← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.007 Arrest- Rolnummer: 7/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-01-26 Raadplegingen: 594 - laatst gezien 2026-06-18 20:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019, in de versie ervan vóór en na de inwerkingtreding van de artikelen 2 en 3 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 15 december 2022, in zoverre zij de leeftijdsgrens voor de toekenning van de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap beperken tot de leeftijd van 21 jaar) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag », in de versie die gold zowel vóór als na de wijziging ervan bij de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 15 december 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag en de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Sociale zekerheid - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie - Kinderbijslag - Toeslag verbonden aan de handicap - Leeftijdsgrens Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 7/2026 van 15 januari 2026 Rolnummer : 8375 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag », in de versie die gold zowel vóór als na de wijziging ervan bij de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 15 december 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag en de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 26 november 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 december 2024, heeft de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : «

  1. Schenden de artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, in de versie ervan die gold zowel vóór als na de wijziging ervan bij de ordonnantie van 15 december 2022, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4, 5 en 24 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, in zoverre zij, in tegenstelling tot wat is bepaald voor de gewone kinderbijslag die kan worden betaald tot de leeftijd van 25 jaar voor de kinderen die hun studies voortzetten, erin voorzien dat de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap van het kind slechts kan worden uitbetaald tot de leeftijd van 21 jaar, waardoor de kinderen met een handicap die hun studies voortzetten verschillend worden behandeld naargelang zij minder dan 21 jaar oud zijn of tussen 21 en 25 jaar oud zijn ? »; 2 «
  2. Schenden de artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, in de versie ervan die gold zowel vóór als na de wijziging ervan bij de ordonnantie van 15 december 2022, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4, 5 en 24 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, in zoverre zij, in tegenstelling tot wat is bepaald voor de gewone kinderbijslag die kan worden betaald tot de leeftijd van 25 jaar voor de kinderen die hun studies voortzetten, erin voorzien dat de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap van het kind slechts kan worden uitbetaald tot de leeftijd van 21 jaar, waardoor de kinderen van 21 tot 25 jaar die hun studies voortzetten identiek worden behandeld zonder rekening te houden met hun eventuele handicap ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Rémi de Buisseret-Darragi en Laurence de Buisseret, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean-François Neven, advocaat bij de balie te Brussel; - Iriscare, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Kaiser, mr. Marc Verdussen en mr. Cécile Jadot, advocaten bij de balie te Brussel; - het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Kaiser, mr. Marc Verdussen en mr. Cécile Jadot. Bij beschikking van 22 oktober 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege zijn een moeder en haar zoon, die in december 2001 is geboren en voor wie het recht op een toeslag op de kinderbijslag voor een kind met een handicap sinds 2006 is erkend. Die toeslag werd sinds 1 januari 2023 niet meer toegekend aangezien de zoon in december 2022 de leeftijdsgrens van 21 jaar had bereikt. De basiskinderbijslag, alsook de leeftijdstoeslag en de sociale toeslag, werden evenwel verder toegekend, aangezien de zoon zijn studies voortzette. Wat de tegemoetkomingen betreft waarin wordt voorzien bij de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap », werd aan de zoon bovendien de toekenning van een inkomensvervangende tegemoetkoming en van een integratietegemoetkoming geweigerd. De moeder en haar zoon vorderen voor het verwijzende rechtscollege dat het recht op de toeslag op de kinderbijslag voor een kind met een handicap wordt hersteld vanaf 1 januari
  3. Het verwijzende rechtscollege merkt op dat studenten volgens de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 3 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag » (hierna : de ordonnantie van 25 april 2019) tot de leeftijd van 25 jaar de basiskinderbijslag kunnen genieten, maar dat de aan de handicap verbonden toeslag slechts tot de leeftijd van 21 jaar wordt toegekend, zodat studenten met een handicap tussen 21 en 25 jaar het recht op de basiskinderbijslag openen, maar niet op de aan de handicap verbonden toeslag. Bijgevolg is het verwijzende rechtscollege van oordeel dat de afschaffing van die toeslag vanaf 1 januari 2023 te dezen een correcte toepassing is van artikel 26 van de ordonnantie van 25 april
  4. Het heeft evenwel vragen bij de grondwettigheid van de leeftijdsgrens van 21 jaar voor die toeslag en beslist dan ook om, op verzoek van de eisende partijen, aan het Hof de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.
  5. Het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (hierna : het Verenigd College) laat gelden dat de eerste prejudiciële vraag betrekking heeft op het verschil in behandeling tussen de kinderen met een handicap die hun studies voortzetten naargelang zij jonger zijn dan 21 jaar of tussen 21 en 25 jaar oud zijn. Volgens het Verenigd College berust dat verschil in behandeling op een objectief criterium van onderscheid, namelijk de leeftijd van het betrokken kind. Vervolgens herinnert het Verenigd College eraan dat de leeftijdsgrens van 21 jaar voor de toekenning van de toeslag op de kinderbijslag die is verbonden aan de handicap, werd ingevoerd bij de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap » (hierna : de wet van 27 februari 1987), omdat de minimumleeftijd voor de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming en van de integratietegemoetkoming toen 21 jaar bedroeg. Het merkt op dat zowel de integratietegemoetkoming als de verhoogde kinderbijslag ertoe strekken de extra kosten in het dagelijkse leven die verband houden met de handicap, te dekken. Het beklemtoont dat de federale wetgever ingevolge het arrest van het Hof nr. 103/2020 van 9 juli 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.103) de leeftijdsvoorwaarde voor de toekenning van de integratietegemoetkoming en de inkomensvervangende tegemoetkoming heeft verlaagd tot 18 jaar. Het Verenigd College betoogt dat de ordonnantiegever ingevolge die wijziging van de federale wetgeving tot doel had de afstemming tussen het Brusselse stelsel van de kinderbijslag en het federale stelsel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap te herstellen. Enerzijds heeft de ordonnantiegever de leeftijdsgrens op 21 jaar behouden voor de onvoorwaardelijke toekenning van de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een handicap, teneinde de negatieve gevolgen te vermijden die een verlaging van die leeftijdsgrens naar 18 jaar zou hebben teweeggebracht. Anderzijds heeft de ordonnantiegever een regel ingevoerd waarbij de cumulatie met de twee federale tegemoetkomingen verboden is. Volgens het Verenigd College waarborgt het feit dat de afstemming tussen de twee stelsels wordt hersteld, een rationeel gebruik van de publieke middelen, beantwoordt het aan een streven naar coherentie en sociale rechtvaardigheid, waarborgt het dat in de behoeften van de begunstigden wordt voorzien en biedt het een evenwichtige overgang van het ene stelsel naar het andere. Het voegt eraan toe dat, zowel vóór als na de defederalisering van de materie van de gezinsbijslag, nooit is overwogen om de leeftijdsgrens voor de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag op te trekken tot 25 jaar. Volgens het Verenigd College is 18 jaar de spilleeftijd vanaf wanneer de ordonnantiegever zich niet meer ertoe gehouden acht een aanvullende toeslag toe te kennen om de extra kosten in verband met de handicap te dekken, en is 21 jaar de leeftijd vanaf wanneer de ordonnantiegever meent dat het federale stelsel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap exclusief van toepassing moet zijn, ongeacht of de toekenningsvoorwaarden verschillen. Het besluit daaruit dat het in het geding zijnde verschil in behandeling op een pertinent en noodzakelijk criterium van onderscheid berust en dat het geen onevenredige gevolgen heeft. Wat de eventuele verschillen tussen de toekenningsvoorwaarden voor de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag en die voor de federale tegemoetkomingen aan personen met een handicap betreft, wijst het Verenigd College erop dat de prejudiciële vraag noch op de eerste, noch op de tweede voorwaarden betrekking heeft. Het voegt eraan toe dat, ook al zijn niet precies dezelfde criteria van toepassing in beide stelsels, de divergenties, die overigens veel minder zijn dan de convergenties, worden verklaard door het feit dat met die twee stelsels verschillende doelgroepen worden beoogd. In dat opzicht merkt het op dat de criteria om de zelfredzaamheid van een minderjarige te beoordelen, niet in alle opzichten kunnen overeenstemmen met die welke van toepassing zijn op een volwassene. Bovendien benadrukt het Verenigd College dat het feit dat de bevoegdheid 4 inzake de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming niet aan de gemeenschappen is overgedragen, niet volgt uit de in het geding zijnde bepalingen, maar uit de keuze van de bijzondere wetgever. Het Verenigd College besluit daaruit dat de artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag » (hierna : de ordonnantie van 25 april 2019) bestaanbaar zijn met de in de prejudiciële vraag beoogde grondwets- en verdragsbepalingen. A.1.
  6. Iriscare, de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, zet een argumentatie uiteen die identiek is aan die van het Verenigd College. A.1.
  7. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat het criterium van onderscheid waarop het in het geding zijnde verschil in behandeling is gebaseerd, niet langer pertinent is. Volgens hen kan de leeftijdsgrens van 21 jaar voor de toekenning van de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag niet langer worden verantwoord door de doelstelling om de samenhang met de bij de wet van 27 februari 1987 bepaalde tegemoetkomingen te waarborgen, en dat om drie redenen. Ten eerste betogen zij dat de toekenningsvoorwaarden voor de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag sterk zijn gaan afwijken van de toekenningsvoorwaarden voor de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, terwijl ze bij de aanneming van de wet van 27 februari 1987 grotendeels overeenkwamen. Zij beklemtonen dat, wat de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming betreft, de beoordelingsmethodes, die sinds het einde van de jaren 1980 ongewijzigd zijn, representatief zijn voor een medische benadering van de handicap. Zij merken op dat, hoewel de medische voorwaarden voor de toekenning van de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag aanvankelijk waren overgenomen van die welke golden voor de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, zulks sinds een hervorming in 2002- 2003 niet langer het geval is. Zij beklemtonen dat de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag sinds die hervorming ruimer wordt toegekend en volgens wezenlijk verschillende beginselen, daar de beoordelingsmethode voortaan veel dichter aansluit bij de omgevingsgerichte of sociale invulling van de handicap en de toeslag tevens toegankelijk is voor kinderen wier handicap minder zwaar is. Ten tweede beklemtonen zij dat de federale tegemoetkomingen aan personen met een handicap sinds de wijziging van de wet van 27 februari 1987 ingevolge het voormelde arrest van het Hof nr. 103/2020 worden toegekend vanaf de leeftijd van 18 jaar, zodat de leeftijd van 21 jaar geen enkele rol meer speelt voor die tegemoetkomingen. Volgens hen illustreert de anti- cumulatieregel die de ordonnantiegever ingevolge die wijziging van de federale wetgeving in de ordonnantie van 25 april 2019 heeft ingevoerd, dat het leeftijdscriterium niet langer pertinent is, aangezien dat criterium niet langer noodzakelijk is om de coördinatie tussen beide stelsels te waarborgen. Zij voegen eraan toe dat de ordonnantiegever enkel in een anti-cumulatieregel wilde voorzien en niet heeft overwogen om de leeftijdsgrens voor de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag te verlagen tot 18 jaar. Volgens hen zou een dergelijke verlaging problemen hebben opgeleverd ten aanzien van de standstill-verplichting en de internationale verbintenissen van België, zou ze in tegenspraak zijn geweest met de doelstelling om kinderen met een handicap ertoe aan te zetten verder te studeren en zou ze het stereotype dat een kind met een handicap niet wordt verondersteld lang te studeren, nog hebben bevestigd. Zij voeren eveneens aan dat het, rekening houdend met de verlenging van de studies die sinds 1987 wordt vastgesteld, niet meer redelijk is om ervan uit te gaan dat 21 jaar de leeftijd is waarop een hogere studie gewoonlijk wordt afgerond. Ten derde beklemtonen zij dat de kinderbijslag en de tegemoetkomingen aan personen met een handicap sinds de Zesde Staatshervorming tot de bevoegdheid van onderscheiden wetgevers behoren. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege vestigen bovendien de aandacht op meerdere wezenlijke verschillen tussen de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag en de tegemoetkomingen aan personen met een handicap :

(1)de tegemoetkomingen aan personen met een handicap zijn socialebijstandsuitkeringen, terwijl de kinderbijslag valt onder een verzekeringsstelsel, dat voortaan universeel is, in het kader waarvan het hogere belang van het kind centraal staat;
(2)in tegenstelling tot de kinderbijslag zijn de tegemoetkomingen aan personen met een handicap gekoppeld aan inkomensvoorwaarden;
(3)de tegemoetkomingen aan personen met een handicap zijn onderworpen aan veel strengere nationaliteits- en verblijfsvoorwaarden dan de kinderbijslag;
(4)de kinderbijslag valt onder de verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 « betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels », terwijl de integratietegemoetkoming niet onder het toepassingsgebied van die verordening valt en de inkomensvervangende tegemoetkoming er slechts beperkt onder valt;
(5)de tegemoetkomingen aan personen met een handicap hebben tot doel de bestaanszekerheid van de minstbedeelden te waarborgen, terwijl de kinderbijslag vanaf 18 jaar in essentie is opgevat als ondersteuning van opleiding en onderwijs, en de aan de handicap verbonden toeslag in verband staat met het recht op inclusief onderwijs;
(6)de tegemoetkomingen aan personen met een handicap berusten op een verouderd medisch model, terwijl dat model 5 sinds de hervorming van 2002-2003 niet meer van toepassing is op de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag. Volgens hen kan er, gelet op die wezenlijke verschillen, niet langer redelijkerwijs staande worden gehouden dat er sprake is van continuïteit tussen de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag en de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Nog steeds volgens hen wordt dat gebrek aan continuïteit in de statistieken bevestigd. Zij menen dat het doel van continuïteit dus niet langer de leeftijdsgrens van 21 jaar kan verantwoorden voor de toekenning van de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag. Zij voegen eraan toe dat die leeftijdsgrens door geen enkel intern element van het kinderbijslagstelsel wordt verantwoord. Bovendien doen de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling – dat reeds vóór de defederalisering van de materie van de gezinsbijslag en vóór het voormelde arrest van het Hof nr. 103/2020 bestond – los van de door dat arrest ontstane wetswijzigingen moet worden beoordeeld, aangezien noch dat laatste arrest, noch die wetswijzigingen betrekking hebben op de studenten die 21 tot 25 jaar oud zijn. Voorts merken de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege op dat de toeslag op de kinderbijslag ertoe strekt het kind met een handicap de mogelijkheid te bieden om alle of een deel van zijn extra uitgaven in het kader van zijn studieloopbaan en zijn opleiding op zich te nemen. Zij benadrukken dat die extra uitgaven bij het voortzetten van de studies niet wegvallen op 21 jaar, zodat een dergelijke leeftijdsgrens de bij de artikelen 5, 24 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap gewaarborgde toegang tot onderwijs zonder discriminatie in het gedrang brengt. Zij verwijzen eveneens naar de aanbeveling van Unia van 20 juni 2024 volgens welke de leeftijdsgrens voor de toekenning van de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag zou moeten worden opgetrokken tot 25 jaar. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege besluiten daaruit dat de artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van 25 april 2019 niet bestaanbaar zijn met de in de prejudiciële vraag beoogde grondwets- en verdragsbepalingen. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.2.1. Het Verenigd College merkt op dat de tweede prejudiciële vraag betrekking heeft op de identieke behandeling van de kinderen die 21 tot 25 jaar oud zijn, los van hun eventuele handicap. Het betwist dat een dergelijke identieke behandeling bestaat, aangezien het federale stelsel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap geldt vanaf de leeftijd van 18 jaar teneinde de extra kosten in verband met de handicap te dekken. Voor het overige verwijst het naar zijn argumentatie met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag. A.2.2. Iriscare zet een argumentatie uiteen die identiek is aan die van het Verenigd College. A.2.3. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege verwijzen naar hun argumentatie met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de leeftijdsgrens van 21 jaar voor de toekenning van de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap, namelijk de toeslag die wordt toegekend wegens de aandoening waaraan het kind lijdt. Zij betreffen de artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag » (hierna : de ordonnantie van 6 25 april 2019) in de versie ervan vóór en na de inwerkingtreding van de artikelen 2 en 3 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 15 december 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag en de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag » (hierna : de ordonnantie van 15 december 2022). B.2.1. Krachtens artikel 25, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt de kinderbijslag toegekend tot 31 augustus van het kalenderjaar in de loop waarvan het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt. Artikel 25, § 2, van dezelfde ordonnantie bepaalt dat de kinderbijslag na die datum wordt toegekend onder de voorwaarden bepaald door het Verenigd College tot de leeftijd van 25 jaar voor bepaalde categorieën, met name de studenten (artikel 25, § 2, b)). B.2.2. Wat de kinderen met een handicap betreft, bepaalt de ordonnantie van 25 april 2019 dat de kinderbijslag wordt toegekend tot de leeftijd van 21 jaar (artikel 26) en wordt aangevuld met een toeslag (artikel 12). De artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van 25 april 2019, zoals zij van toepassing waren in hun oorspronkelijke versie, bepaalden : « Art. 12. De in artikel 7, b), bedoelde basiskinderbijslag wordt aangevuld met een toeslag op basis van de zelfredzaamheidsgraad van het kind of de ernst van de gevolgen van de aandoening van het kind, volgens de voorwaarden en de praktische regels bepaald door en op grond van artikel 47 van de AKBW ». « Art. 26. De kinderbijslag wordt ook toegekend tot de leeftijd van 21 jaar voor een kind met een aandoening die gevolgen voor hem heeft op het vlak van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, of op het vlak van activiteiten en participatie, of voor zijn familiale omgeving, binnen de voorwaarden bepaald door en krachtens artikel 63 van de AKBW. Onverminderd artikel 29 en bij afwijking van het eerste lid, behoudt het kind met een aandoening dat minstens 21 jaar was op 1 juli 1987 en dat op 31 december 2019 rechtgevend is bij toepassing van artikel 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals van toepassing voorafgaand aan de wijziging door de wet van 29 december 1990, zijn recht op het bedrag van de kinderbijslag dat hem is verschuldigd voor de maand december 2019, onder de voorwaarden die krachtens die bepaling zijn vastgesteld ». Zoals in de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 25 april 2019 (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2018-2019, 7 B-160/1, pp. 14 en 18) wordt benadrukt, is in die ordonnantie aldus de regeling van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna : de AKBW) met betrekking tot de kinderbijslag voor kinderen met een handicap (artikel 63 van de AKBW) en de toeslag op die kinderbijslag (artikel 47 van de AKBW) overgenomen. De leeftijdsgrens van 21 jaar in de artikelen 47 en 63 van de AKBW werd ingevoerd bij de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap » (hierna : de wet van 27 februari 1987). De wetgever beoogde aldus de leeftijdsgrens in de betrokken bepalingen van de AKBW af te stemmen op de voorwaarde inzake de minimumleeftijd, die toen op 21 jaar was vastgesteld, waarin de wet van 27 februari 1987 voorzag voor de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, namelijk de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 448/1, p. 8; nr. 448/4, pp. 3, 4 en 11). Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 februari 1987 antwoordde de bevoegde staatssecretaris, op de vraag wat « er zal gebeuren wanneer een gehandicapte na de leeftijd van 21 jaar nog verder studeert », dat de « betrokkene in dat geval de kinderbijslag als student kan combineren met een tegemoetkoming als gehandicapte, na onderzoek van de bestaansmiddelen », maar dat « het recht op bijkomende kinderbijslag als gehandicapte vervalt […] op de leeftijd van 21 jaar » (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 448/4, p. 17). B.2.3. Bij zijn arrest nr. 103/2020 van 9 juli 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.103) heeft het Hof geoordeeld dat artikel 2, §§ 1 en 2, van de wet van 27 februari 1987 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond, in zoverre het de minimumleeftijd voor de toekenning van een inkomensvervangende tegemoetkoming en van een integratietegemoetkoming voor meerderjarige personen met een handicap vaststelde op 21 jaar. Ingevolge dat arrest heeft de federale wetgever de voorwaarde inzake de minimumleeftijd voor beide tegemoetkomingen verlaagd van 21 naar 18 jaar (wet van 20 december 2020 « tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, houdende de aanpassing van het leeftijdscriterium van 21 naar 18 jaar »). Ingevolge die wijziging van de wet van 27 februari 1987 heeft de ordonnantiegever de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 24 december 2021 « betreffende de invoering van een samenloopregeling in de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag met betrekking tot de betaling van de toeslag voor kinderen met een aandoening » (hierna : de ordonnantie van 24 december 2021) aangenomen, 8 die op 1 januari 2022 in werking is getreden. Artikel 12 van de ordonnantie van 25 april 2019, zoals aangevuld bij de ordonnantie van 24 december 2021, bepaalt : « De in artikel 7, b), bedoelde basiskinderbijslag wordt aangevuld met een toeslag op basis van de zelfredzaamheidsgraad van het kind of de ernst van de gevolgen van de aandoening van het kind, volgens de voorwaarden en de praktische regels bepaald door en op grond van artikel 47 van de AKBW. De betaling van de in het eerste lid bedoelde toeslag wordt opgeschort voor elke maand waarvoor de inkomensvervangende tegemoetkoming bedoeld in artikel 2, paragraaf 1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap of de integratietegemoetkoming bedoeld in artikel 2, paragraaf 2 van dezelfde wet wordt toegekend ». Uit de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 24 december 2021 blijkt dat de ordonnantiegever aldus de kinderbijslagregeling weer wilde afstemmen op de federale regeling betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap en tegelijk wilde vermijden dat zulks bepaalde negatieve gevolgen zou teweegbrengen. Om dat te bereiken, besliste de ordonnantiegever om de leeftijdsgrens met betrekking tot de kinderbijslag voor kinderen met een handicap en de toeslag op die kinderbijslag te behouden op 21 jaar, en tegelijk een regel in te voeren om de cumulatie van die toeslag met de federale tegemoetkomingen aan personen met een handicap te verbieden (artikel 12, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019, zoals ingevoegd bij de ordonnantie van 24 december 2021). De parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 24 december 2021 vermeldt daarover : « In het arrest nr. 103/2020 van 9 juli 2020 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap het gelijkheidsbeginsel schond, in zoverre deze wet de minimumleeftijd voor de toekenning van een inkomensvervangende tegemoetkoming en van een integratietegemoetkoming voor meerderjarige personen met een handicap vaststelde op 21 jaar. Daarop heeft de federale wetgever het leeftijdscriterium dat van toepassing is bij de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming (hierna IVT genoemd) en de integratietegemoetkoming (hierna ITT genoemd) verlaagd naar 18 jaar. Dit gebeurde via de wet van 20 december 2020 tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, houdende de aanpassing van het leeftijdscriterium van 21 naar 18 jaar (BS 18 januari 2021). De datum van de inwerkingtreding van de federale maatregel werd met terugwerkende kracht vastgelegd op 1 augustus 2020, wat overeenstemt met de eerste dag van de maand die volgt op het arrest van het Grondwettelijk Hof. 9 Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Brusselse gezinsbijslagsysteem op 1 januari 2020, waren de leeftijdsvoorwaarden in de Algemene kinderbijslagwet (AKBW) en in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap op elkaar afgestemd. De maximumleeftijd voor de toeslag voor kinderen met een aandoening in de kinderbijslagregeling kwam overeen met de minimumleeftijd voor de toekenning van de IVT en de ITT. Deze overeenstemming werd logischerwijze behouden bij de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag. De basistoeslag voor kinderen met een aandoening is verschuldigd tot de leeftijd van 21 jaar, uitgezonderd indien het kind na die leeftijd op grond van een andere hoedanigheid de kinderbijslag kan ontvangen, bijvoorbeeld omdat het verder studeert. Ook de toeslag op basis van de zelfredzaamheidsgraad van het kind of de ernst van de gevolgen van de aandoening van het kind kan maximaal tot de leeftijd van 21 jaar worden toegekend. De verlaging van de minimumleeftijd voor de toekenning van de IVT en de ITT heeft er echter voor gezorgd dat deze alignering teniet is gedaan. De voorgestelde maatregel strekt er bijgevolg toe om de alignering van de beide regelingen, namelijk de Brusselse kinderbijslagregeling en de federale regeling voor tegemoetkomingen aan personen met een handicap, te herstellen door een gelijktijdige toekenning van de specifieke prestaties voor personen met een aandoening in die beide stelsels te vermijden. Daarbij wordt erop gewezen dat het Grondwettelijk Hof in het voormelde arrest reeds aangaf dat het ‘ de gemeenschappen vrij [staat] hun beleid inzake kinderbijslagen af te stemmen op een wijziging van de voormelde leeftijdsvereiste ’ (overweging B.6.3.2). Concreet wordt enkel de betaling opgeschort van de toeslag op basis van de zelfredzaamheidsgraad van het kind of de ernst van de gevolgen van de aandoening van het kind voor elke maand waarin de IVT of de ITT wordt toegekend door de federale overheid. De leeftijdsgrens voor de toekenning van de basiskinderbijslag voor kinderen met een aandoening of voor de toeslag […] op basis van de zelfredzaamheidsgraad van het kind of de ernst van de gevolgen van de aandoening blijft echter behouden op 21 jaar. Deze oplossing biedt de volgende voordelen : - het recht op de basiskinderbijslag, en de uitbetaling daarvan, voor kinderen met een aandoening wordt niet beïnvloed door de toekenning van de IVT of ITT. Zo wordt het kind bijvoorbeeld desgevallend verder in aanmerking genomen voor de vaststelling van het aantal kinderen voor de berekening van de sociale toeslagen (artikel 9 van de ordonnantie van 25 april 2019); - aangezien enkel de uitbetaling van de toeslag wordt geschorst, laat het onderliggende recht op de toeslag toe dat de eventuele afgeleide rechten maximaal worden gevrijwaard; - het kind waaraan de IVT of de ITT wordt toegekend, maakt desgevallend ook aanspraak op de verhoging van de basiskinderbijslag op grond van artikel 7 van de ordonnantie of, voor het kind in de overgangsmaatregel, de verhoogde maandelijkse leeftijdsbijslag op grond van artikel 44, § 2, AKBW (zie artikelen 2 en 4); 10 - door te opteren voor een anti-cumulatieregeling en niet voor een veralgemeende verlaging van de leeftijdsgrens voor de toekenning van de toeslag voor kinderen met een aandoening, wordt vermeden dat er kinderen zijn die noch aanspraak maken op deze toeslag, noch op de IVT of de ITT. De toekenningsvoorwaarden in de beide stelsels zijn namelijk niet identiek » (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2021-2022, B-99/1, pp. 1-3). B.2.4. Vervolgens zijn de artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van 25 april 2019 respectievelijk vervangen en gewijzigd bij de artikelen 2 en 3 van de ordonnantie van 15 december 2022, die op 26 juni 2023 in werking zijn getreden. De ordonnantiegever wilde aldus de verwijzingen naar de artikelen 47 en 63 van de AKBW vervangen door een « specifiek Brussels wettelijk kader » (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2022-2023, B-133/1, p. 2). Artikel 12 van de ordonnantie van 25 april 2019, zoals vervangen bij artikel 2 van de ordonnantie van 15 december 2022, bepaalt : « De in artikel 7, b), bedoelde basiskinderbijslag wordt aangevuld met een toeslag naargelang de ernst van de gevolgen die voortvloeien uit een aandoening van het kind voor hemzelf, op het vlak van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van activiteit en participatie, of voor zijn familiale omgeving. De betaling van de in het eerste lid bedoelde toeslag wordt opgeschort voor elke maand waarvoor de inkomensvervangende tegemoetkoming bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap of de integratietegemoetkoming bedoeld in artikel 2, § 2, van dezelfde wet wordt toegekend. Het Verenigd College kan de nadere regels bepalen waaronder de toeslag bedoeld in het eerste lid wordt toegekend, de bedragen daarvan, de nadere regels volgens dewelke het de leden die deel uitmaken van het multidisciplinair team worden aangeduid, alsook de samenstelling van dat team, dat de ernst van de gevolgen van de aandoening van het kind bepaalt. Indien de toekenning van de toeslag bedoeld in het eerste lid het gevolg is van een weigering van behandeling, wordt deze niet toegekend. De weigering van behandeling wordt vastgesteld door het multidisciplinair team bedoeld in het derde lid ». Artikel 26 van de ordonnantie van 25 april 2019, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de ordonnantie van 15 december 2022, bepaalt : « De kinderbijslag wordt ook toegekend tot de leeftijd van 21 jaar voor een kind met een aandoening die gevolgen voor hem heeft op het vlak van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, of op het vlak van activiteit en participatie, of voor zijn familiale omgeving. 11 Het Verenigd College bepaalt volgens welke criteria en op welke wijze de gevolgen van de aandoening bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld door het multidisciplinair team bedoeld in artikel 12, alsook de voorwaarden waaraan het kind moet voldoen. Onverminderd artikel 29 en bij afwijking van het eerste lid, behoudt het kind met een aandoening dat minstens 21 jaar was op 1 juli 1987 en dat op 31 december 2019 rechtgevend is bij toepassing van artikel 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals van toepassing voorafgaand aan de wijziging door de wet van 29 december 1990, zijn recht op het bedrag van de kinderbijslag dat hem is verschuldigd voor de maand december 2019, onder de voorwaarden die krachtens die bepaling zijn vastgesteld ». Ten gronde B.3.1. De twee prejudiciële vragen hebben betrekking op de bestaanbaarheid van de artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van 25 april 2019, in de versie ervan vóór en na de inwerkingtreding van de artikelen 2 en 3 van de ordonnantie van 15 december 2022, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4, 5 en 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, in zoverre de in het geding zijnde bepalingen de leeftijdsgrens voor de toekenning van de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap vaststellen op 21 jaar. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling tussen de studenten met een handicap naargelang zij jonger dan 21 of tussen 21 en 25 jaar oud zijn. Terwijl de studenten van de eerste categorie zowel de basiskinderbijslag als de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag kunnen genieten, kunnen de studenten van de tweede categorie, in hun hoedanigheid van student, de basiskinderbijslag genieten, maar kunnen zij de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag niet genieten. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de identieke behandeling van de studenten die tussen 21 en 25 jaar oud zijn, ongeacht of zij al dan niet een handicap hebben. De studenten van beide categorieën kunnen, in hun hoedanigheid van student, de basiskinderbijslag genieten, zonder dat diegenen met een handicap daarenboven de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag kunnen genieten. 12 B.3.2. Aangezien het bodemgeschil betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 2023, hebben de prejudiciële vragen betrekking op de artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van 25 april 2019, enerzijds, zoals zij golden na de inwerkingtreding van de ordonnantie van 24 december 2021 en vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 15 december 2022 en, anderzijds, zoals zij gelden sinds de inwerkingtreding van de ordonnantie van 15 december 2022. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vragen blijkt dat het verwijzende rechtscollege ervan uitgaat dat de leeftijdsgrens van 21 jaar voor de toekenning van de aan de handicap verbonden toeslag op de kinderbijslag voortvloeit uit de combinatie van de artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van 25 april 2019. Het Hof onderzoekt de prejudiciële vragen in die interpretatie. B.3.3. Gelet op hun samenhang, onderzoekt het Hof de twee prejudiciële vragen samen. B.4. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.5.1. De artikelen 4, 5 en 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bepalen : 13 « Artikel 4. Algemene verplichtingen 1. De Staten die Partij zijn verplichten zich te waarborgen en bevorderen dat alle personen met een handicap zonder enige vorm van discriminatie op grond van hun handicap ten volle alle mensenrechten en fundamentele vrijheden kunnen uitoefenen. Hiertoe verplichten de Staten die Partij zijn zich :
  1. a)tot het aannemen van alle relevante wetgevende, administratieve en andere maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de rechten die in dit Verdrag erkend worden;
  2. b)tot het nemen van alle relevante maatregelen, met inbegrip van wetgeving, teneinde bestaande wetten, voorschriften, gebruiken en praktijken aan te passen, of af te schaffen die discriminatie vormen van personen met een handicap;
  3. c)bij al hun beleid en programma’s rekenschap te geven van de bescherming en bevordering van de mensenrechten van personen met een handicap;
  4. d)te onthouden van elke handeling of praktijk die onverenigbaar is met dit Verdrag en te waarborgen dat de overheid en de overheidsinstellingen handelen in overeenstemming met dit Verdrag;
  5. e)tot het nemen van alle passende maatregelen om discriminatie op grond van een handicap door personen, organisaties of particuliere ondernemingen uit te bannen;
  6. f)tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van universeel ontworpen goederen, diensten, uitrusting en faciliteiten zoals omschreven in artikel 2 van dit Verdrag, die zo min mogelijk moeten worden aangepast en dit tegen de laagste kosten, om te beantwoorden aan de specifieke behoeften van personen met een handicap, het bevorderen van de beschikbaarheid en het gebruik ervan, en het bevorderen van universele ontwerpen bij de ontwikkeling van normen en richtlijnen;
  7. g)tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van, en het bevorderen van de beschikbaarheid en het gebruik van nieuwe technologieën, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën, mobiliteitshulpmiddelen, instrumenten en ondersteunende technologieën, die geschikt zijn voor personen met een handicap, waarbij de prioriteit uitgaat naar betaalbare technologieën;
  8. h)tot het verschaffen van toegankelijke informatie aan personen met een handicap over mobiliteitshulpmiddelen, apparaten en ondersteunende technologieën, met inbegrip van nieuwe technologieën, alsmede andere vormen van hulp, ondersteunende diensten en faciliteiten;
  9. i)de training te bevorderen van vakspecialisten en personeel die werken met personen met een handicap, op het gebied van de rechten die in dit Verdrag worden erkend, teneinde de door deze rechten gewaarborgde hulp en diensten beter te kunnen verlenen. 2. Wat betreft economische, sociale en culturele rechten, verplicht elke Staat die Partij is zich om maatregelen te nemen met volledige gebruikmaking van de hem ter beschikking staande hulpbronnen en, waar nodig, in het kader van internationale samenwerking, om steeds dichter bij een algehele verwezenlijking van de in dit Verdrag erkende rechten te komen, 14 onverminderd de in dit Verdrag vervatte verplichtingen die volgens het internationale recht onverwijld van toepassing zijn. 3. Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij. 4. Geen enkele bepaling van dit Verdrag tast bepalingen aan die in sterkere mate bijdragen aan de verwezenlijking van de rechten van personen met een handicap en die vervat kunnen zijn in het recht van een Staat die Partij is, of in het internationale recht dat voor die Staat van kracht is. Het is niet toegestaan enig mensenrecht dat, of fundamentele vrijheid die in een Staat die Partij is bij dit Verdrag, ingevolge wettelijke bepalingen, overeenkomsten, voorschriften of gewoonten wordt erkend of bestaat, te beperken of ervan af te wijken, onder voorwendsel dat dit Verdrag die rechten of vrijheden niet of in mindere mate erkent. 5. De bepalingen van dit Verdrag strekken zich zonder beperking of uitzondering uit tot alle delen van federale Staten. Artikel 5. Gelijkheid en non-discriminatie 1. De Staten die Partij zijn, erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet en zonder onderscheid recht heeft op dezelfde bescherming door, en hetzelfde voordeel van de wet. 2. De Staten die Partij zijn, verbieden alle discriminatie op grond van handicap en garanderen personen met een handicap op voet van gelijkheid daadwerkelijke wettelijke bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook. 3. Teneinde gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen, nemen de Staten die Partij zijn alle passende maatregelen om te waarborgen dat redelijke aanpassingen worden verricht. 4. Specifieke maatregelen die nodig zijn om de feitelijke gelijkheid van personen met een handicap te bespoedigen of verwezenlijken, worden niet aangemerkt als discriminatie in de zin van dit Verdrag ». « Artikel 24. Onderwijs 1. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op onderwijs. Teneinde dit recht zonder discriminatie en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken, waarborgen Staten die Partij zijn een inclusief onderwijssysteem op alle niveaus en voorzieningen voor een leven lang leren en wel met de volgende doelen :
  10. a)de volledige ontwikkeling van het menselijk potentieel en het gevoel van waardigheid en eigenwaarde en de versterking van de eerbiediging van mensenrechten, fundamentele vrijheden en de menselijke diversiteit; 15
  11. b)de optimale ontwikkeling door personen met een handicap van hun persoonlijkheid, talenten en creativiteit, alsmede hun mentale en fysieke mogelijkheden, naar staat van vermogen;
  12. c)het in staat stellen van personen met een handicap om daadwerkelijk te participeren in een vrije maatschappij. 2. Bij de uitoefening van dit recht waarborgen de Staten die Partij zijn dat :
  13. a)personen met een handicap niet op grond van hun handicap worden uitgesloten van het algemene onderwijssysteem, en dat kinderen met een handicap niet op grond van hun handicap worden uitgesloten van gratis en verplicht basisonderwijs of van het voortgezet onderwijs;
  14. b)personen met een handicap toegang hebben tot inclusief, hoogwaardig en gratis basisonderwijs en tot voortgezet onderwijs en wel op basis van gelijkheid met anderen in de gemeenschap waarin zij leven;
  15. c)redelijke aanpassingen worden verschaft naar gelang de behoefte van de persoon in kwestie;
  16. d)personen met een handicap, binnen het algemene onderwijssysteem, de ondersteuning ontvangen die zij nodig hebben om effectieve deelname aan het onderwijs te vergemakkelijken;
  17. e)doeltreffende, aan het individu aangepaste, ondersteunende maatregelen worden genomen in omgevingen waarin de cognitieve en sociale ontwikkeling wordt geoptimaliseerd, overeenkomstig het doel van onderwijs waarbij niemand wordt uitgesloten. 3. De Staten die Partij zijn stellen personen met een handicap in staat praktische en sociale vaardigheden op te doen, teneinde hun volledige deelname aan het onderwijs en in het gemeenschapsleven op voet van gelijkheid te vergemakkelijken. Daartoe nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen, waaronder :
  18. a)het vergemakkelijken van het leren van braille, alternatieve schrijfwijzen, het gebruik van ondersteunende en alternatieve communicatiemethoden, -middelen en -vormen, alsmede het opdoen van vaardigheden op het gebied van oriëntatie en mobiliteit en het vergemakkelijken van ondersteuning en begeleiding door lotgenoten;
  19. b)het leren van gebarentaal vergemakkelijken en de taalkundige identiteit van de gemeenschap van doven bevorderen;
  20. c)waarborgen dat het onderwijs voor personen, en in het bijzonder voor kinderen, die blind, doof of doofblind zijn, plaatsvindt in de talen en met de communicatiemethoden en -middelen die het meest geschikt zijn voor de desbetreffende persoon en in een omgeving waarin hun cognitieve en sociale ontwikkeling worden geoptimaliseerd. 4. Teneinde de uitoefening van dit recht te vergemakkelijken, nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen om leerkrachten aan te stellen, met inbegrip van leerkrachten met een handicap, die zijn opgeleid voor gebarentaal en/of braille, en leidinggevenden en medewerkers op te leiden die op alle niveaus van het onderwijs werkzaam zijn. Bij deze opleiding moeten de studenten worden getraind in het omgaan met personen met een handicap 16 en het gebruik van de desbetreffende ondersteunende communicatie en andere methoden, middelen en vormen van en voor communicatie, onderwijstechnieken en materialen om personen met een handicap te ondersteunen. 5. De Staten die Partij zijn waarborgen dat personen met een handicap, zonder discriminatie en op voet van gelijkheid met anderen, toegang verkrijgen tot het tertiair onderwijs, beroepsopleidingen, volwassenenonderwijs en een leven lang leren. Daartoe waarborgen de Staten die Partij zijn dat redelijke aanpassingen worden verschaft aan personen met een handicap ». B.5.2. Het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen (Unia) – dat is aangewezen als onafhankelijke instantie om de uitvoering van het voormelde Verdrag te bevorderen, te beschermen en op te volgen – heeft een aanbeveling gedaan over de toepassing van dat Verdrag, met name van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, op de in het geding zijnde rechtsregeling (Unia, aanbeveling van 21 juni 2024, « Verlies van de verhoogde gezinsbijslag op de leeftijd van 21 jaar : nood aan coherentie in de steunregeling voor personen met een handicap »). In die aanbeveling merkt Unia onder meer op dat de leeftijd van 21 jaar, vanaf wanneer de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap niet meer wordt toegekend, geen pertinent criterium is om de toekenning van die toeslag te beëindigen, aangezien die leeftijd « tegelijkertijd afwijkt van de leeftijd waarop de federale tegemoetkoming aan personen met een handicap wordt toegekend (18 jaar) en van de leeftijd waarop de gewone gezinsbijslag afloopt […] (25 jaar) » (punt 3.3.1). Bovendien herinnert Unia eraan dat de voorwaarden voor de toekenning van de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap verschillen van die voor de toekenning van de federale tegemoetkomingen aan personen met een handicap zodat een persoon die de toeslag heeft ontvangen, niet noodzakelijkerwijs een federale tegemoetkoming ontvangt zodra hij de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt (punt 3.3.2). Unia besluit daaruit dat de in het geding zijnde regeling discriminerend is. B.6. In sociaal-economische aangelegenheden beschikt de ordonnantiegever in beginsel over een ruime beoordelingsvrijheid. Het Hof vermag de beleidskeuze die de ordonnantiegever heeft gemaakt en de motieven die daaraan ten grondslag liggen slechts af te keuren indien zij niet redelijk verantwoord zijn. Het Hof moet evenwel, in zijn onderzoek van de redelijke verantwoording van de maatregel, ook rekening ermee houden dat de in het geding zijnde bepalingen tot gevolg hebben 17 sommige personen met een handicap ongunstig te behandelen. De betrokken personen lijden dus een specifiek nadeel dat berust op hun leeftijd en op hun handicap. Personen met een handicap zijn bijzonder kwetsbaar. Daaruit volgt dat zowel het in het geding zijnde verschil in behandeling als de in het geding zijnde gelijke behandeling moet steunen op bijzonder dwingende redenen (EHRM, 30 april 2009, Glor t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2009:0430JUD001344404, § 84; 10 maart 2011, Kiyutin t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2011:0310JUD000270010, § 63). B.7. Zoals blijkt uit de in B.2.3 vermelde parlementaire voorbereiding, beoogt de door de ordonnantiegever ingevoerde regeling de kinderbijslagregeling weer af te stemmen op de federale regeling betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap en te vermijden dat zulks bepaalde negatieve gevolgen zou teweegbrengen. De ordonnantiegever wilde in het bijzonder vermijden dat er rechtgevende kinderen zijn die noch recht hebben op de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap, noch op een federale tegemoetkoming aan personen met een handicap, aangezien de toekenningsvoorwaarden in beide regelingen niet identiek zijn. Die doelstellingen van de ordonnantiegever zijn legitiem. B.8.1. De toeslag op de kinderbeslag verbonden aan de handicap wordt toegekend wegens de extra uitgaven die voor rekening komen van de gezinnen met kinderen met een handicap. Het Hof dient na te gaan of het, gelet op die context en op de kenmerken van de vergeleken categorieën van personen, pertinent is dat studenten met een handicap verschillend worden behandeld naargelang zij jonger dan 21 jaar of tussen 21 en 25 jaar oud zijn, en dat studenten die tussen 21 en 25 jaar oud zijn identiek worden behandeld, ongeacht of zij al dan niet een handicap hebben. Zoals in B.6 is vermeld, moet de maatregel, gelet op de weerslag ervan op een bijzonder kwetsbare groep in de maatschappij, worden verantwoord door bijzonder dwingende redenen. B.8.2. Het doel om de kinderbijslagregeling weer af te stemmen op de federale regeling van de tegemoetkoming aan personen met een handicap kan de leeftijdsgrens van 21 jaar voor de toepassing van de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap niet verantwoorden sinds de leeftijd waarop personen met een handicap recht hebben op de federale tegemoetkomingen werd verlaagd naar 18 jaar. 18 Daarenboven zijn, zoals de ordonnantiegever in de B.2.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding erkent, de toekenningsvoorwaarden voor de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap en die voor de federale tegemoetkomingen aan personen met een handicap, niet identiek. Daaruit volgt dat de persoon die de toeslag op de kinderbijslag heeft kunnen genieten tot de leeftijd van 21 jaar, niet noodzakelijkerwijs vanaf die leeftijd een federale tegemoetkoming aan personen met een handicap geniet. Het geval van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege illustreert dat. De in het geding zijnde bepalingen maken het bijgevolg niet mogelijk te vermijden dat er rechtgevende kinderen zijn die noch recht hebben op de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap, noch op de federale tegemoetkoming aan personen met een handicap. Noch de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 25 april 2019, noch de memories van het Verenigd College verklaren om welke bijzonder dwingende reden het doel om te vermijden dat de kinderen die recht geven op de kinderbijslag noch recht hebben op de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap, noch op een federale tegemoetkoming aan personen met een handicap, zou moeten worden nagestreefd voor de kinderen met een handicap tot hun 21ste jaar, maar niet tot hun 25ste jaar. Bovendien bepaalt artikel 12, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 dat de betaling van de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap wordt opgeschort voor elke maand waarvoor een federale tegemoetkoming aan personen met een handicap wordt toegekend, zodat cumulatie onmogelijk is. Uit het voorgaande blijkt dat noch het in het geding zijnde verschil in behandeling, noch de in het geding zijnde gelijke behandeling wordt verantwoord door een bijzonder dwingende reden. B.9. De artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van 25 april 2019, in de versie ervan vóór en na de inwerkingtreding van de artikelen 2 en 3 van de ordonnantie van 15 december 2022, zijn niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 4, 5 en 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, in zoverre zij de leeftijdsgrens voor de toekenning van de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap beperken tot de leeftijd van 21 jaar. 19 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 12 en 26 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag », in de versie ervan vóór en na de inwerkingtreding van de artikelen 2 en 3 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 15 december 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag en de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag », schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4, 5 en 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, in zoverre zij de leeftijdsgrens voor de toekenning van de toeslag op de kinderbijslag verbonden aan de handicap beperken tot de leeftijd van 21 jaar. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 januari 2026. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.007 Gerelateerde publicatie(
  21. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.103 ECLI:CE:ECHR:2009:0430JUD001344404 ECLI:CE:ECHR:2011:0310JUD000270010 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.