← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.165

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.165 Arrest- Rolnummer: 165/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-22 Raadplegingen: 854 - laatst gezien 2026-06-18 19:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikel 4 van de wet van 18 februari 2024) - Handhaving van de gevolgen van het vernietigde artikel 4 tot de inwerkingtreding van een nieuwe wetgeving en tot uiterlijk 31 december 2026 - Verwerping van de beroepen voor het overige onverminderd de in B.30.2, in B.36.2 en in B.45.2 vermelde ongrondwettigheden; het staat aan de wetgever om die ongrondwettigheden te verhelpen, uiterlijk op 31 december 2026 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 18 februari 2024 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers », ingesteld door de nv « Ascot » en anderen, door de nv « NGG » en anderen, door de nv « Chaudfontaine Loisirs » en de bv « SGS Betting », door de bvba « Unibet Belgium Ltd » en anderen, door de nv « Derby » en door de nv « Gambling Management » en anderen. Kansspelen - Cumulatie van uitbatingsvergunningen van onderscheiden klassen - Leeftijdsgrens - Toekenning van voordelen aan klanten - Reclame voor kansspelen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 165/2025 van 11 december 2025 Rolnummers : 8309, 8313, 8314, 8315, 8316 en 8319 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 18 februari 2024 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers », ingesteld door de nv « Ascot » en anderen, door de nv « NGG » en anderen, door de nv « Chaudfontaine Loisirs » en de bv « SGS Betting », door de vennootschap naar vreemd recht « Unibet Belgium Ltd » en anderen, door de nv « Derby » en door de nv « Gambling Management » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij zes verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 28, 29 en 30 augustus 2024 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 30 augustus en 2 en 3 september 2024, zijn beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 18 februari 2024 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 maart 2024) ingesteld respectievelijk door de nv « Ascot », de nv « Belgische PMU » en de bv « World Football Association », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Yaël Spiegl en mr. Emmanuel Van Nuffel, advocaten bij de balie te Brussel, door de nv « NGG », de nv « Aloha », de bv « Bepraq Invest », de bv « Breydel Games », de nv « Capitole », de bv « Cocky’s Games », de nv « De Ceuster Continental », de nv « E.C.K. », de nv « E.T.C. Europa Technics & Cie », de nv « Future Games », de bv « Games-Lichtervelde », de bv « Games-Nazareth », de bv « Irjam », de nv « Javas », de bv « Lagaut », de bv « Le Château », de nv « Lucky Seven », de bv « Luna Invest », de nv « Lunatim », de nv « Napoleon Games », de nv « Napoleon Games Sports », de nv « New Laforge », de nv « Olympian Games », de nv « Ostend Games » en de bv « Snook », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bob Martens, mr. Livia Van Severen en mr. Astrid Van Laer, 2 advocaten bij de balie te Brussel, door de nv « Chaudfontaine Loisirs » en de bv « SGS Betting », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bruno Lombaert, mr. Sophie Adriaenssen en mr. Marie Van Der Elst, advocaten bij de balie te Brussel, door de vennootschap naar vreemd recht « Unibet Belgium Limited », de nv « Blankenberge Casino Kursaal » en de bv « Star Matic », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pieter Paepe en mr. Christoph De Preter, advocaten bij de balie te Brussel, en door mr. Joos Roets en mr. Timothy Roes, advocaten bij de balie van Antwerpen, door de nv « Derby », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pierre Joassart, advocaat bij de balie te Brussel, en door de nv « Gambling Management », de nv « Casino de Spa » en de nv « Circus Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Karl Stas en mr. Thomas De Meese, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8309, 8313, 8314, 8315, 8316 en 8319 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de nv « Vade & Co », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. François Tulkens en mr. Lola Malluquin, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in de zaken nrs. 8309, 8313, 8314, 8315 en 8316); - de nv « Nationale Loterij », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Vlaemminck, mr. Robbe Verbeke en mr. Valentin Ramognino, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in alle zaken); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Schaffner en mr. Sébastien Kaisergruber, advocaten bij de balie te Brussel, en door mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Ingevolge de verzoeken van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8313, 8315 en 8319 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 24 september 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 22 oktober

  1. Op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2025 : - zijn verschenen : . mr. Gauthier Duquesne, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco mr. Emmanuel Van Nuffel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8309; 3 . mr. Livia Van Severen, tevens loco mr. Bob Martens, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8313; . mr. Bruno Lombaert en mr. Marie Van Der Elst, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8314; . mr. Christoph De Preter, tevens loco mr. Pieter Paepe, en mr. Joos Roets, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8315; . mr. Pierre Joassart, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 8316; . mr. Karl Stas, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8319; . mr. François Tulkens, voor de nv « Vade & Co »; . mr. Robbe Verbeke en mr. Valentin Ramognino, tevens loco mr. Philippe Vlaemminck, voor de nv « Nationale Loterij »; . mr. Sébastien Kaisergruber, tevens loco mr. Philippe Schaffner, en mr. Jürgen Vanpraet, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft het standpunt van de verzoekende partijen A.1.
  2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8309 menen dat zij doen blijken van een belang om de vernietiging van de artikelen 4, 5 en 7 van de wet van 18 februari 2024 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de wet van 18 februari 2024) te vorderen, aangezien zij ondernemingen zijn die actief zijn op de kansspelmarkt en aangezien zij houder zijn van vergunningen die hun werden toegekend door de Kansspelcommissie met toepassing van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de wet van 7 mei 1999). Bijgevolg wordt hun juridische situatie rechtstreeks en ongunstig geraakt door de bestreden bepalingen. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, raakt elke wijziging van de bepalingen van de wet van 7 mei 1999 die de activiteit van de houders van vergunningen voor kansspelen toestaat of reguleert, 4 noodzakelijkerwijs hun situatie. Voor het overige tonen de verzoekende partijen aan in welk opzicht elk van de bepalingen die zij bestrijden, hen concreet raakt. Zij preciseren bovendien dat de verschillen in behandeling die zij aanklagen, op zich niet zijn toe te schrijven aan de wet van 19 april 2002 « tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij » (hierna : de wet van 19 april 2002), noch aan artikel 3bis van de wet van 7 mei 1999, maar dat zij wel degelijk voortvloeien uit de wet van 18 februari 2024, in zoverre die niet van toepassing is op de Nationale Loterij. A.1.
  3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8313 stellen zich voor als kansspeloperatoren die actief zijn in verschillende spelsectoren, met name online. Bijgevolg hebben de artikelen 4, 6 en 7 van de wet van 18 februari 2024 een impact op hun beroepsactiviteiten, in zoverre zij hun positie op de kansspelmarkt verzwakken en illegale operatoren bevoordelen. A.1.
  4. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8314 menen dat zij doen blijken van een belang om de vernietiging van de artikelen 5, 6, 7 en 8 van de wet van 18 februari 2024 te vorderen, aangezien zij vergunninghouders zijn met toepassing van de wet van 7 mei
  5. Zij vallen dus onder het toepassingsgebied van die bepalingen, die hun een nadeel berokkenen. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, is het verzoekschrift ontvankelijk. In hun memorie van antwoord tonen de verzoekende partijen aan in welk opzicht elk van de bestreden bepalingen hen rechtstreeks en ongunstig raakt. Voor het overige preciseren de verzoekende partijen dat, met toepassing van de vaste rechtspraak van het Hof, het belang bij het middel niet moet worden onderzocht wanneer het belang bij het beroep vaststaat. Bovendien zijn de verzoekende partijen van mening dat de tussenkomst van de Nationale Loterij onontvankelijk is, wegens niet-tijdigheid. Met toepassing van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedraagt de termijn om een memorie van tussenkomst in te dienen immers dertig dagen vanaf de bekendmaking voorgeschreven bij artikel 74 van diezelfde wet. Die termijn is te dezen overschreden. A.1.
  6. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8315, die actief zijn op de kansspelmarkt, zijn vergunninghouders met toepassing van de wet van 7 mei
  7. Bijgevolg worden hun situaties rechtstreeks en ongunstig geraakt aan de artikelen 4, 5 en 7 van de wet van 18 februari 2024 en doen zij blijken van een belang om de vernietiging ervan te vorderen. A.1.
  8. Zoals blijkt uit de statuten van de verzoekende partij in de zaak nr. 8316, heeft die als statutair doel alle verrichtingen te doen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op de aanvaarding van de bij de wet vergunde spelen en weddenschappen. Haar activiteiten betreffen concreet zowel de organisatie van weddenschappen als het aannemen ervan. Haar belang om in rechte te treden voor het Hof teneinde de kansspelwetgeving te betwisten, werd trouwens reeds herhaalde malen aanvaard. Zij meent dus dat zij doet blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de tweede tot en met de vierde zin van het tweede lid van artikel 27 van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 18 februari 2024, en van artikel 7 van de wet van 18 februari 2024, waarvan de draagwijdte de uitoefening van haar activiteiten rechtstreeks en ongunstig kan raken. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aangeeft, doet de verzoekende partij wel degelijk blijken van het vereiste belang, aangezien de bestreden bepalingen op haar van toepassing zijn. Zij preciseert dat het cumulatieverbod datgene wat de rechtspraak van het Hof vereist, te buiten gaat, hetgeen haar vrijheid om haar activiteit te exploiteren en haar website te organiseren beperkt. Zij ondergaat bovendien bepaalde gevolgen met betrekking tot het beheer van haar producten en op financieel vlak, met name ingevolge het reclameverbod. Algemener wijzigen de bestreden bepalingen haar juridische situatie, die minder voordelig voor haar is. Voor het overige vestigt zij de aandacht op de risico’s van administratieve of strafrechtelijke vervolging die zij ingevolge die bepalingen draagt. A.1.
  9. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8319 stellen zich voor als houders van vergunningen die zijn toegekend door de Kansspelcommissie, hetgeen hun toestaat kansspelen in België te exploiteren. Bijgevolg hebben de artikelen 7 en 8 van de wet van 18 februari 2024, die de mogelijkheid voor hen om reclame te maken voor hun producten en diensten beperken, en die reclame zelfs verbieden, rechtstreeks op hen betrekking. Zij doen dus blijken van het vereiste belang. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, wijzigen de bestreden bepalingen de juridische situatie van de verzoekende partijen ongunstig en zouden die voordeel halen uit een eventuele vernietiging. De verzoekende partijen merken op dat de door de Ministerraad aangevoerde excepties van onontvankelijkheid in werkelijkheid verband houden met het onderzoek ten gronde van de middelen. 5 Bovendien voeren de verzoekende partijen aan dat de tussenkomst van de Nationale Loterij onontvankelijk is, aangezien, met toepassing van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, de termijn om een memorie van tussenkomst in te dienen 30 dagen bedraagt vanaf de bekendmaking voorgeschreven bij artikel 74 van diezelfde wet. Die termijn is te dezen overschreden, zodat de memorie van de Nationale Loterij uit de debatten moet worden geweerd. Wat betreft het standpunt van de tussenkomende partijen A.2.
  10. De nv « Vade & Co » meent dat zij doet blijken van een belang om tussen te komen in de voorliggende zaken, overeenkomstig artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, teneinde de verwerping te verkrijgen van de beroepen die zijn gericht tegen de artikelen 4 en 6 van de wet van 18 februari
  11. De tussenkomende partij stelt zich voor als een vennootschap die actief is op het gebied van kansspelen, die over een vergunning C beschikt met toepassing van de wet van 7 mei
  12. Het in artikel 4 van de wet van 18 februari 2024 bedoelde cumulatieverbod beschermt de tussenkomende partij tegen de oneerlijke concurrentie die zou voortvloeien uit een cumulatie van spelen van verschillende klassen via instrumenten van de informatiemaatschappij. Op dezelfde wijze vormt het aanbieden van geschenken of voordelen om spelers te beïnvloeden of nieuwe spelers te werven, dat is verboden bij artikel 6 van de wet van 18 februari 2024, een praktijk van oneerlijke concurrentie die de belangen van de tussenkomende partij schaadt. A.2.
  13. De Nationale Loterij preciseert dat zij een naamloze vennootschap van publiek recht is wier bevoegdheden worden bepaald in artikel 3, § 1, van de wet van 19 april
  14. Overeenkomstig die wet heeft zij het monopolie met betrekking tot de organisatie van loterijspelen, waarvoor zij niet gebonden is aan de bepalingen van de wet van 7 mei
  15. Met toepassing van de wet van 19 april 2002 heeft de Nationale Loterij ook het recht om kansspelen en weddenschappen te organiseren, waarvoor zij evenwel aan de wet van 7 mei 1999 is onderworpen. In dat kader bezit zij een dochteronderneming, de naamloze vennootschap « Scooore », die zowel over een vergunning F1, voor de organisatie van offlineweddenschappen, als over een vergunning F1+, voor de organisatie van weddenschappen via de informatiemaatschappij, beschikt. Als openbaredienstverrichter is de Nationale Loterij gehouden tot een aantal specifieke verplichtingen, met name de inachtneming, op ieder ogenblik, van het doel om de spelers te kanaliseren. Haar hoofddoel bestaat immers niet erin winst te maken, maar de speelzucht te kanaliseren in een beveiligde omgeving. De gemaakte winst vloeit in fine terug naar de maatschappij in de vorm van financiële ondersteuning voor culturele en sportieve activiteiten of via bijdragen die aan de Staat worden gestort. Wegens de bijzondere positie die zij inneemt op de kansspelmarkt, is de Nationale Loterij gebonden aan een met de Belgische Staat gesloten beheerscontract. De Nationale Loterij meent dat zij over een belang beschikt om tussen te komen in het kader van de voorliggende zaken, aangezien de verschillende grieven die door de verzoekende partijen zijn geformuleerd, specifiek op haar betrekking hebben. Algemener, aangezien de bestreden wet betrekking heeft op de organisatie van kansspelen en loterijen, heeft de Nationale Loterij een rechtstreeks belang in die zaken. Wat betreft de excepties van onontvankelijkheid van de tussenkomst wegens niet-tijdigheid die door bepaalde verzoekende partijen zijn opgeworpen, preciseert de Nationale Loterij dat zij van het Hof een verlenging tot 9 december 2024 heeft verkregen van de termijn om haar memorie in te dienen, zodat die ontvankelijk is. Wat betreft het standpunt van de Ministerraad A.3.
  16. De Ministerraad voert aan dat de beroepen in de zaken nrs. 8309, 8314, 8316 en 8319 onontvankelijk zijn, aangezien de verzoekende partijen niet aantonen dat zij rechtstreeks persoonlijk en zeker worden geraakt door de bestreden bepalingen. De uiteenzettingen met betrekking tot hun belang worden op algemene wijze en zelfs met stelligheid geformuleerd. A.3.
  17. Bovendien wordt de juridische situatie van de verzoekende partijen niet substantieel gewijzigd door de bestreden bepalingen, aangezien reeds in een cumulatieverbod was voorzien bij artikel 27 van de wet van 7 mei 1999, vóór de wijziging ervan bij artikel 4 van de bestreden wet, aangezien een minimumleeftijd van 21 jaar reeds op algemene wijze was vastgelegd bij artikel 54, § 1, van de wet van 7 mei 1999, vóór de wijziging ervan bij artikel 5 van de bestreden wet, aangezien de aan klanten geboden voordelen reeds waren verboden bij artikel 60 van de wet van 7 mei 1999 vóór de wijziging ervan bij artikel 6 van de bestreden wet en aangezien reeds in het reclameverbod was voorzien bij artikel 61, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 vóór het aannemen van de artikelen 7 en 8 van de bestreden wet. Bovendien voorziet artikel 7 van de bestreden wet in geen enkele nieuwe strafrechtelijke sanctie en bestond het verschil in behandeling tussen de Nationale Loterij en de kansspeloperatoren 6 vroeger reeds. De Ministerraad voegt eraan toe dat de bestreden bepalingen wel degelijk van toepassing zijn op de Nationale Loterij wanneer zij kansspelen aanbiedt en dat het verschil tussen, enerzijds, spelen en weddenschappen en, anderzijds, openbare loterijen niet voortvloeit uit die bepalingen. A.3.
  18. In zijn memorie van wederantwoord merkt de Ministerraad op dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8309 en 8319 respectievelijk een « memorie van wederantwoord » en een « memorie » hebben ingediend, terwijl die proceduregeschriften, luidens artikel 89, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, « memories van antwoord » hadden moeten zijn. Bijgevolg zijn de voormelde « memorie » en « memorie van wederantwoord » onontvankelijk. Ten gronde Wat betreft het standpunt van de verzoekende partijen Zaak nr. 8309 A.4.
  19. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 7 van de wet van 18 februari 2024, van artikel 19 van de Grondwet, van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU). Zij voeren aan dat de bestreden bepaling het beginsel van het reclameverbod voor de bij de wet van 7 mei 1999 vergunde kansspelen neerlegt, terwijl de commerciële communicatie van de vergunninghouders onder hun vrijheid van meningsuiting valt en een essentieel element voor de regulering van de sector van de gok- en kansspelen vormt, door het mogelijk te maken de spelers te kanaliseren naar spelen die zijn vergund en omlijnd bij de wet van 7 mei
  20. Zij merken op dat het in de bestreden bepaling bedoelde verbod de zichtbaarheid van de vergunninghouders doet verdwijnen en dus afbreuk doet aan de voormelde kanalisatiedoelstelling, zodat het niet redelijk verantwoord is. In hun memorie van antwoord beweren de verzoekende partijen dat het middel wel degelijk ontvankelijk is, aangezien de schending van de artikelen 49 en 56 van het VWEU in die zin moet worden begrepen dat zij wordt aangevoerd in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Bovendien vloeit het reclameverbod voort uit de bestreden bepaling en niet uit het koninklijk besluit van 27 februari 2023 « tot bepaling van de nadere regels betreffende de reclame voor de kansspelen » (hierna : het koninklijk besluit van 27 februari 2023). A.4.
  21. Volgens de verzoekende partijen zijn kansspelen en weddenschappen economische activiteiten waarvoor de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten die worden gewaarborgd door de artikelen 49 en 56 van het VWEU, gelden, zodat de beperking van de uitoefening van dergelijke activiteiten redelijk moet worden verantwoord door een dwingende reden van algemeen belang, zoals consumentenbescherming of de bescherming van de maatschappelijke orde. In dat verband merken zij op dat het openen van de kansspelsector voor private operatoren ertoe strekt de spelers naar vergunde en gecontroleerde spelen te kanaliseren. Dat doel kan evenwel niet worden bereikt indien de vergunde operatoren niet mogen communiceren over hun activiteit, zoals in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en door de Europese Commissie wordt beklemtoond. Die bezorgdheid blijkt evenwel niet uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling. In werkelijkheid keert die het systeem om, in zoverre de aan voorwaarden onderworpen toetreding van reclame wordt vervangen door een principieel verbod waarvan de Koning kan afwijken. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de wetgever, via het bestreden verbod, in werkelijkheid beoogt de groei van de Nationale Loterij op de markt te begeleiden en haar concurrentiepositie te bevorderen, aangezien zij buiten dat verbod valt. A.5.
  22. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door artikel 7 van de wet van 18 februari 2024, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat wordt gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij voeren aan dat de wetgever de Nationale Loterij bewust heeft uitgesloten van de bestreden regeling van het reclameverbod, terwijl de problemen op het vlak van de volksgezondheid en het banaliseren van spelen, alsook de daarmee samenhangende vereiste om de spelers te beschermen, zich op algemene wijze voordoen op de markt van de gok- en kansspelen, waarvan de Nationale Loterij net deel uitmaakt. Bijgevolg creëert de bestreden bepaling een concurrentieverstoring, in zoverre zij geen betrekking heeft op de Nationale Loterij en in zoverre zij een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan. A.5.
  23. Volgens de verzoekende partijen staat artikel 7 van de wet van 18 februari 2024 toe dat de reclamepraktijken van de Nationale Loterij in stand worden gehouden, waarbij de zichtbaarheid ervan groter is en de aantrekkelijkheid van de spelen tegelijkertijd versterkt lijkt. Dat verschil in behandeling is in het bijzonder 7 duidelijk op het gebied van sportsponsoring, waarvan de vergunninghouders met toepassing van het koninklijk besluit van 27 februari 2023 zijn uitgesloten. In tegenstelling tot de Nationale Loterij kunnen private operatoren niet worden betrokken bij sportevenementen, noch sportploegen sponsoren of de door de sport geboden media- aandacht genieten, hetgeen hun zichtbaarheid aanzienlijk beperkt. De verzoekende partijen merken op dat het bestreden reclameverbod niet coherent is ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, namelijk de negatieve gevolgen van reclame voor kwetsbare spelers tegengaan. In de studies waarop de wetgever zich in dat verband baseert, worden evenwel zowel de spelen van de private operatoren als die van de Nationale Loterij aan de kaak gesteld. De verzoekende partijen beklemtonen overigens dat de sportsponsoring van de Nationale Loterij de factor is die het kansspel banaliseert. Bovendien versterkt de bestreden bepaling de positie van de Nationale Loterij op de kansspelmarkt, in het bijzonder op het internet. Zodoende zet de wetgever de Nationale Loterij ertoe aan haar spelaanbod te ontwikkelen in een richting die strijdig is met het nagestreefde doel van volksgezondheid. Volgens de verzoekende partijen wordt in werkelijkheid door de Nationale Loterij zelf onderhandeld over het bestreden verbod, als tegenprestatie voor de verhoging van de monopolierente die zij verschuldigd is. In dat verband wordt met artikel 7 van de wet van 18 februari 2024 in werkelijkheid een doel nagestreefd dat erin bestaat spelers te winnen voor de Nationale Loterij. A.6.
  24. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 5 van de wet van 18 februari 2024, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen die wordt gewaarborgd door de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, door artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en door de artikelen 16 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest). De verzoekende partijen betwisten de uitsluiting van de Nationale Loterij van de minimumleeftijd van 21 jaar voor deelname aan kansspelen, terwijl die leeftijdsgrens wordt geconcipieerd als een middel om de risico’s te verminderen waarmee jongeren, die als kwetsbaar worden beschouwd, worden geconfronteerd. In werkelijkheid creëert de bestreden bepaling op de kansspelmarkt een verschil in behandeling en een concurrentieverstoring die niet verantwoord is ten aanzien van het nagestreefde doel. A.6.
  25. De verzoekende partijen stellen vast dat minderjarigen, met toepassing van artikel 37/1 van de wet van 19 april 2002, niet mogen deelnemen aan spelen die worden georganiseerd door de Nationale Loterij. Er wordt immers erkend dat jongvolwassenen bijzonder kwetsbaar zijn voor verslavingsrisico’s. Dat is trouwens de reden die door de wetgever wordt aangevoerd om de bestreden bepaling te verantwoorden. In dat verband betwisten de verzoekende partijen de keuze van de wetgever om de minimumleeftijd voor deelname aan kansspelen vast te leggen op 21 jaar niet, aangezien die leeftijdsgrens in zeer ruime mate wordt aanbevolen door organisaties die zijn gespecialiseerd in verslavingsrisico’s. Zij betwisten evenwel de incoherentie van de wetgever die de toegang tot de spelen van de Nationale Loterij toestaat voor jongeren die ouder zijn dan 18 jaar. In werkelijkheid wordt een jonge speler niet beschermd tegen de verslavingsrisico’s, maar wordt hij verplaatst van de privésector naar de Nationale Loterij, die de facto het monopolie krijgt van de kans- en gokspelen voor die categorie van spelers. De verzoekende partijen merken op dat loterijen vaak worden beschouwd als de toegangspoort tot de wereld van de kansspelen voor jonge spelers. In dat verband banaliseert het commerciële beleid van de Nationale Loterij die spelen door ze in die zin voor te stellen dat zij deel uitmaken van de familietradities, door in het bijzonder aanwezig te zijn op muziekfestivals en door gebruik te maken van kinderachtige beelden en taal om haar onlinespelen en haar krasloten te promoten. Volgens de verzoekende partijen is het effect van de maatregel – namelijk dat jonge spelers worden weggeleid naar de Nationale Loterij – duidelijk in strijd met het door de wetgever nagestreefde doel. De risico’s die de door haar georganiseerde spelen inhouden, zijn hoog en soortgelijk aan de risico’s die worden veroorzaakt door de spelen van private operatoren. Bovendien staat het wegleiden van jongeren in de weg aan de taak die de Nationale Loterij behartigt met toepassing van het beheerscontract dat zij met de Belgische Staat heeft gesloten en die erin bestaat spelers te kanaliseren van private operatoren en ze aan te trekken tot spelen met een laag risico, zonder marktverruimend op te treden. A.7.
  26. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending, door artikel 4 van de wet van 18 februari 2024, van de vrijheid van ondernemen gewaarborgd bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht en bij de artikelen 16 en 52 van het Handvest, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De in de bestreden bepaling bedoelde maatregelen belemmeren volgens hen de toegang tot onlinespelen die worden uitgebaat door kansspeloperatoren die houder zijn van meerdere vergunningen, hetgeen het aanbod van toegelaten spelen minder aantrekkelijk maakt dan het spelaanbod van concurrerende illegale operatoren. Volgens de Belgische wetgever steunt de bestreden bepaling inzake kansspelen echter op een doel dat erin bestaat spelers te kanaliseren in de richting van de legale spelen. De bij artikel 4 van de wet van 8 18 februari 2024 ingevoerde beperkingen verminderen bijgevolg de mogelijkheid van de operatoren die houder zijn van vergunningen om de spelers daadwerkelijk te kanaliseren, hetgeen in strijd is met de nagestreefde doelstelling om de spelers te beschermen. A.7.
  27. Het verbod om spelers door te verwijzen naar sites die kansspelen aanbieden die onder andere vergunningen vallen, het verbod voor een spelersaccount om aan spelen deel te nemen die onder verschillende vergunningen vallen en het verbod om transacties toe te staan tussen verschillende spelersaccounts die aan verschillende vergunningen zijn gekoppeld, beperken volgens de verzoekende partijen de vrijheid van ondernemen van de kansspeloperatoren die over meerdere vergunningen beschikken. Het spelaanbod van die laatsten is bijgevolg minder aantrekkelijk dan dat van de illegale operatoren en de Nationale Loterij. Volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 februari 2024 zijn de door de bestreden bepaling ingevoerde beperkingen verantwoord door een algemene doelstelling van bescherming van spelers. Hoewel die doelstelling uiteraard legitiem is, neemt zulks niet weg dat de bestreden bepaling het niet mogelijk maakt die te verwezenlijken. De wetgever heeft immers geen enkele effectbeoordeling uitgevoerd en niets in de voormelde parlementaire voorbereiding kan het bestaan aantonen van een blijvend probleem, dat verband houdt met het feit dat de spelers kunnen worden doorverwezen naar sites die onder verschillende spelvergunningen vallen of dat eenzelfde account kan worden gebruikt om aan spelen deel te nemen die onder verschillende vergunningen vallen. Niets toont dus aan dat het doel de spelers te beschermen daadwerkelijk kan worden verwezenlijkt dankzij de bestreden bepaling. A.7.
  28. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling in werkelijkheid een concurrentieverstoring creëert tussen de private operatoren en de illegale operatoren die hoe dan ook niet zijn onderworpen aan de in artikel 4 van de wet van 18 februari 2024 vervatte verbodsbepalingen. Dat verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord. In het kader van de aanneming van de bestreden wet, heeft de Kansspelcommissie precies opgemerkt dat de bestreden beperkingen zullen leiden tot een uitholling van de mogelijkheid van de legale kansspeloperatoren om de spelers naar hun legale aanbod te kanaliseren. A.8.
  29. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 4 van de wet van 18 februari 2024, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling verbiedt dat spelers worden doorverwezen naar sites waarop een ander soort spelen worden uitgebaat, zonder dat de spelen van de Nationale Loterij die worden georganiseerd op grond van de wet van 19 april 2002, worden beoogd. Dat verschil in behandeling is niet verantwoord ten aanzien van de doelstelling die erin bestaat de spelers van relatief onschuldige spelen te beschermen tegen meer risicovolle en winstgevende spelen. A.8.
  30. De verzoekende partijen merken op dat de Nationale Loterij online, op haar website, kansspelen uitbaat die onder de wet van 19 april 2002 vallen. Tegelijkertijd heeft de Nationale Loterij een filiaal opgericht om sportweddenschappen uit te baten, namelijk de naamloze vennootschap « Scooore », die haar activiteiten uitoefent op een afzonderlijke website. Die activiteit staat los van haar monopolie en maakt het voorwerp uit van vergunningen die de Kansspelcommissie heeft verleend op grond van de wet van 7 mei
  31. De verzoekende partijen beklemtonen echter dat de website van de Nationale Loterij de spelers naar de site van Scooore doorverwijst en omgekeerd. De bestreden maatregel is dus discriminerend, aangezien de risico’s die de loterijspelen inhouden wezenlijk geen risico’s zijn die verbonden zijn met spelen die toegelaten zijn met toepassing van de wet van 7 mei
  32. De parlementaire voorbereiding van de wet van 18 februari 2024 lijkt overigens aan te geven dat de wetgever de bedoeling had om eveneens de doorverwijzing naar loterijspelen te verbieden, zelfs als de bewoordingen van artikel 4 die bedoeling niet vertalen. Zaak nr. 8313 A.9.
  33. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 4, 6 en 7 van de wet van 18 februari 2024, van artikel 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol) en met artikel 17 van het Handvest. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen hun mogelijkheid om hun rechten verbonden aan een merknaam en hun economische rechten verbonden aan een vergunning voor de exploitatie van kansspelen te gebruiken, aanzienlijk beperken. Met toepassing van artikel 7 van de wet van 18 februari 2024 is het gebruik van de naam en het logo van het merk in beginsel verboden, behalve in de gevallen waarin bij koninklijk besluit is voorzien. In het geval waarin het Hof zou oordelen dat het middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 17 van het Handvest, zouden de grieven ontvankelijk blijven wat betreft de andere referentiebepalingen, die met name de intellectuele eigendomsrechten en de rechten verbonden aan de uitoefening 9 van een beroep beschermen. Het middel is daarnaast daadwerkelijk ontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op artikel 6 van de wet van 18 februari 2024, in tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, aangezien artikel 60, § 1, van de wet van 7 mei 1999 ingrijpend is gewijzigd. A.9.
  34. In hun geheel genomen vormen de bestreden bepalingen een ernstige inmenging in de economische activiteit van de kansspeloperatoren die houder zijn van een vergunning. De wet van 7 mei 1999 voorziet in beginsel in een vergunningsbeleid dat de vergunde operatoren toelaat een kansspelactiviteit uit te oefenen met inachtneming van bepaalde regels om de spelers te beschermen. Artikel 4 van de wet van 18 februari 2024 verbiedt bepaalde cumulaties, hetgeen de operatoren ertoe verplicht hun aanbod te fragmenteren, de operationele doeltreffendheid beperkt en de kosten doet stijgen, en hetgeen tevens de strategische flexibiliteit en de capaciteit om snel op de veranderingen op de markt te reageren, belemmert. Door die situatie kunnen de private operatoren minder concurreren met hun concurrenten, namelijk de illegale operatoren en de Nationale Loterij, die niet aan dezelfde beperkingen zijn onderworpen. Artikel 6 van de wet van 18 februari 2024 verbiedt dan weer de bonussen en de andere promotieaanbiedingen, hetgeen een aanzienlijke impact heeft op de goksector, aangezien die maatregelen in wezen ertoe strekken nieuwe klanten te lokken en bestaande klanten te belonen voor hun trouw. Het principiële verbod op reclame, waarin artikel 7 van de wet van 18 februari 2024 voorziet, heeft ten slotte een nadelige impact op de kansspelsector. De operatoren investeren immers al jaren in hun imago om hun producten kenbaar te maken aan het grote publiek, waardoor zij het vertrouwen van klanten kunnen winnen ten nadele van de illegale operatoren, wier online reclame alomtegenwoordig is. De verzoekende partijen beklemtonen dat de bestreden bepalingen niet alleen de huidige economische activiteiten raken, maar ook de toekomstige strategische plannen en groei. In werkelijkheid zijn de private operatoren voortaan ertoe verplicht hun ondernemingsmodel fundamenteel te herdenken en worden zij geconfronteerd met een stijging van hun operationele kosten, hetgeen de waarde van de onderneming doet dalen. Volgens de verzoekende partijen gaat de impact van de bestreden bepalingen verder dan de kansspelsector en strekt hij zich uit tot de gehele economie, doordat de tewerkstelling in de sectoren die met de gokindustrie verband houden, zoals de marketing en de dienstverlening, worden bedreigd. A.9.
  35. Volgens de verzoekende partijen strekt de wet van 18 februari 2024 ertoe de bescherming van de spelers, in het bijzonder diegenen waarvan het gokgedrag problematisch is, en de volksgezondheid te versterken. Hoewel die doelstellingen legitiem zijn, neemt zulks niet weg dat de bestreden bepalingen niet pertinent zijn in het licht daarvan. Een strikte regulering van de legale operatoren versterkt immers in werkelijkheid de positie van de illegale operatoren, wier aanbod aantrekkelijker wordt gemaakt, zoals de ervaring van andere Staten duidelijk maakt. De beperkingen op artikel 27, tweede lid, tweede tot vierde zin, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 18 februari 2024, zijn overigens niet nuttig in het licht van de technologische capaciteiten van onlinespelers, die gemakkelijk meerdere spelersaccounts kunnen aanmaken. De verzoekende partijen merken op dat de Kansspelcommissie precies de contraproductieve gevolgen van de bij de bestreden wet bedoelde regeling heeft beklemtoond. Bijvoorbeeld, terwijl de goklimiet voordien op transversale wijze van toepassing was op alle accounts die verbonden zijn aan de vergunningen van een private operator, wordt die limiet voortaan vastgesteld per account en per vergunning, waardoor zij wordt verveelvoudigd. Elke spelersaccount moet bovendien voortaan worden opgesplitst naargelang van het platform en de vergunning die eraan verbonden zijn, waardoor het moeilijker wordt om de gegevens te beheren en de uitgaven van de spelers op te volgen. Het cumulatieverbod brengt de spelers in werkelijkheid in aanraking met een groter aantal goksites, hetgeen de kans vergroot dat zij zich tot illegale sites wenden. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het verbod op bonussen bedoeld in artikel 6 van de wet van 18 februari 2024 een verschil in behandeling invoert tussen de fysieke kansspelmarkt en de onlinemarkt, ingevolge artikel 60, tweede lid, van de wet van 7 mei
  36. Dat verschil maakt het illegale onlineaanbod van kansspelen aantrekkelijker. De verzoekende partijen vragen zich overigens af waarom andere sectoren die een groot risico van blootstelling aan verslaving inhouden, zoals de suiker- of alcoholindustrie, bonussen en geschenken mogen blijven aanbieden. Wat artikel 7 van de wet van 18 februari 2024 betreft, merken de verzoekende partijen op dat het verbod op reclame in werkelijkheid de illegale operatoren versterkt. Zij betreuren eveneens de omstandigheid dat de toegestane reclamevormen door de Koning worden vastgesteld, hetgeen de operatoren geen rechtszekerheid biedt. Daarnaast zorgt het principiële verbod op reclame ervoor dat consumenten minder goed worden geïnformeerd over de al dan niet wettigheid van goksites, hetgeen een bepaalde verwarring met zich meebrengt. De verzoekende partijen twijfelen bovendien aan de weerslag van het reclameverbod op de strijd tegen gokverslaving, aangezien verslaving een complex fenomeen is dat door verschillende andere factoren dan reclame wordt beïnvloed. Die laatste heeft eveneens een educatieve en informatieve draagwijdte, daar reclame door middel van waarschuwingen bijdraagt tot een verantwoord gokgedrag. 10 A.9.
  37. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de wetgever geen billijk evenwicht tot stand heeft gebracht tussen de doelstelling om de spelers te beschermen en de beperkingen van het eigendomsrecht. Andere minder ingrijpende maatregelen waren denkbaar zoals een versterking van de preventie, de bestrijding van de illegale kansspelsector of het opstellen van een zwarte lijst. De wet van 18 februari 2024 voorziet bovendien in geen enkele compensatie voor de inmenging die de verzoekende partijen ondergaan. Integendeel, zij moeten de uit de bestreden bepalingen voortvloeiende financiële lasten dragen. Zij voegen eraan toe dat het in artikel 4 van de wet van 18 februari 2024 bedoelde cumulatieverbod feitelijk niet doeltreffend is. Wat het in artikel 6 van de wet van 18 februari 2024 bedoelde verbod op bonussen betreft, beklemtonen zij dat, op de onlinekansspelmarkt, een dergelijk verbod de Belgische operatoren nog meer benadeeld ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten, tot wie de spelers worden aangezet zich te wenden. De verzoekende partijen merken nog op dat, wat het in artikel 7 van de bestreden wet bedoelde verbod op reclame betreft, geen enkele studie de impact van die maatregel aantoont op de gokpreventie of op de bescherming van de spelers. De beschikbare gegevens tonen in werkelijkheid aan dat de invloed van een dergelijk verbod relatief beperkt is. De grieven van de verzoekende partijen hebben bovendien wel betrekking op het voormelde artikel 7 en niet op het koninklijk uitvoeringsbesluit ervan, aangezien de beperking van de grondrechten op die wetsbepaling steunt. A.9.
  38. De verzoekende partijen merken in hun memorie van antwoord op dat, voor de meeste spelers, gokken een eenmalige en recreatieve activiteit is, zoals meerdere studies aantonen, dat krasspelen een even groot risico op verslaving vertonen dan « klassieke » kansspelen en dat in België loterijspelen populairder zijn dan kansspelen, terwijl zij paradoxaal genoeg minder streng worden gereguleerd. A.10.
  39. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de vrijheid van ondernemen, zoals zij wordt gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 15 en 16 van het Handvest en met de artikelen 49 en 56 van het VWEU. In het geval waarin het Hof zou oordelen dat het middel onontvankelijk is voor zover het is afgeleid uit de schending van de artikelen 15 en 16 van het Handvest, zouden de grieven ontvankelijk blijven wat de andere referentiebepalingen betreft, die de vrijheid van ondernemen beschermen. A.10.
  40. De verzoekende partijen voeren in een eerste onderdeel aan dat de tweede tot vierde zin van artikel 27, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 18 februari 2024, verder gaan dan hetgeen de rechtspraak van het Hof vereist, door niet alleen de cumulatie tussen meerdere vergunningen via het gebruik van dezelfde domeinnaam en bijhorende URL’s, maar ook andere gevallen te verbieden, hetgeen de private operatoren belet hun economische activiteiten uit te oefenen met de middelen die zij verkiezen. Die beperkingen zijn niet noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel om de spelers te beschermen, maar zij kanaliseren de spelers integendeel in de richting van het illegale spelaanbod, zodat de vrijheid van ondernemen van de verzoekende partijen op onevenredige wijze wordt beperkt. In het eerste oordeel vermelden de verzoekende partijen eveneens de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht. De verzoekende partijen merken op dat het Hof reeds de cumulatie van meerdere aanvullende vergunningen van verschillende klassen via het gebruik van dezelfde domeinnaam en bijhorende URL’s heeft afgekeurd. De in de bestreden bepaling bedoelde cumulatieverboden zijn echter ruimer, zonder dat in de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 februari 2024 wordt aangetoond dat dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn. De in artikel 4 van die wet bedoelde regeling is overigens niet doeltreffend, zoals de uiteenzetting met betrekking tot het eerste middel aantoont. A.10.
  41. De verzoekende partijen stellen in een tweede onderdeel dat de artikelen 4, 6 en 7 van de wet van 18 februari 2024, in hun geheel genomen, verschillende verbodsbepalingen bevatten die de capaciteit van de private operatoren om hun economische activiteit uit te baten volgens de methoden die zij verkiezen, sterk beperken, terwijl die bepalingen het niet mogelijk maken het doel van de bescherming van de spelers te verwezenlijken, maar integendeel het illegale kansspelaanbod versterken. De bestreden bepalingen moeten bijgevolg worden beschouwd als niet-toelaatbare beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten zoals vastgelegd in de artikelen 49 en 56 van het VWEU. De Belgische private operatoren worden, ingevolge de wet van 18 februari 2024, immers minder aantrekkelijk dan hun buitenlandse concurrenten die in Nederland of in Frankrijk zijn gevestigd, die geen soortgelijke verbodsbepalingen kennen in het kader van de uitoefening van hun activiteiten. De verzoekende partijen brengen in herinnering dat de beperkingen van de vrijheid van ondernemen en van het vrij verkeer van diensten niet pertinent zijn in het licht van het door de wet van 18 februari 2024 nagestreefde doel. Zij beklemtonen daarnaast het feit dat de kansspelwetgeving niet coherent is, aangezien zij bestaat uit regels 11 die zijn versnipperd in diverse wetten en besluiten die niet op logische wijze zijn geformuleerd, zoals blijkt uit het voorbeeld van de reclame voor kansspelen. Die incoherentie tast de rechtszekerheid van de operatoren aan, die hun economische activiteiten voortdurend moeten aanpassen. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie hecht echter een groot belang aan de coherentie van de kansspelregelgeving. De verzoekende partijen herhalen overigens de door hen geformuleerde opmerking in het kader van het eerste middel, volgens welke de wetgever minder ingrijpende maatregelen had kunnen nemen. Zij voegen eraan toe dat de uitzonderingen op het reclameverbod door de Koning worden bepaald, terwijl het om een essentieel element van de kansspelregelgeving gaat, hetgeen in strijd is met de beginselen inzake delegatie. A.11.
  42. Het derde middel is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat wordt gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 20 en 21 van het Handvest. Het bestreden verschil in behandeling tussen de kansspeloperatoren en de Nationale Loterij vindt volgens de verzoekende partijen wel degelijk zijn oorsprong in de artikelen 4, 6 en 7 van de wet van 18 februari 2024, die nieuwe beperkingen op de uitoefening van de activiteiten van die operatoren opleggen. In het geval waarin het Hof zou oordelen dat het middel onontvankelijk is voor zover het is afgeleid uit de schending van de artikelen 20 en 21 van het Handvest, zouden de grieven overigens ontvankelijk blijven wat het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie betreft. A.11.
  43. De verzoekende partijen merken op dat de in de artikelen 4, 6 en 7 van de wet van 18 februari 2024 bedoelde beperkingen en verbodsbepalingen niet van toepassing zijn op de Nationale Loterij, terwijl zij actief is op een markt die vergelijkbaar is met of zelfs identiek is aan die waarop de private operatoren hun activiteiten uitoefenen, en zij tevens producten aanbiedt die niet minder gevaarlijk of minder verslavend zijn dan die welke door die operatoren worden aangeboden. De verzoekende partijen voeren dienaangaande aan dat de « Woohoo- games » die de Nationale Loterij op haar website aanbiedt, niet kunnen worden gelijkgesteld met loterijspelen, maar dat zij wel kansspelen zijn, zonder dat zij aan de in de bestreden bepalingen aangevoerde vereisten worden onderworpen. De verzoekende partijen komen eveneens terug op de ontwikkeling van de activiteiten van de Nationale Loterij, die oorspronkelijk ertoe strekten fondsen te verzamelen voor Belgisch Congo, en die vervolgens werden uitgebreid tot krasspelen, andere trekkingspelen, sportweddenschappen via het platform « Scooore » en andere onlinespelen zoals de « Woohoo-games ». De producten die de Nationale Loterij voortaan aanbiedt, kunnen niet worden beschouwd als minder gevaarlijk of minder verslavend dan die welke de private operatoren aanbieden. Het criterium van onderscheid waarop het bestreden verschil in behandeling steunt is bijgevolg niet pertinent ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling. In elk geval heeft het bestreden verschil in behandeling onevenredige gevolgen, aangezien er minder ingrijpende alternatieven bestaan en de door de wet van 18 februari 2024 bedoelde regeling feitelijk tot gevolg heeft dat de spelers naar het illegale gokaanbod worden doorverwezen. A.11.
  44. De verzoekende partijen zijn van mening dat de Nationale Loterij daadwerkelijk aan de wet van 7 mei 1999 onderworpen is wanneer zij, met name via de website « Scooore » kansspelen aanbiedt, maar zij betwisten de bijkomende beperkingen die worden opgelegd aan de activiteit van de private operatoren. De omstandigheid dat de Nationale Loterij aan een bijzondere rechtsregeling wordt onderworpen, is in dat opzicht niet pertinent. In werkelijkheid zijn de kansspelen en de openbare loterijen soortgelijk in termen van risico voor de volksgezondheid. De verzoekende partijen vestigen de aandacht op de recente ontwikkelingen op de kansspelmarkt en preciseren dat verschil en niet-vergelijkbaarheid te dezen niet met elkaar mogen worden verward. Zij voegen eraan toe dat de Ministerraad, door te verwijzen naar de verantwoordingen van het koninklijk besluit van 27 februari 2023 om de evenredigheid van het bestreden verschil in behandeling aan te tonen, de bestreden bepalingen poogt te verantwoorden door te verwijzen naar een andere rechtsnorm, hetgeen ontoelaatbaar is. De parlementaire voorbereiding van de wet van 18 februari 2024 is overigens zelf tegenstrijdig. A.12.
  45. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals gewaarborgd bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 49 van het Handvest. In het geval waarin het Hof zou oordelen dat het middel onontvankelijk is voor zover het is afgeleid uit de schending van artikel 49 van het Handvest, zouden de grieven ontvankelijk blijven wat de andere referentiebepalingen betreft. Het middel is bovendien daadwerkelijk ontvankelijk, in tegenstelling tot wat de 12 Ministerraad aanvoert, aangezien artikel 6 van de wet van 18 februari 2024 artikel 60, § 1, van de wet van 7 mei 1999 ingrijpend wijzigt. A.12.
  46. De verzoekende partijen stellen vast dat, ingevolge artikel 64 van de wet van 7 mei 1999, de schending van artikel 6 van de wet van 18 februari 2024 het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijke sanctie. Artikel 6 verbiedt echter « elk voordeel in enigerlei vorm, aangeboden om het spelgedrag van de spelers te beïnvloeden, of om spelers te werven of te behouden », hetgeen in strijd is met de vereisten van duidelijkheid en nauwkeurigheid die inherent zijn aan het wettigheidsbeginsel in strafzaken. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 februari 2024 wordt gepreciseerd dat artikel 6 is geïnspireerd op een definitie uit het Nederlandse stelsel van kansspelen, maar dat dient te worden vastgesteld dat die definitie niet wordt gebruikt in het kader van strafbare feiten, maar enkel in het kader van de preventie van gokverslaving. Bij artikel 6 van de wet van 18 februari 2024 is de wetgever bovendien afgeweken van het begrip « bonus » dat in de rechtspraak van de Raad van State wordt uiteengezet en dat wordt beperkt tot reizen, maaltijden, drankjes, geschenken en prijsverminderingen. Daartegenover is de in de bestreden bepaling in aanmerking genomen definitie ruimer voor zover zij « elk voordeel » beoogt, een begrip dat op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd. Zaak nr. 8314 A.13.
  47. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 18 februari 2024, van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten gewaarborgd bij de artikelen 49 en 56 van het VWEU, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd bij artikel 19 van de Grondwet en bij artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van het eigendomsrecht en van het recht op de bescherming van de eigendom gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, ten slotte, van de vrijheid van ondernemen gewaarborgd bij artikel 16 van het Handvest, in samenhang gelezen met artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, is het middel daadwerkelijk ontvankelijk, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof. A.13.
  48. De verzoekende partijen merken vooraf op dat de wet van 18 februari 2024 op een verkeerde juridische redenering steunt voor zover zij ervan uitgaat dat de reclame voor kansspelen enkel kan worden toegestaan wanneer er gegronde redenen bestaan om die activiteit toe te laten, terwijl de reclame voor een commerciële activiteit, in werkelijkheid, een daadwerkelijk recht is dat voortvloeit uit de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten binnen de Europese Unie, uit de vrijheid van ondernemen, uit de vrijheid van meningsuiting en uit het eigendomsrecht. De verzoekende partijen relativeren overigens de door de wetgever nagestreefde doelstelling, namelijk de bescherming van de spelers en de volksgezondheid. Volgens hen zijn de kansspelen niet problematisch op zich, aangezien zij niet automatisch een verslaving veroorzaken. De grote meerderheid van de Belgen gokken wel eens zonder daarom verslaafd te zijn. In werkelijkheid wenst de wetgever een heel precieze doelgroep te beschermen door middel van het verbod op reclame. De wetgever heeft bovendien gewoonweg de reclamepraktijken willen verbieden om reden van sommige gevolgen van reclame die de oorzaak zouden zijn van de normalisering van de deelname aan kansspelen. De gevolgen van de reclame op de spelers hangen echter af van de inhoud ervan en niet van de reclame op zich. A.13.
  49. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen niet pertinent zijn in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling. Zij brengen het grote onlineaanbod aan illegale kansspelen naar voren. Zonder reclame voor legale kansspelen dreigt het publiek zich enkel tot het illegale aanbod te wenden. De bestreden maatregelen beklemtonen derhalve het problematische karakter van de door de wetgever aangevoerde situaties, in plaats van de spelers te beschermen. In werkelijkheid is het wel degelijk de reclame zelf die toelaat de spelers te kanaliseren in de richting van het legale kansspelaanbod, aangezien de operatoren hun aanbod kenbaar moeten kunnen maken aan de consument, zoals de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie reeds heeft beklemtoond. De wetgever toont overigens niet aan dat de inmenging in de grondrechten die zijn gewaarborgd bij de in het middel vermelde bepalingen berust op concrete en nauwkeurige wetenschappelijke gegevens waaruit blijkt dat de bestreden maatregelen pertinent zijn in het licht van de nagestreefde doelstelling. A.13.
  50. De verzoekende partijen zijn bovendien van mening dat de bestreden bepalingen de zwaarste inmenging in de uitoefening van de grondrechten vormen, namelijk een volstrekt verbod op reclame, terwijl tal van alternatieve en minder ingrijpende maatregelen het eveneens mogelijk maken de nagestreefde doelstelling te bereiken. In het bijzonder heeft de wetgever zich geen vragen gesteld bij de inhoud van de reclame, noch bij de risicobevolking, noch bij de probleemcategorieën van kansspelen. Hij had aldus de inhoud van de reclame kunnen sturen door de aandacht te vestigen op preventie, mechanismes in te voeren om gokverslaafden op te sporen en uit 13 te sluiten of nog zich op spelen te richten naargelang de hogere risico’s op gokverslaving die zij kunnen betekenen. De verzoekende partijen stellen bovendien vast dat de wetgever het niet nodig heeft geacht de reclame voor alcohol te verbieden ondanks de negatieve invloed die de reclame voor dat product op de bevolking uitoefent. A.13.
  51. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aangeeft, kan het bestreden verbod op reclame niet aan het koninklijk besluit van 27 februari 2023 worden toegeschreven, maar vloeit het wel degelijk voort uit de bestreden bepaling zelf. Naast het feit dat dat koninklijk besluit als illegaal moet worden beschouwd, is het het artikel 7 van de wet van 18 februari 2024 dat een dergelijk verbod invoert. A.14.
  52. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 7 en 8 van de wet van 18 februari 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, lid 1, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, met het rechtszekerheidsbeginsel, met het recht op toegang tot een rechter en met het wettigheidsbeginsel. De verzoekende partijen stellen dat de bestreden bepalingen in werkelijkheid tot doel hebben a posteriori een rechtsgrond te verlenen aan een verordend besluit dat thans voor de Raad van State wordt betwist, teneinde dat rechtscollege te beletten uitspraak te doen over het aan hem voorgelegde geschil. A.14.
  53. Een van de verzoekende partijen heeft immers een beroep tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 27 februari 2023 ingesteld bij de Raad van State. Dat beroep is thans hangende. In dat kader klaagt die verzoekende partij met name de omstandigheid aan dat dat koninklijk besluit ertoe leidt dat een daadwerkelijk verbod op reclame voor kansspelen wordt ingevoerd, terwijl de delegatie aan de Koning op grond van artikel 61, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, vóór de wijziging ervan bij de wet van 18 februari 2024, enkel ertoe strekte de Koning de machtiging te verlenen om de nadere regels van de reclame te bepalen. Volgens de verzoekende partijen verlenen de artikelen 7 en 8 van de wet van 18 februari 2024 met terugwerkende kracht juridische grondslag aan het voormelde koninklijk besluit, hetgeen in beginsel verboden is aangezien een dergelijk procedé afbreuk doet aan de gewettigde verwachtingen van de rechtszoekenden. Zodoende vormen de bestreden bepalingen bovendien een kennelijke inmenging in de rechtsprekende functie van de Raad van State. De verzoekende partijen merken dienaangaande op dat de terugwerkende kracht enkel wordt aanvaard indien die absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang en dat uitzonderlijke omstandigheden een verantwoording bieden voor het optreden van de wetgever. Aan die voorwaarden is te dezen niet voldaan, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof en de Raad van State. A.15.
  54. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 5 van de wet van 18 februari 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4, 5, 7, 14 en 15 van de wet van 10 mei 2007 « ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie ». De verzoekende partijen klagen het verschil in behandeling aan tussen meerderjarigen tussen 18 en 21 jaar en meerderjarigen ouder dan 21 jaar, aangezien de uniformisering van de minimumleeftijd van 21 jaar voor de deelname aan kansspelen geen enkel positief effect heeft op de bescherming van jonge meerderjarigen. A.15.
  55. Volgens de verzoekende partijen bestond de doelstelling van de wetgever bij de aanneming van de bestreden bepaling erin meer duidelijkheid te brengen en de uitvoering van de kansspelwetgeving te vergemakkelijken. Die praktische overwegingen zijn echter geen legitieme doelstelling die een rechtstreekse discriminatie op grond van leeftijd kan verantwoorden. De in artikel 5 van de wet van 18 februari 2024 bedoelde maatregel is overigens niet passend om een mogelijke doelstelling, met name het beschermen van jonge meerderjarigen, te verwezenlijken. De onlineweddenschappen of de weddenschappen in een wedkantoor vertonen immers niet het risico van gewenning dat in de parlementaire voorbereiding naar voren wordt gebracht, wat precies de reden is waarom de voor weddenschappen toegepaste minimumleeftijd steeds op 18 jaar werd vastgelegd. De wetgever voert geen enkele andere omstandigheid aan die een verhoging van de vereiste leeftijd kan verantwoorden. De grote meerderheid van de personen die inrichtingen klasse III, namelijk cafés, bezoeken, zijn niet van plan om te gokken, temeer omdat het type en het aantal vergunde machines in drankgelegenheden reeds sterk beperkt zijn. Het risico dat de wetgever wil neutraliseren door de aanneming van de bestreden bepaling is dus nagenoeg onbestaand, zodat het verbod om aan kansspelen deel te nemen in de inrichtingen klasse III onder de leeftijd van 21 jaar, niet passend is. De verzoekende partijen merken in elk geval op dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat een verschil in behandeling op grond van een minimumleeftijd tussen de inrichtingen klasse III, enerzijds, en de inrichtingen klasse I en II, anderzijds, redelijk is verantwoord. A.15.
  56. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de bestreden bepaling het omgekeerde effect heeft van wat wordt verhoopt, namelijk jonge meerderjarigen aan te zetten illegale kansspelinrichtingen en -websites te bezoeken. Het bestreden verschil in behandeling is overigens niet noodzakelijk om de nagestreefde 14 beschermingsdoelstelling te bereiken, aangezien maatregelen die minder afbreuk doen aan de vrijheden denkbaar zijn om in een kader te voorzien voor de deelname van jonge spelers onder de 21 jaar. In dat verband beklemtonen de verzoekende partijen dat de regeling van vóór de wet van 18 februari 2024 het juist toeliet een evenwicht tot stand te brengen, in voorkomend geval door middel van sommige aanvullende begeleidingsmaatregelen die specifiek op jonge spelers zijn gericht. A.15.
  57. De bestreden bepaling is bovendien volledig onevenredig in het licht van de nagestreefde beschermingsdoelstelling. Zij houdt allereerst geen rekening met het individuele gedrag en de persoonlijke omstandigheden van de spelers, terwijl alle meerderjarige spelers jonger dan 21 jaar niet noodzakelijkerwijs kwetsbaar zijn of aan risico’s van gewenning onderhevig zijn. In werkelijkheid gaat artikel 5 van de wet van 18 februari 2024 uit van een uitzonderlijk geval om een algemene regel in te stellen. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de bestreden wet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht van meerderjarigen om vanaf 18 jaar alle handelingen van het burgerlijk leven te verrichten, zoals in bepaalde passages van de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 februari 2024 wordt beklemtoond. België blijkt overigens het enige Europese land dat op eenvormige wijze een minimumleeftijd van 21 jaar oplegt. De verzoekende partijen merken nog op dat de wetgever de minimumleeftijd om alcohol of tabak te kopen niet op 21 jaar heeft willen vastleggen, terwijl die producten blootstellen aan aanzienlijke risico’s van gewenning. Zij preciseren eveneens dat, met toepassing van artikel 6.13 van het Burgerlijk Wetboek, minderjarigen ouder dan zestien jaar buitencontractueel aansprakelijk kunnen worden gesteld. A.16.
  58. Het vierde middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 5, 6 en 7 van de wet van 18 februari 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen gewaarborgd bij artikel 16 van het Handvest. De verzoekende partijen klagen het door de bestreden bepalingen veroorzaakte verschil in behandeling aan tussen, enerzijds, de loterijspelen waarvoor de Nationale Loterij het monopolie heeft en, anderzijds, de kansspelen en weddenschappen. A.16.
  59. De verzoekende partijen merken vooraf op dat, met toepassing van artikel 67 van het tussen de Nationale Loterij en de Belgische Staat gesloten beheerscontract, een wijziging van de kansspelwetgeving had moeten leiden tot een aanpassing van de verplichtingen van de Nationale Loterij, hetgeen te dezen niet is gebeurd. Krachtens artikel 64 van dat beheerscontract is de Belgische Staat voor het overige ertoe gehouden een gelijk speelveld te creëren tussen de private operatoren en de Nationale Loterij. A.16.
  60. De verzoekende partijen doen gelden dat het bestreden verschil in behandeling niet is verantwoord door een doel van consumentenbescherming. Zij merken op dat in de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 februari 2024 niet wordt uitgelegd waarom de Nationale Loterij aan de bestreden regelgeving ontsnapt. Bovendien kunnen de eigen karakteristieken van de Nationale Loterij het aangeklaagde verschil in behandeling niet motiveren. De omstandigheid dat de loterijspelen worden georganiseerd door een monopolistisch overheidsbedrijf dat bepaalde taken van openbare dienst nastreeft en dat de Nationale Loterij een deel van haar winsten herverdeelt, beschermt de consumenten geenszins tegen de gevaren van het gokken. Bovendien is de klassieke bewering volgens welke de openbare loterijen niet een even hoog risico op verslaving voor de spelers vertonen, thans achterhaald, in het bijzonder wat betreft de onlinespelen van de Nationale Loterij, die risico’s met zich meebrengen die soortgelijk zijn aan die welke kansspelen met zich meebrengen, zoals uit meerdere studies blijkt. Zowel de Nationale Loterij als de private operatoren nemen overigens deel aan de opdracht om de spelers in de richting van de legale markt te kanaliseren. Volgens de verzoekende partijen is het onderscheid tussen de kansspelen en bepaalde loterijspelen vervaagd. Dit is met name het geval van de « Woohoo-games » die de Nationale Loterij op haar website aanbiedt en die normalerwijs door de wet van 7 mei 1999 zouden moeten worden geregeld, zoals de Kansspelcommissie heeft kunnen beklemtonen. Die spelen vereisen een constante interactie met de speler en hebben een speels aspect, net zoals de « klassieke » kansspelen. De verzoekende partijen preciseren nog dat het abusieve karakter van de regelgeving die de Nationale Loterij geniet, reeds werd aangeklaagd door parlementsleden. Zij voegen eraan toe dat de aan de Nationale Loterij opgelegde beperkingen haar net toelaten haar monopolie uit te oefenen en een machtspositie in te nemen en dat zij in dat kader is vrijgesteld van een aantal verplichtingen die aan de private operatoren worden opgelegd. Bovendien trekt de sportsponsoring van de Nationale Loterij zonder twijfel de spelers aan. De verzoekende partijen zelf voeren maatregelen in die ertoe strekken de spelers te beschermen tegen de risico’s van verslaving, zowel online als in hun fysieke inrichtingen, zodat de soortgelijke, en zelfs minder beschermende maatregelen van de Nationale Loterij het bestreden verschil in behandeling niet kunnen verantwoorden. 15 A.16.
  61. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het Hof van Justitie van de Europese Unie een coherentietoetsing van de betrokkenheid van de overheid uitvoert in het licht van het zogenaamd nagestreefde doel. Aangezien de Nationale Loterij een beleid voert dat is gericht op de expansie van kansspelen en dat wordt gekenmerkt door de creatie van nieuwe spelen en de reclame ervoor, is het dienaangaande incoherent om beperkende maatregelen te nemen ten aanzien van de private operatoren om de consumenten te beschermen, terwijl de reclame van die operatoren ertoe bijdraagt de spelers te kanaliseren, en om de Loterij van die maatregelen vrij te stellen, precies voor kanalisatiedoeleinden. Volgens de verzoekende partijen zijn de bestreden bepalingen niet pertinent, noch coherent. In werkelijkheid versterken zij het monopolie van de Nationale Loterij, doen zij de zichtbaarheid en de aantrekkelijkheid van de private operatoren teniet, ten nadele van de vrijheid van ondernemen en van hun economische belangen, en verminderen zij de bescherming van de consumenten omdat de kanalisatie minder doeltreffend wordt. A.16.
  62. De verzoekende partijen zijn van mening dat het bestreden verschil in behandeling niet noodzakelijk is om het doel van consumentenbescherming te bereiken. Zij brengen in herinnering dat de wetgever maatregelen had kunnen nemen die minder afbreuk doen aan de rechten en vrijheden van de private operatoren. De betwiste discriminatie had bovendien kunnen worden vermeden indien de bestreden bepalingen zonder onderscheid van toepassing waren geweest op de kansspelen en de openbare loterijen, mits bepaalde uitzonderingen voor de spelen met een laag risico op verslaving. A.16.
  63. De verzoekende partijen voeren nog aan dat het bestreden verschil in behandeling onevenredig is voor zover het de private operatoren belet om bekendheid te verwerven bij potentiële consumenten en om de concurrentie met de openbare loterijen aan te gaan. In werkelijkheid leidt de wet van 18 februari 2024 de klanten jonger dan 21 jaar weg van de private operatoren en naar de Nationale Loterij. De consumenten worden eveneens naar illegale sites gestuurd. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat België het enige land in Europa is dat een openbare operator bevoordeelt door hem het monopolie van de openbare loterijen toe te kennen en door de reclame te verbieden voor de privésector. Zij verduidelijken dat verschillende wetsinitiatieven werden neergelegd om te vermijden dat de Nationale Loterij gunstiger wordt behandeld dan de private operatoren, maar dat die initiatieven niet zijn aangenomen. A.16.
  64. In hun memorie van antwoord vorderen de verzoekende partijen in ondergeschikte orde dat de bestreden bepalingen worden beschouwd als discriminerend voor zover zij niet van toepassing zijn op de Nationale Loterij wanneer zij spelen zoals « Woohoo-games » aanbiedt. A.
  65. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 5, 6 en 7 van de wet van 18 februari
  66. De verzoekende partijen klagen de gelijke behandeling aan van de onlinespelen, enerzijds, en de « fysieke » spelen die enkel fysiek toegankelijk zijn, anderzijds. Zij stellen dat die categorieën van spelen niet vergelijkbaar zijn ten opzichte van de door de wetgever nagestreefde doelstelling, aangezien de wet van 18 februari 2024 in essentie ertoe strekt een kader te bieden voor de snelle ontwikkeling van onlinespelen, die een hoger risico op verslaving vertonen dan fysieke spelen, zoals uit meerdere studies blijkt. Aangezien het verbod op reclame niet pertinent, noch noodzakelijk, noch evenredig is wat de onlinespelen betreft, die aan een hoger risico op verslaving blootstellen, geldt bovendien dezelfde vaststelling a fortiori voor de fysieke spelen. Zaak nr. 8315 A.18.
  67. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 56 van het VWEU, door artikel 4 van de wet van 18 februari
  68. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, is het middel wel degelijk ontvankelijk, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof. A.18.
  69. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de beperkingen die zijn bepaald in artikel 4 van de wet van 18 februari 2024 een beperking van het vrij verrichten van diensten voor de in het buitenland gevestigde houders van vergunningen klasse A+, B+ of F1+ uitmaken. In een tweede onderdeel beweren zij dat het de Ministerraad toekomt concreet aan te tonen dat de voormelde beperkingen zijn verantwoord ten aanzien van de artikelen 56 en volgende van het VWEU. In dat verband merken zij op dat de studies waarop de Ministerraad de aandacht heeft gevestigd, niet neutraal zijn en dat zij onbetrouwbaar zijn. Hoe dan ook houden het bestaan van een discretionaire bevoegdheid van de wetgever inzake kansspelen en de bekommernis om zich te voegen naar de rechtspraak van het Hof geen vrijstelling in van de vereiste om het evenredige karakter van de bestreden maatregel aan te tonen. 16 A.18.
  70. In een derde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat artikel 4 van de wet van 18 februari 2024 een discriminatie op grond van nationaliteit doet ontstaan. De wet van 7 mei 1999 stelt het verkrijgen van een vergunning A+, B+ of F1+ immers afhankelijk van de voorwaarde reeds een vergunning A, B of F1 met betrekking tot de fysieke exploitatie van kansspelen te bezitten. Om kansspelen via instrumenten van de informatiemaatschappij te kunnen aanbieden, is een kansspeloperator bijgevolg ertoe gehouden vooraf een fysieke inrichting te openen en te laten erkennen in België. Het is met andere woorden, in België, absoluut onmogelijk voor de operatoren die buiten het Belgische grondgebied zijn gevestigd en die geen fysieke kansspelinrichting in België willen oprichten, om enige vergunning te verkrijgen teneinde online kansspelen aan te bieden. Artikel 4 van de wet van 18 februari 2024 versterkt die discriminerende situatie, aangezien het het verkrijgen van een vergunning voor het aanbieden van onlinespelen onlosmakelijk verbindt met het verkrijgen van een vergunning om fysieke spelen aan te bieden. Het in artikel 4 van de bestreden wet bedoelde cumulatieverbod doet buitenlandse operatoren overigens meer hinder ondervinden dan nationale operatoren, aangezien het internet het belangrijkste middel is om de Belgische markt legaal te betreden. Na een minimale fysieke aanwezigheid in België te hebben gevestigd, wensen buitenlandse operatoren immers vooral een aanbod van onlinekansspelen te ontwikkelen, zodat het bestreden verbod hun een middel ontzegt om volledig actief te worden op de Belgische markt. Ten slotte vloeit de discriminatie op grond van nationaliteit ook voort uit de omstandigheid dat het bestreden verbod niet van toepassing is op de operatoren die eveneens gemachtigd zijn om openbare loterijen te organiseren, te dezen de Belgische Nationale Loterij. A.18.
  71. In een vierde onderdeel beweren de verzoekende partijen dat de in artikel 4 van de wet van 18 februari 2024 bedoelde beperkingen niet worden verantwoord door een dwingende reden van algemeen belang, of op zijn minst dat die dwingende reden niet op samenhangende en stelselmatige wijze wordt nagestreefd. Volgens de verzoekende partijen bestaat de te dezen beoogde dwingende reden van algemeen belang erin zich te voegen naar de rechtspraak van het Hof. De in de parlementaire voorbereiding vermelde rechtspraak heeft evenwel betrekking op een internrechtelijke situatie, namelijk een verschil in behandeling tussen de regeling van de « fysieke » vergunningen en die van de « virtuele » vergunningen. De verzoekende partijen merken op dat een dergelijk doel geen dwingende reden van algemeen belang in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie uitmaakt. Indien de nagestreefde dwingende reden van algemeen belang moet worden beschouwd als zijnde het doel om de spelers te beschermen, beweren de verzoekende partijen dat dat doel hoe dan ook niet op samenhangende en stelselmatige wijze wordt nagestreefd, aangezien de Nationale Loterij en de spelen die zij aanbiedt, niet worden beoogd in de bestreden bepaling, terwijl die spelen niet minder verslavend zijn dan de « klassieke » kansspelen. Hoe dan ook toont de Ministerraad niet aan dat er daadwerkelijk een dwingend probleem bestaat waaraan de bestreden bepaling zou moeten tegemoetkomen. A.18.
  72. In een vijfde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden bepaling niet adequaat is ten aanzien van het nagestreefde doel van algemeen belang, aangezien de gevolgen ervan indruisen tegen de bescherming van de spelers. Indien het aantal spelersaccounts zich vermenigvuldigt, kunnen problematische spelgedragingen immers niet meer gemakkelijk worden opgespoord. Bovendien zullen de spelers, door de verveelvoudiging van de minimale inzetbedragen, op al hun accounts grotere bedragen kunnen uitgeven dan in het verleden. De verzoekende partijen beklemtonen ook dat de bestreden bepaling spelers ertoe aanzet zich te wenden tot illegale kansspelwebsites en dat de verslavingsrisico’s vóór alles voortvloeien uit de bijzondere aard van het in het geding zijnde kansspel. Ten slotte brengen de verzoekende partijen in herinnering dat de Nationale Loterij aan het in de bestreden bepaling bedoelde cumulatieverbod ontsnapt. Die kan de spelers vanop haar website dus doorsturen naar de website « Scooore », haar dochteronderneming voor sportweddenschappen, en omgekeerd. A.18.
  73. In een zesde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de in de bestreden bepaling bedoelde beperkingen niet noodzakelijk zijn om de zogenaamde dwingende reden van algemeen belang na te streven. In dat verband merken zij op dat de draagwijdte van artikel 4 van de wet van 18 februari 2024 verder gaat dan de vereisten die voortvloeien uit de in de parlementaire voorbereiding vermelde rechtspraak van het Hof en dat de Kansspelcommissie heeft beklemtoond dat andere, minder inbreuk makende maatregelen het doel om de spelers te beschermen konden bereiken. In een zevende onderdeel beweren de verzoekende partijen dat de schending van artikel 56 van het VWEU noodzakelijkerwijs een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met zich meebrengt. 17 A.19.
  74. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 5 van de wet van 18 februari 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 56 van het VWEU. A.19.
  75. In een eerste onderdeel beklemtonen de verzoekende partijen dat de verhoging van de minimumleeftijd om deel te nemen aan kansspelen tot een verlies van hun klantenkring leidt en de diensten die zij aanbieden, minder aantrekkelijk maakt. Zij voegen eraan toe dat meerderjarige personen die jonger zijn dan 21 jaar en afkomstig uit een andere lidstaat en die zich naar België begeven, geen toegang meer kunnen hebben tot die spelen, terwijl die praktijk wordt toegestaan in hun land van herkomst. In een tweede onderdeel beweren de verzoekende partijen dat het de Ministerraad toekomt aan te tonen dat de in artikel 5 van de wet van 18 februari 2024 bedoelde beperking verantwoord is ten aanzien van artikel 56 van het VWEU. In een derde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden bepaling een discriminatie op grond van nationaliteit doet ontstaan, aangezien zij geen betrekking heeft op de Nationale Loterij. A.19.
  76. In een vierde onderdeel beweren de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling niet wordt verantwoord door een dwingende reden van algemeen belang, of, op zijn minst, dat die dwingende reden niet op samenhangende en stelselmatige wijze wordt nagestreefd. Zij doen gelden dat de minimumleeftijd die is vastgelegd op 21 jaar, zogenaamd wordt verantwoord door de nood aan meer duidelijkheid. Dat doel vormt geen dwingende reden van algemeen belang. De door de Nationale Loterij aangeboden spelen worden trouwens niet beoogd. De wetgever voert overigens geen enkele reden aan die het inadequate karakter van de vroegere minimumleeftijd, die was vastgelegd op 18 jaar, zou kunnen aantonen. Ten slotte is de bestreden leeftijdsgrens niet coherent, aangezien de wetgever gewoonlijk een progressieve aanpak van de bescherming van jonge consumenten aanneemt, met name inzake alcohol, waarvan de verkoop verboden is voor jongeren die jonger zijn dan 16 jaar en jonger dan 18 jaar wat sterke alcohol betreft, en aangezien jongeren van 18 tot 21 jaar toegang kunnen hebben tot de door de Nationale Loterij aangeboden kansspelen. Die is in werkelijkheid de begunstigde van de bestreden bepaling, omdat zij voortaan bij jonge spelers een monopolie geniet. A.19.
  77. In een vijfde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden beperking het niet mogelijk maakt om de doelstellingen van duidelijkheid en bescherming van jonge spelers te bereiken, aangezien die worden blootgesteld aan de producten van de Nationale Loterij, waarvan sommige dezelfde kenmerken hebben als de kansspelen die door private operatoren worden aangeboden. Bovendien worden die spelers voortaan ertoe aangezet zich te wenden tot een illegaal kansspelaanbod, aangezien private operatoren hun kanaliserende rol niet meer kunnen vervullen. In een zesde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden bepaling niet noodzakelijk is, aangezien een graduele en gedifferentieerde regelgeving, met een leeftijdscontrole, mogelijk zou zijn geweest en aangezien het gevaarlijke karakter van het kansspel niet afhangt van de kenmerken die eigen zijn aan elk spel. In een zevende onderdeel beweren zij dat de schending van artikel 56 van het VWEU de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met zich meebrengt. A.20.
  78. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 56 van het VWEU, door artikel 7 van de wet van 18 februari
  79. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, is het middel wel degelijk ontvankelijk, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof. A.20.
  80. In een eerste onderdeel beweren de verzoekende partijen dat het reclameverbod voor kansspelen een beperking van het vrij verrichten van diensten uitmaakt, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. In dat verband beklemtonen zij dat de aan de Koning gelaten afwijkingsmogelijkheid niet wordt afgebakend, zodat zij volledig onder diens discretionaire bevoegdheid valt. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het aan de Ministerraad staat om aan te tonen dat het in artikel 7 van de bestreden wet bedoelde verbod verantwoord is ten aanzien van artikel 56 van het VWEU. Volgens de verzoekende partijen kunnen de beweringen van de Ministerraad volgens welke, enerzijds, artikel 7 van de wet van 18 februari 2024 zich ertoe beperkt kracht van wet te geven aan een reeds bestaand reclameverbod, dat is opgenomen in een koninklijk besluit, en, anderzijds, de daadwerkelijke beperking van reclame net in een dergelijk besluit zou zijn vervat, niet kunnen worden gevolgd. Het is immers wel degelijk de bestreden bepaling zelf die voortaan in de beperking van reclame voorziet, daarenboven onder striktere voorwaarden dan vroeger, aangezien voortaan in een echt verbod wordt voorzien, behoudens de door de Koning bepaalde uitzonderingen. Hoe dan ook is het koninklijk besluit van 27 februari 2023 zelf onwettig en heeft de bevoegdheid van het Hof enkel betrekking op wetsbepalingen, zodat het geen rekening dient te houden met de eventuele maatregelen waarin administratieve handelingen met een reglementaire draagwijdte voorzien. Bovendien bestaat er een fundamenteel verschil tussen een principieel reclameverbod en een omlijnde machtiging. 18 A.20.
  81. In een derde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat artikel 7 van de wet van 18 februari 2024 een discriminatie op grond van nationaliteit doet ontstaan. Met toepassing van die bepaling mogen de in het buitenland gevestigde kansspeloperatoren immers geen reclamecampagnes voeren vanop een website die toegankelijk is vanop het Belgische grondgebied, noch sportploegen sponsoren indien de beelden ervan in het openbaar kunnen worden verspreid in België. Het reclameverbod heeft dus een discriminerend extraterritoriaal effect. Bovendien worden lokale kansspeloperatoren minder benadeeld omdat zij een grotere bekendheid genieten bij het publiek, met name via hun netwerk van fysieke inrichtingen, en worden zij niet geconfronteerd met het risico dat de reclame in het buitenland een schending van artikel 7 van de wet van 18 februari 2024 uitmaakt. Bovendien heeft die bepaling geen betrekking op de Nationale Loterij. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de artikelen 5 en 9 van het koninklijk besluit van 27 februari 2023 geen weerslag hebben op het discriminerende karakter van artikel 7 van de wet van 18 februari
  82. Zij merken eveneens op dat het Hof van Justitie van de Europese Unie reeds heeft vastgesteld dat een absoluut reclameverbod in België voor kansspeloperatoren in strijd was met het recht van de Europese Unie in zoverre het een discriminatie op grond van nationaliteit deed ontstaan. Te dezen kan de omstandigheid dat afwijkingen kunnen worden toegekend bij koninklijk besluit, die vaststelling niet wijzigen, aangezien het koninklijk besluit van 27 februari 2023 thans niet in enige afwijking voor de in het buitenland gevestigde kansspeloperatoren voorziet en aangezien die uitzonderingen op discretionaire wijze worden vastgesteld bij een uitvoeringsbesluit. Ten slotte beweren de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling een onrechtstreekse discriminatie op grond van nationaliteit doet ontstaan, aangezien de buitenlandse operatoren meer online dan in fysieke inrichtingen actief zijn op de Belgische markt. A.20.
  83. In een vierde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 7 van de bestreden wet niet wordt verantwoord door een dwingende reden van algemeen belang, aangezien die geenszins wordt gepreciseerd. In dat verband toont de Ministerraad helemaal niet aan dat die maatregel ertoe strekt een probleem van volksgezondheid op te lossen en consumenten te beschermen. Bovendien vloeit de regeling van artikel 7 niet voort uit een samenhangend en stelselmatig beleid. Door het reclameverbod kunnen private operatoren hun rol van kanalisatie van de spelers immers niet meer vervullen. De parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling zelf laat uitschijnen dat reclame in dat verband noodzakelijk is. Bovendien zijn kansspelen niet minder gevaarlijk dan de door de Nationale Loterij aangeboden spelen, waarop het voormelde verbod geen betrekking heeft. De omstandigheid dat de Koning vrijstelling kan verlenen van het reclameverbod te verlenen, kan de voorgaande vaststellingen niet wijzigen, aangezien Zijn bevoegdheid niet wordt afgebakend en aangezien die machtiging de betrokken operatoren geen enkele waarborg van rechtszekerheid biedt. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het reclameverbod de illegale markt kan versterken, zoals de Kansspelcommissie heeft beklemtoond. In dat verband neemt de overheid onvoldoende maatregelen om het illegale aanbod te bestrijden. Bovendien kan de bescherming van de volksgezondheid en van de spelers geen geldige grondslag vormen voor een volledig reclameverbod, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zij preciseren eveneens dat de bestreden bepaling een te ruime definitie van reclame omvat, die afwijkt van de definitie die is bedoeld in artikel I.8, 13°, van het Wetboek van economisch recht, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft kunnen beklemtonen. In werkelijkheid wordt alle communicatie met betrekking tot kansspelen mogelijkerwijs beoogd, zelfs die zonder enige impact op het gedrag van de spelers, zonder dat de bestreden bepaling in dat verband beperkingen oplegt. Bijgevolg doet de bestreden bepaling ook afbreuk aan de rechtszekerheid van de private operatoren. De verzoekende partijen merken eveneens op dat maatregelen die het vrij verrichten van diensten minder aantasten, konden worden overwogen, met name de invoering van een aantal flankerende regels rond reclame, de opsomming van uitzonderingen op het reclameverbod in de wet en een overgangsperiode voor een toereikende duur. Artikel 7 van de wet van 18 februari 2024 is dus onevenredig. A.20.
  84. In een vijfde onderdeel beweren de verzoekende partijen dat de schending van artikel 56 van het VWEU de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met zich meebrengt. A.21.
  85. Het vierde middel is afgeleid uit de schending, van artikel 102, eerste alinea, van het VWEU, in samenhang gelezen met artikel 106, lid 2, van het VWEU, door de artikelen 4, 5 en 7 van de wet van 18 december
  86. In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen dat uit de structuur van het verzoekschrift duidelijk blijkt dat die referentiebepalingen worden aangevoerd in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het niet vermelden van die grondwetsartikelen berust op een materiële vergissing. Hoe dan ook is het Hof ertoe gehouden dat middel ambtshalve te onderzoeken in zoverre het is afgeleid uit de schending van bepalingen van primair recht van de Europese Unie, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. 19 De verzoekende partijen merken allereerst op dat de in het middel aangehaalde referentiebepalingen van toepassing zijn op de kansspelmarkt en dat de Nationale Loterij de bij artikel 106 van het VWEU toegestane maatregelen niet kan genieten. Bovendien zijn de bestreden bepalingen niet van toepassing op de Nationale Loterij, terwijl artikel 102 van het VWEU de Belgische Staat verbiedt om bijzondere of uitsluitende rechten te verlenen die een risico van misbruik van machtspositie creëren, hetgeen het geval is wanneer de uitoefening van die rechten de mededinging op een bepaalde markt uitschakelt. De verzoekende partijen merken op dat de kansspelmarkt reeds wordt gekenmerkt door een verzwakte mededinging wegens de prerogatieven die zijn toegekend aan de Nationale Loterij, die voortaan een monopolie geniet bij jongeren van 18 tot 21 jaar. Te dezen bestaat er dus misbruik van machtspositie, of op zijn minst een risico op dergelijk misbruik. Bovendien preciseren de verzoekende partijen dat zij het monopolie van de Nationale Loterij inzake loterijspelen niet betwisten, maar wel de bestreden bepalingen als dusdanig, die haar de mogelijkheid bieden om misbruik te maken van haar machtspositie op de markt van de loterijspelen met een nadelig effect op de verwante kansspelmarkt. A.21.
  87. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van artikel 106, lid 2, van het VWEU door de artikelen 4, 5 en 7 van de wet van 18 december
  88. Dat middel is ontvankelijk, om de redenen die zijn uiteengezet met betrekking tot de ontvankelijkheid van het vierde middel. De verzoekende partijen zijn van mening dat de aan de Nationale Loterij verleende uitsluitende rechten niet worden verantwoord door een taak van algemeen belang. De activiteit van de Nationale Loterij kan immers niet worden gelijkgesteld met een dienst van algemeen economisch belang in de zin van het recht van de Europese Unie, aangezien de door de Nationale Loterij aangeboden gokdiensten ook worden verleend op de private markt en aangezien de uitsluitende rechten die zij geniet, ruimer zijn dan hetgeen strikt noodzakelijk is om een taak van algemeen belang te vervullen. A.21.
  89. Het zesde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 5 van de wet van 18 februari 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 « betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/1535), dat aan de lidstaten de verplichting oplegt om elk ontwerp voor een technisch voorschrift in de zin van die richtlijn mee te delen aan de Europese Commissie. Volgens de verzoekende partijen heeft de Belgische Staat enkel de artikelen 4 en 7 van de wet van 18 februari 2024 meegedeeld aan de Europese Commissie. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aangeeft, is het middel ontvankelijk, aangezien de schending van artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/1535 de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie met zich meebrengt en aangezien het Hof hoe dan ook bevoegd is om de inachtneming te controleren van een vereiste van kennisgeving die wordt opgelegd door het recht van de Europese Unie. Bovendien vormt artikel 5 van de wet van 18 februari 2024 daadwerkelijk een regel betreffende diensten in de zin van de voormelde richtlijn, aangezien hij in bijzondere regels voor de diensten van de informatiemaatschappij voorziet. A.22.
  90. Het zevende middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 4 van de wet van 18 februari
  91. De verzoekende partijen klagen de omstandigheid aan dat het in de bestreden bepaling bedoelde verbod niet van toepassing is op de operatoren die houder zijn van een vergunning klasse A+, B+ of F1+ die bovendien ertoe zijn gemachtigd openbare loterijen aan te bieden via instrumenten van de informatiemaatschappij, hetgeen het geval is voor de Nationale Loterij via haar belangrijkste website en haar dochteronderneming « Scooore ». Zij merken op dat de door de Nationale Loterij aangeboden spelen aan dezelfde risico’s blootstellen als de spelen die worden aangeboden door private operatoren en dat de Kansspelcommissie zelf reeds heeft beklemtoond dat de spelen van de Nationale Loterij verwant zijn met kansspelen in de zin van de wet van 7 mei
  92. De verzoekende partijen voeren aan dat dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is, aangezien in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet wordt gepreciseerd dat zowel de Nationale Loterij als de private operatoren op dezelfde wijze moeten worden behandeld, zodat de wetgever volkomen van koers is veranderd zonder de minste uitleg te geven. De verzoekende partijen preciseren dat hun grieven geen betrekking hebben op artikel 3bis van de wet van 7 mei 1999, dat als grondslag dient voor het verschil tussen kansspelen en openbare loterijen, maar dat zij betrekking hebben op de pertinentie van dat onderscheid om het toepassingsgebied van artikel 4 van de wet van 18 februari 2024 te bepalen. Bovendien kan het bestreden verschil in behandeling niet worden verantwoord door een kanalisatiedoelstelling, aangezien de door de Nationale Loterij aangeboden spelen niet minder gevaarlijk zijn dan kansspelen. 20 A.22.
  93. Het achtste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 4, 5 en 7 van de wet van 18 februari 2024, in zoverre de bestreden bepalingen niet van toepassing zijn op de Nationale Loterij. De verzoekende partijen preciseren dat het middel geen betrekking heeft op artikel 3bis van de wet van 7 mei 1999, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, zodat het middel ontvankelijk is. Volgens de verzoekende partijen berust het verschil in behandeling tussen de Nationale Loterij en de private operatoren, die vergelijkbare categorieën van personen zijn, niet op een objectief criterium. Historisch gezien werden de door de Nationale Loterij georganiseerde spelen beschouwd als zijnde verschillend van kansspelen wegens het gebrek aan actieve medewerking van de speler en wegens de beperkte openingstijden van de verkooppunten, hetgeen thans niet meer het geval is ten aanzien van het aanbod van de Nationale Loterij op haar website. Hoe dan ook kan het laatste klassieke verantwoordingscriterium voor het differentiëren van de regeling die eigen is aan de Nationale Loterij, met name de omstandigheid dat haar winst wordt teruggestort voor doeleinden van openbaar belang, ieder verschil in behandeling niet op absolute wijze verantwoorden, zoniet zouden alle activiteiten van de Nationale Loterij moeten worden geacht te zijn vrijgesteld van de kansspelregelgeving, hetgeen niet toelaatbaar is, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State reeds heeft beklemtoond. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het criterium van onderscheid niet pertinent is ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, aangezien geenszins vaststaat dat de door de Nationale Loterij aangeboden spelen minder risico’s voor de spelers met zich meebrengen dan de andere kansspelen. In werkelijkheid vloeien de verslavingsrisico’s voort uit de specifieke aard van het kansspel, ongeacht de vorm van de operator die het aanbiedt. Het voorbeeld van de sportweddenschappen die door de Nationale Loterij via haar dochteronderneming « Scooore » worden aangeboden en van de « Woohoo-games » die op haar belangrijkste website worden aangeboden, verduidelijkt in het bijzonder het niet-pertinente karakter van het voormelde criterium, zoals de Kansspelcommissie heeft kunnen beklemtonen. Het doel om de spelers te beschermen wordt dus niet op stelselmatige en samenhangende wijze nagestreefd. Bovendien voeren de verzoekende partijen aan dat de uitzondering die de Nationale Loterij geniet, niet noodzakelijk is en kennelijk onevenredige gevolgen heeft voor de private operatoren, aangezien de eerlijke concurrentie op de kansspelmarkt wordt vervalst en aangezien een dergelijke uitzondering afbreuk doet aan de vrijheid van ondernemen en aan de vrijheid van meningsuiting van die operatoren. In werkelijkheid is de op de Nationale Loterij van toepassing zijnde wettelijke regeling van dien aard dat de spelers sterk worden aangemoedigd om deel te nemen aan de spelen die zij aanbiedt. A.23.
  94. Het negende middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 5 van de wet van 18 februari
  95. De verzoekende partijen betwisten het verschil in behandeling dat ontstaat tussen meerderjarige personen naargelang zij de leeftijd van 21 jaar al dan niet hebben bereikt. Zij preciseren dat het doel om beïnvloedbare spelers te beschermen te dezen niet legitiem is, aangezien het in strijd is met het fundamentele beginsel van de liberale samenleving volgens hetwelk de vrijheid van een individu enkel kan worden beperkt om te vermijden dat afbreuk wordt gedaan aan andermans rechten, en niet om de burger tegen zichzelf te beschermen. Het nagestreefde doel is in werkelijkheid paternalistisch en moraliserend. Het wijkt ook af van het beginsel volgens hetwelk meerderjarige personen alle handelingen uit het dagelijkse leven mogen stellen, hetgeen een striktere toetsing door het Hof verantwoordt. A.23.
  96. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het criterium van onderscheid niet pertinent is om het nagestreefde doel te bereiken. Zij preciseren dat het leeftijdscriterium, met toepassing van de rechtspraak van het Hof, een verdacht criterium uitmaakt dat een grondig onderzoek vereist. Te dezen is de wetgever de omstandigheid uit het oog verloren dat bepaalde meerderjarige personen die ouder zijn dan 21 jaar, ook worden blootgesteld aan verslavingsrisico’s en dat de meeste meerderjarige personen die ouder zijn dan 18 jaar, geen problematisch gedrag ten aanzien van kansspelen vertonen. Hoe dan ook wordt geenszins aangetoond dat de minimumleeftijd die is vastgelegd op 21 jaar, doeltreffend is om jonge spelers te beschermen, die in werkelijkheid naar de illegale markt zullen worden doorgestuurd. Bovendien heeft de bestreden bepaling onevenredige gevolgen in zoverre zij leidt tot een absoluut verbod, zonder rekening te houden met de kenmerken die eigen zijn aan de meerderheid van de personen, die niet onderhevig zijn aan de risico’s van kansspelen. Ten slotte is artikel 5 van de wet van 18 februari 2024 niet noodzakelijk, aangezien andere, minder inbreuk makende maatregelen konden worden overwogen, net als individuele uitsluitingsmechanismen of een stapsgewijze aanpak waarbij de deelname aan bepaalde kansspelen die maar weinig risico’s inhouden, wordt toegestaan. A.24.
  97. Het tiende middel is afgeleid uit de schending, door artikel 7 van de wet van 18 februari 2024, van het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat wordt gewaarborgd door de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, is het middel ontvankelijk, aangezien de bestreden bepaling een nieuwe strafbaarstelling in het leven roept in het kader van het in de wet bedoelde reclameverbod. 21 De verzoekende partijen voeren aan dat het begrip « reclame » in de zin van de kansspelwetgeving niet wordt gedefinieerd bij de wet van 7 mei 1999, zodat normaliter moet worden verwezen naar artikel I.8, 13°, van het Wetboek van economisch recht. Zij merken op dat de niet-naleving van de regels inzake reclame reeds strafrechtelijk wordt bestraft bij artikel 4, § 2, van de wet van 7 mei 1999, zodat de samenhang tussen die bepaling en artikel 7 van de wet van 18 februari 2024, dat een ruimere draagwijdte heeft dan artikel I.8, 13°, van het Wetboek van economisch recht, niet duidelijk is en de private operatoren verhindert om de strafrechtelijke gevolgen van hun handelingen te voorzien. A.24.
  98. Het elfde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 7 van de wet van 18 februari 2024, van de vrijheid van meningsuiting en van de persvrijheid zoals zij worden gewaarborgd door artikel 19 van de Grondwet, door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en door artikel 11 van het Handvest, al dan niet in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, is het middel ontvankelijk, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof. De verzoekende partijen klagen in dat verband het feit aan dat het bestreden reclameverbod op algemene wijze is geformuleerd, met dien verstande dat de Koning ervan kan afwijken maar dat Zijn beoordelingsbevoegdheid niet wordt afgebakend. Zij voeren aan dat de beperking van de vrijheid van meningsuiting die voortvloeit uit artikel 7 van de wet van 18 februari 2024, bijgevolg onvoldoende toegankelijk en nauwkeurig is, en nog minder ten aanzien van de omstandigheden die naar aanleiding van het tiende middel zijn aangeklaagd. Bovendien wordt het reclameverbod, zoals blijkt uit de uiteenzettingen met betrekking tot de andere middelen die aan artikel 7 zijn gewijd, niet redelijk verantwoord door een doel van algemeen belang en berust het niet op pertinente wetenschappelijke gegevens. A.24.
  99. Het twaalfde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 7 van de wet van 18 februari 2024, van de vrijheid van handel en nijverheid en van de vrijheid van ondernemen, zoals zij worden gewaarborgd door artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht en door artikel 16 van het Handvest. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, is het middel ontvankelijk, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof. Ten gronde verwijzen de verzoekende partijen naar de uiteenzettingen die aan de schending van het vrij verrichten van diensten zijn gewijd. Zaak nr. 8316 A.25.
  100. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 102 en 106 van het VWEU, door de artikelen 4 en 7 van de wet van 18 februari
  101. A.25.
  102. Vooraf beweert de verzoekende partij dat de bestreden bepalingen de Nationale Loterij bevoordelen ten opzichte van de private operatoren, terwijl die op precies dezelfde manier als een private actor in de kansspelsector kan optreden, zelfs indien zij daarnaast een actor blijft waar men niet omheen kan in de sector van de openbare loterijen, waarop zij het monopolie heeft. In werkelijkheid wordt de Nationale Loterij bevoordeeld in haar hoedanigheid van operator van weddenschappen. Bovendien verbieden de artikelen 102 en 106 van het VWEU de lidstaten om een onderneming in een situatie van een machtspositie te plaatsen indien dat die onderneming ertoe brengt misbruik ervan te maken. Hoewel artikel 3, § 1, tweede lid, van de wet van 19 april 2002 de Nationale Loterij ertoe machtigt om meerdere markten te betreden die aan mededinging zijn onderworpen, verbiedt niets haar om de middelen die zij uit haar monopolistische activiteit haalt te gebruiken voor haar concurrentiële activiteiten. Die situatie werd reeds aangeklaagd door de Belgische Mededingingsautoriteit. A.26.
  103. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel 4 van de wet van 18 februari 2024 voorziet in een verplichting om de spelersaccounts op te splitsen volgens de verschillende vergunningen voor onlinespelen, hetgeen een discriminatie doet ontstaan, in zoverre de Nationale Loterij niet wordt beoogd door die bepaling en in zoverre zij dus één spelersaccount kan aanbieden voor haar loterijspelen en haar « Woohoo-games », in tegenstelling tot de private operatoren. Zodoende kan de Nationale Loterij gebruikmaken van haar machtspositie die voortvloeit uit haar monopolie opdat spelers hun winst uit onlineloterijspelen gemakkelijk kunnen gebruiken om deel te nemen aan « Woohoo »-kansspelen. Omgekeerd kunnen private operatoren een dergelijke flexibiliteit niet aanbieden via een gemeenschappelijke portefeuille voor verschillende kansspelwebsites. In de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling wordt gepreciseerd dat die maatregel een doel van bescherming van de spelers beoogt. Daarin wordt evenwel niet verantwoord in welk opzicht de voormelde opsplitsing het mogelijk maakt dat doel te bereiken. 22 Volgens de verzoekende partij gaat de bestreden bepaling verder dan hetgeen de rechtspraak van het Hof vereist. Bovendien heeft de Kansspelcommissie de aandacht gevestigd op de nefaste gevolgen van de opsplitsing voor de bescherming van de spelers en erop aangedrongen andere maatregelen te nemen teneinde die zo goed mogelijk te kanaliseren. Bijgevolg moet de derde zin van artikel 27, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 18 februari 2024, worden vernietigd, zodat de vierde zin van die bepaling zonder voorwerp is. A.26.
  104. In een tweede onderdeel beweert de verzoekende partij dat de tweede zin van artikel 27, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 18 februari 2024, dat verbiedt om spelers naar een ander soort van vergunning door te verwijzen, een discriminatie doet ontstaan ten voordele van de Nationale Loterij, die niet wordt beoogd door dat verbod. Die kan spelers vanop haar website met loterijspelen dus doorverwijzen naar haar « Woohoo »-kansspelen en naar haar website met sportweddenschappen « Scooore », en omgekeerd. Uit de rechtspraak van het Hof vloeit evenwel voort dat de door de Nationale Loterij georganiseerde kansspelen en weddenschappen identiek zijn aan die welke worden aangeboden door de private operatoren, zodat de kanalisatiedoelstelling en het doel om de spelers te beschermen het bestreden verschil in behandeling niet verantwoorden. Die situatie leidt ook tot een concurrentieverstoring, aangezien de Nationale Loterij kan gebruikmaken van haar machtspositie die voortvloeit uit haar monopolie inzake loterijspelen. De private operatoren lijden dus een aanzienlijk nadeel in zoverre zij geen vergelijkbare zichtbaarheid kunnen genieten. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen teneinde te bepalen of de tweede zin van artikel 27, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 18 februari 2024, de artikelen 102 en 106 van het VWEU schendt, in zoverre hij de Nationale Loterij niet verbiedt om spelers vanop haar website met loterijspelen, die ook kansspelen omvat, door te verwijzen naar haar website met sportweddenschappen en omgekeerd, terwijl de private operatoren, ingevolge die bepaling, geen spelers mogen doorverwijzen vanop een website met kansspelen naar een andere website, en terwijl de Nationale Loterij het monopolie heeft voor onlineloterijspelen, hetgeen haar ertoe brengt misbruik te maken van een machtspositie op de markt van de spelen en de weddenschappen die aan mededinging is onderworpen. A.26.
  105. In een derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel 7 van de wet van 18 februari 2024 discriminerend is in zoverre het reclameverbod waarin het voorziet jegens de private operatoren, niet van toepassing is op de Nationale Loterij. Zij voert aan dat de nagestreefde doelstellingen van bescherming van de spelers en van volksgezondheid een dergelijk verschil in behandeling niet kunnen verantwoorden, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State reeds heeft kunnen beklemtonen. De verzoekende partij merkt bovendien op dat de uitzonderingen op het reclameverbod waarin de Koning kan voorzien met toepassing van de bestreden bepaling, niet ertoe kunnen leiden dat wordt voorzien in een dermate ruime regeling inzake reclame dat zij erop zou neerkomen dat reclame wordt toegestaan, zoniet zou de bestreden bepaling worden geschonden. De verzoekende partij vestigt eveneens de aandacht op bepaalde passages van de parlementaire voorbereiding waarin het voordeel dat de Nationale Loterij geniet, in het geding wordt gebracht en waaruit blijkt dat minder inbreukmakende maatregelen konden worden overwogen. De verzoekende partij beweert ook dat de door de Nationale Loterij aangeboden spelen, in termen van reclame, vergelijkbaar zijn met de door de private operatoren aangeboden spelen. Volgens de verzoekende partij leidt het bestreden reclameverbod ertoe dat de door die private operatoren vervulde rol van kanalisatie van de spelers opnieuw ter discussie wordt gesteld en tast het hun concurrentiepositie aan. Tegelijkertijd worden de door de Nationale Loterij georganiseerde spelen aantrekkelijker, zodat de bestreden bepaling een concurrentieverstoring en een misbruik van machtspositie met zich meebrengt die in strijd zijn met de artikelen 102 en 106 van het VWEU. De verzoekende partij voegt eraan toe dat, in tegenstelling tot hetgeen het beheerscontract van de Nationale Loterij laat uitschijnen, de door de Nationale Loterij aangeboden spelen niet minder schadelijk zijn dan die welke private operatoren aanbieden. A.26.
  106. In een vierde onderdeel doet de verzoekende partij gelden dat de derde en de vierde zin van artikel 27, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, zoals zij werden ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 18 februari 2024, een discriminerend verschil in behandeling doen ontstaan tussen de houders van een vergunning voor onlinekansspelen en de houders van een vergunning voor « fysieke » kansspelen, aangezien de opsplitsing van de portefeuilles van spelers van verschillende spelen enkel van toepassing is met betrekking tot de eerste categorie. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt evenwel dat voor fysieke kansspelen dezelfde flankerende maatregelen moeten worden genomen als voor virtuele spelen. Het bestreden verschil in behandeling is dus niet redelijk verantwoord. De Kansspelcommissie heeft de pertinentie ervan trouwens opnieuw in het geding gebracht, door de nadruk te leggen op de contraproductieve gevolgen van een dergelijke maatregel. 23 A.26.
  107. In haar memorie van antwoord preciseert de verzoekende partij dat de bestreden bepalingen daadwerkelijk een verschil in behandeling tussen de private operatoren en de Nationale Loterij in het leven roepen, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert. Zij beklemtoont dat een discriminatie kan voortvloeien uit het gebrek aan soortgelijke verplichtingen voor vergelijkbare categorieën van personen. Te dezen is het wel degelijk de wet van 18 februari 2024 die nieuwe verplichtingen oplegt aan de private operatoren zonder die uit te breiden tot de Nationale Loterij. De omstandigheid dat de Nationale Loterij is gebonden door een aantal specifieke verplichtingen wegens haar hoedanigheid van openbaredienstverrichter, verhindert niet dat zij, a minima, aan dezelfde beperkingen wordt onderworpen als de private operatoren. Bovendien lokt de Nationale Loterij door de monopoliesituatie die zij inzake loterijen geniet, op haar website een zeer groot aantal spelers, die worden doorverwezen naar de website met sportweddenschappen « Scooore » en naar de « Woohoo-games », hetgeen de uitsluiting van de Nationale Loterij van de bestreden regeling betreffende het cumulatieverbod des te onbegrijpelijker maakt. A.27.
  108. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door artikel 7 van de wet van 18 februari
  109. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aangeeft, is het middel ontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op de wijzigingen die bij artikel 7 van de wet van 18 februari 2024 in artikel 61 van de wet van 7 mei 1999 zijn aangebracht. In een eerste onderdeel beklemtoont de verzoekende partij dat in de bestreden bepaling niet in de essentiële elementen van de strafbaarstelling wordt voorzien. De Koning wordt immers ertoe gemachtigd uitzonderingen vast te stellen op het beginsel van het reclameverbod, dat gepaard gaat met strafrechtelijke sancties. Het formeel wettigheidsbeginsel in strafzaken is dus geschonden. In een tweede onderdeel, dat in ondergeschikte orde wordt aangevoerd, beweert de verzoekende partij dat het materieel wettigheidsbeginsel in strafzaken hoe dan ook is geschonden, aangezien de bestreden machtiging van de Koning onvoldoende nauwkeurig is geformuleerd, zodat de vergunninghouders de strafrechtelijke gevolgen van hun gedrag niet kunnen voorzien. Bovendien wordt niet gepreciseerd welke personen mogelijkerwijs kunnen worden veroordeeld, zodat het niet bekend is of enkel de operatoren worden beoogd dan wel of, algemener, elke persoon wordt beoogd. A.27.
  110. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 16 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, met de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht en met het algemene beginsel van de vrijheid van handel en nijverheid, door de derde en de vierde zin van artikel 27, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 18 februari
  111. De verzoekende partij preciseert dat de grieven betrekking hebben op het eigendomsrecht van de kansspeloperatoren, wier mogelijkheden om hun website te exploiteren worden beperkt. De verzoekende partij voert aan dat de maatregel tot opsplitsing van de portefeuilles voor elke onlinevergunning in strijd is met het nagestreefde doel om de spelers te beschermen, in zoverre de wekelijkse inzetlimiet van 200 euro, die vroeger gemeenschappelijk was voor alle vergunningen die via dezelfde spelersaccount toegankelijk waren, voortaan wordt beperkt tot elke account, zodat die limiet zoveel keer wordt verveelvoudigd als een speler accounts bezit. De Kansspelcommissie heeft de aandacht op die tegenstrijdigheid gevestigd. De bestreden maatregel doet dus op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op toegang tot de eigendom en aan het eigendomsrecht van de spelers, die niet langer het genot kunnen hebben van één portefeuille waaruit zij geld op hun verschillende accounts kunnen storten. Bovendien worden de vrijheid van handel en nijverheid en de vrijheid van ondernemen van de kansspeloperatoren ook op onevenredige wijze beperkt, aangezien die operatoren hun vergunningen niet meer vrij kunnen exploiteren volgens de nadere regels die zij bepalen. A.27.
  112. Het vierde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 7 van de wet van 18 februari 2024, van artikel 19 van de Grondwet, van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van het evenredigheidsbeginsel. De verzoekende partij beweert dat het reclameverbod de vrijheid van meningsuiting van de private operatoren schendt in zoverre het de wettigheidsvereiste niet in acht neemt, zoals is aangetoond naar aanleiding van het tweede middel. Dat verbod is evenmin noodzakelijk in een democratische samenleving, noch evenredig. Naast het feit dat het in strijd is met het doel om de spelers te kanaliseren, dient te worden opgemerkt dat de zogenaamd nagestreefde doelstellingen van bescherming van de speler, van volksgezondheid en van rechtszekerheid evenmin worden bereikt, aangezien de bestreden maatregel het netwerk van illegale kansspelen in werkelijkheid versterkt en aangezien alternatieve, minder inbreukmakende maatregelen, zoals preventiemaatregelen, konden worden overwogen. 24 Zaak nr. 8319 A.28.
  113. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 7 en 8 van de wet van 18 februari 2024, van het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals het wordt gewaarborgd door de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, en van de grondwettelijke regels die de bevoegdheden tussen de uitvoerende macht en de wetgevende macht verdelen, die zijn vervat in de artikelen 33, 36, 37, 105 en 108 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens de verzoekende partijen stellen de bestreden bepalingen de schending van het reclameverbod voor kansspelen strafbaar, zonder de essentiële elementen van de strafbaarstelling, met name de strafbare gedragingen en de nagestreefde doelstellingen, te bepalen. In werkelijkheid geven de bestreden bepalingen de Koning de vrije hand om de strafbaarstelling te bepalen, zodat de erin bedoelde machtiging te ruim is en aan de kansspeloperatoren het optreden van een democratisch verkozen vergadering ontzegt. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, voeren de bestreden bepalingen wel degelijk een nieuwe strafbaarstelling in, aangezien artikel 61 van de wet van 7 mei 1999, zoals gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 18 februari 2024, en artikel 64 van de wet van 7 mei 1999 een onlosmakelijk geheel vormen. De essentiële elementen van de bestreden strafbaarstelling werden evenwel gewijzigd bij de wet van 18 februari
  114. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het net de ontstentenis van een aantal essentiële elementen in artikel 61 van de wet van 7 mei 1999 is die zij aanklagen. A.28.
  115. Volgens de verzoekende partijen is het wettigheidsbeginsel in strafzaken dus geschonden in zijn zowel formele als substantiële dimensie, aangezien de strafrechtelijke strafbaarstelling onvoldoende duidelijk en nauwkeurig is. De bevoegdheid van de Koning om de uitzonderingen op het reclameverbod te bepalen kan in dat verband niet als een bijkomende maatregel worden beschouwd. Als tegenvoorbeeld nemen de verzoekende partijen artikel 43/1 van de wet van 7 mei 1999, dat het voormelde wettigheidsbeginsel wel in acht neemt, zoals het Hof heeft vastgesteld. A.29.
  116. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 7 en 8 van de wet van 18 februari 2024, van de vrijheid van meningsuiting die wordt gewaarborgd door de artikelen 10, 11, 19 en 25 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 11 van het Handvest, met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens e

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.