← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.161

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.161 Arrest- Rolnummer: 161/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-15 Raadplegingen: 589 - laatst gezien 2026-06-18 20:58 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 18 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (artikel 569 van het Wetboek van strafvordering), ingesteld door de Orde van Vlaamse balies. Gerechtelijk recht - Modernisering en digitalisering van justitie - Centraal register van Strafdossiers (CRS) - Toegang tot de authentieke strafdossiers - Beheer van het register Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 161/2025 van 4 december 2025 Rolnummer : 8333 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 18 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (artikel 569 van het Wetboek van strafvordering), ingesteld door de Orde van Vlaamse balies. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Danny Pieters, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 september 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 oktober 2024, heeft de Orde van Vlaamse balies, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Frank Judo, mr. Cedric Jenart en mr. Louise Janssens, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 18 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (artikel 569 van het Wetboek van strafvordering), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 maart 2024, erratum in het Belgisch Staatsblad van 4 april 2024. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen 2 na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 24 september 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 22 oktober 2025. Op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2025 : - zijn verschenen : . mr. Louise Janssens, tevens loco mr. Frank Judo en mr. Cedric Jenart, voor de verzoekende partij; . mr. Jürgen Vanpraet, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Wat betreft het eerste middel A.1.1. De verzoekende partij voert in het eerste middel een schending aan, door artikel 569 van het Wetboek van strafvordering, zoals hersteld bij artikel 18 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (hierna : de wet van 28 maart 2024), van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.1.2. De verzoekende partij bekritiseert het onderscheid dat bij het nieuwe artikel 569, § 5, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering wordt ingevoerd tussen, enerzijds, het openbaar ministerie (5°) en, anderzijds, de partijen in het strafdossier en in voorkomend geval hun advocaat (9°), wat betreft de mogelijkheid om de gegevens in het Centraal register van Strafdossiers te raadplegen. Terwijl de eerstgenoemde categorie toegang heeft tot alle in het Centraal register van Strafdossiers opgenomen gegevens, heeft de laatstgenoemde categorie enkel toegang tot de in dat Centraal register opgenomen strafdossiers waarbij zij als partij in het geding optreedt. In zoverre artikel 569, § 5, eerste lid, 9°, van het Wetboek van strafvordering impliceert dat de partijen of hun advocaten geen toegang hebben tot alle gegevens die zijn vermeld in artikel 569, § 2, van het Wetboek van strafvordering, waaronder de metagegevens van het strafdossier, worden zij gediscrimineerd. Nochtans zijn advocaten die voor juridische dienstverlening toegang willen hebben tot authentieke vonnissen en arresten om de verdediging van hun cliënt voor te bereiden, niet fundamenteel verschillend van personen die die toegang willen hebben om de rechterlijke orde te ondersteunen, zoals parketmagistraten. Dat geldt zeker in 3 strafrechtelijke geschillen, waarin de parketmagistraat en de advocaat een vergelijkbare rol opnemen als vertegenwoordiger van een procespartij. Noch uit de bewoordingen van de bestreden bepaling, noch uit de memorie van toelichting blijkt een legitieme doelstelling die het onderscheid kan verantwoorden. De verzoekende partij merkt op dat de bestreden bepaling betrekking heeft op de toegangsrechten tot de gegevens van het Centraal register van Strafdossiers, die om privacyoverwegingen op een beperkte wijze voor een groep gebruikers raadpleegbaar zijn. Gelet op het feit dat advocaten eveneens een belangrijke rol opnemen in de behoorlijke rechtsbedeling en hun beroep uitoefenen in het algemeen belang en als onderdeel van een democratische rechtsstaat, steunt het onderscheid met parketmagistraten niet op een pertinent criterium van onderscheid. Bovendien kan niet worden ingezien waarom advocaten, in vergelijking met het openbaar ministerie, niet vermoed worden loyaal te handelen, daar advocaten in de uitoefening van hun beroepsactiviteiten gehouden zijn tot « waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid ». Voorts geldt het recht op een eerlijk proces evenzeer voor rechtzoekenden die een persoonlijk belang verdedigen. Ook het recht op bescherming van het privéleven geldt op gelijke wijze voor elke persoon, zodat het onderscheid tussen gerechtelijke beambten en advocaten geen pertinent criterium is om het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokkenen wel te beschermen ten aanzien van de eerstgenoemden maar niet ten aanzien van de laatstgenoemden. Tot slot doet het verschil in behandeling op onevenredige wijze afbreuk aan de wapengelijkheid, in zoverre de advocaten geen toegang hebben tot de metagegevens die een omschrijving van de feiten in tijd en ruimte omvatten. A.1.3. Voorts bekritiseert de verzoekende partij het bij het nieuwe artikel 569, § 5, eerste lid, 7°, van het Wetboek van strafvordering ingevoerde onderscheid tussen categorieën van personen die een voorwaardelijk verwerkingsrecht hebben om de gegevens van het Centraal register van Strafdossiers te gebruiken voor de ontwikkeling van informaticasystemen. A.1.4. In haar memorie van antwoord voegt de verzoekende partij daaraan toe dat de magistraten, met inbegrip van het openbaar ministerie, ingevolge de oprichting van het Centraal register van Strafdossiers gebruik kunnen maken van informaticasystemen om snel, efficiënt en eenvoudig alle strafdossiers in België te doorzoeken, hetgeen hun een aanzienlijk voordeel biedt ten opzichte van de andere partijen in een strafproces. In zoverre de toegang voor de advocaten gelijk blijft aan wat er in het papieren systeem mogelijk is, zonder de mogelijkheid om te weten welke gegevens zijn opgevraagd door de magistraten van het openbaar ministerie, ontstaat er een duidelijk onevenwicht in het proces, net omdat de partijen en hun advocaten geen zicht hebben op alle gegevens die in het Centraal register van Strafdossiers worden opgenomen. Dat onevenwicht wordt versterkt door het feit dat het verdere gebruik van de gegevens uit het Centraal register van Strafdossiers strikt verboden is voor partijen in een strafprocedure en hun advocaten. Het recht op een eerlijk proces en de rechten van verdediging vereisen evenwel dat er gelijke toegangsrechten en verwerkingsmogelijkheden van die digitale gegevens zijn voor alle partijen. De wetgever kan bijgevolg niet toelaten dat de magistraten van het openbaar ministerie toegang krijgen tot een totaalpakket van gegevens zonder enige vorm van rechterlijke controle, terwijl dezelfde toegang voor advocaten onmogelijk wordt gemaakt. A.2.1. Volgens de Ministerraad is het middel onontvankelijk, in zoverre de schending wordt aangevoerd van de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, daar het Hof niet bevoegd is om wetskrachtige normen rechtstreeks aan die bepalingen te toetsen. Wat de aangevoerde schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens betreft, is het middel daarenboven niet ontvankelijk bij gebrek aan uiteenzetting. A.2.2. De Ministerraad is voorts van oordeel dat het middel niet gegrond is. Het middel gaat immers uit van een verkeerde lezing van de bestreden bepaling, in zoverre wordt aangevoerd dat een partij in een strafdossier of haar advocaat of vertegenwoordiger geen toegang zou hebben tot de in artikel 569, § 2, eerste lid, 3°, van het Wetboek van strafvordering bedoelde metagegevens van het strafdossier. Zij kunnen die gegevens wel degelijk raadplegen, zij het enkel in de mate dat dat inzagerecht wordt uitgeoefend « binnen de grenzen en conform de nadere regels van het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering, de bijzondere wetten die betrekking hebben op de strafrechtspleging en de uitvoeringsbesluiten ». Het feit dat de toegang tot het Centraal register van Strafdossiers voor partijen in het strafdossier en hun advocaat of vertegenwoordiger wordt beperkt tot dat specifieke strafdossier en de eraan verbonden gegevens, waarbij het inzagerecht bovendien moet worden uitgeoefend binnen de voormelde grenzen, terwijl het openbaar 4 ministerie ook toegang heeft tot andere strafdossiers en de metagegevens van die andere strafdossiers, en dat zonder bijkomende voorwaarden, maakt geen schending uit van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen. Dat verschil vindt zijn oorsprong in de specifieke rol en taak van de verschillende actoren. Ook de in artikel 569, § 5, eerste lid, 5°, van het Wetboek van strafvordering opgesomde categorieën moeten hun inzagerecht overigens uitoefenen binnen hun wettelijke opdracht. Artikel 569, § 5, van het Wetboek van strafvordering, dat de toegangsrechten regelt, moet bovendien worden gelezen in samenhang met de doelstellingen van het Centraal register van Strafdossiers die zijn neergelegd in paragraaf 2 van diezelfde bepaling. Aangezien die doelstellingen geen verband houden met de rol van de partijen in het strafdossier, is het logisch dat de toegangsrechten van de partijen in het strafdossier beperkt zijn tot dat specifieke strafdossier en de eraan verbonden gegevens die zijn opgenomen in het Centraal register van Strafdossiers. De bestreden bepaling belemmert een partij in een strafzaak overigens op geen enkele wijze om haar standpunt voor de strafrechter te verdedigen. De wet voorziet voor het openbaar ministerie en voor elke andere partij in het strafdossier immers in dezelfde mogelijkheid om het digitaal strafdossier dat in het Centraal register van Strafdossiers is opgenomen via elektronische weg te raadplegen en geeft hun toegang tot dezelfde gegevens van het strafdossier en de eraan verbonden gegevens. Tot slot wordt een partij in een strafdossier niet belemmerd in haar vermogen om in haar strafzaak haar standpunt voor de strafrechter te verdedigen door het enkele feit dat zij geen toegang heeft tot het Centraal register van Strafdossiers met het oog op de gegevensverwerking. A.2.3. In de memorie van wederantwoord voert de Ministerraad aan dat de in de memorie van antwoord uiteengezette kritiek inzake de wapengelijkheid niet ontvankelijk is, daar die kritiek niet werd uiteengezet in het verzoekschrift. In ieder geval is die kritiek niet gegrond. Het recht op een eerlijk proces omvat niet het recht voor de vervolgde partij of haar advocaat om toegang te krijgen tot het volledige Centraal register van Strafdossiers, met inbegrip van alle strafdossiers die hierin zijn opgenomen, noch een recht om het volledige Centraal register van Strafdossiers via digitale middelen te onderzoeken. Vanuit het oogpunt van het recht op een eerlijk proces en de wapengelijkheid volstaat het dat de vervolgende partij alle bewijselementen aan de verdediging meedeelt (behoudens andersluidende wettelijke bepaling), zodat de vervolgde partij zich ter zake kan verdedigen. Het is net om die verdediging mogelijk te maken dat artikel 569, § 5, 9°, van het Wetboek van strafvordering een toegangsrecht verleent aan de partijen en hun advocaat om het gedematerialiseerde strafdossier te raadplegen. Bovendien kunnen ook derden die geen partij zijn in een bepaald strafdossier toegang krijgen tot het gedematerialiseerde strafdossier in het Centraal register van Strafdossiers. Wat betreft het tweede middel A.3. De verzoekende partij voert in het tweede middel een schending aan, door artikel 569 van het Wetboek van strafvordering, zoals hersteld bij artikel 18 van de wet van 28 maart 2024, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 33 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partij bekritiseert het feit dat het beheer van het Centraal register van Strafdossiers wordt opgedragen aan het beheerscomité dat wordt bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014 « betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de gerechtelijke organisatie » (hierna : de wet van 18 februari 2014). In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat afbreuk wordt gedaan aan het grondwettelijk delegatieverbod dat is vervat in artikel 33 van de Grondwet en aan het formeel legaliteitsbeginsel in artikel 22 van de Grondwet, in zoverre het beheerscomité de bevoegdheid heeft om derden toegang te verlenen tot het Centraal register van Strafdossiers teneinde authentieke gegevens te raadplegen en te verwerken en om de voorwaarden daartoe te bepalen. In een tweede onderdeel bekritiseert de verzoekende partij het feit dat de advocatuur niet in het beheerscomité vertegenwoordigd is, terwijl andere actoren van justitie, waaronder het openbaar ministerie, dat wel zijn. Gelet op de waardevolle bijdrage van advocaten aan de behoorlijke rechtsbedeling en de noodzakelijke rol die zij vervullen in de democratische rechtsstaat, moeten zij een volwaardige stem hebben in de wijze waarop de persoonsgegevens van advocaten en cliënten in het Centraal register van Strafdossiers worden verwerkt. Het verschil in behandeling tussen de advocatuur en de magistratuur berust bijgevolg niet op een pertinent criterium van onderscheid. 5 A.4.1. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede middel onontvankelijk is in zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 33 van de Grondwet, daar het Hof niet bevoegd is om aan die bepaling te toetsen. Voorts is het tweede onderdeel van het tweede middel onontvankelijk, omdat de daarin vervatte grieven niet gericht zijn tegen artikel 18 van de wet van 28 maart 2024, doch wel tegen artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014, waarin de samenstelling van de beheerder wordt geregeld. A.4.2.1. Ten gronde stelt de Ministerraad inzake het eerste onderdeel van het tweede middel dat de categorie van derden die toegang heeft tot de in het Centraal register van Strafdossiers opgenomen gegevens met het oog op de gegevensverwerking bedoeld in artikel 569, § 1, tweede lid, 6°, van het Wetboek van strafvordering, wel degelijk is vastgesteld en voldoende nauwkeurig en voorzienbaar is geïdentificeerd in de wet. Hetzelfde geldt voor de andere essentiële elementen van de verwerking van de persoonsgegevens in dat verband. Het Centraal register van Strafdossiers heeft krachtens artikel 569, § 1, tweede lid, 6°, van het Wetboek van strafvordering onder meer als doel de verwerking van de in dat Centraal register opgenomen gegevens voor de ontwikkeling van informaticasystemen voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde bij de uitoefening van hun wettelijke opdrachten. Gelet op die doelstelling heeft de beheerder van het Centraal register van Strafdossiers onder meer als opdracht het schriftelijk en onder voorwaarden machtigen van derden en de publieke overheden voor de bedoelde verwerkingen. De door de beheerder gemachtigde derden hebben toegang tot het Centraal register van Strafdossiers voor de gegevensverwerking, overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden. Daaruit volgt dat de beheerder enkel toegang kan geven aan die derden wier medewerking noodzakelijk is met het oog op de bedoelde gegevensverwerking. A.4.2.2. Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, benadrukt de Ministerraad dat de wetgever bij het bepalen van de samenstelling van het beheerscomité over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt. Vanuit een beleidsoogpunt is het logisch dat magistraten, in tegenstelling tot advocaten, in het beheerscomité vertegenwoordigd zijn, aangezien in dat Centraal register strafdossiers zijn opgenomen die van de hoven en de rechtbanken en van het openbaar ministerie uitgaan. De magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie kunnen gegevens zowel neerleggen, aanvullen en verbeteren als raadplegen. Voor advocaten daarentegen beperkt de toegang tot het Centraal register van Strafdossiers zich tot de raadpleging via elektronische weg van een in dat Centraal register opgenomen strafdossier. Die beperkte toegang kan niet verantwoorden dat advocaten vertegenwoordigd moeten zijn in het beheerscomité van het Centraal register van Strafdossiers. De rol van het openbaar ministerie, dat zijn wettelijke taken van opsporing en vervolging onafhankelijk, rechtvaardig en in het belang van de samenleving vervult, verantwoordt dat het, anders dan de advocaten, vertegenwoordigd is in het beheerscomité van het Centraal register van Strafdossiers. Tot slot beoogt de wetgever een werkbaar beheer van het Centraal register van Strafdossiers te verzekeren, hetgeen mogelijk wordt bemoeilijkt bij een te omvangrijk beheerscomité. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 18 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (hierna : de wet van 28 maart 2024), dat artikel 569 van het Wetboek van strafvordering herstelt. 6 B.2.1. De wet van 28 maart 2024 wijzigt verschillende bepalingen in het Wetboek van strafvordering, het Gerechtelijk Wetboek en verschillende andere wetten, in het kader van de digitalisering van justitie. B.2.2. Volgens de memorie van toelichting wordt het Wetboek van strafvordering gewijzigd « om de invoering in het wetboek te realiseren van een ‘ digitaal procesdossier ’, bestaande uit zowel gedigitaliseerde (gescande) als digitale stukken (gegenereerd zonder afdrukken), waardoor professionals en rechtzoekenden alle voordelen kunnen hebben van de digitale technologie zonder de eventuele nadelen te hebben van het behoud van papier » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3728/001, p. 6). Het digitaal dossier wordt geregeld in het nieuwe artikel 568 van het Wetboek van strafvordering, zoals hersteld bij het niet bestreden artikel 16 van de wet van 28 maart 2024. B.2.3. Bij het bestreden artikel 18 van de wet van 28 maart 2024 wordt in « een wettelijk kader voorzien voor de bewaring van de strafdossiers in een ‘ Centraal register van Strafdossiers ’, opgericht bij de Federale Overheidsdienst Justitie. Daarbij worden onder meer geregeld : de doelstellingen van het Centraal register, de gegevens die erin zullen worden opgenomen, het beheer van het Centraal register, de verwerkingsverantwoordelijkheid, de regels voor de toegang tot de in het Centraal register opgenomen gegevens, evenals hun bewaartermijn » (ibid.). Artikel 569 van het Wetboek van strafvordering, zoals hersteld bij artikel 18 van de wet van 28 maart 2024, luidt : « § 1. Bij de Federale Overheidsdienst Justitie wordt een ‘ Centraal register van Strafdossiers ’ opgericht, hierna ‘ Centraal register ’ genoemd. Het Centraal register is een geïnformatiseerde gegevensbank met als doelen : 1° het gecentraliseerd opnemen en bewaren in gedematerialiseerde vorm van de strafdossiers teneinde de uitoefening van de wettelijke opdrachten van de rechterlijke orde te vergemakkelijken; 2° te fungeren als authentieke bron, bedoeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 augustus 2012 houdende oprichting en organisatie van een federale dienstenintegrator, van de strafdossiers die er geheel in zijn opgenomen, en van de strafdossiers die er gedeeltelijk in zijn opgenomen, voor dat gedeelte; 7 3° de raadpleging via elektronische weg van de in het Centraal register opgenomen gegevens toe te laten door de personen en actoren die deze met toepassing van paragraaf 5, eerste lid, mogen raadplegen; 4° de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor het verbeteren van de kwaliteit van die gegevens; 5° de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor het optimaliseren van de organisatie van de rechterlijke orde, om een efficiënter beheer, een betere beleidsondersteuning, een betere impactanalyse van wetswijzigingen en een betere toewijzing van de menselijke en logistieke middelen binnen de rechterlijke orde mogelijk te maken; 6° de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor de ontwikkeling van informaticasystemen voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde, opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde elektronische lijst, bij de uitoefening van hun wettelijke opdrachten; 7° de verwerking van een geheel van of van individuele in het Centraal register opgenomen gegevens, voor historische of wetenschappelijke doeleinden; 8° de verwerking van gespecifieerde individuele in het Centraal register opgenomen gegevens, voor journalistieke doeleinden; 9° de verwerking voor statistische doeleinden, binnen de grenzen gesteld door titel 4 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, van de in het Centraal register opgenomen gegevens. § 2. In het Centraal register worden de volgende gegevens opgenomen : 1° het overeenkomstig de wet in gedematerialiseerde vorm opgemaakte strafdossier; 2° het overeenkomstig de wet gedematerialiseerde strafdossier; 3° de metagegevens noodzakelijk voor het bereiken van de doelen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, te weten :

  1. a)de gegevens van het openbaar ministerie, het strafgerecht, de dienst en de personen die het strafdossier beheren;
  2. b)de gegevens betreffende het strafdossier;
  3. c)de noodzakelijke identificatiegegevens van de in het strafdossier vermelde personen;
  4. d)het unieke identificatienummer van het strafdossier;
  5. e)de omschrijving van de feiten in tijd en ruimte. 4° de gegevens noodzakelijk voor de veiligheid van het Centraal register. 8 De Koning bepaalt, na advies van de in paragraaf 3 bedoelde beheerder, de exacte gegevens bedoeld in het eerste lid, 3°, die worden opgenomen in het Centraal register. De Koning bepaalt de technische voorwaarden waaraan het strafdossier moet voldoen met het oog op zijn opname in het Centraal register. § 3. Het Centraal register wordt beheerd door de beheerder bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014 betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie. De beheerder staat in voor de inrichting en het beheer van het Centraal register. Hij heeft in het bijzonder als opdracht : 1° het bewaken van het respecteren van de doelen van het Centraal register en van de maximale afwezigheid van ongemachtigd downloaden van gegevens; 2° het toezien op de werking van het Centraal register, met inbegrip van het toezicht op het toegangsbeleid en het uitoefenen van de controle hierop; 3° het schriftelijk en onder voorwaarden machtigen van de derden en de publieke overheden bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 8° en 9°, voor de verwerkingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 6° of 9°; 4° het toezien op de technische infrastructuur van het Centraal register; 5° het regelmatig verslag uitbrengen over de werking van het Centraal register en over de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°. Het verslag bedoeld in het tweede lid, 5°, wordt jaarlijks neergelegd bij de minister van Justitie en bij de functionaris voor gegevensbescherming bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 5°, e). § 4. De verwerkingsverantwoordelijkheid wordt geregeld overeenkomstig artikel 42, derde lid, van de wet van 18 februari 2014 betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie. § 5. Hebben toegang tot het Centraal register : 1° de magistraten van de zetel van alle strafgerechten en de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank alsmede de griffies, het openbaar ministerie, de parketsecretariaten en de probatiecommissie voor het neerleggen, aanvullen en verbeteren van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens; 2° in het kader van de uitvoering van hun opdrachten bedoeld in artikel 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, de leden van de politiediensten voor wie het noodzakelijk is om de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde relevante gegevens neer te leggen en te raadplegen : 9
  6. a)om de controle en/of de opvolging te verzekeren bedoeld in artikel 44/7, eerste lid, 5°, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt waar het gaat om maatregelen genomen door een overheid van gerechtelijke politie en in de artikelen 19 tot 20 van de wet op het politieambt;
  7. b)om de opvolging te verzekeren van de via een kantschrift gevraagde onderzoekshandelingen door de magistraten in een strafdossier; 3° in het raam van de uitvoering van hun taken bedoeld in artikel 7 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de leden van de Veiligheid van de Staat die de relevante gegevens bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, namelijk de inhoud van de processen-verbaal, moeten kunnen raadplegen, na een machtiging verleend door de bevoegde magistraat; 4° ten uitzonderlijke titel, wanneer de vereisten van hun opdracht deze toegang onontbeerlijk maken, en voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 4°, de door de beheerder aangestelde personen belast met het technisch en operationeel beheer van het Centraal register, handelend binnen het kader van hun functie; 5° voor het raadplegen van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens :
  8. a)de magistraten van de zetel van alle strafgerechten, de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank en de griffies;
  9. b)het openbaar ministerie en de parketsecretariaten;
  10. c)de probatiecommissie en haar secretariaat. Zij wijzen binnen hun diensten de personen met een leesrecht aan. Dit leesrecht wordt individueel toegekend en is toereikend, ter zake dienend en niet overmatig voor het uitvoeren van specifieke taken in het kader van hun wettelijke of reglementaire opdrachten;
  11. d)de Entiteit Cassatie, het College van de hoven en rechtbanken, het College van het openbaar ministerie. Zij wijzen binnen hun diensten de personen met een leesrecht aan. Dit leesrecht wordt individueel toegekend en is toereikend, ter zake dienend en niet overmatig voor het uitvoeren van specifieke taken in het kader van hun wettelijke of reglementaire opdrachten;
  12. e)de functionaris voor gegevensbescherming aangesteld door de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, binnen de grenzen van zijn wettelijke opdrachten;
  13. f)de diensten van slachtofferonthaal na een machtiging verleend door de bevoegde magistraat; 6° voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 5° :
  14. a)de gerechtelijke overheden belast met het beheer en de organisatie van de hoven en rechtbanken;
  15. b)de diensten belast met statistische analyse bij de in de beheerder vertegenwoordigde entiteiten; 10 7° voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 6°, de door de beheerder schriftelijk gemachtigde derden, overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden; 8° voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 9°, de door de beheerder schriftelijk gemachtigde publieke overheden, overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden; 9° voor de raadpleging via elektronische weg van een in het Centraal register opgenomen strafdossier, de partijen in dat strafdossier en, in voorkomend geval, hun advocaat of vertegenwoordiger in rechte, evenals derden, waarbij het inzagerecht uitsluitend wordt uitgeoefend binnen de grenzen en conform de nadere regels van het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering, de bijzondere wetten die betrekking hebben op de strafrechtspleging en de uitvoeringsbesluiten. Onverminderd de bepalingen onder 1° en 4° kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere overheden, organen of diensten aanwijzen voor het neerleggen van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens. De verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor andere doelen dan diegene bedoeld in paragraaf 1 is verboden. De overtreding van dit verbod wordt bestraft met de straf bedoeld in artikel 222 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. De Koning bepaalt, na advies van de beheerder, de nadere regels en procedures betreffende de toegang tot het Centraal register. Hij die in welke hoedanigheid dan ook deelneemt aan het verzamelen of aan de registratie van gegevens in het Centraal register of aan de verwerking of de mededeling van de erin geregistreerde gegevens en daardoor kennis heeft van die gegevens, moet het desgevallend vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Bij een inbreuk zijn de straffen van artikel 458 van het Strafwetboek op hem van toepassing. Wanneer de beheerder vaststelt dat ongerechtvaardigd gebruik wordt gemaakt van de toegang tot het Centraal register, brengt hij dit ter kennis van de overheid die krachtens de wet bevoegd is om een tuchtprocedure in te stellen ten aanzien van de betrokken gebruiker. § 6. De termijnen voor de bewaring worden gelijkgesteld met de termijnen van de verjaring van de strafvordering zoals voorzien in artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. In elk geval dient het dossier bewaard te worden tot het einde van de strafuitvoering en mag de bewaartermijn niet korter zijn dan deze voorzien in de archiefwet van 24 juni 1955. Het tweede lid is eveneens van toepassing voor de misdrijven bedoeld in artikel 21bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Voor de dossiers waarin het voor die misdrijven niet tot een veroordeling is gekomen, gelden de bewaartermijnen voorzien in de archiefwet van 24 juni 1955. 11 § 7. De Koning bepaalt, na advies van de beheerder, de nadere technische en materiële regels voor de inrichting en werking van het Centraal register, die echter geen invloed kunnen hebben op de inhoud of de begrijpelijkheid van de in het Centraal register opgenomen strafdossiers ». B.2.4. De artikelen 16 en 18 van de wet van 28 maart 2024 zijn in werking getreden op 1 april 2024 (artikel 172 van de wet van 28 maart 2024). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de middelen B.3. De Ministerraad voert aan dat de middelen niet ontvankelijk zijn, enerzijds, bij gebrek aan bevoegdheid van het Hof om rechtstreeks te toetsen aan artikel 33 van de Grondwet en aan de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en, anderzijds, bij gebrek aan een duidelijke uiteenzetting. B.4.1. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.4.2. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 33 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus worden artikel 33 van de Grondwet en de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, waaraan het Hof niet vermag rechtstreeks te toetsen, samen aangevoerd met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, waaraan het Hof wel vermag rechtstreeks te toetsen, zodat die bepalingen in onderlinge samenhang moeten worden gelezen. 12 B.4.3. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift niet alleen te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, maar ook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Het Hof onderzoekt de middelen en middelonderdelen in zoverre zij aan de voormelde vereisten voldoen. Ten gronde Wat het eerste middel betreft B.5. De verzoekende partij voert in het eerste middel de schending aan, door artikel 569 van het Wetboek van strafvordering, zoals hersteld bij artikel 18 van de wet van 28 maart 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partij bekritiseert het onderscheid dat bij het nieuwe artikel 569, § 5, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering wordt ingevoerd tussen het openbaar ministerie, enerzijds, en de partijen in het strafdossier en hun advocaat, anderzijds, wat betreft de mogelijkheid om de gegevens in het Centraal register van Strafdossiers te raadplegen en te verwerken. B.6.1. De verzoekende partij zet in het verzoekschrift niet uiteen in welk opzicht artikel 569 van het Wetboek van strafvordering afbreuk zou doen aan het bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven. In die mate voldoet het verzoekschrift niet aan de in B.4.3 vermelde vereisten. Het middel, in zoverre het is afgeleid uit een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is niet ontvankelijk. 13 B.6.2. De verzoekende partij zet in het verzoekschrift evenmin uiteen in welk opzicht de ontstentenis van een mogelijkheid voor de advocaten om de gegevens in het Centraal register van Strafdossiers te verwerken, afbreuk zou doen aan de aangevoerde toetsingsnormen. Alleen in haar memorie van antwoord zet zij een dergelijke kritiek uiteen. Het staat niet aan de verzoekende partij in haar memorie van antwoord het middel, zoals door haarzelf omschreven in het verzoekschrift, te wijzigen. Een bezwaar dat, zoals te dezen, in een memorie van antwoord wordt aangebracht maar dat verschilt van datgene dat in het verzoekschrift is geformuleerd, is dan ook een nieuw middel en is onontvankelijk. B.7.1. Krachtens artikel 569, § 2, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering worden in het Centraal register van Strafdossiers de volgende gegevens opgenomen : « 1° het overeenkomstig de wet in gedematerialiseerde vorm opgemaakte strafdossier; 2° het overeenkomstig de wet gedematerialiseerde strafdossier; 3° de metagegevens noodzakelijk voor het bereiken van de doelen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, te weten :
  16. a)de gegevens van het openbaar ministerie, het strafgerecht, de dienst en de personen die het strafdossier beheren;
  17. b)de gegevens betreffende het strafdossier;
  18. c)de noodzakelijke identificatiegegevens van de in het strafdossier vermelde personen;
  19. d)het unieke identificatienummer van het strafdossier;
  20. e)de omschrijving van de feiten in tijd en ruimte. 4° de gegevens noodzakelijk voor de veiligheid van het Centraal register ». Het strafdossier heeft blijkens de parlementaire voorbereiding betrekking op « de dossiers van alle (lopende) opsporingsonderzoeken, gerechtelijke onderzoeken en dossiers ter zitting dewelke in digitale vorm gekend zijn bij Justitie » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3728/001, p. 52). 14 B.7.2. Artikel 569, § 5, van het Wetboek van strafvordering regelt de toegang tot het Centraal register van Strafdossiers. Krachtens artikel 569, § 5, eerste lid, 5°, b), van het Wetboek van strafvordering heeft het openbaar ministerie toegang tot het Centraal register van Strafdossiers « voor het raadplegen van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens ». Krachtens artikel 569, § 5, eerste lid, 9°, van het Wetboek van strafvordering hebben partijen in een in het Centraal register opgenomen strafdossier en in voorkomend geval hun advocaat of vertegenwoordiger in rechte, evenals derden, toegang tot het Centraal register van Strafdossiers « voor de raadpleging via elektronische weg van [dat] strafdossier [...] waarbij het inzagerecht uitsluitend wordt uitgeoefend binnen de grenzen en conform de nadere regels van het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering, de bijzondere wetten die betrekking hebben op de strafrechtspleging en de uitvoeringsbesluiten ». B.8. De verzoekende partij voert in wezen aan dat de toegang tot het Centraal register van Strafdossiers op een discriminerende wijze, in strijd met het recht op een eerlijk proces en de wapengelijkheid, wordt geregeld doordat het openbaar ministerie en de advocaten niet dezelfde toegang hebben. Meer in het bijzonder zou het openbaar ministerie toegang hebben om alle gegevens in het Centraal register van Strafdossiers te raadplegen, terwijl de advocaten enkel toegang zouden hebben om het strafdossier waarin hun cliënt partij is, te raadplegen, met uitsluiting van de metagegevens van dat dossier. B.9. Krachtens het voormelde artikel 569, § 5, eerste lid, 9°, van het Wetboek van strafvordering hebben de advocaten van de partijen in een strafdossier toegang tot het Centraal register van Strafdossiers voor de raadpleging via elektronische weg van dat strafdossier. Zoals de Ministerraad benadrukt, dient te worden aangenomen dat die toegang eveneens de raadpleging van de in artikel 569, § 2, eerste lid, 3°, van het Wetboek van strafvordering bedoelde metagegevens van dat strafdossier omvat. B.10. Het Hof dient nog te onderzoeken of de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces en de wapengelijkheid, in zoverre het openbaar ministerie toegang heeft om alle gegevens in het Centraal register van Strafdossiers te 15 raadplegen, terwijl de advocaten enkel toegang hebben om het strafdossier waarin hun cliënt partij is, te raadplegen. B.11.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.11.2. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.11.3. Het door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling houdt de wapengelijkheid voor de procespartijen in, waarmee het recht om tegenspraak te voeren nauw is verbonden. Hieruit vloeit voort dat elke partij de mogelijkheid moet hebben om haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet kennelijk benadelen ten opzichte van de tegenpartij (EHRM, 27 oktober 1993, Dombo Beheer B.V. t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:1993:1027JUD001444888, § 33; 12 maart 2003, Öcalan t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2003:0312JUD004622199, § 140; 24 april 2003, Yvon t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2003:0424JUD004496298, § 31). B.12. Voorafgaand dient te worden opgemerkt dat een strafrechtelijke procedure de vermelding met zich meebrengt van persoonsgegevens van de actoren die bij die procedure 16 betrokken zijn, zoals magistraten, griffiepersoneel, advocaten, leden van de politiediensten, maar ook partijen of derden. Voorts bevatten strafdossiers uit de aard zelf van de strafrechtelijke procedure persoonsgegevens die verband houden met de specificiteit van de zaak die daaraan ten gronde ligt. Door de oprichting van het Centraal register van Strafdossiers wordt een grote hoeveelheid van die gegevens centraal verzameld aangezien die gegevensbank dient als de bewaarplaats voor de authentieke strafdossiers. Uit het voorgaande volgt dat de toegang tot de in het Centraal register van Strafdossiers opgenomen gegevens uit de aard zelf een toegang tot persoonsgegevens betreft. B.13. Wanneer de wetgever de toegang tot de authentieke strafdossiers in het Centraal register van Strafdossiers regelt, dient hij dat op een wijze te doen die niet alleen rekening houdt met de wapengelijkheid, maar ook met de grondwettelijke en verdragsrechtelijke plicht om burgers met betrekking tot hun persoonsgegevens en persoonlijke informatie die vervat zijn in die strafdossiers, te beschermen. B.14. Gelet op de noodzaak om inmengingen in de grondrechten van burgers te beperken tot het strikt noodzakelijke, vermocht de wetgever met het oog op het regelen van de toegang tot het Centraal register van Strafdossiers te werken met onderscheiden categorieën, die onder meer afhankelijk van hun wettelijke opdrachten en al dan niet onder bepaalde voorwaarden, toegang tot de authentieke strafdossiers kunnen krijgen. B.15. Tussen het openbaar ministerie en de andere partijen in een strafproces bestaat een fundamenteel verschil dat op een objectief criterium steunt : het openbaar ministerie vervult, in het algemeen belang, de opdrachten van openbare dienst met betrekking tot de opsporing en de vervolging van de misdrijven (artikelen 22 tot 47undecies van het Wetboek van strafvordering) en vordert de toepassing van de strafwet (artikel 138 van het Gerechtelijk Wetboek); de andere partijen verdedigen hun persoonlijk belang. Dat objectief verschil tussen de situatie van het openbaar ministerie en de andere partijen in het strafproces is aanwezig gedurende de gehele strafvordering. 17 Het recht op een eerlijk proces en in het bijzonder het beginsel van de wapengelijkheid hebben niet een dermate verregaande draagwijdte dat zij elk verschil in behandeling tussen het openbaar ministerie en de andere partijen in het strafproces in de weg zouden staan. B.16. Rekening houdend met de doelstelling van het Centraal register van Strafdossiers om « de uitoefening van de wettelijke opdrachten van de rechterlijke orde te vergemakkelijken » (artikel 569, § 1, tweede lid, 1°, van het Wetboek van strafvordering), met de noodzaak om de toegang tot de persoonsgegevens te beperken tot het strikt noodzakelijke en met het feit dat het openbaar ministerie één en ondeelbaar is, is het pertinent om het openbaar ministerie toegang te verlenen tot alle authentieke strafdossiers in dat Centraal register, terwijl de advocaten in beginsel slechts toegang hebben tot de strafdossiers waarin hun cliënt partij is. Immers, een dergelijke toegang laat het openbaar ministerie toe om zijn wettelijke opdracht inzake de opsporing en vervolging van misdrijven uit te oefenen met kennis van alle strafrechtelijke precedenten of antecedenten van de betrokkenen in het Centraal register van Strafdossiers en om inzicht te krijgen in de betrokkenheid van personen in andere strafdossiers. De belangenbehartiging van een cliënt vereist niet dat advocaten een soortgelijke toegang krijgen omdat, enerzijds, advocaten toegang hebben tot de authentieke strafdossiers waarin hun cliënt partij is (artikel 569, § 5, eerste lid, 9°, van het Wetboek van strafvordering) en, anderzijds, advocaten zoals eenieder toegang hebben tot alle gepseudonimiseerde rechterlijke beslissingen die worden opgenomen in het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde (artikel 782, § 5, eerste lid, 4°, en § 8, eerste lid, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek), zodat zij zich voldoende over de voor hun zaak relevante rechtspunten kunnen informeren om hun cliënten goed te adviseren. Daarenboven verzetten het geheim van het onderzoek en het vermoeden van onschuld van de personen die het voorwerp uitmaken van het strafrechtelijk onderzoek zich tegen een soortgelijke toegang voor advocaten tot alle authentieke strafdossiers in het Centraal register van Strafdossiers. B.17. De bestreden bepaling heeft bovendien geen onevenredige gevolgen voor de partijen in een strafproces en hun advocaten. Het bij de bestreden bepaling herstelde artikel 569 van het Wetboek van strafvordering doet immers geen afbreuk aan de geldende strafrechtelijke waarborgen en rechten inzake de inzage van het strafdossier. Aldus kunnen de partijen in een strafproces en hun advocaat toegang krijgen tot het Centraal register van Strafdossiers om dat 18 strafdossier, evenals een strafdossier waarin zij geen partij zijn, te raadplegen, zulks binnen de grenzen en conform de nadere regels inzake de inzage van het strafdossier die zijn neergelegd in het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van strafvordering, de bijzondere wetten die betrekking hebben op de strafrechtspleging en de uitvoeringsbesluiten (artikel 569, § 5, eerste lid, 9°, van het Wetboek van strafvordering). Daarenboven dient het openbaar ministerie in beginsel alle bewijselementen aan het strafdossier toe te voegen, zodat de andere partijen in het strafdossier en hun advocaten daarvan kunnen kennisnemen en daarop kunnen antwoorden. Voorts vereist het recht op een strafproces op tegenspraak dat, wanneer aan het dossier gegevens uit een ander strafdossier worden gevoegd, de verdediging in beginsel inzage krijgt van alle pertinente elementen uit dat dossier, zowel à charge als à décharge, die beschikbaar zijn. Daartoe behoren niet enkel de elementen die een rechtstreeks belang hebben voor de feiten van de zaak, maar ook die welke betrekking kunnen hebben op de ontvankelijkheid, de betrouwbaarheid en de volledigheid van de eerst vermelde elementen (Cass., 11 januari 2022, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.20). B.18. Het eerste middel is niet gegrond. Wat het tweede middel betreft B.19. De verzoekende partij voert in het tweede middel een schending aan, door artikel 569 van het Wetboek van strafvordering, zoals hersteld bij artikel 18 van de wet van 28 maart 2024, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 33 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.20. Het tweede middel is in wezen gericht tegen het nieuwe artikel 569, § 3, van het Wetboek van strafvordering, dat het beheer van het Centraal register van Strafdossiers opdraagt aan de beheerder bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014 « betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie » (hierna : de wet van 18 februari 2014). Artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014, zoals gewijzigd bij artikel 41 van de wet van 28 maart 2024, stelt een beheerscomité in dat is samengesteld uit « de leden van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie, de voorzitters van de Colleges, de 19 eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ». De in die bepaling bedoelde Colleges zijn het College van de hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie, bedoeld in de artikelen 181 en 184 van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens het bestreden artikel 569, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering staat de beheerder in voor de inrichting en het beheer van het Centraal register van Strafdossiers. Hij heeft in het bijzonder als opdracht : « 1° het bewaken van het respecteren van de doelen van het Centraal register en van de maximale afwezigheid van ongemachtigd downloaden van gegevens; 2° het toezien op de werking van het Centraal register, met inbegrip van het toezicht op het toegangsbeleid en het uitoefenen van de controle hierop; 3° het schriftelijk en onder voorwaarden machtigen van de derden en de publieke overheden bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 8° en 9° [lees : 7° en 8°], voor de verwerkingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 6° of 9°; 4° het toezien op de technische infrastructuur van het Centraal register; 5° het regelmatig verslag uitbrengen over de werking van het Centraal register en over de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4° ». B.21. In het eerste onderdeel van het tweede middel voert de verzoekende partij aan dat afbreuk wordt gedaan aan het grondwettelijk delegatieverbod dat is vervat in artikel 33 van de Grondwet en aan het formeel legaliteitsbeginsel in artikel 22 van de Grondwet, in zoverre het beheerscomité de bevoegdheid heeft om derden toegang te verlenen tot het Centraal register van Strafdossiers teneinde authentieke gegevens te raadplegen en te verwerken en om de voorwaarden daartoe te bepalen. B.22.1. Artikel 33 van de Grondwet bepaalt : « Alle machten gaan uit van de Natie. Zij worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet bepaald ». B.22.2. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : 20 « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.22.3. Bij artikel 22 van de Grondwet wordt aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehouden om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven. Het waarborgt aldus aan elke burger dat geen inmenging in de uitoefening van dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel gaat niet zover dat het de wetgever ertoe verplicht elk aspect van de verwerking van persoonsgegevens zelf te regelen. Een delegatie aan een ander orgaan is niet in strijd met dat beginsel, voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld. Bijgevolg moeten de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens in de wet zelf worden vastgelegd. In dat verband maken de volgende elementen, ongeacht de aard van de betrokken aangelegenheid, in beginsel essentiële elementen uit : 1°) de categorie van verwerkte gegevens; 2°) de categorie van betrokken personen; 3°) de met de verwerking nagestreefde doelstelling; 4°) de categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens; 5°) de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens. B.22.4. Wanneer een specifieke grondwetsbepaling, zoals artikel 22 van de Grondwet, de waarborg biedt dat over de essentiële elementen van een bepaalde aangelegenheid door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering dient te worden beslist, wordt de waarborg van de overige bepalingen die de verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht regelen daardoor opgeslorpt. Hetzelfde geldt voor de in de grieven aangevoerde beginselen van de wettigheid en van de scheiding der machten. B.23.1. Krachtens artikel 569, § 5, eerste lid, 7°, van het Wetboek van strafvordering hebben « de door de beheerder schriftelijk gemachtigde derden » toegang tot het Centraal 21 register van Strafdossiers « voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 6°, [...], overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden ». Het in die bepaling vermelde artikel 569, § 1, tweede lid, 6°, van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat het Centraal register van Strafdossiers als doel heeft « de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor de ontwikkeling van informaticasystemen voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde, opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde elektronische lijst, bij de uitoefening van hun wettelijke opdrachten ». De parlementaire voorbereiding verduidelijkt die doelstelling : « ‘ De ontwikkeling van informaticasystemen ’ betreft meer bepaald de ontwikkeling van informaticatools of de ontwikkeling en training van algoritmes die de magistraten in de uitvoering van hun wettelijke opdrachten zullen moeten ondersteunen. ‘ Ondersteuning ’ impliceert dat het lid van de rechterlijke orde dat zich door een algoritme of informaticatool laat ondersteunen, steeds centraal blijft staan, en steeds het laatste woord zal hebben. Ondersteuning door algoritmes of informaticatools omvat bijvoorbeeld de verwerking van deze gegevens door algoritmes om magistraten bij te staan in de aanloop naar/voorbereiding van hun beslissing, bijvoorbeeld door ‘ case law enhancement ’, namelijk het gebruik van ‘ Natural Language Processing ’- technieken voor het identificeren en creëren van nieuwe zoek-opties (naast keyword of full-text zoekopdrachten) en/of voor het linken van gegevens uit het Centraal register met gegevens uit andere relevante bronnen (bijv. wetgevingsdatabank, databank met rechtsleer, …). Daarnaast kan bijvoorbeeld worden gedacht aan informaticatools die helpen om structuur aan te brengen in complexe en uitgebreide strafdossiers. Deze bepaling heeft niet als doel om te voorzien in een wettelijk kader voor welbepaalde ‘ informaticasystemen ’. Indien dergelijke informaticasystemen worden ontwikkeld, zullen zij, met het oog op hun ingebruikname door leden van de rechterlijke orde, afdoende wettelijk worden omkaderd. Deze bepaling moet samen worden gelezen met de ontworpen paragraaf 5, eerste lid, 6°. Daaruit volgt dat enkel de daartoe schriftelijk door de beheerder gemachtigde derden tot een dergelijke verwerking zullen kunnen overgaan, en dit overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55/3728-001, pp. 53-54). Voorts vermeldt de parlementaire voorbereiding inzake de toegang van de door de beheerder schriftelijk gemachtigde derden tot het Centraal register van Strafdossiers : « Hier kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een legaltech die wordt belast met het ontwikkelen van een algoritme om de magistratuur te ondersteunen bij de voorbereiding van haar beslissingen, zoals een ‘ case law enhancement ’-algoritme. Om de gegevensverwerkingen door die legaltech te omkaderen, wordt dan een verwerkingsovereenkomst afgesloten tussen die legaltech en de beheerder » (ibid., p. 60). 22 B.23.2. Het feit dat die machtigingen aan derden dienen te worden gegeven door de beheerder, te weten het voormelde gemeenschappelijk beheerscomité, die voorwaarden aan die toelating kan koppelen, houdt niet in dat een essentieel element van de verwerking van persoonsgegevens wordt vastgesteld door dat comité. De wetgever heeft zelf erin voorzien dat de in het Centraal register van Strafdossiers opgenomen gegevens kunnen worden verwerkt door daartoe gemachtigde derden, en heeft eveneens de precieze doeleinden bepaald waarvoor zulks mogelijk is. De aan het gemeenschappelijk beheerscomité toegekende bevoegdheid houdt geen verordenende bevoegdheid, maar enkel een individuele beslissingsbevoegdheid in waarbij aan een individuele derde, onder de door dat comité te bepalen voorwaarden, een louter individuele machtiging wordt verleend om tot een verwerking van bepaalde gegevens over te gaan. B.23.3. Gelet op de aanzienlijk technische aard van de verwerking van de in het Centraal register van Strafdossiers opgenomen gegevens voor de ontwikkeling van informaticasystemen voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever de beheerder van dat Centraal register de bevoegdheid heeft toegekend om derden schriftelijk te machtigen voor die verwerking en de voorwaarden daartoe te bepalen, teneinde op eenvormige en soepele wijze te kunnen inspelen op de technische ontwikkelingen die zich voordoen. B.23.4. Voor het overige blijkt niet uit de uiteenzetting in het verzoekschrift in welk opzicht de wetgever zou hebben nagelaten zelf de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens te bepalen. B.23.5. Het eerste onderdeel van het tweede middel is ongegrond. B.24. In het tweede onderdeel van het tweede middel bekritiseert de verzoekende partij het verschil in behandeling tussen de advocatuur en de magistratuur, in zoverre de advocatuur niet vertegenwoordigd is in het beheerscomité dat instaat voor de inrichting en het beheer van het Centraal register van Strafdossiers, terwijl andere actoren van justitie, waaronder het openbaar ministerie, dat wel zijn. B.25. De omstandigheid dat de samenstelling van het gemeenschappelijk beheerscomité wordt bepaald in artikel 42 van de wet van 18 februari 2014 heeft, in tegenstelling tot wat de 23 Ministerraad aanvoert, niet als gevolg dat het middel in werkelijkheid is gericht tegen die bepaling. Artikel 569, § 3, van het Wetboek van strafvordering kent immers aan het bestaande beheerscomité, waarin de advocatuur niet is vertegenwoordigd, de bevoegdheid toe met betrekking tot de inrichting en het beheer van het Centraal register van Strafdossiers, zonder de samenstelling en/of de wijze van besluitvorming van dat comité te wijzigen. B.26. In antwoord op een vraag waarom de advocatuur niet betrokken wordt bij het beheer van zowel het Centraal register van dossiers van de rechtspleging als van het Centraal register van Strafdossiers, benadrukte de minister van Justitie : « Het [is] niet de bedoeling [...] om de advocatuur tekort te doen. Maar de advocatuur heeft een andere rol te spelen dan het openbaar ministerie. Daarom, en in overeenstemming met eerder gemaakte keuzes, is het advies van de Raad van State niet gevolgd. Om de werking van de beheerscomités voor digitale applicaties efficiënt te houden, wordt een eenduidige en consequente strategie gehanteerd om synergiën tussen beheerscomités te verwezenlijken. De mate waarin applicaties een publiek karakter hebben, is een wezenlijk criterium voor de vertegenwoordiging van actoren in de beheerscomités. JustJudgment (voor rechterlijke uitspraken) en JustCourt (voor verschijningen via videoconferentie) hebben een publiek karakter door het gepseudonimiseerd ter beschikking stellen van uitspraken respectievelijk door de deelname van het publiek aan de zitting. Daarom is voor deze applicaties bepaald dat de advocatuur met raadgevende stem vertegenwoordigd is in de beheerscomités. Louter interne applicaties zoals dossierbeheersystemen vereisen geen deelname van externe actoren zoals de advocatuur. Het toezicht door de drie gerechtelijke pijlers volstaat hier. Dat is ook reeds het geval in de ‘ papieren ’ wereld. De advocatuur heeft geen toezichthoudende functie op het papieren rechtsplegingsdossier en er is geen reden waarom zij die wel zou krijgen voor het elektronische rechtsplegingsdossier. Bij de digitalisering van de strafdossiers wierpen de balies eenzelfde argument op maar was de Raad van State niet van oordeel dat de advocatuur deel zou moeten uitmaken van het beheerscomité van het Centraal register van strafdossiers. Dit zou overigens het geheim van het onderzoek in gevaar kunnen brengen omdat het beheerscomité soms kennis kan nemen van geheime informatie in het kader van verzoeken om consultatie van dergelijke informatie. Er is geen goede reden om het strafrechtelijke en het burgerrechtelijke rechtsplegingsdossier op verschillende wijze te behandelen zodat eenzelfde applicatie gebruikt zal worden. Een eenvormige beheersstructuur is het logische gevolg hiervan » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/004, pp. 11-12). B.27. Uit de doelstellingen die zijn vermeld in artikel 569, § 2, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering blijkt dat het Centraal register van Strafdossiers in overwegende mate moet dienen als werkinstrument van en voor de rechterlijke orde. Het zijn in de eerste plaats de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen die, binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten, toegang hebben tot het Centraal register van Strafdossiers, niet alleen voor de raadpleging van de daarin opgenomen gegevens, maar ook voor het neerleggen, aanvullen en verbeteren ervan (artikel 569, § 5, 1° en 5°,
  21. a)en b), van het Wetboek van 24 strafvordering). De wetgever vermocht met dat gegeven rekening te houden bij de toebedeling van het beheer van het Centraal register van Strafdossiers. Door dat beheer uitsluitend toe te kennen aan vertegenwoordigers van de rechterlijke orde, kunnen beslissingen inzake de inrichting en het beheer van dat Centraal register, en in het bijzonder zijn bijzondere opdrachten, prima facie worden afgestemd op die doelgroep en haar noden en bekommernissen. Het is in dat opzicht eveneens redelijk verantwoord dat de wetgever geen stemrecht met betrekking tot de inrichting en het beheer van dat Centraal register heeft toegekend aan vertegenwoordigers van de advocaten, die slechts belang hebben bij de mogelijkheid tot raadpleging van de strafdossiers in het Centraal register van Strafdossiers. Het omgekeerde aanvaarden, zou betekenen dat de advocatuur medezeggenschap zou hebben over het register als werkinstrument voor de rechterlijke orde. Evenmin was de wetgever, rekening houdend met het beperkte publieke karakter van het Centraal register van Strafdossiers, met de bekommernis om de werking van het gemeenschappelijk beheerscomité efficiënt te houden en met de noodzaak om het geheim van het onderzoek van de in dat Centraal register opgenomen strafdossiers te waarborgen, ertoe gehouden vertegenwoordigers van de advocaten toe te laten met raadgevende stem deel te nemen aan de werkzaamheden van dat comité, zoals hij heeft gedaan met betrekking tot het beheerscomité van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde (artikel 782, § 6, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Dat laatste register moet overigens niet alleen dienen als werkinstrument voor de rechterlijke orde, maar eveneens om de bekendmaking van de rechtspraak mogelijk te maken voor het publiek (artikel 782, § 4, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek), waardoor de advocatuur kan worden geacht een groter belang te hebben bij de werking ervan (zie in dat opzicht ook het arrest van het Hof nr. 9/2025 van 30 januari 2025, ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.009, B.40). De verzoekende partij toont niet aan dat het gebrek aan inspraak in de besluitvorming van het beheerscomité te dezen onevenredige gevolgen met zich meebrengt voor de advocaten, in het bijzonder wat betreft de uitoefening van hun taak om hun cliënten juridisch bij te staan. B.28. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. 25 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 december 2025. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.161 Gerelateerde publicatie(
  22. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.20 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.009 ECLI:CE:ECHR:1993:1027JUD001444888 ECLI:CE:ECHR:2003:0312JUD004622199 ECLI:CE:ECHR:2003:0424JUD004496298 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.