← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.172

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.172 Arrest- Rolnummer: 172/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-22 Raadplegingen: 603 - laatst gezien 2026-06-17 20:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 78 van het Strafwetboek, gesteld door het Hof van beroep te Luik. Strafrecht - Misdrijven - Diefstal - Verschoningsgrond - Niet-gewelddadige ecologische burgerlijke ongehoorzaamheid Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 172/2025 van 11 december 2025 Rolnummer : 8421 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 78 van het Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 9 januari 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 januari 2025, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel 78 van het Strafwetboek strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook met het beginsel van de habeas corpus, in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 23 van de Grondwet en artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet de mogelijkheid biedt om, in het kader van een strikte evenredigheidstoetsing, de strafrechtelijke aansprakelijkheid te onderzoeken van personen die worden vervolgd voor handelingen die tot doel hebben de publieke opinie te waarschuwen voor het spoedeisende karakter van de klimaatverandering, en die zich beroepen op niet- gewelddadige ecologische burgerlijke ongehoorzaamheid als verschoningsgrond op basis van hun recht op vrijheid van meningsuiting ? ». Memories zijn ingediend door : - P.B., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Simon Haan, advocaat bij de balie Luik-Hoei; 2 - X.J., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Karolin Arari-Dhont, advocate bij de balie Luik-Hoei; - N.D., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Olivier Moureau en mr. Charlotte Séaux, advocaten bij de balie Luik-Hoei; - de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Robin Bronlet en mr. Annelies Nachtergaele, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - de vzw « Amnesty International Belgique francophone » en de vzw « Amnesty International Vlaanderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Joanna Callewaert, advocate bij de balie te Brussel (tussenkomende partijen); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré, mr. Germain Haumont en mr. Alice Collin, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 8 oktober 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Drie personen worden vervolgd omdat zij twee reclameaffiches hebben gestolen met de bedoeling er een slogan op te schrijven en ze te gebruiken in het kader van een betoging tegen het huidige beleid dat elektrische voertuigen promoot. Bij een vonnis van 14 december 2023 verklaart de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik, die tenlasteleggingen bewezen maar erkent zij het bestaan van een strafuitsluitende verschoningsgrond die wordt afgeleid uit het recht op vrijheid van meningsuiting. De beklaagden en het openbaar ministerie stellen verschillende hogere beroepen in tegen het voormelde vonnis. Bij een arrest van 9 januari 2025 oordeelt het Hof van Beroep te Luik dat het de redenering van de Rechtbank van eerste aanleg niet kan volgen waarbij een strafuitsluitende verschoningsgrond wordt opgebouwd waarvan de draagwijdte enorme gevolgen zou kunnen teweegbrengen. Uit artikel 78 van het Strafwetboek blijkt immers dat strafuitsluitende verschoningen worden bepaald bij de wet, zelfs indien die ruim moeten kunnen worden geïnterpreteerd door de rechter in zoverre zij gunstig zijn voor de beklaagde. Het Hof van Beroep te Luik merkt op dat het Hof van Cassatie, in een uiterst specifiek geval, op bepaalde feiten een verschoningsgrond heeft toegepast die rechtstreeks is afgeleid uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Te dezen beogen de beklaagden hun acties te laten passen in de precieze context waarin een weinig ambitieus klimaatbeleid, dat de mensenrechten in gevaar brengt, wordt aangeklaagd. Zij beroepen zich in het bijzonder op de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, via niet-gewelddadige ecologische ongehoorzaamheid. 3 Volgens het Hof van Beroep te Luik kunnen de misdrijven die in het kader van het gebruik van de vrijheid van meningsuiting worden gepleegd, worden bestraft met toepassing van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met toepassing van artikel 19 van de Grondwet. Het wenst zijn redenering desalniettemin te laten aansluiten bij de stroming waartoe het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de aanzet heeft gegeven en waarbij de nationale rechtscolleges worden verzocht een antwoord te bieden op het spoedeisende karakter van de dreiging die wordt veroorzaakt door de klimaatverandering. Het Hof van Beroep vestigt ook de aandacht op het feit dat artikel 23 van de Grondwet het recht waarborgt om een menswaardig leven te leiden, hetgeen de burgers beschermt tegen een vermindering van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu. In de context die voorafgaat, stelt het Hof van Beroep te Luik vast dat artikel 78 van het Strafwetboek de strafrechter niet toelaat om over te gaan tot een evenredigheidstoets teneinde de strafbare feiten te beoordelen die zijn gepleegd door milieuactivisten die zich op de uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting beroepen, zelfs in het geval waarin hun acties in een dwingende maatschappelijke behoefte zouden voorzien. Bijgevolg stelt het Hof van Beroep, alvorens uitspraak te doen over de grond van de hogere beroepen, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.

  1. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege merken op dat artikel 78 van het Strafwetboek, in het kader van de voorliggende prejudiciële vraag, in die zin wordt geïnterpreteerd dat de term « wet » die in die bepaling wordt vermeld, niet de supranationale bepalingen met rechtstreekse werking zou omvatten. Zij preciseren dat ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, enerzijds, de vervolgde personen wier handelingen een verschoningsgrond genieten bij een interne wetsbepaling die ertoe strekt de straf kwijt te schelden of te verminderen op grond van artikel 78 van het Strafwetboek, moeten worden vergeleken met, anderzijds, de personen die worden vervolgd voor handelingen die tot doel hebben de publieke opinie te waarschuwen voor het spoedeisende karakter van de klimaatverandering en die zich beroepen op niet-gewelddadige ecologische burgerlijke ongehoorzaamheid, die geen verschoningsgrond zouden kunnen genieten. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat die situaties vergelijkbaar zijn in zoverre zij betrekking hebben op strafvervolging. Bovendien werden de strafrechtelijke misdrijven te dezen gepleegd in omstandigheden waarin de beklaagden aan onterechte druk waren onderworpen of een legitiem belang nastreefden dat hun persoonlijk profijt te buiten ging. Volgens de appellanten voor het verwijzende rechtscollege maakt geen enkel objectief element het mogelijk om het voormelde verschil in behandeling te verantwoorden ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel, dat erin bestaat de straf te verminderen of kwijt te schelden door een verschoningsgrond, om redenen van strafrechtelijk beleid of maatschappelijk nut. De vervolging die aan de oorsprong van de verwijzingsbeslissing ligt, heeft net betrekking op daden van niet-gewelddadige burgerlijke ongehoorzaamheid die ertoe strekken ideeën tot uitdrukking te brengen die worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting, hetgeen bijdraagt tot het publieke debat, het pluralisme en de verspreiding van informatie. Het gaat om een vrije verspreiding van ideeën die een van de pijlers van een democratische samenleving uitmaakt, hetgeen uiteraard een maatschappelijk nut nastreeft. Bovendien merken de appellanten voor het verwijzende rechtscollege op dat de wetgever niet de bedoeling heeft de mogelijkheid uit te sluiten om uit artikel 78 van het Strafwetboek een verschoningsgrond af te leiden die voortvloeit uit een supranationale bepaling met rechtstreekse werking, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van het nieuwe Strafwetboek. De appellanten preciseren ook dat de niet-toepasbaarheid van een verschoningsgrond die voortvloeit uit een supranationale bepaling, zou leiden tot een onevenredige inperking van de rechten van vervolgde personen, aangezien de bepalingen die gunstig zijn voor hen, met inbegrip van de verschoningsgronden, ruim moeten worden geïnterpreteerd door de strafrechter. A.1.
  2. Wat de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de vrijheid van meningsuiting betreft, merken de appellanten voor het verwijzende rechtscollege op dat handelingen die tot doel hebben de publieke opinie te waarschuwen voor het spoedeisende karakter van de klimaatverandering, worden beschermd door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de in die bepaling bedoelde waarborgen dus genieten. Bijgevolg vormt artikel 78 van het Strafwetboek, in de door het verwijzende rechtscollege 4 voorgestelde interpretatie, een inmenging in de vrijheid van meningsuiting die de voorwaarden in acht moet nemen die zijn vastgesteld bij de voormelde verdragsbepaling. In dat verband voeren de appellanten aan dat de in het geding zijnde bepaling onvoldoende nauwkeurig en toegankelijk is in zoverre zij op generieke wijze verwijst naar de « wet », hetgeen zowel naar nationale als naar internationale bepalingen kan verwijzen. Bijgevolg kan de rechtzoekende niet in redelijke mate de gevolgen voorzien die kunnen zijn verbonden aan handelingen die tot doel hebben de publieke opinie te waarschuwen voor het spoedeisende karakter van de klimaatverandering. Bovendien voeren de appellanten voor het verwijzende rechtscollege, op grond van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot burgerlijke ongehoorzaamheid, aan dat het kennelijk onevenredig is de strafrechter te verbieden om rekening te houden met het feit dat het misdrijf werd gepleegd naar aanleiding van het uiten van een mening in een dermate belangrijk debat van algemeen belang als de bescherming van het leefmilieu. Bijgevolg is de in het geding zijnde bepaling, in de door het verwijzende rechtscollege voorgestelde interpretatie, niet noodzakelijk in een democratische samenleving en beperkt zij de vrijheid van meningsuiting op onevenredige wijze, buiten de beoordelingsvrijheid die wordt gelaten aan de Staten die partij zijn bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In de interpretatie volgens welke artikel 78 van het Strafwetboek de strafrechter toelaat om de strafrechtelijke aansprakelijkheid te onderzoeken van de beklaagden die de publieke opinie beogen te waarschuwen voor het spoedeisende karakter van de klimaatverandering, door een verschoningsgrond op basis van de vrijheid van meningsuiting in aanmerking te nemen, schendt die bepaling echter noch artikel 19 van de Grondwet, noch artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.2.
  3. De vzw « Ligue des droits humains » meent dat zij doet blijken van een belang om tussen te komen op grond van artikel 87 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Zij preciseert dat, met toepassing van de rechtspraak van het Hof, de schending van een grondrecht ipso facto een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie uitmaakt. Bovendien vormen artikel 19 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een onlosmakelijk geheel. De tussenkomende partij merkt ook op dat artikel 23 van de Grondwet, dat het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu waarborgt, pertinent is om de prejudiciële vraag te beantwoorden. In dat kader moeten de in de prejudiciële vraag aangehaalde referentiebepalingen worden gelezen in het licht van artikel 3, lid 8, van het Verdrag van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Met toepassing van die bepalingen dient de strafrechter rekening te houden met het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu bij zijn onderzoek van de noodzakelijkheid en de evenredigheid dat ertoe strekt te bepalen of vervolging, een veroordeling en een sanctie een onwettige inmenging in de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting van de vervolgde persoon uitmaken. Bijgevolg vormt het feit dat werd actiegevoerd ten gunste van de bescherming van het leefmilieu een element waarmee rekening moet worden gehouden bij de afweging van de omstandigheden van de zaak, in die zin dat het de rechter ertoe moet brengen blijk te geven van extra terughoudendheid bij de toepassing van het strafrecht. A.2.
  4. De tussenkomende partij beweert dus dat de strafrechter, in het kader van zijn toetsing, de noodzakelijkheid en de evenredigheid van de inmenging dient te onderzoeken indien het strafrecht wordt toegepast op het uiten van een mening. Naargelang van alle omstandigheden van de zaak dient de rechter de strafvordering onontvankelijk te verklaren of, in ondergeschikte orde, de vrijspraak uit te spreken, met toepassing van een rechtvaardigingsgrond die is gebaseerd op de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, de toepassing van een strafuitsluitende of strafverminderende verschoningsgrond te aanvaarden, of een sanctie op te leggen die evenredig is met de aard van het misdrijf, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak. De tussenkomende partij merkt op dat artikel 78 van het Strafwetboek niet in de weg kan staan aan de verplichting om het voormelde onderzoek uit te voeren, die voortvloeit uit artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en uit artikel 19 van de Grondwet. Bijgevolg is de in het geding zijnde bepaling, in de door het verwijzende rechtscollege voorgestelde interpretatie, in strijd met de in de prejudiciële vraag aangehaalde referentiebepalingen. A.2.
  5. De tussenkomende partij merkt evenwel op dat het mogelijk is om een conforme interpretatie van de in het geding zijnde bepaling in aanmerking te nemen. Die moet immers in die zin worden geïnterpreteerd dat zij geen enkele afwijking in het leven roept van de verplichting die op de strafrechter rust om de overeenstemming met de vrijheid van meningsuiting te onderzoeken wanneer een persoon zich op dat grondrecht beroept, en dat zij die rechter niet verhindert om de strafvordering onontvankelijk te verklaren, noch om de vrijspraak uit te spreken of de straf te verminderen. 5 De tussenkomende partij preciseert eveneens dat een internrechtelijke bepaling, zoals artikel 78 van het Strafwetboek, geen uitzondering in het leven kan roepen op hogere normen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen en dat de in de in het geding zijnde bepaling vermelde term « wet » noodzakelijkerwijs betrekking heeft op de Grondwet en op de bepalingen van internationaal verdragsrecht met rechtstreekse werking. A.3.
  6. De vzw « Amnesty International Belgique Francophone » en de vzw « Amnesty International Vlaanderen » menen dat zij doen blijken van een belang om tussen te komen met toepassing van artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari
  7. A.3.
  8. De tussenkomende partijen beweren dat, in het kader van het antwoord dat op de prejudiciële vraag moet worden gegeven, rekening moet worden gehouden met het feit dat de beperkingen van de vrijheid van meningsuiting, van gedachte, van geweten en van godsdienst en van de vrijheid van vreedzame vergadering zo restrictief mogelijk moeten worden geïnterpreteerd. Zij preciseren dat het beroep op het strafrecht, dat kan leiden tot aanhoudingen, vervolging, een veroordeling en sancties, om een antwoord te bieden op vreedzame daden van burgerlijke ongehoorzaamheid, in overeenstemming moet zijn met het beginsel van minimale interventie, dat van de Staten vereist dat zij enkel als ultiem redmiddel gebruikmaken van repressieve maatregelen, wanneer er geen minder ingrijpende maatregelen bestaan om een legitiem openbaar belang te beschermen. Te dezen, teneinde het noodzakelijke en evenredige karakter van elke beperking van de vrijheid van meningsuiting en van de vrijheid van vreedzame vergadering te waarborgen, moet worden geoordeeld dat de gewetensgronden waarvoor personen daden van burgerlijke ongehoorzaamheid stellen en het openbaar belang dat zij kunnen nastreven wanneer zij de wet overtreden, naar behoren moeten worden weergegeven in de beslissingen met betrekking tot de strafvervolging, de aansprakelijkheid en de sancties. Wanneer personen strafrechtelijk worden vervolgd omdat zij hebben deelgenomen aan daden van burgerlijke ongehoorzaamheid, zouden zij zich moeten kunnen beroepen op wettelijke verweermiddelen, hetgeen hen zou kunnen ontheffen van hun strafrechtelijke aansprakelijkheid of de opgelegde sancties zou kunnen verzachten. In dat verband dienen, wanneer de beklaagde zich op een onevenredige aantasting van zijn vrijheid van meningsuiting beroept bij de verdediging van een openbaar belang zoals de bescherming van het leefmilieu, de noodzakelijkheid en de evenredigheid van die aantasting te worden onderzocht, zo niet zou de door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en door artikel 19 van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van meningsuiting worden geschonden. A.4.
  9. In hoofdorde merkt de Ministerraad op dat de prejudiciële vraag op het postulaat berust dat het Strafwetboek geen enkele rechtvaardigingsgrond bevat die het mogelijk maakt om de situatie waarin de appellanten voor het verwijzende rechtscollege zich bevinden, te omvatten. Dat rechtscollege is inzonderheid van oordeel dat artikel 71 van het Strafwetboek, dat betrekking heeft op de onweerstaanbare dwang, niet van toepassing is. Bovendien zal de in het geding zijnde bepaling, bij de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek, worden vervangen door artikel 33 van hetzelfde Wetboek, dat, zoals in de parlementaire voorbereiding van die nieuwe bepaling wordt beklemtoond, geen absolute interpretatie van het formele wettigheidsbeginsel oplegt. De erkenning van verschoningsgronden waarin niet uitdrukkelijk in de wet is voorzien, kan immers worden overwogen wanneer de grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, op het spel staan. Bijgevolg kan de strafrechter rekening houden met de bescherming die wordt verleend door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens om de strafrechtelijke aansprakelijkheid te beoordelen van milieuactivisten die lichtere misdrijven hebben gepleegd in het kader van een protestactie. Daartoe dient hij de aanwezige rechten en belangen tegen elkaar af te wegen in het kader van een grondige evenredigheidstoets. Volgens de Ministerraad behoeft de prejudiciële vraag dus geen antwoord, aangezien artikel 71 van het Strafwetboek het via de onweerstaanbare dwang mogelijk maakt om rekening te houden met de waarborgen die voortvloeien uit de vrijheid van meningsuiting. A.4.
  10. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Hij brengt allereerst in herinnering dat de vrijheid van meningsuiting niet absoluut is en dat zij het voorwerp kan uitmaken van strafvervolging, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof. Te dezen beperkt de in het geding zijnde bepaling zich ertoe erin te voorzien dat strafrechtelijke misdrijven niet worden verschoond, behalve in de bij de wet bepaalde gevallen. In het kader van de vrijheid van meningsuiting herinnert die bepaling enkel aan het beginsel dat is vastgelegd door de rechtspraak van het Hof. Wat de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie betreft, merkt de Ministerraad op dat de categorieën van personen die met elkaar moeten worden vergeleken, niet worden geïdentificeerd in de prejudiciële vraag, zodat de draagwijdte ervan volledig betrekking lijkt te hebben op de vrijheid van meningsuiting. Bovendien brengt de in het geding zijnde bepaling, wat de 6 aangevoerde schending van artikel 23 van de Grondwet betreft, geen aanzienlijke achteruitgang van het niveau van bescherming van een gezond leefmilieu met zich mee. A.4.
  11. In uiterst ondergeschikte orde beweert de Ministerraad dat de ongrondwettigheid niet haar oorsprong vindt in de in het geding zijnde bepaling maar in de ontstentenis van een specifieke strafrechtelijke bepaling en dat het aan de wetgever staat die ongrondwettigheid te verhelpen. -B- B.1.
  12. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 78 van het Strafwetboek, dat bepaalt : « Geen misdaad of wanbedrijf is verschoonbaar dan in de gevallen bij de wet bepaald ». B.1.
  13. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met het beginsel van de habeas corpus, in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 23 van de Grondwet en met artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, « in zoverre [zij] niet de mogelijkheid biedt om, in het kader van een strikte evenredigheidstoetsing, de strafrechtelijke aansprakelijkheid te onderzoeken van personen die worden vervolgd voor handelingen die tot doel hebben de publieke opinie te waarschuwen voor het spoedeisende karakter van de klimaatverandering, en die zich beroepen op niet-gewelddadige ecologische burgerlijke ongehoorzaamheid als verschoningsgrond op basis van hun recht op vrijheid van meningsuiting ». B.1.
  14. De feiten die aan de oorsprong van de verwijzingsbeslissing liggen, hebben betrekking op beklaagden die worden vervolgd op grond van de artikelen 461, eerste lid, en 463, eerste lid, van het Strafwetboek, omdat zij, ten nadele van een privépersoon, twee reclameaffiches voor auto’s hebben gestolen om ze te gebruiken bij een latere betoging tegen « het huidige beleid dat elektrische voertuigen promoot ». Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. 7 B.2.
  15. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden. B.2.
  16. Wanneer een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt aangevoerd, moet in de regel worden gepreciseerd welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling teweegbrengt dat discriminerend zou zijn. Wanneer echter een schending wordt aangevoerd van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met een ander grondrecht, dat in voorkomend geval voortvloeit uit een internationaal verdrag dat België bindt, volstaat het te preciseren in welk opzicht dat grondrecht is geschonden. De categorie van personen van wie dat grondrecht is geschonden, moet immers worden vergeleken met de categorie van personen voor wie dat grondrecht is gewaarborgd. B.2.
  17. Artikel 19 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ». Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
  18. Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet dat Staten radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
  19. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ‘s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen ». 8 B.2.
  20. In zoverre het recht op vrijheid van meningsuiting daarin wordt erkend, heeft artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 19 van de Grondwet, waarin de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, wordt erkend. De bij die bepalingen geboden waarborgen vormen derhalve, in die mate, een onlosmakelijk geheel. B.3.
  21. Artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet waarborgt het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder redelijke verantwoording. Noch de bewoordingen van de prejudiciële vraag, noch de motieven van de verwijzingsbeslissing geven aan in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling een aanzienlijke achteruitgang zou teweegbrengen van het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving. B.3.
  22. Het beginsel van de habeas corpus is nauw verbonden met de vrijheid van de persoon die wordt gewaarborgd door artikel 12 van de Grondwet en door artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, waarover te dezen evenwel geen vraag wordt gesteld aan het Hof. B.3.
  23. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord in zoverre zij betrekking heeft op artikel 23 van de Grondwet en op het beginsel van de habeas corpus. B.
  24. De door de vrijheid van meningsuiting geboden bescherming beperkt zich niet tot woorden of tot geschriften, aangezien de ideeën en de mening van een persoon kunnen worden uitgedrukt via een handelwijze of een gedrag (EHRM, 13 oktober 2022, Bouton t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2022:1013JUD002263619, § 30; 20 juni 2024, Friedrich e.a. t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2024:0620JUD002534420, § 248), met name naar aanleiding van een gemeenrechtelijk misdrijf dat opzettelijk is gepleegd om een mening en een overtuiging inzake 9 de bestrijding van klimaatverandering uit te drukken (EHRM, 3 juli 2025, Ludes e.a. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2025:0703JUD004089922, §§ 88-89). Artikel 19 van de Grondwet bepaalt uitdrukkelijk dat het niet in de weg staat aan de bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van de erin vermelde vrijheden worden gepleegd. Ook artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens staat bepaalde beperkingen toe, met name ter bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten en ter bescherming van de rechten van anderen, zoals het eigendomsrecht (gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol). Bij een dergelijke inmenging in de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting moet worden nagegaan of in die inmenging wordt voorzien bij de wet, of zij een legitiem doel of legitieme doelstellingen nastreeft ten aanzien van artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en of zij noodzakelijk blijkt in een democratische samenleving (EHRM, 3 juli 2025, Ludes e.a. t. Frankrijk, voormeld, § 90). B.5.
  25. Zoals in B.1.3 is vermeld, strekten de door de appellanten voor het verwijzende rechtscollege gepleegde misdrijven ertoe de goederen die bedrieglijk waren weggenomen van een ander, te gebruiken naar aanleiding van een betoging die past in het kader van de bestrijding van klimaatverandering. Het staat aan het verwijzende rechtscollege om vast te stellen of de feiten die aan de verwijzingsbeslissing ten grondslag liggen, opzettelijk werden gepleegd om een mening en een overtuiging uit te drukken die vallen onder de door artikel 19 van de Grondwet en door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geboden bescherming, en of het instellen van strafvervolging tegen de appellanten voor het verwijzende rechtscollege een inmenging in de uitoefening van die vrijheid vormt. B.5.
  26. In de voormelde inmenging wordt voorzien bij de wet, in het bijzonder in de artikelen 461, eerste lid, en 463, eerste lid, van het Strafwetboek. Bovendien streeft zij minstens een van de legitieme doelstellingen na die in artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zijn opgesomd, namelijk « de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten ». 10 B.6.
  27. Wat de voorwaarde van noodzakelijkheid van de inmenging betreft, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, bij zijn voormelde arrest van 3 juli 2025, geoordeeld : «
  28. Om de pertinentie en de toereikendheid te beoordelen van de conclusies waartoe de nationale rechtscolleges zijn gekomen, houdt het Hof, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, rekening met de wijze waarop die laatste de op het spel staande tegenstrijdige belangen tegen elkaar hebben afgewogen in het licht van zijn vaste rechtspraak ter zake (zie Erla Hlynsdottir t. IJsland (nr. 2), nr. 54125/10, § 54, 21 oktober 2014, en Ergündoğan t. Turkije, nr. 48979/10, § 24, 17 april 2018). Het Hof brengt in herinnering dat de kwaliteit van de rechterlijke controle van de noodzakelijkheid van de maatregel bijzonder belangrijk is in de context van de beoordeling van de evenredigheid vanuit de invalshoek van artikel 10 van het Verdrag (zie Animal Defenders International t. Verenigd Koninkrijk [GC], nr. 48876/08, § 108, EHRM 2013 (uittreksels)). Aldus kan de ontstentenis van een daadwerkelijke jurisdictionele toetsing van de in het geding zijnde maatregel een vaststelling van schending van artikel 10 verantwoorden (Matúz t. Hongarije, nr. 73571/10, § 35, 21 oktober 2014, Ergündoğan, reeds aangehaald, ibidem).
  29. Ten slotte beklemtoont het Hof dat de aard en de zwaarte van de opgelegde straffen elementen zijn waarmee rekening moet worden gehouden wanneer de evenredigheid van de inmenging moet worden bepaald. In dat verband heeft het, in de context van de zaken met betrekking tot artikel 10 van het Verdrag, dikwijls kunnen beklemtonen dat de uitspraak van een strafrechtelijke veroordeling een van de ergste vormen van inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting uitmaakte. De nationale instanties moeten blijk geven van terughoudendheid wanneer zij gebruikmaken van de strafrechtelijke weg, in het bijzonder met betrekking tot de uitspraak van een gevangenisstraf die een bijzonder ontradend karakter heeft wat de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting betreft (Mariya Alekhina en anderen, reeds aangehaald, § 227, Bouton, reeds aangehaald, §§ 46 en 53). Het relatief gematigde karakter van een geldboete volstaat op zich niet om het risico van een ontradend effect ten aanzien van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting te doen verdwijnen (Mor t. Frankrijk, nr. 28198/09, § 61, 15 december 2011, met de verwijzingen die erin worden aangehaald).
  30. Wat meer in het bijzonder de bescherming van het politieke debat betreft, brengt het Hof in herinnering dat artikel 10, lid 2, van het Verdrag nauwelijks ruimte laat voor beperkingen van de vrijheid van meningsuiting op het gebied van het politieke discours. In een democratische samenleving is het fundamenteel dat het vrije spel van het politieke debat wordt verdedigd en het Hof hecht het grootste belang aan de vrijheid in de context van het politieke debat. Daaruit vloeit voort dat de beoordelingsvrijheid waarover de overheden beschikken om te oordelen over de ‘ noodzakelijkheid ’ van een in die context in het geding zijnde maatregel, dus ‘ bijzonder beperkt ’ is (Sanchez t. Frankrijk, reeds aangehaald, § 146 en de aangehaalde verwijzingen, Glukhin, reeds aangehaald, § 51) ». B.6.
  31. In dat kader vormt de bescherming van het leefmilieu een onderwerp van algemeen belang dat in beginsel een hoog beschermingsniveau geniet (EHRM, 7 november 2006, Mamère t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2006:1107JUD001269703, § 20; grote kamer, 11 22 april 2013, Animal Defenders International t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0422JUD004887608). Daarenboven heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn advies van 13 juli 2022 verklaard : « […] De bescherming van het leefmilieu, in ruime zin, en, in dat kader, de specifiekere bescherming van de natuur en van de bossen, van bedreigde soorten, van de biologische rijkdommen, van het erfgoed of van de volksgezondheid behoren tot de doelstellingen die vandaag worden geacht onder het ‘ algemeen belang ’ te vallen krachtens het Verdrag (zie, onder meer, Yașar t. Roemenië, nr. 64863/13, § 59, 26 november 2019, O’Sullivan McCarthy Mussel Development Ltd t. Ierland, nr. 44460/16, § 109, 7 juni 2018, Kristiana Ltd. t. Litouwen, nr. 36184/13, §§ 104-105, 6 februari 2018, Matczyński t. Polen, nr. 32794/07, §§ 104-106, 15 december 2015, Lazaridi t. Griekenland, nr. 31282/04, § 34, 13 juli 2006, en Ansay en anderen t. Turkije (besl.), nr. 49908/99, 2 maart 2006). Het Hof heeft kunnen beklemtonen dat, zelfs indien geen enkele bepaling van het Verdrag in het bijzonder bestemd is om een algemene bescherming van het leefmilieu als dusdanig te verzekeren (Kyrtatos t. Griekenland, nr. 41666/98, § 52, EHRM 2003-VI), de verantwoordelijkheid van de overheden ter zake concreet gestalte zou moeten krijgen door hun optreden op het gepaste ogenblik, teneinde de milieubeschermende bepalingen die zij hebben beslist uit te voeren, niet nutteloos te maken (Hamer t. België, nr. 21861/03, § 79, EHRM 2007-V; zie ook S.C. Fiercolect Impex S.R.L. t. Roemenië, nr. 26429/07, § 65, 13 december 2016, Nane en anderen t. Turkije, nr. 41192/04, § 24, 24 november 2009, en Bahia Nova S.A. t. Spanje (besl.), nr. 50924/99, 12 december 2000) » (EHRM, advies van 13 juli 2022 betreffende het verschil in behandeling tussen de eigenaarsverenigingen « waarvan het bestaan is erkend op de oprichtingsdatum van een erkende gemeentelijke jachtvereniging » en de eigenaarsverenigingen die later werden opgericht, P16-2021-002, § 80). Bovendien werd het belang van de verplichtingen die rusten op de Staten met toepassing van het internationaal verdrags- en gewoonterecht inzake de bescherming van het klimaatsysteem en andere componenten van het leefmilieu tegen de antropogene emissies van broeikasgassen, beklemtoond door het Internationaal Gerechtshof (CIJ, advies van 23 juli 2025 betreffende de verplichtingen van de Staten inzake klimaatverandering). B.6.
  32. Daaruit volgt dat de nationale overheden over een bijzonder beperkte beoordelingsvrijheid beschikken en blijk moeten geven van terughoudendheid met betrekking tot het gebruik van de strafrechtelijke weg in het kader van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting die te dezen past in het kader van de bestrijding van klimaatverandering. In het geval waarin strafrechtelijke procedures worden ingesteld ingevolge die uitoefening, is de strafrechter gehouden tot een evenredigheidstoets van de inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting. 12 B.
  33. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de onmogelijkheid voor de strafrechter om de voormelde evenredigheidstoets te verrichten met toepassing van de in het geding zijnde bepaling. B.8.
  34. Bij zijn voormelde arrest van 3 juli 2025 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens op zich niet eraan in de weg staat dat strafvervolgingen worden gericht tegen milieuactivisten ingevolge een diefstal die is bestemd om de publieke opinie wakker te schudden en de bevolking bewust te maken van de nefaste gevolgen van de klimaatverandering (§§ 87-119). B.8.
  35. Artikel 78 van het Strafwetboek voorziet erin dat de verschoningsgronden worden bepaald bij de wet. Volgens het verwijzende rechtscollege voorziet geen enkele internrechtelijke wetsbepaling in een strafuitsluitende of strafverminderende verschoningsgrond wanneer het misdrijf is bestemd om de publieke opinie te waarschuwen voor het spoedeisende karakter van de klimaatverandering, via « niet-gewelddadige ecologische burgerlijke ongehoorzaamheid ». Het Hof beantwoordt de vraag in de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling die het verwijzende rechtscollege aan het Hof voorlegt. B.8.
  36. De in B.6.3 vermelde evenredigheidstoets, die moet worden verricht door de strafrechter, kan worden uitgevoerd in het kader van de toepassing van andere strafrechtelijke bepalingen. Allereerst, op algemene wijze, moet de rechter het beginsel van evenredigheid van de straffen eerbiedigen en er derhalve over waken dat hij een straf oplegt die evenredig is aan de ernst van het strafbare gedrag. Daarenboven moet de rechter zijn keuze voor de straf die hij wenst op te leggen, motiveren. In dat verband kan de rechter, naargelang van het voorliggende geval, een sanctie binnen voldoende ruime marges van straffen kiezen. Artikel 463, eerste lid, van het Strafwetboek 13 preciseert dat het misdrijf van diefstal wordt bestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 26 tot 500 euro. Bovendien kunnen de bepaalde straffen worden verminderd in geval van verzachtende omstandigheden die, in tegenstelling tot de verschoningsgronden, niet limitatief zijn opgesomd in de wet, maar aan het vrije oordeel van de rechter worden overgelaten (artikelen 79 en volgende van het Strafwetboek). In dat geval kan de rechter de duur van de gevangenisstraf en het bedrag van de geldboete verminderen; hij kan ook een van die straffen afzonderlijk toepassen (artikel 85 van het Strafwetboek). Ten slotte kan de rechter zich, naargelang van de omstandigheden van de zaak, beperken tot de opschorting van de uitspraak van de veroordeling of tot het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf (artikelen 3 en 8 van de wet van 29 juni 1964 « betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie »). B.8.
  37. Daarenboven, zoals de Ministerraad beklemtoont, heeft het Hof van Cassatie aanvaard dat een verschoningsgrond kan voortvloeien uit de rechten en vrijheden die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Cass., 6 januari 1998, ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980106.5). B.
  38. Bijgevolg is artikel 78 van het Strafwetboek bestaanbaar met artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 78 van het Strafwetboek schendt niet artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 11 december
  39. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.172 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980106.5 ECLI:CE:ECHR:2006:1107JUD001269703 ECLI:CE:ECHR:2013:0422JUD004887608 ECLI:CE:ECHR:2022:1013JUD002263619 ECLI:CE:ECHR:2024:0620JUD002534420 ECLI:CE:ECHR:2025:0703JUD004089922 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.014 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.