← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.163

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 december 2025 ECLI n

de rechtspositie van de gedetineerden », zoals ingevoegd door artikel 107 van de wet van 15 mei 2024) - Verwerping van het beroep voor het overige (onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.11.2

B.32) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 105, 106

107 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie

diverse bepalingen II », ingesteld door de vzw « Liga voor Mensenrechten ». Strafrecht - Gevangeniswezen - Rechtspositie van de gedetineerden - Veiligheid - Plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime (IBVR) - Procedurele waarborgen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 163/2025 van 4 december 2025 Rolnummer : 8370 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 105, 106

107 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie

diverse bepalingen II », ingesteld door de vzw « Liga voor Mensenrechten ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen

Pierre Nihoul,

de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin

Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep

rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 november 2024 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 28 november 2024, heeft de vzw « Liga voor Mensenrechten », bijgestaan

vertegenwoordigd door mr. Ward Reniers, advocaat bij de balie te Brussel,

door mr. Gilles Vankersschaever, advocaat bij de balie te Gent, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 105, 106

107 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie

diverse bepalingen II » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 mei 2024). De Ministerraad, bijgestaan

vertegenwoordigd door mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend

de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 24 september 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters

Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst 2 van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend,

dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten

de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen

kel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte –A– Ten aanzien van het voorwerp van het beroep A.1. De Ministerraad laat gelden dat het beroep tot vernietiging onontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen artikel 117, §§ 1

3, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen

de rechtspositie van de gedetineerden » (hierna : de Basiswet), zoals ingevoerd door artikel 105 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie

diverse bepalingen II » (hierna : de wet van 15 mei 2024). Die paragrafen zijn immers een loutere herneming van het eerste

het tweede lid van artikel 117 van de Basiswet zoals die golden vóór de wijziging bij artikel 105 van de wet van 15 mei 2024. Het beroep tot vernietiging is bijgevolg

kel ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen artikel 117, § 2, van de Basiswet, zoals ingevoerd door artikel 105 van de wet van 15 mei

  1. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.
  2. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending, door artikel 105 van de wet van 15 mei 2024, van de artikelen 10, 11

22 van de Grondwet, de artikelen 8

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 2, 17

26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten

de artikelen 7, 20, 21

52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest). A.3.1. Het eerste onderdeel is gericht tegen de twee bijkomende maatregelen die in het kader van de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime (hierna : het IBVR) ten aanzien van bepaalde categorieën van gedetineerden kunnen worden genomen, namelijk de permanente observatie door middel van een camera

de uitsluiting van het recht op bezoek

/of van het recht op ongestoord bezoek van alle of sommige bezoekers. Ten eerste is de bestreden bepaling volgens de verzoekende partij onvoldoende precies. Zo wordt niet verduidelijkt waarom de categorie van gedetineerden die het voorwerp van die bijkomende maatregelen kunnen uitmaken, namelijk de gedetineerde die banden heeft met de georganiseerde misdaad

die verdacht wordt van of veroordeeld is voor een overtreding van artikel 2bis, § 4, b), van de wet van 24 februari 1921 « betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen

verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen

antiseptica

van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen

psychotrope stoffen » of voor het misdrijf bedoeld in artikel 324ter, § 4, van het Strafwetboek, een veiligheidsrisico vormt. De omstandigheid dat er volgens de Ministerraad steeds een beoordeling in concreto is vereist, overtuigt de verzoekende partij niet, als het niet de directeur van de penitentiaire inrichting, die de gedetineerde kan observeren, maar de directeur-generaal van de penitentiaire administratie is die de maatregel oplegt. Bovendien heeft noch de gedetineerde noch de Beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen (hierna : de Beroepscommissie) inzage in de bewijsstukken op basis waarvan de beslissing wordt of werd genomen. Voorts is het onduidelijk of de gedetineerde handelingen moet hebben gesteld om het voorwerp van de bijkomende maatregelen te kunnen uitmaken. Tevens zijn die twee bijkomende maatregelen niet 3 pertinent. De wetgever toont niet aan waarom het bestaande veiligheidsregime niet volstaat om aan zijn bezorgdheden tegemoet te komen, in het bijzonder ten aanzien van personen die in hechtenis zijn geplaatst

die dus louter verdacht worden van die feiten, maar nog niet zijn veroordeeld. Artikel 117, § 2, van de Basiswet moet bijgevolg worden vernietigd. Minstens moeten de woorden « verdacht wordt van of » worden vernietigd. A.3.2. Volgens de Ministerraad beantwoordt artikel 105 van de wet van 15 mei 2024 aan de vereisten van nauwkeurigheid

voorzienbaarheid. De bestreden maatregelen kunnen

kel ten aanzien van een specifieke categorie van gedetineerden worden genomen

indien uit concrete omstandigheden blijkt dat die gedetineerden een reëel

ernstig risico vormen voor de veiligheid vanwege hun banden met de georganiseerde misdaad. Er is derhalve steeds een beoordeling in concreto vereist. Voorts zijn de waarborgen waarin de artikelen 105, 116, § 2,

118, § 3/1, tweede lid, van de Basiswet voorzien, van toepassing op het nieuwe IBVR. Er gelden ook procedurele waarborgen, zoals de verplichting voor de directeur-generaal om de concrete omstandigheden of houdingen mee te delen aan de gedetineerde, de beperking in de tijd van de bijkomende maatregelen

de mogelijkheid van een jurisdictionele toetsing door de Beroepscommissie. Anders dan de verzoekende partij aanvoert, kan de Beroepscommissie wel degelijk inzage hebben in de bewijsstukken op basis waarvan de directeur- generaal zijn beslissing heeft genomen. Indien evenwel de gedetineerde inzage zou kunnen hebben, zou dat de veiligheid ernstig in het gedrang kunnen brengen. Eveneens anders dan de verzoekende partij aanvoert, volgt uit artikel 118, § 3/1, van de Basiswet ondubbelzinnig dat het voor de toepassing van de bijkomende maatregelen niet vereist is dat de gedetineerde handelingen heeft gesteld. Daar ook verdachten een ernstig

reëel risico voor de veiligheid kunnen uitmaken, is het pertinent dat artikel 117, § 2, van de Basiswet geen onderscheid maakt tussen verdachten

veroordeelden. Het vorige regime maakte overigens evenmin een dergelijk onderscheid. Bovendien zijn de bijkomende maatregelen geen straffen, maar veiligheidsmaatregelen. A.4.1. De verzoekende partij bekritiseert in een tweede onderdeel het verschil in behandeling dat artikel 105 van de wet van 15 mei 2024 in het leven roept tussen gedetineerden die vallen onder de vroegere regeling van artikel 117 van de Basiswet

de gedetineerden die vallen onder de nieuwe regeling. Volgens de verzoekende partij bestaat er voor dat verschil in behandeling geen redelijke verantwoording. Ten eerste wordt niet verantwoord waarom de gedetineerden die onder de regeling van artikel 117, § 2, van de Basiswet vallen, worden uitgesloten van de waarborgen waarin in artikel 116 van de Basiswet voorziet. Ten tweede is er geen redelijke verantwoording waarom artikel 117, § 2, van de Basiswet verdachten

veroordeelden op een identieke wijze behandelt, hoewel zij zich in een verschillende situatie bevinden. Ten derde beschikt een verdachte die onder de nieuwe regeling valt, niet over rechterlijke waarborgen, waarover een verdachte ten aanzien van wie op grond van artikel 20, § 3, van de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis » (hierna : de wet van 20 juli 1990) een vrijheidsbeperkende maatregel werd genomen, wel beschikt. Zo wordt in dat laatste geval de maatregel genomen door de onderzoeksrechter

kan tegen die maatregel een beroep worden ingesteld bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis (artikel 20, § 6, van de wet van 20 juli 1990). Het specifieke IBVR wordt daarentegen opgelegd door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie

daartegen kan

kel een beroep worden ingesteld bij de Beroepscommissie, die geen rechterlijke instantie is. A.4.2. De Ministerraad laat gelden dat de gedetineerden die onder de regeling van artikel 117, § 2, van de Basiswet vallen, de waarborgen genieten waarin artikel 116, § 2, van de Basiswet voorziet. Artikel 118, § 3/1, van de Basiswet bepaalt immers

kel dat het nieuwe veiligheidsregime wordt opgelegd « in afwijking van artikel 116, § 1 » van de Basiswet. Er wordt dus

kel afgeweken van artikel 116, § 1, van de Basiswet, hetgeen impliceert dat het nieuwe veiligheidsregime kan worden geactiveerd zonder dat het proces van het opleggen van controlemaatregelen of bijzondere veiligheidsmaatregelen moet worden doorlopen. Dat laatste wordt verantwoord door het feit dat de betrokken gedetineerden een risico vormen voor zowel de interne veiligheid van de inrichting als voor de maatschappij in haar geheel,

door het feit dat het nieuwe regime steunt op een externe bron, namelijk het advies van de veiligheidsdiensten of van het federaal parket. Om de redenen vermeld in A.3.2, is het pertinent dat de wetgever geen onderscheid heeft gemaakt tussen verdachten

veroordeelden. Ten slotte gaat de verzoekende partij eraan voorbij dat de Beroepscommissie een administratief rechtscollege is. Wat betreft het tweede middel A.5. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending, door artikel 105 van de wet van 15 mei 2024, van de artikelen 10, 11

22 van de Grondwet, de artikelen 3, 8

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 2, 17

26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten

de artikelen 7, 20, 21

52 van het Handvest. 4 A.6.1. In het eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de permanente observatie door middel van een camera die als bijkomende maatregel in het kader van de plaatsing in een IBVR kan worden genomen, onverenigbaar is met het recht op bescherming van het privéleven. Ten eerste voldoet de bestreden bepaling niet aan de vereisten van toegankelijkheid, nauwkeurigheid

voorspelbaarheid. Zo voorziet de bestreden bepaling erin dat de betrokken maatregel

kel kan worden opgelegd « mits eerbiediging van de menselijke waardigheid van de gedetineerde », maar bepaalt zij niet op welke wijze dat concreet zal gebeuren. Ten tweede staat de bestreden maatregel niet in een redelijk verband van evenredigheid met het nagestreefde doel. De verzoekende partij verwijst hierbij naar het feit dat de bestreden maatregel kan worden opgelegd voor een hernieuwbare periode van twee maanden. A.6.2. De Ministerraad voert aan dat het middelonderdeel onontvankelijk is. De hernieuwbare termijn van twee maanden vloeit immers voort uit artikel 118, § 7, van de Basiswet, dat door artikel 106 van de wet van 15 mei 2024 ongewijzigd werd overgenomen van de vroegere versie van die bepaling. Ten gronde is hij van mening dat de bestreden maatregel beantwoordt aan de vereisten die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelt aan dergelijke maatregelen. De bestreden maatregel past in een individueel detentieregime

zowel de gevallen waarin hij kan worden opgelegd als de procedure zijn op een gedetailleerde wijze geregeld. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, is wel op een concrete wijze bepaald hoe de menselijke waardigheid zal worden geëerbiedigd. Zo wordt in de memorie van toelichting bij het ontwerp van de wet van 15 mei 2024 bijvoorbeeld vermeld dat de camerabewaking zal worden onderbroken tijdens het bezoek aan het toilet. Ook zal er

kel worden gefilmd in de verblijfsruimte van de gedetineerde, maar niet in de centrale ruimte waar het bezoek wordt ontvangen. Daarnaast bepaalt artikel 116, § 2, van de Basiswet dat de plaatsing in een individueel bijzonder regime beperkt moet zijn tot de daartoe strikt noodzakelijke tijd. Verder bepaalt artikel 118, § 7, eerste lid, van de Basiswet dat de directeur eenmaal per maand aan de directeur-generaal omstandig verslag uitbrengt over het verloop van de plaatsing in het IBVR, op basis waarvan de directeur-generaal kan beslissen een einde te maken aan de plaatsing of de plaatsingsmaatregelen kan milderen. Tevens is voor het opleggen van de bestreden maatregel een psycho-medisch advies vereist met betrekking tot de verenigbaarheid van de nadere regels van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde. Voorts gelden er bijkomende waarborgen, zoals een regelmatige controle, minstens tijdens de bezoeken van een arts, van de eventuele gevolgen voor de mentale gezondheid van de gedetineerde, de verplichting tot motivering van de beslissing tot het opleggen van de bestreden maatregel

de mogelijkheid voor de gedetineerde om, voordat de directeur-generaal een beslissing neemt, zijn verweermiddelen te laten gelden tijdens een hoorzitting met de directeur. Ten slotte kan de gedetineerde tegen de beslissing van de directeur-generaal beroep aantekenen bij de Beroepscommissie. A.7.1. In het tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de uitsluiting van het recht op bezoek

/of van het recht op ongestoord bezoek van alle of sommige bezoekers die als bijkomende maatregel in het kader van de plaatsing in een IBVR kan worden genomen, onverenigbaar is met het recht op bescherming van het privéleven. De bestreden maatregel kan immers worden opgelegd voor een hernieuwbare periode van twee maanden. A.7.2. Om de redenen die zijn vermeld in A.6.2, is de Ministerraad van oordeel dat het middelonderdeel onontvankelijk is. Met verwijzing naar de memorie van toelichting

naar de waarborgen die zijn vermeld in A.6.2, beantwoordt de bestreden maatregel volgens de Ministerraad aan een dwingende maatschappelijke behoefte

is hij evenredig met de door de wetgever nagestreefde doelstelling. A.8.1. In het derde onderdeel bekritiseert de verzoekende partij het feit dat de bijkomende maatregelen kunnen worden opgelegd in combinatie met de maatregelen die zijn bepaald in artikel 117, § 1, van de Basiswet. De combinatie van de bijkomende maatregelen met de uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten, een systematische controle van uitgaande

inkomende briefwisseling, een beperking van bezoek in een lokaal dat voorzien is van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt, de gedeeltelijke ontzegging van het gebruik van de telefoon, een systematische toepassing van een controle van de kledij

de toepassing van een of meerdere bijzondere in artikel 112, § 1, van de Basiswet bepaalde veiligheidsmaatregelen, voor een hernieuwbare periode van twee maanden, maakt volgens de verzoekende partij een inbreuk uit op het recht op een menswaardige behandeling. A.8.2. De Ministerraad is van mening dat het middelonderdeel onontvankelijk is om de redenen die zijn vermeld in A.6.2

in zoverre het de in artikel 117, § 1, van de Basiswet bepaalde maatregelen bekritiseert, aangezien die maatregelen reeds vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 mei 2024 golden. Met betrekking tot de bijkomende maatregelen verwijst de Ministerraad naar hetgeen hij in het eerste middel

het eerste

tweede onderdeel van het tweede middel heeft uiteengezet. De cumulatieve toepassing met de in artikel 117, § 1, 5 van de Basiswet bepaalde maatregelen leidt niet tot een andere conclusie, daar ook een dergelijke toepassing de wettelijk bepaalde waarborgen moet eerbiedigen. Wat betreft het derde middel A.9. De verzoekende partij voert in een derde middel de schending aan, door de artikelen 106

107 van de wet van 15 mei 2024, van de artikelen 10

11 van de Grondwet

van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. A.10.

  1. Het eerste onderdeel is gericht tegen artikel 118, § 3/1, van de Basiswet, zoals ingevoerd door artikel 106 van de wet van 15 mei
  2. Die bepaling geeft aan hoe de beslissing van de directeur-generaal tot het opleggen van de bijkomende maatregelen moet worden gemotiveerd. Volgens de verzoekende partij leidt die bepaling evenwel tot rechtsonzekerheid, daar de gronden waarop die beslissing kan worden genomen, namelijk de « concrete, bijzondere omstandigheden of houdingen waaruit blijkt dat de gedetineerde een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid » aansluiten bij de gronden op basis waarvan het bestaande IBVR kan worden opgelegd. De bestreden bepaling had moeten verduidelijken dat die concrete omstandigheden of houdingen verband moeten houden met de banden van de gedetineerde met de georganiseerde misdaad. Daarnaast is de motiveringsplicht die op de directeur-generaal rust dermate vaag dat het onduidelijk is waartegen de gedetineerde zich moet verdedigen. Voorts is het volgens de verzoekende partij problematisch dat de gedetineerde zijn verweer moet voeren voor de directeur van de penitentiaire inrichting waar hij verblijft, terwijl de beslissing tot het opleggen van een bijkomende maatregel wordt genomen door de directeur-generaal

de directeur van de penitentiaire inrichting slechts een verslag, maar geen advies, bezorgt aan de directeur-generaal. Daarentegen heeft de directeur wel een adviesverlenende rol in het bestaande IBVR. Voor dat verschil in behandeling bestaat geen redelijke verantwoording. A.10.2. Volgens de Ministerraad leidt de bestreden bepaling niet tot rechtsonzekerheid. Het feit dat de gronden voor het bestaande

het nieuwe IBVR op soortgelijke wijze omschreven zijn, wordt verklaard doordat het veiligheidsrisico voor de beide regimes hetzelfde is

doordat de wetgever

kel beoogde af te wijken van de regel dat voor de toepassing van die uitzonderingsregeling de betrokken gedetineerde niet eerder onder een bijzondere veiligheidsmaatregel moet zijn geplaatst. Het ontbreken van een adviesverlenende rol voor de directeur van de penitentiaire inrichting wordt volgens de Ministerraad verklaard doordat het nieuwe individuele detentieregime, anders dan het bestaande regime, rechtstreeks wordt toegepast, omdat het, in het licht van de informatie

de analyses van de federale procureur

/of de inlichtingen-

veiligheidsdiensten, het

ige middel is om de dreiging die van de gedetineerde uitgaat, zowel naar de gevangenis als naar de maatschappij, tegen te gaan. Een

ander belet evenwel niet dat met de mening van de directeur van de penitentiaire inrichting rekening wordt gehouden. A.11.

  1. In het tweede onderdeel bekritiseert de verzoekende partij artikel 158, § 3/1, van de Basiswet, zoals ingevoerd door artikel 107 van de wet van 15 mei
  2. Krachtens die bepaling kan de Beroepscommissie, als zij de beslissing van de directeur-generaal vernietigt waarbij een gedetineerde in het nieuwe IBVR wordt geplaatst,

kel de directeur-generaal opdragen om binnen een door haar bepaalde termijn een nieuwe beslissing te nemen, rekening houdend met haar uitspraak. Anders dan wat geldt in het bestaande IBVR, kan de Beroepscommissie haar eigen beslissing niet in de plaats stellen. De verzoekende partij ziet niet in waarom de Beroepscommissie haar eigen beslissing niet in de plaats zou mogen stellen, zodat het verschil in behandeling onder gedetineerden naargelang zij onder het bestaande of het nieuwe IBVR vallen, niet redelijk verantwoord is. A.11.2. De Ministerraad laat gelden dat de Beroepscommissie zowel in het kader van het bestaande als in het kader van het nieuwe IBVR in de beoordeling ten gronde kan treden, met inachtneming van alle feitelijke omstandigheden

alle relevante informatie, zodat de gedetineerde in de beide gevallen een gelijkwaardig rechtsmiddel heeft. Ook de procedurele rechten zijn dezelfde. Het

kele feit dat de Beroepscommissie in het kader van het nieuwe individuele detentieregime haar eigen beslissing niet in de plaats kan stellen, is volgens de Ministerraad niet zonder redelijke verantwoording. Ten eerste wordt in het bestuursrecht doorgaans, gelet op de scheiding der machten, aan een administratief rechtscollege

kel een vernietigingsbevoegdheid toegekend. Ten tweede beschikken het federaal parket

de inlichtingen-

veiligheidsdiensten over de nodige informatie, zodat zij het meest geschikt zijn om uitspraak te doen over de noodzaak tot het opleggen van een bijkomende maatregel. Om die reden legt artikel 158, § 3/1, van de Basiswet aan de Beroepscommissie ook een verstrengde motiveringsplicht op wanneer zij de beslissing van de directeur-generaal vernietigt. 6 –B– Ten aanzien van de bestreden bepalingen

de context ervan B.1. Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op de artikelen 105, 106

107 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie

diverse bepalingen II » (hierna : de wet van 15 mei 2024). Die bepalingen voeren, in de artikelen 117, 118

158 van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen

de rechtspositie van de gedetineerden » (hierna : de Basiswet) met betrekking tot « de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime » (hierna : het IBVR), een bijzonder regime in van « plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime » voor bepaalde gedetineerden (hierna : het specifieke IBVR). De bestreden bepalingen zijn in werking getreden op de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, namelijk op 7 juni 2024. B.2.1. Krachtens de Basiswet kunnen drie soorten maatregelen worden genomen ten aanzien van gedetineerden om de handhaving van de orde

de veiligheid te waarborgen :

(1)« controlemaatregelen » (artikelen 107 tot 109 van die wet),
(2)« bijzondere veiligheidsmaatregelen » (artikelen 110 tot 115)

« maatregelen van rechtstreekse dwang » (artikelen 119 tot 121), alsook

(3)de « plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime » (artikelen 116 tot 118). Voor de toepassing van de Basiswet is de « gedetineerde » « de persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of van een vrijheidsbenemende maatregel geheel of gedeeltelijk plaatsvindt in een gevangenis » (artikel 2, 4°). Het gaat zowel om de veroordeelde gedetineerde als om de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde die is gedetineerd (zie artikel 2, 2°, 3°, 5°

6°). « Veiligheid » wordt begrepen als « de interne

externe veiligheid » (artikel 2, 8°, van de Basiswet). De « interne veiligheid » is « een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt

waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding » (artikel 2, 9°). 7 De « externe veiligheid » is « een toestand waarbij de samenleving beschermd wordt door middel van de verzekerde bewaring van gedetineerden

door het voorkomen van misdrijven die zouden gepleegd kunnen worden vanuit de gevangenis » (artikel 2, 10°). B.2.2. De controlemaatregelen zijn,

erzijds, de maatregelen die ertoe strekken de gedetineerde te identificeren (artikel 107), de kledij te onderzoeken (artikel 108, § 1)

de verblijfsruimte van de gedetineerde te doorzoeken (artikel 109). Die maatregelen « maken deel uit van de standaard routine in (gesloten) gevangenissen » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1076/001, p. 179). Het gaat, anderzijds, om de fouillering op het lichaam, die « een veel [ingrijpendere] maatregel [is], die op zich reeds een aantasting van het eergevoel inhoudt. Deze mag zeker niet routinematig uitgevoerd worden

is slechts gerechtvaardigd wanneer ingevolge specifieke omstandigheden of vermoedens het onderzoek aan de kledij niet volstaat » (ibid.). De fouillering op het lichaam is

kel toegestaan wanneer de directeur van oordeel is dat er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om het doel om de orde

de veiligheid te handhaven, te bereiken (artikel 108, § 2, van de Basiswet, zoals gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 1 juli 2013 « tot wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen

de rechtspositie van de gedetineerden »

zoals gedeeltelijk vernietigd bij het arrest nr. 20/2014 van 29 januari 2014, ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.020). Bij dat arrest heeft het Hof artikel 108, § 2, eerste lid, van de Basiswet, zoals het was ingevoegd bij artikel 5 van de voormelde wet van 1 juli 2013, vernietigd, in zoverre die bepaling, door in een stelselmatige fouillering op het lichaam te voorzien (« telkens als een gedetineerde de gevangenis betreedt, telkens als een gedetineerde in een beveiligde cel wordt geplaatst of in een strafcel wordt opgesloten

telkens als een gedetineerde bezoek heeft ontvangen ») zonder precieze verantwoording die te maken heeft met het gedrag van de gedetineerde, op discriminerende wijze afbreuk doet aan het verbod om op een vernederende wijze te worden behandeld (B.13). B.2.3. De bijzondere veiligheidsmaatregelen die afzonderlijk of cumulatief kunnen worden genomen ten aanzien van een gedetineerde « wanneer er ernstige aanwijzingen bestaan van een gevaar voor de orde of de veiligheid », zijn « 1° het ontnemen of onthouden van voorwerpen; 2° de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten; 3° de observatie overdag

tijdens de nacht, maar met maximale eerbiediging van de nachtrust; 4° het verplicht verblijf in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte; 5° de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk 8 kan zijn » (artikelen 110, § 1,

112, § 1, van de Basiswet). Die maatregelen hebben een « uitzonderlijk

incidenteel karakter » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1076/001, p. 252). Zij zijn toelaatbaar « mits zij uitsluitend tot [veiligheidsdoeleinden] worden aangewend

voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd » (artikel 112, § 1, van de Basiswet). Zij worden in elk geval beperkt tot maximum zeven dagen, termijn die driemaal kan worden verlengd (artikel 112, § 2). De maatregelen van rechtstreekse dwang zijn de maatregelen die « het gebruik [inhouden] van fysieke dwang op personen, al dan niet met het gebruik maken van materiële of mechanische hulpmiddelen, van dwangtuigen die de bewegingsvrijheid beperken of van wapens die krachtens de wapenwet tot de reglementaire uitrusting behoren » (artikel 119, § 3, van de Basiswet). De bijzondere veiligheidsmaatregelen

de maatregelen van rechtstreekse dwang zijn « incidentele

uitzonderlijke » maatregelen, die slechts toegepast mogen worden « in acute situaties van (risico op) een ernstige aantasting van de externe of interne veiligheid, d.w.z. (gevaar voor) ontvluchting, gewelddaden tegen personen of goederen, zelfmoord of zelfverwonding »

voor een « korte duur » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1076/001, p. 179). B.2.4. Ten slotte kan een gedetineerde in een IBVR worden geplaatst « wanneer uit concrete omstandigheden of uit [diens] gedragingen [...] blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid »,

« gebleken is dat zowel de [...] controlemaatregelen als de [...] bijzondere beveiligingsmaatregelen ontoereikend zijn » (artikel 116, § 1, van de Basiswet). Tot de plaatsing in een IBVR kan

kel worden besloten « wanneer de veiligheid op geen

kele andere wijze gevrijwaard kan worden

voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd » (artikel 116, § 2). Het eindverslag van de commissie « Basiswet gevangeniswezen

rechtspositie van gedetineerden », dat ten grondslag ligt aan de Basiswet, omschrijft de plaatsing in een IBVR als « een uitzonderlijke maatregel, die anders dan de bijzondere veiligheidsmaatregelen geen incidenteel karakter heeft, maar een antwoord biedt op een resistent probleem van veiligheid dat zich stelt in hoofde van een zeer beperkte groep van gedetineerden » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50–1076/001, p. 179). Dat verslag preciseert eveneens dat het gaat om « bepaalde vluchtgevaarlijke gedetineerden » (ibid., p. 183); « gedetineerden die een gevaar vormen voor zichzelf of die het voorwerp kunnen zijn 9 van gevaarlijke acties vanwege anderen » horen niet thuis in een IBVR (ibid., p. 184). Het IBVR heeft geen bestraffend oogmerk, maar is een veiligheidsmaatregel (RvSt, 9 december 2011, nr. 216.787, ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.787; 19 januari 2012, nr. 217.384, ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.384). De volgende maatregelen kunnen afzonderlijk of cumulatief worden genomen ten aanzien van een onder een IBVR geplaatste gedetineerde : (1°) uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten, (2°) systematische controle van uitgaande

inkomende briefwisseling, (3°) beperking van bezoek in een lokaal dat voorzien is van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt, (4°) gedeeltelijke ontzegging van het gebruik van de telefoon, (5°) systematische toepassing van de in artikel 108, § 1, van de Basiswet bepaalde controlemaatregel (namelijk het onderzoek van de kledij) of (6°) toepassing van een of meerdere bijzondere in artikel 112, § 1, bepaalde veiligheidsmaatregelen (namelijk het ontnemen of onthouden van voorwerpen, de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten, de observatie overdag

tijdens de nacht, maar met maximale eerbiediging van de nachtrust, het verplicht verblijf in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte of de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn) (vroeger artikel 117, eerste lid, van de Basiswet, thans artikel 117, § 1, van die wet na de vervanging ervan bij artikel 105 van de wet van 15 mei 2024). De basisbeginselen vermeld in titel II zijn van toepassing op het IBVR (vroeger artikel 117, tweede lid, van de Basiswet, thans artikel 117, § 3, van die wet na de vervanging ervan bij artikel 105 van de wet van 15 mei 2024). De beslissing tot plaatsing in een IBVR wordt genomen voor een door de directeur-generaal bepaalde hernieuwbare termijn van maximaal twee maanden (artikel 118, § 7, eerste lid, ongewijzigd, van de Basiswet). B.3.1. De bestreden bepalingen voeren een specifiek IBVR in voor een categorie van gedetineerden, namelijk de gedetineerden die « verdacht [worden] van of veroordeeld [zijn] voor een overtreding van artikel 2bis, § 4, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen

verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsmiddelen

antiseptica

van de stoffen die kunnen worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen

psychotrope stoffen of voor het misdrijf bedoeld in artikel 324ter, § 4, van het Strafwetboek » (artikel 117, § 2, van de Basiswet, zoals ingevoerd bij artikel 105 van de wet van 15 mei 2024). 10 B.3.2. Artikel 117, § 2, van de Basiswet, zoals ingevoerd bij artikel 105 van de wet van 15 mei 2024, bepaalt : « Indien uit concrete omstandigheden blijkt dat de gedetineerde een reëel

ernstig risico vormt voor de veiligheid vanwege zijn banden met de georganiseerde misdaad

hij verdacht wordt van of veroordeeld is voor een overtreding van artikel 2bis, § 4, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen

verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsmiddelen

antiseptica

van de stoffen die kunnen worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen

psychotrope stoffen of voor het misdrijf bedoeld in artikel 324ter, § 4, van het Strafwetboek kan de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime bovendien bestaan uit de hierna opgesomde maatregelen of een combinatie van meerdere ervan : 1° de permanente observatie door middel van een camera, mits eerbiediging van de menselijke waardigheid van de gedetineerde

mits uitvoering van een regelmatige controle, minstens tijdens de bezoeken van de arts bedoeld in artikel 118, § 5, van de eventuele gevolgen op de mentale gezondheid. 2° in afwijking van artikel 58, de uitsluiting van het recht op bezoek

/of van het recht op ongestoord bezoek van alle of sommige bezoekers bedoeld in artikel 59 ». Krachtens die bepaling kan de gedetineerde die onder de in B.3.1 vermelde categorie valt in een specifiek IBVR worden geplaatst « indien uit concrete omstandigheden blijkt dat [hij] een reëel

ernstig risico vormt voor de veiligheid vanwege zijn banden met de georganiseerde misdaad ». In dat geval kan de plaatsing in een IBVR, ten aanzien van die gedetineerde, « bovendien » (dat wil zeggen : naast de zes in artikel 117, § 1, van de Basiswet opgesomde maatregelen vermeld in B.2.4) bestaan in het opleggen van de

e

/of de andere van de volgende maatregelen :

(1)de permanente observatie door middel van een camera, mits de menselijke waardigheid van de gedetineerde wordt geëerbiedigd

mits een regelmatige controle van de eventuele gevolgen voor de mentale gezondheid wordt uitgevoerd,

(2)de uitsluiting van het recht op bezoek

/of van het recht op ongestoord bezoek van alle of sommige bezoekers bedoeld in artikel

  1. B.3.
  2. Artikel 106 van de bestreden wet van 15 mei 2024 voert overigens in artikel 118 van de Basiswet met betrekking tot de algemene procedure voor de plaatsing van een gedetineerde in een IBVR, een ad-hoc-procedure in die van toepassing is op de beslissing tot plaatsing in een specifiek IBVR, die is genomen krachtens het voormelde nieuwe artikel 117, § 2, van de Basiswet. 11 Vóór de wijziging ervan bij artikel 106 van de wet van 15 mei 2024 bepaalde artikel 118 van de Basiswet : « §
  3. De beslissing tot plaatsing in een bijzonder individueel veiligheidsregime wordt genomen door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde, op voorstel van de directeur. §
  4. Het voorstel vermeldt de concrete omstandigheden of gedragingen van de gedetineerde waaruit blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid. Het voorstel vermeldt de concrete nadere regels van de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime, met omstandige motivering van elk van de voorgestelde maatregelen. Het voorstel wordt vergezeld van een medisch advies met betrekking tot de verenigbaarheid van de nadere regels van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde. §
  5. Alvorens het voorstel in te dienen, stelt de directeur de gedetineerde in kennis van de inhoud

de motieven van het voorstel

geeft hem de gelegenheid, desgewenst bijgestaan door een raadsman of door een door de directeur daartoe aanvaarde zelf gekozen vertrouwenspersoon, zijn verweermiddelen te laten gelden. Daarvan wordt akte genomen ten behoeve van de door de directeur-generaal te nemen beslissing. § 4. De beslissing van de directeur-generaal tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime vermeldt de nadere regels betreffende de plaatsing, met omstandige motivering van elk van de maatregelen. De beslissing wordt ter kennis gebracht van de directeur, van de gedetineerde

, wanneer de beslissing betrekking heeft op een verdachte, van de onderzoeksrechter. De beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar, ongeacht of er al dan niet hoger beroep wordt ingesteld. § 5. De gedetineerde die het voorwerp uitmaakt van een plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime die zijn afzondering uit de gemeenschap tot gevolg heeft, wordt minstens eenmaal per week bezocht door de directeur

een arts, die zich vergewissen van de toestand van de gedetineerde

nagaan of de gedetineerde geen klachten of opmerkingen te formuleren heeft. § 6. Elke beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime

elke aanpassing van het regime door de directeur-generaal wordt bijgehouden door de penitentiaire administratie in een centraal register

door de directeur in een lokaal register, met vermelding van de identiteit van de gedetineerde

de afwijkingen van het normale regime die door de directeur-generaal worden beslist. Voor de ganse duur van de plaatsing wordt door de directeur per week het verloop van de plaatsing in het lokaal register genoteerd. Naar aanleiding van het bezoek dat de directeur

12 een arts hem brengt krachtens § 5, kan de gedetineerde zelf opmerkingen met betrekking tot zijn toestand

situatie doen optekenen in dat register. Personen of instanties die belast zijn met het toezicht

de controle over de gevangenissen of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel kunnen zich gedurende de ganse duur van de plaatsing dit register doen voorleggen. Zij kunnen er hun eigen opmerkingen optekenen evenals deze van de gedetineerde. § 7. De beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime geldt voor een door de directeur-generaal bepaalde termijn van maximaal twee maanden die eventueel hernieuwbaar is. Eenmaal per maand brengt de directeur aan de directeur-generaal omstandig verslag uit betreffende het verloop van de plaatsing in het individueel bijzonder veiligheidsregime. Op basis hiervan kan de directeur-generaal beslissen een einde te maken aan de plaatsing of de plaatsingsmaatregelen milderen. De beslissing kan slechts worden hernieuwd, mits een voorafgaand verzoek van de directeur, vergezeld van een psycho-medisch verslag,

met inachtneming van de bepalingen van §§ 1 tot

  1. §
  2. In geval van overbrenging naar een andere gevangenis beoordeelt de directeur van die gevangenis, na de gedetineerde te hebben gehoord, of er nog gronden bestaan voor de handhaving van de maatregel,

brengt hieromtrent advies uit aan de directeur-generaal. De beslissing van de directeur-generaal vermeldt de individuele gronden die de verdere plaatsing eventueel noodzaken. § 9. Zodra een beklaagde of beschuldigde, die in een individueel bijzonder veiligheidsregime werd geplaatst, veroordeeld is, beoordeelt de directeur de noodzaak van een handhaving of aanpassing van de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime,

brengt hierover advies uit aan de directeur-generaal. Op basis hiervan kan de directeur-generaal een einde maken aan de plaatsing of de plaatsingsmaatregelen milderen. § 10. De gedetineerde heeft het recht beroep aan te tekenen tegen de beslissingen van de directeur-generaal genomen overeenkomstig § 1, eerste lid, § 7, eerste

tweede lid

§§ 8

9[.] Dit beroep dient te worden ingediend bij de Beroepscommissie van de Centrale Raad. De artikelen 165

166 zijn van toepassing op de beroepsprocedure. De directeur-generaal of een door hem afgevaardigde vertegenwoordigt hierbij de penitentiaire administratie. § 11. Plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime is niet van toepassing op minderjarige gedetineerden ». Artikel 106 van de wet van 15 mei 2024 voegt, in het voormelde artikel 118 van de Basiswet, een nieuwe paragraaf 3/1 in. Het vult paragraaf 7 aan met een vierde

vijfde lid

de paragrafen 8

9 met een tweede lid. Het vervangt ten slotte de eerste zin van het eerste lid van paragraaf 10. Ingevolge die wijzigingen bepaalt artikel 118, §§ 3/1, 7, 8, 9

10, van de Basiswet thans : 13 « § 3/1. In afwijking van artikel 116, § 1,

van de paragrafen 1 tot 3 wordt de beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime bedoeld in artikel 117, § 2, genomen door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde, na advies van de federale procureur of de inlichtingen-

veiligheidsdiensten. De directeur-generaal deelt de gedetineerde de concrete, bijzondere omstandigheden of houdingen mee waaruit blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid. Daarnaast deelt de directeur-generaal de gedetineerde de nadere regels van de plaatsing onder het individueel bijzonder veiligheidsregime mee, waarbij elke voorgestelde maatregel omstandig wordt gemotiveerd. De directeur-generaal vraagt een psycho-medisch advies met betrekking tot de verenigbaarheid van de nadere regels van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde. Hij stelt de gedetineerde in de gelegenheid, desgewenst bijgestaan door een raadsman, zijn verweermiddelen te laten gelden tijdens een hoorzitting met de directeur. Daarvan wordt akte genomen ten behoeve van de door de directeur-generaal te nemen beslissing. Na ontvangst van het verslag van het horen van de gedetineerde, neemt de directeur- generaal een beslissing. [...] § 7. De beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime geldt voor een door de directeur-generaal bepaalde termijn van maximaal twee maanden die eventueel hernieuwbaar is. Eenmaal per maand brengt de directeur aan de directeur-generaal omstandig verslag uit betreffende het verloop van de plaatsing in het individueel bijzonder veiligheidsregime. Op basis hiervan kan de directeur-generaal beslissen een einde te maken aan de plaatsing of de plaatsingsmaatregelen milderen. De beslissing kan slechts worden hernieuwd, mits een voorafgaand verzoek van de directeur, vergezeld van een psycho-medisch verslag,

met inachtneming van de bepalingen van §§ 1 tot 4. In afwijking van het derde lid wordt bij plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime in toepassing van paragraaf 3/1, een psycho-medisch verslag over het verloop van dit individueel bijzonder veiligheidsregime

de voortzetting ervan overgemaakt aan de directeur-generaal een week vóór de vervaldag ervan. De beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime kan hernieuwd worden door de directeur-generaal, met inachtneming van paragraaf 3/1; De federale procureur of de inlichtingen-

veiligheidsdiensten brengen om de twee maanden een geactualiseerd advies uit. 14 § 8. In geval van overbrenging naar een andere gevangenis beoordeelt de directeur van die gevangenis, na de gedetineerde te hebben gehoord, of er nog gronden bestaan voor de handhaving van de maatregel,

brengt hieromtrent advies uit aan de directeur-generaal. De beslissing van de directeur-generaal vermeldt de individuele gronden die de verdere plaatsing eventueel noodzaken. Het eerste lid is niet van toepassing op het individueel bijzonder veiligheidsregime opgelegd in toepassing van de paragrafen 3/1

§ 7, vierde lid.

§ 9. Zodra een beklaagde of beschuldigde, die in een individueel bijzonder veiligheidsregime werd geplaatst, veroordeeld is, beoordeelt de directeur de noodzaak van een handhaving of aanpassing van de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime,

brengt hierover advies uit aan de directeur-generaal. Op basis hiervan kan de directeur-generaal een einde maken aan de plaatsing of de plaatsingsmaatregelen milderen. Het eerste lid is niet van toepassing op het individueel bijzonder veiligheidsregime opgelegd in toepassing van de paragrafen 3/1

§ 7, vierde lid.

§ 10. De gedetineerde heeft het recht beroep aan te tekenen tegen de beslissingen van de directeur-generaal genomen overeenkomstig de paragrafen 1, eerste lid, 3/1, eerste lid, 7, eerste, tweede

vierde lid,

de paragrafen 8

9. Dit beroep dient te worden ingediend bij de Beroepscommissie van de Centrale Raad. De artikelen 165

166 zijn van toepassing op de beroepsprocedure. De directeur-generaal of een door hem afgevaardigde vertegenwoordigt hierbij de penitentiaire administratie ». Terwijl de beslissing tot plaatsing van een gedetineerde in een IBVR wordt genomen door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde, op voorstel van de directeur (artikel 118, § 1, ongewijzigd, van de Basiswet), wordt de beslissing tot plaatsing van een gedetineerde in een specifiek IBVR genomen door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde, na advies van de federale procureur of de inlichtingen-

veiligheidsdiensten (artikel 118, § 3/1, eerste lid, van de Basiswet, zoals ingevoerd bij artikel 106 van de wet van 15 mei 2024). B.3.4. Krachtens het, door de wet van 15 mei 2024 niet gewijzigde, artikel 165, § 1, van de Basiswet kan de gedetineerde tegen de beslissing van de directeur-generaal beroep instellen bij de Beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen (hierna : de Beroepscommissie). Het beroep moet worden ingesteld uiterlijk de zevende dag na de dag waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de aangevochten beslissing (artikel 165, § 2, eerste zin). De Beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk

uiterlijk veertien dagen vanaf het instellen van het hoger beroep uitspraak over het beroepschrift (artikel 166, § 2, eerste zin). 15 B.3.5. Ten slotte voegt artikel 107 van de wet van 15 mei 2024 een paragraaf 3/1 in in artikel 158 van de Basiswet, dat betrekking heeft op de beslissingen die de Klachtencommissie kan nemen

de gronden waarop zij haar beslissingen kan doen steunen,

dat krachtens artikel 162, § 3, van de Basiswet van overeenkomstige toepassing is op de Beroepscommissie. Artikel 158 van de Basiswet, zoals gewijzigd bij artikel 107 van de wet van 15 mei 2024, bepaalt aldus : « §

  1. De Klachtencommissie kan beslissen de klacht geheel of gedeeltelijk niet- ontvankelijk, ongegrond of gegrond te verklaren. §
  2. De klacht wordt gegrond verklaard wanneer de Klachtencommissie van oordeel is dat de beslissing waarover geklaagd is : 1° in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag; of 2° bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht. §
  3. Voorzover de klacht gegrond wordt verklaard, vernietigt de Klachtencommissie de beslissing,

kan ze : 1° de directeur opdragen, binnen een door haar bepaalde termijn, een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak; 2° bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing; 3° zich beperken tot een gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing. § 3/1. Bij vernietiging van een beslissing genomen overeenkomstig artikel 118, § 3/1, eerste lid,

§ 7

, vierde lid, van een beslissing tot plaatsing of overplaatsing als bedoeld in de artikelen 17

18 of tot toewijzing van een verblijfsruimte genomen ten aanzien van een gedetineerde geplaatst onder voormeld individueel bijzonder veiligheidsregime, kan de Klachtencommissie of de Beroepscommissie

kel toepassing maken van paragraaf 3, 1°

3°. Zij vermeldt de specifieke redenen waarom ze de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk vernietigt

omkleedt eveneens haar beslissing met de bijzondere redenen hoe deze beslissing verzoend kan worden met de aangegeven veiligheidsrisico's. In voorkomend geval omkleedt zij haar beslissing met de bijzondere redenen waarom zij afwijkt van het advies van de federale procureur of de inlichtingen-

veiligheidsdiensten. § 4. Bij vernietiging van de beslissing worden de gevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door de directeur ongedaan gemaakt, dan wel in overeenstemming gebracht met de uitspraak van de Klachtencommissie. Voorzover de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan kunnen gemaakt worden, bepaalt de Klachtencommissie, na de directeur te hebben gehoord, of aan de klager

ige tegemoetkoming, met uitsluiting van elke financiële vergoeding, moet worden toegekend. 16 [...] ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.4.1. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof moet een beroep tot vernietiging worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de bestreden norm. Wanneer een wetgever in nieuwe wetgeving een oude bepaling overneemt

zich op die wijze de inhoud ervan toe-eigent, kan tegen de overgenomen bepaling een beroep worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking ervan. Wanneer de wetgever zich evenwel beperkt tot een louter legistieke of taalkundige ingreep of tot een coördinatie van bestaande bepalingen, wordt hij niet geacht opnieuw wetgevend op te treden

zijn de grieven ratione temporis onontvankelijk in zoverre zij in werkelijkheid tegen de voorheen reeds bestaande bepalingen zijn gericht. B.4.2. Aangezien artikel 117, §§ 1

3, van de Basiswet, zoals is vermeld in B.2.4, loutere overnames betreft van het vroegere artikel 117 van de Basiswet, is het beroep tot vernietiging, in de mate dat het gericht is tegen artikel 105 van de wet van 15 mei 2024,

kel ontvankelijk in zoverre het een tweede paragraaf invoegt in artikel 117 van de Basiswet. B.4.3. Daarentegen zijn het eerste

tweede onderdeel van het tweede middel ontvankelijk in zoverre de verzoekende partij daarin bekritiseert dat de in artikel 117, § 2, van de Basiswet bepaalde maatregelen voor een, hernieuwbare, duur van twee maanden kunnen worden opgelegd. Hoewel die duur ook al was opgenomen in de versie van artikel 118, § 7, van de Basiswet die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 mei 2024, blijkt uit de toevoeging, door artikel 106 van de voormelde wet, van een vierde

vijfde lid aan die bepaling dat de wetgever de intentie heeft geuit om die duur met betrekking tot het specifieke IBVR te bestendigen. 17 B.4.4. Daar de verzoekende partij geen aanknopingspunt aantoont met het toepassingsgebied van het Unierecht, zijn het eerste

tweede middel niet ontvankelijk in zoverre daarin de schending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt aangevoerd. B.4.5. Daar de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht artikel 105 van de wet van 15 mei 2024 het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie schendt, is het tweede middel niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. Ten gronde Wat betreft het eerste onderdeel van het eerste middel

het eerste

tweede onderdeel van het tweede middel B.5. Het eerste onderdeel van het eerste middel

het eerste

tweede onderdeel van het tweede middel zijn afgeleid uit de schending, door artikel 105 van de wet van 15 mei 2024, van de artikelen 10, 11

22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. Het eerste

tweede onderdeel van het tweede middel zijn daarenboven afgeleid uit de schending van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

de artikelen 2

26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. B.6.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven

zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen

onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.6.

  1. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : 18 «
  2. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis

zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van

ig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien

in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde

het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten

vrijheden van anderen ». De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet

artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.7. Artikel 2, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten bepaalt : « Voor zover bestaande wettelijke of andere maatregelen hierin niet reeds voorzien, verbindt iedere Staat die partij is bij dit Verdrag zich, overeenkomstig zijn staatsrechtelijke procedures

de bepalingen van dit Verdrag, alle nodige wettelijke of andere maatregelen te nemen om aan de in dit Verdrag erkende rechten uitvoering te geven ». Artikel 17 van hetzelfde Verdrag bepaalt : « 1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis

zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer

goede naam.

  1. Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting ». B.
  2. De permanente observatie door middel van een camera (EHRM, beslissing, 1 juni 2004, van der Graaf t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2004:0601DEC000870403; 6 december 2016, Vasilică Mocanu t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2016:1206JUD004354513, § 36; 2 juli 2019, Gorlov e.a. t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2019:0702JUD002705706, § 82)

de uitsluiting of de beperking van het recht op bezoek (EHRM, 28 september 2000, Messina 19 t. Italië (nr. 2), ECLI:CE:ECHR:2000:0928JUD002549894, §§ 61-62; 17 april 2012, Piechowicz t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2012:0417JUD002007107, § 212; grote kamer, 30 juni 2015, Khoroshenko t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2015:0630JUD004141804, § 106; 21 maart 2023, Deltuva t. Litouwen, ECLI:CE:ECHR:2023:0321JUD003814420, § 40) vormen ernstige inmengingen in het recht op eerbiediging van het privéleven van de gedetineerde in de zin van de voormelde grondwets-

verdragsbepalingen. B.9. Het recht op eerbiediging van het privéleven is evenwel niet absoluut. De voormelde grondwets-

verdragsbepalingen sluiten een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, voor zover zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving

zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. B.10. Het vereiste van een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat in artikel 22 van de Grondwet is vervat, impliceert dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven in duidelijke

voldoende nauwkeurige bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven toestaat. Evenzo houdt de vereiste van voorzienbaarheid waaraan de wet moet voldoen om in overeenstemming te worden bevonden met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in dat de formulering ervan voldoende precies is zodat elk individu in de gegeven omstandigheden in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien (EHRM, grote kamer, 17 februari 2004, Maestri t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2004:0217JUD003974898, § 30). De wet moet waarborgen bieden tegen willekeurige aantastingen door de overheid van het recht op eerbiediging van het privéleven, namelijk door de beoordelingsvrijheid van de betrokken overheden op voldoende duidelijke wijze af te bakenen,

erzijds,

door in een daadwerkelijke jurisdictionele toetsing te voorzien, anderzijds (zie, onder andere, EHRM, 13 november 2012, M.M. t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2012:1113JUD002402907, § 193; 2 juli 2019, Gorlov e.a. t. Rusland, voormeld, § 85; 31 maart 2022, Maslák t. Slowakije (nr. 2), ECLI:CE:ECHR:2022:0331JUD003832117, § 142). 20 B.11.1. De bijkomende maatregelen in het kader van het specifieke IBVR kunnen

kel worden opgelegd indien aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet uit concrete omstandigheden blijken dat de gedetineerde een reëel, ernstig

voortdurend risico vormt voor de veiligheid vanwege zijn banden met de georganiseerde misdaad (artikel 117, § 2,

artikel 118, § 3/1, tweede lid, van de Basiswet). Ten tweede moet de gedetineerde worden verdacht van of zijn veroordeeld wegens een overtreding van artikel 2bis, § 4, b), van de wet van 24 februari 1921 « betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen

verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen

antiseptica

van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen

psychotrope stoffen » of voor het misdrijf bedoeld in artikel 324ter, § 4, van het Strafwetboek (artikel 117, § 2, van de Basiswet). Die laatste bepaling stelt strafbaar iedere persoon die de leiding heeft over een criminele organisatie. Die voorwaarden zijn voldoende precies om de gedetineerde in staat te stellen in redelijke mate in te schatten welke handelingen van hem of welke omstandigheden kunnen leiden tot het opleggen van een van de twee bijkomende maatregelen. Zo wordt in het kader van de eerste voorwaarde uitdrukkelijk bepaald dat de gedetineerde « een reëel

ernstig » risico moet vormen voor de veiligheid « vanwege zijn banden met de georganiseerde misdaad ». Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, pp. 42-44), wordt met het begrip « veiligheid » zowel de – interne – veiligheid van de inrichting zelf als de – externe – veiligheid van de maatschappij bedoeld. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wijst erop dat tal van verdragsstaten, gelet op de specifieke aard van de georganiseerde misdaad, strenge veiligheidsregimes kennen voor gedetineerden die een gevaar inhouden voor zowel de interne veiligheid binnen de gevangenis als de openbare veiligheid, die zijn gebaseerd op een versterking van de controles van de contacten van de gedetineerden met de buitenwereld (EHRM, 28 september 2000, Messina t. Italië (nr. 2), voormeld, § 66; 18 maart 2014, Öcalan t. Turkije (nr. 2), ECLI:CE:ECHR:2014:0318JUD002406903, §§ 160- 161). De begrippen die in het kader van de eerste voorwaarde worden gehanteerd zijn derhalve voldoende duidelijk

nauwkeurig. De concrete invulling van die voorwaarde dient steeds geval per geval te gebeuren door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde, onder controle van de Beroepscommissie (artikel 118, § 10), die een administratief rechtscollege is (arrest nr. 150/2018 van 8 november 2018, ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.150, B.6 tot B.10),

de Raad van State, als cassatierechter. Het materiële wettigheidsbeginsel dat in de voormelde grondwets-

verdragsbepalingen is vervat, 21 verzet zich niet ertegen dat de wet in algemene bewoordingen wordt geformuleerd

aan de betrokken administratieve

wettelijke instanties een beoordelingsvrijheid toekent. Bovendien concretiseert de tweede voorwaarde de toepassing van de bijkomende maatregelen door te bepalen dat de gedetineerde moet zijn verdacht van of zijn veroordeeld voor specifieke feiten. Ten slotte gelden er ook verschillende procedurele waarborgen tegen een willekeurig gebruik van het specifieke IBVR, zoals de verplichting voor de directeur-generaal om de concrete omstandigheden of houdingen (artikel 118, § 3/1, tweede lid)

de nadere regels van elke voorgestelde maatregel (artikel 118, § 3/1, derde lid) mee te delen aan de gedetineerde, alsook om de opgelegde maatregel omstandig te motiveren (ibid.), de beperking van de (hernieuwbare) duur van de bijkomende maatregelen tot een maximum van twee maanden (artikel 118, § 7, eerste lid)

de hiervoor vermelde mogelijkheid van een jurisdictionele toetsing van de beslissing van de directeur-generaal door de Beroepscommissie

de Raad van State. B.11.2. De verzoekende partij voelt zich met betrekking tot de bijkomende maatregel van de permanente observatie door middel van een camera gegriefd door het feit dat artikel 117, § 2, van de Basiswet vermeldt dat die maatregel

kel kan worden opgelegd « mits eerbiediging van de menselijke waardigheid van de gedetineerde », zonder evenwel aan te geven op welke wijze dat concreet zal gebeuren. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft dezelfde kritiek geuit in haar advies over het voorontwerp van wet dat tot de wet van 15 mei 2024 heeft geleid. In zijn antwoord heeft de gemachtigde van de Regering gepreciseerd dat « effectief erin is voorzien dat die camerabewaking wordt onderbroken wanneer de gedetineerde zich wast of zijn behoefte doet » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, p. 284); in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp wordt verduidelijkt dat « in [de] gevallen waarin [camerabewaking] noodzakelijk wordt geacht, er ook voor wordt gezorgd dat de betrokken personen een minimum aan privacy genieten bij het gebruik van het toilet » (ibid., p. 146), zonder evenwel te preciseren hoe die beperking in de praktijk zal worden toegepast. Daaruit volgt dat de gedetineerde in principe niet onder camerabewaking mag staan wanneer hij zich wast of zijn behoefte doet. Bovendien verklaarde de gemachtigde van de Regering, in antwoord op een opmerking van de afdeling 22 wetgeving van de Raad van State in haar advies over het voorontwerp van de wet van 15 mei 2024, dat « de observatie door middel van een camera geen registratie van die beelden impliceert » (ibid., p. 285). De eerbiediging van de menselijke waardigheid van de gedetineerde moet dus in die zin worden begrepen dat zij minstens die twee elementen omvat. Voor het overige vormt de verplichting om in het kader van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel de menselijke waardigheid te eerbiedigen een van de basisbeginselen die in de Basiswet is opgenomen (artikel 5, § 1, van de Basiswet)

volgt zij als dusdanig ook uit artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat onmenselijke of vernederende behandelingen verbiedt. De voormelde verdragsbepaling vereist met name dat een persoon wordt vastgehouden in omstandigheden die verenigbaar zijn met zijn menselijke waardigheid, dat de voorwaarden inzake de uitvoering van de maatregel de betrokkene niet onderwerpen aan een ontreddering of een beproeving die intenser is dan het onvermijdelijke niveau van lijden dat inherent is aan de detentie

dat, gelet op de praktische vereisten van de opsluiting, de gezondheid

het welzijn van de gevangene op adequate wijze worden verzekerd (EHRM, grote kamer, 26 oktober 2000, Kudła t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2000:1026JUD003021096, §§ 92-94; 4 februari 2003, van der Ven t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2003:0204JUD005090199, § 50; 17 april 2012, Piechowicz t. Polen, voormeld, § 162). Het staat dus in elk geval aan de directeur-generaal om, onder controle van de Beroepscommissie

de Raad van State, die verplichting in concreto te eerbiedigen. B.11.

  1. Rekening houdend met de interpretatie vermeld in B.11.2, beantwoordt de in artikel 117, § 2, van de Basiswet opgenomen regeling aan het materiële wettigheidsbeginsel, dat vervat is in de in B.6 tot B.7 vermelde toetsingsnormen. B.
  2. Zoals is vermeld in B.11.1, beoogt het specifieke IBVR de bescherming van de veiligheid. De bestreden bepalingen streven aldus een legitiem doel na in de zin van artikel 8, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

beantwoorden bijgevolg aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving. B.

  1. Het Hof dient nog na te gaan of de twee bijkomende maatregelen die in het kader van het specifieke IBVR kunnen worden genomen evenredig zijn met de in B.12 vermelde doelstelling. 23 B.
  2. Zoals blijkt uit zowel de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, p. 44) als de tekst van artikel 117, § 2, van de Basiswet, beogen de twee bijkomende maatregelen die in het kader van het specifieke IBVR kunnen worden genomen de bedreiging tegen te gaan die een gedetineerde vanwege banden met de georganiseerde misdaad

/of het drugsmilieu kan vormen voor zowel de veiligheid van de inrichting als voor de veiligheid van de maatschappij. De permanente observatie door middel van een camera

de uitsluiting of de beperking van het recht op bezoek zijn maatregelen die geschikt zijn om dat doel te bereiken, omdat zij het risico verkleinen dat de gedetineerde contacten onderhoudt met het criminele milieu. Zoals is vermeld in B.11.1, zijn dit maatregelen die ook door tal van andere verdragsstaten werden genomen,

waarvan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ook heeft aanvaard dat ze, « rekening houdend met de specifieke aard van de georganiseerde misdaad », evenredige beperkingen van het recht op bescherming van het privéleven van de gedetineerde kunnen vormen (EHRM, 28 september 2000, Messina t. Italië (nr. 2), voormeld, §§ 66-67; 1 juni 2004, van der Graaf t. Nederland, voormeld; grote kamer, 17 september 2009,

ea t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2009:0917JUD007491201, § 126; 18 maart 2014, Öcalan t. Turkije (nr. 2), voormeld, §§ 160-161). In het licht hiervan kon de wetgever van oordeel zijn dat de in artikel 117, § 1, van de Basiswet opgenomen regeling onvoldoende is om de risico’s die die specifieke categorie van gedetineerden vormen voor de veiligheid van de penitentiaire inrichting

de openbare veiligheid, op een afdoende wijze te beperken

dat het dus noodzakelijk was om daarvoor in een specifiek regime te voorzien. In het licht van de voormelde doelstelling is het eveneens pertinent

noodzakelijk dat de bestreden regeling niet alleen van toepassing is op gedetineerden die veroordeeld zijn voor één of beide van de in artikel 117, § 2, van de Basiswet bepaalde feiten, maar ook op gedetineerden die verdacht worden van één of beide van die feiten, daar ten aanzien van het risico dat de gedetineerde contacten onderhoudt met het criminele milieu de rechtsgrond van de opsluiting – een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel – irrelevant is. Aangezien het IBVR, zoals is vermeld in B.2.4, een veiligheidsmaatregel is, is de toepassing ervan op verdachten in beginsel niet in strijd met het vermoeden van onschuld. 24 B.15.1. Zoals is vermeld in B.8, vormen de permanente observatie door middel van een camera

de uitsluiting of de beperking van het recht op bezoek ernstige inmengingen in het recht op eerbiediging van het privéleven van de gedetineerde. In vergelijking met zowel de in de afdelingen I

II van de Basiswet bepaalde controle-

bijzondere veiligheidsmaatregelen, wat betreft de draagwijdte

de duur waarvoor zij kunnen worden opgelegd, als de in artikel 117, § 1, van de Basiswet bepaalde maatregelen op grond van het bestaande IBVR, wat de draagwijdte ervan betreft, zijn de maatregelen bedoeld in artikel 117, § 2, van de Basiswet de meest verregaande. Bovendien kunnen de in artikel 117, § 2, van de Basiswet bepaalde maatregelen samen worden opgelegd, of in combinatie met een of meerdere van de in artikel 117, § 1, van de Basiswet bedoelde maatregelen. B.15.2.1. De artikelen 116, 117

118 van de Basiswet onderwerpen de toepassing van het specifieke IBVR evenwel aan strikte voorwaarden

waarborgen. B.15.2.2. Ten eerste kan het specifieke IBVR

kel worden opgelegd of hernieuwd na advies van de federale procureur of de inlichtingen-

veiligheidsdiensten, waarin wordt aangegeven dat de gedetineerde een ernstige, reële

voortdurende bedreiging voor de veiligheid vormt (artikel 118, § 3/1, eerste lid,

§ 7

, vierde

vijfde lid, van de Basiswet)

indien het vergezeld is van een psycho-medisch advies met betrekking tot de verenigbaarheid van de nadere regels van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde (artikel 118, § 3/1, vierde lid,

§ 7, vierde lid, van de Basiswet).

Wat de in artikel 117, § 2, 1°, van de Basiswet bedoelde maatregel betreft, moet er bovendien een regelmatige controle worden uitgevoerd, minstens tijdens het bezoek van de arts minstens eenmaal per week bedoeld in artikel 118, § 5, van dezelfde wet, van de eventuele gevolgen voor de mentale gezondheid. Voorts zijn de basisbeginselen die in titel II van de Basiswet zijn bepaald, onverkort van toepassing op het specifieke IBVR (artikel 117, § 3, van de Basiswet). B.15.2.3. Voorts gelden de voorwaarden

de procedurele waarborgen die zijn vermeld in B.11.1. Specifiek met betrekking tot de duur waarvoor de bijkomende maatregelen kunnen worden opgelegd, moet erop worden gewezen dat het specifieke IBVR krachtens artikel 116, § 2, van de Basiswet in elk geval slechts kan worden opgelegd « voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd ». Dat impliceert bijgevolg dat de concrete duur van de maatregel die wordt opgelegd onder 25 die maximumduur kan liggen (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, p. 146; zie ook reeds met betrekking tot het bestaande IBVR, Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1076/001, pp. 185

255),

in het licht van de motiveringsplicht die in artikel 118, § 3/1, derde lid, van de Basiswet is opgenomen, zal de directeur-generaal de door hem voorgestelde duur ook moeten motiveren. Bovendien moet de directeur van de penitentiaire inrichting eenmaal per maand aan de directeur-generaal omstandig verslag uitbrengen over het verloop van de plaatsing in het IVBR, op basis waarvan de directeur-generaal kan beslissen een einde te maken aan de plaatsing of de plaatsingsmaatregelen kan milderen (artikel 118, § 7, tweede lid, van de Basiswet). Hoewel de opgelegde maatregel kan worden hernieuwd

er geen beperking is van het aantal hernieuwingen, spreekt het voor zich dat het bepaalde in artikel 116, § 2, van de Basiswet a fortiori geldt in geval van een hernieuwing van de plaatsing van een gedetineerde in een specifiek IBVR, waarbij de directeur-generaal bovendien ertoe gehouden is zijn onderzoek op een evolutieve wijze te voeren, rekening houdend met eventuele wijzigingen in de omstandigheden

het gedrag van de gedetineerde (EHRM, 17 november 2015, Bamouhammad t. België, ECLI:CE:ECHR:2015:1117JUD004768713, § 139). De motiveringsplicht heeft niet

kel betrekking op de duur van de voorgestelde maatregel, maar strekt zich uit tot alle aspecten ervan. Aldus moet de directeur-generaal motiveren uit welke concrete, bijzondere omstandigheden of houdingen blijkt dat de gedetineerde een ernstige, reële

voortdurende bedreiging uitmaakt voor de interne

externe veiligheid, waarom, zoals vereist door artikel 116, § 2, van de Basiswet, de veiligheid op geen

kele andere wijze, inzonderheid via een in afdeling I of afdeling II van de Basiswet vermelde controlemaatregel respectievelijk bijzondere beveiligingsmaatregel, kan worden gevrijwaard, alsook welke maatregel noodzakelijk is om aan die bedreiging het hoofd te bieden,

de modaliteiten van de voorgestelde maatregel (zie bijvoorbeeld, met betrekking tot de uitsluiting van het recht op bezoek

/of van het recht op ongestoord bezoek van alle of sommige bezoekers, Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55–3945/001, p. 286),

het doel

de effecten van de voorgestelde maatregel op de betrokken persoon aangeven. Daarbij zal de directeur- generaal ook rekening moeten houden met het feit dat het IBVR een uitzonderlijk karakter heeft. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt in haar advies over het voorontwerp van wet dat tot de wet van 15 mei 2024 heeft geleid, « [zal] de motivering van de beslissing waarbij de directeur-generaal de maatregel oplegt [...] dus alleszins pertinent

afdoende moeten zijn » (ibid.). 26 De verzoekende partij laat gelden dat de motiveringsplicht geen afdoende waarborg is, daar de beslissing tot het opleggen van het specifieke IBVR niet wordt genomen door de directeur van de penitentiaire inrichting waar de gedetineerde verblijft, maar door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding, verantwoordde de wetgever het initiatief-

beslissingsrecht van de directeur-generaal door het feit dat het de penitentiaire administratie

de federaal procureur

/of de inlichtingen-

veiligheidsdiensten zijn die, in dossiers met betrekking tot de georganiseerde misdaad, over nuttige informatie beschikken

door het feit dat het die informatie is die de aanleiding vormt voor de toepassing van het specifieke IBVR,

niet, zoals het geval is ten aanzien van het in artikel 116, § 1, van de Basiswet geregelde bestaande IBVR, de informatie over het gedrag van de gedetineerde binnen de gevangenis. In antwoord op een soortgelijke opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies over het voorontwerp van de wet van 15 mei 2024, voegde de gemachtigde van de Regering daar nog aan toe dat « het type gedetineerden waarvan hier sprake is, doorgaans bijzonder rustig

respectvol is tegenover het gevangenispersoneel. De directeur (

het personeel) zijn zich dan ook totaal niet bewust van het risico dat dergelijke gedetineerden kunnen vormen. De directeur is zich dus de facto bewust van hetgeen binnen de inrichting plaatsvindt, maar

kel binnen de inrichting » (ibid., p. 287, eigen vertaling). In het licht van die elementen is het redelijk verantwoord om de directeur van de inrichting waar de gedetineerde verblijft niet het initiatiefrecht te geven in de procedure tot het opleggen van het specifieke IBVR

evenmin te voorzien in een verplichting om systematisch zijn advies in te winnen. Overigens wordt de directeur van de inrichting in elk geval op de hoogte gesteld van het voornemen om het specifieke IBVR op te leggen, aangezien hij de gedetineerde daaromtrent dient te horen (artikel 118, § 3/1, vijfde lid, van de Basiswet). Zoals ook blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 2024 (ibid., p. 147), verzet niets zich ertegen dat hij zijn standpunt over de voorgestelde maatregel meedeelt, bijvoorbeeld door dat samen met zijn verslag van de hoorzitting over te maken aan de directeur- generaal (zie ook artikel 118, § 3/1, zesde lid, van de Basiswet). B.15.2.4. Verder beschikt de gedetineerde over de mogelijkheid om, bijgestaan door een raadsman indien hij dat wenst, zijn verweermiddelen te laten gelden tijdens een hoorzitting met de directeur van de penitentiaire inrichting (artikel 118, § 3/1, vijfde lid, eerste zin, van de Basiswet). De directeur maakt een verslag van de hoorzitting, met inbegrip van de verweermiddelen van de gedetineerde,

bezorgt dat verslag aan de directeur-generaal met het oog op het nemen van zijn beslissing (artikel 118, § 3/1, vijfde lid, tweede zin,

zesde lid). 27 De directeur-generaal zal in de motivering van zijn beslissing dus ook rekening moeten houden met het standpunt van de gedetineerde. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, kan artikel 118, § 3/1, vijfde lid, eerste zin, van de Basiswet niet zo worden begrepen dat de gedetineerde

de Beroepscommissie geen inzage kunnen hebben in de stukken op basis waarvan de directeur-generaal zijn beslissing heeft genomen. Wanneer in de hoorplicht normatief is voorzien, maar de inhoud ervan niet nader of niet volledig is bepaald, zoals het geval is voor de voormelde bepaling, moet ze worden omgeven met dezelfde waarborgen als die welke het bestuur dient na te leven op grond van het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht (RvSt, 4 november 2024, nr. 261.265, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.265). De betrokkene kan zijn standpunt slechts « nuttig » uiteenzetten als hij vooraf kennis krijgt van de maatregel die wordt overwogen

van de motieven die het bestuur ertoe aanzetten om de maatregel in overweging te nemen

indien hij inzage krijgt in het volledige dossier dat aan de beslissende overheid wordt overgelegd, zodat hij met betrekking tot elk van de bestanddelen ervan zijn standpunt kenbaar kan maken (ibid.). Weliswaar geldt krachtens artikel 8, § 1, van de basiswet een uitzondering op de motiveringsplicht –

derhalve eveneens op het recht op inzage van de aan de motivering onderliggende stukken – wanneer die motivering (

inzage) « de veiligheid ernstig in gevaar zou brengen ». Die uitzondering kan evenwel niet zo worden begrepen dat elke beslissing waarbij een gedetineerde in een specifiek IBVR wordt geplaatst

elk stuk dat aan die beslissing ten grondslag ligt, daaronder valt. Bovendien moet de Beroepscommissie steeds toegang hebben tot alle documenten die aan de beslissing van de directeur-generaal ten grondslag liggen (vergelijk EHRM, 26 juni 2025, Cimpaka Kapeta t. België, ECLI:CE:ECHR:2025:0626JUD005500018, §§ 80-82). B.15.2.5. Voorts wordt elke beslissing tot plaatsing in een specifiek IBVR

elke aanpassing van het regime door de directeur-generaal bijgehouden door de penitentiaire administratie in een centraal register

door de directeur in een lokaal register (artikel 118, § 6, eerste

tweede lid, van de Basiswet). Die registratie maakt de controle mogelijk van die beslissingen (artikel 118, § 6, derde lid, van de Basiswet). B.15.2.

  1. Ten slotte kan de gedetineerde, zoals is vermeld in B.11.1, tegen de beslissing van de directeur-generaal tot plaatsing in of hernieuwing van een specifiek IBVR een jurisdictioneel beroep instellen bij de Beroepscommissie. Zoals is vermeld in B.3.5, kan de Beroepscommissie daarbij de wettigheid met inbegrip van de redelijkheid van de beslissing 28 toetsen. Tegen de beslissing van de Beroepscommissie is cassatieberoep mogelijk bij de Raad van State. B.15.
  2. Gelet op het voorgaande, hebben de twee bijkomende maatregelen die in het kader van het specifieke IBVR kunnen worden genomen, op zich geen onevenredige gevolgen. Het staat evenwel aan de directeur-generaal van de penitentiaire administratie om, onder controle van de Beroepscommissie

de Raad van State, erover te waken dat bij de toepassing van de bestreden bepalingen de voorwaarden

waarborgen waarin is voorzien strikt worden nageleefd,

dat de grondrechten van de gedetineerde, inzonderheid de grondrechten die zijn gewaarborgd bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, worden gerespecteerd. B.16. Het eerste onderdeel van het eerste middel

het eerste

tweede onderdeel van het tweede middel zijn niet gegrond. Wat betreft het tweede onderdeel van het eerste middel B.17. Het tweede onderdeel van het eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 105 van de wet van 15 mei 2024, van de artikelen 10

11 van de Grondwet, artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

de artikelen 2

26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. B.18. De artikelen 10

11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust

het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. 29 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel

de gevolgen van de betwiste maatregel

met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen

het beoogde doel. B.19. In zoverre de verzoekende partij bekritiseert dat de gedetineerden die onder het specifieke IBVR vallen, worden uitgesloten van de waarborgen die zijn vastgesteld in artikel 116, § 2, van de Basiswet, steunt het middelonderdeel op een onjuist uitgangspunt. Uit artikel 118, § 3/1, eerste lid, van de Basiswet volgt immers dat de waarborgen die zijn bepaald in artikel 116, § 2, van de Basiswet, namelijk dat tot de plaatsing in een IBVR

kel kan worden besloten wanneer de veiligheid op geen

kele andere wijze kan worden gevrijwaard

voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd, van toepassing zijn op het specifieke IBVR. B.

  1. Om de redenen die zijn vermeld in B.14, is de door de verzoekende partij geformuleerde kritiek tegen de toepassing van het specifieke IBVR op zowel gedetineerden die zijn veroordeeld voor één of beide van de in artikel 117, § 2, van de Basiswet bepaalde feiten, als gedetineerden die verdacht worden van één of beide van die feiten, niet gegrond. B.21.
  2. Daarnaast bekritiseert de verzoekende partij het feit dat een verdachte op wie het specifieke IBVR kan worden toegepast niet over rechterlijke waarborgen beschikt, waarover een verdachte ten aanzien van wie op grond van artikel 20, § 3, van de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis » (hierna : de wet van 20 juli 1990) een vrijheidsbeperkende maatregel werd genomen, wel beschikt. B.21.
  3. Krachtens artikel 20, § 3, van de wet van 20 juli 1990 kan de onderzoeksrechter, als er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat een verdachte zou pogen om bewijzen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, bevelen om een verdachte gescheiden te houden van andere verdachten

het bezoek verbieden van individueel in het bevel vermelde personen van buiten de inrichting (1°), de briefwisseling verbieden gericht aan of uitgaande van individueel in het bevel vermelde personen (2°), of telefonische contacten verbieden met individueel in het bevel vermelde personen (3°). Op grond van artikel 20, § 6, van dezelfde wet kan de verdachte bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis een 30 verzoekschrift indienen tot wijziging of opheffing van de maatregel die de onderzoeksrechter krachtens de derde paragraaf heeft opgelegd. B.21.3. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat een verdachte op wie het specifieke IBVR kan worden toegepast geen

kele waarborg van een rechterlijke tussenkomst geniet, steunt haar middel op een onjuist uitgangspunt. Zoals is vermeld in B.11.1, is de Beroepscommissie, bij wie de gedetineerde een beroep kan instellen tegen de beslissing van de directeur-generaal waarbij een in artikel 117, § 2, bedoelde maatregel wordt opgelegd, een administratief rechtscollege. Bovendien is tegen de beslissing van de Beroepscommissie cassatieberoep mogelijk bij de Raad van State. B.21.4. In tegenstelling tot de onderzoeksrechter is de directeur-generaal van de penitentiaire administratie geen rechterlijke instantie. Het door de verzoekende partij bekritiseerde onderscheid, dat evenzeer geldt ten aanzien van het bestaande IBVR, vindt zijn grondslag in de principiële bevoegdheidsverdeling die inzake de voorlopige hechtenis bestaat tussen de onderzoeksrechter, die het bevel tot aanhouding afgeeft (de externe aspecten van de vrijheidsbeneming),

de directeur van de penitentiaire inrichting of de directeur-generaal van de penitentiaire administratie, die beslist over de vormgeving van de vrijheidsbeneming binnen de inrichting waar de aangehouden verdachte wordt opgesloten (de interne aspecten van de vrijheidsbeneming) (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1076/001, p. 139). Artikel 20, § 3, van de wet van 20 juli 1990 vormt weliswaar een beperkte uitzondering op die bevoegdheidsverdeling, doordat het de onderzoeksrechter toelaat om maatregelen te nemen die ingrijpen in de interne aspecten van de vrijheidsbeneming, maar die uitzondering is

kel ingegeven « in het belang van het onderzoek » dat de onderzoeksrechter voert, omdat het volgens de wetgever « strijdig zou zijn met de ratio van de Voorlopige Hechteniswet zelf, indien de personen die worden aangehouden, onder meer om te verhinderen dat zij zouden pogen bewijzen te laten verdwijnen of om collusie te vermijden (artikel 16, § 1, derde lid), de realisering van deze doelstellingen zouden ondermijnen langs de omweg van de modale regeling van het bezoek, de briefwisseling,

het gebruik van de telefoon » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1076/001, pp. 139-142). Het door de verzoekende partij bekritiseerde verschil in behandeling is derhalve redelijk verantwoord. Voor het overige kan de gedetineerde in een procedure met betrekking tot een administratieve maatregel, die het IBVR is, geen recht laten gelden op de toepassing van de 31 rechterlijke waarborgen op elk niveau van de procedure. Het volstaat dat tegen de beslissing van de administratieve overheid een beroep kan worden ingesteld bij een rechterlijke instantie die wel die waarborgen biedt. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn voormelde arrest nr. 150/2018, is dat het geval voor de Beroepscommissie. B.22. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. Wat betreft het derde onderdeel van het tweede middel B.23. Het derde onderdeel van het tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 105 van de wet van 15 mei 2024, van de artikelen 10, 11

22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3

8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met de artikelen 2

17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. B.24. Zoals blijkt uit de tekst van artikel 117, § 2, van de Basiswet

zoals is vermeld in B.15.1, kunnen in het kader van het specifieke IBVR de permanente observatie door middel van een camera

de uitsluiting of de beperking van het recht op bezoek worden gecumuleerd

worden gecombineerd met een of meerdere van de maatregelen die zijn bepaald in artikel 117, § 1, van de Basiswet. B.25. De artikelen 10

11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid

van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten

alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.

  1. Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. B.27.
  2. Hoewel maatregelen die een persoon van zijn vrijheid beroven vaak een element van ontreddering of beproeving inhouden, kan niet ervan worden uitgegaan dat de opsluiting in 32 een zwaarbeveiligde penitentiaire inrichting, hetzij in voorlopige hechtenis hetzij na een strafrechtelijke veroordeling, op zichzelf een probleem doet rijzen in het licht van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Overwegingen van openbare orde kunnen een verdragsstaat ertoe brengen streng beveiligde gevangenisregimes in te voeren voor bepaalde categorieën van gedetineerden

, zoals is vermeld in B.11.1, kennen tal van verdragsstaten strengere veiligheidsregels voor gevaarlijke gedetineerden (EHRM, 7 juni 2011, Csüllög t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2011:0607JUD003004208, §§ 13-16; 17 april 2012, Piechowicz t. Polen, voormeld, § 161; 17 april 2012, Horych t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2012:0417JUD001362108, § 88). B.27.2. Het loutere feit dat in het kader van een bijzonder individueel veiligheidsregime verschillende maatregelen worden gecumuleerd, is op zich niet in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 17 april 2012, Piechowicz t. Polen, voormeld, §§ 166-178; 3 november 2015, Chyła t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2015:1103JUD000838408, § 92; 16 februari 2016, Świderski t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2016:0216JUD000553210, § 57). Zoals is vermeld in B.11.2, moet er evenwel in elk geval bij de toepassing van een bijzonder veiligheidsregime over worden gewaakt dat een persoon wordt vastgehouden in omstandigheden die verenigbaar zijn met zijn menselijke waardigheid, dat de voorwaarden inzake de uitvoering van de maatregel de betrokkene niet onderwerpen aan een ontreddering of een beproeving die intenser is dan het onvermijdelijke niveau van lijden dat inherent is aan de detentie

dat, gelet op de praktische vereisten van de opsluiting, de gezondheid

het welzijn van de gevangene op adequate wijze worden verzekerd. Bij de beoordeling of de betrokken detentievoorwaarden verenigbaar zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, moet rekening worden gehouden met de cumulatieve effecten van die voorwaarden. In dat verband dient te worden gekeken naar de zwaarte van de maatregel, de duur

het doel ervan

de gevolgen voor de betrokken personen (EHRM, 4 februari 2003, van der Ven t. Nederland, voormeld, § 51; 17 april 2012, Piechowicz t. Polen, voormeld, § 163; 17 april 2012, Horych t. Polen, voormeld, § 90). Het staat derhalve aan de directeur-generaal van de penitentiaire administratie om, onder controle van de Beroepscommissie

de Raad van State, erover te waken dat hij bij de 33 cumulatieve toepassing van de in artikel 117, §§ 1

2, van de Basiswet bepaalde maatregelen artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens eerbiedigt. B.28. Gelet op het voorgaande,

rekening houdend met de waarborgen die zijn vermeld in B.15.2.1 tot B.15.2.6, schendt het feit dat de in artikel 117, §§ 1

2, van de Basiswet bepaalde maatregelen kunnen worden gecumuleerd, op zich niet artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.29. Om de redenen die zijn vermeld in B.15.2.1 tot B.15.2.6, vormt de cumulatieve toepassing van de in artikel 117, §§ 1

2, van de Basiswet bepaalde maatregelen op zich geen onevenredige inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van de gedetineerde. Ook hier moet de directeur-generaal van de penitentiaire administratie evenwel erover waken, onder controle van de Beroepscommissie

de Raad van State, dat hij in elke concrete zaak artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, eerbiedigt. B.

  1. Het derde onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. Wat betreft het derde middel B.
  2. De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending, door de artikelen 106

107 van de wet van 15 mei 2024, van de artikelen 10

11 van de Grondwet

van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. De verzoekende partij bekritiseert het feit dat de procedurele waarborgen die de bestreden bepalingen invoeren met betrekking tot het specifieke IBVR zwakker zijn dan de procedurele waarborgen die bestaan in het kader van het bestaande IBVR, zowel op het vlak van het verloop van de procedure (eerste onderdeel) als op het vlak van de beslissingen die de Beroepscommissie kan nemen (tweede onderdeel). 34 Eerste onderdeel B.32. Met betrekking tot de gronden op basis waarvan het specifieke IBVR kan worden opgelegd, werd in B.11.1 vermeld dat artikel 117, § 2, van de Basiswet in voldoende duidelijke

nauwkeurige bewoordingen is geformuleerd, aangezien die bepaling uitdrukkelijk aangeeft dat de gedetineerde, op grond van concrete omstandigheden, een reëel

ernstig risico moet vormen voor de veiligheid « vanwege zijn banden met de georganiseerde misdaad ». Artikel 118, § 3/1, tweede lid, van de Basiswet moet in dezelfde zin als artikel 117, § 2, van de Basiswet worden begrepen, namelijk dat de beslissing om een gedetineerde in een specifiek IBVR te plaatsen, die ter kennis van de gedetineerde wordt gebracht krachtens artikel 118, § 3/1, tweede lid, van de Basiswet, de « concrete omstandigheden » moet uiteenzetten die aantonen dat de gedetineerde « een reëel

ernstig risico vormt voor de veiligheid vanwege zijn banden met de georganiseerde misdaad ». Als bepaling die de procedure voor het specifieke IBVR vastlegt, kan artikel 118, § 3/1, tweede lid, van de Basiswet immers niet worden verondersteld af te wijken van de grondvoorwaarden voor het opleggen van een dergelijk regime, die in artikel 117, § 2, zijn bepaald. In die interpretatie voldoet artikel 117, § 2, van de Basiswet, in samenhang gelezen met artikel 118, § 3/1, tweede lid, van dezelfde wet, aan de in B.8 vermelde vereisten. B.33. In zoverre de verzoekende partij voor het overige aanklaagt dat de motiveringsplicht die op de directeur-generaal rust onduidelijk is, is haar grief niet gegrond om de redenen die zijn vermeld in B.15.2.3. B.34. In zoverre de verzoekende partij ten slotte bekritiseert dat voor het opleggen

het hernieuwen van het specifieke IBVR, anders dan wat geldt voor het bestaande IBVR, geen voorstel respectievelijk een advies van de directeur van de penitentiaire inrichting waar de gedetineerde verblijft, is vereist, volgt uit hetgeen is vermeld in B.15.2.3, dat dit verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Het feit dat de gedetineerde zijn verweermiddelen

kel kan laten gelden op een hoorzitting met de directeur,

niet met de directeur-generaal, hetgeen overigens ook het geval is in het kader van het bestaande IBVR, heeft geen onevenredige gevolgen, aangezien de directeur op grond van artikel 118, § 3/1, zesde lid, van de Basiswet, zoals is vermeld in B.15.2.3, van die 35 verweermiddelen

van de hoorzitting een verslag maakt

dat overmaakt aan de directeur- generaal met het oog op het nemen van zijn beslissing. Zoals in diezelfde overweging is vermeld, staat niets eraan in de weg dat de directeur zijn standpunt geeft over de voorgestelde maatregel

dat de directeur-generaal daarmee vervolgens rekening houdt. B.

  1. Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.32, is het eerste onderdeel van het derde middel niet gegrond. Tweede onderdeel B.
  2. In het tweede onderdeel bekritiseert de verzoekende partij het feit dat de Beroepscommissie bij een vernietiging in het kader van het specifieke IBVR

kel de directeur- generaal kan opdragen om binnen een door haar bepaalde termijn een nieuwe beslissing te nemen, terwijl zij in het kader van het bestaande IBVR haar eigen beslissing in de plaats kan stellen. B.37. Zoals is vermeld in B.3.5, kan de Beroepscommissie, wanneer zij een beroep tegen een beslissing van de directeur-generaal tot plaatsing of hernieuwing van een gedetineerde in het bestaande IBVR gegrond verklaart,

(1)de directeur opdragen, binnen een door haar bepaalde termijn, een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak;
(2)bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing of
(3)zich beperken tot een gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing (artikel 158, § 3, van de Basiswet). Wanneer de Beroepscommissie daarentegen een beslissing van de directeur- generaal tot plaatsing of hernieuwing van een gedetineerde in het specifieke IBVR vernietigt, kan de Beroepscommissie krachtens artikel 158, § 3/1, van de Basiswet, zoals ingevoerd door artikel 107 van de wet van 15 mei 2024, evenwel

kel de onder

(1)
(3)bedoelde beslissingen nemen. Zij beschikt in het kader van het specifieke IBVR derhalve niet over de mogelijkheid om haar uitspraak in de plaats te stellen van de vernietigde beslissing. B.38. Aanvankelijk beoogde de wetgever te voorzien in een veel ruimere afwijkende procesregeling met betrekking tot het specifieke IBVR, met onder meer ook een beperking van de toetsingsbevoegdheid van de Beroepscommissie tot het controleren van de naleving van « substantiële vormen »,

een uitsluiting van de toepassing van de artikelen 165

166 van 36 de Basiswet. In haar advies over het voorontwerp van de wet van 15 mei 2024 bekritiseerde de afdeling wetgeving van de Raad van State evenwel die afwijkingen van de procesregeling die gelden voor het bestaande IBVR (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, pp. 288- 290),

drong zij erop aan dat, « tenzij daarvoor alsnog een afdoende redelijke verantwoording kan worden geboden, [...] daaraan [wordt] verholpen, alleen al gelet op de grondwettelijke beginselen van gelijkheid

niet-discriminatie » (ibid., p. 290). In antwoord op die kritiek nam de wetgever de volgende verduidelijking op in de memorie van toelichting : « Ingevolge het advies van de Raad van State werd de beroepsmogelijkheid tegen de beslissingen tot plaatsing in het individueel bijzonder veiligheidsregime bij de Beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad behouden, maar werd, gelet op de zeer specifieke aard van deze categorie gedetineerden

het advies van het federaal parket of de inlichtingen-

veiligheidsdiensten dat aan dit regime ten grondslag ligt, een bijzondere motiveringsplicht ingeschreven voor het geval de Beroepscommissie de beslissing (geheel of gedeeltelijk) vernietigt. Er werd ook gepreciseerd dat de Beroepscommissie in dat geval haar beslissing niet in de plaats kan stellen van die van de directeur-generaal » (ibid., p. 148). De wetgever zag derhalve af van de beperking van de toetsingsbevoegdheid van de Beroepscommissie

van de niet-toepassing van de artikelen 165

166 van de Basiswet, maar hij behield de uitsluiting van de mogelijkheid voor de Beroepscommissie om in het kader van het specifieke IBVR haar uitspraak in de plaats te stellen van de beslissing van de directeur- generaal. Die uitsluiting doet hij bijgevolg steunen op de specifieke aard van dat veiligheidsregime, met inbegrip van het optreden van het federaal parket of de inlichtingen-

veiligheidsdiensten. B.

  1. De algemene of specifieke aard van het betrokken veiligheidsregime is een objectief criterium van onderscheid. B.
  2. Zoals is vermeld in B.15.2.3, kon de wetgever, gelet op de specifieke aard van de veiligheidsrisico’s, redelijkerwijze van oordeel zijn dat, anders dan in het bestaande IBVR, niet de directeur van de penitentiaire inrichting waar de gedetineerde verblijft, maar de federaal procureur

/of de inlichtingen-

veiligheidsdiensten de meest aangewezen instanties zijn om een inschatting te maken van de betrokken veiligheidsrisico’s

daarover een advies te geven aan de directeur-generaal van de penitentiaire administratie. Die elementen verantwoorden evenwel niet het onderscheid met betrekking tot de beslissingen die kunnen worden genomen door de Beroepscommissie, die een rechtscollege is

die, zowel door haar algemene 37 bevoegdheid als beroepsinstantie binnen het gevangeniswezen (artikel 25/2, § 2, van de Basiswet) als door haar samenstelling uit leden die zijn gekozen wegens hun deskundigheid of hun ervaring met betrekking tot de taken die haar zijn toevertrouwd (Parl. St., Kamer, 2000- 2001, DOC 50–1076/001, p. 214), voorgezeten door een magistraat van de zetel, goed vertrouwd is met de penitentiaire context. Noch in de in B.38 vermelde memorie van toelichting, noch in de memories die de Ministerraad voor het Hof heeft ingediend, wordt aangetoond waarom de veiligheidsrisico’s onder het specifieke IBVR dermate groot, specifiek of gevoelig zijn dat de Beroepscommissie, wanneer het een beroep gegrond verklaart, niet in staat zou zijn om een adequate inschatting te maken van een bepaalde veiligheidssituatie

haar beslissing, indien zij dat nodig acht, in de plaats te stellen. Bovendien vereist artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 13 ervan, dat de gedetineerde beschikt over een rechtsmiddel dat toelaat om een einde te maken aan een onmenselijke of mensonterende opsluiting of dat kan leiden tot een verbetering van de detentievoorwaarden (EHRM, 10 januari 2012, Ananyev e.a. t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2012:0110JUD004252507, §§ 97-98; 27 januari 2015, Neshkov e.a. t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2015:0127JUD003692510, § 181; 30 januari 2020, J.M.B. e.a. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2020:0130JUD000967115, § 208). Om effectief te zijn, dient de instantie tot wie de gedetineerde zich kan wenden, te beschikken over een breed scala aan juridische instrumenten om een einde te maken aan de problemen die aanleiding hebben gegeven tot de grieven van de gedetineerde

moet zij snel een einde kunnen maken aan de met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens strijdige detentievoorwaarden (EHRM, 27 januari 2015, Neshkov e.a. t. Bulgarije, voormeld, § 183; 30 januari 2020, J.M.B. e.a. t. Frankrijk, voormeld, § 208). Bijgevolg vormt de mogelijkheid voor de Beroepscommissie om haar uitspraak in de plaats te stellen een bijkomende waarborg voor de gedetineerde; een waarborg die des te belangrijker is voor gedetineerden die zijn geplaatst in het specifieke IBVR, aangezien de in artikel 117, § 2, van de Basiswet bepaalde maatregelen, zoals is vermeld in B.8

B.15.1, een nog zwaardere impact hebben op de gedetineerde. Het niet voorzien in die waarborg in het kader van het specifieke IBVR is overigens des te meer opmerkelijk, aangezien het specifieke IBVR niet noodzakelijk hoeft te bestaan uit de permanente observatie door middel van een camera of de uitsluiting of de beperking van het recht op bezoek, maar ook kan bestaan uit de maatregelen die in het kader van het bestaande IBVR kunnen worden genomen,

waarbij de 38 Beroepscommissie, indien die maatregelen onder dat regime worden genomen, wel de mogelijkheid heeft om haar uitspraak in de plaats te stellen. B.

  1. Het in B.37 vermelde verschil in behandeling is derhalve niet redelijk verantwoord. B.
  2. Het tweede onderdeel van het derde middel is gegrond. Artikel 158, § 3/1, van de Basiswet, zoals ingevoerd door artikel 107 van de wet van 15 mei 2024, dient bijgevolg te worden vernietigd. 39 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 158, § 3/1, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen

de rechtspositie van de gedetineerden », zoals ingevoerd door artikel 107 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie

diverse bepalingen II »; - verwerpt het beroep voor het overige, onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.11.2

B.32. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans

het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 december 2025. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.163 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.020 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.150 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.787 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.384 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.265 ECLI:CE:ECHR:2000:0928JUD002549894 ECLI:CE:ECHR:2000:1026JUD003021096 ECLI:CE:ECHR:2003:0204JUD005090199 ECLI:CE:ECHR:2004:0217JUD003974898 ECLI:CE:ECHR:2004:0601DEC000870403 ECLI:CE:ECHR:2009:0917JUD007491201 ECLI:CE:ECHR:2011:0607JUD003004208 ECLI:CE:ECHR:2012:0110JUD004252507 ECLI:CE:ECHR:2012:0417JUD001362108 ECLI:CE:ECHR:2012:0417JUD002007107 ECLI:CE:ECHR:2012:1113JUD002402907 ECLI:CE:ECHR:2014:0318JUD002406903 ECLI:CE:ECHR:2015:0127JUD003692510 ECLI:CE:ECHR:2015:0630JUD004141804 ECLI:CE:ECHR:2015:1103JUD000838408 ECLI:CE:ECHR:2015:1117JUD004768713 ECLI:CE:ECHR:2016:0216JUD000553210 ECLI:CE:ECHR:2016:1206JUD004354513 ECLI:CE:ECHR:2019:0702JUD002705706 ECLI:CE:ECHR:2020:0130JUD000967115 ECLI:CE:ECHR:2022:0331JUD003832117 ECLI:CE:ECHR:2023:0321JUD003814420 ECLI:CE:ECHR:2025:0626JUD005500018 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.