id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.166 Arrest- Rolnummer: 166/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-22 Raadplegingen: 564 - laatst gezien 2026-06-18 16:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 « houdende diverse bepalingen inzake economie (I) », ingesteld door de nv van publiek recht « Proximus ». Telecommunicatie - Elektronische communicatie - Bevoegdheidverdelende regels - Omzetting van de richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 « tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking) » - Onderbreking - Compensatie - Netwerkoperator Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 166/2025 van 11 december 2025 Rolnummer : 8371 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 « houdende diverse bepalingen inzake economie (I) », ingesteld door de nv van publiek recht « Proximus ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 november 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 november 2024, heeft de nv van publiek recht « Proximus », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bruno Lombaert, mr. Irène Mathy en mr. Nicolas Cariat, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 « houdende diverse bepalingen inzake economie (I) » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 mei 2024). Memories zijn ingediend door : - de bv « Wyre » en de nv « Orange Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Gauthier van Thuyne en mr. Alexander Pirard, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partijen); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré, mr. Maxime Chomé, mr. Estelle Volcansek en mr. Megi Bakiasi, advocaten bij de balie te Brussel. 2 De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 8 oktober 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
- De nv van publiek recht « Proximus » meent te doen blijken van een belang om de vernietiging van artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 « houdende diverse bepalingen inzake economie (I) » (hierna : de wet van 3 mei 2024) te vorderen, aangezien zij een netwerkoperator en een operator van elektronischecommunicatiediensten is die is aangemeld bij het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (hierna : het BIPT) met toepassing van artikel 9 van de wet van 13 juni 2005 « betreffende de elektronische communicatie » (hierna : de wet van 13 juni 2005). De bestreden bepaling legt haar een nieuwe compensatieregeling op ten voordele van haar klanten in geval van onderbreking van een elektronischecommunicatiedienst. Bovendien is de verzoekende partij een « netwerkoperator » in de zin van artikel 113/2, § 6, van de wet van 13 juni 2005, zoals gewijzigd bij de bestreden bepaling. Zij moet haar openbaar netwerk dus ter beschikking stellen van andere operatoren van de elektronischecommunicatiemarkt die gewone aanbieders van diensten zijn. De verzoekende partij preciseert dat zij wegens haar kenmerken door de bestreden compensatieregeling zwaarder wordt geraakt dan die operatoren en een specifieke discriminatie ondergaat. A.1.
- De bv « Wyre » stelt zich voor als een operator van een elektronischecommunicatienetwerk, dat openstaat voor elke operator die diensten wil aanbieden aan het publiek. In dat opzicht wordt zij rechtstreeks getroffen door artikel 113/2, § 6, van de wet van 13 juni 2005, dat aan de basis ligt van het recht van de operatoren die dat netwerk gebruiken om te worden vergoed wanneer een compensatie aan de eindgebruikers wordt toegekend, met dien verstande dat de andere paragrafen van die bepaling het bedrag van die compensatie bepalen. De bv « Wyre » doet dus blijken van een belang om in het kader van de vernietigingsprocedure tussen te komen, met toepassing van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Dat is ook het geval voor de nv « Orange Belgium », die de andere tussenkomende partij is en die over haar eigen netwerken beschikt en meerdere elektronischecommunicatiediensten aan haar klanten aanbiedt, met dien verstande dat die netwerken ook toegankelijk zijn voor partneroperatoren. Ten gronde Wat het standpunt van de verzoekende partij betreft A.2.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 29, 101, 104, 105 en 108 van de richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees 3 Parlement en de Raad van 11 december 2018 « tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/1972) en met de artikelen 4, lid 4, 5 en 6 van de verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 « tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en –diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie » (hierna : de verordening (EU) 2015/2120). In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, is het middel ontvankelijk, aangezien, wanneer de schending wordt aangevoerd van bepalingen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de rechtspraak van het Hof niet vereist dat de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt aangetoond. In ieder geval toont het middel wel aan in welk opzicht de schending van de bepalingen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie ook een schending met zich meebrengt van de bepalingen die uitdrukkelijk onder de bevoegdheid van het Hof vallen. In dat opzicht is het niet vereist dat de bestreden wetsbepaling enkel tot doel heeft het recht van de Europese Unie ten uitvoer te leggen. A.2.2.
- Het eerste onderdeel heeft betrekking op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 101, 104, 105 en 108 van de richtlijn (EU) 2018/
- De verzoekende partij stelt dat met toepassing van artikel 101 van die richtlijn, de lidstaten geen nationale normen kunnen aannemen noch handhaven waarin aan de eindgebruikers een meer of minder gunstige bescherming wordt erkend dan die waarin is voorzien bij de artikelen 102 tot 115 van die richtlijn, behoudens andersluidende bepaling in de artikelen 98 tot
- A.2.2.
- De verzoekende partij merkt op dat het compensatiemechanisme dat wordt vervangen bij de bestreden bepaling zogenaamd beoogde om een nuttige werking te verlenen aan artikel 105, lid 5, van de richtlijn (EU) 2018/
- Dat artikel betreft echter enkel de « voortdurende of regelmatig voorkomende » discrepanties tussen de in het contract vermelde prestaties en de werkelijke prestaties, die bovendien significant zijn. In die hypotheses legt de richtlijn (EU) 2018/1972 op dat het nationale recht voor de consumenten voorziet in rechtsmiddelen die kunnen leiden tot het kosteloos opzeggen van hun contract. Artikel 105, lid 5, van de richtlijn (EU) 2018/1972 laat de lidstaten a contrario niet toe nationale maatregelen ter bescherming van de eindgebruikers ten uitvoer te leggen die betrekking hebben op discrepanties in de kwaliteit van de dienstverlening die geen voortdurend of regelmatig voorkomend karakter hebben, noch significant zijn. Het laat evenmin de tenuitvoerlegging toe van een regeling voor automatische vergoeding in de plaats van rechtsmiddelen. Bijgevolg kan artikel 105, lid 5, van de richtlijn (EU) 2018/1972 geen geldige rechtsgrond vormen voor de bestreden bepaling. Volgens de verzoekende partij schendt de bestreden bepaling ook artikel 104 van de richtlijn (EU) 2018/1972, dat enkel voorziet in informatieverplichtingen voor de operatoren naar de eindgebruikers toe over de kwaliteit van hun diensten, en artikel 108 van dezelfde richtlijn, dat de lidstaten ertoe verplicht alle noodzakelijke maatregelen te nemen, enerzijds, om de beschikbaarheid van de diensten in specifieke situaties te waarborgen, dat wil zeggen in geval van door calamiteit veroorzaakte netwerkuitval of in geval van overmacht en, anderzijds, om een ononderbroken toegang tot de noodhulpdiensten en een ononderbroken transmissie van waarschuwingen aan het publiek te waarborgen. A.2.2.
- Aangezien artikel 101 van de richtlijn (EU) 2018/1972 voorziet in de exhaustieve harmonisatie door het recht van de Europese Unie van de bepalingen met betrekking tot de bescherming van de eindgebruikers, lijkt het mechanisme van automatische vergoeding waarin bij de bestreden bepaling is voorzien, onbestaanbaar te zijn met de voormelde bepalingen van die richtlijn. De wetgever heeft met andere woorden aan de eindgebruikers een niveau van bescherming van de rechten met betrekking tot de kwaliteit van de dienstverlening en de beschikbaarheid van het netwerk geboden dat in strijd blijkt te zijn met het recht van de Europese Unie, dat de lidstaten geen dergelijke speelruimte toekent. A.2.2.
- De verzoekende partij merkt op dat de letterlijke interpretaties die door de Ministerraad worden voorgesteld, ertoe leiden dat de duidelijke regel van exhaustieve harmonisatie van de rechten van de eindgebruikers alsook de draagwijdte van de artikelen 102 tot 115 van de richtlijn (EU) 2018/1972, die de rechten van de consumenten inzake kwaliteit van de dienstverlening en beschikbaarheid van het netwerk uitdrukkelijk beogen te vermelden, hun nuttig effect verliezen en van elke inhoud worden ontdaan. 4 A.2.2.
- In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij dat een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, om te bepalen of de richtlijn (EU) 2018/1972, en in het bijzonder de artikelen 101, 104, 105 en 108 ervan, al dan niet in samenhang gelezen met overweging 257 van dezelfde richtlijn, zich verzet tegen een nationale maatregel die tot doel heeft om een regeling van automatische vergoeding van de eindgebruikers op te leggen « bij een volledige onderbreking van meer dan acht uur van de levering van een andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst dan een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst, ingevolge een ononderbroken uitval van het netwerk », aangezien een dergelijke regeling van automatische vergoeding voor op zichzelf staande of punctuele onderbrekingen noch bepaald, noch toegelaten is bij de richtlijn (EU) 2018/1972 als maatregel ter bescherming van de consument met betrekking tot de kwaliteit van de dienstverlening of de beschikbaarheid van het netwerk, en aangezien artikel 101, lid 1, van de richtlijn (EU) 2018/1972 de lidstaten verbiedt in hun nationale wetgeving « bepalingen inzake de bescherming van de eindgebruiker die afwijken van de artikelen 102 tot 105 van de richtlijn (EU) 2018/1972, behoudens andersluidende bepaling in de artikelen 98 tot 116 » te behouden of in te voeren. A.2.3.
- Het tweede onderdeel heeft betrekking op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 29 van de richtlijn (EU) 2018/
- De verzoekende partij stelt dat het mechanisme van automatische vergoeding waarin bij de bestreden bepaling is voorzien, in strijd is met artikel 29 van de richtlijn (EU) 2018/1972, aangezien een dergelijk mechanisme niet vermeld wordt in de exemplatieve lijst in die bepaling en aangezien dat mechanisme niet tot doel heeft de operatoren te bestraffen maar wel de eindgebruikers te vergoeden. De wetgever heeft dus een maatregel genomen die onbestaanbaar is met de beperkte beoordelingsvrijheid die aan de nationale overheden wordt gelaten in het kader van de tenuitvoerlegging van die richtlijn. De verzoekende partij herinnert bovendien eraan dat artikel 101, lid 1, van de richtlijn (EU) 2018/1972 de nationale overheden niet toelaat af te wijken van de bescherming van de eindgebruikers die de artikelen 102 tot 105 van diezelfde richtlijn bieden. A.2.3.
- In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij dat een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, om te bepalen of de richtlijn (EU) 2018/1972, en in het bijzonder artikel 29 ervan, zich verzet tegen een nationale maatregel die tot doel heeft een regeling van automatische vergoeding van de eindgebruikers op te leggen « bij een volledige onderbreking van meer dan acht uur van de levering van een andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst dan een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst, ingevolge een ononderbroken uitval van het netwerk », aangezien een dergelijke regeling van automatische vergoeding van de op zichzelf staande of punctuele onderbrekingen niet kan worden beschouwd als een « sanctie » die toelaatbaar is in het licht van artikel 29 van de richtlijn (EU) 2018/1972 en aangezien artikel 101, lid 1, van de richtlijn (EU) 2018/1972 de lidstaten verbiedt om in hun nationale wetgeving « bepalingen inzake de bescherming van de eindgebruiker die afwijken van de artikelen 102 tot 105 van de richtlijn (EU) 2018/1972, behoudens andersluidende bepaling in de artikelen 98 tot 116 » te behouden of in te voeren. A.2.3.
- De verzoekende partij voegt eraan toe dat, in de hypothese dat het bestreden mechanisme van automatische vergoeding moet worden beschouwd als een sanctie in de zin van artikel 29 van de richtlijn (EU) 2018/1972, zou moeten worden vastgesteld dat artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 niet het « passende » en « evenredige » karakter van de sancties naleeft, dat ook wordt opgelegd bij artikel 29 van de richtlijn (EU) 2018/1972, zoals het tweede middel duidelijk maakt. A.2.4.
- Het derde onderdeel heeft betrekking op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4, lid 4, van de verordening (EU) 2015/
- De verzoekende partij voert aan dat, overeenkomstig die laatste bepaling, de voortdurende of regelmatig voorkomende significante discrepanties van de prestaties een « niet-conforme » prestatie vormen die aanleiding geeft tot het activeren van de rechtsmiddelen waarover de consument met toepassing van het nationale recht beschikt. Artikel 4, lid 4, van de verordening (EU) 2015/2120 laat de lidstaten a contrario niet toe nationale maatregelen te nemen ter bescherming van de eindgebruikers met betrekking tot discrepanties in de kwaliteit van de dienstverlening die geen « voortdurend of regelmatig voorkomend » karakter hebben en niet significant zijn. Het laat evenmin een regeling van automatische vergoeding toe in de plaats van een rechtsmiddel. Bovendien, overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de verordening (EU) 2015/2120, kan een discrepantie tussen de prestaties slechts aanleiding geven tot het activeren van de rechtsmiddelen wanneer de betreffende feiten zijn vastgesteld door een door de nationale regelgevende instantie gecertificeerd toezichtsmechanisme, hetgeen te dezen niet het geval is. Bijgevolg is de wetgever de beperkte beoordelingsvrijheid die is toegekend door het recht van de Europese Unie in het kader van de tenuitvoerlegging van de verordening (EU) 2015/2120, te buiten gegaan. 5 De verzoekende partij voegt eraan toe dat het algemene kader waarin is voorzien bij de richtlijn (EU) 2018/1972 van toepassing is op alle elektronischecommunicatiediensten, waaronder die bedoeld in de verordening (EU) 2015/
- Bijgevolg geldt de regel van exhaustieve harmonisatie van de rechten van de eindgebruikers waarin is voorzien bij artikel 101 van de richtlijn (EU) 2018/1972 ook voor de diensten bedoeld in de verordening (EU) 2015/2120, onder voorbehoud van de in artikel 4 van die verordening bedoelde waarborgen. A.2.4.
- In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, om te bepalen of de verordening (EU) 2015/2120, en in het bijzonder artikel 4, lid 4, ervan, zich verzet tegen een nationale maatregel waarmee de wetgever bepaalde minimumvereisten heeft gedefinieerd in termen van beschikbaarheid van de elektronischecommunicatiediensten, alsook een regeling van automatische vergoeding van eindgebruikers « bij een volledige onderbreking van meer dan acht uur van de levering van een andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst dan een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst, ingevolge een ononderbroken uitval van het netwerk », aangezien artikel 4, lid 4, van de voormelde verordening enkel voorziet in de mogelijkheid van « rechtsmiddelen » voor de consument – en niet in een automatische vergoeding – in geval van discrepanties in de kwaliteit van de dienstverlening met een voortdurend of een regelmatig voorkomend karakter – en niet in het geval van op zichzelf staande of punctuele onderbrekingen –, en onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de betreffende feiten zijn vastgesteld door een door de nationale regelgevende instantie gecertificeerd toezichtsmechanisme. A.2.5.
- Het vierde onderdeel heeft betrekking op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5 van de verordening (EU) 2015/
- De verzoekende partij merkt op dat het compensatiemechanisme, zoals initieel door de wetgever bepaald, vóór de vervanging ervan door de bestreden bepaling, werd opgevat als een « maatregel » in de zin van artikel 5, lid 1, eerste alinea, van de verordening (EU) 2015/
- De verzoekende partij preciseert dat die bepaling de « nationale regelgevende instanties » ertoe machtigt minimale vereisten inzake de kwaliteit van de dienstverlening op te leggen. Die « instanties » zijn echter de regulatoren, met uitsluiting van de wetgever. Bijgevolg maakt het bestreden compensatiemechanisme inbreuk op de bevoegdheden van de regulator, waarvan de onafhankelijkheid en de specifieke rol uitdrukkelijk zijn verankerd in de artikelen 5 en 6 van de richtlijn (EU) 2018/
- A.2.5.
- In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie opdat het bepaalt of de verordening (EU) 2015/2120, en in het bijzonder artikel 5, lid 1, ervan, zich verzet tegen een nationale maatregel waarmee de wetgever bepaalde minimumvereisten heeft gedefinieerd in termen van beschikbaarheid van de elektronischecommunicatiediensten, alsook een regeling van automatische vergoeding van de eindgebruikers « bij een volledige onderbreking van meer dan acht uur van de levering van een andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst dan een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst, ingevolge een ononderbroken uitval van het netwerk », aangezien artikel 5, lid 1, van die verordening aan de « nationale regelgevende instanties » de bevoegdheid voorbehoudt om aan de operatoren minimale vereisten inzake de kwaliteit van de dienstverlening op te leggen en « nauwlettend toezicht » te houden op de toepassing van de artikelen 3 en 4 van dezelfde verordening. A.2.6.
- Het vijfde onderdeel heeft betrekking op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van de verordening (EU) 2015/
- De verzoekende partij voert aan dat met toepassing van die laatste bepaling, de nationale wetgever maatregelen vermag te nemen om de niet-naleving van de nationale vereisten inzake beschikbaarheid van het netwerk te bestraffen. Te dezen kan het mechanisme van automatische vergoeding evenwel niet worden gelijkgesteld aan een « sanctie » in de zin van artikel 6 van de voormelde verordening. De verzoekende partij verwijst in dat opzicht naar de uiteenzettingen van het tweede onderdeel van het middel. A.2.6.
- In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, opdat het bepaalt of de verordening (EU) 2015/2120, en in het bijzonder artikel 6 ervan, zich verzet tegen een nationale maatregel waarmee de wetgever bepaalde minimale vereisten heeft gedefinieerd in termen van beschikbaarheid van de elektronischecommunicatiediensten, alsook een regeling van automatische vergoeding van de eindgebruikers « bij een volledige onderbreking van meer dan acht uur van de levering van een andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst dan een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst, ingevolge een ononderbroken uitval van het netwerk », aangezien een dergelijke regeling van automatische vergoeding voor op zichzelf staande of punctuele onderbrekingen niet kan worden beschouwd als een « sanctie » die toelaatbaar is in het licht van artikel 6 van die verordening. 6 A.2.6.
- De verzoekende partij voegt eraan toe dat, in de hypothese dat het bestreden vergoedingsmechanisme moet worden beschouwd als een sanctie die toelaatbaar is in het licht van artikel 6 van de verordening (EU) 2015/2120, zou moeten worden vastgesteld dat artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 niet het « evenredige » karakter van de sancties naleeft, opgelegd door artikel 6 van de verordening (EU) 2015/2120, zoals het tweede middel duidelijk maakt. A.2.6.
- In haar memorie van antwoord stelt de verzoekende partij dat de verzoeken om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen ontvankelijk zijn. Aangezien de verzoekende partij van mening is dat de wetgever een wetgevend mechanisme heeft aangenomen dat onbestaanbaar is met de beoordelingsvrijheid die door het recht van de Europese Unie is toegekend, staat het immers aan het Hof van Justitie te bepalen of die analyse al dan niet correct is. A.3.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de economische unie en van de monetaire eenheid, met het beginsel van de vrijheid van handel en nijverheid, met artikel 6, § 1, VI, derde en vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en met artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), in voorkomend geval met artikel 29 van de richtlijn (EU) 2018/1972 en met artikel 6 van de verordening (EU) 2015/
- De verzoekende partij preciseert dat het middel in ondergeschikte orde wordt geformuleerd, in de hypothese dat het eerste middel als niet gegrond zou worden beschouwd. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, is het middel ontvankelijk, om redenen die vergelijkbaar zijn met die welke leiden tot het aannemen van de ontvankelijkheid van het eerste middel. A.3.
- De verzoekende partij voert aan dat de beperking van de vrijheid van ondernemen en van de vrijheid van dienstverrichting die door de bestreden bepaling wordt veroorzaakt, zogezegd wordt verantwoord door een doelstelling van consumentenbescherming, welke effectief een dwingende reden van algemeen belang vormt volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie. De verzoekende partij merkt evenwel op dat de wetgever in werkelijkheid een discriminatie heeft doen ontstaan onder de categorieën van consumenten en, op die manier, onder de categorieën van operatoren, zoals het derde middel duidelijk maakt. Bovendien heeft de wetgever met de aanneming van de bestreden bepaling de relaties tussen de economische operatoren geregeld. De verzoekende partij verwijst voor dat laatste punt naar het derde en vijfde middel. A.3.3.
- Volgens de verzoekende partij is de bestreden maatregel bovendien niet doeltreffend, noch noodzakelijk ten aanzien van de nagestreefde doelstelling van consumentenbescherming. Die maatregel gaat immers in tegen de logica van een billijke regeling van de door de consument geleden schade door hem een compensatie toe te kennen voor een dienst die hij niet heeft ontvangen. Volgens de verzoekende partij, wat de goedkope tariefplannen betreft die onderworpen zijn aan artikel 113/2, § 4, 1°, van de wet van 13 juni 2005, zoals ingevoegd bij de bestreden bepaling, zal het door de operator verschuldigde bedrag al snel het totaalbedrag van het abonnement overstijgen, of op zijn minst de som die aan de operator had moeten worden terugbetaald omwille van de billijkheid. Zo zal een onderbreking van tien dagen voor een abonnement waarvan de prijs lager is dan dertig euro leiden tot de terugbetaling van de volledige prijs van het abonnement, zelfs indien de rest van de maand effectief werd gepresteerd. In het geval van een onderbreking van een maand ontvangt de eindgebruiker een compensatie die overeenkomt met meer dan acht keer zijn maandelijkse bijdrage. Een dergelijk niveau van compensatie, dat geen vergoedend karakter heeft, is niet doeltreffend ten aanzien van de doelstelling van consumentenbescherming en van niet-betaling voor een dienst die niet werd ontvangen. De verzoekende partij preciseert dat de voorbeelden die zij aanvoert niet hypothetisch zijn maar wel overeenstemmen met de realiteit van de markt. De verzoekende partij merkt op dat de parlementaire voorbereiding lijkt aan te geven dat het niveau van compensatie berust op het uitgangspunt dat de onderbrekingen van diensten zeldzaam zijn en altijd erg beperkt in de tijd, zodat het bedrag van de compensatie zelden dat van het abonnement zou overschrijden. Die redenering is niet correct, wegens het verschil dat snel ontstaat tussen het door de operatoren verschuldigde bedrag en de waarde van het betrokken abonnement, maar ook ten aanzien van de verschillende hypotheses van dienstonderbrekingen, die relatief lang kunnen zijn zonder dat de operator daar werkelijk vat op heeft. Bovendien zijn de betrokken bedragen onderworpen aan btw, aangezien de compensatie moet worden beschouwd als een creditnota of een korting op de normaal verschuldigde prijs voor de dienstverlening van de operator. Die diensten zijn immers noodzakelijkerwijs in uitvoering wanneer de onderbreking plaatsvindt, zodat de bestreden compensatie een terugbetaling vormt die een rechtstreeks verband vertoont met de voormelde diensten en die onder het 7 toepassingsgebied van de btw valt, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert. In werkelijkheid veroorzaakt de bestreden bepaling een vrijwel leonische regeling ten voordele van de consumenten. Bovendien kan de compensatieregeling zelfs van toepassing zijn in geval van geplande onderhoudswerken op het netwerk, wanneer die werkzaamheden meer dan acht uur duren. Tal van interventies overschrijden evenwel die duur. De bestreden maatregel ontraadt de operator dus het netwerk preventief te onderhouden en houdt geen rekening met de meerwaarde van het onderhoud op de kwaliteit van het netwerk. Voor het overige zijn de gegevens die door de Ministerraad worden aangevoerd over het aantal onderbrekingen van het netwerk niet representatief. A.3.3.
- Volgens de verzoekende partij onderscheidt de bestreden maatregel zich fundamenteel van andere nationale compensatieregelingen van diensten en andere Europese regelingen die van toepassing zijn inzake elektronische communicatie door het automatische karakter ervan, dat volledig losstaat van effectief veroorzaakte hinder voor een bepaalde consument. De verzoekende partij beklemtoont dat de keuze tussen de regeling van een automatische compensatie en die van een compensatie op verzoek aan de telecomoperatoren wordt gelaten in Nederland, aan de gasleveranciers in het Waalse Gewest en aan de energieleveranciers in het Vlaamse Gewest. Die systemen tonen aan dat de wetgever andere maatregelen had kunnen nemen, die minder afbreuk doen aan de vrijheid van ondernemen van de operatoren. In werkelijkheid toont de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling aan dat de wetgever de aanneming van minder restrictieve maatregelen bewust heeft afgewezen. De verzoekende partij merkt bovendien op dat het BIPT zelf de incoherente gevolgen van de voormelde compensatieregeling heeft aangeklaagd. Bovendien legt de bestreden bepaling geenszins op dat de betrokken consument nagaat of de onderbreking van de diensten, die nochtans automatisch wordt vergoed, werkelijk heeft plaatsgevonden. Bijgevolg is het mogelijk dat de consument wordt vergoed voor de onderbreking van de diensten terwijl hij niet thuis was tijdens die onderbreking. In dat opzicht kan de doelstelling van vereenvoudiging van de procedures de maatregel niet verantwoorden, aangezien de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling erkent dat het bestreden mechanisme niet toelaat de werkelijk getroffen consumenten doeltreffend te beschermen. Indien de nagestreefde doelstelling effectief erin bestaat de duidelijkheid en de toegankelijkheid te verbeteren van de compensatieregeling die reeds door de operatoren wordt geboden, is de bestreden maatregel geenszins noodzakelijk, noch passend, aangezien een maatregel kon worden genomen die minder afbreuk doet aan de vrijheid van ondernemen van de operatoren, zoals een algemene verplichting tot transparantie over de bestaande nadere regels voor compensatie en tot bijstand aan de consumenten voor het gebruik van die nadere regels. Bovendien is de toename van het aantal klachten die door de Ministerraad wordt aangevoerd, gebaseerd op een beknotte lezing van de beschikbare gegevens. A.3.4.
- De verzoekende partij doet nog gelden dat de maatregel onevenredig is. Ten eerste liggen de algemene kosten ervan veel hoger dan twee miljoen euro per jaar, hetgeen duidelijk de limieten van een minieme aantasting van de vrijheid van ondernemen en van de vrijheid van dienstverrichting overstijgt. De verzoekende partij voert vervolgens aan dat de uitvoeringsmodaliteiten van de maatregel het onevenredige karakter van die inmenging nog accentueren. Dat is het geval voor de temporele activeringsdrempel voor de compensatieverplichting, die op acht uur is vastgelegd. In dat opzicht merkt de verzoekende partij op dat het leveren van telecommunicatiediensten geen essentiële dienstverlening is, in tegenstelling tot de diensten voor water-, gas- en elektriciteitsvoorziening. Bovendien zijn de pannes die zich buiten de werkuren voordoen minder storend voor de consument en kunnen zij niet altijd snel worden hersteld door de operatoren, bij gebrek aan beschikbaar personeel. Er rijzen ook grote moeilijkheden wanneer de bron van de panne zich in een privé-installatie bevindt, aangezien de operator geen toegang ertoe heeft zonder de instemming van de eigenaar van de plaats. Bovendien wordt de grote meerderheid van de incidenten binnen meer dan acht uur opgelost, zodat een langere periode van twaalf tot vierentwintig uur billijker zou zijn voor de operatoren. De Nederlandse wetgever heeft precies gekozen voor een duur van twaalf uur in het kader van de compensatieregeling voor de consumenten. A.3.4.
- De verzoekende partij voert ook aan dat het begrip van overmacht, dat toelaat de compensatie te vermijden, bijzonder dubbelzinnig is in de bestreden bepaling. De parlementaire voorbereiding van het voorstel verwijst naar extreme gevallen die niet kennelijk toe te schrijven zijn aan de leverancier, zoals een aardbeving, een overstroming, een terroristische aanslag of een oorlog. Daaruit vloeit voort dat het onmogelijk is voor de operatoren om de omstandigheden te bepalen die hen daadwerkelijk kunnen vrijstellen van hun verplichtingen. De verzoekende partij preciseert dat zeer veel dienstonderbrekingen van een duur van meer dan acht uur het resultaat zijn van niet-gecoördineerde of slecht uitgevoerde interventies van beheerders van netwerken die gelegen zijn in de nabijheid van de installaties van de elektronischecommunicatieoperatoren, zoals het water- of elektriciteitsdistributienet, waarvan het onderhoud of het herstel elementen van het netwerk van de elektronischecommunicatieoperatoren kan aantasten. 8 Bovendien lijkt het begrip « overmacht » waarin bij de bestreden bepaling is voorzien geen cyberaanvallen te beogen, terwijl die niet aan de operatoren toe te schrijven zijn. De verzoekende partij merkt meer in het algemeen op dat het niet duidelijk is of het feit dat is gepleegd door een derde en dat niet toe te schrijven is aan de operator onder het begrip « overmacht » valt, aangezien de wet van 13 juni 2005 die twee begrippen in andere bepalingen van elkaar onderscheidt. De interpretatie van overmacht door het BIPT brengt ook niet meer duidelijkheid, behalve dat het niet aan die regulator staat om de bestreden bepaling rechtsgeldig te interpreteren. De verzoekende partij klaagt ook de ontstentenis van een uitzondering aan in geval van geplande werkzaamheden op het netwerk, die vooraf zijn aangekondigd, terwijl andere compensatieregelingen die soortgelijke doelstellingen nastreven wel in een dergelijke uitzondering voorzien. A.4.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de economische unie en van de monetaire eenheid, met het beginsel van de vrijheid van handel en nijverheid en met artikel 6, § 1, VI, derde en vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat laatste in samenhang gelezen met artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht en met artikel 16 van het Handvest. De verzoekende partij preciseert dat het middel in uiterst ondergeschikte orde wordt geformuleerd, in de hypothese dat het Hof zou besluiten tot het niet-gegronde karakter van de eerste twee middelen. Zij stelt bovendien dat het middel ontvankelijk is, aangezien de uiteenzettingen duidelijk aantonen dat de geïdentificeerde categorieën van operatoren gediscrimineerd worden in de uitoefening van hun vrijheid van ondernemen en dat de grief is afgeleid uit de gecombineerde lezing van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met de bepalingen en beginselen welke die vrijheid waarborgen. A.4.
- De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling creëert tussen, enerzijds, de « netwerkoperatoren » die een elektronischecommunicatienetwerk exploiteren en dat netwerk ter beschikking stellen van andere operatoren van elektronischecommunicatiediensten, namelijk de « dienstenoperatoren », en, anderzijds, die dienstenoperatoren zelf. Met toepassing van die bepaling is de verzoekende partij immers ertoe gebonden de dienstenoperatoren te vergoeden in geval van onderbreking van de door die laatste geleverde diensten, ongeacht de oorzaak van het incident en de financiële compensatie welke die operatoren beslissen toe te kennen. De verzoekende partij preciseert dat de voormelde categorieën van operatoren vergelijkbaar zijn ten aanzien van het doel dat zogenaamd door de wetgever wordt nagestreefd, namelijk de bescherming van de consument en de aansporing tot een snellere oplossing van de oorzaken van dienstonderbrekingen. A.4.
- Volgens de verzoekende partij gaat de bestreden bepaling verder dan hetgeen voor het nagestreefde doel van consumentenbescherming is vereist, in zoverre die bepaling ook beoogt de relaties onder operatoren in geval van een dienstonderbreking te regelen. In werkelijkheid kunnen de dienstenoperatoren zich tegen de netwerkoperator keren, aangezien zij in het kader van het compensatiemechanisme worden gelijkgesteld aan consumenten. In dat opzicht past de bestreden bepaling niet langer binnen een compensatielogica, aangezien de netwerkoperator ertoe is gebonden de onderbreking van de diensten van een derde operator, die dat netwerk gebruikt, ten aanzien van de klanten van de derde operator te vergoeden, hetgeen onder een commerciële relatie valt waarbij de netwerkoperator niet is betrokken. Bovendien voorzien meerdere contractuele akkoorden die zijn gesloten tussen de netwerkoperatoren en de dienstenoperatoren reeds in nadere regels in geval van onderbreking of onbeschikbaarheid van het netwerk. Bijgevolg is de bestreden bepaling niet pertinent. A.4.
- De verzoekende partij voegt eraan toe dat de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling niet preciseert in welk opzicht die noodzakelijk is, zodat de gunstigere behandeling van de dienstenoperatoren op geen enkele verantwoording steunt. Er had moeten worden voorzien in een identieke behandeling ten aanzien van de consumenten, desnoods door de dienstenoperatoren toe te laten zich tegen de netwerkoperator te keren wanneer de storing aan hem toe te schrijven is. De bestreden maatregel lijkt des te minder noodzakelijk te zijn daar de netwerkoperatoren belang erbij hebben de panne zo snel mogelijk op te lossen, aangezien zij hun eigen klanten raakt, die zij hoe dan ook moeten vergoeden. Bovendien ontwikkelen de dienstenoperatoren, in tegenstelling tot de netwerkoperatoren, hun activiteiten zonder de aanzienlijke investering in de installatie van elke noodzakelijke uitrusting voor de werking van de netwerken te moeten dragen en zonder te moeten instaan voor het onderhoud noch de technologische ontwikkeling van die uitrusting. A.4.
- Volgens de verzoekende partij heeft het bestreden verschil in behandeling ook onevenredige gevolgen, door aan de dienstenoperatoren een concurrentieverstorend voordeel toe te kennen ten opzichte van de netwerkoperatoren. De netwerkoperator is immers ertoe gehouden het integrale bedrag van de door de dienstenoperator aan de eindgebruiker toegekende compensatie te dragen, ongeacht of de dienstenoperator zich al dan niet heeft beperkt tot de minima die zijn bepaald in artikel 113/2, § 4, 1° en 2°, van de wet van 13 juni
- De dienstenoperator kan aan de consumenten dus een compensatie toekennen die het wettelijke minimum 9 overstijgt, zonder de kosten daarvan te dragen die ten laste van de netwerkoperator worden gesteld. Een dergelijke situatie kan een concurrentieverstoring teweegbrengen. In dat opzicht heeft het BIPT eerst geoordeeld dat, in geval van een onevenredige compensatie toegekend door de dienstenoperator, het aan de netwerkoperator zou zijn om in rechte te treden. Een dergelijke situatie is uiteraard discriminerend en nadelig voor de netwerkoperatoren. Vervolgens heeft het BIPT gesuggereerd dat de operatoren onder elkaar de nadere regels afspreken omtrent de terugbetaling van toegekende compensaties. Die administratieve interpretatie, die afwijkt van de wettelijke voorschriften, is evenwel niet dwingend. De verzoekende partij wijst ook op het risico dat de dienstenoperatoren de compensatieregeling uitbreiden naar al hun abonnees en eindgebruikers, ongeacht of zij al dan niet een onderbreking van de dienst hebben ondervonden, aangezien die operatoren niet zelf de meerderheid van de toe te kennen compensaties dragen. Omgekeerd heeft de netwerkoperator geen enkele mogelijkheid om na te gaan of de dienstenoperator de bij de wet bepaalde criteria strikt heeft toegepast. In dat opzicht vloeit uit de regels in verband met het zakengeheim voort dat de netwerkoperator geen enkele toegang kan eisen tot de details van de tariefplannen en de compensatieplannen opgesteld door de dienstenoperatoren, noch tot de klantendatabanken. In dat kader moet de netwerkoperator, die wordt gedwongen om in rechte te treden bij elk misbruik door een dienstenoperator, een excessieve last dragen met betrekking tot de vrijwaring van zijn rechten. De verzoekende partij voegt eraan toe dat het onevenredig is om de financiële last van de aan de eindgebruikers toegekende compensatie te laten dragen door de netwerkoperatoren onder het vermeende motief dat zij een eigen rentabiliteit zouden halen uit hun netwerken, aangezien de netwerkoperator zijn infrastructuur ontwikkelt zonder die kosten rechtstreeks op de dienstenoperator af te wentelen. Bovendien veronderstelt de vrijheid van handel en nijverheid dat op concurrentiële en niet-onbehoorlijke wijze een voordeel wordt gehaald uit de exploitatie van de eigen investeringen. Bovendien zijn de contracten voor toegang tot het netwerk gereguleerde contracten waarvan de operator niet vrij de prijzen bepaalt en die dus niet toelaten een werkelijke commerciële marge te realiseren. In dat verband dient te worden opgemerkt dat de contracten reeds strafmechanismen en compensaties tussen de operatoren bevatten, die voortaan veel groter gemaakt worden door de bestreden bepaling. A.4.
- Concluderend voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepaling een dubbele discriminatie doet ontstaan ten nadele van de netwerkoperatoren. Ten eerste kunnen de dienstenoperatoren de financiële compensatie vrij bepalen, in voorkomend geval op genereuze wijze, zonder de kosten ervan te dragen, hetgeen hun een onverantwoord economisch en concurrentieel voordeel toekent. Ten tweede moeten de dienstenoperatoren, in tegenstelling tot de netwerkoperatoren, niet de minste stappen doen om de vergoeding te verkrijgen van compensaties die zijn toegekend door de derde die verantwoordelijk is voor de dienstonderbreking. De verzoekende partij stelt dus dat de bestreden bepaling a minima dient te worden vernietigd in zoverre zij artikel 113/2, § 6, in de wet van 13 juni 2005 invoegt. A.5.
- Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de economische unie en van de monetaire eenheid, met het beginsel van de vrijheid van handel en nijverheid en met artikel 6, § 1, VI, derde en vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat laatste in samenhang gelezen met artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht en met artikel 16 van het Handvest. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepaling discriminerend is in zoverre zij de elektronischecommunicatiediensten in verband met radio-omroep en televisie uitsluit van het toepassingsgebied ervan. Zij preciseert bovendien dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel, aangevoerd door de Ministerraad, geenszins is aangetoond, aangezien het verschil in behandeling eigen is aan de bestreden bepaling en geen equivalent had in de vroegere regeling. A.5.
- De verzoekende partij merkt op dat artikel 2, 5°, van de wet van 13 juni 2005 preciseert dat de elektronischecommunicatiediensten in verband met de radio-omroep en televisie niet worden beschouwd als elektronischecommunicatiediensten in de zin van die wet. Zij worden bijgevolg niet beoogd door de bestreden bepaling, die dus hoofdzakelijk de onderbrekingen van telefonie, zowel vast als mobiel, en onderbrekingen van het internet beoogt. Dat verschil in behandeling werkt bijgevolg door op de consumenten, die al dan niet een compensatieregeling genieten, en op de operatoren, die al dan niet ertoe zijn gehouden de nieuwe regeling toe te passen, op basis van de betrokken categorie van diensten. In haar memorie van antwoord preciseert de verzoekende partij dat zij, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, geen discriminatie aanklaagt onder de elektronischecommunicatiediensten, naargelang zij al dan niet nummerafhankelijk zijn. Het is wel degelijk de uitsluiting van de elektronischecommunicatiediensten in verband met radio-omroep en televisie die wordt aangeklaagd. Die zijn effectief uitgesloten van het toepassingsgebied van de bestreden bepaling door artikel 2, 5°, van de wet van 13 juni 2005, dat, in tegenstelling tot artikel 2, lid 4, van de richtlijn (EU) 2018/1972, niet die communicatiemiddelen beoogt. 10 A.5.
- Volgens de verzoekende partij is het bestreden verschil in behandeling niet pertinent ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. Zij preciseert ten eerste dat de categorieën van diensten die verschillend worden behandeld vergelijkbaar zijn. Artikel 2, lid 4, van de richtlijn (EU) 2018/1972 rekent de diensten van radio-omroep en televisie overigens tot de « elektronischecommunicatiediensten ». Bovendien legt de bestreden bepaling, in het kader van de berekening van het bedrag van de compensatie die verschuldigd is aan de consumenten van elektronischecommunicatiediensten, op dat het totale bedrag van de bundel die de consumenten genieten, met inbegrip van radio-omroep en televisie, in aanmerking wordt genomen. De verzoekende partij merkt op dat, indien de door de bestreden bepaling nagestreefde doelstelling erin bestaat een billijke compensatie toe te kennen aan de consumenten die een elektronischecommunicatiedienst waarvoor zij betaald hebben niet hebben kunnen genieten, het niet verantwoord is de audiovisuele en auditieve mediadiensten uit te sluiten van het toepassingsgebied van de vergoedingsregeling. In dat verband doet de verzoekende partij gelden dat artikel 113 van de wet van 13 juni 2005 zowel op de operatoren van telecommunicatiediensten als op de operatoren van transmissiediensten voor het verlenen van radio-omroep een hele reeks regels toepast ter bescherming van de consument. Artikel 121/5 van de wet van 13 juni 2005 verwijst ook naar artikel 113 van diezelfde wet. A.5.
- Aangezien het bestreden verschil in behandeling niet pertinent is, is het ook niet noodzakelijk om de door de wetgever nagestreefde doelstellingen te bereiken. In werkelijkheid is het zelfs noodzakelijk de compensatieregeling uit te breiden naar de radio-omroep en televisie, om de coherentie van de Belgische regeling in vergelijking met het recht van de Europese Unie te waarborgen. A.5.
- De verzoekende partij stelt bovendien dat de bestreden maatregel kennelijk onevenredig is, aangezien hij de consumenten die een onderbreking van de diensten van de radio-omroep en televisie ondervinden het vergoedingsmechanisme ontzegt, terwijl die diensten, in voorkomend geval, inbegrepen zijn in dezelfde bundel als de andere elektronischecommunicatiediensten, die het voorwerp kunnen uitmaken van de bij de bestreden bepaling vastgestelde compensatie. Dat verschil in behandeling is des te onwaarschijnlijker daar, in een reeks van hypotheses, de onderbreking van elektronischecommunicatiediensten dezelfde technische oorsprong heeft, ongeacht de betrokken dienst. Het bestreden verschil in behandeling creëert ook discriminerende gevolgen onder de operatoren, aangezien diegene die diensten van radio-omroep en televisie aanbieden die niet inbegrepen zijn in een bundel die andere categorieën van diensten omvat, volledig vrijgesteld zullen zijn, wat de diensten van radio-omroep en televisie betreft, van de verplichting de consumenten te vergoeden in geval van onderbreking en geen rekening zullen moeten houden met de waarde van die diensten in het kader van de compensatie van de onderbreking in verband met andere prestaties. Het betreft een artificieel onderscheid dat tot gevolg heeft dat een bepaalde vorm van commerciële organisatie wordt bevoordeeld, hetgeen tegelijkertijd de vrijheid van ondernemen beperkt. Aangezien de operatoren worden aangespoord om de diensten die zij de consumenten aanbieden te splitsen, wordt ook de berekeningsbasis van de mogelijke vergoedingen verminderd, aangezien de diensten van radio-omroep en televisie niet in aanmerking worden genomen in het kader van de compensatie. A.6.
- Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 127, § 1, 1°, en 143, § 1, van de Grondwet, van de artikelen 4, 6°, 6, § 1, VI, en 92bis, § 4sexies, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, van artikel 9 van het samenwerkingsakkoord van 17 november 2006 « tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franstalige Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap betreffende het wederzijds consulteren bij het opstellen van regelgeving inzake elektronische communicatienetwerken, het uitwisselen van informatie en de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot elektronische communicatienetwerken door de regulerende instanties bevoegd voor telecommunicatie of radio-omroep en televisie » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 17 november 2006), in samenhang gelezen met het evenredigheidsbeginsel in de uitoefening van de bevoegdheden en met artikel 5, lid 3, van de richtlijn (EU) 2018/
- A.6.
- De verzoekende partij merkt op dat met toepassing van artikel 127, § 1, 1°, van de Grondwet en van artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, de Gemeenschappen bevoegd zijn inzake radio-omroep en televisie, met dien verstande dat de federale overheid op basis van haar residuaire bevoegdheden bevoegd blijft voor de andere vormen van telecommunicatie, zoals telefonie, zowel vast als mobiel, en de internetdiensten. Bovendien is de bescherming van de consument een bevoegdheid die is voorbehouden aan de federale overheid met toepassing van artikel 6, § 1, VI, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Die bevoegdheid, al dan niet gecombineerd met die van de regulering van de elektronischecommunicatiesector, laat de federale overheid, middels een voorafgaande samenwerking met de gemeenschappen, toe om de regels ter bescherming van de consumenten op het vlak van audiovisuele en auditieve mediadiensten te bepalen. De noodzakelijke samenwerking 11 tussen de federale overheid en de gemeenschappen is onderstreept door het Hof in zijn arrest nr. 132/2004 van 14 juli 2004 (ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.132). Dat overleg wordt concreet georganiseerd door het samenwerkingsakkoord van 17 november 2006, dat kan worden beschouwd als zijnde gebaseerd op artikel 92bis, § 4sexies, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming aantoont. Artikel 9, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 17 november 2006 legt op dat het Interministerieel Comité voor Telecommunicatie en Radio-omroep en Televisie (hierna : het ICTRT) wordt geraadpleegd omtrent de respectieve initiatieven inzake het opstellen van ontwerpregelgeving met betrekking tot radio-omroep en telecommunicatie. Artikel 5, lid 3, van de richtlijn (EU) 2018/1972 voorziet bovendien in verplicht voorafgaand overleg en verplichte voorafgaande samenwerking tussen de verschillende nationale instanties die bevoegd zijn inzake de regelgeving van de elektronischecommunicatiesector en het consumentenrecht. A.6.
- De verzoekende partij doet gelden dat het ICTRT niet werd geraadpleegd vóór de aanneming van de bestreden bepaling, aangezien geen enkele precisering in die zin in de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 mei 2024 staat. Wegens de draagwijdte van de bestreden bepaling, die zich niet uitsluitend beperkt tot de bescherming van de consumenten, was die raadpleging echter verplicht, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State in het verleden reeds heeft beklemtoond. Artikel 113/2 van de wet van 13 juni 2005 regelt immers de gevolgen die voortvloeien uit een contractuele relatie tussen twee operatoren van elektronische communicatie over het gebruik van een netwerk, hetgeen het strikte kader van de bescherming van de consument overstijgt. Bovendien beoogt die bepaling een sanctieregeling ten aanzien van de operatoren in te voeren, zodat zij de elektronischecommunicatiesector beoogt te reguleren, die in principe onder de bevoegdheid van de gemeenschappen valt. A.6.
- In de veronderstelling dat de wetgever heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk was een beroep te doen op het overlegmechanisme waarin is voorzien bij het samenwerkingsakkoord van 17 november 2006, had hij in ieder geval artikel 92bis, § 4sexies, van de wet van 8 augustus 1980 moeten naleven, dat in dat geval het sluiten van een specifiek samenwerkingsakkoord oplegde. A.6.
- De verzoekende partij voegt eraan toe dat in geval van schending van de samenwerkingsregels opgelegd door de bevoegdheidverdelende regels en door de beginselen van evenredigheid en federale loyauteit, het reeds is gebeurd dat het Hof de gevolgen van de vernietigde bepalingen handhaaft tot de samenwerking plaatsvindt. Een dergelijke oplossing is te dezen evenwel niet denkbaar, aangezien de bestreden bepaling meerdere bepalingen van het recht van de Europese Unie schendt. A.6.
- In haar memorie van antwoord stelt de verzoekende partij vast dat de Ministerraad de vraag tot overleg met de gemeenschappen voorlegt. Zij betreurt dat dat overleg, dat blijkbaar heeft plaatsgevonden, niet in het parlementaire dossier zat en niet in de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 mei 2024 werd aangehaald. Voor het overige gedraagt de verzoekende partij zich naar de wijsheid van het Hof. Wat het standpunt van de tussenkomende partijen betreft A.7.
- De tussenkomende partijen preciseren dat zij zich bij de grieven van de verzoekende partijen voegen en dat zij meerdere preciseringen wensen aan te brengen omtrent de eerste drie middelen. A.7.
- Wat het eerste middel betreft, beklemtonen de tussenkomende partijen dat artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 effectief onder het personele en materiële toepassingsgebied van de richtlijn (EU) 2018/1972 valt, die een maximale harmonisatie vereist en zich dus ertegen verzet dat de lidstaten andere maatregelen inzake de rechten van de eindgebruikers nemen, zoals voortvloeit uit artikel 169, lid 2, a), van het VWEU en uit artikel 101 van de richtlijn (EU) 2018/
- Zij beklemtonen bovendien dat artikel 105 van die richtlijn slechts de rechtsmiddelen beoogt die openstaan voor de « consumenten », hetgeen een enger begrip is dan dat van de « eindgebruikers », en dat het de professionele gebruikers dus uitsluit. A.7.
- In verband met het tweede middel voeren de tussenkomende partijen aan dat de bestreden bepaling in ieder geval het evenredigheidsbeginsel schendt dat voortvloeit uit het recht van de Europese Unie, dat autonoom is ten opzichte van hetwelk voortvloeit uit de vrijheid van ondernemen zoals verankerd in het Belgische interne recht. In dat verband voeren de tussenkomende partijen aan dat de bestreden maatregel noch passend, noch noodzakelijk is, zoals de uiteenzettingen van de verzoekende partijen aantonen. 12 A.7.
- Wat de aan het Hof van Justitie te stellen prejudiciële vragen betreft zoals zij zijn geformuleerd in het eerste onderdeel van het eerste middel, suggereren de tussenkomende partijen dat een bijkomende prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Hof van Justitie opdat het bepaalt of de bestreden vergoedingsregeling conform het evenredigheidsbeginsel is dat voortvloeit uit het recht van de Europese Unie, in de hypothese dat zij zou worden gekwalificeerd als rechtsmiddel in de zin van artikel 105, lid 5, van de richtlijn (EU) 2018/1972, als rechtsmiddel in de zin van artikel 4, lid 4, van de verordening (EU) 2015/2120 en als passende en noodzakelijke maatregel in de zin van artikel 5, lid 1, 1), van die verordening. A.7.
- Met betrekking tot het derde middel merken de tussenkomende partijen op dat met toepassing van artikel 113/2, § 6, van de wet van 13 juni 2005, de aan de eindgebruikers toegekende compensatie integraal wordt gedragen door de netwerkoperator, ongeacht of die compensatie al dan niet het strikte minimum naleeft waarin is voorzien bij artikel 113/2, § 4, van de wet van 13 juni
- Zelfs als artikel 113/2, § 6, van de wet van 13 juni 2005 in die zin moet worden geïnterpreteerd dat de netwerkoperator enkel de schijf moet betalen die is berekend overeenkomstig artikel 113/2, § 4, van de wet van 13 juni 2005 en dat de operator van elektronischecommunicatiediensten zelf het overblijvende deel moet dragen, kent die situatie hoe dan ook een concurrentieel voordeel toe aan de dienstenoperatoren. Een dergelijke situatie kan ook de contractuele relaties tussen de netwerkoperatoren en de dienstenoperatoren verstoren, aangezien de gesloten contracten reeds in compensaties voorzien in geval van onderbreking van het netwerk. Wat het standpunt van de Ministerraad betreft A.8.
- Wat het eerste middel betreft, werpt de Ministerraad in hoofdorde een exceptie van niet- ontvankelijkheid op in zoverre de verzoekende partij het Hof aanspoort om rechtstreeks te toetsen aan de richtlijn (EU) 2018/1972 en aan de verordening (EU) 2015/
- De schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt immers in geen enkel opzicht onderbouwd, zodat het aanvoeren van die bepalingen artificieel is. In ieder geval is de combinatie van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie met een bepaling van het recht van de Europese Unie slechts toelaatbaar voor zover de bestreden bepaling enkel tot doel heeft het recht van de Europese Unie ten uitvoer te leggen, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof. Dat is te dezen niet het geval, aangezien artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 berust op de bedoeling van de wetgever om een specifieke compensatieregeling in te voeren die niet onder de verplichte omzetting of uitvoering van het recht van de Europese Unie valt, hoewel zij is geïnspireerd op de beginselen van de richtlijn (EU) 2018/1972 en van de verordening (EU) 2015/
- De Ministerraad stelt met betrekking tot de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dat de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht die bepalingen zijn geschonden, in tegenstelling tot hetgeen artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereist. Volgens hem laat de verzoekende partij na de te vergelijken categorieën van personen te identificeren en het onverantwoorde karakter van het bestreden verschil in behandeling nader uiteen te zetten. Het is pas naar aanleiding van het derde en vierde middel dat die elementen worden onderstreept. De Ministerraad voert aan dat de onontvankelijkheid van het eerste middel ook die van het tweede middel met zich meebrengt, dat even nauwkeurig is en geen aanknopingspunt geeft tussen de bepalingen van het recht van de Europese Unie en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.8.
- In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat het eerste onderdeel niet gegrond is. Hij preciseert dat artikel 101, lid 1, van de richtlijn (EU) 2018/1972 de lidstaten niet belet om aangelegenheden te reglementeren die niet in de artikelen 102 tot 115 van diezelfde richtlijn worden beoogd. Het verbiedt eenvoudigweg om van de in die artikelen beoogde maatregelen af te wijken, dat wil zeggen maatregelen die de geharmoniseerde rechten zouden tegenspreken of verzwakken, hetgeen te dezen niet het geval is. Met toepassing van artikel 14 van het VWEU kunnen de lidstaten immers maatregelen nemen die verder gaan dan hetgeen waarin is voorzien in het afgeleide recht van de Europese Unie, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel. Bovendien bindt de richtlijn (EU) 2018/1972 de lidstaten tot het te bereiken resultaat, maar zij machtigt hen ertoe de vorm en de middelen te kiezen om tot dat resultaat te komen, overeenkomstig artikel 288 van het VWEU. De Ministerraad doet gelden dat de bestreden bepaling niet beoogt een recht op vergoeding in de klassieke zin te creëren, maar wel een regeling van billijke compensatie invoert voor de abonnees en de eindgebruikers, opdat de consument niet moet betalen voor de dagen tijdens welke hij de dienst niet heeft kunnen genieten. Dat systeem valt niet onder de artikelen 102 tot 115 van de richtlijn (EU) 2018/1972 en het neemt bovendien de bewegingsvrijheid in acht die aan de nationale instanties wordt gelaten. De Ministerraad vestigt ook de aandacht op het bestaan van soortgelijke regelingen in andere lidstaten. Bovendien, in tegenstelling tot hetgeen de 13 verzoekende partij aanvoert, heeft de bestreden bepaling niet tot doel een nuttige werking te verlenen aan artikel 105, lid 5, van de richtlijn (EU) 2018/1972, dat zich beperkt tot de significante voortdurende of regelmatig voorkomende discrepanties tussen de werkelijke prestaties en de in het contract vermelde prestaties van een dienst. Het betreft niet de punctuele en tijdelijke onderbrekingen, die precies door de bestreden bepaling worden beoogd. Artikel 104 van de richtlijn (EU) 2018/1972 wordt ook niet geschonden. Dat voorziet eenvoudigweg in een informatie- en transparantiemogelijkheid die de wetgever geenszins belet de bestreden compensatieregeling in te voeren. Artikel 108 van de richtlijn (EU) 2018/1972 verzet zich ook niet tegen een dergelijke regeling. In ieder geval bindt een richtlijn de lidstaten slechts tot het resultaat dat moet worden bereikt. Te dezen is het doel van de Europese Unie om te komen tot een rechtvaardige bescherming van de consument, waarin de bestreden bepaling volledig past. A.8.
- Met betrekking tot het tweede en vijfde onderdeel voert de Ministerraad aan dat de bestreden bepaling geen sanctie is in de zin van artikel 29 van de richtlijn (EU) 2018/1972 en van artikel 6 van de verordening (EU) 2015/2120, aangezien zij beoogt een billijke compensatie te waarborgen die het contractuele evenwicht tussen de operatoren en de abonnees herstelt. Artikel 101, lid 1, van de richtlijn (EU) 2018/1972 is evenmin geschonden, zoals het antwoord op het eerste onderdeel aantoont. Indien de bestreden bepaling als sanctie zou worden gekwalificeerd, zou zij in ieder geval voldoen aan de vereiste dat zij doeltreffend, evenredig en ontmoedigend moet zijn zoals opgelegd bij artikel 29 van de richtlijn (EU) 2018/1972 en bij artikel 6 van de verordening (EU) 2015/2120, aangezien de compensatie duidelijk is gedefinieerd en is beperkt tot de onderbrekingen van een duur van meer dan acht uur en aangezien in de compensatie is voorzien om geen onevenredige last aan de operatoren op te leggen. De Ministerraad verwijst in dat verband naar de uiteenzettingen met betrekking tot het tweede middel. A.8.
- Wat het derde onderdeel betreft, voert de Ministerraad aan dat de grieven van de verzoekende partij berusten op een verkeerde lezing van artikel 4, lid 4, van de verordening (EU) 2015/2120, aangezien de bestreden bepaling geen rechtsmiddel in de zin van die bepaling is. In werkelijkheid is artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 van toepassing onverminderd de rechtsmiddelen die beschikbaar zijn in geval van significante voortdurende of regelmatig voorkomende onderbreking van het betrokken netwerk. Artikel 4, lid 4, van de verordening (EU) 2015/2120 verzet zich niet ertegen dat de lidstaten voorzien in een mechanisme ter bescherming van de consumenten tegen de punctuele onderbrekingen dat niet in strijd is met de doelstellingen van de verordening. De Ministerraad voegt eraan toe dat de preciseringen van de verzoekende partij over de samenhang van de richtlijn (EU) 2018/1972 met de verordening (EU) 2015/2120 te dezen niet pertinent zijn. A.8.
- Met betrekking tot het vierde onderdeel voert de Ministerraad aan dat artikel 5, lid 1, van de verordening (EU) 2015/2120 niet wordt geschonden in zoverre het de nationale regelgevende instanties toelaat nauwlettend toezicht te houden op de kwaliteit van de internettoegangsdiensten, zodat de bestreden bepaling niet onder het toepassingsgebied van die bepaling valt. In dat verband preciseert hij dat artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 geen inbreuk maakt op de bevoegdheden van het BIPT, dat zijn toezichthoudende rol behoudt en minimumvereisten inzake de kwaliteit van de dienstverlening kan blijven opleggen, overeenkomstig artikel 5, lid 1, van de verordening (EU) 2015/
- Artikel 103, lid 2, b), van die verordening is te dezen ook niet pertinent. A.8.
- Wat de verzoeken betreft om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, doet de Ministerraad gelden dat die vragen op het verkeerde uitgangspunt berusten dat de geldigheid van de bestreden bepaling uitsluitend ten aanzien van de richtlijn (EU) 2018/1972 en van de verordening (EU) 2015/2120 zou moeten worden onderzocht. In werkelijkheid past artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 in het kader van de autonomie die aan de lidstaten wordt gelaten om aanvullende maatregelen te nemen inzake de bescherming van de eindgebruikers, met naleving van de limieten die zijn vastgesteld bij het recht van de Europese Unie. De Ministerraad voegt eraan toe dat de verzoeken om prejudiciële vragen te stellen, te gericht zijn geformuleerd en dat zij verkeerde hypotheses aanvoeren. De eerste vraag veronderstelt immers dat het bestreden compensatiemechanisme noch bepaald, noch toegelaten is bij de richtlijn (EU) 2018/1972, in het bijzonder bij artikel 101, lid 1 ervan. De tweede en vijfde vraag veronderstellen dat de bestreden bepaling een sanctie is die onbestaanbaar is met artikel 29 van de richtlijn (EU) 2018/1972 en met artikel 6 van de verordening (EU) 2015/
- De derde vraag berust op het idee dat artikel 4, lid 4, van de verordening (EU) 2015/2120 een automatische vergoeding voor op zichzelf staande of punctuele onderbrekingen zou verbieden en de invoering zou verplichten van een toezichtsmechanisme erkend door de nationale regelgevende instantie om de pertinentie van de aan de operator verweten feiten vast te stellen. De vierde vraag berust ten slotte op het postulaat dat artikel 5 van de verordening (EU) 2015/2120 enkel aan de nationale 14 regelgevende instanties de mogelijkheid voorbehoudt om minimale vereisten inzake kwaliteit op te leggen. Bijgevolg zijn de prejudiciële vragen niet pertinent en dienen zij niet te worden gesteld. Op zijn minst lijkt het noodzakelijk de vragen te herformuleren. A.9.
- Wat het tweede middel betreft, voert de Ministerraad in hoofdorde een exceptie van niet- ontvankelijkheid aan, in zoverre de verzoekende partij de te vergelijken categorieën van personen niet identificeert en in zoverre zij geenszins de wezenlijke schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie uiteenzet. In werkelijkheid worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet op artificiële wijze aangevoerd opdat het Hof een rechtstreekse toetsing van de andere in het middel genoemde referentiebepalingen uitvoert, terwijl die toetsing in principe aan zijn bevoegdheid ontsnapt. A.9.
- In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het middel niet gegrond is. Hij merkt allereerst op dat de bestreden bepaling ongetwijfeld een doelstelling van consumentenbescherming nastreeft. In dat verband blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 mei 2024 de passieve houding van bepaalde operatoren, die geen enkel commercieel gebaar doen voor de dienstonderbrekingen. Het bestreden mechanisme beoogt dus de billijkheid en de transparantie in de contractuele relaties tussen operatoren en consumenten te waarborgen. Het heeft niet tot hoofddoel de relaties tussen de economische operatoren zelf te regelen. Bovendien heeft het bestreden mechanisme geen betrekking op een volledig door het recht van de Europese Unie geharmoniseerde situatie, maar valt het onder de bevoegdheid van de lidstaten. A.9.
- Wat het passende en noodzakelijke karakter van de bestreden maatregel betreft, doet de Ministerraad gelden dat het voorbeeld van de maandabonnementen tegen een tarief van tien euro dat door de verzoekende partij wordt aangevoerd, verwijst naar een marginale of zelfs uitzonderlijke hypothese, op de markt van de elektronische communicatie. Dat voorbeeld weerspiegelt geenszins de economische werkelijkheid van de sector. De Ministerraad preciseert dat de wetgever de belangen die op het spel staan, rigoureus heeft afgewogen. Hij heeft immers getracht een voldoende en effectieve bescherming aan de consumenten te bieden in geval van een lange onderbreking van de diensten, rekening houdend met de noodzaak geen excessieve of onevenredige lasten aan de operatoren op te leggen. Bovendien beoogt de minimale basis van één euro waarin is voorzien in het kader van de berekeningsmethode van de compensatie een gemeenschappelijke sokkel van billijkheid vast te stellen, in het kader van een symbolisch en aansporend herstel, binnen aanvaardbare limieten voor de operatoren. Bovendien voorziet de wet van 3 mei 2024 in verschillende types van compensatie, zodat een compensatie in natura mogelijk is. Wat de kritiek betreft van de verzoekende partij dat een onderbreking van tien dagen de terugbetaling oplegt van de prijs van het abonnement, merkt de Ministerraad op dat de bestreden bepaling in strikte voorwaarden voorziet waaronder de compensatie wordt toegepast, met name een ononderbroken storing van het netwerk van meer dan acht uur, hetgeen sterk onwaarschijnlijk is. Bovendien blijkt uit de databanken van de nv van publiek recht « Proximus » dat geen enkel in 2024 via het kennisgevingsplatform gemeld incident meer dan acht uur heeft geduurd. De Ministerraad merkt ook op dat de onderbrekingen van lange duur in geval van modernisering of vervanging van het netwerk zeldzaam zijn. Bovendien beklemtoont de Ministerraad dat de compensatie is uitgesloten in geval van overmacht. De concrete interpretatie van dat begrip, dat is gedefinieerd in artikel 5.226 van het Burgerlijk Wetboek, gebeurt geval per geval, rekening houdend met het onvoorzienbare en onvermijdelijke karakter van de onmogelijkheid om de dienst te leveren, met dien verstande dat die onmogelijkheid het gevolg moet zijn van een omstandigheid die niet aan de operator is toe te schrijven. Die laatste moet de financiële last van de compensatie dus niet dragen wanneer hij niet verantwoordelijk is voor de incidenten op het netwerk die door derden zijn veroorzaakt die geen onderaannemer van de betrokken operator zijn. De Ministerraad preciseert evenwel dat die omstandigheid geen uitstel van de vergoeding met zich mee kan brengen tot de discussies tussen de operator en de derde over de verantwoordelijkheid van de onderbreking zijn opgelost. Hij voegt eraan toe dat het hoofddoel voor de eindgebruiker niet alleen erin bestaat een compensatie te krijgen maar ook om onderbrekingen van de dienstverlening te vermijden, hetgeen enkel de operator kan waarborgen. De Ministerraad merkt nog op dat de compensatie waarin bij de bestreden bepaling is voorzien, niet is onderworpen aan de btw, aangezien zij moet worden opgevat als een prijsvermindering of als een creditnota, zoals artikel 28, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt, of als een prijsvermindering in de zin van artikel 77, § 1, 2°, van dat Wetboek. Bovendien heeft de wetgever, volgens de Ministerraad, geen systeem willen invoeren dat uitsluitend berust op een voorafgaande melding van de onderbreking door de consument. Een dergelijk systeem zou immers complex zijn en aan de operatoren administratieve stappen opleggen, hetgeen een ontradend effect zou creëren, wat de bestreden bepaling precies beoogt te vermijden. De parlementaire voorbereiding ervan getuigt van de bekommernis van de wetgever om duidelijke en hanteerbare criteria te bepalen, zonder afbreuk te doen aan het privéleven van de consumenten. De Ministerraad voegt eraan toe dat de bestreden bepaling tegemoetkomt aan een dwingende noodzaak, die is onderstreept door een significante toename van het aantal klachten van consumenten 15 over dienstonderbrekingen, die getuigen van een toenemende ontevredenheid tegenover het ontbreken van duidelijke en efficiënte mechanismen om een compensatie te verkrijgen in een dergelijke hypothese. A.9.
- Met betrekking tot de evenredigheid van de bestreden maatregel doet de Ministerraad gelden dat de jaarlijkse kostprijs van de bestreden maatregel die door de verzoekende partij wordt aangevoerd en wordt geschat op twee miljoen euro per jaar, geenszins is aangetoond, en dat dat bedrag in ieder geval onbeduidend is in vergelijking met de jaarlijkse nettowinst van de nv van publiek recht « Proximus ». Hij beklemtoont bovendien dat de duur van acht uur van een onderbreking verantwoord is in de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 mei 2024 en dat zij langer is dan de duur van de onderbreking die is vastgesteld in het kader van de Waalse en Vlaamse mechanismen inzake energie. Hij voegt eraan toe dat het standpunt van de verzoekende partij voorbijgaat aan de realiteit van het hedendaagse digitale tijdperk, waarin de elektronischecommunicatiediensten een essentiële infrastructuur vormen voor de goede werking van de economische, sociale en professionele activiteiten. Bijgevolg kan een onderbreking van meer dan acht uur worden gelijkgesteld met het verlies van een werkdag, met aanzienlijke economische en organisatorische gevolgen, maar ook met een belemmering van de toegang tot de grondrechten door digitale uitsluiting. De Ministerraad preciseert nog dat het bij de bestreden bepaling vastgestelde mechanisme geen afbreuk doet aan de gemeenrechtelijke rechtsmiddelen die de operator kan laten gelden in geval van onzorgvuldig gedrag van de klant, met name indien die de operator geen toegang geeft tot de betrokken plaats. Bovendien veronderstelt de compensatie dat de oorzaak van de onderbreking niet toe te schrijven is aan de consument. De Ministerraad merkt ook op dat het niet leveren van een dienst omdat het netwerk een bepaalde plaats niet dekt ook geen onderbreking in de zin van de bestreden bepaling vormt. Hij herinnert bovendien eraan dat het systeem niet in een vast compensatiebedrag voorziet, maar berust op een proportionele en billijke logica. In ieder geval blijven de bedragen die de operatoren verschuldigd zijn, zeer bescheiden en veroorzaken zij geen buitensporige financiële last. De Ministerraad beklemtoont ook het bestaan van een overgangsperiode vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling, hetgeen de operatoren toelaat hun contracten en hun interne systemen aan te passen. A.9.
- Wat betreft het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen zoals die door de tussenkomende partijen is geformuleerd, voert de Ministerraad aan dat dat niet pertinent is. De vraag berust immers op theoretische hypotheses met betrekking tot de bestaanbaarheid van het bestreden compensatiemechanisme met de algemene beginselen uit het Unierecht, terwijl de bestaanbaarheid van dat mechanisme met de bepalingen van de richtlijn (EU) 2018/1972 en met de verordening (EU) 2015/2120 nog niet door het Hof is verworpen. In werkelijkheid zou de vraag geen concrete draagwijdte hebben indien het bestreden mechanisme niet onder het materiële toepassingsgebied van die bepalingen zou vallen. Bovendien kunnen de door de tussenkomende partijen geformuleerde grieven integraal worden onderzocht vanuit de invalshoek van de naleving van de bewegingsvrijheid die aan de lidstaten wordt gelaten door de voormelde verordening en de voormelde richtlijn. Het is overbodig ze om te zetten in een autonome vraag over het evenredigheidsbeginsel. Bovendien veronderstelt de vraag ten onrechte dat het nationale mechanisme verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is voor de bescherming van de consumenten, zonder rekening te houden met het werkelijke doel van de bestreden bepaling, de waarborgen die zij bevat of de evenredigheid van de toepassing ervan. De prejudiciële vraag blijkt ook niet noodzakelijk, aangezien zij een reeks grieven betreft die reeds gedekt zijn door de analyse van de richtlijn (EU) 2018/1972 en van de verordening (EU) 2015/
- De Ministerraad voert ten slotte aan dat de formulering van de vraag een louter intern Belgische hypothese beoogt, zonder een verband aan te tonen met het recht van de Europese Unie. A.10.
- Wat het derde middel betreft, werpt de Ministerraad een exceptie van gedeeltelijke niet- ontvankelijkheid op in zoverre de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht de bestreden bepaling het beginsel van de economische unie en van de monetaire eenheid, artikel 6, § 1, VI, derde en vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht en artikel 16 van het Handvest zou schenden. Het middel is dus enkel ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.10.
- De Ministerraad merkt op dat het middel alleen betrekking heeft op artikel 113/2, § 6, van de wet van 13 juni 2005, zoals ingevoegd bij de bestreden bepaling, in zoverre het een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de netwerkoperatoren en de dienstenoperatoren. Hij stelt in de eerste plaats dat die categorieën van operatoren niet vergelijkbaar zijn in hun verhouding tot de netwerken, wegens de verschillende rollen die zij vervullen op de verschillende elektronischecommunicatiemarkten en wegens de verantwoordelijkheden die bij de wet van 13 juni 2005 aan de netwerkoperatoren zijn toegekend, met name wat betreft het toezicht op, het onderhoud van, het beschikbaar stellen van en het voorkomen van schade aan een elektronischecommunicatienetwerk. 16 A.10.
- Volgens de Ministerraad berust het bestreden verschil in behandeling op meerdere legitieme doelstellingen die in overeenstemming dienen te worden gebracht. Ten eerste draagt de toegang van de dienstenoperatoren tot de netwerken van andere operatoren bij aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de ontwikkeling van de interne markt en de bevordering van de concurrentie, hetgeen een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen operatoren veronderstelt, met name in geval van panne. Ten tweede bestaat het hoofddoel voor de eindgebruiker erin onderbrekingen van de dienstverlening te vermijden en niet, op zich, een compensatie te krijgen. Enkel de netwerkoperator is echter in staat om de incidenten op zijn netwerken te voorkomen en te herstellen. Ten derde beoogt de bestreden bepaling de operatoren ertoe aan te zetten onderbrekingen zo snel en efficiënt mogelijk te beëindigen. Ten vierde hangt een groot deel van de oorzaken van een onderbreking van de dienstverlening samen met de opdrachten van de netwerkoperatoren. Dat is met name het geval voor het onderhoud en het voorkomen van veiligheidsincidenten. De verantwoording van de bestreden bepaling moet dus worden beoordeeld in het licht van het geheel van de doelstellingen die de wetgever nastreeft, rekening houdend met de specifieke rol van elke speler in de algemene werking van de markt. A.10.
- De Ministerraad voegt eraan toe dat het bestreden verschil in behandeling evenredig is ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen, aangezien meerdere elementen toelaten de gevolgen van de financiële last voor de netwerkoperatoren te verlichten. Ten eerste heeft de bestreden compensatie niet tot doel de door de onbeschikbaarheid veroorzaakte schade te vergoeden, maar vormt zij een generieke tussenkomst wegens een tijdelijke onderbreking, zodat de bedragen laag zijn. Vervolgens is de vergoeding niet verschuldigd in geval van overmacht. De Ministerraad merkt voorts op dat de verplichting voor de netwerkoperatoren om de onderbreking te compenseren zowel ten aanzien van hun cliënten als ten aanzien van de cliënten van de dienstenoperatoren die hun netwerk gebruiken, niet onevenredig is aangezien de netwerkoperatoren een financieel voordeel uit die twee relaties halen. Bovendien betreft het enkel de onderbrekingen die meer dan acht uur duren en voorziet de bestreden wet in een overgangsperiode vóór de inwerkingtreding van het compensatiemechanisme. Ten slotte kunnen de netwerkoperator en de dienstenoperator onderhandelen over de bedragen van de aan de eindgebruiker gestorte compensaties, voor zover de onderhandeling noch onredelijk, noch discriminerend is. Indien hieromtrent geen akkoord is, kan de netwerkoperator het BIPT aanspreken. In het algemeen kan die operator ook een rechtsvordering instellen tegen de dienstenoperator die zijn klanten op buitensporige wijze zou hebben vergoed. In zijn memorie van wederantwoord voegt de Ministerraad eraan toe dat geenszins is aangetoond dat er momenteel contractuele vergoedingsmechanismen tussen de netwerkoperatoren en de dienstenoperatoren van kracht zouden zijn. Hij preciseert dat de bestreden bepaling net beoogt dergelijke mechanismen te harmoniseren. In ieder geval kan een wetsbepaling niet worden gelijkgesteld met een contractuele clausule. A.11.
- Wat het vierde middel betreft, voert de Ministerraad in de eerste plaats aan dat de grieven van de verzoekende partijen onontvankelijk zijn in zoverre zij zijn afgeleid uit de schending van het beginsel van de economische unie en van de monetaire eenheid, van artikel 6, § 1, VI, derde en vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, van artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht en van artikel 16 van het Handvest. Wat de schending betreft van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling zijn oorsprong niet in artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 vindt. De nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten waren immers reeds uitgesloten van het toepassingsgebied van meerdere bepalingen van de wet van 13 juni 2005 vóór de aanneming van de bestreden bepaling. In werkelijkheid was die uitsluiting reeds bepaald bij de wet van 21 december 2021 « houdende omzetting van het Europees Wetboek voor elektronische communicatie en wijziging van diverse bepalingen inzake elektronische communicatie » (hierna : de wet van 21 december 2021), die de richtlijn (EU) 2018/1972 omzet. Bovendien sluiten de artikelen 12, lid 2, en 105, alsook bijlage I van die richtlijn de voormelde diensten uit van hun toepassingsgebied. A.11.
- Volgens de Ministerraad heeft het bestreden verschil in behandeling betrekking op categorieën van operatoren die niet voldoende vergelijkbaar zijn, zoals de overwegingen nrs. 44 en 95 van de richtlijn (EU) 2018/1972 aantonen. Bovendien is dat verschil in behandeling verantwoord door een legitieme doelstelling, zoals blijkt uit overweging nr. 18 van die richtlijn en uit het voorstel dat aan de basis daarvan ligt. Vervolgens is de bestreden maatregel evenredig aangezien de nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten aan specifieke verplichtingen zijn onderworpen. In ieder geval is het, zoals uit de richtlijn (EU) 2018/1972 blijkt, ten onrechte dat de verzoekende partij de diensten van de radio-omroep en televisie opneemt in het begrip « nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten », dat operatoren zoals WhatsApp, Snapchat of Microsoft Teams dekt. Volgens de Ministerraad verwart de verzoekende partij de regelgeving inzake elektronische communicatie met de regelgeving inzake inhoud, terwijl het om twee aparte begrippen gaat, zoals de overwegingen nrs. 7 en 11 van de richtlijn (EU) 2018/1972 aantonen. 17 A.11.
- In zijn memorie van wederantwoord voert de Ministerraad aan dat de grieven van de verzoekende partij een zekere verwarring veroorzaken. Hij preciseert dat de uitsluiting van de audiovisuele en auditieve media niet voortvloeit uit de bestreden bepaling maar uit artikel 33, 3°, van de wet van 21 december 2021, zodat het middel hoe dan ook onontvankelijk is. In ieder geval is de uitsluiting van de audiovisuele en auditieve diensten redelijk verantwoord. In de eerste plaats heeft het begrip « audiovisuele en auditieve media » betrekking op de regelgeving van de inhoud. Vervolgens heeft de wetgever het toepassingsgebied van de bestreden bepaling niet tot die media kunnen uitbreiden omdat hij daartoe niet bevoegd is, aangezien artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 die bevoegdheid aan de gemeenschappen toekent. Overigens kan een transmissiedienst die wordt gebruikt voor het leveren van audiovisuele en auditieve media niet worden gelijkgesteld met de audiovisuele en auditieve media zelf. Ten slotte moedigt de bestreden bepaling geenszins de afsplitsing van de diensten van radio-omroep en televisie uit de bundels aan, aangezien de verplichte compensatie van toepassing is ongeacht of de dienst wordt geleverd in het kader van een bundel of op zichzelf staand, zoals de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 mei 2024 aantoont. A.
- Wat het vijfde middel betreft, voert de Ministerraad aan dat het ontwerp dat aan de basis van de bestreden bepaling ligt, wel degelijk aan het ICTRT werd voorgelegd op 7 december 2023, overeenkomstig artikel 9 van het samenwerkingsakkoord van 17 november
- De Franse Gemeenschap heeft evenwel niet binnen de raadplegingstermijn gereageerd. Bovendien hebben de Vlaamse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap gepreciseerd dat zij geen opmerkingen over het ontwerp hadden. Op 2 februari 2024 werd het overgemaakt aan het overlegcomité, dat de tekst op 8 februari 2024 heeft goedgekeurd. Bijgevolg werd de overlegprocedure waarin bij het samenwerkingsakkoord van 17 november 2006 is voorzien, wel degelijk nageleefd. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.
- Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 « houdende diverse bepalingen inzake economie (I) » (hierna : de wet van 3 mei 2024), dat artikel 113/2 van de wet van 13 juni 2005 « betreffende de elektronische communicatie » (hierna : de wet van 13 juni 2005) vervangt. B.2.
- Artikel 113/2 van de wet van 13 juni 2005 werd ingevoerd door de wet van 10 juli 2012 « houdende diverse bepalingen inzake elektronische communicatie » (hierna : de wet van 10 juli 2012). B.2.
- Op het ogenblik van de invoeging ervan bij de wet van 10 juli 2012 bepaalde artikel 113/2 van de wet van 13 juni 2005 : « De Koning kan, op voorstel van het Instituut, de voorwaarden en de nadere regels bepalen met betrekking tot de vergoedingen die de operatoren in geval van een onderbreking van de dienst aan hun abonnees moeten betalen ». 18 B.2.
- De parlementaire voorbereiding van de wet van 10 juli 2012 preciseert hieromtrent : « Bij ernstige dienstonderbrekingen vergoeden de operatoren de abonnees met een commerciële tegemoetkoming. Als het instituut vaststelt dat operatoren zulke tegemoetkoming niet zouden verstrekken dan kan de Koning, op voorstel van het Instituut, de nadere regels vastleggen over de vergoeding die de operatoren dan zijn verschuldigd aan de abonnee naar rato van het abonnementsgeld voor de periode waarin de abonnee een bepaalde dienst niet heeft gekregen » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2143/003, p. 25). B.3.
- Artikel 113/2 van de wet van 13 juni 2005 is vervolgens gewijzigd bij de wet van 21 december 2021 « houdende omzetting van het Europees Wetboek voor elektronische communicatie en wijziging van diverse bepalingen inzake elektronische communicatie » (hierna : de wet van 21 december 2021). Zoals het opschrift ervan aangeeft, beoogt de wet van 21 december 2021 hoofdzakelijk de richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 « tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/1972) om te zetten in Belgisch recht. B.3.
- Artikel 156 van de wet van 21 december 2021 wijzigt artikel 113/2 van de wet van 13 juni 2005 als volgt : « In artikel 113/2 van [de wet van 13 juni 2005], ingevoegd bij de wet van 10 juli 2012, worden de woorden ‘ met betrekking tot de vergoedingen die de operatoren in geval van een onderbreking van de dienst aan hun abonnees moeten betalen ’ vervangen door de woorden ‘ met betrekking tot de maatregelen inzake vergoedingen die de operatoren van andere voor het publiek beschikbare elektronische-communicatiediensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten in geval van een onderbreking van de dienst aan hun abonnees moeten betalen ’ ». B.3.
- De parlementaire voorbereiding van de wet van 21 december 2021 vermeldt : « Een onderdeel van de rechtsmiddelen waarover de abonnee, overeenkomstig het Belgisch recht, beschikt om de naleving van het contract te bekomen is het verkrijgen van een vergoeding die geacht wordt de abonnee schadeloos te stellen voor een onderbreking van de dienst. Artikel 113/2 van de WEC, dat ingevoerd werd om dit recht, indien nodig, in de praktijk te operationaliseren (zie Parl. DOC 53 2143/003, amendement nr. 38, p. 24) kan derhalve mutatis mutandis behouden blijven. 19 Voor internettoegangsdiensten moet dit gezien worden als een maatregel in de zin van artikel 5, § 1, eerste lid, van TSM-Verordening (EU) 2015/2120 en voor de overige elektronische communicatiediensten als een maatregel om een nuttig effect te verlenen aan artikel 105, lid 5, van het Wetboek » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2256/001, p. 101). B.4.
- Het bestreden artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 vervangt artikel 113/2 van de wet van 13 juni 2005, dat voortaan bepaalt : « §
- Bij een volledige onderbreking van meer dan acht uur van de levering van een andere voor het publiek beschikbare elektronische-communicatiedienst dan een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst, ingevolge een ononderbroken uitval van het netwerk, biedt de betrokken operator een compensatie aan in de zin van paragraaf 4 : 1° aan de abonnee die ingetekend heeft op een tariefplan voor een dienst die geleverd wordt op een vaste locatie en dat bestemd is voor consumenten wanneer de onderbreking zich heeft voorgedaan op de locatie waar de dienst door [de] operator geleverd moest worden; 2° aan de abonnee van mobiele openbare elektronische-communicatiediensten wanneer zijn facturatieadres zich bevindt in de zone waarin de onderbreking zich heeft voorgedaan; 3° aan de eindgebruiker van mobiele openbare elektronische-communicatiediensten die worden geleverd op basis van een voorafbetaalde kaart indien hij een verzoek tot compensatie indient en daarbij zijn adres meedeelt waaruit blijkt dat hij gedomicilieerd of gevestigd is in de zone waarin de onderbreking zich heeft voorgedaan. De operator verwerkt het adres uitsluitend om te verifiëren of de eindgebruiker gedomicilieerd of gevestigd is in de zone waarin de onderbreking zich heeft voorgedaan. §
- Er is sprake van een volledige onderbreking in de zin van paragraaf 1 wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld : 1° het niet beschikbaar zijn : a) van een dienst die als een aparte elektronische-communicatiedienst kan worden beschouwd, of b) van één van de elektronische communicatiediensten die samen een bundel uitmaken; 2° de onderbreking is niet te wijten aan het gedrag van de abonnee of van de eindgebruiker van mobiele openbare elektronische-communicatiediensten die worden geleverd op basis van een voorafbetaalde kaart. §
- De dienstverlening wordt geacht onderbroken te zijn vanaf het ogenblik dat de operator het Instituut in kennis stelt van de onderbreking overeenkomstig artikel 107/
- Wanneer dergelijke kennisgeving niet is vereist, geldt de melding van een gebruiker of een derde als begin van de onderbreking. 20 §
- De operator van de andere voor het publiek beschikbare elektronische- communicatiedienst dan een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst biedt de abonnee of de eindgebruiker van mobiele openbare elektronische- communicatiediensten die worden geleverd op basis van een voorafbetaalde kaart : 1° 1 euro voor de periode van zestien uur volgend op de eerste acht uur van de onderbreking. Iedere daaropvolgende periode van 24 uur wordt de compensatie van de vorige dag verhoogd met 1 euro evenals met 0,5 euro voor iedere dag dat de onderbreking duurt; 2° in geval van een abonnement, ten minste 1/30 van het maandelijkse abonnementsgeld voor elektronische communicatiediensten wanneer dit de waarde van de compensatie bedoeld in de bepaling onder 1° overstijgt; 3° de operator kan in afwijking van de bepalingen onder 1° en 2° een compensatie in natura voorstellen die nauwkeurig beschreven is en die ten minste de waarde van de financiële compensatie bedoeld in de bepaling onder 1° overstijgt. In geval van een bundel wordt de compensatie bedoeld in het eerste lid, 2°, berekend op het integrale maandelijkse abonnementsgeld voor elektronische communicatiediensten in de volledige bundel. Maakt de abonnee of de eindgebruiker van mobiele openbare elektronische- communicatiediensten die worden geleverd op basis van een voorafbetaalde kaart geen keuze dan wordt de financiële compensatie zoals bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, toegekend. §
- De bedragen vermeld in paragraaf 4 worden jaarlijks geïndexeerd volgens de index van de consumptieprijzen. §
- Indien het incident dat aanleiding geeft tot financiële compensatie in de zin van dit artikel zich heeft voorgedaan op het openbaar elektronische-communicatienetwerk van een andere operator dan de operator van de voor het publiek beschikbare elektronische- communicatiedienst bedoeld in de paragrafen 1 en 4, en deze laatste operator een overeenkomst heeft afgesloten met de netwerkoperator voor gebruik van het openbaar elektronische- communicatienetwerk waarop het incident zich heeft voorgedaan, dan heeft de operator bedoeld in de paragrafen 1 en 4, recht op de vergoeding van de financiële compensatie die hij toekent aan zijn abonnees en eindgebruikers vanwege de operator van het elektronische- communicatienetwerk waarop het incident zich heeft voorgedaan. §
- Dit artikel is niet van toepassing in geval van overmacht ». B.4.
- De parlementaire voorbereiding van de wet van 3 mei 2024 vermeldt : « Dit amendement heeft als doel artikel 113/2 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie (hierna : WEC) te vervangen. Het vervangen artikel 113/2 bepaalde dat op voorstel van het BIPT een koninklijk besluit genomen kan worden. Er is echter geen reden om te opteren voor de omweg via een koninklijk besluit : een bondige en heldere wettekst komt de rechtszekerheid ten goede en benadrukt het 21 belang van deze regeling. Vandaar dat geopteerd wordt voor het vervangen van artikel 113/2 door de voorgestelde ontwerptekst. In het verleden voerde het BIPT rondetafelgesprekken met de operatoren en verkreeg het van hen ook schriftelijke input over de wijze waarop zij onderbrekingen van de dienstverlening compenseren. Uit de informatie die het BIPT ontving van de verschillende operatoren alsook uit gesprekken met een consumentenorganisatie, bleken een aantal problemen zoals een passieve houding van de kant van de operatoren die wachten tot getroffen klanten om een compensatie vragen, weinig duidelijkheid over de compensatie waarop de klanten aanspraak kunnen maken, enz. Er is weinig reden om aan te nemen dat de situatie van abonnees of de gebruikers van vooraf betaalde kaarten, in geval van een onderbreking van de dienstverlening, vandaag gunstiger zou zijn. Voorgaande redenen verantwoorden de voorgestelde regeling. In paragraaf 1 wordt bepaald dat deze regeling van toepassing is bij een volledige onderbreking van de dienst door een ononderbroken uitval van het netwerk en deze onderbreking duurt langer dan 8 uur. De dienst is onderbroken wanneer verzonden of gedistribueerde signalen niet doorkomen of de kwaliteit ervan dermate slecht is dat redelijkerwijze gesteld kan worden dat de dienst de facto onderbroken is. Dit impliceert evenwel dat wanneer de onderbreking niet volledig is en de gebruikers in de getroffen zone nog steeds beschikking hebben over een dienstverlening zelfs wanneer deze minder kwaliteit biedt dan normaal, de voorgestelde regeling niet van toepassing is. De eis dat de dienst volledig onderbroken is of als dusdanig beschouwd kan worden, is verantwoord vanuit oogpunt van duidelijkheid. Om geen onevenredige lasten op te leggen aan operatoren bepaalt de wet dat onderbrekingen die niet langer duren dan 8 uren niet vergoed moeten worden : er moet immers vermeden worden dat iedere onderbreking, hoe kort ook, tot een tegemoetkoming aanleiding zou geven. Een dergelijk systeem zou immers een aanzienlijke administratieve last aan de operatoren opleggen. Bovendien streven operatoren doorgaans een snel herstel van de panne na. Aangenomen kan worden dat de overgrote meerderheid van de klanten dat ook zo wil. Het heeft derhalve geen zin om het mogelijke snelle herstel te hypothekeren door operatoren ‘ vanaf de eerste minuut ’ een tegemoetkoming op te leggen. Tegelijk mag de periode waarbinnen de operatoren niet gehouden zijn in een tegemoetkoming te voorzien, niet te lang zijn : een te lange periode zou voor de operatoren geen aansporing meer bevatten om de onderbreking snel te herstellen en de facto deze regeling uithollen. Paragraaf 1 bepaalt verder dat de volgende eindgebruikers in aanmerking kunnen komen voor een compensatie : 22 a) de abonnees die ingetekend hebben op een tariefplan dat bestemd is voor particulier gebruik; komt in aanmerking voor compensatie de onderbreking op het installatieadres (diensten die op een vaste locatie geleverd worden) en in geval van mobiele diensten, de onderbreking op het facturatieadres; b) de abonnee van een mobiele openbare elektronischecommunicatiedienst wanneer zijn facturatieadres zich bevindt in de zone van onderbreking; c) de eindgebruiker van een vooraf betaalde kaart indien hij een verzoek tot compensatie indient en blijkt dat zijn adres zich bevindt in de zone waarin de onderbreking zich heeft voorgedaan. Gebruikers van vooraf betaalde kaarten die in de getroffen zone gedomicilieerd of gevestigd zijn, moeten zich weliswaar identificeren ten overstaan van de betrokken operator op basis van de koninklijk besluit van 27 november 2016 betreffende de identificatie van de eindgebruiker van mobiele openbare elektronische-communicatiediensten die worden geleverd op basis van een vooraf betaalde kaart, maar deze identificatie behelst niet noodzakelijk het adres van de gebruiker; om die reden moeten deze gebruikers, wanneer zij aanspraak willen maken op een compensatie, zelf hun operator contacteren en deze daarbij hun domiciliërings- of vestigingsadres bezorgen. Dit criterium heeft tot gevolg dat in geval van mobiele abonnees of mobiele gebruikers van vooraf betaalde kaarten waarschijnlijk niet iedereen die door een onderbreking wordt getroffen, vergoed zal worden. Met name gebruikers van mobiele apparatuur die zich toevallig in de zone van de onderbreking bevinden vallen niet onder het toepassingsgebied van deze bepalingen. De reden hiervoor is eenvoudig : wil de voorgestelde regeling in de praktijk goed functioneren dan moet deze eenvoudig uitvoerbaar zijn. Het valt immers niet in te zien hoe en door wie op betrouwbare wijze vastgesteld kan worden of een bepaalde mobiele abonnee of een gebruiker van vooraf betaalde kaart op de plaats van de onderbreking aanwezig was. De operator kan dat door de onderbreking immers niet zelf vaststellen. Het door de abonnee of de gebruiker van vooraf betaalde kaart laten aantonen (bijvoorbeeld door verblijf in hotel of verklaringen van derden) van de aanwezigheid in het gebied is te omslachtig. Wellicht zijn er technische oplossingen te bedenken om iemands aanwezigheid gedurende bepaalde tijd in het gebied van de dienstonderbreking vast te stellen. Afgezien van de eventuele praktische bezwaren en kosten van een dergelijke oplossing kan deze ook leiden tot een aanzienlijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en kan de vraag gesteld worden of een dergelijke mogelijke technische oplossing proportioneel zou zijn. Paragraaf 2 preciseert wat een onderbroken dienst zoals vermeld in paragraaf 1 inhoudt, met name dat het gaat om hetzij een stand alone-dienst die onderbroken is, hetzij een dienst die deel uitmaakt van een bundel. In geval van een bundel is dus niet vereist dat alle diensten in de bundel onderbroken moeten zijn. In het geval van bijvoorbeeld een triple-playpakket waarin televisie, telefonie en internettoegang zijn gecombineerd, is er sprake van een volledige onderbreking van de elektronischecommunicatiedienst wanneer bijvoorbeeld de telefoondienst niet beschikbaar is. Voor de toepassing van deze bepalingen is het bijgevolg niet nodig dat alle drie de diensten die het triple-playpakket uitmaken, niet beschikbaar zijn. De oorzaak van de onderbreking mag niet te wijten zijn aan het gedrag van de betrokken klant. Een onderbreking van de dienst bijvoorbeeld door wanbetaling of een onbehoorlijk 23 omgaan met de aansluiting of de eindapparatuur, geeft uiteraard geen recht op de tegemoetkoming. Het moet ook gaan om een onderbreking, dit wil zeggen dat de consument wel degelijk een dienstverlening kreeg maar deze niet langer krijgt ten gevolge van een incident. Het bewust schorsen of stopzetten van de dienstverlening door de operator, bijvoorbeeld bij het einde van het abonnement of in geval van betalingsachterstand van de abonnee, wordt niet beschouwd als een onderbreking. Het afwezig zijn van een dienstverlening doordat bijvoorbeeld een netwerk op een bepaalde plaats geen dekking biedt, wordt evenmin als een onderbreking in de zin van dit artikel beschouwd. Paragraaf 3 bepaalt dat de aanvang van de onderbreking op twee manieren kan worden bepaald : hetzij op het ogenblik van de kennisgeving van de onderbreking door de operator aan het BIPT : artikel 107/3, § 2, WEC legt operatoren immers op om ‘ het Instituut onverwijld in kennis [te stellen] van elk beveiligingsincident dat een belangrijke impact heeft ’. Het besluit van het BIPT van 14 december 2017 betreffende de drempels en modaliteiten voor kennisgeving van veiligheidsincidenten binnen de sector elektronische communicatie bepaalt dat een incident met een belangrijke impact onder andere kan inhouden dat het incident minstens één uur duurt en minstens 25.000 eindgebruikers treft. Wanneer een getroffen gebruiker (dit wil zeggen een abonnee of een houder van een vooraf betaalde kaart) die woont in de zone van de panne, de panne heeft gemeld bij zijn of haar operator, stelt de operator de compensatie voor wanneer de panne langer duurt dan 8 uur. Wanneer het gaat om een onderbreking die niet bedoeld wordt door artikel 107/3, § 2, geldt als begindatum van de onderbreking het ogenblik waarop deze door een gebruiker aan de operator wordt gemeld. Men kan immers aannemen dat gebruikers die door een panne zijn getroffen, zich tot hun operator wenden. Om echter te vermijden dat gebruikers die niet op de hoogte zijn van deze regeling, de compensatie zouden mislopen louter omdat zij er niet om vragen, is het aan de operator om de compensatie voor te stellen aan iedere getroffen abonnee ongeacht of deze de compensatie heeft gevraagd of niet. Paragraaf 4 bepaalt welke types van compensaties operatoren kunnen aanbieden aan getroffen klanten. Het is belangrijk dat getroffen abonnees en gebruikers van vooraf betaalde kaarten duidelijk op de hoogte worden gebracht van welk voordeel in natura de operator hen wenst toe te kennen en dat hen ook een duidelijke keuzemogelijkheid wordt geboden. In het verleden werd immers vastgesteld dat operatoren klanten eenzijdig compenseerden door hen gedurende enige tijd toegang te bieden tot televisiekanalen waarin deze klanten in se niet geïnteresseerd waren. Dergelijke situaties moeten vermeden worden. De financiële compensatie bestaat uit een minimale vergoeding. In combinatie met de eerder genoemde onderbrekingsduur van 8 uur komt de minimale vergoeding van een abonnee met een maandelijks abonnementsgeld van 25 euro op het volgende neer : - bij een onderbreking van 0 tot 8 uur : geen vergoeding; - bij een onderbreking van 8 tot 24 uur een vergoeding van 1 euro; - bij een onderbreking van 24 uur tot 48 uur : 1 + 1 + 0,5 = 2,5 euro; - bij een onderbreking van 48 uur tot 72 uur : 2,5 + 1 + 0,5 + 0,5 = 4,5 euro; 24 - bij een onderbreking van 72 uur tot 96 uur : 4,5 + 1 + 0,5 + 0,5 + 0,5 = 7 euro. Dit systeem fungeert als een incentive voor de operator om storingen snel en efficiënt op te lossen aangezien elke extra dag van storing leidt tot hogere kosten. Om de compensatieregeling zo eenvoudig mogelijk te houden zal in geval van gebundelde aanbiedingen, dit wil zeggen overeenkomsten waarbij meerdere diensten tegen één vaste maandelijkse vergoeding worden aangeboden, bij de berekening van het minimale compensatiebedrag per dag worden uitgegaan van het maandelijkse abonnementsgeld. Voor die verschillende diensten wordt immers één abonnementsprijs betaald. Daarbij is het bovendien niet transparant wat voor iedere dienst afzonderlijk betaald wordt. Daarom wordt ook hier gekozen voor eenvoud en is bij de berekening van het minimale compensatiebedrag per dag uitgegaan van de totale maandelijkse abonnementsprijs voor de ganse bundel. Het moet dus gaan om het maandelijks abonnementsgeld voor elektronische communicatiediensten gedefinieerd in artikel 2, 5° van deze wet, dus de facto om telefonie, internet als stand alone-diensten of in een bundel, en televisiediensten in een bundel. Bijkomende diensten zoals streamingdiensten, antivirusdiensten enz. moeten door de operatoren niet in aanmerking worden genomen bij het bepalen van 1/30 van het betreffende abonnementsgeld. Dit artikel moet niet worden gezien als vergoeding voor eventueel geleden schade. Het is eerder een billijkheidsregeling in die zin dat een abonnee geen abonnementsgeld moet betalen voor de dagen waarop hij de dienst waarop hij is geabonneerd, niet ontvangt wegens een onderbreking van de dienstverlening. Dezelfde redenering geldt voor de gebruikers van een vooraf betaalde kaart die niet op voorhand bedragen storten voor dagen waarop de dienst zou onderbroken zijn. Deze wettelijke regeling staat bijgevolg eventuele vorderingen tot schadevergoeding niet in de weg. Het is zodoende ook duidelijk dat deze regeling niet in de plaats komt van andere compensaties (financieel of in natura) die de operator eventueel zou verstrekken : de wettelijke tegemoetkoming gaat enkel over het maandelijkse abonnementsgeld en de vaststelling dat tijdens de maand in kwestie de betreffende elektronische-communicatiedienst gedurende een aantal dagen onderbroken was. Daarnaast kan de operator op commerciële of contractuele gronden nog andere compensaties toekennen. De voorgaande paragrafen duidden de leverancier van de dienst aan als de partij die gehouden is om een compensatie aan te bieden aan zijn abonnees en eindgebruikers. Dat is logisch, aangezien enkel de ‘ dienstenoperator ’ een contractuele band met hen heeft. Sommige dienstenoperatoren doen echter beroep op het netwerk van andere operatoren om hun diensten aan te bieden. Als een incident in het netwerk van de netwerkoperator aan de oorsprong ligt van de volledige onderbreking in de betekenis van dit artikel, dan moet de netwerkoperator de dienstenoperatoren vergoeden voor de onderbrekingen op het netwerkgedeelte dat onder de verantwoordelijkheid van de netwerkoperator valt. Paragraaf 7 verankert dit principe. Op deze manier worden de dienstenoperatoren vergoed voor de vergoedingen die ze uitkeren aan hun eindklanten. 25 Paragraaf 7 sluit de toepassing van compensaties bij overmacht uit aangezien het niet billijk zou zijn om de operatoren daartoe te verplichten in onvoorspelbare en onbedwingbare omstandigheden » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3856/002, pp. 62-68). B.4.
- De inwerkingtreding van artikel 62 van de wet van 3 mei 2024 is bepaald in artikel 98 van dezelfde wet, luidens hetwelk « artikel 62 […] in werking [treedt] op de eerste dag van de zesde maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ». Aangezien de wet van 3 mei 2024 op 31 mei 2024 in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, is de bestreden bepaling in werking getreden op 1 november
- Ten gronde B.5.
- Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in de regel dat van de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II en met de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet voorafgaan. B.5.
- Het Hof onderzoekt dus eerst het middel dat is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels, en vervolgens de andere middelen, die zijn afgeleid uit de schending van verschillende grondrechten en van bepalingen van het recht van de Europese Unie. Wat de bevoegdheidverdelende regels betreft B.6.
- Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 127, § 1, 1°, en 143, § 1, van de Grondwet, van de artikelen 4, 6°, 6, § 1, VI, en 92bis, § 4sexies, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van artikel 9 van het samenwerkingsakkoord van 17 november 2006 « tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franstalige Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap betreffende het wederzijds consulteren bij het opstellen van regelgeving inzake elektronische communicatienetwerken, het uitwisselen van informatie en de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot elektronische communicatienetwerken door de regulerende instanties bevoegd voor telecommunicatie of radio-omroep en televisie » (hierna : het 26 samenwerkingsakkoord van 17 november 2006), in samenhang gelezen met het evenredigheidsbeginsel in de uitoefening van de bevoegdheden en met artikel 5, lid 3, van de richtlijn (EU) 2018/
- B.6.
- In essentie voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepaling het voorwerp had moeten uitmaken van een voorafgaand overleg tussen de federale overheid en de gemeenschappen, overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 17 november 2006, in het licht van de draagwijdte van artikel 113/2 van de wet van 13 juni 2005, dat met name beoogt de consumenten te beschermen op het gebied van audiovisuele en auditieve mediadiensten. B.7.
- Artikel 9, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 17 november 2006 bepaalt : « Het Interministerieel Comité voor Telecommunicatie en Radio-omroep en Televisie heeft tot taak om in onderling overleg en met respect voor ieders bevoegdheid, volgens de modaliteiten en procedures zoals vastgelegd binnen het Overlegcomité, de wederzijdse consultatie te organiseren omtrent mekaars initiatieven inzake het opstellen van ontwerpregelgeving met betrekking tot omroep en telecommunicatie ». B.7.
- Uit de door de Ministerraad in het kader van het thans onderzochte beroep neergelegde stukken blijkt dat het voorontwerp dat aan de basis ligt van de bestreden bepaling, op 7 december 2023 elektronisch aan het Interministerieel Comité voor Telecommunicatie en Radio-omroep en Televisie werd overgemaakt op basis van artikel 9 van het voormelde samenwerkingsakkoord. B.7.
- Het vijfde middel berust op een verkeerd uitgangspunt en is derhalve niet gegrond. Wat de grondrechten betreft Eerste middel B.8.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 29, 101, 104, 105, lid 5, en 108 van de 27 richtlijn (EU) 2018/1972 en met de artikelen 4, lid 4, 5 en 6 van de verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 « tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie » (hierna : de verordening (EU) 2015/2120). B.8.
- In essentie voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepaling aan de eindgebruikers een gunstigere bescherming toekent dan die waarin is voorzien bij de artikelen 104, 105 en 108 van de richtlijn (EU) 2018/1972, terwijl die bepalingen met toepassing van artikel 101 van diezelfde richtlijn op volledige harmonisatie gericht zijn, zodat de lidstaten niet ervan kunnen afwijken (eerste onderdeel). Bovendien voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepaling een sanctie vormt waarin niet formeel is voorzien in artikel 29 van de richtlijn (EU) 2018/1972, zodat zij niet toelaatbaar is (tweede onderdeel). Ten slotte doet de verzoekende partij gelden dat de artikelen 4, lid 4, 5 en 6 van de verordening (EU) 2015/2120 de bestreden bepaling niet toelaten (derde tot vijfde onderdeel). B.8.
- In ondergeschikte orde verzoeken de verzoekende partij en de tussenkomende partijen dat meerdere prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie worden gesteld, om te bepalen of de voormelde referentiebepalingen en het evenredigheidsbeginsel dat uit het recht van de Europese Unie voortvloeit, zich ertegen verzetten dat een nationale maatregel wordt genomen zoals die waarin bij de bestreden bepaling is voorzien. B.
- Wanneer een vraag die betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), gehouden die vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is, dat de betrokken bepaling van het Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd, of dat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is, dat 28 redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (HvJ, 6 oktober 1982, C-283/81, CILFIT, ECLI:EU:C:1982:335, punt 21; grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi SpA, ECLI:EU:C:2021:799, punt 33). Die redenen moeten, in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), afdoende blijken uit de motivering van het arrest waarbij de rechterlijke instantie weigert de prejudiciële vraag te stellen (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, voormeld, punt 51). De uitzondering van het gebrek aan relevantie houdt in dat de nationale rechterlijke instantie van de verwijsplicht is ontheven wanneer « die vraag niet ter zake dienend is, dat wil zeggen wanneer het antwoord erop, hoe het ook luidt, geen invloed kan hebben op de oplossing van het geschil » (HvJ, 15 maart 2017, C-3/16, Aquino, ECLI:EU:C:2017:209, punt 43; grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, voormeld, punt 34). De uitzondering dat de juiste uitlegging van het Unierecht evident is, houdt in dat de nationale rechterlijke instantie ervan overtuigd moet zijn dat de gehanteerde oplossing even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten die in laatste aanleg uitspraak doen, alsook voor het Hof van Justitie. Zij dient in dat verband rekening te houden met de specifieke kenmerken van het Unierecht, met de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en met het gevaar voor uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie. Tevens dient zij acht te slaan op de verschillen tussen de taalversies van de betrokken bepaling waarvan zij op de hoogte is, met name wanneer die verschillen door de partijen naar voren zijn gebracht en onderbouwd zijn. Tot slot dient zij aandacht te hebben voor de eigen terminologie en autonome begrippen die het Unierecht bezigt, alsook voor de context van de toepasselijke bepaling in het licht van het Unierecht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, voormeld, punten 40-46). Voorts vermag de in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechterlijke instantie ervan af te zien het Hof een prejudiciële vraag te stellen « om redenen van niet-ontvankelijkheid die eigen zijn aan de procedure bij die rechterlijke instantie, mits het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen » (HvJ, 14 december 1995, C-430/93 en C-431/93, van Schijndel en Van Veen, ECLI:EU:C:1995:441, punt 17; 15 maart 2017, C-3/16, voormeld, punt 56; grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, voormeld, punt 61). 29 B.10.
- De Ministerraad voert aan dat het eerste middel onontvankelijk is, enerzijds, in zoverre het is afgeleid uit de schending van meerdere bepalingen van het recht van de Europese Unie en, anderzijds, in zoverre het niet concreet aantoont in welk opzicht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden zijn geschonden. B.10.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. Wanneer een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met een ander grondrecht, wordt aangevoerd, volstaat het te preciseren in welk opzicht dat grondrecht is geschonden. De categorie van personen van wie dat grondrecht zou zijn geschonden, moet immers worden vergeleken met de categorie van personen voor wie dat grondrecht is gewaarborgd. Indien het grondrecht dat in samenhang met het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie wordt aangevoerd, voortvloeit uit het recht van de Europese Unie, is evenwel vereist dat de verzoekende partij een aanknopingspunt tussen de bestreden bepaling en het toepassingsgebied van het Unierecht aantoont. B.10.
- Het onderzoek van de exceptie van niet-ontvankelijkheid brengt het Hof dus ertoe te onderzoeken, enerzijds, of de in B.8.1 vermelde bepalingen van het recht van de Europese Unie het bestaan van een grondrecht verankeren en, anderzijds, of de bestreden bepaling onder het toepassingsgebied daarvan valt. B.11.
- De richtlijn (EU) 2018/1972 heeft tot doel « een geharmoniseerd kader voor de regelgeving inzake elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, evenals inzake bepaalde aspecten van eindapparatuur » te creëren, « taken van de nationale regelgevende instanties en, indien van toepassing, van andere bevoegde instanties » te bepalen en « een reeks procedures om de geharmoniseerde toepassing van het regelgevingskader in de 30 gehele Unie te waarborgen » in te voeren (artikel 1, lid 1). Bovendien doet de toepassing ervan geen afbreuk aan die van de verordening (EU) 2015/2120 (artikel 1, lid 3, d)). Artikel 2 van de richtlijn (EU) 2018/1972 definieert de begrippen « elektronischecommunicatienetwerk », « elektronischecommunicatiedienst », « bijbehorende faciliteiten », « bijbehorende diensten » en « eindapparatuur » : « Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder : 1) ‘ elektronischecommunicatienetwerk ’ : de transmissiesystemen, al dan niet gebaseerd op een permanente infrastructuur of gecentraliseerde beheercapaciteit, en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, o