id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.169 Arrest- Rolnummer: 169/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-22 Raadplegingen: 525 - laatst gezien 2026-06-18 16:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart 1936, zoals bekrachtigd door het enig artikel, 110°, van de wet van 4 mei 1936) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart 1936 « tot wijziging van de termijnen van rechtspleging en van de wet van 28 juni 1889 betreffende de exploten in strafzaken en in fiscale zaken te betekenen aan personen die niet hun woonplaats in België hebben », zoals bekrachtigd door het enig artikel, 110°, van de wet van 4 mei 1936, gesteld door het Hof van Cassatie. Gerechtelijk recht - Verstekuitspraak - Betekening - Veroordeelde die in België geen woon- of verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft - Verzet - Termijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 169/2025 van 11 december 2025 Rolnummer : 8403 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart 1936 « tot wijziging van de termijnen van rechtspleging, en van de wet van 28 juni 1889 betreffende de exploten in strafzaken en in fiscale zaken te beteekenen aan personen die niet hun woonplaats in België hebben », zoals bekrachtigd door het enig artikel, 110°, van de wet van 4 mei 1936, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Danny Pieters, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 10 december 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 december 2024, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart 1936, zoals bekrachtigd door het enig artikel, 110°, van de wet van 4 mei 1936, de artikelen 10 en 11 Grondwet doordat op grond van die bepaling ten aanzien van een beklaagde die in België geen woon- of verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft en aan wie de verstekbeslissing in het buitenland niet in persoon werd betekend, de in artikel 55 Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijnverlenging van toepassing is op de buitengewone termijn van verzet zoals bedoeld in artikel 187, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, terwijl op grond van die bepaling ten aanzien van een beklaagde die in België geen woon- of verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft en aan wie de verstekbeslissing in het buitenland in persoon werd betekend, de in artikel 55 Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijnverlenging niet van toepassing is op de gewone termijn van verzet zoals bedoeld in artikel 187, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering ? ». 2 De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Steve Ronse en mr. Thomas Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 22 oktober 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij arrest van 26 juni 2019 werd M.R. bij verstek veroordeeld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Dat verstekarrest werd aan M.R., die in België geen woon- of verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, in persoon betekend in Frankrijk op 19 juli
- Op 4 augustus 2023 heeft M.R. verzet aangetekend tegen dat arrest. Bij arrest van 21 december 2023 heeft het Hof van Beroep te Antwerpen geoordeeld dat het verzet onontvankelijk is wegens niet-tijdigheid. M.R. kan zich niet beroepen op de termijnverlenging op grond van artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek, omdat artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart 1936 « tot wijziging van de termijnen van rechtspleging, en van de wet van 28 juni 1889 betreffende de exploten in strafzaken en in fiscale zaken te beteekenen aan personen die niet hun woonplaats in België hebben » enkel van toepassing is op de buitengewone termijn van verzet en niet op de gewone termijn van verzet. Tegen dat arrest is cassatieberoep ingesteld en het Hof van Cassatie stelt aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- De Ministerraad voert aan dat, overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Hof, de verlenging van de termijn van verzet bepaald in artikel 187, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering enkel geldt voor de buitengewone termijn van verzet en niet voor de gewone termijn van verzet. Vervolgens verwijst de Ministerraad naar de vaste rechtspraak van het Hof inzake de toepassing van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel op procedureregels. In casu worden de rechten van de personen die in België geen woon- of verblijfplaats, noch een gekozen woonplaats hebben en aan wie het verstekarrest in persoon wordt betekend, niet beperkt. Die personen hebben kennis van de verstekuitspraak en beschikken over een redelijke termijn van vijftien dagen om verzet aan te tekenen. Personen aan wie de verstekuitspraak niet in persoon werd betekend, beschikken over een verlenging van de termijn. 3 -B- B.1.
- Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart 1936 « tot wijziging van de termijnen van rechtspleging, en van de wet van 28 juni 1889 betreffende de exploten in strafzaken en in fiscale zaken te beteekenen aan personen die niet hun woonplaats in België hebben », zoals bekrachtigd door het enig artikel, 110°, van de wet van 4 mei 1936 (hierna : het koninklijk besluit nr. 301), bepaalt : « De bij de artt. 174 en 203 van het Wetboek van Strafvordering voorziene termijnen, voor zoover zij op het hooger beroep van de verstekvonnissen van toepassing zijn, en de termijnen, voorzien bij artikel 187, tweede alinea, van het Wetboek van Strafvordering en bij artikel 9, tweede alinea, van de wet van 15 mei 1912, op de kinderbescherming, zijn, voor de bij artikel 73 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde personen, verlengd met den bij dat artikel vastgestelden termijn ». Artikel 73 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering stemt overeen met het huidige artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek. B.1.
- Artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Wanneer de wet bepaalt dat ten aanzien van de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, de termijnen die haar verleend werden dienen verlengd te worden, dan bedraagt die verlenging : 1° vijftien dagen, wanneer de partij in een aangrenzend land of in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië verblijft; 2° dertig dagen, wanneer zij in een ander land van Europa verblijft; 3° tachtig dagen, wanneer zij in een ander werelddeel verblijft ». De voormelde verlenging is enkel van toepassing voor de buitengewone termijn van verzet en niet voor de gewone termijn van verzet (Cass., 16 mei 2001, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.8; 20 november 2001, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011120.10). B.1.
- Artikel 187, § 1, eerste en tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bepaalt : 4 « De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen ». B.
- Met de prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat, ten aanzien van een veroordeelde die in België geen woon- of verblijfplaats, noch een gekozen woonplaats heeft en aan wie de verstekuitspraak in het buitenland niet in persoon werd betekend, de in artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijnverlenging van toepassing is, terwijl, ten aanzien van een veroordeelde die in België geen woon- of verblijfplaats, noch een gekozen woonplaats heeft en aan wie de verstekuitspraak in het buitenland wel in persoon werd betekend, de in artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijnverlenging niet van toepassing is. B.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Het Hof moet nagaan of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden, doordat bij de betekening in persoon van de verstekuitspraak aan een veroordeelde die in België geen woon- of verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, geen termijnverlenging mogelijk is om verzet in te dienen, terwijl bij de betekening niet in persoon van de verstekuitspraak aan een veroordeelde die in België geen woon- of verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, de termijn om verzet aan te tekenen wel kan worden verlengd. 5 B.5.
- Het verzet is een gewoon rechtsmiddel dat openstaat voor de partij die bij verstek is veroordeeld teneinde vanwege het rechtscollege dat bij verstek heeft geoordeeld, een nieuwe beslissing na een contradictoir debat te verkrijgen. Het wezen en de doelstelling zelf van het verzet bestaan erin een persoon, die als gevolg van zijn niet-verschijnen mogelijkerwijs niet alle elementen van een zaak kent of zich daarover althans niet nader heeft kunnen verklaren, de mogelijkheid te bieden ten volle zijn rechten van verdediging uit te oefenen. B.5.
- Het recht om in verzet te komen tegen een verstekvonnis mag worden onderworpen aan procedurele vereisten, maar die vereisten mogen het de veroordeelde niet onmogelijk maken dat rechtsmiddel aan te wenden. De regels met betrekking tot het naleven van termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden, beogen een behoorlijke rechtsbedeling en inzonderheid ook de rechtszekerheid te waarborgen (arresten nrs. 163/2014, ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.163, en 87/2021, ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.087). B.6.
- Het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 301 vermeldt aangaande de termijnverlenging : « Artikel 3 van het ontwerp maakt een einde aan de twistvraag die was opgerezen in verband met den duur van sommige termijnen van hooger beroep en verzet ten voordeele van personen die buiten het grondgebied van België wonen en aan wie de beteekening van het vonnis niet gedaan was geworden in België, hetzij aan den persoon of aan de woonplaats, hetzij aan de verblijfplaats of aan de gekozen woonplaats. Voortaan zullen die termijnen ten voordeele van die personen verlengd worden met de termijnen bepaald bij artikel 73 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, volgens de door dit artikel gemaakte onderscheidingen » (verslag aan de Koning, Belgisch Staatsblad, 7 april 1936, p. 2370). B.6.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de vaststelling of de verstekuitspraak aan een veroordeelde die in België geen woon- of verblijfplaats, noch een gekozen woonplaats heeft, al dan niet in persoon werd betekend. B.6.
- De verlenging van de termijn om verzet aan te tekenen, geldt enkel wanneer de betekening van de verstekuitspraak niet werd gedaan in persoon aan een veroordeelde die in België geen woon- of verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft. Bij de betekening niet in 6 persoon wordt niet noodzakelijk de verstekuitspraak ter beschikking gesteld van de veroordeelde, zodat een bijkomende termijn hem de mogelijkheid moet bieden die te verkrijgen. In geval van een betekening aan de persoon beschikt de veroordeelde over de verstekuitspraak en heeft hij, zelfs wanneer hij in het buitenland verblijft, voldoende tijd om in verzet te komen, gelet op de « thans bestaande, snelle en talrijke middelen van verkeer » (ibid., p. 2369). B.6.
- Het is bijgevolg redelijk verantwoord de termijnverlenging voor te behouden aan de veroordeelden die in België geen woon- of verblijfplaats, noch gekozen woonplaats hebben en aan wie de betekening van de verstekuitspraak niet in persoon is gedaan. Bovendien moet tevens rekening worden gehouden met het algemeen rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet in geval van overmacht kan worden gemilderd, beginsel waarvan de in het geding zijnde bepaling niet is afgeweken. B.
- Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart 1936 « tot wijziging van de termijnen van rechtspleging, en van de wet van 28 juni 1889 betreffende de exploten in strafzaken en in fiscale zaken te beteekenen aan personen die niet hun woonplaats in België hebben », zoals bekrachtigd door het enig artikel, 110°, van de wet van 4 mei 1936, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 11 december
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.169 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.8 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011120.10 ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.163 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.087 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div