← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.160

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.160 Arrest- Rolnummer: 160/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-15 Raadplegingen: 652 - laatst gezien 2026-06-18 20:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie - Vernietiging (artikel 216quinquies, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 18 januari 2024 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken III » in zoverre het niet waarborgt dat de aangehoudene en zijn advocaat toegang hebben tot het strafdossier vóór de bevestiging van het vrije en weloverwogen akkoord van de aangehoudene) - Verwerpinig van de beroepen voor het overige (onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.25.3, B.25.4, B.29.3, B.35.2, B.35.3 en B.57.3) - Handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepaling in zoverre zij aanleiding heeft gegeven tot beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan vóór de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 18 januari 2024 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken III », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en door de vzw « Liga voor Mensenrechten ». Strafrecht - Strafrechtspleging - Snelrechtprocedure - Toepassingsgebied - Verloop - Drugsdelicten - Verbeurdverklaring - Hersteltraject Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 160/2025 van 4 december 2025 Rolnummers : 8284 en 8289 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 18 januari 2024 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken III », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en door de vzw « Liga voor Mensenrechten ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij twee verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 16 en 24 juli 2024 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 17 en 25 juli 2024, zijn beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 18 januari 2024 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken III » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 januari 2024) ingesteld respectievelijk door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sandra Berbuto, advocate bij de balie Luik-Hoei, en door de vzw « Liga voor Mensenrechten », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Dries Pattyn, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, en door mr. Ward Reniers, advocaat bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8284 en 8289 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled, mr. Baptiste Appaerts, mr. Junior Geysens en mr. Arne Van Audenhove, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. 2 Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.

  1. De Ministerraad voert aan dat het beroep tot vernietiging ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » onontvankelijk is, wegens ontstentenis van belang. Volgens de Ministerraad kan de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » slechts voor het Hof in rechte treden om de collectieve belangen van de rechtsonderhorigen te behartigen indien haar vordering verband houdt met de opdracht en de rol van de advocaat in de behartiging van de belangen van de rechtsonderhorigen. De bestreden bepalingen doen echter geenszins afbreuk aan het vermogen van advocaten om de belangen van hun cliënten te behartigen. Zij wijken niet af van de « Salduzwetten » en het vrij en weloverwogen akkoord van de aangehouden persoon met betrekking tot het gebruik van de snelrechtprocedure moet in aanwezigheid van zijn advocaat worden bevestigd. Zij doen evenmin afbreuk aan het recht op toegang tot een rechter, aangezien zij het mogelijk maken personen in hechtenis sneller te berechten. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » formuleert bovendien geen enkel middel dat is afgeleid uit de schending van het recht op toegang tot een rechter of van het recht op een advocaat. A.
  2. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » antwoordt dat dat argument rechtstreeks verband houdt met het onderzoek van het beroep, aangezien de aantastingen van het recht op toegang tot de rechter, van de rechtsbedeling en van de bijstand van advocaten precies het voorwerp uitmaken van de aangevoerde grieven en middelen. Het argument kan dus niet tot een beslissing van niet-ontvankelijkheid leiden. « De Ordre des barreaux francophones et germanophone » is van mening dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan de belangen die zij verdedigt, in zoverre zij de rechten van verdediging ondergraven, er op discriminerende wijze afbreuk aan doen en het proces ontdoen van zijn eerlijke karakter voor de rechtsonderhorigen, ongeacht of zij in verdenking zijn gesteld dan wel slachtoffer zijn. Daaromtrent worden vijf middelen aangevoerd. Zowel het beroep als de middelen passen dus in het kader van de opdrachten en bevoegdheden van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone ». De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » verwijst in die zin naar de arresten van het Hof nr. 87/2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.087) en nr. 111/2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.111). Ten gronde Wat het beroep tot vernietiging betreft van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » A.3.
  3. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 12, tweede lid, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, 3 in zoverre de bestreden bepalingen een discriminatie doen ontstaan tussen de beklaagden die onder hun toepassingsgebied vallen en diegenen die niet daaronder vallen. Het middel bestaat uit drie onderdelen. In het eerste onderdeel voert de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » aan dat het verschil in behandeling niet op een objectief criterium berust, aangezien het toepassingsgebied van de bestreden bepalingen niet op voldoende duidelijke en voorzienbare wijze is gedefinieerd. De afdeling wetgeving van de Raad van State had in haar advies over de ontworpen bepalingen gesteld dat aan de voorwaarde voor de voorlopige hechtenis de categorieën van misdrijven waarop de snelrechtprocedure kon worden toegepast of, op zijn minst, criteria die toelaten die types van misdrijven te bepalen, moesten worden toegevoegd. De wetgever heeft die aanbeveling niet gevolgd. A.3.
  4. In het tweede onderdeel voert de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » aan dat het voormelde verschil in behandeling op een criterium van onderscheid berust dat niet pertinent is, aangezien de bij die bepalingen ingevoerde procedure bedoeld is voor eenvoudige zaken, terwijl die bepalingen in de praktijk enkel van toepassing zijn op de beklaagden die in voorlopige hechtenis zijn geplaatst, en dus op de meest ernstige zaken. A.3.
  5. In het derde onderdeel is de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » van mening dat het voormelde verschil in behandeling onevenredige gevolgen heeft wegens de ontstentenis van een precieze afbakening van de misdrijven die betroffen zijn door de bij de bestreden bepalingen ingevoerde procedure. A.
  6. De Ministerraad voert in antwoord op het eerste middel aan dat de snelrechtprocedure van toepassing is op de personen in voorlopige hechtenis en dat het criterium van onderscheid dat eruit voortvloeit objectief is. Een van de door de wetgever nagestreefde doelen is om het juridisch arsenaal waarover de gerechtelijke overheden beschikken, aan te vullen zodat een vervolgd persoon zo snel mogelijk kan verschijnen. Artikel 216quater van het Wetboek van strafvordering voorziet reeds lang in een snelrechtprocedure wanneer die persoon niet in voorlopige hechtenis is geplaatst. Met de aanneming van de bestreden bepalingen had de federale wetgever de bedoeling hetzelfde te doen voor de personen in voorlopige hechtenis. Het criterium van onderscheid is dus pertinent ten aanzien van de voormelde doelstelling. De ernst van het in het geding zijnde misdrijf in een zaak betekent bovendien niet noodzakelijk dat de zaak complex is. De keuze om de zaken met betrekking tot de ernstigere misdrijven niet te onttrekken aan het toepassingsgebied van de snelrechtprocedure betreft bovendien een politieke opportuniteitsbeslissing die aan de toetsing van het Hof ontsnapt. Ten slotte getuigt de keuze van de wetgever om de onderzoeksmagistraten en de parketmagistraten de bevoegdheid te geven te beslissen of een zaak voldoende eenvoudig is voor een snelrechtprocedure, van het vertrouwen dat de wetgever heeft in de rechterlijke macht. A.
  7. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » antwoordt dat de voorlopige hechtenis van de inverdenkinggestelde niet het enige criterium is voor de toepassing van de snelrechtprocedure. De andere toepassingsvoorwaarden van de snelrechtprocedure ontbreekt het aan voorzienbaarheid. Het is bovendien kunstmatig te stellen dat de ernst van een zaak geen invloed heeft op de complexiteit ervan. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » doet ook gelden dat, gelet op de opgelegde termijnen, de snelrechtprocedure onverenigbaar lijkt te zijn met het voeren van een volledig gerechtelijk onderzoek. Bovendien riskeert de excessieve inkorting van de termijnen de verwezenlijking van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen in het gedrang te brengen, aangezien het vonnisgerecht wordt aangespoord de zaak naar de procureur des Konings te verwijzen, met toepassing van artikel 216sexies van het Wetboek van strafvordering. A.
  8. De Ministerraad repliceert dat de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » niet duidelijk uiteenzet welke de te vergelijken categorieën van personen zijn, en dat het middel dus onontvankelijk is. Indien het de bedoeling is de personen in voorlopige hechtenis te vergelijken naargelang zij al dan niet zijn onderworpen aan een snelrechtprocedure, kan er geen sprake zijn van discriminatie tegen diegenen die eraan zijn onderworpen, aangezien zij daarvoor hebben gekozen. Wat het voeren van een volledig gerechtelijk onderzoek betreft, bepaalt artikel 216quinquies, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering dat de procureur des Konings enkel een beroep kan doen op de snelrechtprocedure indien de onderzoeksrechter van oordeel is dat het gerechtelijk onderzoek volledig is. De parlementaire voorbereiding preciseert, enerzijds, dat indien de onderzoeksrechter oordeelt dat het gerechtelijk onderzoek niet is beëindigd en dat bijkomende onderzoekshandelingen noodzakelijk zijn, hij zelf het onderzoek verderzet, en, anderzijds, dat de advocaat altijd bijkomende onderzoekshandelingen kan vragen tijdens de zitting voor het vonnisgerecht. 4 A.
  9. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen van het recht op eerbiediging van de rechten van de verdediging en van het eerlijk proces, in zoverre de bij de bestreden bepalingen ingevoerde procedure de inverdenkinggestelde niet de nodige tijd en faciliteiten laat om zijn verdediging voor te bereiden. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » doet gelden dat aangezien noch de inverdenkinggestelde, noch zijn advocaat toegang hebben tot het strafdossier vooraleer de inverdenkinggestelde met de snelrechtprocedure heeft toegestemd, die toestemming niet weloverwogen kan worden gegeven, zodat het aanwenden van een procedure die van het gemeen recht afwijkt in strijd is met de rechten van de verdediging en het recht op een eerlijk proces. Zij doet ook gelden dat de inverdenkinggestelden en de beklaagden die de proceduretaal niet begrijpen, niet de nodige faciliteiten genieten voor de voorbereiding van hun verdediging, aangezien zij enkel recht hebben op de vertaling van de pertinente passages van de dagvaarding en gelet op de extreem korte termijnen van de procedure. De snelrechtprocedure blijkt bovendien onbestaanbaar te zijn met de rechten gewaarborgd bij artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935). Ten slotte voert zij de onmogelijkheid aan voor de inverdenkinggestelde of de beklaagde om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen. A.
  10. De Ministerraad doet in antwoord op het tweede middel gelden dat de beklaagde en zijn advocaat het strafdossier in dezelfde vorm en volgens dezelfde voorwaarden kunnen raadplegen als in het kader van een gewone procedure. Bovendien is het, wegens het geheim van het gerechtelijk onderzoek, normaal dat de beklaagde en zijn advocaat geen toegang tot het strafdossier kunnen hebben vóór het einde van het gerechtelijk onderzoek, overeenkomstig het gemeen recht van de strafprocedure. Het strafdossier is dus toegankelijk onder dezelfde voorwaarden als in het kader van een klassieke procedure en het zou discriminerend zijn geweest in het tegendeel te voorzien ten aanzien van de personen in hechtenis van wie het proces wordt gevoerd volgens een klassieke procedure. Bovendien kan de advocaat van de beklaagde, krachtens artikel 216quinquies, § 5, van het Wetboek van strafvordering, het uitstel vragen van de zitting ten gronde, om het strafdossier diepgaander te onderzoeken. Een dergelijke maatregel kan zelfs ambtshalve worden gelast door het vonnisgerecht, dat krachtens paragraaf 1 van die bepaling ook de dagvaarding onontvankelijk kan verklaren indien het van oordeel is dat de zaak niet voldoet aan de voorwaarden die van toepassing zijn op de snelrechtprocedure, met name wanneer de zaak een zekere complexiteit vertoont, die de beklaagde en zijn raadsman belet over voldoende tijd te beschikken om het dossier te raadplegen en op efficiënte wijze een verdediging te organiseren. Overigens hoeft de in hechtenis geplaatste persoon geen kennis te hebben van het strafdossier om vrij en weloverwogen te kunnen instemmen met het aanwenden van de snelrechtprocedure. Ten slotte wordt de toestemming van de beklaagde bevestigd voor de onderzoeksrechter, in aanwezigheid van de advocaat, en zij heeft enkel betrekking op het aanwenden van de snelrechtprocedure, zonder enige voorafgaande erkenning van schuld. Zij gaat dus gepaard met voldoende waarborgen. Wat de vertaling van het strafdossier betreft, voert de Ministerraad aan dat artikel 216quinquies, § 1, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering niet in de weg staat aan de toepassing van artikel 16, § 6bis, van de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis » (hierna : de wet van 20 juli 1990), krachtens hetwelk de inverdenkinggestelde het recht heeft de vertaling te ontvangen van de relevante passages van het aanhoudingsbevel. Bovendien, in tegenstelling tot hetgeen de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » aanvoert, kan geen zitting ten gronde plaatsvinden indien de vertaling van de dagvaarding niet werd uitgevoerd binnen de in het kader van de snelrechtprocedure voorziene termijn want, in dat geval, zal de zaak niet in staat van wijzen zijn of zal zij vereisen dat bijkomende handelingen worden verricht. Er kan ook een verdaging worden gevraagd om de vertaling van de dagvaarding te krijgen. Zelfs al voorzien de bestreden bepalingen niet in een uitdrukkelijke sanctie, is het dus uitgesloten dat een zitting ten gronde kan plaatsvinden zonder dat de betrokken persoon vooraf de vertaling van de dagvaarding heeft ontvangen. De wet van 15 juni 1935 maakt geen deel uit van de toetsingsnormen waarvan het Hof de naleving waarborgt. Wat betreft de mogelijkheid om te verzoeken dat bijkomende onderzoekshandelingen worden verricht, is de snelrechtprocedure voorbehouden voor eenvoudige zaken, waarvoor dergelijke bijkomende verrichtingen in principe niet nodig zijn. Indien de zaak dat toch zou vereisen, zou zij in het kader van een gewone procedure worden berecht, tenzij de gevraagde handelingen kort en snel zijn, in welk geval een verdaging mogelijk zou zijn zodat die handelingen kunnen worden verricht. De beklaagde heeft bovendien de vrijheid zich tegen de toepassing van de snelrechtprocedure te verzetten indien hij van mening is dat bijkomende onderzoeksverrichtingen noodzakelijk zijn. A.
  11. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » antwoordt dat de bestreden bepalingen verwijzen naar slechts één enkele toestemming van de beklaagde, die op onomkeerbare wijze aan de onderzoeksrechter wordt gegeven. Aangezien de inverdenkinggestelde en zijn raadsman vóór die toestemming 5 geen toegang hebben tot het dossier, kunnen zij dus niet vrij en weloverwogen met de snelrechtprocedure instemmen. Wat de vertaling van de dossierstukken betreft, voert de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » aan dat in artikel 216quinquies van het Wetboek van strafvordering de verwijzing naar artikel 47bis van hetzelfde Wetboek geen betrekking heeft op de bij die bepaling voorziene rechten, maar enkel op de overeenkomstig die bepaling gemaakte taalkeuze. Wat de bijkomende onderzoeksverrichtingen betreft, is het moeilijk voor de aangehouden persoon te weten of hij die moet vragen op het moment waarop hij op onomkeerbare wijze instemt met het aanwenden van de snelrechtprocedure, aangezien hij nog geen toegang heeft gehad tot het strafdossier. Indien hij achteraf beseft dat hij die moet vragen, is dat in een stadium van de procedure waarin hij reeds gebonden is door de snelrechtprocedure. Het vonnisgerecht heeft weliswaar de mogelijkheid om het verzoek van de inverdenkinggestelde tot uitgebreider onderzoek in te willigen, maar het is niet daartoe gebonden. A.
  12. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5, lid 4, en 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de bestreden bepalingen niet voorzien in een recht op hoger beroep tegen de door de raadkamer of de feitenrechter genomen beslissing over de regelmatigheid van het aanhoudingsbevel en de handhaving van de hechtenis, in tegenstelling tot hetgeen is voorzien bij de wet van 20 juli
  13. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » zet uiteen dat een inverdenkinggestelde tegelijkertijd kan instemmen met het aanwenden van de snelrechtprocedure en de legitimiteit van het aanhoudingsbevel tegen hem kan willen betwisten. Door hem het voormelde recht op hoger beroep te ontzeggen, doen de bestreden bepalingen op onevenredige wijze afbreuk aan het recht van beroep van eenieder die van zijn vrijheid is beroofd, dat wordt gewaarborgd bij artikel 5, § 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De mogelijkheid om een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidsstelling in te dienen voor de feitenrechter is niet vergelijkbaar met de controle van het onderzoeksgerecht in hoger beroep, aangezien de feitenrechter de handhaving van de voorlopige hechtenis gedurende 48 uur kan bevelen indien hij oordeelt dat niet aan de voorwaarden van de snelrechtprocedure is voldaan of dat de zaak niet in staat van wijzen is, zonder dat in andere maatregelen dan de handhaving van de hechtenis is voorzien. A.
  14. In antwoord op het derde middel voert de Ministerraad aan dat, in het kader van de snelrechtprocedure, een onderscheid dient te worden gemaakt tussen twee hypotheses van handhaving van de voorlopige hechtenis van de beklaagde : enerzijds, die waarin de zitting door het vonnisgerecht wordt uitgesteld en, anderzijds, die waarin de vordering van het openbaar ministerie onontvankelijk wordt verklaard of waarin het vonnisgerecht van oordeel is dat in de zaak geen uitspraak kan worden gedaan volgens de snelrechtprocedure. In de eerste hypothese is de integrale toepassing van de regels met betrekking tot de voorlopige hechtenis mogelijk. De toetsing van de regelmatigheid van het aanhoudingsbevel wordt in twee opeenvolgende stappen uitgevoerd : eerst door de raadkamer, vervolgens door het vonnisgerecht waarnaar de zaak wordt verwezen. Eens de eerste zitting voor de raadkamer heeft plaatsgevonden, kan de advocaat van de in hechtenis geplaatste persoon aan het vonnisgerecht een verzoekschrift tot invrijheidstelling richten. Dat gerecht is ertoe gemachtigd om de wettigheid van het aanhoudingsbevel alsook de regelmatigheid van de handhaving van de hechtenis te onderzoeken. In dat stadium van de procedure staat weliswaar geen recht op hoger beroep voor de kamer van inbeschuldigingstelling meer open, maar de toetsing van de wettigheid van de voorlopige hechtenis maakt het voorwerp uit van meerdere opeenvolgende controles door verschillende rechtscolleges. Bovendien kunnen andere maatregelen dan de voorlopige hechtenis worden gevraagd door de advocaat van de persoon die in hechtenis is geplaatst, zowel voor de onderzoeksrechter als voor de raadkamer, overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels die van toepassing zijn in de strafrechtspleging, als voor het vonnisgerecht, aan de hand van een verzoekschrift tot invrijheidstelling. De toetsing van de regelmatigheid van het aanhoudingsbevel blijft dus gewaarborgd, overeenkomstig de bepalingen van de wet op de voorlopige hechtenis waarnaar de bestreden bepalingen verwijzen. De snelrechtprocedure belet de raadkamer niet om, binnen de termijnen en onder de voorwaarden waarin bij de wet op de voorlopige hechtenis is voorzien, de verschillende toetsingen van de regelmatigheid van het aanhoudingsbevel uit te voeren. In de tweede hypothese beoogt artikel 216sexies, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering te vermijden dat de beklaagde automatisch in vrijheid wordt gesteld wanneer het vonnisgerecht oordeelt dat de zaak niet in staat is om te worden berecht in het kader van de snelrechtprocedure. Dat rechtscollege neemt dus een beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis die geldig is voor een termijn van 48 uur en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, van de wet op de voorlopige hechtenis met redenen is omkleed. Tegen die beschikking kan geen rechtsmiddel worden aangewend, maar de beklaagde wordt automatisch in vrijheid gesteld indien hem niet binnen de 48 uur een nieuw bevel tot aanhouding wordt betekend. Dat nieuwe bevel tot aanhouding 6 zal later getoetst kunnen worden door de onderzoeksgerechten, overeenkomstig het gemeen strafprocesrecht. Dat de wetgever ervoor kiest om tijdens de relatief korte periode van 48 uur de mogelijkheid voor de rechtbank om andere maatregelen uit te spreken dan de voorlopige hechtenis te beperken, kan niet als buitensporig of onevenredig worden beschouwd. De afwijkingen van het gemeen strafprocesrecht zijn slechts minimaal. A.
  15. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » antwoordt dat artikel 216quinquies van het Wetboek van strafvordering niet toelaat te besluiten dat, in de eerste door de Ministerraad beoogde hypothese, het de algemene regeling van de voorlopige hechtenis zou zijn die zou worden toegepast. Integendeel, die bepaling lijkt erin te voorzien dat de bevoegdheid om zich uit te spreken over de voortzetting van de voorlopige hechtenis, na de regeling van de rechtspleging, met toepassing van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 enkel toekomt aan het vonnisgerecht. Bovendien kan, wanneer de snelrechtprocedure onontvankelijk is, hierbij enkel de voortzetting van de voorlopige hechtenis worden bevolen, zonder beroepsmogelijkheid en zonder andere mogelijke maatregelen. Die situatie is des te meer problematisch omdat het aanhoudingsbevel verscheidene weken eerder kan zijn uitgevaardigd. A.
  16. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de bestreden bepalingen niet voorzien in de mogelijkheid een beroep te doen op het verzet, hetgeen een discriminatie doet ontstaan ten aanzien van de personen die worden veroordeeld na een snelrechtprocedure tijdens welke zij niet zijn verschenen. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » doet gelden dat het niet is uitgesloten dat een beklaagde niet op de terechtzitting kan verschijnen in het kader van een procedure bij verstek en dat het vonnisgerecht een verstekvonnis uitspreekt. In een dergelijk geval zal enkel het verzet toelaten na te gaan of de afwezigheid van de beklaagde te verklaren valt door overmacht of door een wettige reden van verschoning, overeenkomstig artikel 187, § 6, van het Wetboek van strafvordering, zoals gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie ». A.
  17. In antwoord op het vierde middel voert de Ministerraad aan dat het recht om verzet aan te tekenen niet absoluut is. Aangezien de snelrechtprocedure die bij de bestreden bepalingen is ingevoerd slechts van toepassing is op de personen in voorlopige hechtenis en onderworpen is aan de vrije en weloverwogen toestemming van de beklaagde, is het risico dat die personen niet verschijnen heel beperkt. De beklaagden worden in het kader van die procedure overigens bijgestaan door een advocaat en zij hebben de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van het vonnisgerecht. De betrokken beklaagden die, met hun advocaat, ermee hebben ingestemd te worden berecht in het kader van een snelrechtprocedure ondervinden dus geen onevenredige gevolgen, aangezien er geen recht van verzet bestaat. Bovendien volstaan de procedurele waarborgen waarmee de snelrechtprocedure omgeven is om de ontstentenis van dat recht te verantwoorden. De Ministerraad verwijst naar het arrest van het Hof nr. 56/2002 van 28 maart 2002 (ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.056). In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat de bestreden bepalingen in die zin kunnen worden geïnterpreteerd dat zij niet afwijken van de algemene regeling van artikel 187 van het Wetboek van strafvordering en dat zij dus niet de mogelijkheid voor de persoon in hechtenis uitsluiten om zijn recht op verzet uit te oefenen, in de vorm en onder de voorwaarden waarin is voorzien bij dat artikel. A.
  18. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de bestreden bepalingen een verschil in behandeling doen ontstaan onder de burgerlijke partijen, naargelang het gerechtelijk onderzoek al dan niet wordt gevolgd door een regeling van de rechtspleging in de zin van artikel 127 van het Wetboek van strafvordering. De slachtoffers wordt de mogelijkheid ontzegd hun rechten op de aanhangigmaking van de zaak bij de feitenrechter te doen gelden, bijvoorbeeld om een verzwarende omstandigheid te laten erkennen of bijkomende onderzoekshandelingen te vragen in het kader van het gerechtelijk onderzoek. Volgens de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » berust dat verschil in behandeling niet op een objectief criterium en is het niet redelijk verantwoord ten aanzien van de doelstelling van de wetgever. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » doet gelden dat artikel 216quinquies van het Wetboek van strafvordering enkel erin voorziet dat de gekende slachtoffers op de hoogte worden gebracht van de datum van verschijning voor de rechtbank, dat zij een schriftelijk verzoek kunnen indienen om toegang te krijgen tot het dossier vóór de zitting en dat die bepaling, aangezien zij niet preciseert aan wie dat verzoek moet worden gericht, niet toepasbaar is en niet in aanmerking kan worden genomen door het Hof. Zij doet ook gelden dat het weinig waarschijnlijk is, gelet op de korte termijnen waarin bij de bestreden bepalingen is voorzien, dat de slachtoffers geïdentificeerd kunnen worden en dat zij hun rechten op tijd kunnen laten gelden. 7 De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » merkt ook op dat het slachtoffer dat de taal van de procedure niet verstaat volgens dezelfde bepaling weliswaar een vertaling kan krijgen van de informatie met betrekking tot die verschijning, maar dat die waarborg, gelet op de korte termijnen en de ontstentenis van een sanctie wanneer niet voor een vertaling wordt gezorgd, in de praktijk onuitvoerbaar zal zijn, hetgeen een discriminatie doet ontstaan die rechtstreeks is gebaseerd op de taal van de betrokken rechtzoekenden. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » leidt daaruit af dat de slachtoffers die betrokken zijn in een snelrechtprocedure aldus gediscrimineerd worden in vergelijking met diegenen die hun rechten kunnen laten gelden in het kader van een gewone procedure. A.
  19. In antwoord op het vijfde middel voert de Ministerraad aan dat de snelrechtprocedure, aangezien zij is beperkt tot de eenvoudige zaken, die noodzakelijkerwijze impliceren dat het slachtoffer reeds is geïdentificeerd, per definitie niet de zaken betreft waarin de identificatie van de slachtoffers en de uitoefening van hun rechten tijd in beslag nemen. Ten aanzien van hen is in verscheidene procedurele waarborgen voorzien. Weliswaar is hun instemming met een snelrechtprocedure niet vereist, maar dat is het resultaat van een politieke opportuniteitsbeslissing die ontsnapt aan de toetsing van het Hof. De benadeelde personen genieten exact dezelfde prerogatieven als de beklaagden wat betreft het recht om het strafdossier te raadplegen, het recht om bijkomende onderzoeksverrichtingen te vragen, het recht om een vertaling van de noodzakelijke elementen van het dossier te krijgen en het recht om de verdaging van de zitting te vragen. Zij kunnen bovendien altijd de herkwalificatie van de feiten vragen, een verzwarende omstandigheid inroepen of de weglating van een tenlastelegging opmerken voor het vonnisgerecht, dat nagaat of de zaak volgens de snelrechtprocedure kan worden berecht. Ten slotte, indien ondanks die waarborgen blijkt dat zij niet de gelegenheid hebben gehad op nuttige wijze aan het proces deel te nemen, kan het vonnisgerecht, met toepassing van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, de burgerlijke belangen ambtshalve aanhouden, en de slachtoffers kunnen dan later een verzoekschrift indienen om hun rechten te doen gelden. Tal van strafprocessen die volgens een gewone procedure worden gevoerd verlopen overigens in afwezigheid van het slachtoffer, dat de mogelijkheid behoudt om schadevergoeding te krijgen nadat de schuld van de vervolgde persoon is aangetoond. De keuze van de wetgever om de snelrechtprocedure niet te onderwerpen aan de instemming van de slachtoffers lijkt dus niet kennelijk onredelijk te zijn, temeer daar die procedure een voornamelijk strafrechtelijk karakter heeft. Ten slotte is het, in bepaalde gevallen, in het belang van de slachtoffers dat het strafproces snel wordt gevoerd, in het bijzonder wanneer het een eenvoudige zaak betreft, teneinde zo snel mogelijk schadevergoeding te krijgen. A.
  20. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » repliceert, wat artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering betreft, dat de schuld voorts moet zijn aangetoond en dat dat debat waarschijnlijk plaatsvindt in afwezigheid van de slachtoffers. Bovendien zullen zij het gewicht van een bijkomende procedure moeten dragen. Wat betreft het beroep tot vernietiging van de vzw « Liga voor Mensenrechten » A.18.
  21. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 7 tot 9 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 12, 13, 14 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3, 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 2, 3, 17, 47, 48, 49 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het algemeen beginsel van het recht op een eerlijk proces en van de rechten van verdediging. De vzw « Liga voor Mensenrechten » is van mening dat de vernietiging zou moeten worden uitgebreid tot de artikelen 45 en 91 van de bestreden wet, aangezien zij onlosmakelijk verbonden zijn met de artikelen 7 tot 9 ervan. Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen. In het eerste onderdeel voert de vzw « Liga voor Mensenrechten » aan dat de artikelen 7 tot 9 van de bestreden wet een verschil in behandeling doen ontstaan tussen de personen in hechtenis en de burgerlijke partijen die betrokken zijn bij een gerechtelijk onderzoek, naargelang het gerechtelijk onderzoek door een snelrechtprocedure of door de regeling van de rechtspleging wordt beëindigd, zonder dat dat verschil in behandeling redelijk is verantwoord. De bestreden bepalingen laten niet toe het doel van de wetgever te bereiken dat erin bestaat de snelrechtprocedure voor te behouden voor de eenvoudige zaken die geen bijkomende onderzoekshandelingen vereisen, omdat de snelrechtprocedure van nature bestemd is voor zware misdrijven die onder de wet van 20 juli 1990 vallen. Door het toepassingsgebied van de snelrechtprocedure af te bakenen op basis 8 van het weinig pertinente criterium van de « eenvoudige zaken die geen bijkomende onderzoekshandelingen vereisen », waarborgen de bestreden bepalingen niet dat tegen een aangehouden rechtsonderhorige een gerechtelijk onderzoek en vervolging wordt ingesteld volgens een procedure waarvan hij voor de aanwending ervan kennis kan nemen. In dat opzicht zijn die bepalingen dus in strijd met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. De vzw « Liga voor Mensenrechten » doet gelden dat het akkoord van de rechtsonderhorige geen toereikende waarborg vormt, aangezien, in het kader van een snelrechtprocedure, geen toezicht door de onderzoeksgerechten plaatsvindt op de volledigheid van het dossier en op de samenvoeging of de splitsing van strafdossiers, zodat het risico bestaat dat dezelfde of samenhangende feiten in afzonderlijke procedures worden onderzocht, dat de persoon in hechtenis geen kennis heeft van ontlastende elementen en dat hij daarmee dus geen rekening heeft kunnen houden om zijn akkoord te geven. In die gevallen worden zijn recht op een eerlijk proces en zijn rechten van verdediging geschonden, en wordt zijn toegang tot de onderzoeksgerechten op onevenredige wijze beperkt. A.18.
  22. In het tweede onderdeel doet de vzw « Liga voor Mensenrechten » gelden dat de artikelen 7 tot 9 van de bestreden wet een discriminatie doen ontstaan ten aanzien van de slachtoffers van misdrijven die betrokken zijn in een snelrechtprocedure, of het nu gaat om benadeelde personen in de zin van artikel 5bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, om slachtoffers in de zin van artikel 3bis van dezelfde titel of om burgerlijke partijen in de zin van artikel 63 van het Wetboek van strafvordering. In het algemeen kunnen de slachtoffers van misdrijven tegen personen of van misdrijven tegen het vermogen slechts een burgerlijke rechtsvordering instellen in zoverre zij zich baseren op de feiten zoals zij door de feitenrechter zijn gekwalificeerd. Voor die kwalificatie moet de feitenrechter rekening houden met de gevolgen van de misdrijven. Die slachtoffers kunnen niet de vergoeding van de gevolgen van een misdrijf vorderen indien bij de kwalificatie van de feiten geen rekening wordt gehouden met die gevolgen. In tegenstelling tot de slachtoffers die betrokken zijn in een gewone procedure, hebben de slachtoffers die betrokken zijn in een snelrechtprocedure evenwel niet de mogelijkheid om de kwalificatie van de feiten te betwisten in het stadium van de regeling van de rechtspleging. Bovendien doen de tijdelijke of blijvende gevolgen van een misdrijf zich in het algemeen slechts na verloop van tijd voor. Wegens de korte duur van de snelrechtprocedure is het mogelijk dat die gevolgen zich pas na het vonnis manifesteren. Zo zullen arbeidsongeschiktheden van meer dan vier maanden (artikel 400 van het Strafwetboek) zich vaak pas manifesteren na de maximumtermijn van 40 dagen waarin is voorzien voor de snelrechtprocedure. Bovendien bestaat door de korte duur van de termijnen van de snelrechtprocedure het risico dat de slachtoffers van een misdrijf niet op tijd kunnen worden geïdentificeerd. Bepaalde zaken kunnen slechts schijnbaar eenvoudig zijn, omdat de slachtoffers nog geen kennis hebben van de geleden schade. De snelrechtprocedure laat niet toe dat risico te verkleinen. De slachtoffers van misdrijven die betrokken zijn in een snelrechtprocedure hebben bovendien ook niet de mogelijkheid om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen in het kader van het gerechtelijk onderzoek. In een snelrechtprocedure dagvaardt de procureur des Konings de beklaagde immers om rechtstreeks te verschijnen voor de correctionele rechtbank of de politierechtbank, ten laatste op de zitting van de raadkamer die plaatsvindt binnen vijf dagen na de uitvaardiging van het aanhoudingsbevel door de onderzoeksrechter. De slachtoffers hebben dus maar zeer weinig tijd om een bijkomende onderzoeksmaatregel te vragen op grond van artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering. Zelfs als zij daar tijdig in slagen, moet de onderzoeksrechter hun verzoek nog binnen die termijn inwilligen. In geval van afwijzing door de onderzoeksrechter, kunnen de slachtoffers, krachtens artikel 61quinquies, § 4, van het Wetboek van strafvordering, hoger beroep instellen tegen die beslissing, waarna de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak doet binnen 15 dagen. Die volledige procedure kan niet worden gevolgd vóór de rechtstreekse dagvaarding. Zodra de zaak voor de correctionele rechtbank of de politierechtbank is gebracht, kan die enkel beslissen of het gerechtelijk onderzoek is afgerond en of de zaak in staat van wijzen is. Zij kan ook getuigenverhoren of expertises gelasten, maar geen enkele van die maatregelen kan worden genomen binnen de termijn van 40 dagen waarin is voorzien voor de snelrechtprocedure. Dit alles geldt ook voor de inverdenkinggestelde. Die aantastingen van de rechten van de burgerlijke partijen hadden kunnen worden vermeden door de tijdelijke of permanente gevolgen van de misdrijven uit te sluiten uit het toepassingsgebied van de snelrechtprocedure, door een toezicht op de snelrechtprocedure door de onderzoeksgerechten of nog door het gezag van gewijsde van de vonnissen die in een snelrechtprocedure zijn gewezen te beperken tot de strafrechtelijke kwesties, met uitsluiting van de burgerlijke rechtsvordering. De bestreden bepalingen schenden dus het recht van de slachtoffers en van de inverdenkinggestelden op een eerlijk proces en hun recht op toegang tot de onderzoeksgerechten. Ook het recht op wapengelijkheid van de inverdenkinggestelden wordt niet gerespecteerd. 9 De vzw « Liga voor Mensenrechten » voegt eraan toe dat het recht op leven en het recht op menselijke integriteit, alsook het recht op eigendom voor de Staten die partij zijn bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een positieve verplichting impliceert om een voldoende juridische bescherming van die rechten te waarborgen door te voorzien in effectieve rechtsmiddelen voor de personen die slachtoffer zijn van aantasting van die rechten. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de snelrechtprocedure, vervult de wetgever die verplichting niet, zodat de voormelde rechten ook worden geschonden. A.19.
  23. In antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel merkt de Ministerraad op dat voor de toepassing van de snelrechtprocedure het criterium wordt gehanteerd dat de zaak voldoende eenvoudig is en in staat van wijzen is, dat wil zeggen dat de feiten voldoende aangetoond zijn en dat de onderzoeksrechter van oordeel is dat de nodige onderzoekshandelingen zijn verricht. Hij doet gelden dat dat criterium pertinent is ten aanzien van de doelstelling van de wetgever om sneller te kunnen reageren op een aantal misdrijven die de openbare veiligheid verstoren en zo een onveiligheidsgevoel creëren, met name in het kader van het beheer van stadsrellen. De beperking van het toepassingsgebied van de snelrechtprocedure tot de beklaagden in voorlopige hechtenis verandert niets daaraan, daar de ernst van de feiten geen verband houdt met de eenvoud van een zaak. Bovendien moet rekening worden gehouden met de overbevolking in de gevangenissen en met het feit dat de personen in voorlopige hechtenis 40 % van de gedetineerden vertegenwoordigen. De Ministerraad voert aan dat er een verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel, aangezien in waarborgen is voorzien wat de rechten van verdediging van de beklaagden betreft. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat het bestaan en het gebruik van een snelrechtprocedure in strafzaken op zich niet in strijd zijn met de rechten van verdediging, voor zover zij de nodige waarborgen bieden. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft geoordeeld dat de snelrechtprocedure geen substantiële beperking van de rechten van verdediging met zich meebrengt, aangezien de beklaagde ermee moet instemmen, en dat in aanwezigheid van zijn advocaat, het gerechtelijk onderzoek à charge en à décharge gebeurt, zowel de beklaagde als het slachtoffer over een voldoende termijn beschikken om voor de rechtbank te verschijnen en zij altijd de mogelijkheid hebben om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen. In de snelrechtprocedure worden de controles die in het stadium van de regeling van de rechtspleging in de gewone rechtsplegingen worden uitgevoerd, door de onderzoeksrechter uitgevoerd. De door de verzoekende partij opgemerkte omstandigheid dat de snelrechtprocedure niet toelaat de gerechtelijke onderzoeken te splitsen of samen te voegen doet evenmin afbreuk aan de rechten van verdediging, aangezien die procedure slechts voor de eenvoudige zaken wordt gebruikt. Als vervolgens zou blijken dat de zaak minder eenvoudig is dan zij leek, wordt de snelrechtprocedure onderbroken en kan het strafdossier nog steeds worden gesplitst of samengevoegd met een ander dossier. De verzoekende partij zet bovendien niet uiteen in welk opzicht de snelrechtprocedure afbreuk zou doen aan het beginsel van de wapengelijkheid. Wat de aangevoerde aantasting van het wettigheidsbeginsel in strafzaken betreft, voert de Ministerraad aan dat dat beginsel niet wordt geschonden, aangezien de twee procedures die kunnen worden toegepast bij wet zijn bepaald en de snelrechtprocedure enkel wordt toegepast met de uitdrukkelijke en weloverwogen toestemming van de beklaagde. Wat de hypothese betreft van een onontvankelijk verklaarde snelrechtprocedure, indien zij wordt gevolgd door een rechtstreekse dagvaarding, zal de zaak gehoord worden door het vonnisgerecht, waarvoor de beklaagde altijd de mogelijkheid zal hebben zich te verdedigen, zodat hij niet benadeeld zal zijn in vergelijking met de beklaagde die niet rechtstreeks wordt gedagvaard aan de hand van de snelrechtprocedure. Bovendien blijven de procedurele waarborgen waarin is voorzien bij de wet van 20 juli 1990 van toepassing. Een onontvankelijk verklaarde snelrechtprocedure kan bovendien niet worden gevolgd door een nieuw opsporingsonderzoek van de procureur des Konings. A.19.
  24. In antwoord op het tweede onderdeel doet de Ministerraad gelden dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert, niets de burgerlijke partijen belet bijkomende onderzoekshandelingen te vragen, zoals de wetgever uitdrukkelijk heeft gepreciseerd in antwoord op het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State hierover. Hij merkt op dat de verzoekende partij niet uiteenzet waarom de waarborg volgens welke de gekende slachtoffers binnen de 24 uur over de plaats, de dag en het uur van de inleidingszitting moeten worden geïnformeerd onvoldoende zou zijn en hij voert aan dat de kritiek van de verzoekende partij over de mogelijkheden voor het slachtoffer om zijn argumenten in verband met de kwalificatie van de feiten te doen gelden geen rekening houden met het feit dat de snelrechtprocedure enkel eenvoudige zaken betreft, waarvan de kwalificatie gekend is, 10 en niet de zaken waarin de omvang van de schade nog niet duidelijk is. Indien het vonnisgerecht van oordeel is dat de feiten geherkwalificeerd moeten worden, verklaart het de dagvaarding onontvankelijk en wordt de zaak naar de procureur des Konings verwezen, waarna het slachtoffer de kwalificatie van de feiten voor het vonnisgerecht zal kunnen betwisten, indien geen gerechtelijk onderzoek plaatsvindt. De Ministerraad doet ook gelden dat de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht het recht op leven en op menselijke integriteit, alsook het recht op eigendom, zouden zijn geschonden door de bestreden bepalingen. De slachtoffers van misdrijven beschikken in ieder geval over voldoende waarborgen om hun rechten te doen gelden door een schadevergoeding te vragen voor de geleden verliezen. A.
  25. De vzw « Liga voor Mensenrechten » antwoordt op de argumenten van de Ministerraad met betrekking tot het eerste onderdeel dat het onjuist is te beweren dat het criterium voor de toepassing van de snelrechtprocedure is dat de zaak in staat van wijzen is. Zoals voortvloeit uit de formulering van artikel 216sexies, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, zijn de voorwaarden voor de toepassing van de snelrechtprocedure verschillend van de omstandigheid dat een zaak in staat van wijzen is. De vraag of een zaak in staat van wijzen is, wordt beoordeeld door het vonnisgerecht, en niet door de onderzoeksrechter. Op dezelfde wijze is de omstandigheid dat de onderzoeksrechter van oordeel is dat het gerechtelijk onderzoek afgerond is evenmin een criterium voor de toepassing van de snelrechtprocedure, omdat krachtens artikel 127 van het Wetboek van strafvordering de regeling van de rechtspleging ook plaatsvindt wanneer de onderzoeksrechter van oordeel is dat zijn gerechtelijk onderzoek is afgerond. Het criterium voor toepassing van de snelrechtprocedure schuilt dus wel degelijk in de eenvoud van de zaak, zoals die wordt ervaren. De voorwaarden voor toepassing van de snelrechtprocedure alsook die voor de voorlopige hechtenis worden slechts vervuld in de gevallen waarin het absoluut noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, wegens het risico op vlucht of recidive, om de beklaagde in voorlopige hechtenis te houden. Die gevallen betreffen dus zware misdaden en geen eenvoudige of kleine misdaden. Het criterium van de eenvoud van de zaak is dus niet pertinent om het toepassingsgebied van de snelrechtprocedure te bepalen. De doelstelling van de wetgever om de overbevolking in de gevangenissen en de onveiligheid te bestrijden is een autonome politieke doelstelling, ten aanzien waarvan het niet mogelijk is te onderzoeken of het criterium pertinent is. Bovendien verzet het wettigheidsbeginsel zich ertegen dat de strafprocedure en de waarborgen die eraan verbonden zijn, afhangen van criteria zoals de bevolking in de gevangenissen of de onveiligheid. De procedurele waarborgen waarin is voorzien in de snelrechtprocedure laten niet toe de ontstentenis van een voldoende precieze afbakening van het toepassingsgebied van de snelrechtprocedure te verhelpen, noch het verschil in behandeling tussen de rechtsonderhorigen die onderworpen zijn aan de snelrechtprocedure en diegenen die dat niet zijn te verantwoorden. Bovendien wordt het dossier, krachtens artikel 216sexies van het Wetboek van strafvordering, indien de rechtbank oordeelt dat de voorwaarden voor de toepassing van de snelrechtprocedure niet zijn vervuld, opnieuw ter beschikking gesteld van de procureur des Konings en kan de dagvaarding onontvankelijk worden verklaard. De procureur des Konings kan dan overgaan tot rechtstreekse dagvaarding, tot oproeping bij proces-verbaal of een onderzoeksrechter vorderen opdat hij overgaat tot een gerechtelijk onderzoek. Hij kan ook een opsporingsonderzoek starten. De vaststelling dat een snelrechtprocedure onontvankelijk is, kan zo definitief een einde maken aan een gerechtelijk onderzoek, zo de procureur des Konings dat verkiest, zonder beslissing van een onderzoeksgerecht. De beklaagde verliest dan de rechten en waarborgen die verbonden zijn aan het gerechtelijk onderzoek. A.21.
  26. De Ministerraad is van mening, wat het eerste onderdeel betreft, dat de formulering van artikel 216sexies, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering niet het feit in het geding brengt dat een voorwaarde voor toepassing van de snelrechtprocedure is dat de zaak in staat van wijzen is. Uit de formulering van die bepaling vloeit integendeel voort dat het feit dat de zaak in staat van wijzen is, een voorwaarde voor de toepassing van de snelrechtprocedure is, boven op de andere voorwaarden waarin is voorzien bij artikel 216quinquies van dat Wetboek. Bovendien brengt het feit dat de feitenrechter nagaat of de zaak in staat van wijzen is niet het feit in het geding dat het de onderzoeksrechter toekomt te bepalen of een zaak in staat van wijzen is, overeenkomstig artikel 216quinquies van het Wetboek van strafvordering. Het feit dat de onderzoeksrechter ook in de gewone procedure nagaat of zijn gerechtelijk onderzoek volledig is, brengt evenmin het feit in het geding dat een voorwaarde voor toepassing van de snelrechtprocedure is dat de zaak in staat van wijzen is. Het is bovendien onjuist te beweren dat de snelrechtprocedure enkel kan worden toegepast wanneer het voor de openbare veiligheid, wegens het risico op vlucht of recidive, absoluut noodzakelijk is om de beklaagde in voorlopige hechtenis te houden. Die voorwaarde geldt enkel voor de misdrijven die strafbaar zijn met een straf 11 van niet meer dan vijftien jaar opsluiting. Bovendien betekent het eenvoudige karakter van een zaak niet dat niet moet worden belet dat de beklaagde met derden communiceert. A.22.
  27. Wat het tweede onderdeel betreft, doet de Ministerraad gelden dat de termijnen van de snelrechtprocedure de mogelijkheid voor de burgerlijke partij om de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen, niet louter theoretisch maken. De onderzoeksrechter kan immers enkel oordelen dat het gerechtelijk onderzoek is afgerond en het dossier naar de procureur des Konings verwijzen zonder uitspraak te hebben gedaan over de verzoeken tot bijkomende onderzoekshandelingen van de beklaagde of van de burgerlijke partijen. Het lijkt bovendien onwaarschijnlijk dat een inverdenkinggestelde of een burgerlijke partij bijkomende onderzoekshandelingen vraagt in een eenvoudige zaak, waarin het slachtoffer, de dader en de omvang van de schade bekend zijn. Bovendien kunnen, overeenkomstig de artikelen 61quater, § 5, en 61quinquies, § 4, van het Wetboek van strafvordering, de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij hoger beroep instellen tegen de beslissing van de onderzoeksrechter. Uit die bepalingen vloeit immers geenszins voort dat de saisine van de kamer van inbeschuldigingstelling ophoudt op het moment waarop de procureur dagvaardt in het kader van een snelrechtprocedure. Niets belet dat rechtscollege uitspraak te doen over het verzoek tot bijkomende onderzoekshandelingen, zelfs indien de inverdenkinggestelde ondertussen voor het vonnisgerecht werd gedagvaard. Bovendien, zelfs in de veronderstelling dat om bijkomende onderzoekshandelingen werd verzocht en dat de onderzoeksrechter geen uitspraak over die verzoeken heeft gedaan vóór het einde van zijn onderzoeksbevoegdheid, kan het vonnisgerecht nog nagaan of de voorwaarden voor toepassing van de snelrechtprocedure zijn vervuld, dat wil zeggen nagaan of de zaak in staat van wijzen is, en dus kennisnemen van elk verzoek tot bijkomende onderzoekshandelingen dat nog hangende is en van de argumenten van de partijen daaromtrent. Dat wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding. Zelfs in de veronderstelling dat de mogelijkheden om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen beperkt zijn in de snelrechtprocedure, zou het recht op wapengelijkheid van de beklaagde intact blijven, aangezien elke beperking die hij zou ondergaan identiek zou zijn aan die welke de andere partijen in de procedure ondergaan. A.23.
  28. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 44 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 16, 22 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 17, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene beginselen van het recht op een eerlijk proces en van de rechten van verdediging. Dat middel bestaat uit drie onderdelen. In het eerste onderdeel voert de vzw « Liga voor Mensenrechten » aan dat de verbeurdverklaring die is toegelaten bij artikel 44 van de bestreden wet, een inmenging vormt in het eigendomsrecht van zowel de veroordeelden als van een ruime kring van derden die door die verbeurdverklaring kunnen worden getroffen, terwijl die inmenging niet noodzakelijk is gelet op de doelstelling van de wetgever om te voldoen aan het kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 25 oktober 2004 « betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel » (hierna : het kaderbesluit 2004/757/JBZ), aangezien artikel 44 van de bestreden wet de verbeurdverklaring toelaat voor andere misdrijven die niet zijn bedoeld in datzelfde kaderbesluit, zoals misdrijven die de daders uitsluitend voor persoonlijk gebruik hebben gepleegd. A.23.
  29. In het tweede onderdeel doet de vzw « Liga voor Mensenrechten » gelden dat artikel 44 van de bestreden wet de verbeurdverklaring niet met afdoende procedurele waarborgen omringt die toelaten een billijk evenwicht tussen het algemeen belang en het individueel eigendomsrecht in acht te nemen. De derde geniet niet dezelfde procedurele waarborgen als de andere partijen in de procedure. Zo heeft hij niet noodzakelijk kennis van het vooronderzoek, noch van de eventuele verbeurdverklaring, omdat de procureur niet verplicht is hem op te roepen vooraleer zijn goederen verbeurd worden verklaard. In het kader van een gerechtelijk onderzoek heeft hij geen toegang tot het strafdossier, kan hij geen bijkomende onderzoekshandelingen vragen om zijn goede trouw aan te tonen en is hij niet betrokken bij de regeling van de rechtspleging. In het kader van een opsporingsonderzoek is hij geen benadeeld persoon en kan hij dus evenmin aanvullende onderzoekshandelingen vragen om zijn goede trouw aan te tonen, behalve naar aanleiding van een verhoor, zonder beroepsmogelijkheid. Tijdens de voorbereidende fase van het strafproces is de derde dus duidelijk benadeeld in vergelijking met de andere partijen, en is zijn recht op wapengelijkheid niet gewaarborgd. Tijdens de vonnisfase is die verplichting, hoewel het openbaar ministerie krachtens artikel 5 van het Wetboek van strafvordering de datum van de zitting aan de derden moet betekenen van wie de goederen kunnen worden 12 verbeurdverklaard, niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, zodat de verbeurdverklaring van een goed dat aan een derde toebehoort regelmatig is zelfs indien die derde niet werd opgeroepen. De derde kan hooguit schadevergoeding en intresten krijgen. Het bestaan van rechtsmiddelen is evenmin een voldoende waarborg. De vereiste dat een derde van wie de goederen werden verbeurdverklaard het initiatief moet nemen om zijn rechten te doen gelden, met alle procedurele risico’s van dien, zoals de onontvankelijkheid, terwijl de veroordeelde dat niet moet doen, is niet redelijk verantwoord. Bovendien verliest de derde, indien hij verzet aantekent tegen een in hoger beroep gewezen arrest, zijn recht op een dubbele aanleg. Vervolgens beschikt het bevoegde rechtscollege niet over de mogelijkheid om de verbeurdverklaring te matigen wanneer de derde niet te goeder trouw is, maar de verbeurdverklaring niettemin een onredelijke last zou betekenen in verhouding tot zijn gedraging, of een onevenredige inbreuk op zijn eigendomsrecht zou betekenen. De tenuitvoerlegging van een beslissing tot verbeurdverklaring bevat evenmin de nodige waarborgen : in tegenstelling tot het geval van een uitvoerend beslag op onroerend goed, is zij niet onderworpen aan een bericht van beslag dat wordt opgenomen in het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, noch aan een voorafgaande verdeling in geval van onverdeeldheid. Er is evenmin een rangregeling onder de schuldeisers met een uitvoerbare titel op het onroerend goed zoals het geval is wanneer het goed door de notaris wordt verkocht. De verbeurdverklaring van het onroerend goed doet zo op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de mede-eigenaars (met inbegrip van eventuele minderjarigen) en van de schuldeisers die een onderpand hebben op het verbeurdverklaarde onroerend goed. Ten slotte kan de derde te goeder trouw, net als de bij verstek veroordeelde, enkel verzet aantekenen binnen de voorziene termijn, terwijl de beslissing tot verbeurdverklaring die in kracht van gewijsde is gegaan niet vatbaar is voor verjaring. De niet-tenuitvoerlegging van de beslissing tot verbeurdverklaring van een onroerend goed doet geen verjaringstermijn voor de verbeurdverklaring lopen, zelfs wanneer de verbeurdverklaring van een onroerend goed niet wordt betekend aan een derde te goeder trouw. Daaruit volgt dat de Staat het onroerend goed definitief kan verwerven zonder dat aan de derde te hebben betekend. A.23.
  30. In het derde onderdeel doet de vzw « Liga voor Mensenrechten » gelden dat artikel 44 van de bestreden wet afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven en aan het recht op behoorlijke huisvesting van de derden die, in voorkomend geval, onder hetzelfde dak als de veroordeelde persoon leven. Dat geldt des te meer daar het bevoegde rechtscollege niet de mogelijkheid heeft de verbeurdverklaring te matigen om te vermijden dat die afbreuk doet aan dergelijke rechten. Die derden verliezen hun woning, terwijl zij noch mededader zijn, noch medeplichtige aan de drugsmisdrijven waarvoor de verbeurdverklaring werd uitgesproken. Zij hebben mogelijk niet weerstaan aan die misdrijven wegens morele druk, bedreigingen of geweld, in het bijzonder wanneer de veroordeelde een ernstige verslaving heeft en drugsmisdrijven pleegt om zijn druggebruik te kunnen voortzetten. Zelfs al valt hun houding onder medeplichtigheid, dan nog kan de verbeurdverklaring afbreuk doen aan de voormelde rechten. Die afbreuk aan de rechten van derden gaat verder dan wat strikt noodzakelijk is om te voldoen aan het kaderbesluit 2004/757/JBZ. A.24.
  31. In antwoord op het eerste onderdeel van het tweede middel doet de Ministerraad gelden dat duidelijk uit het kaderbesluit 2004/757/JBZ blijkt dat de door de wetgever nagestreefde doelstelling, met name de strijd aanbinden tegen de illegale handel in verdovende middelen, legitiem is en dat de vzw « Liga voor Mensenrechten », wanneer zij aanvoert dat de bestreden bepalingen verder gaan dan wat strikt noodzakelijk is om aan het voormelde kaderbesluit te voldoen, niet aantoont dat de bestreden bepalingen onevenredig zijn. Het voormelde kaderbesluit bepaalt slechts minimale regels en de Europese wetgever heeft uitdrukkelijk ervoor gekozen de lidstaten geen regels op te leggen met betrekking tot de bestraffing van inbreuken met betrekking tot verdovende middelen die niet in het voormelde kaderbesluit worden beoogd. A.24.
  32. In antwoord op het tweede onderdeel doet de Ministerraad gelden dat de verbeurdverklaring waarin is voorzien bij de bestreden bepalingen niet onevenredig is aangezien artikel 44 van de bestreden wet erin voorziet dat de betrokken goederen slecht kunnen worden verbeurdverklaard « onverminderd de rechten die derden te goeder trouw hierop kunnen laten gelden ». Dat is des te meer het geval omdat de derden procedurele waarborgen genieten. Zo kunnen zij vrijwillig optreden in de strafprocedure. Vervolgens kunnen zij de hoedanigheid van benadeeld persoon krijgen, wat hun het recht geeft om ieder document dat zij nuttig achten aan het dossier te laten toevoegen, om op de hoogte te worden gebracht van de seponering en de reden daarvan, van het instellen van een gerechtelijk onderzoek en van de bepaling van een rechtsdag voor het onderzoeks- en vonnisgerecht, alsook het recht te verzoeken om inzage te hebben in het dossier en er een afschrift van te krijgen. Indien zij niet in de 13 procedure zijn tussengekomen, kunnen zij ten slotte de verbeurdverklaring betwisten door middel van verzet of hoger beroep. Het bestaan van termijnen daaromtrent schendt hun rechten niet en veroorzaakt geen verschil in behandeling. De derden bevinden zich bovendien niet in een situatie die vergelijkbaar is met die van de verweerders, aangezien de verbeurdverklaring niet tegen hen wordt uitgesproken en zij geenszins een schuldverklaring te hunnen aanzien impliceert. Elk argument dat wordt afgeleid uit een verschil in behandeling tussen die twee partijen is dus niet gegrond. Zij kunnen bovendien de hoedanigheid van benadeeld persoon of van burgerlijke partij krijgen, en dus procedurele waarborgen genieten welke aan die partij worden toegekend. Het Hof van Cassatie is bovendien van oordeel dat geen enkele schending van de rechten van derden kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat zij het initiatief moeten nemen om hun vermogensrechtelijke aanspraken te doen gelden. Voor het overige is het onjuist te beweren dat het bevoegde rechtscollege niet de mogelijkheid heeft de verbeurdverklaring te matigen wanneer de derde niet te goeder trouw is. De goede trouw wordt verondersteld. Indien het openbaar ministerie kan aantonen dat een derde te kwader trouw is, zal het mogelijk zijn ook aan te tonen dat hij mededader of medeplichtige is. Krachtens artikel 43 van het Strafwetboek wordt de verbeurdverklaring evenwel bevolen « behoudens wanneer dit tot gevolg zou hebben dat de veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen ». In ieder geval is de bij de bestreden bepalingen voorziene verbeurdverklaring slechts facultatief, hetgeen het bevoegde rechtscollege toelaat die niet uit te spreken indien zij een buitensporig zware last voor de derde vormt. Dat rechtscollege zal zijn beslissing daarom moeten motiveren, en dus moeten antwoorden op de argumenten van de derden die slachtoffer van de verbeurdverklaring zijn. Er is dus geen schending van het eigendomsrecht van de derden die te kwader trouw zijn. De omstandigheid dat de derden minder waarborgen zouden genieten in het kader van een verbeurdverklaring dan in de context van een uitvoerend beslag op onroerend goed is niet pertinent. Die maatregelen zijn verschillend van aard en zijn dus niet vergelijkbaar. In ieder geval zijn de derden beschermd door het feit dat de verbeurdverklaring slechts kan worden uitgesproken onverminderd de rechten van de derden te goeder trouw. Het argument dat is afgeleid uit de ontstentenis van een voorafgaande verdeling in geval van onverdeeldheid betreft een hypothetisch geval. Ten slotte is de beslissing tot verbeurdverklaring wel degelijk onderworpen aan de verjaring, krachtens artikel 94 van het Strafwetboek. Bovendien kan krachtens artikel 187, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering de derde die met een verbeurdverklaring wordt geconfronteerd en aan wie het vonnis niet in persoon werd betekend in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de dag waarop hij kennis kreeg van de betekening, zodat het vonnis waarbij de verbeurdverklaring wordt uitgesproken niet in kracht van gewijsde gaat alvorens de derde kennis heeft van de verbeurdverklaring. A.24.
  33. In antwoord op het derde onderdeel doet de Ministerraad gelden dat een inmenging, enerzijds, in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, en, anderzijds, in het recht op een behoorlijke huisvesting mogelijk is onder bepaalde voorwaarden en dat de vzw « Liga voor Mensenrechten » niet aantoont dat die voorwaarden niet zijn vervuld wat betreft de in artikel 44 van de bestreden wet bedoelde verbeurdverklaring. Bovendien zullen in het voorbeeld van de verzoekende partij, derden die een gezin vormen en samenleven met de persoon die is veroordeeld wegens inbreuk op de wetgeving op de verdovende middelen maar die het zwijgen zijn opgelegd wegens druk of geweld, door een bevoegd rechtscollege kunnen worden beschouwd als te goeder trouw zijnde, hetgeen de verbeurdverklaring zal beletten. Dat is a fortiori het geval aangezien de goede trouw wordt verondersteld. Derden te kwader trouw zullen vaak worden beschouwd als mededader of medeplichtige, waardoor de in artikel 43 van het Strafwetboek bedoelde matigingsbevoegdheid toepasselijk wordt verklaard. A.
  34. De vzw « Liga voor Mensenrechten » antwoordt op de argumenten van de Ministerraad met betrekking tot het tweede onderdeel dat het onjuist is te beweren dat een derde te goeder trouw die wordt geschaad door een strafrechtelijke verbeurdverklaring zich burgerlijke partij kan stellen of de hoedanigheid van benadeeld persoon kan krijgen. Artikel 63 van het Wetboek van strafvordering vereist dat de persoon die beweert te zijn benadeeld, zijn bewering met betrekking tot de schade die hij door het misdrijf zou hebben geleden aannemelijk maakt. De strafrechtelijke verbeurdverklaring wordt echter niet veroorzaakt door een misdrijf, maar door het optreden van de overheid. Het argument dat is afgeleid uit het facultatieve karakter van de verbeurdverklaring kan niet worden gevolgd, omdat de verbeurdverklaring niet tegen de derde, maar enkel tegen de veroordeelde wordt uitgesproken. Zodra de rechtbank de verbeurdverklaring tegen de veroordeelde heeft uitgesproken, kan zij die niet elk gevolg ontnemen, noch matigen ten aanzien van de derde. 14 Het is ook onjuist te beweren dat de verbeurdverklaring van onroerend goed wel vatbaar is voor verjaring. Alleen als de verbeurdverklaring een schuldvordering doet ontstaan die moet worden ingevorderd op het vermogen van de veroordeelde, zoals in het geval van de verbeurdverklaring bij equivalent, kan de verbeurdverklaring verjaren. De theorie van de Ministerraad dat als de verbeurdverklaring van onroerend goed onverjaarbaar is, het ertegen gerichte verzet binnen de buitengewone verzetstermijn dat ook is, lijkt twijfelachtig. Zij zou de rechten van derden die het onroerend goed verwerven na de vervreemding ervan door de Staat in het gedrang brengen. A.
  35. De Ministerraad doet op zijn beurt gelden dat krachtens de theorie van de gelijkwaardigheid van de voorwaarden, het causaal verband tussen de ten laste gelegde feiten en de door de verbeurdverklaring geleden schade voldoende is aangetoond wanneer de verbeurdverklaring zonder de ten laste gelegde feiten niet zou hebben plaatsgevonden. Hij voert ook aan dat het mogelijk is zich burgerlijke partij te stellen of een verklaring van benadeeld persoon af te leggen vooraleer de verbeurdverklaring plaatsvindt, zodra de betrokken derde kennis heeft van de imminente verbeurdverklaring. A.27.
  36. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 5, 6 en 94 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, leden 1 en 2, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 47, 48 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene beginselen van het recht op een eerlijk proces, van de rechten van verdediging en van het recht op een onpartijdige rechter. Het middel bestaat uit drie onderdelen. In het eerste onderdeel voert de vzw « Liga voor Mensenrechten » aan dat het hersteltraject dat is ingevoerd bij de voormelde bepalingen sterke gelijkenissen vertoont met de strafbemiddeling. Terwijl de verdachte die deelneemt aan een strafbemiddeling de zekerheid heeft dat de strafvordering komt te vervallen, heeft de beklaagde die ermee instemt dat een hersteltraject wordt gevraagd of die daarvoor zelf de aanvraag doet, geen enkele waarborg dat het bevoegde rechtscollege zal beslissen het hersteltraject op te leggen, en de bestreden bepalingen voorzien niet in de concrete gevolgen waartoe het voltooien van het hersteltraject moet leiden. De bestreden bepalingen doen dus een discriminatie ontstaan onder de beklaagden naargelang zij het voorwerp uitmaken van een hersteltraject of een strafbemiddeling. Volgens de vzw « Liga voor Mensenrechten », doet de ontstentenis van een waarborg in verband met het aanwenden van het hersteltraject ook afbreuk aan het recht op toegang tot een onpartijdige rechter, aan het recht op het vermoeden van onschuld, aan het recht om te zwijgen en aan het recht om zichzelf niet te beschuldigen. Om in overeenstemming met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te zijn, moet de afstand van het vermoeden van onschuld blijken uit een op ondubbelzinnige wijze en met kennis van zaken gegeven toestemming, hetgeen impliceert dat de gevolgen van de afstand redelijk voorzienbaar moeten zijn. De bestreden bepalingen laten de beklaagde, op het moment waarop hij zijn schuld erkent, echter niet toe in te schatten welke impact die schuldbekentenis zal hebben en welke gevolgen het bevoegde rechtscollege er al dan niet aan zal koppelen. De bij de bestreden bepalingen bedoelde vereiste dat de beklaagde « de hem ten laste gelegde feiten » niet ontkent zou zelfs ertoe kunnen leiden dat de beklaagden geneigd zijn hun schuld te erkennen voor misdrijven waaraan zij zich niet schuldig hebben gemaakt, teneinde deel te kunnen nemen aan het hersteltraject. Bovendien kan de rechter zodra hij is nagegaan of de beklaagde de hem ten laste gelegde feiten niet ontkent, niet langer op onpartijdige wijze uitspraak doen over die feiten. Er is echter niet bepaald dat het bodemgeschil aan een andere rechter moet worden voorgelegd. Bovendien zou de beklaagde, zonder het basismisdrijf te betwisten, bepaalde feitelijke omstandigheden kunnen willen betwisten of aanvoeren die kunnen leiden tot de toelating van verzwarende of verzachtende omstandigheden. Het is onevenredig dat de in het geding zijnde bepalingen dat niet toelaten. A.27.
  37. In het tweede onderdeel voert de vzw « Liga voor Mensenrechten » aan dat artikel 5 van de bestreden wet een discriminatie doet ontstaan, in zoverre het aan het aanwenden van een hersteltraject de vereiste verbindt dat de beklaagde niet wordt opgevolgd door een dienst van de gemeenschappen om reden van dezelfde problematiek en de vereiste dat hij niet onder de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter of strafuitvoeringsrechtbank mag vallen. Het is niet verantwoord dat de beklaagden welke die twee voorwaarden niet vervullen de mogelijkheid wordt ontnomen van het hersteltraject gebruik te maken. Doordat de voormelde bepaling die twee voorwaarden oplegt, sluit ze die beklaagden uit van het hersteltraject die, voor dezelfde problematiek, in het kader van een andere zaak probatievoorwaarden opgelegd kregen, de beklaagden die overeenkomstig artikel 27, § 1, of de artikelen 35 en volgende van de wet van 20 juli 1990 vrijgelaten werden onder nog lopende voorwaarden die begeleiding vereisen, de beklaagden die, in het kader van een strafbemiddeling, begeleid worden door een dienst van de gemeenschappen, de beklaagden aan wie de 15 jeugdrechter maatregelen heeft opgelegd, die nog lopen en worden gehandhaafd na hun meerderjarigheid en die begeleiding impliceren, en alle beklaagden die onder de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter dan wel de strafuitvoeringsrechtbank vallen. Nochtans bevinden zij zich op het moment van de inleidingszitting op procedureel vlak in een situatie die vergelijkbaar is met die van de andere beklaagden. Dat verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord. A.27.
  38. In het derde onderdeel voert de vzw « Liga voor Mensenrechten » aan dat artikel 94 van de bestreden wet het wettigheidsbeginsel en de vereiste van voorzienbaarheid in strafzaken schendt, in zoverre het bepaalt dat tot 1 januari 2028 de bepalingen met betrekking tot het hersteltraject niet van toepassing zijn op de hoven en rechtbanken die nog geen protocol met het parket, de balie en de partners die instaan voor de uitvoering van de hersteltrajecten hebben afgesloten. Die delegatie laat aan de hoven en rechtbanken de zorg over voor een belangrijk gedeelte van de strafprocedure, zonder dat de essentiële elementen zoals de effectieve datum van inwerkingtreding van het hersteltraject bij wet zijn bepaald. Bovendien preciseren de bestreden bepalingen niet hoe de rechtsonderhorigen kennis zullen nemen van het al dan niet bestaan van die protocollen. De voormelde bepaling doet ook een discriminatie ontstaan, aangezien de rechtsonderhorigen al dan niet een hersteltraject zullen kunnen vorderen naargelang het rechtscollege waarvoor zij moeten verschijnen al dan niet reeds het vermelde protocol heeft afgesloten. A.28.
  39. In antwoord op het eerste onderdeel van het derde middel voert de Ministerraad aan dat de procedure bemiddeling en maatregelen fundamenteel verschilt van de procedure van het hersteltraject. Terwijl de eerste uitgaat van het openbaar ministerie, wordt de tweede opgelegd door de feitenrechter, hetgeen in overeenstemming is met de doelstellingen van elk van die procedures. De tweede kan bovendien het resultaat zijn van een verzoek van de beklaagde of zijn advocaat, en niet alleen van het openbaar ministerie. De procedure bemiddeling en maatregelen kan op verschillende momenten van de rechtspleging worden gestart, terwijl het hersteltraject slechts in het laatste stadium van de rechtspleging kan worden opgelegd, wanneer de zaak hangende is voor het vonnisgerecht. De procedure bemiddeling en maatregelen beoogt de gevolgen van misdrijven zo snel mogelijk te behandelen door maatregelen op te leggen en door de veroorzaakte schade te herstellen, enerzijds, en door te voorzien in het verval van de strafvordering, anderzijds. Het gaat om een vorm van buitengerechtelijke regeling van de gevolgen van het misdrijf. Het hersteltraject beoogt de beklaagde een bijkomende mogelijkheid te bieden om te werken aan een problematiek van verslaving, agressiviteit of een psychosociale problematiek die aan het misdrijf ten grondslag ligt. Het feit dat een hersteltraject wordt gevolgd sluit niet de mogelijkheid uit dat vervolgens een straf wordt opgelegd, en het traject beoogt op zich niet de veroorzaakte schade te compenseren, maar eerder om de beklaagde opnieuw in de samenleving te laten integreren. Bovendien hebben de twee procedures verschillende toepassingsgebieden, ook al overlappen ze elkaar gedeeltelijk. Het hersteltraject kan worden opgelegd voor misdrijven waarop een zwaardere straf staat dan het geval is voor de procedure bemiddeling en maatregelen. De beklaagden voor wie de ene of de andere procedure wordt toegepast bevinden zich dus in fundamenteel verschillende situaties en vormen categorieën van personen die niet vergelijkbaar zijn. De Ministerraad doet ook gelden dat het ontworpen artikel 5 van de bestreden wet werd gewijzigd in antwoord op het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, om geen erkenning van schuld meer te vereisen, maar enkel een erkenning van de feiten, zonder, zelfs impliciete, erkenning van de schuld. De beklaagde kan de kwalificatie van die feiten, zijn betrokkenheid en, in een later stadium, zijn schuld dus betwisten. Hij kan ook zijn zwijgrecht doen gelden, aangezien alleen vereist is dat hij de feiten « niet ontkent ». De andere lezing die de vzw « Liga voor Mensenrechten » van de bestreden bepalingen maakt is onjuist. Het bij de bestreden bepalingen ingevoerde hersteltraject doet dus geen afbreuk aan het recht op een eerlijk proces. Een bijkomende waarborg is gelegen in de na het advies van de Raad van State toegevoegde uitdrukkelijke precisering dat de toestemming van de beklaagde op een vrije en weloverwogen manier werd gegeven. Ten slotte moet het bevoegde rechtscollege rekening houden met het gevolgde hersteltraject. De omstandigheid dat niet op voorhand is geweten hoe het bevoegde rechtscollege daarmee rekening zal houden vormt geen schending van de voormelde waarborgen van het recht op een eerlijk proces. A.28.
  40. In antwoord op het tweede onderdeel voert de Ministerraad aan dat de beklaagde die door een dienst van de gemeenschappen wordt opgevolgd wegens dezelfde problematiek, zich niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van de beklaagde voor wie dat niet het geval is. Het hersteltraject is geen straf, maar een hulpmiddel om een einde te maken aan de beoogde problematieken. Het is dus logisch dat de beklaagde die reeds door een dienst van de gemeenschappen wordt gevolgd voor dezelfde problematiek niet moet worden onderworpen aan een bijkomend hersteltraject dat de opvolging door een dienst van de gemeenschappen zou tegenwerken. Die uitsluiting beoogt ook een werkoverlast voor die gemeenschappen te voorkomen. Op dezelfde manier bevindt de beklaagde die onder de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter of van de strafuitvoeringsrechtbank valt zich niet in een situatie die vergelijkbaar is met die van de beklaagde die niet daaronder valt. Een hersteltraject kan 16 immers niet nuttig worden opgelegd aan een persoon die in hechtenis is geplaatst of die is opgesloten, noch aan een persoon die is veroordeeld tot een vrijheidsstraf en aan wie een speciale regeling is toegekend. Het zou onmogelijk zijn voor het rechtscollege dat het hersteltraject oplegt om de voltooiing van dat traject op te volgen zonder inbreuk te maken op de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. Het verschil in behandeling is op zijn minst verantwoord, aangezien het toelaat, enerzijds, te vermijden dat een beklaagde tweemaal wordt opgevolgd voor dezelfde problematiek en, anderzijds, een bevoegdheidsoverschrijding te vermijden. A.28.
  41. In antwoord op het derde onderdeel doet de Ministerraad gelden dat een aan een autoriteit toegekende beoordelingsbevoegdheid niet in strijd is met het wettigheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende precies is gedefinieerd en betrekking heeft op de uitvoeringsmaatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaand zijn bepaald. Na een opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State werd de vermelding geschrapt volgens welke in het tussen de rechtbank, het parket, de balie en de partners gesloten protocol de aard wordt gepreciseerd van de zaken die voor het hersteltraject in aanmerking komen en voortaan wordt erin voorzien dat het hersteltraject kan worden opgelegd voor zover het feiten betreft die niet blijken te moeten worden bestraft met een correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan vijf jaar of met een zwaardere straf, en voor zover elementen uit het dossier aangeven dat de feiten verband houden met een problematiek van verslaving, agressiviteit of een psychosociale problematiek. Het bepalen van de aard van de dossiers waarvoor het hersteltraject kan worden aangewend, is dus niet langer een kwestie van de te sluiten protocollen, maar is bepaald bij de bestreden wet, die bijgevolg wel degelijk de essentiële elementen van die regeling bepaalt. De datum van inwerkingtreding van de protocollen is daarentegen geen essentieel element van de regeling. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft in haar advies overigens zelf aanbevolen om in de wet te stellen dat de bepalingen met betrekking tot het hersteltraject niet van toepassing zijn op de hoven en rechtbanken die nog niet de voormelde protocollen hebben gesloten. Er kan ook geen schending van het wettigheidsbeginsel worden afgeleid uit de omstandigheid dat de rechtbanken tot 1 januari 2028 de tijd hebben om de voormelde protocollen te sluiten. Het loutere bestaan van een overgangsmaatregel volstaat immers niet om afbreuk te doen aan het wettigheidsbeginsel. Bovendien zal de rechtsonderhorige via de website van het betrokken rechtscollege vernemen dat de protocollen zijn gesloten. Ten slotte vloeit de omstandigheid dat de rechtsonderhorigen, naargelang de datum waarop de protocollen zijn gesloten, al dan niet een hersteltraject opgelegd kunnen krijgen niet voort uit de bestreden wet maar uit verschillen die in de praktijk zijn ontstaan. Zo bestaan er reeds meerdere pilootprojecten die door sommige rechtbanken zijn ingevoerd. De bestreden wet beoogt een geïntegreerde aanpak na te streven en die pilootprojecten in een uniform kader te verankeren. Een dergelijke uniformering gaat noodzakelijkerwijs gepaard met een overgangsbepaling. Er is dus geen discriminatie. A.29.
  42. De vzw « Liga voor Mensenrechten » antwoordt op de argumenten van de Ministerraad met betrekking tot het eerste onderdeel dat, hoewel het initiatief voor de strafbemiddeling uitgaat van de procureur des Konings, dat de beschuldigde niet verhindert de procureur des Konings te contacteren met het oog op een strafbemiddeling. Bovendien is het zowel in het geval van de strafbemiddeling als in dat van het hersteltraject een orgaan van de rechterlijke macht dat de eindbeslissing neemt. Het doel van de twee procedures bestaat in beide gevallen erin een inverdenkinggestelde aan maatregelen te onderwerpen om hem te laten meewerken en om hem advies te geven teneinde recidive te voorkomen, waarbij het doorlopen van de procedure positieve gevolgen heeft voor de lopende vervolging. In beide gevallen is de vergoeding van de slachtoffers ook een van de nagestreefde doelstellingen. Ten slotte is er een overlapping van het toepassingsgebied van beide procedures, ook al kan het hersteltraject worden opgelegd bij ernstigere misdrijven. De personen die onderworpen zijn aan de ene of de andere procedure zijn dus wel degelijk vergelijkbaar. Zij doet ook gelden dat de woorden « de hem ten laste gelegde feiten » impliceren dat de feiten worden toegerekend aan de persoon van de beklaagde. De parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen beoogt bovendien wel degelijk een impliciete erkenning van schuld, in zoverre zij vermeldt : « Van de beklaagde kan enkel worden gevraagd dat hij het bestaan van de onderliggende problematiek erkent en bereid is hieraan te werken, zonder dat hij uitdrukkelijk de schuld voor de hem ten laste gelegde feiten moet erkennen » (Parl. St., Kamer, DOC 55-3322/001, 2022-2023, p. 15). Aangezien de feitenrechter moet nagaan of de beklaagde de hem ten laste gelegde feiten erkent, is het bovendien ondenkbaar dat hij een hersteltraject oplegt aan een beklaagde die zich op zijn zwijgrecht beroept wanneer de vraag hem wordt gesteld. Zelfs in de veronderstelling dat zulks mogelijk is, zullen de beklaagden die een hersteltraject opgelegd willen krijgen minder geloofwaardig overkomen indien zij zich op hun zwijgrecht beroepen en zij zullen dus ertoe worden aangezet afstand te doen van hun zwijgrecht. 17 A.29.
  43. De vzw « Liga voor Mensenrechten » antwoordt op de argumenten van de Ministerraad met betrekking tot het tweede onderdeel dat het hersteltraject als aansporing, nuttig kan zijn voor een beklaagde die reeds voor dezelfde problematiek wordt gevolgd. Een hersteltraject doet niet noodzakelijkerwijs afbreuk aan een reeds bestaande begeleiding. Een autonome probatiestraf die de beklaagde verplicht om rijlessen te volgen en een groepstherapie omtrent het gebruik van cannabis, belet niet dat hij wordt onderworpen aan een herstelprogramma waarbij hij het advies van een arts moet volgen en regelmatig negatieve urinetesten moet afleggen. Verschillende strafuitvoeringsmodaliteiten die door de strafuitvoeringsrechter en door de strafuitvoeringsrechtbank zijn uitgesproken, enerzijds, en een hersteltraject, anderzijds, kunnen ook naast elkaar bestaan. A.29.
  44. In antwoord op de argumenten van de Ministerraad met betrekking tot het derde onderdeel, doet de vzw « Liga voor Mensenrechten » gelden dat er een groot aantal pilootprojecten bestaat en dat het feit dat zij nu kracht van wet krijgen maakt dat de leemten ervan kunnen worden betwist teneinde ze te verhelpen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
  45. De beroepen tot vernietiging zijn gericht tegen verschillende bepalingen van de wet van 18 januari 2024 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken III » (hierna : de wet van 18 januari 2024). Het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 8284, dat werd ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », heeft betrekking op de strafrechtelijke snelrechtprocedure die werd ingevoerd bij de artikelen 7 tot 10 van de wet van 18 januari
  46. Het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 8289, dat werd ingesteld door de vzw « Liga voor Mensenrechten », heeft betrekking op de voormelde strafrechtelijke snelrechtprocedure en op de verbeurdverklaring van onroerende goederen die hebben gediend of die bestemd waren om misdrijven inzake verdovende middelen te plegen, die werd ingevoerd bij de artikelen 44 en 45 van de wet van 18 januari 2024, alsook op het hersteltraject, dat werd ingevoerd bij de artikelen 5 en 6 van dezelfde wet. B.2.
  47. Bij de artikelen 7 tot 9 van de wet van 18 januari 2024 wordt, in boek II, titel I, van het Wetboek van strafvordering, een hoofdstuk V ingevoegd met als opschrift « De snelrechtprocedure », dat uit twee artikelen bestaat die bepalen : « Art. 216quinquies. §
  48. In afwijking van artikel 127, kan de procureur des Konings een persoon die aangehouden is met toepassing van artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, dagvaarden voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank met het oog op de toepassing van de snelrechtprocedure, voor zover de onderzoeksrechter van oordeel is dat het gerechtelijk onderzoek volledig is en het dossier daartoe op vordering van de procureur des Konings heeft meegedeeld. 18 Het vrij en weloverwogen akkoord van de aangehoudene dient in aanwezigheid van zijn advocaat te worden bevestigd voor de onderzoeksrechter, die het akkoord in een proces-verbaal acteert. Het akkoord kan vanaf dat ogenblik niet meer worden ingetrokken. Zodra het aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en uiterlijk op de zitting van de raadkamer bedoeld in artikel 21 van de bovenvermelde wet van 20 juli 1990 gaat de procureur des Konings over tot dagvaarding. De beklaagde die de taal van de procedure niet verstaat, ontvangt binnen een redelijke termijn de vertaling van de relevante passages van de dagvaarding in een taal die hij bij het eerste verhoor overeenkomstig artikel 47bis heeft gekozen, zodanig dat hij geïnformeerd is over de hem ten laste gelegde feiten en hij zich effectief kan verdedigen. De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat. §
  49. Plaats, dag en uur van verschijning worden zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur na de kennisgeving bedoeld in paragraaf 1, derde lid, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, aan de gekende slachtoffers meegedeeld. De slachtoffers die de taal van de procedure niet verstaan, hebben het recht een vertaling van die inlichtingen te verkrijgen in een taal die zij verstaan. Het verzoek dient ter griffie van de bevoegde rechtbank te worden neergelegd. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn. De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat. Op schriftelijk verzoek van de benadeelde persoon dat voor de terechtzitting en op hetzelfde moment als de verklaring bedoeld in artikel 5bis van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering kan worden ingediend, wordt het dossier ter beschikking van hem en zijn advocaat gesteld. §
  50. Het dossier ligt op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking en de partijen kunnen er inzage van hebben en er kopie van opvragen onverminderd de toepassing van artikel 21, § 3, van de bovenvermelde wet van 20 juli
  51. Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van het dossier nemen ter plaatse. §
  52. De verschijning voor de rechtbank geschiedt binnen een termijn die niet korter mag zijn dan vijf werkdagen, noch langer dan vijftien dagen vanaf de dagvaarding. De rechtbank doet uitspraak ter terechtzitting of binnen vijf dagen na de in het eerste lid bedoelde zitting. §
  53. De rechtbank kan, na de partijen en hun raadslieden te hebben gehoord, ambtshalve of op verzoek van de beklaagde, de burgerlijke partij of het openbaar ministerie de zaak eenmalig verdagen naar een volgende zitting, binnen een termijn die begint te lopen na de eerste zitting en die niet meer dan vijftien dagen mag bedragen. De rechtbank doet uitspraak ter terechtzitting of binnen vijf dagen na de in het eerste lid, bedoelde laatste zitting. 19 §
  54. De raadkamer beslist over het al dan niet handhaven van de voorlopige hechtenis, overeenkomstig artikel 21, §§ 1 tot 5, van voornoemde wet van 20 juli
  55. Na de zitting van de raadkamer komt deze bevoegdheid toe aan de rechtbank. De voorlopige invrijheidstelling kan worden verleend op indiening van een verzoekschrift gericht aan de rechtbank vanaf de zitting van de raadkamer bedoeld in voorgaande lid, overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 27, §§ 3 en 4, van de bovenvermelde wet van 20 juli
  56. §
  57. Tegen het vonnis kan beroep worden ingesteld op de wijze en onder de voorwaarden bepaald in artikel 209bis. Art. 216sexies. §
  58. Wanneer de rechtbank van oordeel is dat de voorwaarden voorzien in artikel 216quinquies, § 1, niet vervuld zijn of de zaak niet in staat is om te worden berecht in het kader van de snelrechtprocedure, wordt het dossier terug ter beschikking gesteld van de procureur des Konings en kan de dagvaarding onontvankelijk worden verklaard. In dat geval beslist de rechtbank bij dezelfde beschikking over de handhaving van de beklaagde in hechtenis tot aan de eventuele betekening van een bevel tot aanhouding binnen achtenveertig uur. De beslissing tot handhaving is geldig voor een termijn van achtenveertig uur. Ze vermeldt de datum en het uur van de uitspraak en wordt overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis met redenen omkleed. Tegen de beschikking bedoeld in het tweede lid kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend. §
  59. De procureur des Konings kan overgaan tot rechtstreekse dagvaarding, oproeping bij proces-verbaal of een onderzoeksrechter vorderen met een gerechtelijk onderzoek en het verlenen van een bevel tot aanhouding binnen de achtenveertig uur van de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde beschikking. In dat laatste geval, moet de verdachte door de onderzoeksrechter worden ondervraagd. Oordeelt deze dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd, dan kan hij een nieuw bevel tot aanhouding uitvaardigen, waarop de bepalingen van de hoofdstukken III, IV en V van de bovenvermelde wet mede van toepassing zijn. Dit nieuwe bevel tot aanhouding wordt aan de verdachte betekend binnen de termijn van paragraaf 1, derde lid ». Bij de artikelen 10 en 54 van de wet van 18 januari 2024 worden respectievelijk artikel 216septies van het Wetboek van strafvordering en artikel 20bis van de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis » (hierna : de wet van 20 juli 1990) opgeheven. Artikel 45 van de wet van 18 januari 2024 voegt een verwijzing naar de snelrechtprocedure toe in artikel 2, tweede lid, van de wet van 4 oktober 1867 « op de 20 verzachtende omstandigheden ». Artikel 91 van de wet van 18 januari 2024 stelt dat de bepalingen waarbij de snelrechtprocedure wordt ingevoerd, worden onderworpen aan een evaluatie binnen een termijn van twee jaar vanaf de inwerkingtreding ervan. B.2.
  60. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Het doel is om de algemene beleidsnota Justitie uit te voeren die het herstel van een snelrechtprocedure beoogt, in nauw overleg met diverse actoren (DOC 55 2934/013, p. 25). […] Daarnaast houdt het ontwerp rekening met de opgedane ervaringen uit twee conferenties die in 2021 werden georganiseerd rond stadsrellen, samen met Binnenlandse Zaken en de Kamer van volksvertegenwoordigers. Het doel van deze conferenties was om tot een betere aanpak en beheersing van stadsrellen te komen, op sociaal-preventief niveau, op bestuurlijk niveau en op repressief en justitieel niveau. Uit die conferentie kwam naar voor dat een snelle ketengerichte aanpak noodzakelijk is om het fenomeen van stadsrellen te beheersen. […] […] Het ontwerp beoogt het procedurele arsenaal waarover magistraten beschikken aan te vullen om sneller te kunnen reageren op een reeks misdrijven die het gevoel van openbare veiligheid verstoren. Dit zal toelaten een gevoel van straffeloosheid in hoofde van de daders en recidive te voorkomen. De nieuwe snelrechtprocedure vormt een aanvulling op de bestaande procedures. Dit ontwerp zal van toepassing zijn op personen die zijn aangehouden. Het is dus niet de bedoeling het gebruik van de voorlopige hechtenis uit te breiden, noch aan te moedigen. In de artikelen 216quinquies en volgende van het Wetboek van Strafvordering is een nieuwe snelrechtprocedure opgenomen, die de oude procedure voor onmiddellijke verschijning vervangt » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3322/014, pp. 25 en 26). « Deze procedure is bedoeld voor eenvoudige zaken waarbij de feiten voldoende vastgesteld zijn en de onderzoeksrechter inschat dat de noodzakelijke onderzoeksdaden werden uitgevoerd. ‘ Eenvoudige zaken ’ zijn zaken waarin de dader en het slachtoffer zijn geïdentificeerd en de schade bekend is. Dit kan een strafbaar feit zijn dat op heterdaad is gepleegd of waarvan de persoon de feiten kent, bijvoorbeeld een eenvoudige diefstal of geweldpleging op de openbare weg, in aanwezigheid van getuigen » (ibid., p. 32). B.3.
  61. Bij artikel 44 van de wet van 18 januari 2024 is artikel 4, § 6, van de wet van 24 februari 1921 « betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende 21 middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen » (hierna : de Drugswet), zoals het werd vervangen bij de wet van 9 juli 1975 en laatst werd gewijzigd bij de wet van 13 oktober 2022, aangevuld met het volgende lid : « Onroerende goederen die hebben gediend of die bestemd waren om de in de artikelen 2, 2°, 2bis, 2quater en 3 omschreven misdrijven te plegen mogen worden verbeurdverklaard, ook al zijn ze geen eigendom van de veroordeelde, onverminderd de rechten die derden te goeder trouw hierop kunnen laten gelden ». B.3.
  62. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « [met deze bepaling] wordt beoogd een noodzakelijke juridische basis te voorzien voor de verbeurdverklaring van onroerende goederen die het instrument zijn van een drugsmisdrijf (bijvoorbeeld een huis dat is ingericht als XTC-labo). Deze verbeurdverklaring is nochtans voorzien door artikel 4.
  63. (sancties) en 7 (sancties tegen rechtspersonen) van het EU- kaderbesluit 2004/757/JBZ van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel. Met deze wijziging wordt geantwoord op het advies van het College van procureurs-generaal over het wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3322/014, p. 24). B.4.
  64. Bij artikel 5 van de wet van 18 januari 2024 is, in het Wetboek van strafvordering, een artikel 190sexies ingevoegd dat luidt als volgt : « §
  65. De rechtbank kan, voor zover voldaan is aan het vierde lid en voor zover het gaat om feiten die niet van die aard schijnen te zijn dat ze gestraft moeten worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar gevangenisstraf of een zwaardere straf en voor zover er elementen in het dossier aanwezig zijn die aangeven dat de feiten gerelateerd zijn aan een verslavings-, agressie of psychosociale problematiek, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beklaagde of zijn advocaat, overgaan tot het opleggen van een hersteltraject overeenkomstig dit artikel. Hiertoe moeten de volgende voorwaarden zijn vervuld : 1° de beklaagde ontkent de hem ten tenlastegelegde feiten niet, erkent het bestaan van een onderliggende verslavings-, agressie of psychosociale problematiek van zijn kant en is gemotiveerd om hieraan te werken; 2° de beklaagde wordt op het ogenblik van de verschijning voor de rechtbank niet opgevolgd door een dienst van de gemeenschappen wegens dezelfde problematiek; 22 3° de beklaagde mag niet onder de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank vallen; 4° de beklaagde verleent op vrije en voldoende geïnformeerde wijze zijn instemming met het hersteltraject. Voor zover in de rechtbank een gespecialiseerde kamer daartoe is ingericht, worden de zaken waarin er sprake is van een onderliggende problematiek en waarvoor een hersteltraject in toepassing van dit artikel overwogen wordt, door die kamer behandeld. De rechtbank sluit een protocol af met het parket, de balie en de partners die instaan voor de uitvoering van de hersteltrajecten. Het protocol specifieert op welke manier de opvolging en de informatiedoorstroming geregeld wordt. Tijdens de zittingen zijn een of meerdere diensten die instaan voor de uitvoering van de hersteltrajecten aanwezig en geven zij indien nodig toelichting. §
  66. De rechtbank kan ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie een melding sturen naar de bevoegde dienst van de gemeenschappen met de vraag om een maatschappelijke enquête te verrichten. §
  67. Tijdens de inleidingszitting zetten het openbaar ministerie en de burgerlijke partij of haar advocaat de zaak uiteen. De beklaagde wordt gehoord. De rechter gaat na of de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1 vervuld zijn en of het aangewezen lijkt om een hersteltraject op te leggen. Indien dit het geval is, wordt de zaak uitgesteld met het oog op het opstellen van een hersteltraject. Is dit niet het geval dan vindt de behandeling van de zaak plaats. §
  68. In het in paragraaf 3, derde lid, bedoelde geval wordt een hersteltraject opgesteld door de bevoegde dienst van de gemeenschappen, in samenwerking met de beklaagde. In het hersteltraject worden maatregelen uitgewerkt, rekening houdend met de onderliggende problematiek en met oog voor de belangen van de burgerlijke partij. §
  69. Uiterlijk twee maanden na de inleidingszitting vindt een oriëntatiezitting plaats waarop de beklaagde aan de rechter een hersteltraject voorlegt. Als het hersteltraject niet wordt aanvaard, kan de beklaagde voorstellen tot aanpassing doen. Doet hij dit niet dan vindt de behandeling van de zaak plaats. Indien het hersteltraject wordt aanvaard, wordt het ondertekend door de beklaagde. De zaak wordt uitgesteld voor verdere opvolging. §
  70. Uiterlijk een maand na de oriëntatiezitting bedoeld in paragraaf 5 en telkens wanneer de rechtbank dit aangewezen acht, vindt een opvolgingszitting plaats waarop de naleving van de voorwaarden van het hersteltraject wordt besproken en geëvalueerd. Deze worden waar nodig bijgestuurd. 23 De bevoegde diensten van de gemeenschappen begeleiden de beklaagde bij de naleving van het hersteltraject. In het kader van de controle en in functie van eventuele bijsturingen van het hersteltraject stellen de bevoegde diensten een verslag op tegen elke volgende opvolgingszitting en telkens wanneer zij dit nodig achten of op vraag van de rechtbank. Een kopie van deze verslagen wordt systematisch toegestuurd aan het openbaar ministerie en gevoegd bij het dossier voor de volgende opvolgingszitting. Indien de rechtbank tot de voortzetting van het hersteltraject beslist, wordt de zaak uitgesteld voor verdere opvolging. Indien het hersteltraject niet wordt opgevolgd, beslist de rechtbank tot stopzetting en vindt de behandeling van de zaak plaats. De duur van de opvolging is beperkt tot een jaar. Deze termijn kan door de rechtbank bij een met redenen omklede beslissing verlengd worden met maximaal zes maanden. §
  71. Uiterlijk achttien maanden na het opstarten van het hersteltraject vindt de behandeling van de zaak plaats. De beklaagde en de burgerlijke partij en hun advocaten worden in kennis gesteld van de plaats, de dag en het uur van verschijning. De burgerlijke partij of haar advocaat wordt gehoord voor de uiteenzetting van de burgerlijke vordering, de beklaagde en zijn advocaat worden gehoord in zijn verdediging en het openbaar ministerie vat de zaak samen en neemt zijn conclusie. De rechtbank houdt bij de uitspraak rekening met het gevolgde hersteltraject en vermeldt dit in het vonnis ». Artikel 6 van de wet van 18 januari 2024 voegt, in artikel 209bis van het Wetboek van strafvordering, een verwijzing in naar het voormelde artikel 190sexies, teneinde de procedure van het hersteltraject toepasselijk te maken op de hoven van beroep. Artikel 94 van de wet van 18 januari 2024 stelt dat de voormelde bepalingen betreffende het hersteltraject niet van toepassing zijn voor de hoven en de rechtbanken die het in artikel 5 vastgelegde protocol nog niet hebben gesloten, en dat dit protocol uiterlijk op 1 januari 2028 zal moeten zijn gesloten. B.4.
  72. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « De oplegging van een hersteltraject beoogt eerder het herstel dan een bestraffing. Dit past binnen een beweging van restorative justice. De rechter neemt in dit traject een actieve rol op, naar analogie van de rol van de rechters in de bemiddelingskamers of kamers voor minnelijke schikking. 24 Tijdens de periode waarin de beklaagde wordt opgevolgd kunnen hem een behandeling of andere bijkomende maatregelen worden voorgesteld waardoor naast de onderliggende problemen (verslaving, agressieprobleem, …) ook andere problematieken kunnen worden aangepakt (schulden, werkloosheid, dakloosheid) waardoor de kans op recidive afneemt. Er zal regelmatig overleg worden gepleegd met de bevoegde diensten van de gemeenschappen die instaan voor de opvolging van het traject teneinde een goed onderbouwde en multidisciplinaire aanpak mogelijk te maken. In de beleidsplannen Justitie wordt verwezen naar reeds bestaande pilootprojecten. Dit wetsontwerp beoogt om dit soort procedure te veralgemenen en deze methodologie te implementeren. Met dit initiatief kan worden gefocust op preventie, schadebeperking, herstel en hulpverlening. […] Het wetsontwerp beoogt een geïntegreerde aanpak en het structureel inbedden van deze positief geëvalueerde proefprojecten. Uitgangspunt is dat de gevangenisstraf een ultimum remedium is. Het aanbieden van hulpverlening is de prioriteit. De rechter geeft de kans aan de beklaagde om iets te doen aan de verslavings-, agressie of psychosociale problematiek voor de uitspraak van de veroordeling. De hersteltrajecten hebben het voordeel dat er een onmiddellijke en aangepaste reactie van de kant van justitie is, met inachtneming van de problemen maar met behoud van de stok achter deur in het geval van niet medewerking van de beklaagde. In deze zin zijn de hersteltrajecten een alternatief voor de probatiestraffen waarbij in de praktijk vaak maanden na de uitspraak van de rechtbank begonnen wordt aan herstel en begeleiding. Door de intense begeleiding en de regelmatige verschijningen voor de rechtbank heeft deze procedure veel meer effect op het gedrag van de beklaagde » (Parl. St., Kamer, 2022- 2023, DOC 55-3322/001, pp. 8 tot 11). Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.5.
  73. De Ministerraad voert aan dat het beroep van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » niet ontvankelijk is, in zoverre die laatste niet doet blijken van het vereiste belang. B.5.
  74. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier 25 situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.5.
  75. Artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, eerste en tweede lid, bepaalt : « De Orde van Vlaamse balies en de ‘ Ordre des Barreaux francophones et germanophone ’ hebben, elk voor de balies die er deel van uitmaken, de taak te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden en zijn bevoegd voor de juridische bijstand, de stage, de beroepsopleiding van de advocaten-stagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken. Ze nemen initiatieven en maatregelen die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende ». B.5.
  76. De Ordes van de balies zijn publiekrechtelijke beroepscorporaties die bij wet zijn opgericht en die op verplichte wijze al diegenen die het beroep van advocaat uitoefenen groeperen. De Ordes van de balies kunnen, behoudens de gevallen waarin zij hun persoonlijk belang verdedigen, slechts in rechte treden binnen de opdracht die de wetgever hun heeft toevertrouwd. Aldus kunnen zij in de eerste plaats in rechte treden wanneer zij de beroepsbelangen van hun leden verdedigen of wanneer de uitoefening van het beroep van advocaat in het geding is. Volgens artikel 495, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de Ordes ook initiatieven en maatregelen nemen « die nuttig zijn […] voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende ». B.5.
  77. Uit artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 87 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, blijkt dat de Ordes van de balies slechts als verzoekende of tussenkomende partij voor het Hof in rechte kunnen treden ter verdediging van het collectieve belang van de rechtzoekenden in zoverre dit verbonden is met de taak en de rol van de advocaat bij de behartiging van de belangen van de rechtzoekende. Maatregelen die geen enkele weerslag hebben op het recht op toegang tot de rechter, op de rechtsbedeling of op de bijstand die advocaten aan hun cliënten kunnen verlenen, ongeacht of dat gebeurt tijdens een administratief beroep, via een minnelijke schikking of via een geschil 26 dat wordt voorgelegd aan de gewone of administratieve rechtscolleges, vallen bijgevolg buiten het bereik van artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 87 van de bijzondere wet van 6 januari
  78. B.5.
  79. Aangezien de bestreden bepalingen een versnelde strafprocedure invoerden voor bepaalde zaken, hebben zij een weerslag op de rechtsbedeling en op de bijstand die advocaten aan hun cliënten kunnen verstrekken, in dit geval aan de rechtzoekenden van wie de zaak wordt behandeld in het kader van een dergelijke procedure. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » doet blijken van een belang om de vernietiging ervan te vorderen. B.
  80. In de drie door haar opgeworpen middelen voert de vzw « Liga voor Mensenrechten » onder meer de schending aan van bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, (hierna : het Handvest). Aangezien zij, in het raam van het eerste en het derde middel, geen aanknopingspunt tussen de bestreden bepalingen en het toepassingsgebied van het Unierecht aantoont, zijn die middelen niet ontvankelijk in zoverre zij zijn afgeleid uit de schending van het Handvest. Ten aanzien van de volgorde waarin de middelen worden onderzocht. B.
  81. Het Hof onderzoekt de verschillende onderdelen als volgt : - het toepassingsgebied van de strafrechtelijke snelrechtprocedure (eerste middel in de zaak nr. 8284 en eerste deel van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8289); - het verloop van de strafrechtelijke snelrechtprocedure : 1) het ontbreken van een regeling van de rechtspleging voor een onderzoeksgerecht, voor inverdenkinggestelden (tweede deel van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8289); 2) de waarborgen die nodig zijn voor de verdediging van de vervolgde persoon (tweede middel in de zaak nr. 8284); 27 3) de ontstentenis van hoger beroep tegen de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis (derde middel in de zaak nr. 8284); 4) de ontstentenis van een recht van verzet tegen de beslissing van het vonnisgerecht (vierde middel in de zaak nr. 8284); 5) de behandeling van de benadeelde personen (vijfde middel in de zaak nr. 8284 en tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8289); - de verbeurdverklaring (tweede middel in de zaak nr. 8289); - het hersteltraject (derde middel in de zaak nr. 8289). Ten aanzien van het toepassingsgebied van de snelrechtprocedure (eerste middel in de zaak nr. 8284 en eerste deel van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8289) B.
  82. De verzoekende partijen voeren aan dat de artikelen 8 en 9 van de wet van 18 januari 2024 een schending inhouden van de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de afbakening van het toepassingsgebied van de snelrechtprocedure niet pertinent is in het licht van het doel van de wetgever, waardoor een discriminatie zou ontstaan tussen de personen die worden vervolgd in het kader van die procedure en de personen die worden vervolgd in het kader van een gewone procedure, en in zoverre die afbakening niet voldoende nauwkeurig en voorzienbaar is. B.
  83. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. 28 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.10.
  84. De voorwaarden die moeten worden vervuld opdat de procureur des Konings de toepassing van de snelrechtprocedure kan vorderen, zijn vastgelegd in artikel 216quinquies, § 1, van het Wetboek van strafvordering, zoals het werd ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 18 januari
  85. Ten eerste moet de inverdenkinggestelde in voorlopige hechtenis zijn genomen met toepassing van artikel 16 van de wet van 20 juli 1990, en moeten dus de in dat artikel bepaalde voorwaarden vervuld zijn. Artikel 16, § 1, eerste en vierde lid, van die wet bepaalt : « Slechts in geval van volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en indien het feit voor de verdachte een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, kan de onderzoeksrechter een bevel tot aanhouding verlenen. […] Indien het maximum van de van toepassing zijnde straf vijftien jaar opsluiting of, bij misdrijven bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, vijf jaar gevangenisstraf niet te boven gaat, mag het bevel slechts worden verleend als er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden. […] ». B.10.
  86. Ten tweede moet de onderzoeksrechter van oordeel zijn dat het gerechtelijk onderzoek volledig is en moet hij het dossier met het oog op de toepassing van de snelrechtprocedure hebben meegedeeld, op vordering van de procureur des Konings. De procureur des Konings kan enkel via een dagvaarding de snelrechtprocedure aanwenden, « zodra het aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en uiterlijk op de zitting van de raadkamer bedoeld in artikel 21 van de […] wet van 20 juli 1990 » (artikel 216quinquies, § 1, derde lid, van het Wetboek van strafvordering). Met toepassing van artikel 21, § 1, van de wet van 20 juli 1990, dient de zitting waarna de raadkamer zich moet uitspreken over de regelmatigheid van het door de onderzoeksrechter verleende aanhoudingsbevel, te worden gehouden binnen vijf dagen vanaf de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel. Bovendien moet het dossier, 29 krachtens paragraaf 3 van die bepaling, gedurende de laatste werkdag vóór die zitting, ter beschikking worden gehouden van de inverdenkinggestelde en van zijn raadsman. De bestreden bepalingen voorzien niet in een afwijking van die regel. De snelrechtprocedure kan bijgevolg enkel worden toegepast indien de onderzoeksrechter het gerechtelijk onderzoek heeft kunnen voeren en afsluiten binnen drie dagen na de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel. B.10.
  87. Ten derde moet de verdachte ten slotte zijn « vrij en weloverwogen » akkoord, bevestigd in aanwezigheid van zijn advocaat en voor de onderzoeksrechter, hebben gegeven. B.
  88. De omstandigheid dat het gebruik van de snelrechtprocedure afhangt van het akkoord van de inverdenkinggestelde, volstaat niet om te besluiten dat het verschil in behandeling dat in het kader van het onderhavige middel en onderdeel wordt opgeworpen, zou voortvloeien uit de keuze van de inverdenkinggestelde. De snelrechtprocedure kan alleen worden toegepast op de inverdenkinggestelden in een zaak die voldoet aan de voormelde eerste twee voorwaarden, mits zij hun akkoord hebben gegeven. Het verschil in behandeling dat wordt opgeworpen in het raam van het onderhavige middel en onderdeel vindt dus zijn oorsprong in die twee andere voorwaarden. Bijgevolg moet worden nagegaan of dat verschil in behandeling bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.
  89. De voormelde toepassingsvoorwaarden zijn de door de wetgever vastgestelde criteria van onderscheid tussen de categorieën van rechtzoekenden die in het kader van het voormelde middel en onderdeel worden vergeleken. Het gaat om objectieve criteria. B.
  90. Zoals blijkt uit de in B.2.2 geciteerde parlementaire voorbereiding, had de wetgever, bij de aanneming van de bestreden bepalingen, tot doel het procedurele arsenaal waarover magistraten beschikken aan te vullen teneinde, in eenvoudige zaken, sneller te kunnen reageren op een reeks misdrijven die de openbare veiligheid verstoren en dus een onveiligheidsgevoel creëren, in het bijzonder in de context van stadsrellen. Onder « eenvoudige zaken » verstaat de wetgever zaken waarin de dader en het slachtoffer geïdentificeerd zijn en de schade bekend is. B.14.
  91. De vereiste dat de onderzoeksrechter moet oordelen of het gerechtelijk onderzoek volledig is binnen drie dagen vanaf de uitvaardiging van het aanhoudingsbevel, is pertinent ten 30 opzichte van dat doel. Zij heeft tot gevolg dat de snelrechtprocedure enkel kan worden toegepast op zaken die eenvoudig genoeg zijn en daardoor geen lang gerechtelijk onderzoek behoeven. B.14.
  92. Gelet op de misdrijven die de wetgever met de snelrechtprocedure beoogt, namelijk misdrijven die het gevoel van openbare veiligheid verstoren, is het bovendien pertinent dat de wetgever de toepassing van die procedure heeft beperkt tot gevallen waarin de inverdenkinggestelde in voorlopige hechtenis is genomen. In die gevallen staat het verband met de openbare veiligheid immers vast, aangezien krachtens artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet op de voorlopige hechtenis het bevel tot aanhouding maar kan worden verleend in geval van volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid. De omstandigheid dat die misdrijven steeds een zekere ernst vertonen, maakt ook niet dat zij ongeschikt zijn voor een snelrechtprocedure aangezien ernstige zaken niet noodzakelijk complex zijn en daarvoor dus niet noodzakelijk een lang gerechtelijk onderzoek vereist is. Voorts vermocht de wetgever van oordeel te zijn dat een bijkomende procedure niet nodig was voor andere eenvoudige zaken, aangezien artikel 216quater van het Wetboek van strafvordering reeds in een versnelde procedure voorziet die de procureur des Konings toelaat om verdachten die vrijwillig of na arrestatie voor hem verschijnen, op te roepen om te verschijnen voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank binnen een termijn die niet korter mag zijn dan tien dagen, noch langer dan twee maanden. B.15.
  93. Artikel 14 van de Grondwet bepaalt dat « geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». Artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt dat « niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde » en dat « evenmin […] een zwaardere straf [mag] worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». B.15.
  94. De bestreden bepalingen, die een versnelde strafprocedure invoeren, zijn een procedurewet en regelen noch de strafbaarstelling, noch de straf. Zij kunnen dus geen afbreuk doen aan artikel 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 31 B.16.
  95. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt dat « niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». De in die bepaling geformuleerde beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging waarborgen elke rechtzoekende dat tegen hem enkel een opsporingsonderzoek, een gerechtelijk onderzoek en een vervolging kunnen worden ingesteld volgens een bi

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.