id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.002 Arrest- Rolnummer: 2/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-01-19 Raadplegingen: 508 - laatst gezien 2026-06-18 06:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van het beroep (rekening houdend met hetgeen in B.4.3, B.21 en B.26 is vermeld) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains ». Strafrecht - Personen met een geestesstoornis - Bescherming van de maatschappij - Beveiligingsmaatregel - Kwalificatie van de maatregel - Nadere regels Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 2/2026 van 8 januari 2026 Rolnummer : 8343 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 oktober 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 oktober 2024, heeft de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bastien Lombaerd en mr. Julien Laurent, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 april 2024). De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. My-Vân Lam, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 24 september 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. 2 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
- De verzoekende partij voert aan dat de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij » (hierna : de wet van 29 februari 2024), in zoverre zij voor bepaalde veroordeelden de mogelijkheid beperkt om hun vrijheid terug te krijgen na de uitvoering van hun straf en na hun terbeschikkingstelling aan de strafuitvoeringsrechtbank, haar statutair doel raakt, dat met name erin bestaat onrecht en elke willekeurige aantasting van de rechten van een individu of een gemeenschap te bestrijden. Zij doet bijgevolg blijken van een belang bij het beroep. Ten gronde Wat betreft het eerste middel (wettigheidsbeginsel) A.2.
- De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 2, 5, 6, 9, 11 en 26 van de wet van 29 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 5 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de beginselen van rechtszekerheid en wettigheid. Volgens de verzoekende partij is de beveiligingsmaatregel waarin de wet van 29 februari 2024 voorziet, een straf, zodat het wettigheidsbeginsel van toepassing is. De bestreden bepalingen bevatten evenwel vage begrippen, zoals een « ernstige psychiatrische aandoening [...] waarvoor vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling bestaat, en die niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen [van de veroordeelde] of [diens] controle over zijn daden [tenietdoet] », « een misdrijf dat een ernstige inbreuk heeft uitgemaakt op het leven, de fysieke, seksuele of psychische integriteit van het slachtoffer of een ernstig gevaar uitmaakte voor de openbare veiligheid », en een « voortdurend ernstig gevaar [op het plegen] van een nieuwe misdaad of wanbedrijf [...] die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt en die een gevangenisstraf of opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben ». A.2.
- De verzoekende partij beklemtoont dat de beveiligingsmaatregel een vrijheidsberoving is voor onbepaalde duur, die wordt opgelegd na een veroordeling voor een misdrijf, waarvan de uitvoering onmiddellijk na de uitvoering van een hoofdgevangenisstraf of opsluiting en van een bijkomende straf van terbeschikkingstelling aan de strafuitvoeringsrechtbank wordt opgelegd, en waarvan het doel niet therapeutisch is aangezien er geen effectieve behandeling van de ernstige psychiatrische aandoening mogelijk is. De arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens Ilnseher t. Duitsland van 4 december 2018 (ECLI:CE:ECHR:2018:1204JUD001021112) en Bergmann t. Duitsland van 7 januari 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:0107JUD002327914) zijn te dezen niet pertinent omdat, in die twee arresten, de vrijheidsberoving de behandeling van een geestesstoornis tot doel heeft, terwijl de bestreden wet geldt wanneer er geen effectieve behandeling bestaat. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die de kwalificatie van straf uitsluit voor een interneringsmaatregel, alsook die van het Hof van Cassatie, kunnen te dezen niet worden overgenomen in zoverre de toepassing van artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een strafrechtelijke veroordeling voor een misdrijf vereist, hetgeen, inzake internering, onmogelijk is omdat de justitiabele ontoerekeningsvatbaar is. 3 A.2.
- Wat betreft, in het bijzonder, het begrip « ernstige psychiatrische aandoening [...] waarvoor vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling bestaat, en die niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen [van de veroordeelde] of [diens] controle over zijn daden [tenietdoet] », onderstreept de verzoekende partij dat in het advies van de Hoge Raad voor de Justitie erom werd verzocht psychische of medische stoornissen nader te omschrijven, dat over de begrippen « onderscheidingsvermogen » en « vermogen om controle te hebben over zijn daden » geen consensus bestaat bij de artsen en dat het begrip « ontstentenis van een effectieve behandeling » ook vaag is in zoverre het een totale afhankelijkheid van de medische wetenschap met zich meebrengt, waarbinnen sterke meningsverschillen bestaan over het voorhanden zijn van effectieve behandelingen. A.
- De Ministerraad doet gelden dat de bestreden beveiligingsmaatregel geen straf is. Voordat het wetsontwerp, op voorstel van de afdeling wetgeving van de Raad van State, werd opgedeeld in twee afzonderlijke ontwerpen, was de maatregel gekwalificeerd als « internering ». Er werd beslist om voor een andere terminologie te kiezen, om beide maatregelen van elkaar te onderscheiden. Volgens de Ministerraad heeft de beveiligingsmaatregel tot doel de maatschappij te beschermen tegen een categorie van bijzonder gevaarlijke veroordeelden voor wie niet kan worden gegarandeerd dat hun stoornis zal verdwijnen. Dat doel is preventief, en niet repressief. De maatregel beoogt bovendien alleen uitzonderlijke gevallen. Overigens neemt de kamer voor de bescherming van de maatschappij, die zich moet uitspreken over de opportuniteit om de beveiligingsmaatregel toe te passen, niet de feiten in aanmerking die hebben geleid tot de gevangenisstraf en de straf van terbeschikkingstelling. Voor het overige wordt tot een beveiligingsmaatregel beslist op basis van een beoordeling van de geestestoestand van de betrokkene, en wordt die toestand opnieuw beoordeeld bij de eventuele uitvoering van de maatregel. De elementen houden dus rechtstreeks verband met de psychiatrische aandoening, de gevolgen ervan en de mogelijkheid om de betrokkene structuur en houvast te bieden, zelfs indien er nog geen effectieve behandeling bestaat. Aangezien het middel op een verkeerde premisse berust, is het niet gegrond. Wat betreft het tweede middel (willekeurige gevangenhouding) A.4.
- De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 2, 5, 9, 10 en 11 van de wet van 29 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 5 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de beginselen van rechtszekerheid, wettigheid en evenredigheid. A.4.
- De verzoekende partij voert allereerst aan dat de bestreden beveiligingsmaatregel, aangezien hij pas na uitvoering van de oorspronkelijke gevangenisstraf en na het verstrijken van de periode van terbeschikkingstelling aan de strafuitvoeringsrechtbank ten uitvoer kan worden gelegd, niet langer een voldoende oorzakelijk verband heeft met de oorspronkelijke veroordeling, wat nochtans vereist wordt door artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.4.
- De verzoekende partij voert vervolgens aan dat de bestreden maatregel een algemeen preventiebeleid nastreeft dat gericht is tegen een categorie van personen die gevaarlijk zijn door hun voortdurende neiging tot delinquentie, hetgeen een gevangenhouding op grond van artikel 5, lid 1, punt c), van hetzelfde Verdrag niet kan verantwoorden. Die bepaling maakt de gevangenhouding van een persoon enkel mogelijk wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het noodzakelijk is hem te beletten een concreet en welbepaald strafbaar feit te begaan. Te dezen geeft de bestreden wet niet aan welk strafbaar feit zij wil beletten. De gevangenhouding steunt in fine op een hypothetisch overgaan tot handelen en op een vermoeden van gevaarlijkheid, dat een zeer vaag en makkelijk hanteerbaar begrip is. A.4.
- Volgens de verzoekende partij is de bestreden beveiligingsmaatregel, als sanctie, onevenredig met het gepleegde feit. A.4.
- De verzoekende partij voert ten slotte aan dat de bestreden beveiligingsmaatregel niet aangepast is aan de noden van de betrokkenen. De gevangenhouding van een geesteszieke is enkel rechtmatig in de zin van artikel 5, lid 1, punt e), van het genoemde Verdrag indien zij plaatsvindt in een inrichting die is aangepast aan de bijzondere noden van geesteszieken, waarbij een effectieve therapeutische behandeling van de geïnterneerde mogelijk is. De vraag is of een dergelijke inrichting bestaat, gelet op de vereiste dat de aandoening niet behandelbaar is. Bijgevolg is zulk een gevangenhouding willekeurig in de zin van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. 4 A.5.
- De Ministerraad zet uiteen dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen twee fasen : een gerechtelijke fase, die van toepassing is op het ogenblik dat de rechter het strafdossier onderzoekt, en een fase die betrekking heeft op de uitvoering van de beveiligingsmaatregel, die plaatsvindt na het vonnis, wanneer de gevangenisstraf is uitgezeten en de periode van terbeschikkingstelling aan de strafuitvoeringsrechtbank ten einde loopt, en waarvoor de kamer voor de bescherming van de maatschappij bevoegd is. De Ministerraad beklemtoont dat de beveiligingsmaatregel gelijktijdig met het veroordelend vonnis wordt uitgesproken. De uitvoering ervan kan de betrokkene dus niet verrassen. Het is overigens niet de bedoeling om reeds bestrafte feiten op een later tijdstip te bestraffen. Het oorzakelijk verband tussen de beslissing waarbij de beveiligingsmaatregel wordt uitgesproken en die maatregel is bijgevolg voldoende en in overeenstemming met de vereisten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. A.5.
- Wat betreft de bewering dat de bestreden wet een algemeen beleid inzake algemene preventie organiseert, benadrukt de Ministerraad dat de beveiligingsmaatregel geen verband houdt met het gepleegde misdrijf of de gepleegde misdaad, maar wel met de gevaarlijkheid van de betrokkene om reden van een psychiatrische aandoening waarvoor nog geen behandeling bestaat, die hem reeds ertoe zou hebben gebracht een feit te plegen waarvoor hij is veroordeeld en die een risico op recidive blijft inhouden. De wetgever is dus niet verplicht om de specifieke misdrijven die hij wil voorkomen, te preciseren (EHRM, grote kamer, 1 juni 2021, Denis en Irvine t. België, ECLI:CE:ECHR:2021:0601JUD006281917). Bovendien zal de bestreden beveiligingsmaatregel niet ten aanzien van alle veroordeelden kunnen worden genomen. Alleen de personen die ter beschikking zijn gesteld in de vorm van een vrijheidsberoving worden beoogd, dat wil zeggen uitsluitend personen die ernstige feiten hebben gepleegd die de integriteit van personen aantasten en ten aanzien van wie, op grond van de artikelen 34bis en volgende van het Strafwetboek, een bijkomende straf is uitgesproken ter bescherming van de maatschappij. De Ministerraad wijst erop dat de wetgever aan de rechter een beoordelingsmarge wenst te laten, wat de oplegging van die maatregel betreft. Om die reden heeft hij de maatregel niet beperkt tot bepaalde misdrijven, maar heeft hij daarentegen de rechter de mogelijkheid geboden om, naargelang van de persoon die betrokken is en het risico dat hij kan inhouden voor de veiligheid van anderen, te beoordelen of die maatregel moet worden bevolen, met dien verstande dat hij slechts in een beperkt aantal gevallen mag worden toegepast. Wat de aangevoerde onduidelijkheid van artikel 26 van de wet van 29 februari 2024 betreft, is de kritiek ongegrond, aangezien het ontbreken van een vereiste betreffende de duur van de straf die zou kunnen worden bevolen in geval van recidive, een ruimere interpretatie mogelijk maakt van de mogelijkheden om de beveiligingsmaatregel op te heffen, wat in het voordeel is van de betrokkene. A.5.
- De Ministerraad beklemtoont dat de beveiligingsmaatregel niet is bedoeld om te worden gekoppeld aan het gepleegde feit. Hij is evenredig met zijn doel, namelijk de maatschappij beschermen, rekening houdend met de criteria en de toepassingsmodaliteiten waarin de wetgever heeft voorzien. De betrokkene heeft een misdaad of wanbedrijf van een zekere ernst gepleegd en is daarvoor strafrechtelijk bestraft met relatief zware straffen. Vervolgens wordt met twee forensische deskundigenonderzoeken aangetoond dat dit misdrijf is gepleegd als gevolg van een aandoening die niet kan worden behandeld met de huidige wetenschappelijke en therapeutische middelen en om reden waarvan de betrokkene bijgevolg een ernstig risico blijft inhouden voor de fysieke of psychische integriteit van anderen, en dus voor de maatschappij. In de beoogde gevallen zou geen enkele andere maatregel dan een vrijheidsbenemende maatregel kunnen worden overwogen om de bescherming van de maatschappij te waarborgen. A.5.
- De Ministerraad wijst tot slot erop dat de beveiligingsmaatregel wordt opgevat als een gespecialiseerde begeleiding die de betrokkene de nodige structuur en houvast kan bieden – zelfs bij ontstentenis van een gekende effectieve behandeling –, in een aangepaste beveiligde zorgomgeving, hetzij in een door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij, hetzij in een door dezelfde overheid georganiseerd forensisch psychiatrisch centrum. Wat betreft het derde middel (aantasting van de individuele vrijheid) A.
- De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending, door de artikelen 2, 5, 9 tot 11 en 26 van de wet van 29 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid. 5 De verzoekende partij stelt dat de bestreden maatregel geen rekening houdt met het belang van de betrokkene. De door de wetgever gekozen benadering kreeg tijdens de parlementaire debatten felle kritiek van een ruime meerderheid van de deskundigen die werden gehoord in de commissie voor de Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Aangezien er geen effectieve behandeling voor de aandoening van de betrokkene bestaat, is het onevenredig die laatste zijn vrijheid te ontnemen, a fortiori in een niet-aangepaste zorgomgeving. Een internering in een inrichting die niet aangepast is aan de gezondheidstoestand van een geesteszieke, schendt artikel 5, lid 1, punt e), van hetzelfde Verdrag. A.
- De Ministerraad verwijst naar zijn uiteenzetting betreffende het tweede middel. Hij preciseert dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, artikel 26 van de wet van 29 februari 2024 in de mogelijkheid voorziet om de maatregel op te heffen indien de veroordeelde niet langer lijdt aan een ernstige psychiatrische aandoening, zodat er redelijkerwijs niet langer te vrezen valt dat hij een nieuwe misdaad die of een nieuw wanbedrijf pleegt dat de fysieke of psychische integriteit van derden zou aantasten of ze ernstig zou bedreigen. De beveiligingsmaatregel doet bijgevolg niet op onevenredige wijze afbreuk aan de individuele vrijheid van de betrokkene. Wat betreft het vierde middel (vermoeden van onschuld) A.
- De verzoekende partij leidt een vierde middel af uit de schending, door artikel 5, § 1, eerste streepje, van de wet van 29 februari 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoekende partij schendt de bestreden bepaling het vermoeden van onschuld doordat zij erin voorziet dat de rechter een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek tot het al dan niet uitspreken van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij kan bevelen indien hij van oordeel is dat de feiten dienen te worden bestraft met een correctionele hoofdgevangenisstraf van minimum vijf jaar of een zwaardere straf. Die beslissing wordt genomen vóór de wettelijke vaststelling van de schuld van de justitiabele, terwijl zij een oordeel over die schuld laat doorschemeren. A.
- De Ministerraad voert aan dat de beveiligingsmaatregel niet wordt genomen voordat de schuld van de betrokkene is vastgesteld, en dat geen voorbarig oordeel wordt geveld over diens schuld. De rechter beslist, op basis van de elementen van het hem voorgelegde dossier, over te gaan tot een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek om eventueel een beveiligingsmaatregel te bevelen. Het is dus tijdens de berechting van de zaak, op basis van het strafdossier, waarna hij overweegt om een gevangenisstraf en een straf van terbeschikkingstelling op te leggen, dat de rechter oordeelt of een psychiatrisch deskundigenonderzoek dient te worden bevolen. Het feit dat de rechter dat psychiatrisch deskundigenonderzoek beveelt met het oog op het al dan niet uitspreken van een beveiligingsmaatregel, vormt geen vaststelling van schuld. -B- Ten aanzien van de bestreden wet en de context ervan B.
- Bij de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij » (hierna : de wet van 29 februari 2024) wordt, zoals het opschrift ervan aangeeft, een zogenoemde « beveiligingsmaatregel » ingevoerd, die ertoe strekt de maatschappij te beschermen. 6 De wet van 29 februari 2024 werd uitgewerkt en aangenomen in het bredere kader van de hervorming van het Strafwetboek. De aanneming ervan valt samen met die van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek ». Beide wetten moeten in onderlinge samenhang worden gelezen : « Dit wetsontwerp [tot invoering van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij] moet in samenhang met het wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek worden gelezen. De wijzigingen die het bevat zijn het gevolg van de hervorming van het Strafwetboek en meer in het bijzonder, van het uitgebreider arsenaal waarover een rechter beschikt om een bestraffing op maat te kunnen bieden met de aanneming van nieuwe straffen zoals de behandeling onder vrijheidsberoving en de verlengde opvolging. Een rechter moet niet alleen kunnen straffen op maat, het is ook zijn taak om – in uiterst uitzonderlijke gevallen – de maatschappij te beschermen tegen zeer gevaarlijke veroordeelden voor wie vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling bestaat. Indien zou blijken dat na een gevangenisstraf en na een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank een veroordeelde op strafeinde geen enkele strafuitvoeringsmodaliteit heeft ondergaan en hij nog steeds een gevaar voor de maatschappij vormt met een hoog risico op recidivegevaar voor feiten die een ernstige aantasting van de fysieke of psychische integriteit veroorzaken, dan moet het mogelijk zijn om hiertegen gepaste maatregelen te kunnen nemen » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, p. 301). Een beveiligingsmaatregel is, in uitzonderlijke gevallen, van toepassing op veroordeelden met een ernstige psychiatrische aandoening waarvoor geen effectieve behandeling bestaat, na de uitvoering van een gevangenisstraf en na een terbeschikkingstelling aan de strafuitvoeringsrechtbank, wanneer die veroordeelden aan het einde van hun straf geen enkele strafuitvoeringsmodaliteit hebben ondergaan en nog steeds een ernstig gevaar voor de maatschappij vormen. De wetgever vat die maatregel op als een ultimum remedium. Het toepassingsgebied ervan dient dan ook « zeer beperkend » door de rechter te worden geïnterpreteerd (ibid., p. 304). B.
- De artikelen 2, 5, 6, 9 tot 11 en 26 van de wet van 29 februari 2024 bepalen : « Art.
- De beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij is een beveiligingsmaatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen tegen veroordeelden tot een gevangenisstraf of een opsluiting van minstens vijf jaar met een bijkomende, facultatieve of verplichte terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, bij wie op het ogenblik van de veroordeling een ernstige psychiatrische aandoening wordt vastgesteld waarvoor vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling bestaat, en die niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet, maar die tot gevolg heeft dat er 7 een voortdurend, ernstig gevaar wordt vastgesteld op het plegen van een nieuwe misdaad of wanbedrijf die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt en die een gevangenisstraf of opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben. De beveiligingsmaatregel kan enkel ten uitvoer worden gelegd door de kamer voor de bescherming van de maatschappij onder de in artikel 11 bedoelde voorwaarden ». « Art.
- §
- Een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek tot het al dan niet uitspreken van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij kan worden bevolen indien : - de rechter op basis van het strafdossier van oordeel is dat het feit dient te worden gestraft met een correctionele hoofdgevangenisstraf van minimum vijf jaar of een zwaardere straf en hij een bijkomende, facultatieve of verplichte terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overweegt op te leggen of hij een verplichte terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank dient op te leggen; en - hij op basis van het strafdossier elementen heeft om aan te nemen dat een persoon lijdt aan een ernstige psychiatrische aandoening die niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet, maar die evenwel tot gevolg heeft dat er een voortdurend ernstig gevaar bestaat op het plegen van een nieuwe misdaad of wanbedrijf die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt en die een gevangenisstraf of opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben. §
- De aangestelde forensische psychiater dient in zijn deskundigenverslag minstens het volgende na te gaan : 1° of de persoon op het ogenblik van de feiten leed aan een ernstige psychiatrische aandoening waarvoor er vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling bestaat die niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet; 2° of het voortdurend ernstig gevaar bestaat dat de persoon ten gevolge van de ernstige psychiatrische aandoening, waar vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling voor bestaat, in voorkomend geval in samenhang met andere risicofactoren, een nieuwe misdaad of wanbedrijf pleegt die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt. §
- Het forensisch psychiatrisch onderzoek wordt uitgevoerd onder de leiding en de verantwoordelijkheid van een deskundige, houder van de beroepstitel forensisch psychiater, die voldoet aan de voorwaarden welke zijn vastgesteld krachtens de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. Het deskundigenonderzoek kan ook in college of met bijstand van andere gedragswetenschappers uitgevoerd worden, telkens onder leiding van voormelde deskundige. §
- De deskundige maakt van zijn bevindingen een omstandig verslag op, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde modellen. De bevelende instantie kan een actualisering van het deskundigenonderzoek vragen wanneer zij dit nodig acht. 8 De deskundige ontvangt een honorarium als bedoeld in artikel 5, § 5, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering ». « Art.
- §
- Wanneer de persoon voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 5, § 1, beveelt het vonnisgerecht de opneming ter observatie. In dat geval wordt de verdachte ter observatie overgebracht naar het beveiligd klinisch observatiecentrum. §
- Na afloop van de observatieperiode, namelijk na twee maanden of hetzij wanneer de periode ten einde loopt krachtens een beslissing van de rechterlijke overheid die de opneming ter observatie heeft bevolen, wordt de verdachte opnieuw overgebracht naar een gevangenis en blijft hij in hechtenis ». « Art.
- §
- De vonnisgerechten kunnen een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij uitspreken ten aanzien van een persoon die voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden : 1° er wordt een gevangenisstraf of een opsluiting van minstens vijf jaar met een bijkomende, facultatieve of verplichte terbeschikkingstelling aan de strafuitvoeringsrechtbank uitgesproken; 2° een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek heeft vastgesteld dat de veroordeelde aan een ernstige psychiatrische aandoening lijdt, waarvoor er vooralsnog nog geen voldoende effectieve behandeling bestaat en die niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet; 3° het voortdurend ernstig gevaar bestaat dat betrokkene ten gevolge van de ernstige psychiatrische aandoening, in voorkomend geval in samenhang met andere risicofactoren, een nieuwe misdaad of wanbedrijf pleegt die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt en die een gevangenisstraf of opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben. §
- De rechter beslist na uitvoering van het in artikel 5 bedoelde forensisch psychiatrisch [deskundigenonderzoek] ». « Art.
- De beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij kan pas een aanvang nemen bij het verstrijken van de termijn van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, op beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij die voorafgaand aan het verstrijken van deze termijn een beslissing moet nemen, overeenkomstig de procedure bepaald in de artikelen 11 tot 16 tot de al dan niet tenuitvoerlegging van deze maatregel. Art.
- §
- Indien de veroordeelde tot een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij zich op een jaar voor het einde van de termijn van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank bevindt en een vrijheidsberoving ondergaat zonder dat er enige strafuitvoeringsmodaliteit in uitvoering is, deelt de directeur van de inrichting waar de veroordeelde zich bevindt dit per gewone brief mee aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij en de griffie maakt een kopie over aan het openbaar ministerie, de veroordeelde 9 en zijn advocaat. De kamer voor de bescherming van de maatschappij beveelt onverwijld een forensisch psychiatrisch onderzoek dat voldoet aan de vereisten van de artikelen 5, 7 en 8 en waarin minstens wordt nagegaan : 1° of de persoon nog steeds lijdt aan de ernstige psychiatrische aandoening waarvoor er vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling bestaat en die niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet; 2° of het voortdurend ernstig gevaar bestaat dat betrokkene ten gevolge van de ernstige psychiatrische aandoening waar vooralsnog geen voldoende, effectieve behandeling voor volstaat, in voorkomend geval in samenhang met andere risicofactoren, een nieuwe misdaad of wanbedrijf pleegt die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt en die een gevangenisstraf of opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben; 3° of de noodzaak bestaat om, ook al bestaat er vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling, toch een gespecialiseerde begeleiding op te leggen die de betrokkene de nodige structuur en houvast kan bieden. §
- Binnen de maand na de ontvangst van het eindverslag van de deskundige, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde, zijn advocaat en de directeur van de inrichting waar de veroordeelde zich bevindt ». « Art.
- De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan in het kader van lopende procedures ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde, de definitieve opheffing bevelen indien de veroordeelde niet langer lijdt aan een ernstige psychiatrische aandoening zodat redelijkerwijze niet te vrezen valt dat hij een nieuwe misdaad of wanbedrijf pleegt die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt ». B.
- Oorspronkelijk was het de bedoeling de nieuwe beveiligingsmaatregel in te voegen in de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering ». Ingevolge het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State werd beslist om « een nieuw apart wettelijk kader [te creëren], weliswaar aanleunend bij het wettelijk kader van de internering, aangezien [de betrokkenen] eveneens aangepaste omkadering nodig hebben » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, p. 303). De regeling van de beveiligingsmaatregel lijkt, met betrekking tot verschillende aspecten, op de regeling van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering ». Er wordt overigens herhaaldelijk naar die wet verwezen wat de tenuitvoerlegging van de beveiligingsmaatregel betreft. 10 B.4.
- Een beveiligingsmaatregel moet door het vonnisgerecht worden uitgesproken na afloop van een procedure die uitvoerig staat beschreven in de wet van 29 februari
- Uit de memorie van toelichting bij de wet van 29 februari 2024 blijkt dat daarover reeds in het stadium van berechting een beslissing moet worden genomen door de bodemrechter, zodat « de veroordeelde reeds van bij het begin van zijn straf [weet] dat mogelijkerwijze nog een beveiligingsmaatregel bij strafeinde ten uitvoer kan worden gelegd ». De bedoeling is « de gedetineerde [ertoe aan te zetten] om reeds tijdens zijn gevangenisstraf te werken aan zijn problematiek of indien het onmogelijk is om te werken aan zijn problematiek, minstens de nodige structuren in zijn leven aan te brengen om op een normale, gevaarloze wijze te kunnen functioneren in de maatschappij na strafeinde » (ibid., p. 302). De memorie van toelichting bij de wet van 29 februari 2024 vermeldt eveneens : « Het gaat [...] om een beveiligingsmaatregel die wordt uitgesproken op hetzelfde tijdstip als de berechting van de feiten. Het criterium is de gevaarlijkheid in combinatie met een ernstige psychiatrische aandoening. De bodemrechter oordeelt in de vonnisfase dat de maatregel mogelijkerwijze op einde straf door de kamer voor de bescherming van de maatschappij ten uitvoer kan worden gelegd. Het gaat dus niet om de bestraffing van reeds bestrafte feiten op een later tijdstip » (ibid., p. 304). B.4.
- Indien de rechter op basis van het strafdossier van oordeel is dat de feiten dienen te worden bestraft met een correctionele hoofdgevangenisstraf van minimum vijf jaar of een zwaardere straf, indien bijkomend een terbeschikkingstelling aan de strafuitvoeringsrechtbank wordt overwogen of moet worden opgelegd en indien de rechter op basis van het strafdossier elementen heeft om aan te nemen dat een persoon aan een ernstige psychiatrische aandoening lijdt die niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet, maar die een voortdurend ernstig gevaar inhoudt op het plegen van een nieuwe misdaad die of nieuw wanbedrijf dat de fysieke of psychische integriteit van derden zou aantasten of ze ernstig zou bedreigen en die/dat een gevangenisstraf of opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg zou kunnen hebben, kan de rechter een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek tot het al dan niet uitspreken van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij bevelen (artikel 5, § 1, van de wet van 29 februari 2024). 11 B.4.
- Indien een deskundigenonderzoek wordt bevolen, moet het vonnisgerecht een opname van de betrokkene ter observatie bevelen. In dat geval wordt de verdachte ter observatie overgebracht naar een beveiligd klinisch observatiecentrum (artikel 6, § 1, van de wet van 29 februari 2024). Na afloop van de observatieperiode, namelijk na twee maanden of indien de periode ten einde loopt krachtens een beslissing van de rechterlijke overheid die de opname ter observatie heeft bevolen, wordt de verdachte opnieuw overgebracht naar een gevangenis en blijft hij in hechtenis (artikel 6, § 2, van diezelfde wet). Uit die twee bepalingen kan worden afgeleid dat het voormelde deskundigenonderzoek – en dus de beveiligingsmaatregel – enkel mogelijk is wanneer de betrokkene reeds wordt gevangengehouden, zodat de waarborgen van de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis » van toepassing zijn. B.4.
- Krachtens artikel 9, § 1, van de wet van 29 februari 2024 kan een vonnisgerecht enkel een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij uitspreken (1°) indien de veroordeelde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf of een opsluiting van minstens vijf jaar met een bijkomende, facultatieve of verplichte terbeschikkingstelling aan de strafuitvoeringsrechtbank, (2°) indien een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek heeft vastgesteld dat de veroordeelde aan een ernstige psychiatrische aandoening lijdt waarvoor er vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling bestaat en die niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet en (3°) indien er een voortdurend ernstig gevaar bestaat dat de betrokkene ten gevolge van de ernstige psychiatrische aandoening, in voorkomend geval in samenhang met andere risicofactoren, een nieuwe misdaad of een nieuw wanbedrijf pleegt die/dat de fysieke of psychische integriteit van derden zou aantasten of ze ernstig zou bedreigen en die/dat een gevangenisstraf of opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg zou kunnen hebben. B.5.
- De daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de beveiligingsmaatregel is niet automatisch : daartoe moet worden beslist door de kamer voor de bescherming van de maatschappij mits de in artikel 11 bedoelde voorwaarden zijn vervuld (artikel 2, tweede lid, van de wet van 29 februari 2024), vóór het verstrijken van de terbeschikkingstelling van de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechtbank. De procedure is geregeld bij de artikelen 11 en volgende van de wet van 29 februari
- 12 Indien de persoon ten aanzien van wie een beveiligingsmaatregel is genomen nog één jaar rest vóór de termijn van terbeschikkingstelling aan de strafuitvoeringsrechtbank eindigt en die persoon een vrijheidsberoving ondergaat zonder dat er enige strafuitvoeringsmodaliteit in uitvoering is, dient een nieuw forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek plaats te vinden, in het kader waarvan minstens wordt nagegaan « 1° of de persoon nog steeds lijdt aan de ernstige psychiatrische aandoening waarvoor er vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling bestaat en die niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet; 2° of het voortdurend ernstig gevaar bestaat dat betrokkene ten gevolge van de ernstige psychiatrische aandoening waar vooralsnog geen voldoende, effectieve behandeling voor volstaat, in voorkomend geval in samenhang met andere risicofactoren, een nieuwe misdaad of wanbedrijf pleegt die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt en die een gevangenisstraf of opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben; 3° of de noodzaak bestaat om, ook al bestaat er vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling, toch een gespecialiseerde begeleiding op te leggen die de betrokkene de nodige structuur en houvast kan bieden » (artikel 11, § 1, van de wet van 29 februari 2024). De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist om de beveiligingsmaatregel al dan niet ten uitvoer te leggen (artikel 12 van de wet van 29 februari 2024). In voorkomend geval bepaalt zij in het vonnis in welke inrichting de veroordeelde moet worden geplaatst na het in kracht van gewijsde treden van het vonnis : ofwel een door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij, ofwel een door de federale overheid georganiseerd forensisch psychiatrisch centrum (artikel 13, eerste lid). Zij bepaalt eveneens binnen welke termijn de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg – naargelang van het geval – een advies moet uitbrengen in het kader van de tenuitvoerlegging van de maatregel, termijn die niet langer mag zijn dan één jaar te rekenen vanaf het in kracht van gewijsde treden van het vonnis (artikel 13, tweede en derde lid). Volgens de parlementaire voorbereiding « [mag] de beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij niet in een psychiatrische annex van een gevangenis, niet in een strafhuis en niet in een arresthuis [...] worden uitgevoerd. Zelfs indien deze personen vooralsnog niet behandeld kunnen worden, dienen zij zich in een aangepaste beveiligde zorgomgeving te bevinden. Van zodra de beveiligingsgraad verlaagt, kan een private behandelingsplaats ook een 13 optie zijn onder de bij deze wet bepaalde voorwaarden » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, p. 306). B.5.
- In een latere fase kan de beveiligingsmaatregel ten uitvoer worden gelegd in privé-instellingen of instellingen georganiseerd door een gemeenschap, een gewest of een lokale overheid (artikel 16, tweede lid, van de wet van 29 februari 2024). Aan een persoon ten aanzien van wie een beveiligingsmaatregel is genomen onder bepaalde voorwaarden, kunnen uitvoeringsmodaliteiten zoals bedoeld in de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » worden toegekend, op voorwaarde dat het gevaar voldoende is afgenomen (artikel 16, eerste lid, van de wet van 29 februari 2024; zie ook het tweede lid van die bepaling). Wat betreft de opvolging, controle, herroeping, schorsing, herziening en definitieve invrijheidstelling, verwijst artikel 25 van de wet van 29 februari 2024 naar verschillende bepalingen van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering ». Artikel 26 van de wet van 29 februari 2024 bepaalt eveneens dat « de kamer voor de bescherming van de maatschappij [...] in het kader van lopende procedures ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde, de definitieve opheffing [kan] bevelen indien de veroordeelde niet langer lijdt aan een ernstige psychiatrische aandoening zodat redelijkerwijze niet te vrezen valt dat hij een nieuwe misdaad of wanbedrijf pleegt die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt ». B.
- De wet van 29 februari 2024 is op 18 april 2024 in werking getreden. Ten aanzien van het eerste middel B.
- De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 2, 5, 6, 9, 11 en 26 van de wet van 29 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 5 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de beginselen van rechtszekerheid en wettigheid. 14 Volgens de verzoekende partij is de beveiligingsmaatregel waarin de wet van 29 februari 2024 voorziet, een straf, zodat het wettigheidsbeginsel van toepassing is. De bestreden bepalingen zouden echter vage begrippen hanteren, zoals een « ernstige psychiatrische aandoening [...] waarvoor vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling bestaat, en die niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen [van de veroordeelde] of [diens] controle over zijn daden [tenietdoet] », « een misdrijf dat een ernstige inbreuk heeft uitgemaakt op het leven, de fysieke, seksuele of psychische integriteit van het slachtoffer of een ernstig gevaar uitmaakte voor de openbare veiligheid », en een « voortdurend, ernstig gevaar [...] op het plegen van een nieuwe misdaad of wanbedrijf die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt en die een gevangenisstraf of opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben ». B.8.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.8.
- Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». Het beginsel van wettigheid van de strafbaarstellingen en het beginsel van wettigheid van de straffen worden eveneens gewaarborgd bij artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.8.
- Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om, enerzijds, te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, wetten aan te nemen krachtens welke een straf kan worden vastgelegd en toegepast, waarborgen de artikelen 12, 15 tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepalingen en internationale bepaling voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is en, in voorkomend geval, de op te lopen straf kan kennen. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld en welke straffen in voorkomend geval kunnen worden opgelegd, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. B.8.
- Aangezien de verzoekende partij in het verzoekschrift niet uiteenzet in welk opzicht de bestreden bepalingen artikel 5 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten schenden, is het middel niet ontvankelijk in zoverre het uit de schending van die bepaling is afgeleid. B.
- De verzoekende partij voert aan dat de bestreden beveiligingsmaatregel een straf is in de zin van de in B.8.2 vermelde toetsingsnormen, en dat hij als zodanig onderworpen is aan het beginsel van de wettigheid van de straffen. B.10.
- Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat « het startpunt van elke beoordeling van het bestaan van een ‘ straf ’ erin bestaat te bepalen of de maatregel in kwestie werd opgelegd na een veroordeling wegens een strafrechtelijk misdrijf », maar dat « in dat opzicht ook andere elementen pertinent kunnen worden bevonden, namelijk de aard en het doel van de in het geding zijnde maatregel, de internrechtelijke 16 kwalificatie ervan, de procedures in verband met de aanneming van de maatregel en de uitvoering ervan, alsook de ernst ervan » (EHRM, grote kamer, 21 oktober 2013, Del Río Prada t. Spanje, ECLI:CE:ECHR:2013:1021JUD004275009, § 82; beslissing, 17 mei 2016, Société Oxygène Plus t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2016:0517DEC007695911, § 42; grote kamer, 28 juni 2018, G.I.E.M. S.R.L. e.a. t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2018:0628JUD000182806, § 211). « De criteria van de ‘ straf ’ kunnen aldus rechtstreeks worden overgenomen van de drie door het Hof geformuleerde Engel-criteria om te bepalen of een procedure van ‘ strafrechtelijke ’ aard is in de zin van artikel 6 van het Verdrag : de kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht, de aard van de inbreuk, alsook de aard en de zwaarte van de sanctie die kan worden opgelegd » (EHRM, beslissing, 17 mei 2016, voormeld, § 43). B.10.
- De specifieke voorwaarden van tenuitvoerlegging van de betrokken maatregel kunnen relevant zijn, in het bijzonder voor de aard en het doel, alsook voor de ernst van die maatregel, en dus voor de beoordeling die ertoe strekt te bepalen of die maatregel als straf moet worden gekwalificeerd voor de toepassing van artikel 7, lid 1, van het Verdrag (EHRM, grote kamer, 4 december 2018, Ilnseher t. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:2018:1204JUD001021112, § 204). Een beveiligingsdetentie met het oog op een therapeutische behandeling, in een gespecialiseerd centrum, van een persoon met een geestesstoornis, zelfs indien tot die detentie wordt beslist wegens strafrechtelijke antecedenten of als gevolg van een veroordeling voor een misdrijf, nadat de betrokkene een gevangenisstraf heeft uitgezeten, is geen straf in de zin van artikel 7, lid 1, van het Verdrag voor zover de maatregel gericht is op de medische en therapeutische behandeling van die persoon (ibid., §§ 210-236; zie ook EHRM, 7 januari 2016, Bergmann t. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:2016:0107JUD002327914, §§ 153-182). B.11.
- De bestreden beveiligingsmaatregel heeft tot doel de maatschappij te beschermen tegen personen met een ernstige psychiatrische aandoening waarvoor geen effectieve behandeling bestaat, na de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf en een terbeschikkingstelling aan de strafuitvoeringsrechtbank, wanneer zij niet zijn onderworpen aan enige strafuitvoeringsmodaliteit aan het einde van hun straf en zij een blijvend ernstig gevaar vormen voor de maatschappij. Hoewel de beveiligingsmaatregel door het vonnisgerecht wordt uitgesproken op hetzelfde tijdstip als de veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf en enkel ertoe kan worden beslist naar aanleiding van een veroordeling voor een misdrijf van een zekere ernst, heeft hij niet tot doel 17 het gepleegde misdrijf te bestraffen (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, p. 304), maar de maatschappij te beschermen tegen personen met een ernstige psychiatrische aandoening die niet behandelbaar is – hetgeen moet worden aangetoond door een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek –, waarbij hun een adequate behandeling wordt gewaarborgd, in een aangepaste beveiligde zorgomgeving (ibid., p. 306). Het feit dat de beveiligingsmaatregel op hetzelfde tijdstip wordt uitgesproken als de veroordeling tot de hoofdstraf, beoogt de rechtszekerheid te versterken. Volgens de parlementaire voorbereiding « weet de veroordeelde reeds van bij het begin van zijn straf dat mogelijkerwijze nog een beveiligingsmaatregel bij strafeinde ten uitvoer kan worden gelegd », en wordt hij ertoe aangezet « om reeds tijdens zijn gevangenisstraf te werken aan zijn problematiek of indien het onmogelijk is om te werken aan zijn problematiek, minstens de nodige structuren in zijn leven aan te brengen om op een normale, gevaarloze wijze te kunnen functioneren in de maatschappij na strafeinde » (ibid., pp. 302 en 305). B.11.
- De daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de beveiligingsmaatregel is evenwel niet automatisch : daartoe moet worden beslist door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, een andere rechterlijke instantie dan het vonnisgerecht die uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken en voor de bestreden beveiligingsmaatregel (artikel 3, 5°, van de wet van 29 februari 2024) en die bestaat uit een rechter, een assessor gespecialiseerd in sociale re- integratie en een assessor gespecialiseerd in klinische psychologie (artikel 78 van het Gerechtelijk Wetboek), onder de in artikel 11 bedoelde voorwaarden en in het bijzonder op voorwaarde dat een tweede forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt uitgevoerd (artikel 2, tweede lid, van de wet van 29 februari 2024) vóór het verstrijken van de terbeschikkingstelling van de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechtbank. Om te bepalen of de beveiligingsmaatregel ten uitvoer moet worden gelegd, neemt de kamer voor de bescherming van de maatschappij niet de feiten in aanmerking die ten grondslag liggen aan de veroordeling, maar wel de ernstige psychiatrische aandoening waaraan de betrokkene lijdt, het gevaar dat hij vormt voor de maatschappij en de noodzaak van een gespecialiseerde begeleiding die de betrokkene de nodige structuur en houvast kan bieden, zijnde de drie punten die moeten worden onderzocht gedurende het nieuwe forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek (artikel 11, § 1, van de wet van 29 februari 2024). 18 B.11.
- De beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij mag niet worden uitgevoerd in een psychiatrische afdeling van een gevangenis, noch in een strafhuis of een arresthuis. Hij mag enkel worden uitgevoerd in een door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij of in een door de federale overheid georganiseerd forensisch psychiatrisch centrum, of zelfs, in een tweede fase, in een privé-instelling of een instelling georganiseerd door een gemeenschap, een gewest of een lokale overheid. Aan de betrokkene kunnen, onder bepaalde voorwaarden, bepaalde uitvoeringsmodaliteiten waarin de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » voorziet, worden toegekend, voor zover het gevaar voldoende is afgenomen (artikel 16, eerste lid, van de wet van 29 februari 2024). B.11.
- Wat ten slotte de opvolging, controle, herroeping, schorsing, herziening en definitieve invrijheidstelling betreft, verwijst artikel 25 van de wet van 29 februari 2024 naar verschillende bepalingen van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering ». De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan in het kader van lopende procedures ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, of op verzoek van de veroordeelde, de definitieve opheffing bevelen indien de veroordeelde niet langer lijdt aan een ernstige psychiatrische aandoening, zodat redelijkerwijze niet meer te vrezen valt dat hij een nieuwe misdaad of een nieuw wanbedrijf pleegt die/dat de fysieke of psychische integriteit van derden zou aantasten of ze ernstig zou bedreigen (artikel 26 van de wet van 29 februari 2024). B.11.
- Rekening houdend met de aard en het doel van de maatregel, de uitvoeringsvoorwaarden ervan en de procedures in verband met de aanneming en de uitvoering ervan, is de beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij geen straf in de zin van de in B.8.2 geciteerde toetsingsnormen. In zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is het eerste middel niet gegrond. B.
- Het Hof dient nog na te gaan of de bestreden bepalingen bestaanbaar zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 19 B.
- Het beginsel van rechtszekerheid vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn alsook dat hun toepassing voorzienbaar is voor de justitiabelen. Dat beginsel verbiedt de wetgever om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtssubjecten om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. B.14.
- Het begrip « misdrijf dat een ernstige inbreuk heeft uitgemaakt op het leven, de fysieke, seksuele of psychische integriteit van het slachtoffer of een ernstig gevaar uitmaakte voor de openbare veiligheid » is vastgelegd in artikel 46, § 1, eerste lid, van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek », dat betrekking heeft op de bijkomende straf van verlengde opvolging. Daaruit volgt dat de aangevoerde grief niet voortvloeit uit de bestreden bepalingen. B.14.2.
- Wat betreft het begrip « ernstige psychiatrische aandoening [...] waarvoor vooralsnog geen voldoende effectieve behandeling bestaat, en die niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen [van de veroordeelde] of [diens] controle over zijn daden [tenietdoet] », vermeldt de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 februari 2024 : « We spreken van een ernstige, (vooralsnog onbehandelbare) psychiatrische aandoening zoals dit ook in de behandeling onder vrijheidsberoving en in het kader van de gedwongen opname het geval is. Met onbehandelbaar bedoelen we dat er in de huidige stand van de wetenschap geen effectieve behandeling bestaat voor de aandoening of dat er moet worden vastgesteld dat de behandeling niet aanslaat bij de betrokkene; » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, p. 302). B.14.2.
- De memorie van toelichting bij de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek » geeft aan : « De term psychiatrische aandoening dient in positieve, open zin te worden gelezen, aangezien zo kan worden voorkomen dat bepaalde aandoeningen buiten het toepassingsgebied van de wet zouden vallen (bijvoorbeeld persoonlijkheidsstoornissen) en dat anderzijds bepaalde aandoeningen ten onrechte binnen het toepassingsgebied vallen (bijvoorbeeld dementie, een niet-aangeboren hersenletsel na een verkeersongeval,…). 20 Deze positieve omschrijving van wat onder een psychiatrische aandoening moet worden verstaan, leidt niet tot een strikte beperking van het toepassingsgebied. De definitie blijft open genoeg, maar incorporeert uitdrukkelijk het evolutief karakter van de medische wetenschap. Het gebruik van dergelijke open definitie is ook in lijn met de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM, 26 juni 2018, nr. 691/15, D.R. t. Litouwen, § 83). Er kan ook worden verwezen naar het arrest nr. 6/2023 van 12 januari 2023 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat het aan de bevoegde rechter toekomt om in concreto te oordelen of een persoon met een alcohol-, toxicologische of medicijnverslaving, wanneer die ernstig is, in voorkomend geval, ook kan worden beschouwd als een geestesziek persoon in de zin van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, p. 165). Met verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens benadrukt de wetgever dat het begrip « psychiatrische aandoening » zich niet leent tot een precieze definitie, aangezien de betekenis ervan evolueert samen met de vooruitgang van de medische wetenschap. B.14.2.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek » blijkt dat een ernstige drugsverslaving en een verslaving kunnen worden gekwalificeerd als een psychiatrische aandoening (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, p. 362; Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3374/004, p. 97). B.14.2.
- Vervolgens vereisen de bestreden bepalingen dat de psychiatrische aandoening niet van die aard is dat zij het oordeelsvermogen van de betrokkene of diens controle over zijn daden tenietdoet. Die precisering is noodzakelijk, aangezien een persoon van wie het oordeelsvermogen (of onderscheidingsvermogen) en de controle over zijn daden volledig zijn weggevallen, niet strafrechtelijk verantwoordelijk is. B.14.
- De bestreden bepalingen verwijzen ook naar het begrip « voortdurend, ernstig gevaar [...] op het plegen van een nieuwe misdaad of wanbedrijf die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt en die een gevangenisstraf of opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben ». 21 B.14.
- Rekening houdend, niet alleen met de uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, maar ook met de mogelijke ontwikkelingen van de geneeskunde, was de wetgever niet verplicht om de voormelde begrippen die, gelezen in het licht van het voorgaande, voldoende nauwkeurig zijn, nader te omschrijven. De mogelijke meningsverschillen, bij de deskundigen, over de begrippen « oordeelsvermogen » (in de zin van « onderscheidingsvermogen »), « vermogen tot controle over zijn daden » en « effectieve behandeling » leiden niet tot een andere conclusie. Het staat aan de bevoegde rechter, in het licht van de verschillende deskundigenonderzoeken waarin de wet van 29 februari 2024 voorziet en, in voorkomend geval, van het advies van de arts die door de betrokkene is gekozen (artikel 7 van dezelfde wet), in concreto te beoordelen of de betrokkene onder de voormelde begrippen valt. B.
- Het eerste middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, is niet gegrond. Ten aanzien van het tweede en het derde middel B.16.
- De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 2, 5, 9, 10 en 11 van de wet van 29 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 5 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de beginselen van rechtszekerheid, wettigheid en evenredigheid. De verzoekende partij voert allereerst aan dat de bestreden beveiligingsmaatregel geen voldoende oorzakelijk verband meer heeft met de oorspronkelijke veroordeling, wat nochtans vereist wordt door artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Vervolgens zou de bestreden maatregel een algemeen preventiebeleid nastreven dat gericht is tegen een categorie van personen die gevaarlijk zijn omdat zij voortdurend tot delinquentie neigen, hetgeen niet kan verantwoorden dat tot een gevangenhouding wordt overgegaan op grond van artikel 5, lid 1, punt c), van hetzelfde Verdrag. Bovendien zou de bestreden 22 beveiligingsmaatregel, als sanctie, onevenredig zijn met het gepleegde feit. Ten slotte zou de bestreden beveiligingsmaatregel niet aangepast zijn aan de noden van de betrokkenen. B.16.
- De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending, door de artikelen 2, 5, 9 tot 11 en 26 van de wet van 29 februari 2024, van de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid. De verzoekende partij stelt dat de bestreden maatregel tijdens de parlementaire voorbereiding door deskundigen werd bekritiseerd en dat hij het belang van de betrokkene niet in aanmerking neemt. Het zou onevenredig zijn om, vanaf het ogenblik dat er geen effectieve behandeling voor de psychiatrische aandoening bestaat, de betrokkene van zijn vrijheid te beroven, a fortiori in een zorgomgeving die geen aangepaste zorg kan bieden. B.17.
- Artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg : a) indien hij op rechtmatige wijze wordt gevangen gehouden na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter; b) indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gevangen wordt gehouden, wegens weigering een overeenkomstig de wet door een rechter gegeven bevel op te volgen of ten einde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren; c) indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gevangen gehouden ten einde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer redelijke termen aanwezig zijn om te vermoeden, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan; d) in het geval van rechtmatige gevangenhouding van een minderjarige met het doel in te grijpen in zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige gevangenhouding, ten einde hem voor het bevoegde gezag te geleiden; e) in het geval van rechtmatige gevangenhouding van personen die een besmettelijke ziekte zouden kunnen verspreiden, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers; 23 f) in het geval van rechtmatige arrestatie of gevangenhouding van personen ten einde hen te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of indien tegen hen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is ». B.17.
- Aangezien de verzoekende partij in het verzoekschrift niet uiteenzet in welk opzicht de bestreden bepalingen artikel 5 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten schenden, is het middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van die bepaling, niet ontvankelijk. B.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 februari 2024 blijkt dat de beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij op artikel 5, lid 1, punt e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens berust, dat een rechtmatige gevangenhouding van geesteszieken mogelijk maakt (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, p. 305). Het Hof dient bijgevolg na te gaan of de bestreden beveiligingsmaatregel bestaanbaar is met artikel 5, lid 1, punt e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.19.
- Een vrijheidsberoving op grond van één van de motieven vermeld in artikel 5, lid 1, punten a) tot f), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geschiedt slechts « langs wettelijke weg » en in zoverre zij bestaanbaar is met het « algemeen beginsel van de rechtszekerheid », dat wil zeggen voor zover zij het gevolg is van de voorzienbare toepassing van een voldoende toegankelijke en nauwkeurige wet, die duidelijk de voorwaarden voor de vrijheidsberoving bepaalt, teneinde elk risico van willekeur te vermijden en eenieder - zo nodig omringd met bekwame raadslieden - de mogelijkheid te bieden om, volgens de omstandigheden, de mogelijke gevolgen van een handeling redelijkerwijs te voorzien (EHRM, 12 oktober 2006, Mubilanzila Mayeka en Kaniki Mitunga t. België, ECLI:CE:ECHR:2006:1012JUD001317803, § 97; 24 januari 2008, Riad en Idiab t. België, ECLI:CE:ECHR:2008:0124JUD002978703, § 72). B.19.
- Om « rechtmatig » te zijn, moet een vasthouding bestaanbaar zijn met de zorg om het individu tegen willekeur te beschermen (EHRM, 12 oktober 2006, Mubilanzila Mayeka en Kaniki Mitunga t. België, voormeld, § 96; 24 januari 2008, Riad en Idiab t. België, voormeld, § 71; 13 december 2011, Kanagaratnam e.a. t. België, 24 ECLI:CE:ECHR:2011:1213JUD001529709, § 83; 20 december 2011, Yoh-Ekale Mwanje t. België, ECLI:CE:ECHR:2011:1220JUD001048610, § 116). B.19.
- Het begrip « willekeur » omvat ook een onderzoek naar de vraag of de vrijheidsberoving nodig was om het nagestreefde doel te bereiken. Vrijheidsberoving is een maatregel die zo ernstig is dat hij alleen gerechtvaardigd is als laatste redmiddel, wanneer andere, minder strenge maatregelen zijn genomen, overwogen en onvoldoende geacht ter bescherming van het persoonlijk of openbaar belang dat een gevangenhouding vereist (EHRM, 4 april 2000, Witold Litwa t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2000:0404JUD002662995, § 78; 8 juni 2004, Hilda Hafsteinsdóttir t. IJsland, ECLI:CE:ECHR:2004:0608JUD004090598, § 51; grote kamer, 29 januari 2008, Saadi t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903, § 70). De vereiste dat een vrijheidsberoving niet willekeurig mag zijn, impliceert dus dat er een evenredige verhouding moet zijn tussen het motief dat wordt aangevoerd om de vrijheidsberoving te verantwoorden en de vrijheidsberoving zelf. Wat de vrijheidsberoving van « geesteszieken » betreft, mag de betrokkene enkel van zijn vrijheid worden beroofd indien de geestesstoornis van dien aard of omvang is dat een verplichte internering verantwoord is, met dien verstande dat de internering enkel op geldige wijze kan worden voortgezet indien een dergelijke stoornis aanhoudt (EHRM, 18 september 2012, James, Wells en Lee t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2012:0918JUD002511909), § 195; grote kamer, 29 januari 2008, voormeld, § 70). B.19.
- De vrijheidsberoving van een persoon met een geestesstoornis is enkel in overeenstemming met artikel 5, lid 1, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien voldaan wordt aan drie minimumvoorwaarden. Ten eerste dient afdoende te worden aangetoond, op basis van een objectieve, medische expertise, dat de persoon lijdt aan een reële en voortdurende geestesstoornis. Ten tweede moet die stoornis van dien aard of omvang zijn dat zij een voortdurende vrijheidsberoving rechtvaardigt. Ten derde is de rechtmatigheid van een voortdurende vrijheidsberoving afhankelijk van het aanhouden van een dergelijke stoornis, in die zin dat de geïnterneerde de mogelijkheid moet krijgen om vrij te komen wanneer zijn gezondheidstoestand voldoende is gestabiliseerd (EHRM, 24 oktober 1979, Winterwerp t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:1979:1024JUD000630173, § 39; 25 grote kamer, 4 december 2018, Ilnseher, voormeld, § 127; grote kamer, 1 juni 2021, Denis en Irvine t. België, ECLI:CE:ECHR:2021:0601JUD006281917, § 135). B.19.
- Artikel 5, lid 1, punt e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens « preciseert niet de eventuele strafbare feiten waarvoor iemand kan worden gevangengehouden als ‘ geesteszieke ’. Die bepaling vereist overigens niet dat zulke feiten zijn gepleegd [...]. Zij vereist enkel dat de geestesziekte afdoende is aangetoond, dat de stoornis een karakter of omvang heeft die een internering rechtvaardigt en dat die stoornis aanhoudt gedurende de hele internering » (EHRM, grote kamer, 1 juni 2021, Denis en Irvine t. België, voormeld, § 168). Overigens sluit het feit dat een beveiligingsdetentie enkel kan worden uitgesproken ten aanzien van personen met een crimineel verleden, en dus na een veroordeling, op zich niet uit dat die detentie wordt verantwoord op basis van artikel 5, lid 1, punt e), van het Verdrag (EHRM, grote kamer, 4 december 2018, Ilnseher, voormeld, §§ 126-171). B.19.
- Diezelfde bepaling « staat de plaatsing van een persoon met een geestesstoornis toe zonder dat er noodzakelijkerwijs zicht is op een medische behandeling », op voorwaarde dat de maatregel « afdoende gerechtvaardigd is door de ernst van de gezondheidstoestand van de betrokkene, teneinde diens eigen bescherming of de bescherming van anderen te waarborgen » (EHRM, 28 november 2017, N. t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2017:1128JUD005915208, § 151). B.
- Uit hetgeen in B.11 is vermeld, blijkt dat de wet van 29 februari 2024 waarborgt dat afdoende wordt aangetoond, op basis van een objectief medisch deskundigonderzoek, dat de persoon aan een reële en voortdurende geestesstoornis lijdt, dat die stoornis een karakter of omvang heeft die een handhaving van de vrijheidsberoving rechtvaardigt en dat de beveiligingsmaatregel zal worden stopgezet wanneer de geestestoestand van die persoon voldoende is gestabiliseerd, zodat redelijkerwijze niet meer te vrezen valt dat hij een ernstig misdrijf zal plegen (artikelen 25 en 26 van de wet van 29 februari 2024; zie ook artikel 66 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering ». Een persoon die het voorwerp uitmaakt van een beveiligingsmaatregel, dient te verblijven hetzij in een door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij, hetzij in een door de federale overheid georganiseerd forensisch 26 psychiatrisch centrum, hetzij, tijdens de uitvoering van de maatregel, in een privé-instelling of een instelling georganiseerd door een gemeenschap, een gewest of een lokale overheid. B.
- Wat betreft de bewering van de verzoekende partij volgens welke « een opheffing van de maatregel niet langer afhankelijk wordt gesteld van het risico dat de betrokkene ‘ een nieuwe misdaad of wanbedrijf [pleegt] die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt en die een gevangenisstraf of opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben ’, maar enkel van het risico dat de betrokkene ‘ een nieuwe misdaad of wanbedrijf [zal plegen] die de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig aantast of bedreigt ’ zonder dat de graad van die nieuwe misdaad of dat nieuw wanbedrijf wordt gepreciseerd zodat het zou kunnen gaan om een misdaad of wanbedrijf waarop een gevangenisstraf of opsluiting van minder dan vijf jaar is gesteld », dient artikel 26 van de wet van 29 februari 2024, dat de definitieve opheffing van de bestreden beveiligingsmaatregel regelt, te worden geïnterpreteerd op een manier die coherent is met de bepalingen van dezelfde wet die de voorwaarden vaststellen waaronder de beveiligingsmaatregel kan worden uitgesproken. Bijgevolg moet de kamer voor de bescherming van de maatschappij de definitieve opheffing van de maatregel kunnen bevelen indien de veroordeelde niet langer lijdt aan een ernstige psychiatrische aandoening, zodat redelijkerwijze niet meer te vrezen valt dat hij een nieuwe misdaad of een nieuw wanbedrijf pleegt die/dat de fysieke of psychische integriteit van derden zou aantasten of ze ernstig zou bedreigen en die/dat een gevangenisstraf of opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg zou kunnen hebben. B.
- De vrijheidsberoving die uit de bestreden beveiligingsmaatregel voortvloeit, is dus verantwoord op grond van artikel 5, lid 1, punt e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het is bijgevolg niet noodzakelijk om na te gaan of de bestreden beveiligingsmaatregel kan steunen op een andere grondslag bedoeld in artikel 5, lid 1, van hetzelfde Verdrag. De door de verzoekende partij opgeworpen grieven betreffende, enerzijds, het feit of het oorzakelijk verband tussen de beveiligingsmaatregel en de oorspronkelijke veroordeling voldoende is aangetoond alsook de onevenredigheid van de beveiligingsmaatregel – als sanctie – ten opzichte van het gepleegde feit, en, anderzijds, de uitvoering van een algemeen preventiebeleid dat gericht is tegen een categorie van personen die gevaarlijk zijn door hun 27 voortdurende neiging tot delinquentie, dienen dus niet te worden onderzocht, omdat die grieven respectievelijk betrekking hebben op de punten a) en c) van artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
- Rekening houdend met hetgeen in B.21 is vermeld, zijn het tweede en het derde middel niet gegrond. Ten aanzien van het vierde middel B.
- De verzoekende partij leidt een vierde middel af uit de schending, door artikel 5, § 1, eerste streepje, van de wet van 29 februari 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoekende partij schendt de bestreden bepaling het vermoeden van onschuld doordat zij erin voorziet dat de rechter een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek tot het al dan niet uitspreken van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij kan bevelen indien hij van oordeel is dat het feit moet worden bestraft met een correctionele hoofdgevangenisstraf van minimum vijf jaar of een zwaardere straf. Die beslissing wordt genomen vóór de wettelijke vaststelling van de schuld van de justitiabele, terwijl zij een oordeel over die schuld laten doorschemeren. B.25.
- Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens wordt eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet wordt bewezen. B.25.
- Als procedurele waarborg in strafzaken stelt het vermoeden van onschuld eisen aan onder meer de bewijslast, wettelijke vermoedens van feitelijke en juridische aard, het recht om zichzelf niet te beschuldigen, publiciteit voorafgaand aan het proces, voorbarige uitingen door rechters of andere overheidsfunctionarissen over de schuld van een verdachte (EHRM, grote kamer, 12 juli 2013, Allen t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409, § 93). 28 B.
- Het feit dat het vonnisgerecht een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek moet bevelen om te beoordelen of het opportuun is om al dan niet een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij uit te spreken, vóór de uitspraak van het vonnis waarbij de schuld van de betrokkene wordt vastgesteld, doet geen afbreuk aan het vermoeden van onschuld. Het gaat niet om een voorbarige verklaring betreffende de schuld van de betrokkene, maar om een maatregel die noodzakelijk is om te beoordelen of het opportuun is om de bestreden beveiligingsmaatregel uit te spreken. Door het bevelen van zulk een deskundigenonderzoek, bij een met redenen omklede beslissing en na de partijen te hebben gehoord, loopt het vonnisgerecht niet vooruit op een eventuele veroordeling van de betrokkene; het beveelt een maatregel die bedoeld is om het te informeren en het te helpen om de meest passende beslissing te nemen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 februari 2024 blijkt overigens dat « indien de rechter op basis van het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek besluit dat niet kan worden voldaan aan de voorwaarden om een beveiligingsmaatregel op te leggen, [...] hij op basis daarvan uiteraard ook een andere beslissing [kan] nemen zoals bijvoorbeeld een behandeling onder vrijheidsberoving, een internering, enz. Indien noodzakelijk kan hij daartoe nog bijkomend onderzoek vragen of vragen dat er een antwoord wordt geformuleerd op de vereiste vragen in het kader van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, p. 308). B.
- Het vierde middel is niet gegrond. 29 Om die redenen, het Hof, rekening houdend met hetgeen in B.4.3, B.21 en B.26 is vermeld, verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 januari
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.002 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:CE:ECHR:1979:1024JUD000630173 ECLI:CE:ECHR:2000:0404JUD002662995 ECLI:CE:ECHR:2004:0608JUD004090598 ECLI:CE:ECHR:2006:1012JUD001317803 ECLI:CE:ECHR:2008:0124JUD002978703 ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903 ECLI:CE:ECHR:2011:1213JUD001529709 ECLI:CE:ECHR:2011:1220JUD001048610 ECLI:CE:ECHR:2012:0918JUD002511909 ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409 ECLI:CE:ECHR:2013:1021JUD004275009 ECLI:CE:ECHR:2016:0107JUD002327914 ECLI:CE:ECHR:2016:0517DEC007695911 ECLI:CE:ECHR:2017:1128JUD005915208 ECLI:CE:ECHR:2018:0628JUD000182806 ECLI:CE:ECHR:2018:1204JUD001021112 ECLI:CE:ECHR:2021:0601JUD006281917 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div