verkrijgen uit hun werkzaamheid uitsluitend gebruikt worden tot dekking van de kosten ervan; ». B.
  99. Artikel 18 van de wet van 28 december 2023 voegt in het Wetboek der successierechten een artikel 151/1 in, dat bepaalt : « De in artikel 147 bedoelde instellingen zijn vrijgesteld van het indienen van een aangifte wanneer hun belastbare bezittingen de in artikel 152 bedoelde eerste schijf niet overschrijden ». B.
  100. Artikel 19 van de wet van 28 december 2023 vervangt tot slot artikel 152 van het Wetboek der successierechten. Dat artikel, waarnaar in artikel 151/1 van hetzelfde Wetboek wordt verwezen, bepaalt het tarief : « De taks wordt geheven volgens het tarief in de onderstaande tabel aangeduid : - niets op de eerste schijf van 50.000 euro; - op de schijf van 50.000,01 tot 250.000 euro : 0,15 percent; - op de schijf van 250.000,01 tot 500.000 euro : 0,30 percent; - boven 500.000 euro : 0,45 percent ». 25 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen Wat betreft de omvang van de beroepen B.7.
  101. Het Hof dient de omvang van de beroepen tot vernietiging te bepalen op basis van de inhoud van de verzoekschriften. Het Hof kan enkel uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd en, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd. B.7.
  102. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8249 vorderen de vernietiging van de artikelen 11 tot 15 van de wet van 28 december
  103. Het verzoekschrift tot vernietiging bevat evenwel uitsluitend grieven tegen artikel 15, 2°, b), van de wet. B.7.
  104. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8253 vorderen de vernietiging van de artikelen 11, 14, 15, 18 en 19 van de wet van 28 december
  105. Het verzoekschrift tot vernietiging bevat evenwel uitsluitend grieven tegen de artikelen 11, 15, 1° en 2°, b), en 19 van de wet. B.7.
  106. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8257 vorderen de vernietiging van en richten grieven tegen de artikelen 15, 2°, b), en 19, uitgezonderd de invoeging in artikel 152 van het Wetboek der successierechten van de voetvrijstelling op de eerste schijf van 50 000 euro, van de wet van 28 december
  107. B.7.
  108. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8263 vorderen de vernietiging van en richten grieven tegen de artikelen 11, 15, 1° en 2°, b), en 19 van de wet van 28 december
  109. B.7.
  110. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8264 vorderen de vernietiging van en richten grieven tegen artikel 15, 2°, b), 12° en 13°, van de wet van 28 december
  111. 26 B.7.
  112. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8269 vorderen de vernietiging van de artikelen 11, 12, 15 en 19 van de wet van 28 december
  113. Het verzoekschrift tot vernietiging bevat evenwel uitsluitend grieven tegen de artikelen 11, 12 en 15, 2°, b), van de wet. B.7.
  114. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8270 vorderen de vernietiging van artikel 15, 1° en 2°, b), 14° en 15°, van de wet van 28 december
  115. Het verzoekschrift tot vernietiging bevat evenwel uitsluitend grieven tegen artikel 15, 2°, b), 14° en 15°, van de wet. B.7.
  116. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen grieven worden geformuleerd. Wat betreft de ontvankelijkheid ratione temporis B.8.
  117. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof moet een beroep tot vernietiging worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de bestreden norm. Wanneer een wetgever in nieuwe wetgeving een oude bepaling overneemt en zich op die wijze de inhoud ervan toe-eigent, kan tegen de overgenomen bepaling een beroep worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking ervan. Wanneer de wetgever zich evenwel beperkt tot een louter legistieke of taalkundige ingreep of tot een coördinatie van bestaande bepalingen, wordt hij niet geacht opnieuw wetgevend op te treden en zijn de grieven ratione temporis onontvankelijk in zoverre zij in werkelijkheid tegen de voorheen reeds bestaande bepalingen zijn gericht. B.8.
  118. De bestreden artikelen 11 en 12 van de wet van 28 december 2023 hebben respectievelijk artikel 147 van het Wetboek der successierechten gewijzigd en artikel 148 van hetzelfde Wetboek opgeheven. B.8.
  119. Vóór de wijziging ervan bij artikel 11 van de wet van 28 december 2023 bepaalde artikel 147 van het Wetboek der successierechten dat de verenigingen zonder winstoogmerk en de private stichtingen vanaf 1 januari volgend op de datum van hun oprichting onderworpen 27 zijn aan een jaarlijkse taks tot vergoeding van de successierechten. Artikel 148 van hetzelfde Wetboek bepaalde, vóór het werd opgeheven bij artikel 12 van de wet van 28 december 2023, dat de verenigingen zonder winstoogmerk na 10 juli 1921 opgericht, de inrichtingen en verenigingen zonder winstoogmerk die rechtspersoonlijkheid verkregen hebben bij de wetten van 7 augustus 1919, van 12 maart en van 25 mei 1920, de private stichtingen en de internationale verenigingen zonder winstoogmerk aan de taks zijn onderworpen. De bestreden artikelen 11 en 12 van de wet van 28 december 2023 herdefiniëren het toepassingsgebied van de taks tot vergoeding der successierechten in het licht van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en brengen die regels onder in één bepaling. Krachtens artikel 147 van het Wetboek der successierechten, zoals gewijzigd bij artikel 11 van de wet van 28 december 2023, zijn de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de private stichtingen, beheerst door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen vanaf 1 januari volgend op de datum van hun oprichting onderworpen aan een jaarlijkse taks tot vergoeding van de successierechten. B.8.
  120. Die ingrepen zijn louter legistiek van aard. De bestreden artikelen 11 en 12 van de wet van 28 december 2023 wijzigen het toepassingsgebied van de taks tot vergoeding van de successierechten niet. De taks blijft van toepassing op de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de private stichtingen, vanaf 1 januari volgend op de datum van hun oprichting. Weliswaar worden de inrichtingen en verenigingen zonder winstoogmerk die rechtspersoonlijkheid verkregen hebben bij de wetten van 7 augustus 1919, van 12 maart en van 25 mei 1920, niet meer vermeld, maar die categorie van rechtspersonen betrof reeds op het moment van de invoering van de taks tot vergoeding der successierechten een uitdovende categorie. Krachtens artikel 61, eerste lid, van de wet van 27 juni 1921 zijn die rechtspersonen aan de bepalingen van de wet van 27 juni 1921 onderworpen en dienden zij hun statuten in overeenstemming daarmee te brengen binnen drie maanden na de inwerkingtreding van die wet. De toevoeging van de zinsnede « beheerst door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen » door het bestreden artikel 11 van de wet van 28 december 2023 doet niet anders besluiten. Die toevoeging is een loutere explicitering van het feit dat de betrokken rechtsvormen moeten worden begrepen in de zin van het gemeen recht ter zake, zijnde het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Dat was vóór de bestreden wijzigingen niet anders 28 aangezien het Wetboek der successierechten geen eigen definitie van vereniging zonder winstoogmerk, internationale vereniging zonder winstoogmerk en private stichting bevat. Sinds de inwerkingtreding van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen werd het toepassingsgebied van de taks tot vergoeding der successierechten bijgevolg reeds mee bepaald door dat Wetboek. B.8.
  121. De middelen in de zaak nr. 8253 in zoverre ze gericht zijn tegen artikel 11 van de wet van 28 december 2023, het eerste middel in de zaak nr. 8263, het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8269 in zoverre het gericht is tegen de artikelen 11 en 12 van de wet van 28 december 2023, en het eerste onderdeel van het eerste middel en het tweede middel in de zaak nr. 8269 zijn ratione temporis onontvankelijk. Wat betreft het belang B.9.
  122. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Opdat de verzoekende partij van het vereiste belang doet blijken, is niet vereist dat een eventuele vernietiging haar een onmiddellijk voordeel zou opleveren. De omstandigheid dat zij, als gevolg van de indiening van haar beroep, opnieuw een kans zou kunnen krijgen dat haar situatie in gunstigere zin wordt geregeld, volstaat om haar belang te verantwoorden. B.9.
  123. De verzoekende partijen zijn rechtspersonen die aan de taks tot vergoeding der successierechten zijn onderworpen. Zij hebben belang bij het aanvechten van de bestreden bepalingen die de taks tot vergoeding der successierechten hervormen op een wijze die voor hen een belastingverhoging inhoudt. B.9.
  124. Wanneer de verzoekende partijen doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen, moeten zij daarbovenop niet doen blijken van een belang bij de middelen die zij aanvoeren. 29 Ten aanzien van de middelen B.
  125. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Het Hof onderzoekt de middelen in zoverre ze aan die vereisten voldoen. B.
  126. Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in de regel dat van de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II en met de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet voorafgaan. Het Hof onderzoekt bijgevolg eerst het tweede middel in de zaak nr. 8253, dat is afgeleid uit de schending van het evenredigheidsbeginsel en de federale loyauteit. Het Hof onderzoekt vervolgens de middelen die zijn afgeleid uit de schending van de grondrechten. Wat betreft het evenredigheidsbeginsel en de federale loyauteit B.12.
  127. Het tweede middel in de zaak nr. 8253 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 15, 1° en 2°, b), en 19 van de wet van 28 december 2023, van het bevoegdheidsrechtelijk evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van de federale loyauteit, bepaald in artikel 143, § 1, van de Grondwet. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen het fiscaal beleid van de gewesten doorkruisen, doordat de wetgever heeft gekozen voor een belastbare grondslag die afwijkt van de belastbare grondslag in de erfbelasting, en doordat de bestreden bepalingen een belastingverhoging inhouden die goede doelen treft, terwijl het Vlaamse Gewest in de erfbelasting en in de onroerende voorheffing goede doelen fiscaal ondersteunt. B.12.
  128. De Vlaamse Regering, die het tweede middel in de zaak nr. 8253 onderschrijft, voert aan dat de artikelen 15, 1°, en 19 van de wet van 28 december 2023 het 30 bevoegdheidsrechtelijk evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de federale loyauteit, bepaald in artikel 143, § 1, van de Grondwet, schenden, doordat zij de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheid inzake successierechten op overdreven wijze bemoeilijken en het subsidiebeleid van de Vlaamse Gemeenschap doorkruisen, en zulks bovendien zonder voorafgaand overleg of raadpleging. B.
  129. Artikel 143, § 1, van de Grondwet bepaalt : « Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht ». De inachtneming van de federale loyauteit veronderstelt dat, wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, de federale overheid en de deelentiteiten het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet verstoren. De federale loyauteit betreft meer dan de loutere uitoefening van bevoegdheden : zij geeft aan in welke geest dat moet geschieden. Het beginsel van de federale loyauteit verplicht elke wetgever erover te waken dat de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid de uitoefening, door de andere wetgevers, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. Te dezen voegt de inachtneming van het door de verzoekende partijen in de zaak nr. 8253 en de Vlaamse Regering aangehaalde evenredigheidsbeginsel niets toe aan het beginsel van de federale loyauteit. B.
  130. Met de aanneming van de bestreden bepalingen heeft de federale wetgever een bevoegdheid uitgeoefend die hem eigen is, namelijk de fiscale bevoegdheid die hem is toegewezen bij artikel 170, § 1, van de Grondwet. Het komt de wetgever die bevoegd is om de belasting te heffen, toe die belasting te wijzigen. B.15.
  131. Een wijziging van de belastbare grondslag van de taks tot vergoeding der successierechten, die de belastbare grondslag niet afstemt op die van het successierecht, kan op zich niet worden beschouwd als een maatregel die de uitoefening, door de gewesten, van hun bevoegdheid met betrekking tot het successierecht van rijksinwoners en het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. Hoewel de taks tot vergoeding der successierechten ingevoerd is om de Schatkist te compenseren voor gederfde successierechten, betreft het een op zichzelf staande belasting. 31 B.15.
  132. De omstandigheid dat de federale wetgever niet heeft voorzien in een algemene aftrek van lasten van de belastbare grondslag die in principe alle bezittingen betreft, en tegelijk de tarieven heeft hervormd op een wijze die voor verscheidene belastingplichtigen een verhoging inhoudt, doet niet anders besluiten. In zoverre de gewesten ervoor kiezen om legaten aan rechtspersonen die onderworpen zijn aan de taks tot vergoeding der successierechten niet of tegen een lager tarief te belasten in de erfbelasting, wordt dat beleid niet doorkruist door de bestreden bepalingen. Allereerst kan de belastingplichtige de als algemene legataris van een nalatenschap nog uit te voeren legaten van een geldsom in mindering brengen van de belastbare grondslag (artikel 150, derde lid, 2°, van het Wetboek der successierechten). Daarnaast wordt het legaat maar effectief onderworpen aan de taks tot vergoeding der successierechten indien het niet bestemd is om gedurende het jaar gebruikt te worden voor de activiteit van de vereniging of stichting (artikel 150, tweede lid, 3°, van het Wetboek der successierechten). Voorts zijn de nieuwe tarieven niet dermate hoog dat zij een wezenlijke invloed hebben op het gewestelijk beleid. Het legaat wordt hoogstens belast tegen een tarief van 0,45 %. Afhankelijk van de waarde van de belastbare bezittingen, kan dat tarief evenwel ook 0 %, 0,15 % of 0,30 % zijn en dus zelfs lager liggen dan het oude tarief van 0,17 % (artikel 152 van het Wetboek der successierechten, zoals vervangen bij artikel 19 van de wet van 28 december 2023). Gelet op het voorgaande, doorkruisen de bestreden bepalingen evenmin het subsidiebeleid van de gemeenschappen en gewesten, en maken zij de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheid inzake de onroerende voorheffing niet onmogelijk of overdreven moeilijk. Wat het niet in aanmerking nemen van lasten betreft, maakt artikel 150, derde lid, 1°, van het Wetboek der successierechten overigens nog een uitzondering voor de nog niet betaalde termijnen van hypothecaire leningen, mits de hypotheek is gevestigd op goederen van de vereniging of stichting en minstens 50 % van de hoofdsom van de lening waarborgt. B.15.
  133. Tot slot vereist de inachtneming van de federale loyauteit te dezen niet dat een vorm van overleg of van samenwerking plaatsheeft vóór de aanneming van de bestreden bepalingen. B.
  134. Het tweede middel in de zaak nr. 8253 is niet gegrond. 32 Wat betreft de grondrechten De (on)mogelijkheid om schulden af te trekken B.
  135. Het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8257 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 15, 2°, b), en 19 van de wet van 28 december 2023, uitgezonderd de invoeging in artikel 152 van het Wetboek der successierechten van de voetvrijstelling op de eerste schijf van 50 000 euro, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. De verzoekende partijen werpen op dat het doel van de invoeging van de progressieve tarieven, zijnde uitvoering geven aan het draagkrachtbeginsel, niet wordt bereikt, doordat schulden in beginsel niet in aanmerking worden genomen, waardoor belastingplichtigen met een gelijk vermogen verschillend worden behandeld en belastingplichtigen met een verschillend vermogen gelijk worden behandeld. Het derde middel in de zaak nr. 8263 is afgeleid uit de schending, door artikel 15, 1°, van de wet van 28 december 2023, in samenhang gelezen met artikel 19 van dezelfde wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. De verzoekende partijen voeren aan dat een onverantwoorde gelijke behandeling wordt ingesteld onder belastingplichtigen naargelang zij hun vermogen al dan niet met schulden financieren, doordat de belastbare grondslag wordt bepaald zonder rekening te houden met schulden. B.
  136. De door de verzoekende partijen aangevoerde grieven vloeien niet voort uit de bestreden bepalingen, maar uit het niet bestreden en niet bij de wet van 28 december 2023 gewijzigde artikel 150, derde lid, van het Wetboek der successierechten. Krachtens die bepaling kunnen geen lasten in mindering worden gebracht, met uitzondering van 1) de nog niet betaalde termijnen van hypothecaire leningen, mits de hypotheek is gevestigd op goederen van de vereniging of stichting en minstens 50 % van de hoofdsom van de lening waarborgt, en 2) de door de vereniging of stichting als algemene legataris van een nalatenschap nog uit te voeren legaten van een geldsom. Het komt bijgevolg het Hof niet toe, in het kader van de onderhavige beroepen, na te gaan of de aangevoerde grieven gegrond zijn. 33 B.
  137. Het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8257 en het derde middel in de zaak nr. 8263 zijn niet gegrond. De gedeeltelijke verminderingen van de belastbare grondslag B.
  138. Het eerste middel in de zaak nr. 8253 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 15, 1° en 2°, b), en 19 van de wet van 28 december 2023, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling instellen tussen, enerzijds, rechtspersonen die aan de taks tot vergoeding der successierechten zijn onderworpen maar een gedeeltelijke vrijstelling kunnen genieten en, anderzijds, rechtspersonen die aan de taks tot vergoeding der successierechten zijn onderworpen en geen vrijstelling kunnen genieten. B.21.
  139. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.21.
  140. Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt, in fiscale aangelegenheden, een bijzondere toepassing van het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.21.
  141. Bij het bepalen van zijn beleid in fiscale zaken beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Het Hof vermag de beleidskeuzen van de wetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste 34 vergissing zouden berusten of indien zij zonder redelijke verantwoording zouden zijn. Bovendien dient een fiscale wet een verscheidenheid aan toestanden noodzakelijkerwijze op te vangen in categorieën die met de werkelijkheid slechts op vereenvoudigende en benaderende wijze overeenstemmen. B.
  142. Artikel 15, 2°, b), van de wet van 28 december 2023 voorziet voor de in de bepaling vermelde belastingplichtigen in een uitzondering op het principe dat de taks tot vergoeding der successierechten verschuldigd is op het geheel van de bezittingen van de belastingplichtigen, waar zij zich ook bevinden (artikel 150, eerste lid, van het Wetboek der successierechten). Het bepaalt voor die belastingplichtigen dat hun bezittingen ten belope van 62,3 % van hun waarde geen deel uitmaken van de belastbare grondslag. Daarmee beoogt het voor de opgesomde belastingplichtigen de impact van het nieuwe progressieve tarief, waarin artikel 19 van dezelfde wet voorziet, te neutraliseren (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3607/001, p. 14). B.23.
  143. In het oorspronkelijke wetsontwerp voorzag artikel 15, 2°, b), uitsluitend in een vermindering van de belastbare grondslag voor belastingplichtigen uit de zorgsector die in aanmerking komen voor de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 1° en 2°, van het BTW- Wetboek en die voor meer dan de helft van hun omzet de in die bepaling vermelde handelingen verrichten (artikel 150, tweede lid, 6°, van het Wetboek der successierechten) en voor belastingplichtigen waarvan minstens 75 % van het vermogen wordt aangewend door een dergelijke instelling voor de handelingen vermeld in artikel 44, § 2, 1° en 2°, van het BTW- Wetboek (artikel 150, tweede lid, 7°, van het Wetboek der successierechten). B.23.
  144. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met de vermindering van de belastbare grondslag voor belastingplichtigen uit de zorgsector beoogt « de zorgsector te blijven ondersteunen » ook na de COVID-19-crisis en « de toegang tot de zorgverlening niet duurder [te] maken » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3607/001, pp. 13-14). In het bijzonder wil hij vermijden dat de hoogwaardige en dure materialen en infrastructuur die de zorgsector nodig heeft, aanleiding geven tot een aanzienlijke bijkomende kost (ibid., p. 14). Om voorts te vermijden dat het voordeel wegvalt indien die infrastructuur is ondergebracht in een afzonderlijke rechtspersoon, is voor die situatie in een bijkomende uitzondering voorzien (ibid., p. 16). 35 B.24.
  145. Via amendementen is vervolgens dezelfde vermindering toegekend aan belastingplichtigen uit de sport-, onderwijs- en cultuursector (artikel 150, tweede lid, 6°, van het Wetboek der successierechten, met verwijzing naar artikel 44, § 2, 3°, 4°, a), en 9°, van het BTW-Wetboek), aan door de bevoegde gewestelijke regering of instelling opgerichte of erkende maatwerkbedrijven (artikel 150, tweede lid, 8°, van het Wetboek der successierechten), de medische huizen bedoeld in artikel 32, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 « tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 » en de andere erkende medische huizen, geïntegreerde gezondheidsverenigingen en wijkgezondheidscentra (artikel 150, tweede lid, 10°, van het Wetboek der successierechten), de erkende dierenasielen (artikel 150, tweede lid, 12°, van het Wetboek der successierechten) en de erkende centra voor private archieven (artikel 150, tweede lid, 14°, van het Wetboek der successierechten), alsook aan belastingplichtigen waarvan minstens 75 % van het vermogen wordt aangewend voor de werking of de beoogde activiteiten van de voormelde belastingplichtigen (artikel 150, tweede lid, 7°, 9°, 11°, 13° en 15°, van het Wetboek der successierechten). B.24.
  146. De toevoeging van belastingplichtigen uit de sport- onderwijs- en cultuursector wordt verantwoord door het feit dat het beleid ter zake dient te worden ondersteund (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3607/014, pp. 2-3). De wetgever wil, wat de sport- en cultuursector betreft, in het bijzonder vermijden dat aan de aanbodzijde een fiscale last wordt gecreëerd, terwijl die sectoren aan de vraagzijde worden ondersteund via de sport- en cultuurcheques (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3607/016, p. 24). Wat de onderwijssector betreft, wordt in het bijzonder erop gewezen dat het recht op opvoeding een universeel grondrecht is, in het kader waarvan reeds in een vrijstelling was voorzien voor onroerende goederen van bepaalde onderwijsinstellingen (artikel 149, 4°, van het Wetboek der successierechten) die evenwel onvoldoende is aangezien in de onderwijssector vaak geld wordt verzameld om te investeren in gebouwen (ibid.). De toevoeging van de voormelde maatwerkbedrijven, medische huizen en dierenasielen wordt vervolgens verantwoord door het feit dat zij eveneens een zorgfunctie vervullen en een beroep moeten doen op hoogwaardige materialen en infrastructuur die specifiek zijn aangepast aan hun noden (Parl. St., Kamer, 2023- 2024, DOC 55-3607/009, pp. 2-4; DOC 55-3607/014, p. 6). Wat de dierenasielen betreft, wordt bovendien gewezen op het feit dat zij reeds via de inkomstenbelasting worden ondersteund (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3607/016, p. 24). De toevoeging van de erkende centra voor private archieven wordt tot slot verantwoord door het feit dat die sector een belangrijke 36 bewaarfunctie vervult die investeringen in onroerend goed vereist, en door het feit dat de federale overheid het regionale beleid wil ondersteunen (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55- 3607/014, p. 4; DOC 55-3607/016, p. 25). B.25.
  147. De historische doelstelling van de taks tot vergoeding der successierechten, vermeld in B.2.2, verhindert de wetgever niet om die belasting te verfijnen, door middel van vrijstellingen en verminderingen, om op die manier zijn sociaal en economisch beleid vorm te geven. De ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever op dat vlak geniet, neemt evenwel niet weg dat die vrijstellingen en verminderingen redelijk dienen te kunnen worden verantwoord. Wanneer de verantwoording van een vrijstelling of vermindering dermate ruim is dat zij in werkelijkheid ook voor andere categorieën van belastingplichtigen geldt dan die welke de vrijstelling of de vermindering genieten, kan aan die andere categorieën niet op willekeurige wijze hetzelfde voordeel worden ontzegd. B.25.
  148. De in B.23.2 en B.24.2 aangehaalde elementen kunnen niet redelijk verantwoorden dat het voordeel wordt beperkt tot de in artikel 15, 2°, b), van de wet van 28 december 2023 vermelde belastingplichtigen. Die belastingplichtigen onderscheiden zich op grond van de aangehaalde elementen immers niet van andere vergelijkbare belastingplichtigen. B.26.
  149. In zoverre het ontvankelijk is, is het eerste middel in de zaak nr. 8253 gegrond. Artikel 15, 2°, b), van de wet van 28 december 2023 dient te worden vernietigd. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, is artikel 19 van dezelfde wet, dat de tarieven wijzigt, niet onlosmakelijk verbonden met artikel 15, 2°, b), van de wet van 28 december 2023 en dient het aldus niet te worden vernietigd. B.26.
  150. Aangezien de overige middelen niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, moeten zij niet worden onderzocht. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.27.
  151. Artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt : 37 « Zo het Hof dit nodig oordeelt, wijst het, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt ». B.27.
  152. Teneinde te vermijden dat meerdere categorieën van belastingplichtigen met terugwerkende kracht worden geconfronteerd met een fiscale last die zij niet hebben voorzien, en om de wetgever toe te laten een nieuwe regeling aan te nemen, dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling tot uiterlijk 31 december 2026 te worden gehandhaafd. 38 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 15, 2°, b), van de wet van 28 december 2023 « houdende diverse fiscale bepalingen »; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling tot uiterlijk 31 december 2026; - verwerpt de beroepen voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 december
  153. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.159

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.