id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.173 Arrest- Rolnummer: 173/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-22 Raadplegingen: 347 - laatst gezien 2026-06-17 18:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 42, vijfde lid, van de wet van 27 juni 1969 « tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent. Sociaal recht - Sociale zekerheid - RSZ - Onderwerping aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers - Weigeringsbeslissing - Beroepstermijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 173/2025 van 11 december 2025 Rolnummer : 8426 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 42, vijfde lid, van de wet van 27 juni 1969 « tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 23 januari 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 februari 2025, heeft de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 42, alinea 5 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 25 juli 1969, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verschil in behandeling creëert tussen : - De werknemer die een termijn van 3 maanden heeft teneinde beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de Rijksdienst van de Sociale Zekerheid tot weigering van onderwerping van een werknemer aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, terwijl, - De werkgever over een termijn van 10 jaar beschikt om beroep aan te tekenen tegen diezelfde beslissing van de Rijksdienst van de Sociale Zekerheid ? ». 2 Memories zijn ingediend door : - Nancy Neirynck, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Gabriël De Vos, advocaat bij de balie te Gent; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pierre Slegers, mr. Margaux Kerkhofs en mr. Julien Jouve, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 8 oktober 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege was werkzaam bij de bv « S. CREATION » tot het faillissement van die vennootschap in
- Naar aanleiding van dat faillissement werd door de sociale- inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna : de RSZ) een onderzoek geopend ten aanzien van die vennootschap. Uit dat onderzoek blijkt volgens de RSZ dat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege door de bv « S. CREATION » van 4 februari 2015 tot 31 maart 2019 ten onrechte is onderworpen aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. Op 20 maart 2020 heeft de RSZ beslist om voor de niet- verjaarde periode van het eerste kwartaal van 2017 tot het eerste kwartaal van 2019 de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege ambtshalve te schrappen uit het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. Bij verzoekschrift op tegenspraak dat is neergelegd ter griffie op 4 oktober 2023 heeft de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege beroep aangetekend tegen die beslissing van de RSZ. Alvorens uitspraak te doen over dat beroep, acht de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent, het noodzakelijk om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.
- De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Zij werpt op dat voor werknemers de gevolgen van een uitsluitingsbeslissing vaak pas na jaren concreet worden. Zo genoot zij van 17 mei 2019 tot 31 januari 2022 probleemloos werkloosheidsuitkeringen. Slechts nadat zij op 17 oktober 2022 een nieuwe aanvraag deed voor werkloosheidsuitkeringen, werd zij geconfronteerd met een beslissing die haar uitsloot van het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 17 mei 2019 en die de vanaf die datum betaalde bedragen terugvorderde. Gelet 3 daarop kan volgens haar niet redelijk worden verantwoord dat werknemers over een korte beroepstermijn van drie maanden beschikken, terwijl werkgevers tien jaar hebben om dezelfde vordering in te stellen. A.2.
- De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hij voert allereerst aan dat werknemers en werkgevers ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling geen vergelijkbare categorieën van personen zijn. Zij hebben namelijk in de sociale zekerheid der werknemers een fundamenteel verschillende rol. Werknemers zijn de begunstigden van de sociale zekerheid der werknemers, terwijl werkgevers in dat kader uitsluitend plichten hebben. Ten gevolge daarvan hebben werkgevers en werknemers ook verschillende vorderingsrechten. Zo beschikt de werkgever helemaal niet over de nodige hoedanigheid en niet over een belang om na afwijzing zelf de erkenning te vorderen van het werknemersstatuut van een personeelslid. Zijn belang is beperkt tot de eventuele terugvordering van onterecht betaalde sociale bijdragen. Daarvoor beschikt hij over een eigen vorderingsrecht met een verjaringstermijn van drie jaar of in een uitzonderlijk geval over de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar. A.2.
- Vervolgens doet de Ministerraad gelden dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust aangezien het bestaat tussen werknemers en werkgevers, en redelijk verantwoord is. De vervaltermijn van drie maanden streeft een legitieme doelstelling na, namelijk rechtszekerheid bieden en de doeltreffendheid van de sociale zekerheid vrijwaren, en is pertinent aangezien het statuut niet meer kan worden betwist indien binnen drie maanden geen beroep is ingesteld. De termijn van drie maanden heeft volgens hem ook geen onevenredige gevolgen. De ambtshalve schrapping uit het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers heeft direct gevolgen voor de betrokken persoon. Een herkwalificatie naar een andere tewerkstellingsvorm, in beginsel die van zelfstandige, houdt immers een retroactieve regularisatie in van de bijdragen en prestaties die ten onrechte zijn betaald en genoten onder de sociale zekerheid voor werknemers, alsook van de bijdragen en prestaties die ten onrechte niet zijn betaald en genoten onder de sociale zekerheid voor in beginsel zelfstandigen. Bijgevolg heeft de door de herkwalificatie getroffen persoon er belang bij om snel te handelen en mag van hem een diligent optreden worden verwacht. De termijn van drie maanden is bovendien bewust afgestemd op de termijn van drie maanden die artikel 23 van de wet van 11 april 1995 « tot invoering van het ‘ handvest ’ van de sociaal verzekerde » bepaalt voor beroepen van de werknemer tegen de beslissingen van de instellingen van sociale zekerheid die bevoegd zijn voor de toekenning, betaling of terugvordering van prestaties, waarover de Nationale Arbeidsraad van oordeel is dat hij afdoende is. De concrete situatie van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege toont het tegendeel ook niet aan. Zij ondervond sneller dan zij beweert gevolgen van de ambtshalve schrapping aangezien zij na de afwikkeling van het faillissement door de ambtshalve schrapping geen vergoeding kreeg van het Sluitingsfonds. Bovendien doet haar feitelijke situatie in geen geval afbreuk aan het uitgangspunt van de wetgever dat de getroffen persoon snel gevolgen ondervindt of minstens die gevolgen kan verwachten. De werkgever ondervindt van zijn kant geen negatieve gevolgen van de ambtshalve schrapping van een werknemer. Integendeel, de schrapping geeft hem het recht om de onterecht betaalde sociale bijdragen terug te vorderen. In zoverre de werkgever er belang bij zou kunnen hebben om de schrapping zelf te betwisten, is het bovendien niet onredelijk dat hij daarvoor over tien jaar beschikt. Aangezien dergelijke vorderingen veel minder vaak voorkomen en de werkgever slechts zelden over een belang zal beschikken, is er namelijk geen gevaar voor de goede werking van de sociale zekerheid en is er geen rechtsonzekerheid. Tot slot dient volgens de Ministerraad rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat het vorderingsrecht uit de in het geding zijnde bepaling deel uitmaakt van een ruimer geheel aan vorderingsrechten waarvoor verschillende verval- of verjaringstermijnen gelden. In het bijzonder kan de in het geding zijnde vervaltermijn van drie maanden niet los worden gezien van de termijn van drie jaar voor de werkgever om onverschuldigde sociale bijdragen terug te vorderen en voor de RSZ om niet-betaalde sociale bijdragen te innen. Zonder de in het geding zijnde korte termijn van drie maanden komen die termijnen en bij uitbreiding het gehele systeem in het gedrang. 4 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de termijn waarbinnen een beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna : de RSZ) tot weigering van onderwerping van een persoon aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. B.2.
- Artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 « tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders » (hierna : de RSZ- wet) bepaalt : « De schuldvorderingen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid op de werkgevers die onder deze wet vallen en de personen bedoeld bij artikelen 30bis en 30ter verjaren na drie jaar vanaf de dag van de opeisbaarheid van de bedoelde schuldvorderingen. In afwijking van deze regel wordt de verjaringstermijn verlengd tot tien jaar indien de schuldvorderingen van voormelde Rijksdienst het gevolg zijn van ambtshalve regularisaties na de vaststelling, bij de werkgever, van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige aangiften. De vorderingen ingesteld tegen de Rijksdienst voor sociale zekerheid tot terugvordering van niet-verschuldigde bijdragen verjaren na drie jaar, vanaf de dag van de betaling. De vorderingen van de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen ten laste van de werkgevers die werknemers tewerkstellen betaald door de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, voor wat betreft haar opdrachten bepaald in artikel 2, eerste lid, 10°, van het koninklijk besluit van 22 februari 2017 houdende de oprichting van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, verjaren na 7 jaar. In geval van bedrieglijke onderwerping aan de sociale zekerheid voor werknemers, beschikt de voormelde Rijksdienst over een termijn van tien jaar vanaf de eerste dag van het trimester dat volgt op het trimester waarin de inbreuk zich heeft voorgedaan, om over te gaan tot de annulering van deze bedrieglijke onderwerpingen of tot de ambtshalve onderwerping bij de werkelijke werkgever. Overeenkomstig het tweede lid geldt de eventuele terugbetaling van bijdragen voor een periode van maximum drie jaar. De door een werknemer ingestelde vordering tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor de erkenning van zijn subjectief recht ten opzichte van voormelde Rijksdienst moet, op straffe van verval, ingediend worden binnen de drie maanden na de kennisgeving door voormelde Rijksdienst van de beslissing inzake onderwerping of weigering van onderwerping. De bijdragen gekoppeld aan de erkenning van dit subjectief recht moeten worden aangegeven en betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal tijdens hetwelk deze bijdragen verschuldigd zijn indien ze betrekking hebben op een komende periode, of binnen de maand die volgt op die tijdens dewelke het subjectief recht van de werknemer erkend 5 werd bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing, indien ze betrekking hebben op een volledig of gedeeltelijk afgelopen periode De schuldvorderingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met betrekking tot de onrechtmatig uitgekeerde tegemoetkomingen bedoeld in artikel 8/2 verjaren na vijf jaar te rekenen vanaf de dag van de betaling. De tegen de Rijksdienst ingestelde vorderingen tot betaling van bovenvermelde verschuldigde tegemoetkomingen verjaren na vijf jaar te rekenen vanaf de dag dat zij opeisbaar zijn. De verjaring van de vorderingen, bedoeld in het eerste tot derde lid, worden gestuit : 1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; 2° door een aangetekende brief van de Rijksdienst voor sociale zekerheid aan de werkgever of aan de personen bedoeld in de artikelen 30bis en 30ter en door een aangetekende brief van de werkgever of de personen bedoeld in de artikelen 30bis en 30ter aan de genoemde Rijksdienst; 3° door de betekening van het in artikel 40 bedoelde dwangbevel. 4° door de instelling of de uitoefening van de strafvordering, alsook door daden van onderzoek of daden van vervolging ». B.2.
- Krachtens het in het geding zijnde vijfde lid van die bepaling beschikt de werknemer over een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving door de RSZ van de beslissing inzake onderwerping of weigering van onderwerping om een vordering in te stellen tegen de RSZ voor de erkenning van zijn subjectief recht ten opzichte van de RSZ. B.
- Het in het geding zijnde vijfde lid van artikel 42 van de RSZ-wet is ingevoegd bij artikel 32 van de Programmawet van 8 juni
- Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat het in het geding zijnde lid is ingevoegd omdat het ontbreken van een specifieke beroepstermijn, waardoor de gewoonlijke verjaringstermijn van tien jaar van toepassing is, « zorgt voor een grote rechtsonzekerheid en [...] de sociale zekerheid reële schade [toebrengt] » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1011/001, p. 20). De parlementaire voorbereiding specificeert : « Inderdaad, aangezien de verjaringstermijnen voor socialezekerheidsbijdragen minder lang zijn (5 jaar), kan de terugvordering van de bijdragen die zouden gekoppeld geweest zijn aan de betwiste onderwerping onmogelijk worden. Daarenboven, kan het dossier in de praktijk moeilijk opnieuw worden samengesteld omdat bepaalde stukken na verloop van tijd werden gearchiveerd of vernietigd. Dit probleem is de jongste jaren steeds erger geworden en heeft gevolgen in alle socialezekerheidsregelingen aangezien rechten met terugwerkende kracht 6 kunnen ontstaan op basis van de betwisting van de beslissing van de RSZ enkele jaren later, terwijl de bijdragen niet meer zullen kunnen worden teruggevorderd » (ibid., pp. 20-21). Voorts blijkt uit dezelfde parlementaire voorbereiding dat artikel 23 van de wet van 11 april 1995 « tot invoering van het ‘ handvest ’ van de sociaal verzekerde » (hierna : de wet van 11 april 1995) als inspiratiebron heeft gediend voor de termijn van drie maanden (ibid., p. 21). Dat artikel bepaalt : « Onverminderd gunstiger termijnen voortvloeiend uit specifieke wetgevingen moet tegen de beslissingen van de instellingen van sociale zekerheid die bevoegd zijn voor de toekenning, betaling of de terugvordering van prestaties, op straffe van verval, beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van die beslissingen of na de kennisneming van de beslissing door de sociaal verzekerde indien geen kennisgeving plaats had. Onverminderd gunstiger termijnen voortvloeiend uit specifieke wetgevingen moet elk beroep tot erkenning van een recht tegen een instelling van sociale zekerheid ook worden ingesteld op straffe van verval, binnen drie maand na de vaststelling van het in gebreke blijven van de instelling ». B.
- Noch de in het geding zijnde bepaling, noch een andere bepaling voorziet in een termijn waarbinnen de werkgever een beroep kan instellen tegen de beslissing van de RSZ tot weigering van onderwerping van een persoon aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. Bij ontstentenis van een dergelijke bepaling neemt het verwijzende rechtscollege in de prejudiciële vraag aan dat de werkgever over tien jaar beschikt, zijnde de termijn waarbinnen overeenkomstig het gemeen recht persoonlijke rechtsvorderingen verjaren (artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). Ten gronde B.
- Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 42, vijfde lid, van de RSZ-wet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de werknemer een termijn van drie maanden geeft om beroep in te stellen tegen de beslissing van de RSZ tot weigering van onderwerping aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, terwijl de werkgever krachtens artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek tien jaar heeft om beroep in te stellen tegen dezelfde beslissing. 7 B.6.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.
- In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de bevoegde wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid om de maatregelen te bepalen die moeten worden genomen om de door hem vastgestelde doelstellingen te bereiken. B.
- In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn de in B.5 vermelde categorieën van personen vergelijkbaar. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. De omstandigheid dat werkgevers en werknemers een verschillende rol hebben in het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers en daardoor verschillende rechten en verplichtingen hebben, kan weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar zij kan niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. B.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de omstandigheid of de vordering uitgaat van de werknemer of de werkgever. B.
- Uit de in B.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de in het geding zijnde termijn van drie maanden voor de werknemer heeft ingevoerd om rechtszekerheid te bieden en om schade aan de sociale zekerheid te vermijden door beroepstermijnen die niet op elkaar afgestemd zijn. 8 Die doelstellingen zijn legitiem. B.
- Ten aanzien van die doelstellingen is het niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever uitsluitend voor de werknemer heeft voorzien in een specifieke termijnregeling om een beroep in te stellen tegen de beslissing van de RSZ tot weigering van onderwerping aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. Zoals ook blijkt uit de in het geding zijnde bepaling, strekt zulk een beroep immers in de eerste plaats tot de erkenning van een subjectief recht van de werknemer ten opzichte van de RSZ betreffende de onderwerping aan de sociale zekerheid van de werknemers met de rechten die daaruit voortvloeien voor de werknemer. Bovendien sluit een dergelijke termijnregeling aan bij de termijnregeling bepaald in artikel 23 van de wet van 11 april 1995, die uitsluitend van toepassing is op beroepen ingesteld door de sociaal verzekerde en derhalve niet geldt voor de werkgevers. B.
- Voor de werknemers heeft de in het geding zijnde termijn van drie maanden ook geen onevenredige gevolgen. Rekening houdend met het feit dat krachtens artikel 2, § 1, 4°, van de wet van 11 april 1994 « betreffende de openbaarheid van bestuur » de beroepstermijn geen aanvang neemt indien de beslissing van de RSZ de beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen niet vermeldt, is de termijn van drie maanden niet overdreven kort. Een termijn van drie maanden is voldoende lang om de gevolgen van de beslissing tot weigering van onderwerping in te schatten of te laten inschatten en om een beroep voor te bereiden. B.
- Artikel 42, vijfde lid, van de RSZ-wet is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 42, vijfde lid, van de wet van 27 juni 1969 « tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 11 december
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.173 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div