← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.167

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.167 Arrest- Rolnummer: 167/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-22 Raadplegingen: 362 - laatst gezien 2026-06-15 18:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 23 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 juli 2015 « tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens » en de artikelen 11bis, 12 en 12bis van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen », zoals gewijzigd bij de decreten van het Waalse Gewest van 19 september 2013, 28 november 2013 en 17 december 2015, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Fiscaal recht - Waals Gewest - Wegen - Kilometerheffing - Vaststelling van overtredingen - Mededeling van de processen-verbaal Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 167/2025 van 11 december 2025 Rolnummer : 8393 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 23 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 juli 2015 « tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens » en de artikelen 11bis, 12 en 12bis van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen », zoals gewijzigd bij de decreten van het Waalse Gewest van 19 september 2013, 28 november 2013 en 17 december 2015, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Danny Pieters, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 12 september 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 december 2024, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 23 van het Waalse decreet van 16 juli 2015 tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens en de artikelen 11bis, 12 en 12bis van het Waalse decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen, zoals gewijzigd bij de Waalse decreten van 19 september 2013, 28 november 2013 en 17 december 2015, de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij in geen enkele verplichting voorzien tot mededeling van de processen-verbaal die worden opgesteld door ambtenaren van het Waalse Gewest in het kader van de vaststelling van overtredingen van het Waalse decreet van 16 juli 2015 ? ». 2 Memories zijn ingediend door : - de bv « C & G Trans », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Vincent Van der Mast, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Vincent Delcuve, advocaat bij de balie te Brussel. De bv « C & G Trans » heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 8 oktober 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het geschil voor de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, het verwijzende rechtscollege, heeft betrekking op verschillende administratieve boetes die ten laste van de bv « C & G Trans » zijn ingekohierd krachtens het decreet van het Waalse Gewest van 16 juli 2015 « tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens » (hierna : het decreet van 16 juli 2015). Die boetes betreffen telkens dezelfde overtreding die in de loop van mei 2018 herhaaldelijk is vastgesteld met betrekking tot een aan de voormelde vennootschap toebehorend voertuig, namelijk een storing in het elektronisch registratieapparaat zonder contact met de dienstverlener of de niet-inachtneming van de voorschriften van die laatste. Na een bezwaar te hebben ingediend, dat door het Waalse Gewest ongegrond werd bevonden, betwist de bv « C & G Trans » die boetes voor het verwijzende rechtscollege. Zij doet onder meer gelden dat het Waalse Gewest haar de processen-verbaal die met toepassing van het decreet van 16 juli 2015 voor de haar verweten overtredingen zijn opgesteld, pas in het kader van de gerechtelijke procedure heeft toegestuurd. Eerder zou het Waalse Gewest haar enkel drie samenvattende brieven, waarin melding wordt gemaakt van het bestaan van eventuele boetes, hebben gestuurd in mei en in juni 2018, een brief d.d. 21 augustus 2018, waarin haar kennis wordt gegeven van het feit dat de boetes zouden worden ingekohierd, en tot slot op 12 november 2018 de aanslagbiljetten met betrekking tot de betwiste boetes. De bv « C & G Trans » doet voor het verwijzende rechtscollege gelden dat het feit dat de processen-verbaal niet werden meegedeeld, een schending van de rechten van verdediging en in het bijzonder van artikel 6, lid 3, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens met zich meebrengt. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat noch artikel 23 van het decreet van 16 juli 2015, noch de artikelen 11bis, 12 en 12bis van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen », waarnaar dat artikel 23 verwijst, bepalen dat de processen-verbaal worden meegedeeld aan de betrokken belastingplichtige. Het merkt op dat de belastingplichtige slechts een periodieke mededeling van de « lijst van de vastgestelde potentiële overtredingen met betrekking tot de kilometerheffing in Wallonië » ontvangt, een mededeling die slechts een beperkte hoeveelheid informatie bevat in vergelijking met die welke in de processen-verbaal is vermeld (foto’s van het voertuig tijdens de overtreding, identiteit van de verbaliserende ambtenaar, vermelding van de wetsbepalingen 3 waarvan de overtreding wordt aangevoerd, kenmerk van de betaling en het bankrekeningnummer waarop de boete kan worden betaald). Volgens het verwijzende rechtscollege heeft de bij het decreet van 16 juli 2015 bepaalde boete een strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, hetgeen door het Hof is aanvaard bij zijn arresten nrs. 133/2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.133) en 156/2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.156). De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgens welke de bij artikel 6 van het voormelde Verdrag geboden waarborgen niet noodzakelijkerwijs in al hun strengheid dienen te worden toegepast wat de belastingverhogingen betreft, is te dezen niet pertinent, omdat het boetebedrag losstaat van het bedrag van de ontdoken belasting. In die context stelt het verwijzende rechtscollege aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. Volgens dat rechtscollege heeft het feit dat de processen-verbaal niet worden meegedeeld, tot gevolg dat de betrokken belastingplichtigen niet onverwijld en in bijzonderheden op de hoogte worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hen ingebrachte beschuldigingen. III. In rechte -A- A.1.

  1. Volgens de bv « C & G Trans » vormen de administratieve boetes inzake de kilometerheffing een strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aangezien het boetebedrag forfaitair is en niet op basis van de belastingschuld wordt berekend, dienen de bij artikel 6 van dat Verdrag geboden waarborgen in al hun strengheid te worden toegepast. A.1.
  2. Volgens de bv « C & G Trans » had het Waalse Gewest haar een afschrift van de processen-verbaal moeten verzenden vanaf de administratieve procedure en niet naar aanleiding van de gerechtelijke procedure twee jaar na de haar verweten feiten. De aanslagbiljetten werden haar zes maanden na die feiten toegestuurd, zodat de vereiste dat de beschuldigde onverwijld op de hoogte dient te worden gebracht, niet is nageleefd. Die aanslagbiljetten vermelden dat er een overtreding is vastgesteld en maken melding van de nummerplaat, de datum van de vermeende overtreding, de autosnelweg waarop die overtreding zou zijn begaan en de categorie van de overtreding. Het gaat niet om bijzonderheden, zoals artikel 6, lid 3, a), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vereist, daar de identiteit van de verbaliserende ambtenaar, de overtreden wetsbepalingen en specifieke vaststellingen niet worden vermeld, en daar geen foto’s worden bijgevoegd. De brieven met een verzoek om inlichtingen betreffende potentiële overtredingen bevatten evenmin informatie, temeer daar op het moment van verzending van die brieven de overtreding nog niet vaststond. De bv « C & G Trans » betoogt dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens wordt geschonden door het ontbreken van een verplichting om een afschrift van de processen-verbaal over te zenden, temeer daar die processen-verbaal bewijskracht hebben tot het bewijs van het tegendeel. Bij gebrek eraan kan de belastingplichtige dat bewijs niet leveren. Daaruit volgt niet alleen een schending van de rechten van verdediging, maar ook van het vermoeden van onschuld. A.1.
  3. De bv « C & G Trans » merkt op dat artikel 3.13.2.0.5 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit en artikel 26 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 29 juli 2015 « tot invoering van een kilometerheffing in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor zware voertuigen bedoeld of gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg, ter vervanging van het Eurovignet » voorzien in de verplichting om een afschrift van het proces-verbaal binnen een bepaalde termijn naar de vermoedelijke overtreder te verzenden; zo niet is het proces-verbaal nietig of vervalt de bijzondere bewijskracht ervan. Processen-verbaal moeten worden meegedeeld binnen een korte termijn waarin de belastingplichtige het tegenbewijs van de vaststelling op nuttige wijze kan leveren en de rechten van verdediging kunnen worden gewaarborgd. Na verloop van tijd kan dat tegenbewijs niet meer worden geleverd (bijvoorbeeld omdat de gegevens niet zijn bewaard). A.1.
  4. Volgens de bv « C & G Trans » worden ook het recht van verzet, het recht over voldoende tijd en faciliteiten te beschikken welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en het beginsel van de wapengelijkheid geschonden door het ontbreken van een verplichting om een afschrift van de processen-verbaal 4 te verzenden. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens houdt een « eerlijkheidsvereiste » in dat de met de vervolging belaste administratieve organen de verdediging op de hoogte brengen van alle materiële bewijsstukken die belastend en ontlastend zijn (EHRM, 16 december 1992, Edwards t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1992:1216JUD001307187). A.2.
  5. De Waalse Regering voert aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft wat de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de afzonderlijk gelezen artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, aangezien het verwijzende rechtscollege geen twee te vergelijken categorieën van personen onderscheidt. In werkelijkheid heeft de prejudiciële vraag uitsluitend betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Artikel 12 van de Grondwet is overigens niet pertinent om de prejudiciële vraag te beantwoorden aangezien dat artikel ertoe strekt procedurele waarborgen in te voeren in geval van vrijheidsberoving, situatie die onbestaande is in het kader van de administratieve geldboetes inzake de kilometerheffing, en te herinneren aan het beginsel van de wettigheid van de vervolging, dat hier niet in het geding is. A.2.
  6. De Waalse Regering beklemtoont dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te dezen van toepassing is, maar enkel wat de strafrechtelijke waarborgen betreft. Bovendien moeten die waarborgen op een soepele wijze worden toegepast en geïnterpreteerd. De Waalse Regering verwijst naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waaruit blijkt dat de bij artikel 6, lid 3, a), van het voormelde Verdrag geboden waarborg beoogt dat elke beschuldigde zijn verdediging correct kan voorbereiden en daartoe nauwkeurig op de hoogte wordt gesteld van wat hem wordt verweten, en zulks binnen een redelijke termijn zodat hij zijn rechten van verdediging daadwerkelijk kan uitoefenen, in het bijzonder voor een rechtbank. A.2.
  7. De Waalse Regering legt uit dat, wanneer een voertuig wordt « geflitst », de informatie wordt verzonden en verwerkt door het « compliance center », waar beëdigde ambtenaren de aldus verkregen gegevens nagaan en de processen-verbaal opstellen. Het is pas sinds 1 januari 2024 dat het Waalse Gewest de processen- verbaal naar de betrokkenen stuurt (als bijlage bij de aanslagbiljetten). Vóór die datum verstuurde het Waalse Gewest de processen-verbaal niet. Ongeveer om de vijftien dagen stuurde het « compliance center » de belastingschuldige evenwel een verzoek om inlichtingen met de lijst van de over een gegeven periode geregistreerde overtredingen waarbij hem werd verzocht zijn opmerkingen mee te delen. Dat verzoek om inlichtingen maakte melding van de datum, het tijdstip en de plaats van de overtreding, het unieke nummer van de overtreding, het bedrag van de boete en de categorie van de overtreding, alsook de nuttige contactgegevens om zijn opmerkingen in te brengen. De belastingschuldige beschikte over één maand om zijn opmerkingen te doen gelden. Indien de overtreding of de boete niet wordt ingetrokken op basis van de ontvangen informatie, wordt de boete overeenkomstig artikel 24 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 juli 2015 « tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens » ingekohierd. De aanslagbiljetten worden naar de belastingschuldige verzonden overeenkomstig artikel 21 van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen », met dien verstande dat de bezwaartermijn begint te lopen door het verzenden van het aanslagbiljet (artikel 25 van hetzelfde decreet). A.2.
  8. De Waalse Regering voert aan dat het proces-verbaal geen « akte van beschuldiging » is in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De opmaak van het proces-verbaal is slechts een van de noodzakelijke elementen voor het instellen van de administratieve sanctieprocedure; dat proces-verbaal is geen officiële kennisgeving aan de betrokkene van het feit dat hij een overtreding heeft begaan. De « aanzienlijke gevolgen voor de situatie van de verdachte », om de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wat betreft het begrip « akte van beschuldiging » over te nemen, kunnen zich voor het grootste deel pas na het verzenden van het aanslagbiljet voordoen. De bij artikel 6, lid 3, a), van het Verdrag geboden procedurele waarborgen moeten dan ook worden onderzocht in het licht van de gehele procedure inzake vaststelling van een administratieve boete en de weerslag ervan op de belastingschuldige, en niet alleen in het licht van de opmaak van het proces-verbaal. In het kader van een klassieke strafprocedure wordt van alle processen-verbaal die in het strafdossier kunnen voorkomen, overigens niet systematisch kennisgegeven. A.2.
  9. In de veronderstelling dat de waarborg van artikel 6, lid 3, a), van het voormelde Verdrag van toepassing is op de verzending van de processen-verbaal inzake de kilometerheffing, heeft het niet verzenden volgens de Waalse Regering in fine geen weerslag op het houden van een eerlijk proces. Allereerst zijn de processen-verbaal niet geheim en kon de belastingplichtige kennis ervan nemen, hetzij op eenvoudig verzoek met 5 toepassing van het decreet van het Waalse Gewest van 30 maart 1995 « betreffende de openbaarheid van bestuur », hetzij bij de raadpleging van zijn administratief dossier in het kader van het onderzoek van het bezwaar, hetzij op het ogenblik van de uitwisseling van de stukken bij de ingereedheidbrenging van het dossier voor de rechtbank. Bovendien kon de belastingschuldige op drie manieren worden geïnformeerd over het bestaan van de processen- verbaal en/of de overtredingen : door de verzoeken om inlichtingen die periodiek door het « compliance center » worden verstuurd, door de verzending van de aanslagbiljetten, of nog, tijdens een wegcontrole, waarbij de controlerende ambtenaren de lijst van de processen-verbaal kunnen bezorgen, meestal in de vorm van een samenvattend proces-verbaal. Vervolgens ontvangt de belastingschuldige, die van het bestaan van de overtredingen op de hoogte is gesteld, voldoende tijd om zijn verdediging voor te bereiden, aangezien hij vanaf het verzoek om inlichtingen over een termijn van één maand beschikt om zijn opmerkingen te doen gelden en vanaf de verzending van de aanslagbiljetten over een termijn van zes maanden om een administratief beroep in te stellen. Daarenboven doet de opmaak van het proces-verbaal geen termijn lopen in het nadeel van de belastingplichtige. Tot slot, wanneer de zaak door de rechtbank wordt behandeld, bevindt de belastingschuldige zich ten opzichte van de belastingadministratie niet in een zwakke positie door het ontbreken van een oorspronkelijke kennisgeving van de processen-verbaal. A.3.
  10. De bv « C & G Trans » antwoordt dat het proces-verbaal inzake de kilometerheffing een « akte van beschuldiging » is in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens omdat er een overtreding ten laste wordt gelegd en er wordt verzocht om een boete te betalen. Bovendien bepaalt het proces- verbaal uitdrukkelijk dat elk bezwaar ten aanzien van een in dat document vermelde boete uiterlijk binnen zes maanden vanaf de kennisgeving van het proces-verbaal moet worden ingediend. In tegenstelling tot de processen- verbaal in algemene strafzaken bevat het proces-verbaal inzake de kilometerheffing dus veel meer informatie en maakt het daadwerkelijk de beschuldiging uit, met gevolgen voor de belastingplichtige. Bovendien is er in klassieke strafzaken een dagvaarding die de aanvang van de strafprocedure aangeeft. Inzake de kilometerheffing staat het aan de beschuldigde om het initiatief te nemen voor zijn verdediging en het indienen van een bezwaar. A.3.
  11. De bv « C & G Trans » voegt eraan toe dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een positieve verplichting bevat voor de autoriteiten om de beschuldigde op de hoogte te brengen. Het staat dus niet aan de beschuldigde om inlichtingen in te winnen bij de autoriteiten. Die laatsten hebben eveneens de verplichting om de beschuldigde onverwijld op de hoogte te brengen, wat betekent dat, wanneer de beschuldigde het proces-verbaal en de informatie pas op het moment van de ingereedheidbrenging voor de rechtbank ontvangt, en dus na de administratieve procedure, de rechten van verdediging zijn geschonden en dat van « onverwijld » allang geen sprake meer is. De bv « C & G Trans » betoogt dat het aanslagbiljet niet alle noodzakelijke informatie met betrekking tot de overtreding bevat, noch de vaststelling van die overtreding. De belastingplichtige moet echter van bij het begin van de procedure volledig op de hoogte worden gesteld. -B- B.
  12. Aan het Hof wordt gevraagd of artikel 23 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 juli 2015 « tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens » (hierna : het decreet van 16 juli 2015) en de artikelen 11bis, 12 en 12bis van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen » (hierna : het decreet van 6 mei 1999) bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, « in 6 zoverre zij in geen enkele verplichting voorzien tot mededeling van de processen-verbaal die worden opgesteld door ambtenaren van het Waalse Gewest in het kader van de vaststelling van overtredingen van het Waalse decreet van 16 juli 2015 ». B.
  13. Krachtens artikel 22, § 1, eerste lid, van het decreet van 16 juli 2015 is elke overtreding van dat decreet of van de uitvoeringsmaatregelen ervan strafbaar met een administratieve boete. B.3.
  14. Artikel 23 van het decreet van 16 juli 2015 bepaalt : « Voor de onderzoeken en controles betreffende de administratieve boetes beschikken de door de Regering aangewezen ambtenaren over dezelfde rechten als die bedoeld in de artikelen 11bis, 12 en 12bis van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen ». B.3.
  15. In artikel 11bis van het decreet van 6 mei 1999 worden de verschillende bevoegdheden inzake controle en onderzoek van de bevoegde ambtenaren opgesomd. Artikel 12 van het decreet van 6 mei 1999 regelt de bewijsmiddelen van het bestuur. Artikel 12bis van het decreet van 6 mei 1999, in de versie die van toepassing is op het bodemgeschil, bepaalt : « De ambtenaren van het Waalse Gewest en de gemeentelijke en provinciale ambtenaren en personeelsleden zijn bevoegd voor het hele grondgebied van het Waalse Gewest om overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, processen-verbaal inzake de taksen en belastingen bedoeld in dit decreet op te stellen. Deze processen-verbaal hebben bewijskracht, zolang het tegendeel niet bewezen is, voor de feiten die erin worden vastgesteld. Ze worden overgemaakt aan de ambtenaar aangewezen door de Regering. Inzake verkeersbelasting, belasting op de inverkeerstelling, eurovignet en kilometerheffing, zijn de personeelsleden van de dienst aangewezen door de Regering, als agent van de gerechtelijke politie of als officier van de gerechtelijke politie bevoegd om over het ganse grondgebied van het Waalse Gewest de overtredingen van de betrokken wetgeving op te sporen, en om de processen-verbaal terzake, alleen of gezamenlijk, op te stellen en om het ontdoken bedrag van de betrokken belasting, verhoogd met de administratieve boete, onmiddellijk te innen. 7 Deze processen-verbaal, waarbij eventueel de schriftelijke uitleg van de overtreders wordt gevoegd, worden opgesteld ten verzoeke van de Gewestelijke Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de ambtenaar van de dienst aangewezen door de Waalse Regering, domicilie kiezend in zijn kantoren; zij zijn van bevestiging of visum en van betekening vrijgesteld. De processen-verbaal worden toegezonden aan de ambtenaren die daartoe door de Gewestelijke Minister van Financiën zijn aangewezen ». B.
  16. Uit de voorgaande bepalingen vloeit voort dat door de bevoegde ambtenaar een proces-verbaal wordt opgesteld in geval van overtreding van het decreet van 16 juli
  17. Dat proces-verbaal heeft bewijskracht zolang het tegendeel niet is bewezen voor eender welke feiten die erin zijn vastgesteld (artikel 12bis, tweede lid, van het decreet van 6 mei 1999). Zoals het verwijzende rechtscollege opmerkt, voorziet geen enkele bepaling van de voormelde decreten in de mededeling van dat proces-verbaal aan de belastingschuldige. B.
  18. Er dient ook rekening te worden gehouden met de artikelen 24 en 25 van het decreet van 16 juli 2015 die, in de versie die van toepassing is op het bodemgeschil, bepalen : « Art.
  19. De administratieve boetes m.b.t. de overtredingen bedoeld in artikel 22 worden, behoudens afwijking waarin dit decreet voorziet, geïnd, in voorkomend geval ingekohierd, en ingevorderd door de ambtenaar die de Regering heeft aangewezen, overeenkomstig de artikelen 17bis, 18, 18bis, 21, 29 tot 31, 35 tot 57sexies van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen. Art.
  20. Het aanslagbiljet vermeldt : 1° de woorden ‘ Région wallonne ’; 2° de identiteit (naam en voornaam of benaming, al naar gelang van het geval) en het adres van de verschuldigde; 3° de verwijzing naar artikel 22, desgevallend aangepast krachtens het laatste lid ervan, en artikel 26 van dit decreet; 4° het nummer van het kohierartikel van bedoelde administratieve boete; 5° de datum van het visum van tenuitvoerlegging van het kohier; 6° het bedrag van de administratieve boete en de begane overtreding; 7° de opeisbaarheidsdatum; 8 8° de aanwijzing en het adres van de dienst belast met de vastlegging van de administratieve boete; 9° de aanwijzing en het adres van de dienst belast met de inning van de administratieve boete en de rekening waarop het desbetreffende bedrag gestort moet worden; 10° de aanwijzing en het adres van de ambtenaar bij wie het administratief beroep ingesteld kan worden en de beroepstermijn ». B.
  21. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.
  22. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
  23. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden.
  24. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt.
  25. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft ten minste de volgende rechten : a) onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging; b) te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging; c) zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze, of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien het belang van de rechtspraak dit eist; 9 d) de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge; e) zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt ». B.
  26. Noch uit de prejudiciële vraag, noch uit de motivering van het verwijzingsvonnis kan worden begrepen in welk opzicht de in het geding zijnde bepalingen artikel 12 van de Grondwet zouden schenden. Bijgevolg houdt het Hof bij zijn onderzoek geen rekening met die bepaling. B.
  27. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 156/2022 van 24 november 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.156, B.14.4) heeft geoordeeld, is de administratieve boete bedoeld in artikel 22 van het decreet van 16 juli 2015, zoals het werd vervangen bij artikel 32 van het decreet van het Waalse Gewest van 13 december 2017 « houdende diverse fiscale wijzigingen », een strafmaatregel in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
  28. Bijgevolg moet het Hof onderzoeken of het feit dat het door de bevoegde ambtenaar opgestelde proces-verbaal niet wordt meegedeeld aan de belastingschuldige in geval van overtreding van het decreet van 16 juli 2015, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat de prejudiciële vraag specifiek betrekking heeft op artikel 6, lid 3, a), van het voormelde Verdrag, dat aan elke beschuldigde het recht verleent om « onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging ». B.
  29. De waarborgen van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zijn van toepassing zodra er een « strafvervolging » bestaat, en kunnen dus een rol spelen in het stadium vóór de vonnisfase indien en voor zover de initiële niet-naleving ervan de eerlijkheid van het proces ernstig in het gedrang dreigt te brengen (EHRM, grote kamer, 10 13 september 2016, Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2016:0913JUD005054108, § 253). « Er is sprake van ‘ strafvervolging ’ ingeval iemand officieel in verdenking wordt gesteld door de bevoegde autoriteiten of wanneer de maatregelen van deze autoriteiten op grond van de verdenkingen die tegen hem bestaan, aanzienlijke gevolgen hebben voor zijn situatie » (EHRM, grote kamer, 3 november 2022, Vegotex International S.A. t. België, ECLI:CE:ECHR:2022:1103JUD004981209, § 150). In veel gevallen vormt een proces-verbaal het aanvangspunt voor de toepassing van het geheel van de rechtsregels betreffende de opsporing, de vervolging en de berechting van personen die ervan worden verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd. Het proces-verbaal is in die gevallen een onderdeel van de strafvervolging. Daaruit volgt evenwel niet dat het noodzakelijkerwijs onmiddellijk aan de overtreder moet worden meegedeeld. B.
  30. Overeenkomstig artikel 24 van het decreet van 16 juli 2015 wordt de administratieve boete die voortvloeit uit de in artikel 22 van dat decreet bedoelde overtredingen ingekohierd. Zodra het kohier uitvoerbaar is geworden, wordt aan de belastingschuldige kennisgegeven van een aanslagbiljet (artikel 24 van het decreet van 16 juli 2015, in samenhang gelezen met artikel 21, § 1, van het decreet van 6 mei 1999). Dat aanslagbiljet bevat de volgende informatie (artikel 25 van het decreet van 16 juli 2015) : de verwijzing naar artikel 22, in voorkomend geval aangepast krachtens het laatste lid ervan, en artikel 26 van het decreet van 16 juli 2015 (3°); het nummer van het kohierartikel van de betreffende administratieve boete (4°); de datum van het visum van tenuitvoerlegging van het kohier (5°); het bedrag van de administratieve boete en de begane overtreding (6°); de opeisbaarheidsdatum (7°); de aanwijzing en het adres van de dienst belast met de vastlegging van de administratieve boete (8°); de aanwijzing en het adres van de dienst belast met de inning van de administratieve boete en de rekening waarop de boete moet worden gestort (9°); de aanwijzing en het adres van de ambtenaar bij wie het administratief beroep kan worden ingesteld en de beroepstermijn (10°). Vanaf de datum van uitwerking van de kennisgeving van het aanslagbiljet beschikt de belastingschuldige over een termijn van zes maanden om een administratief bezwaar in te dienen (artikel 26 van het decreet van 16 juli 2015, in samenhang gelezen met de artikelen 5, § 3, en 25 van het decreet van 6 mei 1999). Indien zijn bezwaar wordt afgewezen, kan de 11 belastingschuldige een gerechtelijk beroep instellen (artikel 26 van het decreet van 16 juli 2015, in samenhang gelezen met artikel 28 van het decreet van 6 mei 1999). B.
  31. De informatie die op het aanslagbiljet wordt vermeld, is toereikend om aan de belastingschuldige te waarborgen dat hij « onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte [wordt] gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging » (artikel 6, lid 3, a), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens). De termijn van zes maanden waarover de belastingplichtige beschikt om een administratief bezwaar in te stellen, is toereikend om hem in staat te stellen « te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging » (artikel 6, lid 3, b), van het voormelde Verdrag) en onder meer aan de administratie te vragen dat een afschrift van het proces-verbaal aan hem wordt meegedeeld zodat hij in voorkomend geval de erin opgenomen vaststellingen kan weerleggen. B.
  32. Artikel 23 van het decreet van 16 juli 2015 en de artikelen 11bis, 12 en 12bis van het decreet van 6 mei 1999 zijn bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij in geen enkele verplichting voorzien tot mededeling van de processen-verbaal die worden opgesteld door ambtenaren van het Waalse Gewest in het kader van de vaststelling van overtredingen van het decreet van 16 juli
  33. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 23 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 juli 2015 « tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens » en de artikelen 11bis, 12 en 12bis van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen », schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 11 december
  34. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.167 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.133 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.156 ECLI:CE:ECHR:1992:1216JUD001307187 ECLI:CE:ECHR:2016:0913JUD005054108 ECLI:CE:ECHR:2022:1103JUD004981209 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.