id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.171 Arrest- Rolnummer: 171/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-22 Raadplegingen: 297 - laatst gezien 2026-06-15 06:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikelen 2, 5°, b), en 5 van het decreet van 29 maart 2019, in zoverre zij de ambulancediensten onder het toepassingsgebied van het decreet van het Vlaamse Gewest van 29 maart 2019 doen vallen wanneer die diensten een zieke persoon op medische aanwijzing onder begeleiding van gekwalificeerd personeel zittend vervoeren) - Geen schending (dezelfde bepalingen, in zoverre zij de ambulancediensten onder het toepassingsgebied van het voormelde decreet van 29 maart 2019 doen vallen wanneer die diensten een zieke persoon zittend vervoeren zonder dat er een medische nood is aan begeleiding door gekwalificeerd personeel) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 2, 5°, b), 4 en 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 29 maart 2019 « betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer », gesteld door de Politierechtbank te Vilvoorde. Vervoer - Vlaams Gewest - Individueel bezoldigd personenvervoer - Toepassingsgebied - Ambulancediensten - Niet-dringend zittend patiëntenvervoer Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 171/2025 van 11 december 2025 Rolnummer : 8417 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 2, 5°, b), 4 en 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 29 maart 2019 « betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer », gesteld door de Politierechtbank te Vilvoorde. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 6 januari 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 januari 2025, heeft de Politierechtbank te Vilvoorde de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schenden de artikelen 2, 5°, b), 4 en 5 van het Decreet van 29 maart 2019 betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor zover ze dit decreet van toepassing zouden maken op ambulancediensten die niet-dringend zittend patiëntenvervoer uitvoeren en deze diensten gelijkschakelen met straattaxi’s ? 2. Schenden de artikelen 2, 5°, b), 4 en 5 van het Decreet van 29 maart 2019 betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor zover ze dit decreet van toepassing zouden maken op ambulancediensten die niet-dringend zittend patiëntenvervoer uitvoeren, terwijl hetzelfde decreet niet van toepassing is op ambulancediensten die niet-dringend liggend patiëntenvervoer uitvoeren ? ». 2 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de bv « Franckline » en Yves Pasteels, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Anthony Poppe en mr. Ellen Verschuere, advocaten bij de balie te Gent; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. Bij beschikking van 22 oktober 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Twee personen worden vervoerd van een ziekenhuis naar hun woonplaats door Yves Pasteel, handelend in opdracht van de bv « Franckline », in een voertuig dat niet is voorzien van een sanitaire cel en niet is uitgerust voor liggend ziekenvervoer. Die vennootschap en de chauffeur worden voor de Politierechtbank te Vilvoorde vervolgd voor, respectievelijk, het uitbaten en het uitvoeren als chauffeur van een dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer zonder vergunning. De Politierechtbank stelt vast dat het decreet van het Vlaamse Gewest van 29 maart 2019 « betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer », volgens artikel 5 ervan, niet van toepassing is op de diensten voor niet- dringend liggend ziekenvervoer. Uit de parlementaire voorbereiding leidt de Rechtbank af dat dat decreet wel van toepassing is op het niet-dringend zittend ziekenvervoer, behalve wanneer dat vervoer onbezoldigd wordt uitgevoerd. De Politierechtbank acht het vervolgens aangewezen de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.1. Volgens de Vlaamse Regering zijn de prejudiciële vragen niet ontvankelijk in zoverre zij peilen naar de bestaanbaarheid van artikel 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 29 maart 2019 « betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer » (hierna : het decreet van 29 maart 2019) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, daar die bepaling geen betrekking heeft op de in de prejudiciële vragen beschreven problematiek. A.1.2. De beklaagden voor het verwijzende rechtscollege antwoorden dat de Vlaamse Regering niet aantoont dat artikel 4 van het decreet van 29 maart 2019 te dezen niet relevant is. 3 A.2.1. De beklaagden voor het verwijzende rechtscollege zijn, in hoofdorde, van mening dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven, daar de in het geding zijnde bepalingen niet van toepassing zijn op het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege. A.2.2. Zij doen gelden dat de decreetgever het niet-dringend zittend ziekenvervoer nog niet heeft geregeld en dat die vorm van vervoer niet gelijkgeschakeld kan worden met het individueel bezoldigd personenvervoer in de zin van het decreet van 29 maart 2019. Zij wijzen erop dat dat decreet niet uitdrukkelijk bepaalt dat het niet- dringend zittend ziekenvervoer onder het toepassingsgebied ervan valt. Volgens hen kan uit de uitsluiting, van dat toepassingsgebied, van het niet-dringend liggend ziekenvervoer niet a contrario worden afgeleid dat het niet- dringend zittend ziekenvervoer onder het toepassingsgebied van het decreet valt. Zij zijn van mening dat het niet- dringend zittend ziekenvervoer niet valt onder een van de vier categorieën van individueel bezoldigd personenvervoer opgesomd in artikel 2, 5°, van het decreet van 29 maart 2019. Zij zetten uiteen dat voertuigen voor niet-dringend zittend ziekenvervoer niet ter beschikking worden gesteld aan het publiek op de openbare weg, dat die voertuigen enkel geschikt zijn voor patiënten en dat het niet-dringend zittend ziekenvervoer in aanmerking komt voor gedeeltelijke terugbetaling door de mutualiteiten. Zij wijzen ook erop dat de Vlaamse decreetgever in artikel 3, 4°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 april 2001 « betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg » (hierna : het decreet van 20 april 2001), dat nog in werking moet treden op een nader door de Vlaamse Regering te bepalen datum, heeft bepaald dat het niet-dringend zittend ziekenvervoer, onder de door de Vlaamse Regering vast te stellen voorwaarden, niet onder het toepassingsgebied van dat decreet valt en aldus niet als een taxidienst kan worden beschouwd. Volgens hen is het niet-dringend zittend ziekenvervoer bovendien een gemeenschapsaangelegenheid, terwijl het decreet van 29 maart 2019 een gewestaangelegenheid regelt. Ter ondersteuning van hun argumentatie verwijzen zij ook nog naar een conceptnota van de Vlaamse Regering, naar een standpunt van de Mobiliteitsraad, naar het antwoord van de bevoegde minister op een parlementaire vraag, naar ministeriële besluiten die voorzien in een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de reiskosten van bepaalde patiënten en naar rechtspraak. A.2.3. De beklaagden voor het verwijzende rechtscollege doen ten slotte gelden dat, indien het decreet van 29 maart 2019 van toepassing zou zijn op het niet-dringend zittend ziekenvervoer, het wettigheidsbeginsel in strafzaken zou zijn geschonden. Zij wijzen ook erop dat zij in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege hebben gesuggereerd om aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over het wettigheidsbeginsel in strafzaken, maar dat het verwijzende rechtscollege daar niet op is ingegaan. A.3.1. De Vlaamse Regering doet gelden dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof toekomt aan het verwijzende rechtscollege om de bepalingen die het toepast, te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing ervan. Zij wijst erop dat het verwijzende rechtscollege heeft geoordeeld dat het decreet van 29 maart 2019 van toepassing is op het geschil dat het dient te beoordelen en is van mening dat de interpretatie van dat rechtscollege niet kennelijk verkeerd is, daar in artikel 5 van dat decreet enkel het niet-dringend liggend ziekenvervoer van het toepassingsgebied van dat decreet wordt uitgesloten en daar uit de parlementaire voorbereiding duidelijk blijkt dat het niet-dringend zittend ziekenvervoer wel onder het toepassingsgebied ervan valt. A.3.2. De overige door de beklaagden voor het verwijzende rechtscollege aangevoerde argumenten leiden volgens de Vlaamse Regering niet tot een ander besluit. Ten eerste verwijzen zij niet dienstig naar artikel 3, 4°, van het decreet van 20 april 2001, daar, die bepaling nooit in werking is getreden en daar, sinds de inwerkingtreding van het decreet van 29 maart 2019 op 1 januari 2020, dat laatste decreet van toepassing is en niet het decreet van 20 april 2001. Ten tweede verwijzen zij evenmin dienstig naar de conceptnota van de Vlaamse Regering van 27 maart 2017 en naar het standpunt van de Mobiliteitsraad van 5 mei 2017, daar de decreetgever de desbetreffende standpunten en beleidsvoornemens niet heeft gevolgd in het decreet van 29 maart 2019. Ten derde is het argument dat het niet-dringend ziekenvervoer een bevoegdheid van de gemeenschappen is, niet relevant, daar de Vlaamse decreetgever bevoegd is voor zowel de gemeenschaps- als de gewestaangelegenheden. De Vlaamse Regering beklemtoont in dat kader de autonomie van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten om vorm te geven aan de uitoefening van hun eigen bevoegdheden. De omstandigheid dat de federale overheid, binnen haar bevoegdheden, bepaalde aangelegenheden op een bepaalde manier heeft geregeld, heeft geen invloed op de bevoegdheden van de Vlaamse decreetgever. Ten slotte zijn de verwijzingen van de beklaagden voor het verwijzende rechtscollege naar rechtspraak te dezen niet dienstig, daar het verwijzende rechtscollege heeft geoordeeld dat het decreet van 29 maart 2019 van toepassing is op het niet-dringend zittend ziekenvervoer en dat oordeel niet kennelijk verkeerd is. 4 Ten gronde A.4. De Vlaamse Regering is van mening dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Een van de belangrijkste doelstellingen van het decreet van 29 maart 2019 bestaat volgens haar erin een gelijk speelveld te creëren voor vergelijkbare dienstverleningen. De decreetgever kon volgens haar, mede gelet op de ruime beoordelingsvrijheid waarover hij beschikt, redelijkerwijze ervoor kiezen het bezoldigd zittend ziekenvervoer aan dezelfde regels te onderwerpen als de andere vormen van individueel bezoldigd personenvervoer. Gelet op de doelstelling om een gelijk speelveld te creëren, is die beleidskeuze niet zonder redelijke verantwoording, daar bij het niet-dringend zittend ziekenvervoer, het vervoersaspect - en veel minder het zorgaspect - centraal staat. Bij het niet-dringend liggend ziekenvervoer, dat wordt geregeld bij het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 mei 2018 « betreffende het niet-dringend liggend ziekenvervoer » (hierna : het decreet van 18 mei 2018), is er daarentegen per definitie een zorgnood aanwezig, die de decreetgever heeft aangezet om specifieke kwaliteitseisen te stellen aan dat vervoer. Diensten voor het bezoldigd zittend ziekenvervoer hebben ook dezelfde kenmerken als de andere diensten voor bezoldigd personenvervoer, in die zin dat het gaat om bezoldigde diensten waarbij personen individueel en zittend worden vervoerd zonder dat het voertuig dient te voldoen aan bepaalde kwaliteitsnormen met het oog op het verlenen van zorg. A.5.1. De tweede prejudiciële vraag dient volgens de Vlaamse Regering eveneens ontkennend te worden beantwoord. A.5.2. Volgens de Vlaamse Regering streeft de decreetgever met het in de tweede prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling een dubbele doelstelling na. Enerzijds beoogt hij met het decreet van 29 maart 2019 een gelijk speelveld te creëren voor vergelijkbare diensten. Anderzijds beoogt hij met het decreet van 18 mei 2018 een specifieke regelgeving tot stand te brengen voor het niet-dringend liggend ziekenvervoer, omdat de specifieke aard van dat vervoer het niet mogelijk en ook niet wenselijk maakt om de regels die gelden voor het individueel bezoldigd personenvervoer toe te passen op dat vervoer. Het liggend ziekenvervoer is immers het vervoer waarbij de patiënt niet anders dan in een liggende toestand kan worden vervoerd of de patiënt bij mobilisatie moet worden gedragen, waarbij er een hoge relatieve kans is dat er zich een acute verslechtering van de toestand voordoet door en tijdens het transport of de patiënt zich in een slechte en ernstige zieke toestand bevindt. Wegens de specifieke aard van het liggend ziekenvervoer, heeft de decreetgever het nodig geacht om dat vervoer aan een specifiek regelgevend kader te onderwerpen met een eigen vergunningsstelsel, eigen voorwaarden (die onder meer betrekking hebben op technische vereisten voor de wagens, op de uitrusting van de wagens, op de prijzen en op vereisten voor het personeel) en eigen controlemechanismen. De Vlaamse Regering verwijst naar de parlementaire voorbereiding van het decreet van 18 mei 2018 en leidt eruit af dat het niet-dringend liggend ziekenvervoer het vervoer is waarbij, tijdens het transport en in de onmiddellijke nabijheid van de persoon die wordt vervoerd, door een gekwalificeerd persoon toezicht wordt gehouden op de toestand van de patiënt. Hierdoor onderscheidt het niet- dringend liggend ziekenvervoer zich van personenvervoer of taxivervoer. A.5.3. Voor zover het niet-dringend liggend en zittend ziekenvervoer al vergelijkbare categorieën zouden zijn in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, berust het in de tweede prejudiciële vraag bedoelde verschil in behandeling, volgens de Vlaamse Regering, op een objectief en pertinent criterium, met name het zittend dan wel liggend karakter van het vervoer. Er is volgens haar geen enkele reden om het niet-dringend zittend ziekenvervoer aan de strenge eisen van het niet-dringend liggend ziekenvervoer te onderwerpen. Bovendien vertoont het niet-dringend zittend ziekenvervoer dezelfde kenmerken als de andere vormen van individueel bezoldigd personenvervoer. De omstandigheid dat het vervoer van patiënten onder de federale wetgeving inzake de gezondheidszorgberoepen wordt aangegeven als een paramedisch beroep, is volgens de Vlaamse Regering te dezen niet relevant, daar de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten beschikken over een autonomie bij het uitoefenen van hun eigen bevoegdheden. Uit de omstandigheid dat de federale overheid de eigen bevoegdheid op een bepaalde wijze invult, kan aldus niet worden afgeleid dat de Vlaamse decreetgever het niet- dringend liggend en zittend ziekenvervoer niet verschillend mag behandelen. Om vergelijkbare redenen verwijzen de beklaagden voor het verwijzende rechtscollege volgens haar ook ten onrechte naar Europese regels, de indeling in paritaire comités en btw-verplichtingen. De door de beklaagden voor het verwijzende rechtscollege aangevoerde nadelen zijn volgens de Vlaamse Regering ten slotte niet disproportioneel. A.5.4. Louter ten overvloede wijst de Vlaamse Regering nog erop dat het in de tweede prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling mede zijn grondslag vindt in de bevoegdheidverdelende regels : terwijl het decreet van 29 maart 2019 een gewestelijke aangelegenheid regelt (het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer, met inbegrip van de bijzondere vormen van geregeld vervoer, het taxivervoer en het verhuren van auto’s met chauffeur), regelt het decreet van 18 mei 2018 een gemeenschapsaangelegenheid (het gezondheidsbeleid en de 5 bijstand aan personen). Met verwijzing naar een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State doet zij gelden dat, wanneer het zwaartepunt van de geregelde rechtssituatie betrekking heeft op het vervoersaspect veeleer dan op het zorgaspect, de regeling tot de gewestbevoegdheid inzake het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer behoort. A.6. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de in het geding zijnde bepalingen toepassing kunnen vinden in het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege, zijn de beklaagden voor het verwijzende rechtscollege van mening dat de prejudiciële vragen bevestigend moeten worden beantwoord. A.7.1. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, doen zij gelden dat uitbaters van taxidiensten, enerzijds, en uitbaters van diensten voor niet-dringend zittend ziekenvervoer, anderzijds, niet vergelijkbaar zijn. Zij wijzen erop dat het vervoer van patiënten wordt aangegeven als een paramedisch beroep in de zin van artikel 69 van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, dat het niet-dringend ziekenvervoer gezondheidszorg uitmaakt, dat de opleidingsvoorwaarden waaraan een ambulancier niet-dringend ziekenvervoer moet voldoen en de technische prestaties die hij mag stellen, worden geregeld bij koninklijk besluit, dat beide categorieën van diensten in verschillende categorieën worden ingedeeld in de algemene nomenclatuur van de economische activiteiten van de Europese Unie, dat voor de personeelsleden van beide categorieën van diensten een afzonderlijk paritair comité bestaat, dat het ziekenvervoer is vrijgesteld van de belasting over de toegevoegde waarde en dat de voertuigen die worden ingezet voor ziekenvervoer worden beschreven in de Europese norm EN1789. Zij leiden daaruit af dat het niet-dringend ziekenvervoer onderworpen is aan een eigen regulering die kwaliteitseisen stelt voor de personen die zich met dat vervoer bezighouden en voor de voertuigen waarmee dat vervoer wordt georganiseerd. A.7.2. Volgens de beklaagden voor het verwijzende rechtscollege bestaat er geen enkele verantwoording voor de gelijke behandeling van de in de eerste prejudiciële vraag beoogde categorieën van diensten. Die gelijke behandeling heeft volgens hen ook verregaande negatieve gevolgen voor de uitbaters van diensten van niet- dringend ziekenvervoer, daar zij boven op de investeringen inzake de uitrusting van hun voertuigen en de opleiding van hun personeel, ook nog een vergunning moeten verkrijgen voor diensten voor individueel bezoldigd personenvervoer, een jaarlijkse gemeenteretributie moeten betalen, voor elk personeelslid een bestuurderspas moeten verkrijgen tegen betaling van een retributie, en moeten beantwoorden aan de voorwaarden inzake exploitatie en transparantie van de tarifering en aan de bijkomende voorwaarden opgelegd door de gemeente. A.8. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, doen de beklaagden voor het verwijzende rechtscollege gelden dat de in het geding zijnde bepalingen een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen vergelijkbare categorieën van diensten, namelijk de diensten voor niet-dringend zittend ziekenvervoer, enerzijds, en de diensten voor niet-dringend liggend ziekenvervoer, anderzijds. Terwijl de diensten voor niet-dringend liggend ziekenvervoer worden uitgesloten van het toepassingsgebied van het decreet van 29 maart 2019, vallen de diensten voor niet-dringend zittend ziekenvervoer wel onder dat toepassingsgebied. Zij zetten uiteen dat beide categorieën van ziekenvervoer worden uitgevoerd door erkende ambulanciers, bovendien vaak met dezelfde ambulances, en zijn van mening dat er geen fundamenteel verschil is tussen beide categorieën. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 18 mei 2018 leiden zij af dat het niet-dringend zittend ziekenvervoer niet bij dat decreet werd geregeld louter omdat de vrees bestond dat door het alsnog opnemen van dat vervoer in het decreet, het aannemen van dat decreet zou worden vertraagd, wat volgens hen geen pertinente verantwoording kan vormen om ambulancediensten te kwalificeren als taxi’s wanneer zij niet-dringend zittend ziekenvervoer uitvoeren. Bovendien heeft de Vlaamse decreetgever in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 20 april 2001 erkend dat het niet-dringend zittend ziekenvervoer niet als een taxidienst kan worden beschouwd. -B- B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de regeling, in het Vlaamse Gewest, van het niet-dringend zittend ziekenvervoer. 6 Het niet-dringend ziekenvervoer dient te worden onderscheiden van het dringend ziekenvervoer, dat wordt geregeld bij de wet van 8 juli 1964 « betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening ». Volgens artikel 1 van die wet wordt onder dringende geneeskundige hulpverlening verstaan : het onmiddellijk verstrekken van aangepaste hulp aan alle personen van wie de gezondheidstoestand ten gevolge van een ongeval, een plotse aandoening of een plotse verwikkeling van een ziekte een dringende tussenkomst vereist na een oproep via het eenvormig oproepstelsel waardoor de hulpverlening, het vervoer en de opvang in een aangepaste ziekenhuisdienst worden verzekerd. In het kader van het niet-dringend ziekenvervoer wordt een onderscheid gemaakt tussen het liggend en het zittend ziekenvervoer. B.2. De prejudiciële vragen betreffen de artikelen 2, 5°, b), 4 en 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 29 maart 2019 « betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer » (hierna : het decreet van 29 maart 2019). Artikel 2, 4° en 5°, van het decreet van 29 maart 2019 bepaalt : « In dit decreet wordt verstaan onder : [...] 4° bezoldigd personenvervoer : het vervoer van personen waarvoor een vergoeding wordt gevraagd die hoger is dan de vervoersonkosten; 5° diensten voor individueel bezoldigd personenvervoer : de diensten voor bezoldigd personenvervoer met voertuigen met een bestuurder die aan al de volgende eisen voldoen :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.