← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.162

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.162 Arrest- Rolnummer: 162/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-15 Raadplegingen: 593 - laatst gezien 2026-06-18 17:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie - Verwerping van het beroep voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de wet van 29 maart 2024 « betreffende de oprichting en de organisatie van de opdrachten van ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.) », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains ». Vreemdelingenrecht - Europees recht - EU-verordening - Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) - Reisautorisatie - Onderdanen van derde landen - Veiligheidsrisico - ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.) - Verwerking van persoonsgegevens Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 162/2025 van 4 december 2025 Rolnummer : 8354 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 29 maart 2024 « betreffende de oprichting en de organisatie van de opdrachten van ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.) », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 oktober 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 oktober 2024, heeft de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Catherine Forget, advocate bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 29 maart 2024 « betreffende de oprichting en de organisatie van de opdrachten van ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.) » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 april 2024, tweede editie, erratum in het Belgisch Staatsblad van 31 oktober 2024). De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. Baptiste Appaerts, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 24 september 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. 2 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.

  1. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat het beroep niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. Hij geeft aan dat in het verzoekschrift geen enkele grief wordt uiteengezet tegen de wet van 29 maart 2024 « betreffende de oprichting en de organisatie van de opdrachten van ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.) » (hierna : de wet van 29 maart 2024) in het licht van bepalingen waarvan het Hof de inachtneming waarborgt, maar enkel in het licht van de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad » (hierna : de richtlijn (EU) 2016/680) en in het licht van de verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 « tot oprichting van een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 » (hierna : de Etias- verordening). Het komt echter het Hof niet toe zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van wettelijke bepalingen met internationaalrechtelijke normen. Overigens zijn de meeste punten van kritiek van de verzoekende partij op de wet van 29 maart 2024 in werkelijkheid gericht tegen de Etias-verordening zelf, die niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. Ook om die reden stelt de Ministerraad dat het beroep niet ontvankelijk is. Ten aanzien van het enige middel A.2.
  2. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending, door het geheel of een deel van de wet van 29 maart 2024, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met de artikelen 8, 10, 11, 13, 14, 15, 41 en 54 van de richtlijn (EU) 2016/680, met de artikelen 23 en 51 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de algemene verordening gegevensbescherming) en met de artikelen 4, 6, 14, 33, 51, 52, 54 en 66 van de Etias-verordening. A.2.
  3. De Ministerraad doet gelden, in ondergeschikte orde, dat het middel niet ontvankelijk is omdat de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht de in het middel beoogde grondwetsbepalingen waarvan het Hof de inachtneming waarborgt, geschonden zouden zijn. De meeste grieven die door de verzoekende partij worden uiteengezet, hebben overigens tot doel het Hof ertoe aan te zetten te besluiten, ofwel dat de Etias-verordening de ter ondersteuning van het middel aangevoerde bepalingen schendt, ofwel dat de wet van 29 maart 2024 niet in overeenstemming is met de Etias-verordening, waarvoor het Hof in beide hypothesen niet bevoegd is. De Ministerraad wijst nog erop dat bepaalde grieven specifiek gericht zijn tegen de bepalingen van de wet van 29 maart 2024 betreffende het recht van beroep, dat openstaat voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, tegen de beslissingen tot weigering van een autorisatie die zijn genomen door de ETIAS Nationale Eenheid (hierna : de ENE). Die bepalingen werden echter ingevoegd bij de wet van 24 april 2024 « tot wijziging van de 3 wet van 29 maart 2024 betreffende de oprichting en de organisatie van de opdrachten van de ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.) », en niet bij de wet van 29 maart 2024, zodat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het die bepalingen beoogt. A.3.
  4. De verzoekende partij doet gelden dat de doelstellingen van de Etias-verordening, en bijgevolg van de wet van 29 maart 2024, bekommernissen inzake beheersing van veiligheidsrisico’s en inzake beheer van de grenzen combineren, wat leidt tot een strafbaarstelling van migratie en bijgevolg tot een onevenredige inmenging in de grondrechten van de betrokken personen. Zij is eveneens van oordeel dat de Etias-verordening, in het kader van haar oogmerk van bestrijding van risico’s inzake veiligheid, illegale immigratie of gezondheid, de « risico’s » die zij wil bestrijden onvoldoende nauwkeurig definieert, en zich ertoe beperkt aan de Europese Commissie de zorg toe te vertrouwen om die « risico’s » nader te omschrijven. De verzoekende partij beklemtoont eveneens dat de lijst van de gegevens die moeten worden verstrekt door de aanvrager van een reisautorisatie, langer is dan de lijst van de gegevens die moeten worden verstrekt in het kader van een visumaanvraag, waaruit zou blijken dat het beginsel van minimale gegevensverwerking niet in acht is genomen. Zij verzoekt dan ook het Hof om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen. Bovendien houden sommige van de te verstrekken gegevens geen verband met de doelstellingen van Etias, en zijn de gegevens uit de databanken van Europol, die het centrale Etias-systeem mag raadplegen in het kader van een aanvraag voor een reisautorisatie, ook zeer ruim en niet beperkt tot het strikt noodzakelijke. Tot slot uit de verzoekende partij kritiek op het feit dat de Etias-screeningsregels het gebruik van kunstmatige intelligentie impliceren, zodat het onmogelijk kan zijn om informatie te verkrijgen over de criteria voor de beoordeling van de aanvragen en risico’s, omdat die niet vooraf zijn vastgelegd. A.3.
  5. De Ministerraad merkt op dat die grieven rechtstreeks gericht zijn tegen de Etias-verordening en dat zij niet onder de bevoegdheid van het Hof vallen. Het is bijgevolg niet aangewezen om de door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. A.4.
  6. De verzoekende partij doet gelden dat artikel 18 van de wet van 29 maart 2024, dat betrekking heeft op de Etias-observatielijst waarin de betrokken nationale autoriteiten gegevens kunnen invoeren, niet de voorwaarden bepaalt waaronder die autoriteiten iemands gegevens erin moeten invoeren, hetgeen de beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid die vervat zijn in artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 7 en 8 van het Handvest, schendt. A.4.
  7. De Ministerraad wijst erop dat de kritiek afkomstig is uit het advies dat de Gegevensbeschermingsautoriteit over het voorontwerp van wet heeft verstrekt. De wetgever heeft echter rekening gehouden met dat advies en heeft er op gepaste wijze gehoor aan gegeven. Hij wijst voor het overige erop dat de invoer van gegevens in de Etias-observatielijst hoe dan ook geregeld is bij de artikelen 34, lid 1, en 35, leden 1 en 6, van de Etias-verordening, en dat, krachtens artikel 14 van dezelfde verordening, bij de verwerking van persoonsgegevens in het Etias-informatiesysteem de menselijke waardigheid, integriteit en grondrechten moeten worden gerespecteerd, met inbegrip van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en bescherming van persoonsgegevens. Tot slot herinnert de Ministerraad eraan dat krachtens artikel 19 van de wet van 29 maart 2024 een logbestand moet worden bijgehouden van de verrichtingen die verbonden zijn met het beheer van de Etias-observatielijst, waardoor de invoer van persoonsgegevens in die lijst daadwerkelijk kan worden gecontroleerd. A.5.
  8. De verzoekende partij doet eveneens gelden dat de artikelen 10 en 22 van de wet van 29 maart 2024 de databanken, en dus de categorieën van gegevens waartoe de gedetacheerde leden van de ENE toegang kunnen hebben in het kader van het onderzoek van een aanvraag voor een reisautorisatie die handmatig wordt verwerkt door de ENE, onvoldoende nauwkeurig bepalen. A.5.
  9. De Ministerraad doet gelden dat de door de verzoekende partij opgeworpen grief afkomstig is uit het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit over het voorontwerp van wet, waarop de wetgever heeft geantwoord in de toelichting bij de bestreden bepalingen. De formulering van de artikelen 12 en 27 van het voorontwerp werd overigens herzien en stemt niet overeen met de formulering van de artikelen 10 en 22 van de wet van 29 maart 2024, zoals zij werden aangenomen. Tot slot wijst de Ministerraad erop dat de bestreden bepalingen zijn aangenomen omwille van de overeenstemming met het arrest van het Hof nr. 131/2023 van 12 oktober 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.131). A.6.
  10. De verzoekende partij zet uiteen dat artikel 33 van de wet van 29 maart 2024 niet voorziet in een effectief recht van beroep tegen een beslissing waarbij een verbetering of verwijdering van persoonsgegevens die zijn opgeslagen in het centrale Etias-systeem wordt geweigerd, aangezien de enige controlemogelijkheid waarin 4 de wet van 29 maart 2024 voorziet, de saisine is van het Controleorgaan op de politionele informatie of van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, om na te gaan of er gegevens voorhanden zijn en of zij overeenkomstig het wettelijke kader zijn verwerkt. A.6.
  11. De Ministerraad doet gelden dat artikel 33 van de wet van 29 maart 2024 tot doel heeft te verduidelijken over welk type van rechtsmiddel personen beschikken die te maken hebben met een administratieve beslissing waarbij wordt geweigerd hun gegevens te verbeteren of te wissen, overeenkomstig artikel 64, leden 3 en 4, van de Etias-verordening. Hij geeft eveneens aan dat de bestreden bepaling verwijst naar de rechtsmiddelen die zijn vastgelegd in titel 5, hoofdstuk I, van de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » (hierna : de wet van 30 juli 2018), waartegen de kritiek van de verzoekende partij in werkelijkheid is gericht. A.
  12. De verzoekende partij doet eveneens gelden dat de wet van 29 maart 2024 niet voorziet in een regeling om de voorwaarden te bepalen waaronder, en de regels volgens welke de ENE zich uitspreekt, overeenkomstig de artikelen 40 en 41 van de Etias-verordening, over de nietigverklaring of intrekking van een eerder afgegeven reisautorisatie. De nietigverklaring of intrekking van een reisautorisatie kan echter een zeker toezicht op de betrokken personen impliceren, en dus een verwerking van hun persoonsgegevens. Dergelijke maatregelen behoeven een wettelijke basis die de essentiële elementen van die verwerking vastlegt. A.8.
  13. De verzoekende partij bekritiseert ook het feit dat de wet van 29 maart 2024 de Dienst Vreemdelingenzaken de mogelijkheid biedt om het centrale Etias-systeem te raadplegen in het kader van de repressieve opdracht die hem is toevertrouwd bij artikel 81 van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ». Die wet stelt echter feiten strafbaar die niet overeenstemmen met de misdrijven waarvoor het centrale Etias-systeem krachtens de Etias-verordening kan worden geraadpleegd voor repressieve doeleinden. De verzoekende partij geeft verder nog aan dat de artikelen 13, 18 en 41 van de wet van 29 maart 2024 de inlichtingen- en veiligheidsdiensten toestaan om, in het kader van hun opdrachten krachtens de wet van 30 november 1998 « houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten », het centrale Etias-systeem te raadplegen voor repressieve doeleinden en om persoonsgegevens in te voeren in de Etias-observatielijst. Die opdrachten vallen echter niet samen met de opsporing van de strafbare feiten bedoeld in artikel 3, lid 1, punten 15 en 16, van de Etias-verordening, zodat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten toegang kunnen hebben tot het centrale Etias-systeem en gegevens kunnen invoeren in de observatielijst buiten de door de Etias-verordening vastgelegde doelstellingen om. A.8.
  14. De Ministerraad stelt dat die grief op een onjuiste interpretatie van de wet van 29 maart 2024 berust. Immers, de Dienst Vreemdelingenzaken kan enkel toegang hebben tot het centrale Etias-systeem wanneer hij een inbreuk opspoort die is vermeld in artikel 13 van de wet van 29 maart 2024, dat verwijst naar de « terroristische misdrijven » en « ernstige strafbare feiten » zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punten 15 en 16, van de Etias- verordening. Wanneer hij misdrijven opspoort waarvoor hij bevoegd is krachtens artikel 81 van de voormelde wet van 15 december 1980 maar die niet uitdrukkelijk worden beoogd in artikel 13 van de wet van 29 maart 2024, heeft de Dienst Vreemdelingenzaken geen toegang tot het centrale Etias-systeem. Op dezelfde wijze hebben de inlichtingen- en veiligheidsdiensten enkel toegang tot dat systeem onder de voorwaarden van artikel 13 van de wet van 29 maart 2024, dat wil zeggen wanneer zij een misdrijf opsporen dat is vermeld in artikel 3, lid 1, punten 15 en 16, van de Etias-verordening. Bovendien voorziet artikel 41 van de wet van 29 maart 2024 in een bijkomende voorafgaande controle van de aanvragen tot raadpleging van het centrale Etias-systeem die uitgaan van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Wat betreft de invoer van gegevens door die diensten in de Etias-observatielijst, verwijst de Ministerraad naar zijn argumentatie die in A.4.2 is samengevat. A.9.
  15. De verzoekende partij doet gelden dat artikel 13, § 2, tweede lid, van de wet van 29 maart 2024 aan de Koning de bevoegdheid delegeert om de lijst vast te stellen van de inbreuken naar Belgisch recht die overeenstemmen met de terroristische misdrijven en ernstige strafbare feiten bedoeld in artikel 3, lid 1, punten 15 en 16, van de Etias-verordening, op grond waarvan de bevoegde nationale autoriteiten het centrale Etias-systeem kunnen raadplegen voor repressieve doeleinden, terwijl krachtens het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 22 van de Grondwet en in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de wetgever zelf de betrokken inbreuken naar Belgisch recht had moeten vaststellen. A.9.
  16. De Ministerraad zet uiteen dat de wetgever de machtiging aan de Koning naar behoren heeft verantwoord. Strafrecht is immers voortdurend in ontwikkeling en de wetgever heeft het niet wenselijk geacht om 5 een lijst van inbreuken in de wet op te nemen, waardoor de ernst ervan definitief zou zijn bepaald. De wetgever heeft overigens beklemtoond dat een concordantietabel met de strafbare feiten vermeld in de Etias-verordening en de strafbare feiten waarin het nationale recht voorziet, zal worden aangenomen bij een koninklijk besluit en aan de betrokken autoriteiten zal worden bezorgd, als referentiekader. Tot slot merkt de Ministerraad op dat de bestreden bepaling geen nieuw strafrechtelijk misdrijf creëert, zodat de vereisten met betrekking tot het wettigheidsbeginsel in strafzaken niet van toepassing zijn. A.10.
  17. De verzoekende partij zet uiteen dat de wet van 29 maart 2024 bepaalt dat de sectie van het Nationaal Crisiscentrum (hierna : de sectie NCCN) binnen de ENE fungeert als centraal toegangspunt in de zin van artikel 50, lid 2, van de Etias-verordening, en dat die sectie bijgevolg dient te controleren of de toegang tot het centrale Etias- systeem werd verleend overeenkomstig de Etias-verordening. De sectie NCCN bestaat echter deels uit gedetacheerde leden van verschillende diensten waaraan de wet van 29 maart 2024 toegang tot dat systeem verleent. Bijgevolg kan de sectie NCCN zich niet op onafhankelijke wijze uitspreken over raadplegingsverzoeken van diensten waarvan sommige leden gedetacheerd zijn. A.10.
  18. De Ministerraad merkt op dat niet de sectie NCCN bij artikel 14, § 1, van de wet van 29 maart 2024 wordt aangewezen als centraal toegangspunt, maar wel « de dienst van de operationele medewerkers van de sectie NCCN ». Volgens artikel 6 van de wet van 29 maart 2024, dat de samenstelling van die sectie bepaalt, valt de dienst van de operationele medewerkers niet samen met de leden die gedetacheerd zijn uit de bij dezelfde bepaling opgesomde diensten. Bijgevolg zijn, binnen de sectie NCCN, de personen die gemachtigd zijn om een verzoek tot raadpleging van het centrale Etias-systeem in te dienen (zijnde de gedetacheerde leden bedoeld in artikel 6, eerste lid, 2°, van de wet van 29 maart 2024), niet dezelfde personen als die welke de regelmatigheid van zulke verzoeken verifiëren (zijnde de leden van de dienst van de operationele medewerkers). A.11.
  19. De verzoekende partij doet gelden dat artikel 16 van de wet van 29 maart 2024 het mogelijk maakt dat de gegevens die voortkomen uit de raadpleging voor repressieve doeleinden van het centrale Etias-systeem door de nationale autoriteiten, worden bewaard gedurende één maand, of voor een langere termijn wanneer die gegevens nog noodzakelijk zijn voor het onderzoek waarvoor zij werden opgevraagd, volgens de voor elke dienst geldende regels. Doordat zij het type van het onderzoek in kwestie niet preciseert, is de bestreden bepaling ook van toepassing op de onderzoeken die worden gevoerd door de inlichtingendiensten, die mogelijk de doelstellingen van de Etias-verordening te buiten gaan. A.11.
  20. De Ministerraad wijst erop dat de bestreden bepaling de duur van één maand voor het bewaren van de gegevens in acht neemt, tenzij die gegevens nog noodzakelijk zijn, overeenkomstig artikel 70, lid 4, van de Etias-verordening, voor het specifieke lopend strafrechtelijk onderzoek waarvoor zij werden opgevraagd. A.
  21. De verzoekende partij heeft verder nog kritiek op het feit dat het voorontwerp van wet bepaalt dat de operationele verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens de voorzitter van de FOD Binnenlandse Zaken is. Het begrip « operationele verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens » bestaat echter niet in de algemene verordening gegevensbescherming. Overigens bepaalt de Etias-verordening, in artikel 57, lid 2, ervan, dat het de ENE is die wordt beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de voormelde algemene verordening. A.13.
  22. De verzoekende partij zet uiteen dat artikel 35 van de wet van 29 maart 2024 niet voorziet in voldoende effectieve, evenredige en afschrikkende sancties in geval van een inbreuk op de bepalingen van de wet van 29 maart 2024 of van de Etias-verordening. In het bijzonder betwijfelt zij of het mogelijk is om een disciplinaire sanctie op te leggen aan de luchtvervoerders, zeevervoerders en internationale vervoerders die groepen per bus over land vervoeren, die toegang kunnen hebben tot bepaalde gegevens van het centrale Etias- systeem. A.13.
  23. De Ministerraad merkt op dat de bestreden bepaling wel degelijk in een sanctieregeling voorziet, met verwijzing naar de strafsancties bepaald in titel 6, hoofdstuk II, van de wet van 30 juli 2018, en met verwijzing naar de regeling van disciplinaire sancties die van toepassing is op de overtreder wanneer hij deel uitmaakt van een overheid die betrokken is bij het Etias-systeem. De strafsancties bepaald in de wet van 30 juli 2018 kunnen ook gelden voor de vervoerders, aangezien het in principe niet gaat om overheden waarvan de personeelsleden onder een tuchtregeling vallen. Die sanctieregelingen zijn effectief, evenredig en afschrikkend. Zelfs indien zij dat niet zouden zijn, zou een eventuele schending van de ter ondersteuning van het middel aangevoerde normen haar oorsprong vinden in die regelingen, en niet in de wet van 29 maart
  24. 6 A.14.
  25. De verzoekende partij voert ook aan dat de artikelen 30 en 31 van de wet van 29 maart 2024 artikel 66 van de Etias-verordening schenden, aangezien zij voor de toezichthoudende autoriteiten niet in voldoende middelen voorzien voor de uitoefening van hun opdrachten, en omdat zij de ENE niet verplichten om de door haar vastgestelde tekortkomingen inzake gegevensbescherming te inventariseren. A.14.
  26. De Ministerraad wijst erop dat de grief is afgeleid uit een schending van de Etias-verordening, en niet van een norm waarvan het Hof de inachtneming waarborgt. De kritiek van de verzoekende partij is overigens gericht tegen de versies van de bestreden bepalingen in het voorontwerp van de wet, die niet samenvallen met de bepalingen die uiteindelijk zijn aangenomen. De Ministerraad wijst ook erop dat de artikelen 30 en 31 van de wet van 29 maart 2024 betrekking hebben op de regels inzake gegevensbescherming en op de bevoegde gegevensbeschermingsautoriteiten, zodat zij geen verband houden met artikel 66 van de Etias-verordening. Bovendien verplicht artikel 43 van de wet van 29 maart 2024 de ENE om jaarlijks een activiteitenverslag op te stellen, dat informatie kan bevatten over de tekortkomingen inzake gegevensbescherming waarvan de ENE zal hebben kennisgenomen. A.
  27. Tot slot klaagt de verzoekende partij aan dat de wet van 29 maart 2024 aan sommige diensten de mogelijkheid biedt om aan derde landen gegevens door te geven die afkomstig zijn van een raadpleging van het centrale Etias-systeem voor repressieve doeleinden, en zulks onder andere voorwaarden dan die welke zijn bepaald in artikel 65, lid 5, van de Etias-verordening. A.
  28. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij het Hof om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, omdat er volgens haar twijfel bestaat over de interpretatie van sommige bepalingen van de Etias-verordening. –B– Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.
  29. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de wet van 29 maart 2024 « betreffende de oprichting en de organisatie van de opdrachten van ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.) » (hierna : de wet van 29 maart 2024). B.1.
  30. Zoals het opschrift ervan aangeeft, strekt de wet van 29 mei 2024 ertoe de ETIAS Nationale Eenheid (hierna : de ENE) op te richten en de werking ervan te bepalen, teneinde de verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 « tot oprichting van een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 » (hierna : de Etias-verordening) ten uitvoer te leggen. 7 Wat de Etias-verordening betreft B.2.
  31. Bij de Etias-verordening wordt een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (European Travel Information and Authorisation System, afgekort Etias) opgericht. Zodra zij ten volle van toepassing zal zijn, zal die verordening onderdanen van derde landen die zijn vrijgesteld van de verplichting om in het bezit te zijn van een visum, verplichten om over een reisautorisatie te beschikken bij het overschrijden van de buitengrenzen van de Unie (artikel 1 van de Etias-verordening). Dat systeem heeft tot doel te oordelen of de aanwezigheid van die onderdanen van derde landen op het grondgebied van de lidstaten een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico zou kunnen vormen. Daartoe wordt bij de Etias-verordening een reisautorisatie ingevoerd, waarvan zij de procedure bepaalt inzake toekenning, intrekking of nietigverklaring, afhankelijk van het resultaat van een in principe geautomatiseerde screening die door de verordening is geregeld en gedeeltelijk door de lidstaten moet worden uitgevoerd. B.2.
  32. Artikel 4 van de Etias-verordening bepaalt de doelstellingen van Etias : « Door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te ondersteunen, zal Etias : a) bijdragen aan een hoog niveau van veiligheid door grondig te beoordelen of aanvragers een veiligheidsrisico vormen, zulks voorafgaand aan hun aankomst bij de doorlaatposten aan de buitengrenzen, teneinde te bepalen of er feitelijke aanwijzingen of redelijke vermoedens op basis van feitelijke aanwijzingen bestaan om te besluiten dat hun aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaten een veiligheidsrisico vormt; b) bijdragen aan het voorkomen van illegale immigratie door te beoordelen of aanvragers een risico op het gebied van illegale immigratie vormen, zulks voorafgaand aan hun aankomst bij de doorlaatposten aan de buitengrenzen; c) bijdragen aan de bescherming van de volksgezondheid door te beoordelen of de aanvrager een hoog epidemiologisch risico in de zin van artikel 3, lid 1, onder 8), vormt, zulks voorafgaand aan zijn of haar aankomst bij de doorlaatposten aan de buitengrenzen; d) de doeltreffendheid van grenscontroles verhogen; e) de SIS-doelstellingen ondersteunen die betrekking hebben op signaleringen van onderdanen van derde landen aan wie de inreis en het verblijf is geweigerd, signaleringen van personen die met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering of uitlevering worden gezocht, signaleringen van vermiste personen, signaleringen van personen die worden gezocht met het oog op hun medewerking in het kader van een gerechtelijke procedure, signaleringen van personen die discreet of gericht moeten worden gecontroleerd en signaleringen van onderdanen van derde landen jegens wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd; 8 e bis) de doelstellingen van het [Entry/Exit System (hierna : het EES)] ondersteunen; f) bijdragen aan het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven, en andere ernstige strafbare feiten; g) bijdragen tot de correcte identificatie van personen ». B.2.
  33. Krachtens artikel 5 van de Etias-verordening bestaat Etias uit een Etias- informatiesysteem (artikel 6 van de Etias-verordening), een centrale Etias-eenheid (artikel 7 van dezelfde verordening) en nationale Etias-eenheden (artikel 8 van dezelfde verordening). B.3.
  34. Concreet dient een onderdaan van een derde land die is vrijgesteld van de verplichting om in het bezit te zijn van een visum, wanneer hij de buitengrenzen wil overschrijden, een onlineformulier in te vullen dat ter beschikking wordt gesteld via een open website of een app voor mobiele apparaten (artikel 15, lid 1, van de Etias-verordening). De aanvrager van een reisautorisatie (hierna : de aanvrager) moet een reeks persoonsgegevens verstrekken die zijn opgelijst in artikel 17, lid 2, van de Etias-verordening, en moet daarnaast drie vragen beantwoorden die zijn opgelijst in artikel 17, lid 4, van dezelfde verordening. Evenzo is die aanvraag slechts ontvankelijk na betaling van een vergoeding van zeven euro, behalve voor aanvragers die op het moment van de aanvraag jonger dan 18 of ouder dan 70 jaar zijn. B.3.
  35. Het Etias-informatiesysteem verifieert op geautomatiseerde wijze of de aanvraag volledig en ontvankelijk is. Indien dat het geval is, maakt het centrale Etias-systeem automatisch een aanvraagdossier aan (artikel 19 van de Etias-verordening). Dat dossier wordt op geautomatiseerde wijze verwerkt : het centrale Etias-systeem geeft een zoekopdracht in het Europese zoekportaal om de gegevens in het aanvraagdossier te vergelijken met de gegevens in een notitie, dossier of signalering in een aanvraagdossier dat is opgeslagen in het centrale Etias-systeem, in een informatiesysteem van de Europese Unie, in Europol-gegevens of in een Interpol-databank. B.3.
  36. Indien de geautomatiseerde verwerking van de aanvraag geen « hit » oplevert, in de zin van artikel 3, lid 1, punt 14, van de Etias-verordening, dat wil zeggen geen « overeenstemming die wordt geconstateerd door vergelijking van de in een aanvraagdossier van het centrale Etias-systeem opgenomen persoonsgegevens met de in artikel 33 vermelde 9 specifieke risico-indicatoren of met de persoonsgegevens in een notitie, dossier of signalering in het centrale Etias-systeem, in een ander informatiesysteem van de Unie […], in Europol- gegevens of in een Interpol-databank die worden doorzocht door het centrale Etias-systeem », geeft het centrale Etias-systeem automatisch een reisautorisatie af (artikel 21, lid 1, van de Etias-verordening). B.3.
  37. Indien de geautomatiseerde verwerking van de aanvraag een of meer hits oplevert, dient de centrale Etias-eenheid te worden geraadpleegd en moet zij de aanvraag handmatig verwerken binnen ten hoogste twaalf uur na de ontvangst van de aanvraag. Indien blijkt, na die handmatige verwerking, dat de hit vals was, verwijdert de centrale Etias-eenheid hem uit het dossier en geeft het centrale Etias-systeem automatisch een reisautorisatie af (artikel 22 van de Etias-verordening). Indien daarentegen de hit wordt bevestigd bij de handmatige verwerking van het aanvraagdossier, of indien er twijfel blijft bestaan over de identiteit van de aanvrager, wordt de aanvraag handmatig verwerkt door de ENE van de verantwoordelijke lidstaat, overeenkomstig artikel 26 van de Etias-verordening. De ENE kan vervolgens, binnen 96 uur na de indiening van de aanvraag, beslissen om de reisautorisatie af te geven of te weigeren na een beoordeling van het risico inzake veiligheid, illegale immigratie of gezondheid, eventueel na de aanvrager te hebben verzocht om aanvullende informatie of documentatie (artikel 27 van de Etias- verordening) of na de ENE van andere lidstaten (artikel 28 van dezelfde verordening) of Europol (artikel 29 van dezelfde verordening) te hebben geraadpleegd. In het kader van die risicobeoordeling heeft het personeel van de ENE rechtstreeks toegang tot de informatiesystemen van de Europese Unie en mag het die in een read-onlyformaat raadplegen (artikel 25bis van dezelfde verordening). B.3.
  38. Indien een reisautorisatie wordt geweigerd, dienen de gronden voor die weigering te worden vermeld (artikel 38, lid 2, c), van de Etias-verordening). Aanvragers aan wie een reisautorisatie is geweigerd, kunnen daartegen beroep instellen overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat (artikel 37, lid 3, van dezelfde verordening). B.3.
  39. Een reisautorisatie blijft geldig gedurende drie jaar of, indien dit korter is, tot het einde van de geldigheidsduur van het reisdocument op grond waarvan de aanvraag is ingediend, 10 en is in principe geldig voor het grondgebied van de lidstaten (artikel 36, lid 5, van de Etias- verordening). Zij kan evenwel, onder bepaalde voorwaarden, nietig worden verklaard indien blijkt dat bij de afgifte van de reisautorisatie niet aan de voorwaarden voor afgifte was voldaan (artikel 40 van dezelfde verordening), of worden ingetrokken indien blijkt dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor afgifte van de reisautorisatie (artikel 41 van dezelfde verordening). B.4.
  40. Artikel 33 van de Etias-verordening bepaalt eveneens « Etias-screeningsregels », geregistreerd in het centrale Etias-systeem, die bestaan uit een algoritme waarmee profilering van aanvragers mogelijk is door de gegevens die in een aanvraagdossier zijn geregistreerd, te vergelijken met specifieke risico-indicatoren die de centrale Etias-eenheid heeft vastgesteld en die bestaan uit een combinatie van gegevens, waaronder een of meer van de volgende : leeftijdsgroep, geslacht, nationaliteit, land en plaats van verblijf, niveau van opleiding en huidig beroep. B.4.
  41. Het centrale Etias-systeem bevat daarnaast een Etias-observatielijst die bestaat uit « gegevens over personen die worden verdacht van het plegen van of betrokkenheid bij een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit [zoals gedefinieerd bij artikel 3, lid 1, punten 15 en 16, van de Etias-verordening] of over personen ten aanzien van wie er, op basis van een algemene beoordeling van de persoon, feitelijke aanwijzingen of redelijke vermoedens bestaan dat zij terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten zullen plegen » (artikel 34, lid 1, van de Etias-verordening). De Etias-observatielijst wordt opgesteld op basis van informatie met betrekking tot terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten, en gegevens worden erin ingevoerd door Europol of de lidstaten (artikel 34, leden 2 en 3, van dezelfde verordening). B.
  42. De Etias-verordening bepaalt bovendien, in artikel 45, dat luchtvervoerders, zeevervoerders en internationale vervoerders die groepen per bus over land vervoeren, via een specifiek portaal een zoekopdracht moeten sturen naar het Etias-informatiesysteem om te verifiëren of onderdanen van derde landen die onderworpen zijn aan de reisautorisatieplicht al dan niet in het bezit zijn van zulk een geldige reisautorisatie. 11 Op dezelfde wijze raadplegen de grensautoriteiten die bevoegd zijn om grenscontroles te verrichten bij doorlaatposten aan de buitengrenzen overeenkomstig de verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 « betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (codificatie) » (hierna : de verordening (EU) 2016/399) het centrale Etias-systeem aan de hand van de gegevens die zijn opgeslagen in de machineleesbare zone van het reisdocument, teneinde te verifiëren of de betrokkene al dan niet in het bezit is van een geldige reisautorisatie. B.6.
  43. De Etias-verordening verleent, in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden, toegang tot de gegevens in het centrale Etias-systeem aan de nationale immigratieautoriteiten (artikel 49 van de Etias-verordening). Die autoriteiten mogen het centrale Etias-systeem enkel raadplegen nadat een voorafgaande zoekopdracht in het EES is uitgevoerd, en op voorwaarde dat die zoekopdracht uitwijst dat het EES geen gegevens met betrekking tot binnenkomst bevat die verband houden met de aanwezigheid van de betrokken aanvrager op het grondgebied van lidstaten. B.6.
  44. Evenzo staan de artikelen 50 tot 53 van de Etias-verordening de aangewezen autoriteiten van de lidstaten toe om de gegevens die zijn opgeslagen in het centrale Etias- systeem te raadplegen met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten (hierna : de raadpleging van het Etias-systeem voor repressieve doeleinden). Elke lidstaat moet in dat kader een « centraal toegangspunt » aanwijzen dat toegang heeft tot het centrale Etias-systeem en dat zich ervan vergewist, in volledige onafhankelijkheid, dat is voldaan aan de voorwaarden voor een verzoek om toegang tot het centrale Etias-systeem voor repressieve doeleinden door nationale autoriteiten (artikel 50 van de Etias-verordening). Om gegevens die in het centrale Etias-systeem zijn geregistreerd te raadplegen voor repressieve doeleinden, dienen de daartoe aangewezen nationale autoriteiten aan te tonen dat

(1)toegang tot die gegevens noodzakelijk is om een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit te voorkomen of op te sporen,
(2)toegang tot die gegevens noodzakelijk en evenredig is in een specifiek geval, en
(3)er bewijs is of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de raadpleging van die gegevens zal bijdragen tot het voorkomen, opsporen of onderzoeken van de desbetreffende strafbare feiten, met name wanneer er een gegrond 12 vermoeden bestaat dat de verdachte, de dader of het slachtoffer van een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit behoort tot een reizigerscategorie waarop de Etias-verordening van toepassing is (artikel 52 van de Etias-verordening). B.6.
  1. Gegevens die zijn opgeslagen in het centrale Etias-systeem mogen niet worden doorgegeven aan of ter beschikking gesteld van derde landen, internationale organisaties of particuliere partijen, behalve in een aantal gevallen die limitatief zijn opgesomd bij artikel 65 van de Etias-verordening. B.7.
  2. Behoudens in geval van wijziging of vervroegd wissen van gegevens met toepassing van artikel 55 van de Etias-verordening, worden de aanvraagdossiers in het centrale Etias-systeem opgeslagen gedurende de geldigheidsduur van de reisautorisatie, of gedurende vijf jaar vanaf de laatste beslissing tot weigering, nietigverklaring of intrekking van de reisautorisatie (artikel 54, lid 1, van de Etias-verordening). Met het oog op het faciliteren van een nieuwe aanvraag na het verstrijken van de geldigheidsduur van een reisautorisatie kan het aanvraagdossier in het centrale Etias-systeem voor een extra periode van niet meer dan drie jaar na het einde van de geldigheidsduur van de reisautorisatie worden opgeslagen, en dit op voorwaarde dat de aanvrager daarvoor, na een daartoe strekkend verzoek om toestemming, vrijelijk en uitdrukkelijk toestemming verleent door middel van een elektronisch ondertekende verklaring. B.7.
  3. De verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de algemene verordening gegevensbescherming) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de nationale Etias-eenheden die de aanvragen beoordelen, door de grensautoriteiten en door de immigratieautoriteiten. Wanneer de verwerking van persoonsgegevens door lidstaten met het oog op de beoordeling van aanvragen door de bevoegde autoriteiten wordt uitgevoerd met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of van andere ernstige strafbare feiten, is de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de 13 vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad » (hierna : de richtlijn (EU) 2016/680) van toepassing. Diezelfde richtlijn is eveneens van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de aangewezen autoriteiten van de lidstaten, met toepassing van de Etias-verordening, met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of van andere ernstige strafbare feiten. B.7.
  4. Inzake gegevensbescherming bepaalt de Etias-verordening uitdrukkelijk dat de aanvrager recht op toegang heeft tot de hem betreffende persoonsgegevens die zijn opgeslagen in het centrale Etias-systeem. Indien hij van mening is dat die gegevens feitelijk onnauwkeurig zijn of onrechtmatig zijn geregistreerd, kan hij aan de centrale Etias-eenheid of aan de ENE van de verantwoordelijke lidstaat een verzoek richten tot verbetering of verwijdering van de betrokken gegevens. Indien dat verzoek wordt verworpen, moet de centrale eenheid of de ENE de redenen van die weigering aangeven, alsook de betrokkene informeren over de rechtsmiddelen die tegen die beslissing openstaan. B.7.
  5. Wanneer nationale autoriteiten de toelating krijgen om gegevens die zijn opgeslagen in het centrale Etias-systeem te raadplegen voor repressieve doeleinden, worden die persoonsgegevens na een maand uit alle nationale bestanden gewist, tenzij zij nog vereist zijn voor het specifieke lopende strafrechtelijke onderzoek in het kader waarvan om die gegevens werd verzocht (artikel 70, lid 4, van de Etias-verordening). B.7.
  6. Artikel 57 van de Etias-verordening bepaalt de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens. Wat de verwerking van persoonsgegevens in het centrale Etias- systeem betreft, wordt het Europees Grens- en kustwachtagentschap beschouwd als een verantwoordelijke voor de verwerking overeenkomstig artikel 2, d), van de verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens ». Voor het informatiebeveiligingsbeheer van het centrale Etias-systeem wordt het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht beschouwd als verantwoordelijke voor de verwerking. Elke ENE is overigens de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens (in de zin van 14 artikel 4, punt 7, van de algemene verordening gegevensbescherming) in het centrale Etias- systeem door de lidstaat. Wat de wet van 29 maart 2024 betreft B.
  7. Zoals in B.1.2 is vermeld, beoogt de bestreden wet van 29 maart 2024 onder meer de Etias-verordening ten uitvoer te leggen. De parlementaire voorbereiding van die wet vermeldt : « Dit wetsontwerp strekt ertoe de Belgische ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.) op te richten en de werking ervan te organiseren met betrekking tot de opdrachten die haar bij artikel 8, lid 2, van de verordening zijn toegekend, alsook bepaalde punten aan te geven die in het nationale recht moeten worden aangepast, zoals, bijvoorbeeld, het beheer van de observatielijst » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3886/001, p. 6). B.
  8. Voor België wordt de ENE opgericht binnen het Nationaal Crisiscentrum (artikel 4 van de wet van 29 maart 2024). Artikel 5, § 1, van de wet van 29 maart 2024 bepaalt dat de ENE wordt georganiseerd in twee secties : een sectie van het Nationaal Crisiscentrum (hierna : de sectie NCCN) en een sectie van de Dienst Vreemdelingenzaken (hierna : de sectie DVZ). B.10.
  9. De sectie NCCN is samengesteld uit
(1)een leidend ambtenaar bijgestaan door een ondersteunende dienst, een dienst geschillen en een dienst met operationele medewerkers,
(2)een verbindingsofficier van de Dienst Vreemdelingenzaken, alsook
(3)leden gedetacheerd uit de politiediensten, de FOD Volksgezondheid, de Veiligheid van de Staat, de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht, en de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen (artikel 6 van de wet van 29 maart 2024). B.10.
  1. Krachtens artikel 5, § 1, van de wet van 29 maart 2024 is de sectie NCCN bevoegd om hits met betrekking tot veiligheidsrisico’s en hoge epidemiologische risico’s te verwerken. De procedure voor de beoordeling van die risico’s is vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van dezelfde wet. 15 B.10.
  2. Het voormelde artikel 11 bepaalt dat de operationele medewerkers van de sectie NCCN de beslissingen nemen over de aanvragen voor een reisautorisatie, na de met redenen omklede adviezen te hebben ingewonnen, bedoeld in het voormelde bestreden artikel 10, dat bepaalt : « §
  3. De gedetacheerde leden brengen te gelegener tijd, in functie van hun respectieve bevoegdheden, een met redenen omkleed advies uit over de beoordeling van de risico's die verbonden zijn aan aanvragen voor een reisautorisatie waarvoor de sectie NCCN bevoegd is op grond van artikel 5, §
  4. Daartoe kunnen de gedetacheerde leden indien nodig de andere informatiesystemen van de Europese Unie raadplegen, zoals bepaald in artikel 25bis van de Etias-verordening, alsook de nationale databanken die door hun respectieve diensten worden beheerd en die aanvullende informatie over de hit in kwestie kunnen bevatten. §
  5. Indien voor het nemen van een beslissing over een aanvraag voor een reisautorisatie meerdere adviezen nodig zijn, zorgt de leidend ambtenaar van de sectie NCCN vooraf voor de coördinatie van de betrokken gedetacheerde leden en operationele medewerkers teneinde tot een gemeenschappelijk standpunt te komen. §
  6. Wanneer de sectie NCCN een kennisgeving van het visuminformatiesysteem (VIS) ontvangt betreffende een hit met gegevens die voorkomen op de observatielijst, verwerkt een gedetacheerd lid of een operationeel medewerker deze hit handmatig en zorgt hij voor de opvolging van deze hit, overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 9sexies van de VIS- verordening ». B.10.
  7. De leden die bij de sectie NCCN gedetacheerd zijn door de politiediensten, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen moeten ook gegevens invoeren in de Etias-observatielijst (bedoeld in B.4.2), krachtens het bestreden artikel 18 van de wet van 29 maart
  8. De sectie NCCN houdt een logbestand bij van de verrichtingen die verbonden zijn met het beheer van die observatielijst, dat wordt bewaard gedurende drie jaar na de verwijdering van de gegevens uit de observatielijst. B.11.
  9. De sectie DVZ is samengesteld uit een leidend ambtenaar, een dienst geschillen en operationele medewerkers, die allemaal ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken moeten zijn (artikel 21, § 1, van de wet van 29 maart 2024). B.11.
  10. De operationele medewerkers van de sectie DVZ beoordelen de risico’s op het gebied van illegale immigratie en nemen de beslissingen over de aanvragen voor een reisautorisatie waarvoor de sectie DVZ bevoegd is, namelijk die welke een hit met een of 16 meerdere risico’s op het gebied van illegale immigratie hebben opgeleverd. In dat kader kunnen zij, indien noodzakelijk, de andere informatiesystemen van de Europese Unie, alsook de databank van de Dienst Vreemdelingenzaken raadplegen (bestreden artikel 22 van de dezelfde wet). B.
  11. De politiediensten, de FOD Volksgezondheid, de Veiligheid van de Staat, de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen en de Dienst Vreemdelingenzaken moeten alle informatie waarover zij beschikken in het kader van hun wettelijke opdrachten en waaruit ten minste één reden voor annulering of intrekking van een reisautorisatie zou blijken, doorgeven aan de ENE. De betrokken sectie van de ENE moet zich dan uitspreken over een eventuele intrekking of annulering van die reisautorisatie (bestreden artikel 27 van de wet van 29 maart 2024). B.
  12. Tegen een door de ENE genomen beslissing over een aanvraag voor een reisautorisatie kan een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, krachtens artikel 26/1 van de wet van 29 maart 2024, zoals het werd ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 24 april 2024 « tot wijziging van de wet van 29 maart 2024 betreffende de oprichting en de organisatie van de opdrachten van de ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E) » (hierna : de wet van 24 april 2024). B.14.
  13. De politiediensten, de Veiligheid van de Staat, de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, alsook de Dienst Vreemdelingenzaken kunnen, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, verzoeken om raadpleging van in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens voor repressieve doeleinden (bestreden artikel 13, § 1, van de wet van 29 maart 2024). Een dergelijk raadplegingsverzoek moet met redenen omkleed zijn en moet het specifieke terroristisch misdrijf of het specifieke ernstige strafbaar feit dat het verzoek rechtvaardigt, vermelden. Om de betrokken diensten een referentiekader te bieden, machtigt het bestreden artikel 13, § 2, van de wet van 29 maart 2024 de Koning om een lijst van inbreuken naar Belgisch recht op te stellen die beantwoorden aan de definities van terroristisch misdrijf en ernstig strafbaar feit zoals zij zijn vastgelegd in artikel 3, lid 1, punten 15 en 16, van de Etias- verordening. 17 B.14.
  14. In het kader van die raadpleging voor repressieve doeleinden, vervult de dienst van de operationele medewerkers van de sectie NCCN de functie van centraal toegangspunt bedoeld in artikel 50, lid 2, van de Etias-verordening en is hij dus belast met het verifiëren, in volledige onafhankelijkheid, of de voorwaarden voor toegang tot de in het centrale Etias- systeem geregistreerde gegevens voor repressieve doeleinden, door de in B.14.1 bedoelde diensten, in acht zijn genomen (bestreden artikel 14, § 1, van de wet van 29 maart 2024). B.14.
  15. De gegevens die aan de nationale autoriteiten worden doorgegeven in het kader van de raadpleging van het centrale Etias-systeem voor repressieve doeleinden, worden een maand na de doorgifte uit de nationale bestanden gewist, tenzij zij nog noodzakelijk zijn voor het strafrechtelijk onderzoek waarvoor zij werden opgevraagd (bestreden artikel 16 van de wet van 29 maart 2024). Die gegevens kunnen enkel onder de voorwaarden bepaald in artikel 65, lid 5, van de Etias- verordening worden doorgegeven aan een land dat geen lid is van de Europese Unie (bestreden artikel 17 van de wet van 29 maart 2024). B.15.
  16. Wanneer de ENE een beslissing neemt of een risico op het gebied van illegale immigratie, een veiligheidsrisico of een hoog gezondheidsrisico beoordeelt, is de algemene verordening gegevensbescherming of de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » (hierna : de wet van 30 juli 2018), naargelang van het geval, van toepassing onverminderd de bepalingen van de Etias-verordening op het gebied van gegevensverwerking (bestreden artikel 30 van de wet van 29 maart 2024). B.15.
  17. De ENE is verantwoordelijk voor alle verwerkingen van gegevens in het kader van haar wettelijke opdrachten. De diensten belast met het invoeren van gegevens in de Etias- observatielijst zijn evenwel verantwoordelijk voor de invoering en het bijwerken van persoonsgegevens in die lijst. De diensten waarvan de gedetacheerde leden van de sectie NCCN afkomstig zijn, alsook de Dienst Vreemdelingenzaken zijn verantwoordelijk voor de gegevensverwerking voor het raadplegen van de nationale databanken in het kader van hun opdracht van risicobeoordeling (bestreden artikel 32 van de wet van 29 maart 2024). 18 B.15.
  18. De Gegevensbeschermingsautoriteit is bevoegd voor de controle van de gegevensverwerking die is verricht krachtens de Etias-verordening of de wet van 29 maart 2024, behoudens de controlebevoegdheden die aan andere autoriteiten werden toegekend in geval van de toepassing van de titels 2 en 3 van de wet van 30 juli
  19. Het Controleorgaan op de politionele informatie is bevoegd voor de controle van de gegevensverwerking die is verricht door de politiediensten in het kader van de beoordeling van veiligheidsrisico’s, de raadpleging van het Etias-informatiesysteem voor repressieve doeleinden en het beheer van de Etias-observatielijst. Het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is bevoegd voor de controle van de verwerking van persoonsgegevens die door die diensten gedaan werd in het kader van de beoordeling van veiligheidsrisico's, de raadpleging van het Etias-informatiesysteem voor repressieve doeleinden en het beheer van de Etias-observatielijst (artikel 31 van de wet van 29 maart 2024). B.15.
  20. Wanneer een administratieve beslissing wordt genomen die de verbetering of verwijdering van de persoonsgegevens van een betrokken persoon weigert, kan die laatste een klacht neerleggen bij de bevoegde toezichthoudende autoriteit en/of een beroep indienen zoals bepaald in titel 5, hoofdstuk I, van de wet van 30 juli 2018 (bestreden artikel 33 van de wet van 29 maart 2024). B.
  21. Tot slot voorziet artikel 35 van de wet van 29 maart 2024 in sancties voor elke inbreuk op de bepalingen van diezelfde wet en van de Etias-verordening : er worden disciplinaire sancties aan de overtreder opgelegd, naargelang van de ernst van de inbreuk. De overtreder blijft hoe dan ook onderworpen aan de regeling van strafsancties die zijn bepaald in titel 6, hoofdstuk II, van de wet van 30 juli
  22. Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat de bevoegdheid van het Hof betreft B.17.
  23. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn 19 vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.17.
  24. Noch artikel 142 van de Grondwet, noch de bijzondere wet van 6 januari 1989 verlenen het Hof de bevoegdheid om zich rechtstreeks uit te spreken over bepalingen van afgeleid recht van de Europese Unie, in het bijzonder van een verordening. In zoverre het gericht is tegen artikel 3, lid 1, punten 6, 7, 8 en 17, artikel 4, artikel 17, lid 2, en artikel 33 van de Etias-verordening, is het beroep niet ontvankelijk. Bijgevolg dient niet, zoals de verzoekende partij voorstelt, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te worden gesteld over artikel 17 van de Etias- verordening. B.17.
  25. Het Hof is evenmin bevoegd om wettelijke bepalingen rechtstreeks te toetsen aan verdragsbepalingen. Te dezen worden de internationale bepalingen waaraan het Hof niet rechtstreeks vermag te toetsen, samen aangevoerd met grondwetsbepalingen waaraan het Hof wel rechtstreeks vermag te toetsen, zodat al die bepalingen in onderlinge samenhang moeten worden gelezen. B.
  26. Voor het overige wordt de door de Ministerraad opgeworpen exceptie van niet- ontvankelijkheid van het beroep verworpen. Wat de ontvankelijkheid van het enige middel betreft B.19.
  27. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending, door het geheel of een deel van de wet van 29 maart 2024, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met de artikelen 8, 10, 11, 13, 14, 15, 41 en 54 van de richtlijn (EU) 2016/680, met de artikelen 23 en 51 van de algemene verordening gegevensbescherming en met de artikelen 4, 6, 14, 33, 51, 52, 54 en 66 van de Etias- verordening. 20 B.19.
  28. De Ministerraad voert aan dat het enige middel onduidelijk is omdat de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht de in het middel beoogde grondwetsbepalingen waarvan het Hof de inachtneming waarborgt, geschonden zouden zijn. B.19.
  29. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die vereiste is niet louter vormelijk : zij strekt ertoe het Hof in staat te stellen om de grondwettigheidstoets ten volle te verrichten en het de in artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde overheden mogelijk te maken met kennis van zaken te beslissen om al dan niet in de procedure tussen te komen en, in voorkomend geval, op nuttige wijze te antwoorden op de middelen. B.
  30. Het door de verzoekende partij aangevoerde middel beantwoordt slechts deels aan die vereisten, daar moet worden vastgesteld dat sommige grieven slechts zeer summier en niet ondubbelzinnig zijn uiteengezet. Het Hof onderzoekt het middel in zoverre het aan de in B.19.3 vermelde vereisten voldoet. B.21.
  31. De verzoekende partij klaagt daarnaast aan dat de wet van 29 maart 2024 niet voorziet in een daadwerkelijk recht van beroep tegen een beslissing van de ENE tot weigering van een reisautorisatie. B.21.
  32. Artikel 26/1 van de wet van 29 maart 2024 bepaalt dat tegen de beslissingen genomen door de ENE een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel 26/2 van dezelfde wet bepaalt dat de bevoegde ministers of hun gemachtigden de Staat kunnen vertegenwoordigen in alle geschillen met betrekking tot de toepassing van de genoemde wet, ook voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Tot slot bepaalt artikel 26/3 van dezelfde wet dat de diensten geschillen binnen elke sectie van de ENE de hun bij dezelfde wet toegewezen beroepen beheren. 21 B.21.
  33. De artikelen 26/1, 26/2 en 26/3 van de wet van 29 maart 2024 werden in laatstgenoemde wet ingevoegd bij respectievelijk de artikelen 4, 5 en 6 van de wet van 24 april 2024, die niet het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep. B.21.
  34. In zoverre het gericht is tegen de artikelen 26/1, 26/2 en 26/3 van de wet van 29 maart 2024, is het enige middel niet ontvankelijk. Ten aanzien van de toetsingsnormen B.22.
  35. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Het voorstel dat is voorafgegaan aan de aanneming van artikel 22 van de Grondwet beklemtoonde « de bescherming van de persoon, de erkenning van zijn identiteit en de belangrijkheid van zijn ontplooiing en die van zijn gezin » en het onderstreepte de noodzaak om het privéleven en het gezinsleven te beschermen tegen « inmenging, onder meer als gevolg van de onafgebroken ontwikkeling van de informatietechnieken, wanneer maatregelen van opsporing, onderzoek en controle door de overheid en particuliere instellingen worden uitgevoerd bij het uitoefenen van hun functie of hun activiteit » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-4/2°, p. 3). In dat voorstel werd eveneens aangegeven dat de wetgever « het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven op geen enkele wijze mag uithollen; anders schendt hij niet alleen een grondwetsregel, maar ook internationale rechtsregels » (ibid.). Het recht op eerbiediging van het privéleven heeft een ruime draagwijdte en omvat, onder meer, de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke informatie. Onder meer de volgende gegevens en informatie betreffende personen vallen onder de bescherming van dat recht : de naam, het adres, de professionele activiteiten, de persoonlijke relaties, digitale vingerafdrukken, camerabeelden, foto’s, communicatiegegevens, DNA-gegevens, gerechtelijke gegevens (veroordeling of verdenking), financiële gegevens, informatie over bezittingen en medische gegevens (zie onder meer EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:1987:0326JUD000924881, §§ 47-48; grote kamer, 4 december 2008, S. en 22 Marper t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204, §§ 66-68; 13 oktober 2020, Frâncu t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2020:1013JUD006935613, § 51). B.22.
  36. Het recht op eerbiediging van het privéleven is evenwel niet absoluut. Artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, voor zover zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. De wetgever beschikt ter zake over een beoordelingsvrijheid. Die vrijheid is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, is vereist dat de wetgever een billijk evenwicht heeft ingesteld tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. B.22.
  37. Binnen de werkingssfeer van het recht van de Europese Unie waarborgen artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 7 van het Handvest analoge grondrechten (HvJ, grote kamer, 9 november 2010, C-92/09 en C-93/09, Volker und Markus Schecke GbR en Hartmut Eifert, ECLI:EU:C:2010:662), terwijl artikel 8 van dat Handvest specifiek de rechtsbescherming van persoonsgegevens beoogt. De bestaanbaarheid van een wetskrachtige bepaling met de artikelen 7 en 8 van het Handvest, in samenhang gelezen met artikel 22 van de Grondwet, kan slechts door het Hof worden onderzocht in zoverre de bestreden bepaling binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt (HvJ, grote kamer, 26 februari 2013, C-617/10, Åklagaren, ECLI:EU:C:2013:105, punten 17 e.v.), wat te dezen het geval is. B.22.
  38. De in de artikelen 7 en 8 van het Handvest verankerde grondrechten hebben evenmin een absolute gelding (HvJ, grote kamer, 16 juli 2020, C-311/18, Data Protection Commissioner, ECLI:EU:C:2020:559, punt 172). Overeenkomstig artikel 52, lid 1, eerste volzin, van het Handvest moeten beperkingen op de uitoefening van de daarin erkende rechten en vrijheden, waaronder met name het door 23 artikel 7 gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en het in artikel 8 ervan neergelegde recht op bescherming van persoonsgegevens, bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-623/17, Privacy International, ECLI:EU:C:2020:790, punt 64). B.22.
  39. Artikel 47 van het Handvest voorziet in een recht op een doeltreffende voorziening in rechte. B.22.
  40. De richtlijn (EU) 2016/680 stelt, op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en van politiële samenwerking, specifieke regels vast betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten « met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid », met inachtneming van de specifieke aard van die activiteiten (artikel 1, lid 1, van de richtlijn (EU) 2016/680). Zoals blijkt uit de artikelen 2, lid 1, en 9, leden 1 en 2, van de richtlijn (EU) 2016/680, uit de overwegingen 11, 12 en 34 ervan, uit artikel 2, lid 2, d), van de algemene verordening gegevensbescherming en uit overweging 19 ervan, valt de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten voor de in het voormelde artikel 1, lid 1, van de richtlijn (EU) 2016/680 vermelde doeleinden inzake strafrechtspleging onder die richtlijn en niet onder de algemene verordening gegevensbescherming. De binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallende verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan die inzake strafrechtspleging is daarentegen onderworpen aan de genoemde algemene verordening. B.22.
  41. De algemene verordening gegevensbescherming laat toe de draagwijdte van de bij die verordening vastgelegde rechten en verplichtingen te beperken, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van een reeks doelstellingen die vermeld zijn in artikel 23, lid 1, van dezelfde verordening. 24 B.23.
  42. Bij artikel 22 van de Grondwet wordt aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehouden om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven. Het waarborgt aldus aan elke burger dat geen inmenging in de uitoefening van dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Een delegatie aan een andere macht is evenwel niet in strijd met het wettigheidsbeginsel, voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld. Bijgevolg moeten de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens in de wet, het decreet of de ordonnantie zelf worden vastgelegd. In dat verband maken de volgende elementen, ongeacht de aard van de betrokken aangelegenheid, in beginsel essentiële elementen uit :
(1)de categorie van verwerkte gegevens,
(2)de categorie van betrokken personen,
(3)de met de verwerking nagestreefde doelstelling,
(4)de categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens en
(5)de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens. B.23.2. Naast de formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest, de verplichting op dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van persoonsgegevens in duidelijke en voldoende nauwkeurige bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging toestaat. Inzake de bescherming van de persoonsgegevens impliceert die vereiste van voorzienbaarheid dat voldoende precies moet worden bepaald in welke omstandigheden de verwerkingen van persoonsgegevens zijn toegelaten (EHRM, grote kamer, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2000:0504JUD002834195, § 57; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, voormeld, § 99). De vereiste dat de beperking bij wet dient te worden ingesteld, houdt met name in dat de rechtsgrond die de inmenging in die rechten toestaat, zelf de reikwijdte van de beperking van de uitoefening van het betrokken recht moet 25 bepalen (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-623/17, Privacy International, voormeld, punt 65). Derhalve moet eenieder een voldoende duidelijk beeld kunnen hebben van de verwerkte gegevens, de bij een bepaalde gegevensverwerking betrokken personen en de voorwaarden voor en de doeleinden van de verwerking. Ten aanzien van de grieven B.24. Het Hof onderzoekt de grieven van de verzoekende partij als volgt : 1. De procedure voor onderzoek van een aanvraag, voor intrekking en annulering van een reisautorisatie, en meer in het bijzonder :
  1. a)de procedure voor risicobeoordeling (artikelen 10 en 22 van de wet van 29 maart 2024);
  2. b)de procedure voor intrekking en annulering van een reisautorisatie (artikel 27 van de wet van 29 maart 2024); 2. Het invoeren van gegevens in de Etias-observatielijst (artikel 18 van de wet van 29 maart 2024); 3. Het raadplegen van het Etias-systeem voor repressieve doeleinden, en meer in het bijzonder :
  3. a)de beweerde mogelijkheid, voor bepaalde diensten, om het Etias-systeem te raadplegen voor repressieve doeleinden buiten de doelstellingen van de Etias-verordening (artikelen 13, 18, 41 en 42 van de wet van 29 maart 2024);
  4. b)de machtiging aan de Koning om een lijst van inbreuken naar nationaal recht op te stellen die beantwoorden aan de inbreuken naar Europees recht die een raadpleging van het Etias-systeem voor repressieve doeleinden rechtvaardigen (artikel 13, § 2, tweede lid, van de wet van 29 maart 2024); 26
  5. c)de onafhankelijkheid van het centraal toegangspunt (artikel 14 van de wet van 29 maart 2024); 4. De eigenlijke gegevensbescherming, en in het bijzonder :
  6. a)de termijn voor bewaring, door de nationale autoriteiten, van de gegevens uit het Etias- systeem voor repressieve doeleinden, en het strafrechtelijke karakter van de betrokken onderzoeken (artikel 16 van de wet van 29 maart 2024);
  7. b)de mededeling van gegevens uit het Etias-systeem aan derde landen (artikel 17 van de wet van 29 maart 2024);
  8. c)de middelen en de deskundigheid van de toezichthoudende autoriteiten (artikelen 30 en 31 van de wet van 29 maart 2024);
  9. d)de aanwijzing van de verwerkingsverantwoordelijke (artikel 32 van de wet van 29 maart 2024);
  10. e)het beroep tegen een weigering tot verbetering of verwijdering van gegevens (artikel 33 van de wet van 29 maart 2024); 5. De regeling van sancties die worden opgelegd voor inbreuken op de wet van 29 maart 2024 of op de Etias-verordening (artikel 35 van de wet van 29 maart 2024). 1. Wat betreft de procedure voor onderzoek van een aanvraag, voor intrekking en annulering van een reisautorisatie (artikelen 10, 22 en 27 van de wet van 29 maart 2024)
  11. a)De procedure voor risicobeoordeling (artikelen 10 en 22 van de wet van 29 maart 2024) 27 B.25.1. De verzoekende partij voert aan dat de wet van 29 maart 2024 niet voldoende nauwkeurig de doeleinden bepaalt waarmee persoonsgegevens worden verwerkt in het kader van de risicobeoordeling tijdens het onderzoek van een aanvraag voor een reisautorisatie. B.25.2. De bestreden artikelen 10 en 22 van de wet van 29 maart 2024 voorzien in de procedure voor beoordeling van de risico’s met betrekking tot een aanvrager door de secties NCCN en DVZ van de ENE, in het kader van een aanvraag voor een reisautorisatie die een of meerdere hits heeft opgeleverd bij de verwerking van het aanvraagdossier door het centrale Etias-systeem. De wet van 29 maart 2024 geeft geen definitie van de « risico’s » die worden beoordeeld, maar verwijst naar de definities van artikel 3 van de Etias-verordening (artikel 3 van de wet van 29 maart 2024). B.25.3. Artikel 3, lid 1, punt 6, van de Etias-verordening definieert een veiligheidsrisico als « het risico van een dreiging voor de openbare orde, de interne veiligheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten ». Artikel 3, lid 1, punt 7, van dezelfde verordening definieert een risico op het gebied van illegale immigratie als « het risico dat een onderdaan van een derde land niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang en verblijf als bepaald in artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399 ». Artikel 3, lid 1, punt 8, van de Etias-verordening definieert een hoog epidemiologisch risico als « elke potentieel epidemische ziekte als omschreven in de internationale gezondheidsregelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie of het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten indien voor die ziekten voorzien is in beschermende regelingen die van toepassing zijn op de onderdanen van de lidstaten ». B.25.4. Zoals is vermeld in B.4.1, stelt artikel 33 van de Etias-verordening de « Etias- screeningsregels » vast, bestaande uit een algoritme waarmee profilering mogelijk is door de gegevens van een aanvraagdossier te vergelijken met specifieke risico-indicatoren, vastgesteld door de centrale Etias-eenheid (artikel 33, lid 1). 28 Krachtens lid 2 van dezelfde bepaling stelt de Europese Commissie een uitvoeringshandeling vast tot nadere omschrijving van het veiligheidsrisico, het risico op het gebied van illegale immigratie of het hoog epidemiologisch risico. De Commissie dient zich daarbij te baseren op specifieke statistieken en op door de lidstaten verstrekte, met feitelijke en op bewijs gebaseerde elementen onderbouwde informatie. Krachtens lid 3 van dezelfde bepaling stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast met specificering van de risico’s waarop de centrale Etias-eenheid de specifieke risico-indicatoren dient te baseren. De specifieke risico-indicatoren dienen te bestaan uit een combinatie van gegevens, waaronder een of meer van de volgende : leeftijdsgroep, geslacht, nationaliteit, land en plaats van verblijf, niveau van opleiding en huidig beroep (artikel 33, lid 4). Die specifieke risico- indicatoren dienen gericht en evenredig te zijn, en mogen in geen geval gebaseerd zijn op uitsluitend geslacht of leeftijd, dan wel op informatie waaruit huidskleur, ras, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, politieke of andere denkbeelden, godsdienst of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakvereniging, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap of seksuele geaardheid af te leiden zijn (artikel 33, lid 5). Zij worden gedefinieerd, vastgesteld, vooraf beoordeeld, geïmplementeerd, achteraf geëvalueerd, herzien en gewist door de centrale Etias-eenheid, na raadpleging van de Etias-screeningsraad (artikel 33, lid 6). B.26.1. Zoals aangegeven in overweging 23 van de Etias-verordening kunnen die risico’s niet worden beoordeeld zonder verwerking van de in een reisautorisatieaanvraag op te geven persoonsgegevens. Krachtens artikel 56 van dezelfde verordening is de algemene verordening gegevensbescherming van toepassing wanneer de ENE’s gegevens verwerken bij de risicobeoordeling. B.26.2. Artikel 5, lid 1, b), van de algemene verordening gegevensbescherming bepaalt dat persoonsgegevens moeten worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden. B.26.3. De verzoekende partij houdt voor dat de in B.25.3 aangehaalde definitie van een « veiligheidsrisico » bijzonder ruim is en niet uitdrukkelijk beperkt is tot het risico dat een 29 aanvrager een terroristisch misdrijf of een ernstig strafbaar feit, zoals gedefinieerd bij artikel 3, lid 1, punten 15 en 16, van de Etias-verordening, pleegt,. In dat opzicht zij erop gewezen dat, zoals blijkt uit hetgeen is vermeld in B.25.4, het « veiligheidsrisico » nader dient te worden omschreven door de Europese Commissie overeenkomstig de in artikel 33 van de Etias-verordening bepaalde procedure, en dat de Commissie eveneens de risico’s dient te specificeren waarop de specifieke risico-indicatoren moeten worden gebaseerd. Die bepaling voorziet daarnaast in voorwaarden waaraan die indicatoren dienen te voldoen. De ruime omschrijving van het begrip « veiligheidsrisico » in artikel 3, lid 1, punt 6, van de Etias-verordening impliceert bijgevolg niet dat de betrokken instanties ter zake over een onbeperkte beoordelingsvrijheid beschikken. Overigens aanvaardt het Europees Hof voor de rechten van de mens, hoewel de vereiste van voorzienbaarheid van de wet eveneens geldt in het kader van de nationale veiligheid, dat het niveau aan duidelijkheid van de wet minder kan zijn in dat domein dan in andere domeinen (EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, voormeld, § 51; 8 juni 2006, Lupsa t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2006:0608JUD001033704, § 33). B.26.4. Aangezien artikel 3 van de wet van 29 maart 2024 naar de definities van artikel 3 van de Etias-verordening verwijst, vindt de door de verzoekende partij opgeworpen grief haar oorsprong in diezelfde verordening. B.26.5. Artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verleent het Hof van Justitie de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over zowel de uitlegging van de verdragen en van de handelingen van de instellingen van de Europese Unie als de geldigheid van die handelingen. Volgens de derde alinea ervan is een nationale rechterlijke instantie ertoe gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden, indien haar beslissingen – zoals die van het Grondwettelijk Hof – volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Wanneer er twijfel is over de interpretatie of de geldigheid van een bepaling van het recht van de Europese Unie die van belang is voor de oplossing van een voor een dergelijk nationaal rechtscollege hangend geschil, dient dat rechtscollege, zelfs ambtshalve, het Hof van Justitie prejudicieel te ondervragen. 30 Bijgevolg dient de in het dictum geformuleerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te worden gesteld. B.27.1. De verzoekende partij bekritiseert voorts het feit dat de wet van 29 maart 2024 de gedetacheerde leden van de sectie NCCN alsook de leden van de sectie DVZ zou toestaan om toegang te hebben tot de « nodige databanken » – zonder verdere precisering – om een advies te verstrekken of om aanvragen voor een reisautorisatie te beoordelen, zodat de wet van 29 maart 2024 niet zou beantwoorden aan de vereisten inzake voorzienbaarheid en wettigheid die zijn vastgelegd bij artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 7 en 8 van het Handvest. B.27.2. Artikel 10, § 1, tweede lid, van de wet van 29 maart 2024 bepaalt dat de gedetacheerde leden van de sectie NCCN « de andere informatiesystemen van de Europese Unie [kunnen] raadplegen, zoals bepaald in artikel 25bis van de Etias-verordening, alsook de nationale databanken die door hun respectieve diensten worden beheerd », indien nodig. Artikel 22 van dezelfde wet bepaalt dat de operationele medewerkers van de sectie DVZ « de andere informatiesystemen van de Europese Unie [kunnen] raadplegen, zoals bepaald in artikel 25bis van de Etias-verordening, alsook de databank die beheerd wordt door de Dienst Vreemdelingenzaken », indien nodig. B.27.3. Wat de andere informatiesystemen van de Europese Unie betreft, definieert artikel 3, lid 1, punt 28, van de Etias-verordening die « andere EU-informatiesystemen » als « het inreis-uitreissysteem (EES), ingesteld bij Verordening (EU) 2017/2226, het Visuminformatiesysteem (VIS), ingesteld bij Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad, het Schengeninformatiesysteem (SIS), ingesteld bij Verordeningen (EU) 2018/1860, (EU) 2018/1861 en (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad, Eurodac, ingesteld bij Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad en het Europees Strafregister Informatiesysteem – Onderdanen van derde landen (Ecris-TCN), ingesteld bij Verordening (EU) 2019/816 van het Europees Parlement en de Raad ». Die definities zijn ook van toepassing op de wet van 29 maart 2024 krachtens artikel 3, eerste lid, ervan. 31 Wat de nationale databanken betreft, verwijzen de bestreden bepalingen naar de databanken die worden beheerd door de diensten waarvan de gedetacheerde leden van de sectie NCCN afkomstig zijn of door de Dienst Vreemdelingenzaken, en dus naar databanken die geïdentificeerd of minstens identificeerbaar zijn. Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 10 en 22 van de wet van 29 maart 2024 de databanken die de gedetacheerde leden van de sectie NCCN en de operationele medewerkers van de sectie DVZ indien nodig kunnen raadplegen tijdens de procedure voor onderzoek van een aanvraag voor een reisautorisatie, op voldoende nauwkeurige wijze omschrijven. B.27.4. In zoverre het de artikelen 10 en 22 van de wet van 29 maart 2024 betreft, is het enige middel niet gegrond, onder voorbehoud van de grief die het voorwerp uitmaakt van de in B.26.5 vermelde prejudiciële vraag.
  12. b)De procedure tot intrekking en annulering van een reisautorisatie (artikel 27 van de wet van 29 maart 2024) B.28.1. De verzoekende partij doet gelden dat de wet van 29 maart 2024 de omstandigheden waarin de nationale autoriteiten een reeds toegekende reisautorisatie kunnen intrekken of annuleren niet voldoende nauwkeurig zou vaststellen, zodat de houders van een dergelijke autorisatie aan een permanent toezicht zouden kunnen worden onderworpen, of althans aan een gegevensverwerking die niet wettelijk afgebakend zou zijn. B.28.2. Het bestreden artikel 27 van de wet van 29 maart 2024 bepaalt : « Wanneer in het kader van de uitvoering van hun wettelijke opdrachten, de diensten bedoeld in artikel 6, 2°, en de Dienst Vreemdelingenzaken beschikken over informatie waaruit ten minste één reden voor annulering of intrekking van een reisautorisatie blijkt, zoals bedoeld in de artikelen 40, lid 1, en 41, lid 1, van de Etias-verordening, geven ze dit door aan de E.N.E. Als de betrokken persoon een geldige reisautorisatie heeft, wordt deze geannuleerd of ingetrokken door de sectie die krachtens artikel 5, § 1, bevoegd is ». De parlementaire voorbereiding van die bepaling preciseert : 32 « Dit artikel voert de artikelen 40, leden 1 en 2, en 41, leden 1 en 2, van de ETIAS- verordening uit. De autoriteiten die gehouden zijn om aan de E.N.E. de bewijzen mee te delen die toelaten om een reisautorisatie in te trekken of te annuleren, worden geïdentificeerd. Het gaat om de autoriteiten die kennis kunnen hebben van dergelijke informatie over een onderdaan van een derde Staat. Het is niet mogelijk om alle omstandigheden te voorzien in dewelke zij hier kennis van zouden kunnen hebben en daarom wordt verwezen naar de uitoefening van hun wettelijke opdrachten. In tegenstelling tot wat de GBA stelt in overweging 81 van haar advies, houdt deze verplichting geen permanente opvolging in van personen die over een geldige ETIAS beschikken. Deze gegevens zijn bovendien enkel beschikbaar en bijgewerkt in het ETIAS-informatiesysteem. Het is aan de E.N.E. om in dit systeem te verifiëren of de betrokken persoon inderdaad over een geldige reisautorisatie beschikt » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3886/001, p. 25). B.28.3. Gelezen in het licht van de parlementaire voorbereiding ervan, kan de bestreden bepaling niet in die zin worden begrepen dat zij de diensten waarvan de gedetacheerde leden van de sectie NCCN afkomstig zijn of de Dienst Vreemdelingenzaken verplicht om constant of periodiek toezicht uit te oefenen op de personen aan wie een reisautorisatie is toegekend. Enerzijds hebben die diensten en de Dienst Vreemdelingenzaken geen toegang tot de lijst van de personen die over een geldige reisautorisatie beschikken, zodat zij geen permanent toezicht op die personen kunnen uitoefenen. Anderzijds geven de bewoordingen « in het kader van de uitvoering van hun wettelijke opdrachten » aan dat de enige verplichting die de bestreden bepaling aan die diensten en aan de Dienst Vreemdelingenzaken oplegt, erin bestaat aan de ENE informatie door te geven waarvan zij kennis zouden hebben naar aanleiding van de uitvoering van hun wettelijke opdrachten, wanneer die informatie een annulering of intrekking van een reisautorisatie kan rechtvaardigen – los van de vraag of de persoon waarop die informatie betrekking heeft, al dan niet houder is van een reisautorisatie. Die inlichtingen zijn opgelijst in artikel 37, leden 1 en 2, van de Etias- verordening, waarnaar de artikelen 40 en 41 van dezelfde verordening verwijzen. De bestreden bepaling vertrouwt dus geen nieuwe opdracht toe aan de betrokken diensten of aan de Dienst Vreemdelingenzaken, afgezien van het doorgeven van bepaalde inlichtingen aan de ENE. De gegevensverwerking waarop de bestreden bepaling betrekking heeft, is overigens wettelijk vastgelegd en afgebakend door de wet van 29 maart 2024 en door de Etias- verordening zelf. 33 B.28.4. In zoverre het betrekking heeft op artikel 27 van de wet van 29 maart 2024, is het enige middel niet gegrond. 2. Wat het invoeren van gegevens in de Etias-observatielijst betreft (artikel 18 van de wet van 29 maart 2024) B.29.1. De verzoekende partij doet gelden dat het bestreden artikel 18 van de wet van 29 maart 2024 niet voorziet in enige voorwaarde of modaliteit voor het invoeren van gegevens in de Etias-observatielijst bedoeld in artikel 34 van de Etias-verordening, zodat het niet mogelijk zou zijn te weten vanaf wanneer iemands gegevens in die lijst worden opgenomen, hetgeen in strijd is met de beginselen van wettigheid en voorzienbaarheid die vervat zijn in artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.29.2. Artikel 18 van de wet van 29 maart 2024 bepaalt : « § 1. De gedetacheerde leden van de diensten bedoeld in artikel 6, 2°, a), c),
  13. d)en e), voeren in de observatielijst de gegevens in van de personen bedoeld in artikel 34, lid 1, van de Etias-verordening waarvan hun respectieve diensten kennis hebben gekregen bij de uitvoering van hun wettelijke opdrachten. § 2. De gegevens bedoeld in paragraaf 1 worden ingevoerd en bijgewerkt overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 35 van de Etias-verordening ». B.29.3. De memorie van toelichting bij die bepaling preciseert : « Dit artikel geeft uitvoering aan de artikelen 34 en 35 van de ETIAS-verordening die de voorwaarden vastleggen waaronder de diensten gegevens moeten opnemen in de observatielijst en deze moeten bijwerken. De diensten moeten beschikken over precieze informatie met betrekking tot verdachte personen, ontvangen in het kader van hun wettelijke opdrachten, en zich ervan verzekeren dat deze adequaat, nauwkeurig en voldoende belangrijk is. Dit betekent dat de gegevens geverifieerd werden, dat hun nauwkeurigheid gegarandeerd wordt en dat zij van dergelijke aard zijn dat zij de identificatie toelaten van een verdachte persoon die betrokken is bij een terroristisch misdrijf of een ernstig strafbaar feit, die onderdaan is van een derde land en die waarschijnlijk naar de EU zal reizen. De dienst moet rechtvaardigen dat het noodzakelijk is deze gegevens op te nemen in de observatielijst en moet de gevolgen van deze indiening evalueren met een evaluatie-instrument ontwikkeld door eu-LISA. De dienst moet ook verifiëren of de gegevens zich niet reeds in de 34 SIS-databank bevinden of dat zij hierin opgenomen moeten worden. Art. 34, lid 1, van de ETIAS-verordening preciseert ook welke gegevens opgenomen mogen worden. […] De betrokken diensten worden aangewezen en zullen aan hun respectieve gedetacheerden de gegevens communiceren die opgenomen moeten worden in de observatielijst. Deze laatsten moeten de gegevens eveneens bijwerken volgens de regels voorzien in artikel 35 van de verordening en de uitvoeringshandelingen voorzien in lid 7. Krachtens artikel 32, zijn de betrokken diensten verantwoordelijk voor deze verwerkingen » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3886/001, pp. 21-22). B.29.4. Artikel 34, lid 1, van de Etias-verordening, waarnaar artikel 18, § 1, van de wet van 29 maart 2024 verwijst, bepaalt : « De Etias-observatielijst bestaat uit gegevens over personen die worden verdacht van het plegen van of betrokkenheid bij een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit of over personen ten aanzien van wie er, op basis van een algemene beoordeling van de persoon, feitelijke aanwijzingen of redelijke vermoedens bestaan dat zij terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten zullen plegen. De Etias-observatielijst is een onderdeel van het centrale Etias-systeem ». B.29.5. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden bepaling de diensten waartoe de in de bestreden bepaling beoogde gedetacheerde leden van de sectie NCCN behoren, verplicht om aan laatstgenoemden alle inlichtingen door te geven die zijn verzameld bij de uitvoering van hun wettelijke opdrachten en die betrekking hebben op personen die worden verdacht van het plegen van of betrokkenheid bij een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit, of op personen ten aanzien van wie er feitelijke aanwijzingen of redelijke vermoedens bestaan dat zij zulk een misdrijf of strafbaar feit zullen plegen. Op basis daarvan hebben de gedetacheerde leden van de sectie NCCN de verplichting, en niet louter de mogelijkheid, om in de Etias- observatielijst de in artikel 34, lid 4, van de Etias-verordening limitatief opgesomde gegevens die betrekking hebben op die personen, op te nemen. De bestreden bepaling is bijgevolg voldoende voorzienbaar, aangezien elk in artikel 34, lid 4, van de Etias-verordening opgesomd gegeven dat betrekking heeft op een persoon bedoeld in artikel 34, lid 1, van dezelfde verordening, moet worden opgenomen in de observatielijst. B.29.6. Overigens, krachtens artikel 35 van de Etias-verordening, waarnaar het bestreden artikel 18, § 2, van de wet van 29 maart 2024 verwijst, moeten de gedetacheerde leden van de sectie NCCN, vooraleer zij gegevens invoeren in de Etias-observatielijst, een aantal aspecten 35 verifiëren, onder meer of de betrokken gegevens toereikend, nauwkeurig en belangrijk zijn. Zij moeten ook verifiëren of die gegevens overeenstemmen met een in SIS ingevoerde signalering, in welk geval zij niet in de observatielijst worden ingevoerd. Bovendien bepaalt artikel 19 van de wet van 29 maart 2024 dat de sectie NCCN een logbestand bijhoudt van de verrichtingen die verbonden zijn met het beheer van de observatielijst. Dat logbestand is toegankelijk voor de functionarissen voor gegevensbescherming van de betrokken diensten en voor de in B.15.3 vermelde bevoegde toezichthoudende autoriteiten. Het is dus mogelijk om de rechtmatigheid van de verwerking van de in de Etias-observatielijst opgenomen gegevens te controleren. B.29.7. Uit het voorgaande volgt dat de gegevensverwerking die verbonden is met het beheer van de Etias-observatielijst door de sectie NCCN van de ENE, zoals zij volgt uit artikel 18 van de wet van 29 maart 2024, is vastgelegd door een wettelijke bepaling die voldoende nauwkeurig, toegankelijk en voorzienbaar is, en dat zij met voldoende waarborgen is omringd. In zoverre het betrekking heeft op die bepaling, is het enige middel niet gegrond. 3. Wat betreft de raadpleging van het Etias-informatiesysteem voor repressieve doeleinden (artikelen 13, 14, 18, 41 en 42 van de wet van 29 maart 2024)
  14. a)De beweerde mogelijkheid, voor bepaalde diensten, om het Etias-systeem te raadplegen voor repressieve doeleinden buiten de doelstellingen van de Etias-verordening (artikelen 13, 18, 41 en 42 van de wet van 29 maart 2024) B.30.1. De verzoekende partij doet gelden dat de artikelen 13, 18, 41 en 42, van de wet van 29 maart 2024 de Etias-verordening zouden schenden omdat zij de Dienst Vreemdelingenzaken en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zouden machtigen om het centrale Etias-systeem te raadplegen voor repressieve doeleinden teneinde inbreuken op te sporen of te vervolgen die niet overeenstemmen met de doelstellingen van die verordening. Daaruit zou ook een mogelijkheid voortvloeien, voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, om gegevens in te voeren in de Etias-observatielijst buiten diezelfde doelstellingen om. 36 B.30.2. Krachtens artikel 50, lid 1, van de Etias-verordening wijzen de lidstaten de autoriteiten aan die bevoegd zijn om met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten, te verzoeken om raadpleging van de in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens. Artikel 13, § 1, eerste lid, van de wet van 29 maart 2024 bepaalt : « De diensten bedoeld in artikel 6, 2°, a), c), d),
  15. e)[lees : de politiediensten, de Veiligheid van de Staat, de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen] en de Dienst Vreemdelingenzaken kunnen, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, verzoeken om raadpleging van in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens voor repressieve doeleinden ». B.30.3. Wat de Dienst Vreemdelingenzaken betreft, bepaalt artikel 26, 7°, i), van de wet van 30 juli 2018, zoals het werd ingevoegd bij artikel 42 van de wet van 29 maart 2024, dat de Dienst Vreemdelingenzaken, bij de uitoefening van zijn repressieve bevoegdheden krachtens artikel 81 van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980), een « bevoegde overheid » is in de zin van titel 2 van de wet van 30 juli 2018, die betrekking heeft op de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door de bevoegde overheden met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid. Artikel 81, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 bepaalt : « De misdrijven tegen deze wet en tegen de artikelen 433quinquies tot 433octies en 433decies tot 433duodecies van het Strafwetboek worden opgespoord en vastgesteld door alle officieren van gerechtelijke politie, met inbegrip van diegenen wier bevoegdheid beperkt is, door de ambtenaren van de federale en van de lokale politie, door de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken en van het Bestuur der Douanen en Accijnzen, door de inspecteurs van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en van het Ministerie van Middenstand, alsmede door de inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ». In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij beweert, kan uit de combinatie van artikel 13 van de wet van 29 maart 2024, artikel 26, 7°, i), van de wet van 30 juli 2018 en 37 artikel 81, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 niet worden afgeleid dat de Dienst Vreemdelingenzaken het Etias-informatiesysteem zou mogen raadplegen om andere misdrijven op te sporen dan die welke een raadpleging van het Etias-informatiesysteem voor repressieve doeleinden die is toegestaan door artikel 50, lid 1, van de Etias-verordening, toelaten. Artikel 13, § 2, eerste lid, van de wet van 29 maart 2024 verduidelijkt immers : « Het raadplegingsverzoek is met redenen omkleed en vermeldt het specifieke terroristisch misdrijf of het specifieke ernstig strafbaar feit in kwestie met het oog op de door het centraal toegangspunt uit te voeren verificaties bedoeld in artikel 14, § 1 ». Een coherente lezing van de wet van 29 maart 2024 impliceert dat een raadpleging van het Etias-informatiesysteem voor repressieve doeleinden door de Dienst Vreemdelingenzaken enkel kan worden overwogen in het kader van het voorkomen, opsporen of onderzoeken van de misdrijven waarvoor de Dienst Vreemdelingenzaken bevoegd is, voor zover zij overeenstemmen met een terroristisch misdrijf of een ernstig strafbaar feit zoals zij gedefinieerd zijn bij artikel 3, lid 1, punten 15 en 16, van de Etias-verordening. Uit het voorgaande volgt dat de Dienst Vreemdelingenzaken enkel een raadpleging van het Etias-informatiesysteem voor repressieve doeleinden kan aanvragen wanneer hij misdrijven vastgelegd in de artikelen 433quinquies tot 433octies van het Strafwetboek opspoort, namelijk misdrijven die verbonden zijn aan mensenhandel, zoals de wetgever verduidelijkt : « De mogelijkheid tot raadpleging is voor de Dienst Vreemdelingenzaken op grond van artikel 81 van de wet van 15 december 1980 enkel mogelijk voor de misdrijven bedoeld in artikel 90ter, § 2, 22°, van het Wetboek van strafvordering (mensenhandel) » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3886/001, p. 18). B.30.4. Om soortgelijke redenen kunnen de diensten bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, van de wet van 29 maart 2024 enkel toegang hebben tot het Etias-informatiesysteem om repressieve doeleinden teneinde een terroristisch misdrijf of een ernstig strafbaar feit zoals gedefinieerd in de Etias-verordening, te voorkomen of op te sporen. Overigens verplicht het bestreden artikel 18 van de wet van 29 maart 2024 de gedetacheerde leden van de sectie NCCN om gegevens in te voeren in de Etias-observatielijst overeenkomstig artikel 34 van de Etias-verordening, dus enkel wat de in lid 1 van dezelfde bepaling vermelde personen betreft. Het staat bijgevolg vast dat de inlichtingen- en 38 veiligheidsdiensten geen gegevens kunnen invoeren in de Etias-observatielijst buiten de doelstellingen van de Etias-verordening om. B.30.5. Aangezien het berust op een verkeerde interpretatie van de bestreden bepalingen, is het enige middel niet gegrond in zoverre het gericht is tegen de artikelen 13, 18, 41 en 42 van de wet van 29 maart 2024.
  16. b)De machtiging aan de Koning om een lijst vast te stellen van de inbreuken naar nationaal recht die beantwoorden aan de inbreuken haar Europees recht die een raadpleging van het Etias-systeem voor repressieve doeleinden rechtvaardigen (artikel 13, § 2, tweede lid, van de wet van 29 maart 2024). B.31.1. De verzoekende partij voert aan dat artikel 13, § 2, tweede lid, van de wet van 29 maart 2024 niet zelf de inbreuken naar Belgisch recht bepaalt die beantwoorden aan de terroristische misdrijven en ernstige strafbare feiten zoals gedefinieerd bij artikel 3, lid 1, punten 15 en 16, van de Etias-verordening, en die een raadpleging van het centrale Etias- systeem voor repressieve doeleinden rechtvaardigen. De bestreden bepaling zou aldus het wettigheidsbeginsel dat is verankerd in artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 7 en 8 van het Handvest schenden, in zoverre zij zich ertoe beperkt de Koning te machtigen om een lijst van die inbreuken vast te stellen. B.31.2. Artikel 13, § 2, tweede lid, van de wet van 29 maart 2024 bepaalt : « De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken of Justitie, een lijst op van inbreuken die beantwoorden aan de definities vermeld in artikel 3, punten 15 en 16, van de Etias-verordening, om een referentiekader te bieden aan de betrokken diensten. De lijst wordt minstens driejaarlijks geëvalueerd en, in voorkomend geval, geactualiseerd ». De parlementaire voorbereiding van die bepaling preciseert : « In haar Advies (overwegingen 92-94) raadt de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna ‘ GBA ’) aan dat het wetsontwerp de relevante inbreuken op Belgisch recht betreffende zware criminaliteit, identificeert. Niettemin is het noch haalbaar noch wenselijk om op één bepaald 39 ogenblik een lijst op te stellen van inbreuken op Belgisch recht die zowel overeenkomen met een van de vele categorieën van inbreuken die bedoeld worden als met de vereiste drempel van ernst. De ernst van een bepaalde inbreuk hangt inderdaad vaak af van de omstandigheden van de zaak. Ook riskeert zo’n lijst snel verouderd te zijn. Het verdient de voorkeur dat de operationele eenheid die het verzoek indient, op het ogenblik van indiening van elk raadplegingsverzoek voor repressieve doeleinden, de specifieke inbreuk in kwestie in het verzoek aangeeft, zoals voorzien wordt in artikel 13, § 2, van het ontwerp. Zo kan het centraal toegangspunt er de ernst van beoordelen wanneer hij verifieert of de toegang noodzakelijk is voor deze doelstelling (voorkoming, opsporing, onderzoek of de vervolging van deze inbreuk), zoals voorzien in artikel 14, § 1. Voor meer duidelijkheid hierrond, werd artikel 14, § 2, echter aangepast. Er wordt desalniettemin gepland om aan de betrokken autoriteiten een handig referentiekader te geven in de vorm van een [concordantietabel] tussen de inbreuken gedefinieerd in de Etias-Verordening en de inbreuken voorzien in het nationaal recht. Aangezien in dit opzicht meerdere ministers betrokken zijn, wordt hiervoor een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit voorzien. De leidend ambtenaar van de E.N.E. sectie NCCN verzekert in dit opzicht de administratieve coördinatie met de bevoegde autoriteiten. Hun expertise alsook die van de ministers [onder] wiens bevoegdheid zij vallen is inderdaad nodig om alle relevante inbreuken naar nationaal recht te identificeren. Het feit dat deze lijst gepubliceerd zal worden verzekert de nodige transparantie naar de burger en zal de toezichtsopdrachten van de DPO en de bevoegde gegevensbeschermingsautoriteiten vergemakkelijken » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3886/001, p. 19). B.31.3. Artikel 3, lid 1, punten 15 en 16, van de Etias-verordening bepaalt : « 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder : […] 15. ‘ terroristische misdrijf ’ : strafbaar feit dat overeenkomt met of gelijkwaardig is aan een van de in Richtlijn (EU) 2017/541 [van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 ‘ inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad ’ (hierna : de richtlijn (EU) 2017/541)] bedoelde misdrijven; 16. ‘ ernstige strafbaar feit ’ : strafbaar feit dat overeenkomt met of gelijkwaardig [is] aan een van de in artikel 2, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ [van de Raad van 13 juni 2002 ‘ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten ’ (hierna : het kaderbesluit 2002/584/JBZ)] bedoelde strafbare feiten, indien het naar nationaal recht strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximumduur van ten minste drie jaar ». B.31.4. De richtlijn (EU) 2017/541, waarnaar artikel 3, lid 1, punt 15, van de Etias- verordening verwijst, stelt een lijst van strafrechtelijke misdrijven vast die een « terroristisch misdrijf » kunnen vormen indien zij worden gepleegd om een bevolking ernstige vrees aan te jagen, een overheid of internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen een 40 handeling te verrichten of na te laten, of de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen (artikel 3, lid 2, van de richtlijn (EU) 2017/541). Artikel 137 van het Strafwetboek van 1867 en artikel 371 van het nieuwe Strafwetboek omschrijven nauwkeurig, naar Belgisch recht, de misdrijven die als terroristische misdrijven kunnen worden gekwalificeerd. Volgens artikel 3, lid 1, punt 16, van de Etias-verordening zijn « ernstige strafbare feiten » strafbare feiten naar nationaal recht die strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf met een maximumduur van ten minste drie jaar en die overeenkomen met of gelijkwaardig zijn aan een van de in artikel 2, lid 2, van het kaderbesluit 2002/584/JBZ opgelijste strafbare feiten, dat wil zeggen deelneming aan een criminele organisatie, terrorisme, mensenhandel, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, illegale handel in wapens, munitie en explosieven, corruptie, fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, witwassen van opbrengsten van misdrijven, vervalsing met inbegrip van namaak van de euro, informaticacriminaliteit, milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde planten- en boomsoorten, hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf, moord en doodslag, zware mishandeling, illegale handel in menselijke organen en weefsels, ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling, racisme en vreemdelingenhaat, georganiseerde of gewapende diefstal, illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen, oplichting, racketeering en afpersing, namaak van producten en productpiraterij, vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten, vervalsing van betaalmiddelen, illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars, illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen, handel in gestolen voertuigen, verkrachting, opzettelijke brandstichting, misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen, kaping van vliegtuigen/schepen en sabotage. Krachtens artikel 3 van de wet van 29 maart 2024 zijn die definities van toepassing op die wet. B.31.5. Zoals is vermeld in B.23.1, waarborgt artikel 22 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende 41 vergadering, zij het dat een delegatie aan een andere macht mogelijk blijft voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld. B.31.6. Uit de bewoordingen van artikel 13, § 2, tweede lid, van de wet van 29 maart 2024 blijkt dat de machtiging aan de Koning beperkt is tot het opstellen van een lijst van inbreuken naar nationaal recht die beantwoorden aan de « terroristische misdrijven » of « ernstige strafbare feiten », zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punten 15 en 16, van de Etias- verordening. De mogelijkheid van toegang tot de in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens voor repressieve doeleinden hangt weliswaar af van de kwalificatie naar Belgisch recht van de betrokken inbreuken. Door echter uitdrukkelijk te verwijzen naar de definities van de betrokken inbreuken waarin de Etias-verordening voorziet, heeft de wetgever de betrokken categorieën van inbreuken vastgesteld, en dus de essentiële elementen die in acht moeten worden genomen bij het opstellen van de concordantietabel met de inbreuken die in de Etias- verordening zijn gedefinieerd en de inbreuken waarin het nationale recht voorziet, zodat de beleidsruimte van de Koning door die definities wordt begrensd. Die concordantietabel zal worden opgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en zal worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Zij zal op die manier dezelfde openbaarheid genieten als de wet van 29 maart 2024 die de essentiële elementen ervan vaststelt. Dat koninklijk besluit zal het bijgevolg mogelijk maken om nauwkeurig te voorzien welke inbreuken naar nationaal recht de aangewezen autoriteiten toelaten om het centrale Etias-systeem te raadplegen voor repressieve doeleinden. In voorkomend geval zullen de bevoegde rechtscolleges moeten nagaan of het gebruik van die machtiging door de Koning in overeenstemming is met artikel 3, lid 1, punten 15 en 16, van de Etias-verordening alsook met de in het middel aangevoerde grondwets- en verdragsbepalingen. B.31.7. Voor het overige zijn de essentiële elementen van de verwerking van de persoonsgegevens vastgesteld in de wet of in de Etias-verordening. De categorieën van gegevens die in het centrale Etias-systeem worden bewaard, zijn onder meer vastgelegd bij artikel 17 van de Etias-verordening; de categorieën van personen die bij de verwerking betrokken zijn, zijn verbonden aan het toepassingsgebied van diezelfde verordening, dat is 42 vastgelegd bij artikel 2 ervan; de doeleinden die met de verwerking worden nagestreefd, met inbegrip van de betrokken categorieën van strafbare feiten, worden gepreciseerd door zowel de definities van artikel 3 van de Etias-verordening als de doelstellingen van Etias die zijn opgelijst in artikel 4 van die verordening; de categorie van personen die toegang heeft tot de verwerkte gegevens, is vastgesteld door zowel artikel 50 van de Etias-verordening als artikel 13, § 1, van de wet van 29 maart 2024; de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens door de nationale autoriteiten in het kader van een toegang tot het Etias-systeem voor repressieve doeleinden, is vastgesteld door zowel artikel 70, lid 4, van de Etias-verordening als het bestreden artikel 16 van de wet van 29 maart 2024. B.31.8. Bovendien, door de betrokken autoriteiten te verplichten om hun verzoek voor een raadpleging van het centrale Etias-systeem voor repressieve doeleinden te motiveren, meer bepaald door het specifieke terroristisch misdrijf of het specifieke ernstig strafbaar feit te vermelden, maakt het niet-bestreden artikel 13, § 2, eerste lid, van de wet van 29 maart 2024 een voorafgaande controle mogelijk van de rechtmatigheid van dat raadplegingsverzoek door het centrale Etias-toegangspunt. Een controle achteraf van de rechtmatigheid van datzelfde raadplegingsverzoek is overigens mogelijk door de in B.15.3 vermelde toezichthoudende autoriteiten. B.31.9. In zoverre het gericht is tegen artikel 13, § 2, tweede lid, van de wet van 29 maart 2024, is het enige middel niet gegrond.
  17. c)De onafhankelijkheid van het centraal toegangspunt (artikel 14 van de wet van 29 maart 2024) B.32.1. De verzoekende partij voert aan dat artikel 14 van de wet van 29 maart 2024 de onafhankelijkheid van het centraal toegangspunt bedoeld in artikel 50, lid 2, van de Etias- verordening niet op afdoende wijze waarborgt, aangezien die bepaling de sectie NCCN van de ENE aanwijst als centraal toegangspunt. Die sectie is echter deels samengesteld uit leden die afkomstig zijn van de diensten waarvan het centraal toegangspunt wordt geacht de toegang tot het centrale Etias-systeem voor repressieve doeleinden te controleren. B.32.2. Artikel 14, § 1, van de wet van 29 maart 2024 bepaalt : 43 « De dienst van de operationele medewerkers van de sectie NCCN vervult de functie van centraal toegangspunt bedoeld in artikel 50, lid 2, van de Etias-verordening en verifieert in volledige onafhankelijkheid of de toegangsvoorwaarden bedoeld in artikel 52, lid 1, van de genoemde verordening vervuld zijn ». B.32.3. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij stelt, is het dus niet de sectie NCCN van de ENE die wordt aangewezen als centraal toegangspunt, maar wel de dienst van de operationele medewerkers van die sectie. Die dienst staat onder het gezag van de leidend ambtenaar en is duidelijk onderscheiden van de gedetacheerde leden van de sectie NCCN. Bijgevolg zijn, binnen de sectie zelf, de personen die gedetacheerd zijn door de diensten die kunnen verzoeken om raadpleging van het centrale Etias-systeem voor repressieve doeleinden, niet dezelfde als die welke de regelmatigheid ervan verifiëren. B.32.4. De verzoekende partij zet voor het overige niet uiteen in welk opzicht de aanwijzing van de dienst van de operationele medewerkers van de sectie NCCN van de ENE als centraal toegangspunt, onvoldoende waarborgen biedt voor de onafhankelijkheid van laatstgenoemde. B.32.5. Het enige middel, dat op een onjuiste lezing van de bestreden bepaling berust, is niet gegrond in zoverre het gericht is tegen artikel 14, § 1, van de wet van 29 maart 2024. 4. Wat de eigenlijke gegevensbescherming betreft (artikelen 16, 17, 31, 32 en 33 van de wet van 29 maart 2024)
  18. a)De termijn voor het bewaren, door de nationale autoriteiten, van de gegevens die voortkomen uit de raadpleging van het Etias-systeem voor repressieve doeleinden, en het strafrechtelijke karakter van de betrokken onderzoeken (artikel 16 van de wet van 29 maart 2024) B.33.1. De verzoekende partij doet gelden dat artikel 16 van de wet van 29 maart 2024 de ter ondersteuning van het middel aangevoerde grondwets- en verdragsbepalingen, in samenhang gelezen met artikel 54 van de Etias-verordening, zou schenden, aangezien het in een bewaartermijn van één maand voorziet na de doorgifte van de gegevens aan de autoriteiten 44 die erom hebben verzocht voor repressieve doeleinden, tenzij de gegevens nog noodzakelijk zijn voor het onderzoek waarvoor zij werden opgevraagd. Bovendien zou de bestreden bepaling, door het woord « strafrechtelijk » weg te laten met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de doelstellingen van de Etias-verordening te buiten gaan. B.33.2. Artikel 54 van de Etias-verordening stelt de regels vast voor de bewaring van de in de aanvraagdossiers geregistreerde gegevens binnen het centrale Etias-systeem. Het betreft niet de bewaring, door de aangewezen nationale autoriteiten, van de gegevens die hun voor repressieve doeleinden zijn doorgegeven. B.33.3. Artikel 70 van de Etias-verordening verplicht de lidstaten om logbestanden bij te houden van alle gegevensverwerkingen die in het centrale Etias-systeem zijn verricht naar aanleiding van een verzoek tot raadpleging van in het centrale Etias-systeem bewaarde gegevens voor repressieve doeleinden, of naar aanleiding van de toegang tot zulke gegevens. Artikel 70, lid 4, van dezelfde verordening preciseert : « [Die] logbestanden worden uitsluitend gebruikt om de ontvankelijkheid van het verzoek te controleren, de rechtmatigheid van de gegevensverwerking te monitoren en de gegevensintegriteit en -beveiliging te waarborgen. […] De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de bevoegde nationale toezichthoudende autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het monitoren van de rechtmatigheid van de gegevensverwerking en de gegevensintegriteit en -beveiliging, krijgen op hun verzoek toegang tot de logbestanden om hun taken te kunnen vervullen. De autoriteit die verantwoordelijk is voor het controleren van de ontvankelijkheid van het verzoek, heeft voor dat doel ook toegang tot de logbestanden. Behalve voor die doeleinden worden de persoonsgegevens na één maand uit alle nationale en Europol-bestanden gewist indien deze gegevens niet vereist zijn voor het specifieke lopende strafrechtelijke onderzoek in het kader waarvan die lidstaat of Europol om de gegevens heeft verzocht. Alleen logbestanden die geen persoonsgegevens bevatten, mogen worden gebruikt voor monitoring en evaluatie in de zin van artikel 92 ». B.33.4. Het bestreden artikel 16 van de wet van 29 maart 2024 bepaalt : « Persoonsgegevens die aan de Dienst Vreemdelingenzaken en de diensten bedoeld in artikel 6, 2°,
  19. a)en e), werden doorgegeven, worden één maand na de doorgifte uit de nationale bestanden gewist, tenzij zij nog noodzakelijk zijn voor het strafrechtelijk onderzoek waarvoor zij werden opgevraagd. Persoonsgegevens die aan de diensten bedoeld in artikel 6, 2°,
  20. c)en d), werden doorgegeven, worden één maand na de doorgifte uit de nationale bestanden gewist, tenzij zij nog noodzakelijk zijn voor het specifieke onderzoek waarvoor zij werden opgevraagd. 45 Als de gegevens nog noodzakelijk zijn voor een onderzoek, wordt de bewaartermijn van de gegevens bepaald door de specifieke regels die van toepassing zijn op elke dienst ». De memorie van toelichting bij die bepaling preciseert : « Artikel 16 heeft tot doel de bewaartermijn vast te stellen van uit het centrale systeem geëxporteerde gegevens die na een verzoek om raadpleging aan de diensten zijn toegezonden. Art. 70, lid 4, van de ETIAS-Verordening bepaalt immers dat indien de doeleinden waarvoor de verzonden persoonsgegevens (die in de hier bedoelde logbestanden worden vermeld) worden bewaard, geen betrekking hebben op de controle van de verwerkingen, deze gegevens na één maand uit de nationale bestanden moeten worden gewist, tenzij zij nog steeds noodzakelijk zijn voor het specifieke strafrechtelijke onderzoek waarvoor zij werden opgevraagd. […] Indien de gegevens die door de diensten ontvangen werden nog noodzakelijk zijn omdat een onderzoek na één maand nog lopende is, moet de bewaringstermijn van de gegevens in overeenstemming zijn met de bewaringsregels die van toepassing zijn op elke dienst » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3886/001, pp. 20-21). B.33.5. Wat betreft de duur voor het bewaren van de gegevens uit het centrale Etias- systeem door de nationale autoriteiten, voorzien zowel artikel 70, lid 4, van de Etias- verordening als artikel 16 van de wet van 29 maart 2024 in een periode van één maand vanaf de doorgifte van die gegevens, tenzij zij nog noodzakelijk zijn voor het lopende onderzoek dat het raadplegingsverzoek heeft gemotiveerd. B.33.6. Wat meer in het bijzonder het weglaten van de term « strafrechtelijk » in artikel 16, tweede lid, van de wet van 29 maart 2024 betreft, preciseert de memorie van toelichting : « In artikel 16, wat betreft de inlichtingendiensten, wordt de term ‘ strafrechtelijk ’ niet hernomen omdat zij geen strafrechtelijk onderzoek stricto sensu voeren, maar wel, in het kader van het voorkomen en opsporen van bepaalde inbreuken die onder hun bevoegdheid vallen, vooronderzoeken kunnen doen voorafgaand aan een strafrechtelijke procedure » (ibid., p. 21). In dat verband dient in herinnering te worden gebracht « dat de doelstellingen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, op het vlak van het gerechtelijk werk, fundamenteel verschillen van die van de politiediensten » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1053/1, p. 12). 46 Volgens de parlementaire voorbereiding is het werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten immers veeleer analytisch van aard en erop gericht inzicht te verwerven in de structuren en de netwerken die in België voorkomen, terwijl de gerechtelijke en politionele autoriteiten steeds bewijzen zoeken in verband met een (al dan niet reeds gepleegd) concreet strafbaar feit. Derhalve wordt het strafonderzoek steeds gevoerd met het oog op het opsporen en het vervolgen van misdrijven die door welbepaalde personen, hetzij zijn gepleegd, hetzij zullen worden gepleegd of reeds zijn gepleegd maar nog niet aan het licht zijn gekomen, terwijl een inlichtingenonderzoek strekt tot het verzamelen van informatie omtrent een reeks gebeurtenissen, die niet per se strafbare feiten betreffen, doch een gevaar kunnen betekenen voor de veiligheid van de Staat of de militaire of fundamentele belangen van het land (ibid.). De onderscheiden opdrachten vertalen zich in de duidelijk verschillende aard van de in de beide types van onderzoek verzamelde gegevens. De zoektocht naar informatie in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek is erop gericht bewijselementen te verzamelen met betrekking tot een misdrijf, die op een effectieve wijze bruikbaar zijn in een strafprocedure voor de rechter ten gronde. De gegevens die de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verzamelen, strekken niet ertoe een rechter ten gronde te overtuigen van de strafrechtelijke « schuld » van ee

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.