← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.011

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 januari 2026 ECLI nr

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot schorsing van hoofdstuk 1 van titel 5 van de programmawet van 18 juli 2025, ingesteld door de vzw « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding »

anderen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Werkloosheid - Hervormingen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 11/2026 van 15 januari 2026 Rolnummer : 8577 In zake : de vordering tot schorsing van hoofdstuk 1 van titel 5 van de programmawet van 18 juli 2025, ingesteld door de vzw « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding »

anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul

Luc Lavrysen,

de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt

Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering

rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 oktober 2025 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 31 oktober 2025, is een vordering tot schorsing van hoofdstuk 1 van titel 5 van de programmawet van 18 juli 2025 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2025) ingesteld door de vzw « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding », de vzw « Collectif Solidarité contre l’Exclusion : Emploi et Revenus pour tous », de vzw « Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen », de vzw « SAAMO Brussel », de vzw « Vrienden van Hart boven Hard », de vzw « Ligue des familles », de vzw « Soralia », de vzw « Vie féminine, mouvement féministe d’action interculturelle et sociale », de vzw « Femma », de vzw « Furia vzw », de vzw « Jeunes de la Fédération Générale du Travail de Belgique », de vzw « Jeunes Syndicalistes CSC », de vzw « FreeZbe vzw », de vzw « Ligue des droits humains », Solidaris - Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten, het Algemeen Belgisch Vakverbond, het Algemeen Christelijk Vakverbond van België, de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België, Berlinda Cremers, Chloé Dal, Catherine Fontaine, Inge Lammertyn, Frédéric Leeb, Fabienne Moreels, Frederic Poels, Martine Smolders

Martin Vander Elst, bijgestaan

vertegenwoordigd door mr. Vincent Letellier

mr. Jean-François Neven, advocaten bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepalingen. 2 Bij beschikking van 4 november 2025 heeft het Hof, na rechter-verslaggeefster Kattrin Jadin

rechter Willem Verrijdt, verslaggever ter vervanging van rechter-verslaggever Danny Pieters, wettig verhinderd, te hebben gehoord, de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 3 december 2025, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 28 november 2025 in te dienen

een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door : - Nathalie Tassin, bijgestaan

vertegenwoordigd door mr. Catherine Legein, advocate bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - Marvin Aramesh (tussenkomende partij); - Mustapha Ouriaghli, bijgestaan

vertegenwoordigd door mr. Catherine Legein (tussenkomende partij); - Alessandro Grumelli (tussenkomende partij); - de Ministerraad, bijgestaan

vertegenwoordigd door mr. Elisabeth Matthys, mr. Bruno Lombaert, mr. Sophie Adriaenssen

mr. Matthieu Nève de Mévergnies, advocaten bij de balie te Brussel. Op de openbare terechtzitting van 3 december 2025 : - zijn verschenen : . mr. Vincent Letellier

mr. Jean-François Neven, voor de verzoekende partijen; . Alessandro Grumelli, in eigen persoon; . mr. Bruno Lombaert, mr. Sophie Adriaenssen, mr. Matthieu Nève de Mévergnies

mr. Elisabeth Matthys, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin

Willem Verrijdt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de diverse vorderingen A.1. De verzoekende partijen vorderen, in hoofdorde, de schorsing

de vernietiging van de artikelen 88 tot 216 van de programmawet van 18 juli 2025 (hierna : de wet van 18 juli 2025) of van de artikelen 142

169 van die wet. In ondergeschikte orde vorderen zij de schorsing

de vernietiging van de artikelen 209 tot 216 van diezelfde wet of, op zijn minst, dat het Hof verklaart dat de artikelen 88 tot 216 ervan niet van toepassing zijn op de personen die, op 28 juli 2025, werkloosheidsuitkeringen of inschakelingsuitkeringen genoten. In nog meer ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen aan het Hof te verklaren dat de artikelen 88 tot 216 van de wet van 18 juli 2025 niet van toepassing zijn op diegenen dezer personen die, op 28 juli 2025, reeds een opleiding volgden, of die zich vóór 1 januari 2026 voor een opleiding hebben ingeschreven. In uiterst ondergeschikte orde vorderen de verzoekende partijen bij het Hof de schorsing

de vernietiging van artikel 212, § 2, derde lid, van de wet van 18 juli 2025. A.2. Ook Nathalie Tassin

Moustapha Ouriaghli vorderen de vernietiging

de schorsing van de artikelen 88 tot 216 van de wet van 18 juli

  1. A.
  2. De Ministerraad merkt op dat de middelen die de verzoekende partijen uiteenzetten

kel betrekking hebben op de artikelen 142, 169, 212

216, § 1, van de wet van 18 juli

  1. Ten aanzien van de bekwaamheid van sommige verzoekende partijen om de vernietiging van de bestreden wetsbepalingen te vorderen A.
  2. De Ministerraad voert aan dat het beroep tot vernietiging onontvankelijk is in zoverre het is ingesteld door het « Algemeen Belgisch Vakverbond », het « Algemeen Christelijk Vakverbond »

de « Algemene Centrale der Liberale Vakverbonden van België », aangezien die verenigingen niet de vereiste bekwaamheid hebben om de vernietiging van de bestreden wetsbepalingen te vorderen. Hij merkt op dat die vakorganisaties niet preciseren in welke hoedanigheid zij zich tot het Hof richten. Ten aanzien het belang van de verzoekende partijen om de vernietiging van de bestreden wetsbepalingen te vorderen A.5. Om hun belang bij de vernietiging van de voormelde wetsbepalingen aan te tonen, beklemtonen de eerste vijf verzoekende verenigingen dat zij tot statutair doel hebben armoede

sociale uitsluiting te bestrijden. Zij merken op dat de bestreden bepalingen, volgens schattingen van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna : de RVA), tot gevolg zullen hebben dat bijna 200 000 personen het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen of de inschakelingsuitkeringen in de zin van het koninklijk besluit van 25 november 1991 « houdende de werkloosheidsreglementering » (hierna : het koninklijk besluit van 25 november 1991) zullen verliezen. Zij zijn van mening dat die personen dan zullen moeten rekenen op de maatschappelijke bijstand geregeld bij de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de maatschappelijke bijstand), ofwel in precaire omstandigheden zullen moeten leven. De vereniging « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding » preciseert dat een van haar doelen erin bestaat een verandering teweeg te brengen van de sociale, economische

politieke structuren die arme personen in een situatie van grote bestaansonzekerheid houden, teneinde armoede volledig uit te bannen. De vereniging « Collectif Solidarité contre l’Exclusion : Emploi et Revenus pour tous » preciseert dat zij onder meer tot doel heeft om uitsluiting te bestrijden, met name door zich voor werk

/of een degelijk inkomen 4 voor eenieder in te zetten, om de rechten, de materiële

de morele belangen van jongeren, jonge werknemers – zelfs zonder betrekking –

uitkeringsgerechtigden te verdedigen,

om het sociaal recht te verdedigen, te laten toepassen

te bevorderen. De vereniging « SAAMO Brussel » preciseert dat zij met name tot doel heeft zich in te spannen voor een sociaal rechtvaardige

duurzame samenleving

situaties van marginalisering

sociale uitsluiting te bestrijden, door zich te concentreren op de mechanismen

structuren welke die situaties veroorzaken

in stand houden. A.6. Om haar belang aan te tonen, zet de vereniging « Ligue des familles » uiteen dat zij tot doel heeft zowel de morele als de materiële rechten

belangen van families te verdedigen

het iedere persoon

iedere familie mogelijk te maken « toegang te hebben tot de meest waardige oplossingen ». Zij is van mening dat de bestreden wetsbepalingen tot gevolg hebben dat werklozen die hun uitkeringen door die bepalingen zullen verliezen, ertoe worden gedwongen maatschappelijke bijstand te vragen, hetgeen, gelet op de toekenningsvoorwaarden daarvan, een aanzienlijke vermindering van de materiële middelen van hun familie zal veroorzaken. A.7. De verenigingen « Soralia », « Vie féminine, mouvement féministe d’action interculturelle et sociale », « Femma »

« Furia vzw » beklemtonen dat zij tot doel hebben de belangen van vrouwen te verdedigen, hun emancipatie te bevorderen

een egalitaire samenleving te creëren. Die verenigingen voeren aan dat de bestreden bepalingen in het bijzonder de financiële

sociale situatie zal raken van vrouwen die samenwonen, omdat het voordeel van het bij de wet van 26 mei 2002 « betreffende het recht op maatschappelijke integratie » ingevoerde leefloon (hierna : het leefloon) hun zal worden geweigerd wegens het bestaan van de middelen van hun partner. Zij zijn van mening dat zulks de situatie van afhankelijkheid van die vrouwen zal verergeren. A.8. De verenigingen « Jeunes de la Fédération Générale du Travail de Belgique » (« Jeunes FGTB »), « Jeunes Syndicalistes CSC »

« FreeZbe vzw » verenigen jonge leden van de drie grootste vakorganisaties die actief zijn in België, om de jonge werknemers te vertegenwoordigen, hun belangen te verdedigen of hen te helpen, in het bijzonder op de arbeidsmarkt. Die verenigingen voeren aan dat de bestreden wetsbepalingen de bescherming van die categorie van werknemers aanzienlijk verminderen, met name door de inkorting van de periode waarin inschakelingsuitkeringen worden toegekend. Zij voeren ook aan dat de beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen de begeleiding van die jonge werknemers in hun zoektocht naar werk zal raken. A.9. De vereniging « Ligue des droits humains » stelt zich voor als een vereniging die de rechten van de mens verdedigt, waaronder met name de beginselen van gelijkheid

van solidariteit die door de Grondwet

de internationale verdragen zijn vastgesteld,

die optreedt om, onder andere, de bescherming van de bij artikel 23 van de Grondwet erkende sociale rechten te waarborgen. A.10. De laatste negen verzoekende natuurlijke personen beroepen zich op hun hoedanigheid van werkloze

voeren aan dat hun levensomstandigheden ingrijpend zullen veranderen door de bestreden bepalingen. Zij preciseren dat zij reeds door de RVA op de hoogte zijn gesteld dat zij in 2026 geen recht meer zullen hebben op het voordeel van de uitkeringen die zij thans ontvangen. A.11. De Ministerraad voert aan dat de verenigingen « Vlaams Netwerk tegen Armoede »

« Vrienden van Hart boven Hard » niet doen blijken van het vereiste belang, aangezien zij niet uiteenzetten in welk opzicht de bestreden wetsbepalingen hun statutair doel zouden raken

niet aantonen dat zij hun statutair doel nog daadwerkelijk nastreven. De Ministerraad betwist ook het belang van de verenigingen « Soralia », « Vie féminine, mouvement féministe d’action interculturelle et sociale », « Femma »

« Furia vzw ». Hij ziet niet in hoe de beperking in de tijd van het recht op werkloosheidsuitkeringen hun statutair doel rechtstreeks kan raken. A.12. De Ministerraad voert aan dat het beroep ook onontvankelijk is in zoverre het is ingesteld door het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten « Solidaris », aangezien die vereniging niet uiteenzet in welk opzicht de bestreden wetsbepalingen haar situatie rechtstreeks

ongunstig zouden raken. 5 A.13. De Ministerraad merkt op dat het belang van iedere verzoekende natuurlijke persoon om de vernietiging van elk van de bestreden wetsbepalingen te vorderen, discutabel is. Hij beklemtoont dat elk van die verzoekende partijen in ieder geval

kel haar belang zou kunnen aantonen ten aanzien van de bepalingen die haar persoonlijke situatie ongunstig raken. Hij merkt hieromtrent op dat de artikelen 216, § 1,

212, § 2, derde lid, van de wet van 18 juli 2025 op geen

kele van die verzoekende partijen van toepassing zijn. Ten aanzien van het belang om opmerkingen te formuleren met betrekking tot de vordering tot schorsing van de verzoekende partijen A.14. Om hun belang aan te tonen om opmerkingen met betrekking tot de vordering van de verzoekende partijen te formuleren, zetten Nathalie Tassin

Mustapha Ouriaghli uiteen dat de RVA hen ervan op de hoogte heeft gesteld dat zij vanaf 1 januari 2026 niet langer recht zouden hebben op het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen. A.

  1. Marvin Aramesh stelt zich voor als een werkloze die, met toepassing van de wet van 18 juli 2025, vanaf september 2026 in principe zijn recht op werkloosheidsuitkeringen zal verliezen, terwijl hij zijn opleiding tot opvoeder die hij thans volgt om een knelpuntberoep te kunnen uitoefenen, nog niet zal hebben kunnen voltooien. A.
  2. Alessandro Grumelli stelt zich voor als een werknemer van bijna 50 jaar oud, van wie de arbeidsovereenkomst van bepaalde duur afloopt op 14 september 2026

die daardoor ertoe zou kunnen worden gebracht een werkloosheidsuitkering aan te vragen. Hij beklemtoont dat het doorgaans moeilijker is om na de leeftijd van 45 jaar werk te vinden, vooral in België. Ten aanzien van de middelen Wat betreft het eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6

9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale

culturele rechten

met de leden 1, 9, 10, 12, 13, 24

30 van deel I

de artikelen 1, 9, 10

12 van het herziene Europees Sociaal Handvest A.17. In een « eerste onderdeel » zetten de verzoekende partijen uiteen dat de beperking in de tijd van het recht op werkloosheidsuitkeringen die voortvloeit uit artikel 114, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals vervangen bij artikel 169 van de wet van 18 juli 2025, artikel 23, leden 1, 2

3, 2°, van de Grondwet schendt, in zoverre die socialezekerheidsmaatregel de beschermingsgraad die door de vroegere wetgeving aan de werklozen werd geboden aanzienlijk

zonder redelijke verantwoording vermindert. A.18. In een « tweede onderdeel » zetten de verzoekende partijen uiteen dat de inkorting van de periode tijdens welke een jonge werknemer recht heeft op inschakelingsuitkeringen, die voortvloeit uit artikel 63, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals vervangen bij artikel 142 van de wet van 18 juli 2025, artikel 23, leden 1, 2

3, 2°, van de Grondwet schendt, in zoverre die socialezekerheidsmaatregel de beschermingsgraad die door de vroegere wetgeving aan de werklozen werd geboden aanzienlijk

zonder redelijke verantwoording vermindert. A.19. De Ministerraad voert aan dat de twee voormelde maatregelen de beschermingsgraad die door de vroegere wetgeving aan de werklozen werd geboden niet aanzienlijk verminderen

dat zij in ieder geval redelijk verantwoord zijn door de nagestreefde doelen. Wat betreft het tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16

23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale

culturele rechten

met de artikelen 10, lid 4,

12 van het herziene Europees Sociaal Handvest A.

  1. De verzoekende partijen preciseren dat hun tweede middel slechts in ondergeschikte orde wordt geformuleerd. 6 Het « eerste onderdeel » A.
  2. De verzoekende partijen voeren aan dat de in artikel 212, § 1, van de wet van 18 juli 2025 vermelde regels afbreuk doen aan het recht op arbeid

aan het recht op sociale zekerheid van de werknemers die vóór 1 maart 2026 tot het recht op werkloosheidsuitkeringen worden toegelaten

die door die wetsbepaling worden beoogd, in zoverre die regels tot gevolg hebben dat in de eerste plaats zij die het langst werkloos zijn, worden uitgesloten van het voordeel van dat laatste recht. A.

  1. De Ministerraad zet uiteen dat de voormelde regels bestaanbaar zijn met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij preciseert dat zelfs indien het recht op werkloosheidsuitkeringen als eigendom in de zin van die laatste internationale bepaling zou kunnen worden gekwalificeerd, de bestreden overgangsmaatregelen redelijk verantwoord zijn. Het « tweede onderdeel » A.
  2. De verzoekende partijen voeren aan dat de in artikel 216, § 1, eerste lid, van de wet van 18 juli 2025 vermelde regel een discriminerend verschil in behandeling doet ontstaan onder de personen die, vóór 1 januari 2026, zullen zijn gestart met een beroepsopleiding, naargelang die opleiding al dan niet toelaat een « knelpuntberoep » in de zin van die wetsbepaling uit te oefenen. A.
  3. De Ministerraad voert aan dat die regel niet discriminerend is, aangezien die een legitiem doel nastreeft, het mogelijk maakt dat doel te bereiken

evenredig is. Het « derde onderdeel » A.25. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de in artikel 212, § 2, derde lid, 1°, c), 2°, b),

3°, b), van de wet van 18 juli 2025 vermelde regels afbreuk doen aan de rechten op sociale uitkeringen van de betrokken werknemers, hetgeen door geen

kele reden van algemeen belang kan worden verantwoord. A.26. De Ministerraad merkt op dat dit « onderdeel » onontvankelijk is aangezien het het Hof niet toelaat te bepalen van welke norm de schending wordt aangevoerd

a fortiori niet toelaat te bepalen in welk opzicht die norm zou zijn geschonden. Hij voegt eraan toe dat de bestreden bepaling in ieder geval niet de draagwijdte heeft die de verzoekende partijen eraan geven. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.27.1. Alle verzoekende partijen voeren aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden wetsbepalingen 40 % van de werklozen aan wie door die bepalingen het recht op werkloosheidsuitkeringen wordt ontzegd, blootstelt aan een risico van een ernstig nadeel, aangezien de ontstentenis van

ig inkomen hun recht op huisvesting in het gedrang zal brengen. Zij beklemtonen ook dat de toepassing van die bepalingen de armoede zal verergeren van geïsoleerde personen die, na werkloosheidsuitkeringen te zijn ontzegd, recht op een leefloon zullen hebben. A.27.2. De verzoekende partijen zetten ook diverse redenen uiteen om aan te nemen dat die nadelen op zijn minst moeilijk te herstellen zullen zijn. Zij beklemtonen ten eerste dat het, in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen, het eind 2026 of begin 2027 in de praktijk zeer moeilijk zal zijn, zowel voor de RVA als voor de vele betrokken werklozen, om de door de werkloosheidsreglementering vereiste documenten

bewijsstukken te verzamelen om het dossier van die laatsten te regulariseren

de uitbetaling van de met terugwerkende kracht verschuldigde uitkeringen mogelijk te maken. De verzoekende partijen merken ook op dat bepaalde categorieën van werklozen, zoals de « deeltijdse werknemers met behoud van rechten », de werkloze die is ingeschreven voor een opleiding of die studeert of de werkloze die een door een gewestelijke dienst aangeboden « specifiek begeleidingstraject » volgt, niet met terugwerkende kracht bepaalde administratieve formaliteiten zullen kunnen vervullen die nodig zijn om te kunnen 7 aantonen dat zij zich tijdens de maanden voorafgaand aan de vernietiging van de bestreden wetsbepalingen in een situatie bevonden die het recht op werkloosheidsuitkeringen niet uitsloot. De verzoekende partijen merken ook op dat een erkenning met terugwerkende kracht van het recht op die uitkeringen, ingevolge de vernietiging van de bestreden bepalingen, in tal van gevallen andere sociale instellingen, die ondertussen uitkeringen aan de betrokken personen zouden hebben toegekend, zou toelaten de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van die sociale uitkeringen te eisen van de RVA. De verzoekende partijen wijzen ten slotte op de organisatorische problemen die de uitbetalingsinstellingen sinds verschillende jaren ondervinden. A.28. De verzoekende verenigingen zonder winstoogmerk voeren aan dat de bestreden bepalingen hun een moreel nadeel zullen veroorzaken, dat voortvloeit uit de omstandigheid dat die bepalingen in strijd zijn met de beginselen

waarden die hun oprichting verantwoorden, evenals uit de omvang van het maatschappelijk nadeel dat de werkloosheidshervorming zal veroorzaken voor de duizenden werklozen die in de volgende maanden niet langer uitkeringen zullen genieten

die geen nieuwe betrekking zullen kunnen vinden of geen opleiding zullen kunnen starten bedoeld in artikel 216 van de wet van 18 juli 2025,

van wie zij de belangen verdedigen. Die verenigingen zijn van mening dat het aantal betrokken personen

de aantasting van het recht op waardigheid welke die hervorming zal veroorzaken, dat nadeel ernstig

moeilijk te herstellen maken. A.29. Chloé Dal, 25 jaar, zet uiteen dat zij samenleeft met haar echtgenoot

haar twee kinderen, dat zij sinds september 2024 een opleiding tot vroedvrouw met een duur van vier jaar volgt,

dat zij om die reden over een vrijstelling van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt bedoeld in artikel 152quinquies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 beschikt, waardoor zij met toepassing van artikel 63, § 2, vierde lid, 1°, van dat besluit maandelijkse inschakelingsuitkeringen van ongeveer 635 euro geniet. Zij voert aan dat de bestreden maatregelen haar vanaf 1 januari 2026 het voordeel doen verliezen van die uitkeringen, die zij sinds de zomer van 2023 ontvangt

die zij tot het einde van haar studies, in 2028, had kunnen ontvangen met toepassing van de bij de wet van 18 juli 2025 gewijzigde reglementaire bepalingen. Zij voegt eraan toe dat zij geen leefloon zal kunnen genieten wegens haar statuut van samenwonende

dat zij, in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen, niet de betaling van de inschakelingsuitkeringen zal kunnen verkrijgen die haar in de tussentijd zullen zijn ontzegd, omdat zij gestopt zal moeten zijn met haar studies om voor haar twee kinderen te zorgen

te werken. A.30. Berlinda Cremers, 59 jaar, zet uiteen dat zij een arbeidsongeschiktheid van 33 % heeft die haar van de gewone arbeidsmarkt uitsluit, dat zij sinds 2004 werkloosheidsuitkeringen geniet

dat zij, sinds januari 2018, als « langdurig werkloze » activiteiten uitoefent die met toepassing van artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap zijn erkend. Zij voegt eraan toe dat zij samenleeft met haar echtgenoot, die maandelijks invaliditeitsuitkeringen ontvangt van iets meer dan 2 000 euro. Die verzoekende partij voert aan dat de bestreden maatregelen haar vanaf 1 januari 2026 het voordeel van de voormelde uitkeringen, thans ter waarde van ongeveer 745 euro per maand, alsook haar statuut van « volledig vergoede werkloze » dat haar toelaat de voormelde activiteiten uit te oefenen, die haar een gemiddeld maandelijks bedrag van iets meer dan 250 euro opleveren, doen verliezen. Zij voegt eraan toe dat zij wegens haar statuut van samenwonende geen leefloon zal kunnen genieten. Uit het voorgaande leidt de verzoekende partij een financieel nadeel af, dat voortvloeit uit de afname met bijna een derde van de maandelijkse middelen van het gezin, alsook een moreel nadeel, dat voortvloeit uit het verlies van een activiteit die haar een gevoel van maatschappelijk nut bezorgt. Zij voegt eraan toe dat zij, in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen, de wegens de stopzetting van haar voormelde activiteiten verloren vergoedingen niet zal kunnen recupereren,

dat zij evenmin de betaling zal kunnen verkrijgen van de uitkeringen die haar in de tussentijd zullen zijn ontzegd, omdat zij praktisch niet zal kunnen aantonen dat zij ondertussen aan de toekenningsvoorwaarden van die uitkeringen zal voldoen. Zij merkt op dat een dergelijke vernietiging evenmin de ongemakken zal kunnen compenseren die voortvloeien uit een eventuele schuldenlast of een woonprobleem veroorzaakt door de aanzienlijke afname van de inkomsten van het gezin. A.31. Inge Lammertyn, 61 jaar, zet uiteen dat zij een arbeidsongeschiktheid heeft die vergelijkbaar is met die van Berlinda Cremers

dat zij, zoals die laatste, sinds januari 2018 activiteiten uitoefent in het kader van een « PWA-arbeidsovereenkomst ». Zij voegt eraan toe dat zij samenleeft met haar echtgenoot, die maandelijks een rustpensioen van bijna 2 500 euro ontvangt. 8 Die verzoekende partij voert aan dat de bestreden maatregelen haar vanaf 1 januari 2026 het voordeel van de voormelde uitkeringen, met een waarde van ongeveer 745 euro per maand, alsook haar statuut van « volledig vergoede werkloze », dat haar toelaat ter uitvoering van de voormelde arbeidsovereenkomst te werken, zullen doen verliezen. Zij is van mening dat zij dus wordt blootgesteld aan een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat vergelijkbaar is met hetwelk Berlinda Cremers omschrijft. A.32. Frédéric Leeb, 60 jaar, zet uiteen dat hij alleen leeft, dat hij regelmatig prestaties levert in het kader van een « PWA-arbeidsovereenkomst »

dat hij van plan was in mei 2026 vervroegd met pensioen te gaan

dan het voordeel van een pensioen van ongeveer 1 540 euro aan te vragen. Hij voert aan dat de bestreden maatregelen hem vanaf 1 januari 2026 het recht op de werkloosheidsuitkeringen die hij thans geniet, zullen doen verliezen. Hij voegt eraan toe dat dat verlies hem zal beletten zijn loopbaan te vervolledigen om vervroegd met pensioen te kunnen gaan. Hij beklemtoont dat de bestreden maatregelen hem vanaf 1 mei 2026 minstens ongeveer 15 % van zijn maandelijkse middelen zullen doen verliezen, hetzij het verschil tussen het pensioen dat hij hoopte te ontvangen

het bedrag van het leefloon dat hij in 2026 zou kunnen genieten. Hij merkt ten slotte op dat die onmogelijkheid om met pensioen te gaan hem de mogelijkheid zal ontzeggen een « flexi-job » uit te oefenen, een activiteit die hij om verschillende redenen interessanter voor hem acht dan de prestaties die hij ter uitvoering van de voormelde arbeidsovereenkomst levert. A.33. Frederic Poels, 59 jaar, zet uiteen dat hij maandelijkse werkloosheidsuitkeringen geniet van ongeveer 745 euro

dat hij, sinds 1 december 2024, een « specifiek begeleidingstraject » volgt, dat wordt georganiseerd door de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voor een periode van eenentwintig maanden. Hij voegt eraan toe dat hij samenleeft met zijn vader, die maandelijks een rustpensioen van iets meer dan 2 000 euro geniet. Hij voert aan dat de bestreden maatregelen hem, vanaf 1 januari 2026, het voordeel van de uitkeringen

van het voormelde « traject » zullen doen verliezen. Hij voegt eraan toe dat hij waarschijnlijk geen leefloon zal kunnen genieten doordat hij samenwoont met zijn vader. Hij voert ook aan dat hij, in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen, geen betaling van de uitkeringen zal kunnen verkrijgen die hem zullen zijn ontzegd, omdat hij praktisch niet zal kunnen aantonen dat hij ondertussen actief naar werk is blijven zoeken,

dat hij evenmin de opportuniteiten zal kunnen terugvinden die het voormelde traject hem had kunnen bieden indien het niet zou zijn onderbroken. Hij merkt op dat de eventuele latere betaling van de werkloosheidsuitkeringen na de vernietiging van de bestreden wetsbepalingen in ieder geval niet het nadeel zal kunnen herstellen dat voortvloeit uit een eventuele schuldenlast of een woonprobleem veroorzaakt door het verlies van een kwart van de inkomsten van het gezin. A.34. Martine Smolders, 57 jaar, zet uiteen dat zij maandelijkse werkloosheidsuitkeringen van ongeveer 745 euro geniet

dat zij sinds 1 april 2025 tot april 2026 een « specifiek begeleidingstraject » volgt dat wordt georganiseerd door de Vlaamse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling. Zij voegt eraan toe dat zij samenleeft met haar echtgenoot, die maandelijks werkloosheidsuitkeringen ontvangt waarvan het bedrag varieert tussen ongeveer 1 775

2 005 euro. Die verzoekende partij voert aan dat de bestreden maatregelen haar vanaf 1 januari 2026 het voordeel van de voormelde uitkeringen

van het voormelde « traject » zullen doen verliezen. Zij voegt eraan toe dat zij waarschijnlijk geen leefloon zal kunnen genieten wegens het feit dat zij met haar echtgenoot samenwoont. Om redenen die vergelijkbaar zijn met die welke door Frederic Poels zijn uiteengezet, voert zij aan dat, in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen, het geleden nadeel niet zal kunnen worden hersteld. A.35. Catherine Fontaine, 63 jaar, zet uiteen dat zij alleen leeft

dat zij met toepassing van artikel 48 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 activiteiten als zelfstandige in bijberoep uitoefent. Zij preciseert hieromtrent dat het bedrag van de sociale bijdragen die zij als zelfstandige verschuldigd is, beperkt is tot ongeveer 400 euro per jaar wegens haar statuut van gerechtigde op de werkloosheidsuitkering. Zij voert aan dat de bestreden maatregelen haar vanaf 1 januari 2026 het voordeel van de voormelde uitkeringen ten bedrage van bijna 1 430 euro per maand zullen doen verliezen,

dat dat verlies slechts gedeeltelijk 9 zal worden gecompenseerd door het voordeel van een leefloon van ongeveer 1 315 euro dat zij zal kunnen krijgen. Zij voegt eraan toe dat de jaren tijdens welke zij dat leefloon zal ontvangen niet in aanmerking zullen kunnen worden genomen voor de berekening van haar rustpensioen, dat zij vanaf 1 mei 2028 zou moeten kunnen genieten. Zij voert ook aan dat het verlies van haar statuut van werkloze haar ertoe zal verplichten een einde te maken aan haar activiteiten als zelfstandige, omdat de wet niet toelaat een leefloon te cumuleren met inkomsten uit een beroepsactiviteit als zelfstandige in bijberoep

omdat zij niet in staat zal zijn de last te dragen van de sociale bijdragen die zij zou moeten betalen indien zij die activiteiten in hoofdberoep zou uitoefenen, bijdragen die negen keer hoger zouden zijn. De verzoekende partij leidt uit het voorgaande een financieel nadeel af dat niet zou kunnen worden hersteld in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen. A.36. Fabienne Moreels, 63 jaar, zet uiteen dat zij samenleeft met haar dochter van 20 jaar, die zij financieel ten laste heeft,

dat zij sinds 2014 een werkloosheidsuitkering geniet. Zij voegt eraan toe dat zij met toepassing van artikel 48 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 een zelfstandige activiteit in bijberoep als psychologe uitoefent, die een maandelijks belastbaar inkomen tussen 250

300 euro oplevert. Zij preciseert hieromtrent dat het bedrag van de sociale bijdragen dat zij als zelfstandige verschuldigd is, wegens haar statuut van gerechtigde op de werkloosheidsuitkering beperkt is tot ongeveer 1 000 euro per jaar. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden maatregelen haar vanaf 1 maart 2026 het voordeel van de voormelde uitkeringen, thans ter waarde van bijna 1 775 euro per maand, zullen doen verliezen. Zij voegt eraan toe dat de jaren tijdens welke zij die uitkeringen niet langer zal ontvangen, niet in aanmerking zullen kunnen worden genomen voor de berekening van haar rustpensioen, dat zij vanaf 1 augustus 2028 zou moeten kunnen genieten. Zij voert ook aan dat het verlies van haar statuut van werkloze haar ertoe zal verplichten een einde te maken aan haar activiteiten in bijberoep als psychologe, omdat de wet niet toelaat een eventueel leefloon te cumuleren met inkomsten uit een beroepsactiviteit als zelfstandige in bijberoep,

omdat zij niet in staat zal zijn de last te dragen van de sociale bijdragen die zij zou moeten betalen indien zij die activiteiten in hoofdberoep zou uitoefenen, bijdragen die ongeveer drieënhalf keer hoger zouden zijn. De verzoekende partij leidt uit het voorgaande een financieel nadeel af dat niet hersteld zou kunnen worden in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen. A.37. Martin Vander Elst, 44 jaar, zet uiteen dat hij doctor in de antropologie is, dat hij van de universiteit een maandelijkse vergoeding van bijna 500 euro ontvangt voor de twee lessen die hij er geeft,

dat hij een « inkomensgarantie-uitkering » ontvangt van bijna 1 235 euro per maand sinds de RVA hem eind 2024 het statuut van « deeltijds werknemer met behoud van rechten » heeft toegekend. Hij voert aan dat hij vanaf 30 juni 2026 niet langer recht op de voormelde uitkering zal hebben, dat het niet zeker is dat hij een leefloon zal kunnen genieten

dat, indien hij een leefloon kan genieten, zijn vergoeding daarvan zal worden afgetrokken. Hij voert aan dat de bestreden maatregelen hem bijna een kwart van zijn middelen zullen doen verliezen. Hij voegt eraan toe dat, in geval van vernietiging van die maatregelen, het voor hem niet mogelijk zal zijn de betaling te verkrijgen van de uitkeringen die hij in de tussentijd niet meer zal ontvangen, omdat hij de nodige formaliteiten voor de vaststelling van zijn recht niet zal hebben kunnen vervullen

omdat de RVA zal oordelen dat hij tijdens die periode een vrijwillig deeltijds werknemer was zonder recht op uitkeringen. A.38. Ook Nathalie Tassin

Mustapha Ouriaghli voeren aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden wetsbepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal berokkenen, door het bedrag van hun financiële middelen te verminderen, door het bedrag van hun toekomstige rustpensioen te treffen

door hun te beletten nog in het kader van een « PWA-arbeidsovereenkomst » te werken. A.39. Volgens de Ministerraad toont geen

kele verzoekende partij aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden wetsbepalingen haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A.40.

  1. De Ministerraad merkt op dat algemene cijfermatige veronderstellingen met betrekking tot de impact die de hervorming van de werkloosheidsreglementering op de financiële situatie van diverse categorieën van werklozen zou kunnen hebben, niet toelaten het bestaan aan te tonen van een risico van een nadeel op grond waarvan het Hof de schorsing van de bestreden bepalingen zou kunnen bevelen. De Ministerraad beklemtoont dat, 10 in geval van vernietiging van die bepalingen, het louter financiële nadeel zou kunnen worden hersteld door de verschuldigde uitkeringen uit te betalen voor de periode waarin die bepalingen van toepassing waren. A.40.
  2. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen overdrijven in hun beschrijving van de praktische moeilijkheden die de werklozen

de bevoegde instanties zullen ondervinden om hun rechten te herstellen na de eventuele vernietiging van de bestreden wetsbepalingen. Hij merkt met name op dat de RVA over tal van nuttige gegevens zal beschikken, dat die instelling reeds gewend is situaties te regulariseren wanneer de arbeidsrechtbank een beslissing onwettig acht waarbij aan een werkloze zijn recht op uitkeringen werd ontzegd,

dat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn

de ziekenfondsen ook al de gewoonte hebben om procedures te volgen die erop zijn gericht de betalingen uit te voeren die door regularisaties nodig zijn geworden. De Ministerraad relativeert ook de organisatieproblemen waarmee de uitbetalingsinstellingen worden geconfronteerd. De Ministerraad is van mening dat het louter bestaan van de voormelde praktische moeilijkheden in elk geval niet volstaat om aan te tonen dat het aangevoerde nadeel moeilijk te herstellen zal zijn. A.40.3. De Ministerraad betwist het bestaan van de aangevoerde algemene nadelen met betrekking tot de « deeltijdse werknemer met behoud van rechten », de werkloze die studeert of die is ingeschreven voor een opleiding,

de werkloze die een « specifiek begeleidingstraject » volgt. Hij voert aan dat die personen, in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen, niet kan worden verweten dat zij formaliteiten die niet relevant waren tijdens de periode waarin die bepalingen van toepassing waren, niet hebben vervuld. Hij merkt ook op dat die bepalingen niet tot gevolg hebben dat een einde wordt gemaakt aan de « specifieke begeleidingstrajecten ». De Ministerraad voegt eraan toe dat die nadelen in ieder geval hypothetisch zijn

niet zijn aangetoond ten aanzien van de verzoekende partijen. A.

  1. De Ministerraad merkt bovendien op dat het door de verzoekende verenigingen aangevoerde morele nadeel niet moeilijk te herstellen is, aangezien de vernietiging van de bestreden wetsbepalingen zou volstaan om het te laten verdwijnen. A.42.
  2. De Ministerraad zet uiteen dat het door de verzoekende natuurlijke personen aangevoerde financiële nadeel niet ernstig is. Hij merkt op dat geen

kele van die personen concrete gegevens voorlegt waarin de algehele financiële situatie van zijn gezin wordt uiteengezet, om aan te tonen dat de toepassing van de bestreden wetsbepalingen hem zal beletten zijn noodzakelijke uitgaven met zijn inkomsten te financieren. Hij merkt ook op dat de maatschappelijke bijstand die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt toegekend aan eenieder die na het verlies van zijn recht op werkloosheidsuitkeringen in een moeilijke financiële situatie terechtkomt, waarborgt dat die persoon een menswaardig leven zal kunnen leiden. Hij is in die context van mening dat het verschil tussen,

erzijds, het bedrag van de vroeger ontvangen werkloosheidsuitkering

, anderzijds, het bedrag van het leefloon of van de maatschappelijke bijstand, de schorsing van de toepassing van de bestreden wetsbepalingen niet verantwoordt. De Ministerraad voegt eraan toe dat de federale overheid, in geval van vernietiging van die bepalingen, in staat zou zijn om het veroorzaakte financiële nadeel te herstellen. A.42.2. Met betrekking tot de situatie van Chloé Dal voert de Ministerraad in de eerste plaats aan dat die verzoekende partij met toepassing van artikel 209, vierde

vijfde lid, van de wet van 18 juli 2025, in samenhang gelezen met artikel 63, § 2, vierde lid, 1°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, het voordeel van de inschakelingsuitkeringen tot 14 september 2026 zou kunnen behouden. De Ministerraad merkt vervolgens op dat Chloé Dal niets zegt over de professionele situatie van haar echtgenoot

over de beroepsactiviteiten die zij tussen het einde van de leerplicht

de maand september 2024 heeft uitgeoefend. Hij merkt op dat de verzoekende partij geen concrete gegevens voorlegt die aantonen dat het verlies van haar recht op inschakelingsuitkeringen haar zal verplichten om haar studies stop te zetten

dat het voor haar onmogelijk zal zijn om werk te vinden dat verenigbaar is met de voortzetting van die studies. De Ministerraad voegt eraan toe dat de omstandigheid dat de verzoekende partij geen leefloon zou kunnen genieten, aangeeft dat haar gezin over voldoende middelen beschikt om een menswaardig leven te leiden. 11 A.42.3. Met betrekking tot de situatie van Berlinda Cremers merkt de Ministerraad ook op dat niet haar statuut van samenwonende haar zal beletten om dat type inkomen te genieten, maar wel het feit dat de financiële middelen van haar gezin door de wet als voldoende worden beschouwd om een menswaardig leven te leiden. De Ministerraad preciseert ook dat de PWA-arbeidsovereenkomst niet is voorbehouden aan werklozen

dat Berlinda Cremers nog het recht zou hebben om onder die regeling te werken indien zij zich in een situatie zou bevinden die recht geeft op het leefloon. Hij merkt ook op dat binnenkort een Waals decreet in werking zal treden dat werkzoekenden die geen werkloosheidsuitkeringen genieten, toelaat om dat type overeenkomst te sluiten. De Ministerraad merkt ook op dat noch de bestreden wetsbepalingen, noch de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de verzoekende partij haar beletten om werk te vinden op de klassieke arbeidsmarkt. De Ministerraad merkt ten slotte op dat het aangevoerde morele nadeel dat voortvloeit uit het « gevoel van maatschappelijke nutteloosheid » niet kan volstaan om de bestreden wetsbepalingen te schorsen. A.42.4. De Ministerraad merkt op dat de situatie van Inge Lammertyn vergelijkbaar is met die van Berlinda Cremers. Hij merkt niettemin op dat haar echtgenoot een hoger pensioen ontvangt dan de echtgenoot van Berlinda Cremers

dat zij ook met haar zoon samenwoont, waarover zij niets zegt in het verzoekschrift. De Ministerraad voegt eraan toe dat het verlies van de werkloosheidsuitkeringen geen einde zal maken aan de PWA- arbeidsovereenkomst die de verzoekende partij heeft gesloten, aangezien het Vlaamse decreet van 7 juli 2017 « betreffende wijk-werken

diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming » ook werkzoekenden die geen werkloosheidsuitkeringen genieten, toelaat dat type overeenkomst te sluiten. A.42.5. Met betrekking tot Frédéric Leeb beklemtoont de Ministerraad dat die eerstgenoemde geen

kel document met betrekking tot de samenstelling van zijn gezin of zijn actuele middelen overlegt. Hij voegt eraan toe dat de toepassing van de bestreden wetsbepalingen die persoon niet zal beletten vervroegd met pensioen te gaan

dat hij dat snel zou kunnen doen indien hij in 2026 nog vier maanden werkt. De Ministerraad leidt daaruit af dat het aangevoerde nadeel tijdelijk

makkelijk te herstellen is gezien het louter financiële karakter

de beperkte omvang ervan. A.42.6. Met betrekking tot Frederic Poels

Martine Smolders beklemtoont de Ministerraad dat ook zij geen document inzake de samenstelling van hun gezin overleggen. Hij merkt ook op dat een samenwonend persoon die geen leefloon kan genieten door de wet wordt verondersteld over voldoende middelen te beschikken om een menswaardig leven te leiden. Hij merkt tevens op dat het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen van de echtgenoot van Martine Smolders zou kunnen toenemen wanneer zij vanaf 1 januari 2026 haar eigen recht zal verliezen. De Ministerraad betwist ook het feit dat het verlies van hun recht op werkloosheidsuitkeringen tot gevolg zal hebben dat een einde wordt gemaakt aan het « specifieke begeleidingstraject » dat zij genieten. De Ministerraad merkt bovendien op dat Frederic Poels

Martine Smolders, in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen, moeiteloos zullen kunnen aantonen dat zij in de tussentijd actief naar werk zijn blijven zoeken. Hij merkt op dat hun gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid hun niet belet om in afwachting van de uitspraak van het arrest van het Hof over het beroep tot vernietiging werk te vinden op de klassieke arbeidsmarkt. Hij voegt eraan toe dat zij zich in ieder geval tot respectievelijk september 2026

april 2026 kunnen beroepen op een vrijstelling van de controle op hun actieve beschikbaarheid op de arbeidsmarkt tijdens hun « specifieke begeleidingstraject ». A.42.7. Wat Catherine Fontaine

Fabienne Moreels betreft, merkt de Ministerraad op dat die verzoekende partijen, die reeds inkomsten uit hun activiteiten in bijberoep als psychologe ontvangen, na hun recht op werkloosheidsuitkeringen te hebben verloren, het volume van hun beroepsactiviteiten zouden kunnen vergroten. Hij voegt eraan toe dat die verzoekende partijen niet aantonen dat het verlies van hun statuut van werkloze hen zal verplichten een einde te maken aan hun activiteiten als zelfstandige. De Ministerraad merkt op dat zij in het bijzonder niet aantonen dat het voor hen onmogelijk zou zijn om de last van de hogere sociale bijdragen tijdens de behandelingsprocedure van het beroep tot vernietiging te dragen, die zij terugbetaald zouden kunnen krijgen in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen. 12 De Ministerraad is van mening dat de aangevoerde schade die voortvloeit uit de impact van het verlies van het recht op werkloosheidsuitkeringen op de berekeningswijze van hun pensioen, in voorkomend geval, gemakkelijk hersteld zou kunnen worden via een administratieve regularisatie. Hij merkt ook op dat de verzoekende partijen die schade evenzeer zouden kunnen vermijden door hun activiteiten als psychologe verder te zetten of door ander werk te vinden. Met betrekking tot Catherine Fontaine voegt de Ministerraad eraan toe dat zij, volgens het aanslagbiljet dat zij voor het aanslagjaar 2023 voorlegt, eigenaar is van een woning. Hij vraagt zich af waarom zij ook niet haar laatste aanslagbiljet neerlegt. Met betrekking tot Fabienne Moreels beklemtoont de Ministerraad dat het bedrag van het leefloon waarop zij recht zal hebben wanneer zij het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen zal zijn verloren, hoger zal zijn dan het bedrag van haar uitkeringen, aangezien zij een kind ten laste heeft. De Ministerraad merkt ook op dat zij geen informatie geeft over de activiteiten

de eventuele middelen van haar dochter met wie zij samenwoont. A.42.8. De Ministerraad merkt op dat Martin Vander Elst evenmin een document over de samenstelling van zijn gezin overlegt. Hij voert ook aan dat hij vrij blijft om ander werk te vinden indien hij van mening is dat de middelen die het leefloon hem zal bieden onvoldoende zijn. Hij merkt ook op dat die verzoekende persoon geen gewag maakt van pogingen om voltijds werk te vinden. Hij voegt eraan toe dat, indien die verzoekende persoon uitgesloten zou worden van het voordeel van de inkomensgarantie-uitkering, hij de nuttige gegevens voor de toekenning met terugwerkende kracht van die uitkeringen in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen zou kunnen bewaren, of op zijn minst op de invoering van een latere regularisatieprocedure zou kunnen rekenen. Ten aanzien van de omvang van de schorsing

van de vernietiging A.43. De verzoekende partijen voeren aan dat hoofdstuk 1 van titel 5 van de wet van 18 juli 2025 een ondeelbaar geheel van bepalingen vormt, zodat het Hof, indien het oordeelt dat de middelen die tegen de artikelen 142

169 van die wet zijn gericht gegrond zijn, alle bepalingen van dat hoofdstuk zal moeten schorsen

vervolgens vernietigen. A.44. Volgens de Ministerraad zou het niet verantwoord zijn bepalingen waartegen geen

kel middel is uiteengezet, te schorsen of te vernietigen. A.45. De verzoekende partijen voeren ook aan dat indien het Hof oordeelt dat de in artikel 216, § 1, eerste lid, van de wet van 18 juli 2025 vermelde regel discriminerend is, de artikelen 208 tot 216 van die wet dienen te worden vernietigd, op zijn minst ten aanzien van de personen die vóór 1 januari 2026 met een opleiding zijn gestart. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen

de context ervan B.1. Het beroep tot vernietiging

de vordering tot schorsing zijn gericht tegen hoofdstuk 1 van titel 5 van de programmawet van 18 juli 2025 (hierna : de wet van 13 18 juli 2025), dat bestaat uit de artikelen 88 tot 216 van die wet. Zoals het opschrift van dat hoofdstuk aangeeft, brengen die bepalingen wijzigingen aan in de « werkloosheidsreglementering ». Afdeling 1 van dat hoofdstuk 1, die de artikelen 88

89 omvat, wijzigt de besluitwet van 28 december 1944 « betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ». De artikelen 90 tot 191 van de wet van 18 juli 2025, die afdeling 2 van het voormelde hoofdstuk vormen, strekken ertoe het koninklijk besluit van 25 november 1991 « houdende de werkloosheidsreglementering » (hierna : het koninklijk besluit van 25 november 1991) te wijzigen. De artikelen 192 tot 206 van de wet van 18 juli 2025, die afdeling 3 van het voormelde hoofdstuk vormen, strekken ertoe het ministerieel besluit van 26 november 1991 « houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering » te wijzigen. De artikelen 207 tot 216 van dezelfde wet, die afdeling 4 van hetzelfde hoofdstuk vormen, regelen de inwerkingtreding van dat hoofdstuk

bevatten overgangsbepalingen. B.2.1. Het Hof stelt de omvang van een beroep tot vernietiging –

dus van de vordering tot schorsing die ermee gepaard gaat – vast op basis van de uiteenzetting van de middelen die het verzoekschrift moet bevatten. Het beperkt zijn onderzoek tot de wetsbepalingen waartegen middelen zijn gericht. B.2.2. Te dezen blijkt uit de uiteenzetting van de middelen dat het voorliggende beroep –

dus de vordering tot schorsing die ermee gepaard gaat – betrekking heeft op,

erzijds, de artikelen 142

169 van de wet van 18 juli 2025, in zoverre zij respectievelijk de artikelen 63, § 2,

114, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 vervangen,

, anderzijds, de artikelen 207, 209, 212

216 van diezelfde wet. B.3.1. De « inschakelingsuitkeringen » zijn uitkeringen die de jonge werknemer kan genieten als volledig werkloze die, in de regel, minder dan 25 jaar oud is

die aan verschillende andere voorwaarden voldoet (artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991). Hij kan die uitkeringen niet genieten vóór de beëindiging van de voltijdse

van de deeltijdse leerplicht (artikel 63, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit). B.3.

  1. Vóór de wijziging ervan bij de wet van 18 juli 2025 bepaalde artikel 63, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 dat het recht op inschakelingsuitkeringen 14 werd beperkt tot een periode van 36 maanden, gerekend van datum tot datum, vanaf de dag waarop het recht voor het eerst werd toegekend krachtens artikel
  2. In bepaalde gevallen kon die periode van 36 maanden worden verlengd met toepassing van artikel 63, § 2, van het voormelde koninklijk besluit. B.3.
  3. Artikel 142 van de wet van 18 juli 2025 vervangt artikel 63, §§ 2

3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 door de volgende tekst : « §

  1. Het recht op inschakelingsuitkeringen is beperkt tot een éénmalige periode van 12 maanden, gerekend van datum tot datum, vanaf de dag waarop het recht voor het eerst wordt toegekend krachtens artikel
  2. §
  3. De periode van 12 maanden, vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2, loopt niet tijdens de duur van de volgende gebeurtenissen : 1° een werkhervatting als voltijdse werknemer; 2° een werkhervatting als deeltijdse werknemer met behoud van rechten waarvoor de inkomensgarantie-uitkering niet is toegekend; 3° een werkhervatting als vrijwillig deeltijdse werknemer die beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 33, 1°, voor zover de werknemer tijdens deze tewerkstelling geen uitkeringen werden toegekend; 4° de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 die niet gelegen zijn in [een in] de bepalingen onder 1°, 2°

3° bedoelde tewerkstelling

waarvoor geen aanvullende uitkering werd toegekend; 5° de periode waarin de werknemer een moederschapsuitkering geniet, de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 of de periode in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; 6° de periode waarvoor de werknemer een uitkering heeft ontvangen ingevolge de Belgische wetgeving inzake de ziekte- of invaliditeitsverzekering, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar

van het werk

beroepsziekten of krachtens een andere regeling inzake sociale zekerheid, een prestatie wegens een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit heeft genoten. Er wordt hierbij geen rekening gehouden met periodes waarin de werknemer tegelijkertijd een inschakelingsuitkering heeft genoten; 7° voor zover de ononderbroken duur van de gebeurtenis ten minste drie maanden bedraagt : de uitoefening van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt, voor zover voor die periode geen uitkeringen werden toegekend. 15 Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, 2°

3° wordt evenwel geen rekening gehouden met de in deze periode gelegen dagen die niet als gelijkgestelde dagen in aanmerking kunnen worden genomen. De jonge werknemer, die bij het verstrijken van de periode van 12 maanden, bedoeld in paragraaf 2, in voorkomend geval verlengd in toepassing van de vorige leden, een inkomensgarantie-uitkering geniet als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, waarbij de referte-uitkering bedoeld in artikel 131bis, § 2bis, een inschakelingsuitkering betreft, kan het recht op uitkeringen behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van de tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uur bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon. Het eerste lid is niet van toepassing tijdens de periode waarin de jonge werknemer, overeenkomstig het derde lid, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt ». B.4.1. Vóór de wijziging ervan bij de wet van 18 juli 2025 bepaalde artikel 114, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, in essentie, dat het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze werd vastgesteld volgens een percentage van het gemiddeld dagloon, de gezinscategorie waartoe de werkloze behoorde, het toepasselijke grensbedrag, de werkloosheidsduur

het beroepsverleden. B.4.2. Artikel 169 van de wet van 18 juli 2025 vervangt die bepaling door de volgende tekst : « De volledig werkloze die in toepassing van artikel 30 of 33 wordt toegelaten tot het recht op uitkeringen, verwerft dit recht voor een periode van twaalf maanden, te rekenen van datum tot datum, vanaf de datum van de uitkeringsaanvraag. Deze periode van twaalf maanden wordt de eerste vergoedingsperiode genoemd. Het recht op uitkeringen gedurende twaalf maanden wordt uitgebreid met één maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of, indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33, 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen. Er wordt

kel rekening gehouden met het beroepsverleden dat verworven is op het ogenblik dat de werkloze wordt toegelaten tot het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of

  1. De uitbreiding wordt bovendien beperkt tot maximaal twaalf maanden. De periode waarin het recht op uitkeringen met maximaal twaalf maanden wordt uitgebreid, wordt de tweede vergoedingsperiode genoemd. Voor de uitbreiding van het recht op uitkeringen zoals bedoeld in het tweede lid, wordt bij het bepalen van het beroepsverleden geen rekening gehouden met de arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen : 16 1° die in aanmerking werden genomen als de vereiste 312 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen voor een toelating tot het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of 33; 2° die bij een eerdere toelating tot het recht op uitkeringen in toepassing van de artikelen 30 of 33 al in aanmerking werden genomen voor een uitbreiding van de periode van twaalf maanden. Er wordt meer bepaald geen rekening meer gehouden met een schijf van 104 volle of halve dagen beroepsverleden van zodra de werkloze tijdens de maand waarin het recht op uitbreiding op basis van die schijf van 104 dagen werd toegekend, minstens voor één dag uitkeringen heeft genoten of er tijdens die maand een gebeurtenis plaatsvond die niet in aanmerking kan worden genomen voor de toepassing van artikel 116, § 1; 3° die voor de toepassing van paragraaf 2 zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, in aanmerking werden genomen als beroepsverleden dat aanleiding heeft gegeven tot een verlenging van de tweede vergoedingsperiode die effectief heeft geleid tot de toekenning van een voordeel; 4° die in aanmerking werden genomen als beroepsverleden dat werd gebruikt om de duur van de periode te bepalen bedoeld in artikel 212, § 1, tweede lid, van de programmawet van 18 juli 2025, die effectief heeft geleid tot de toekenning van een voordeel ». B.
  2. Artikel 209 van de wet van 18 juli 2025 bepaalt : « De jonge werknemer die is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen vóór 1 maart 2026

wiens einddatum van het recht op inschakelingsuitkeringen gelegen is na 30 juni 2025, behoudt zijn recht tot de einddatum zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 63 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026. Voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid

in afwijking van dat lid, dooft het recht op inschakelingsuitkeringen uit ten laatste op 31 december 2025. Wanneer voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, als gevolg van de toepassing van het tweede lid, de periode tussen de datum van de eerste toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen

de datum waarop het recht eindigt, minder dan 12 maanden bedraagt, dooft het recht evenwel uit 12 maanden na de datum van de eerste toelating. Artikel 63, § 2, derde

vierde lid,

§ 3

, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, blijft verder van toepassing na 28 februari 2026 op de in de vorige leden bedoelde jonge werknemer. De toepassing van artikel 63, § 2, derde

vierde lid, 1°

2°,

§ 3

, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, kan niet als gevolg hebben dat de jonge werknemer nog uitkeringen geniet na 31 december 2026. Voor de jonge werknemer bedoeld in het derde lid, wordt de datum van 31 december 2026, bedoeld in het vijfde lid, opgeschoven met het aantal volledige maanden dat zich situeert tussen 1 januari 2025

de datum van de eerste toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen. 17 In afwijking van het vijfde

zesde lid, kan de jonge werknemer, in geval van toepassing van bovenvermeld artikel 63, § 2, vierde lid, 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991,

op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van de tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uur bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten. Artikel 63, § 2, derde

vierde lid,

§ 3

, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, is niet van toepassing tijdens de periode waarin de jonge werknemer overeenkomstig het zevende lid, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt. Voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, is artikel 63, § 3, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, niet meer van toepassing vanaf 1 maart 2026. Vanaf 1 juli 2025

binnen de perken van het vijfde, zesde

zevende lid, is artikel 63, § 2, derde

vierde lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, eveneens van toepassing op de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, die na 1 januari 2023 voor de eerste keer is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen

die op 1 juli 2025 de leeftijd van 30 jaar niet heeft bereikt

overeenkomstig artikel 110, §§ 1

2, wordt beschouwd als werknemer met gezinslast of als alleenwonende werknemer, of die overeenkomstig artikel 110, § 3, wordt beschouwd als samenwonende werknemer

voldoet aan de vereisten van artikel 124, tweede lid, niettegenstaande het feit dat hij zich nog in de in toepassing van het tweede lid van het voormelde artikel 63, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, geneutraliseerde periode bevindt. De jonge werknemer die is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen op basis van artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, kan niet meer toegelaten worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen op basis van artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart

  1. Voor de toepassing van dit artikel blijft artikel 42 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, verder van toepassing na 28 februari 2026 ». B.
  2. Artikel 212 van de wet van 18 juli 2025 bepaalt : « §
  3. De werknemer die, in toepassing van artikel 30, 32 of 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, vóór 1 maart 2026 tot het recht op uitkeringen werd toegelaten

die nog toelaatbaar is op basis van artikel 42 van het voormelde koninklijk besluit, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, behoudt dit recht op uitkeringen onder de hierna vermelde voorwaarden, ten laatste tot 30 juni 2030. 18 De duur van het recht op uitkeringen voor de werknemers bedoeld in het eerste lid, wordt in functie van de vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, beperkt tot : 1° 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de eerste vergoedingsperiode

bovendien minstens vijf jaar beroepsverleden heeft; 2° 12 maanden, verhoogd met een maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met een maximum van in totaal 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de eerste vergoedingsperiode, maar geen vijf jaar beroepsverleden heeft; 3° 12 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de tweede vergoedingsperiode; 4° 9 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode

op de datum van 31 december 2024 in totaal minder dan 2.496 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991; 5° 8 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode

op de datum van 31 december 2024 in totaal minstens 2.496, maar minder dan 6.240 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991; 6° 6 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode

op de datum van 31 december 2024 in totaal minstens 6.240 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november

  1. Voor de toepassing van het tweede lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november
  2. Het beroepsverleden bedoeld in het tweede lid, wordt berekend overeenkomstig artikel
  3. De periode bedoeld in het tweede lid loopt vanaf : 1° de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag, bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep,

die gelegen is na 1 juli 2025; 19 2° 1 juli 2025, in de andere gevallen. De werknemer bedoeld in deze paragraaf die tijdens de periode vanaf 1 juli 2025 tot 28 februari 2026 de voorwaarden vervult van artikel 116, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, heeft nog recht op uitkeringen vanaf de datum van zijn nieuwe uitkeringsaanvraag, bedoeld in artikel 133, § 1, 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, gedurende een periode van : 1° 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 minstens vijf jaar beroepsverleden heeft; 2° 12 maanden, verhoogd met een maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met een maximum van in totaal 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 geen vijf jaar beroepsverleden heeft. Tijdens de periode waarvoor de werknemers bedoeld in deze paragraaf het recht op uitkeringen behouden, wordt het bedrag van de uitkering verder bepaald in toepassing van artikel 114, §§ 1, 2, 3, 4, 5, 5bis

7, artikel 116, §§ 2

4,

artikel 118, §§ 1

2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari

  1. In geval de periode waarin het recht op uitkeringen wordt behouden, door de toepassing van artikel 116, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, wordt verlengd, eindigt de periode waarin dat recht op uitkeringen wordt behouden, in ieder geval uiterlijk twaalf maanden na het einde van het recht zoals bepaald in toepassing van het tweede tot zesde lid, in voorkomend geval beperkt tot 30 juni
  2. De werknemer bedoeld in het tweede lid, 6°, voor wie het recht op uitkeringen in toepassing van de vorige leden een einde neemt tussen 1 januari 2026

28 februari 2026

die een nieuwe uitkeringsaanvraag indient in diezelfde periode, kan slechts opnieuw uitkeringen genieten indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 30 of 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari

  1. Voor de toepassing van het negende lid wordt, in afwijking van artikel 38 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, geen rekening gehouden met dagen waarvoor een uitkering als volledig werkloze bedoeld in artikel 27, 1°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, werd toegekend. §
  2. In afwijking van paragraaf 1, behoudt de werknemer die op 30 juni 2025 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt

een voldoende beroepsverleden heeft, bepaald overeenkomstig artikel 214, het recht op uitkeringen, zonder dat de beperking in de tijd bedoeld in artikel 114, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 vanaf 1 maart 2026 van toepassing is. Voor de toepassing van het eerste lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een 20 tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit. De werknemer bedoeld in deze paragraaf heeft recht op het volgende dagbedrag : 1° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026 : a) gedurende de rest van die periode, zoals bepaald op basis van de artikelen 114

116, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, het bedrag in functie van de fase van de eerste vergoedingsperiode waarin de werknemer zich bevindt; b) daarna, gedurende een periode gelijk aan het verschil tussen 24 maanden

het gedeelte van de eerste vergoedingsperiode dat gelegen is na 30 juni 2025 of, indien van toepassing, na de datum bedoeld in het tweede lid, het bedrag dat overeenstemt met de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026;

  1. c)daarna het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°,
  2. b)of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026; 2° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026 :
  3. a)gedurende 12 maanden, het bedrag dat overeenstemt met de fase van de tweede vergoedingsperiode waarin de werknemer zich bevindt op 30 juni 2025;
  4. b)daarna het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°, b), of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026; 3° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de derde vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026 :
  5. a)tot 28 februari 2026 : het bedrag bedoeld in artikel 114, § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026;
  6. b)vanaf 1 maart 2026 : het bedrag bedoeld in artikel 115, § 1, eerste lid, 1°, b), 2°,
  7. b)of 3°, d), van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026. Voor de toepassing van het derde lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er 21 rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991. Tijdens de periode waarvoor de werknemer bedoeld in deze paragraaf het recht op uitkeringen [behoudt], wordt het bedrag van de uitkering verder bepaald in toepassing van artikel 114, §§ 1, 2, 3, 4, 5, 5bis

7, artikel 116, §§ 2

4,

artikel 118, §§ 1

2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari

  1. §
  2. De bepalingen van paragraaf 2 zijn van toepassing op de werknemer die een voldoende beroepsverleden bewijst, zonder de leeftijd van 55 jaar te hebben bereikt. Zijn recht op uitkeringen wordt evenwel beperkt in toepassing van paragraaf
  3. §
  4. De paragrafen 1 tot 3 zijn niet meer van toepassing indien de werknemer, wanneer hij na een onderbreking bedoeld in artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, vanaf 1 maart 2026 een uitkeringsaanvraag indient als volledig werkloze voor alle dagen van de week, de toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 30 of 33, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2026, vervult ». B.
  5. Artikel 216, § 1, van de wet van 18 juli 2025 bepaalt : « In afwijking van de bepalingen van de onderhavige afdeling behoudt de werknemer die bij het verstrijken van de periode waarvoor het recht op uitkeringen is vastgesteld overeenkomstig de onderhavige afdeling, een opleiding volgt in voorbereiding op een tewerkstelling in een knelpuntberoep die werd aangevat vóór 1 januari 2026,

waarvoor door de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling een vrijstelling wordt toegekend, het recht op uitkeringen voor de ononderbroken duur van deze opleiding, maar tot ten laatste 30 juni

  1. De vakantieperiodes vormen geen onderbreking voor de toepassing van het eerste lid. Voor de werknemer bedoeld in artikel 84 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 31 december 2025, wordt het recht op uitkeringen uitsluitend behouden overeenkomstig de vorige leden indien de voorwaarden van voormeld artikel 84 zijn vervuld ». B.8.
  2. Artikel 207 van de wet van 18 juli 2025 bepaalt : « Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 juli
  3. In afwijking van het vorige lid, treden de afdelingen 1 tot 3 slechts in werking vanaf 1 maart
  4. In afwijking van de vorige leden, treedt artikel 151 in werking vanaf 1 januari 2026 ». 22 B.8.
  5. Overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van de wet van 31 mei 1961 « betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken

inwerkingtreden van wetten

verordeningen » zijn de artikelen 207 tot 216 van de wet van 18 juli 2025 de tiende dag na die van hun bekendmaking, zijnde op 8 augustus 2025, in werking getreden. Met toepassing van artikel 207, eerste lid, van de wet van 18 juli 2025 hebben de in B.6

in B.7 aangehaalde artikelen 212

216 van dezelfde wet, die op 8 augustus 2025 in werking zijn getreden, uitwerking met ingang van 1 juli 2025. B.8.3. De artikelen 142

169 van de wet van 18 juli 2025 zullen op 1 maart 2026 in werking treden

zullen vanaf die dag uitwerking hebben (artikel 207, tweede lid, van dezelfde wet). B.9. Artikel 215 van de wet van 18 juli 2025 bepaalt : « Het recht op werkloosheidsuitkeringen dat in toepassing van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 werd toegekend, wordt vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze wet van rechtswege omgezet naar een beperkt recht op werkloosheidsuitkeringen, dat inzonderheid onderworpen is aan de bepalingen van de artikelen 210, 211

212. De einddatum van het recht op inschakelingsuitkeringen die in toepassing van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 werd vastgesteld, wordt vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze wet van rechtswege opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 209

210. De wijzigingen bedoeld in de onderhavige afdeling gelden zonder dat de werknemer opgeroepen moet worden om gehoord te worden

de toekenning van de uitkering voor een in de tijd beperkte duur wordt meegedeeld aan de werknemer ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.10. De verzoekers zijn veertien rechtspersonen, vier feitelijke verenigingen

negen natuurlijke personen. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging waarmee zij gepaard gaat, dient de ontvankelijkheid van dat beroep reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. 23 Wat betreft de procesbekwaamheid van bepaalde verzoekende partijen B.11.

  1. Uit de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad blijkt dat de vereniging zonder winstoogmerk « FreeZbe vzw » werd ontbonden bij een unanieme beslissing die op 9 september 2016 is genomen door de algemene vergadering ervan. B.11.
  2. Het beroep tot vernietiging

de vordering tot schorsing zijn onontvankelijk in zoverre zij door die vereniging zijn ingesteld. Wat betreft het belang B.12. De Grondwet

de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks

ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.13.1. De verzoekende natuurlijke personen zijn werkloos

hebben van de RVA een brief ontvangen waarin hun werd meegedeeld dat hun recht op een werkloosheidsuitkering op zeer korte termijn,

voor de meesten van hen op 1 januari 2026, een einde zal nemen. Die verzoekende partijen doen derhalve blijken van een belang bij de vernietiging,

dus eveneens bij de schorsing, van de bestreden bepalingen, die tal van regels wijzigen die de voorwaarden vaststellen waaronder een werknemer recht heeft op uitkeringen in geval van werkloosheid. B.13.

  1. Aangezien sommige verzoekende partijen over het vereiste belang beschikken, dient niet te worden onderzocht of hetzelfde geldt voor de andere verzoekende partijen. 24 Wat betreft de tussenkomsten B.
  2. Vier natuurlijke personen hebben een memorie van tussenkomst ingediend. B.
  3. De eerste

de derde tussenkomende partij vorderen in werkelijkheid de schorsing van titel 5 van de wet van 18 juli

  1. De vordering tot schorsing van een wet is slechts ontvankelijk wanneer zij wordt ingesteld binnen drie maanden na de bekendmaking van die wet (artikel 21, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989). De wet van 18 juli 2025 werd bekendgemaakt op 29 juli
  2. Bijgevolg is de vordering tot schorsing, ingevolge het bericht dat het Hof in het Belgisch Staatsblad van 10 november 2025 heeft doen bekendmaken, onontvankelijk. B.
  3. De grieven aangevoerd door de tweede

de vierde tussenkomende partij kunnen slechts in aanmerking worden genomen in zoverre zij aansluiten bij de in de verzoekschriften geformuleerde middelen. Artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 staat immers niet toe, in tegenstelling tot artikel 85, dat in een memorie van tussenkomst nieuwe middelen worden geformuleerd. B.17.

  1. De memorie van de tweede tussenkomende partij bevat geen opmerkingen die aansluiten bij de in het verzoekschrift geformuleerde middelen. De memorie van de vierde tussenkomende partij voert uitsluitend nieuwe middelen aan. B.17.
  2. Beide tussenkomende partijen trachten daarnaast aan te tonen dat ook zij door de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijden. Het risico van een persoonlijk nadeel van een tussenkomende partij is evenwel vreemd aan de voorwaarden tot schorsing. 25 B.17.
  3. De tussenkomsten zijn derhalve onontvankelijk. Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing B.
  4. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat een van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Wat betreft het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.19.
  5. Wat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, moet een schorsing van een wetsbepaling door het Hof kunnen voorkomen dat voor de verzoekende partij door de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een ernstig nadeel zou ontstaan dat bij een eventuele vernietiging van die norm niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld. B.19.
  6. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete

precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepaling waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst

de moeilijk te herstellen aard ervan

het verband tussen dat risico

de toepassing van de bestreden bepaling aantonen. 26 B.

  1. De verzoekende verenigingen zonder winstoogmerk voeren aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden wetsbepalingen, door de omvang van de gevolgen ervan voor een groot aantal personen van wie zij de belangen behartigen, hun een moreel nadeel berokkent of zal berokkenen. B.
  2. Bij het onderzoek van het nadeel dat een vereniging zonder winstoogmerk die zich op een collectief belang beroept, aanvoert ter ondersteuning van een vordering tot schorsing, mag de situatie van die vereniging niet worden verward met de persoonlijke situatie van de natuurlijke personen op wie dat belang betrekking heeft,

die door de bestreden bepaling zouden kunnen worden geraakt. B.22. Het nadeel dat de bestreden wetsbepalingen te dezen zouden kunnen berokkenen aan de werklozen van wie zij de situatie wijzigen, raakt de verzoekende verenigingen niet persoonlijk. Het door die laatste aangevoerde morele nadeel vloeit voort uit de toepassing van wetsbepalingen die

kel het collectieve belang dat zij verdedigen, zou kunnen raken. Dat nadeel is niet moeilijk te herstellen, aangezien het zou verdwijnen bij een vernietiging van die bepalingen. B.

  1. De verzoekende verenigingen zonder winstoogmerk tonen dus niet aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden wetsbepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Het Hof dient het moeilijk te herstellen ernstig nadeel bijgevolg slechts te onderzoeken ten aanzien van de negen verzoekende natuurlijke personen. Het door de laatste verzoekende natuurlijke persoon aangevoerde nadeel B.
  2. De negende verzoekende natuurlijke persoon voert aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen hem benadeelt in zoverre zij tot gevolg zal hebben dat, 27 vanaf 30 juni 2026, een einde wordt gemaakt aan zijn recht op een « inkomensgarantie-uitkering » die hem aan het einde van het jaar 2024 werd toegekend met toepassing van artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november
  3. B.
  4. De uiteenzetting van die verzoekende partij

de stukken die zij bij het verzoekschrift voegt, stellen het Hof evenwel niet in staat te begrijpen waarom het nadeel dat zij aanvoert, zou kunnen voortvloeien uit de onmiddellijke toepassing van de in B.3.3, B.4.2, B.5

B.6 aangehaalde bepalingen. Artikel 142 van de wet van 18 juli 2025 B.26. Artikel 142 van de wet van 18 juli 2025 vervangt artikel 63, §§ 2

3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, dat de voorwaarden voor de toekenning van de « inschakelingsuitkering » regelt. De tweede verzoekende natuurlijke persoon is de

ige verzoekende partij die zich in een situatie bevindt die haar toestaat aanspraak te maken op het voordeel van die uitkering. B.

  1. Zij voert aan dat de toepassing van het voormelde artikel 142 haar benadeelt door haar, vanaf 1 januari 2026, het recht op de inschakelingsuitkeringen die zij sedert de zomer van 2023 ontvangt, te ontzeggen. B.
  2. Gesteld dat zij bewezen is, kan die ontzegging evenwel niet voortvloeien uit artikel 142 van de wet van 18 juli 2025, dat pas op 1 maart 2026 in werking zal treden (artikel 207, tweede lid, van die wet). De situatie van de jonge werknemer die is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen vóór 1 maart 2026

wiens einddatum van dat recht gelegen is na 30 juni 2025, wordt geregeld bij artikel 209 van de wet van 18 juli

  1. Volgens het eerste lid van die bepaling behoudt die jongere zijn recht tot de einddatum zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 63 van het koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari
  2. Het tweede lid bepaalt dat dat recht ten laatste op 31 december 2025 uitdooft. 28 Bovendien hebben ook het vierde

het vijfde lid van artikel 209 van de wet van 18 juli 2025 betrekking op de situatie van de verzoekende partij, aangezien zij bepalen dat artikel 63, § 2, vierde lid, 1°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, in de versie vóór de wijziging ervan bij artikel 142 van de wet van 18 juli 2025, na 28 februari 2026 van toepassing blijft op de voornoemde jonge werknemer, zonder dat die toepassing tot gevolg kan hebben dat hij uitkeringen geniet na 31 december

  1. Op grond van die bepaling wordt de jonge werknemer die toegelaten werd op grond van artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991, ter gelegenheid van een latere uitkeringsaanvraag, met het oog op de uitputting van de resterende rechten, toelaatbaar beschouwd indien hij een vrijstelling van wachttijd overeenkomstig artikel 42 van hetzelfde koninklijk besluit geniet, of indien hij de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt. Uit het document van de RVA dat de verzoekende partij bij het verzoekschrift heeft gevoegd, blijkt dat zij over een dergelijke vrijstelling beschikt tot 14 september
  2. Die regeling stelt het Hof derhalve in staat om vóór het ontstaan van het aangevoerde nadeel uitspraak te doen over het beroep tot vernietiging. Het door die verzoekende partij aangevoerde nadeel is aldus geen nadeel dat bij een eventuele vernietiging niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld. B.
  3. Het door de verzoekende partij aangevoerde nadeel vloeit dus kennelijk niet voort uit de onmiddellijke toepassing van artikel 142 van die wet. Artikel 169 van de wet van 18 juli 2025 B.
  4. Uit de documenten van de RVA die de eerste

derde tot achtste natuurlijke persoon bij het verzoekschrift hebben gevoegd, blijkt dat die personen reeds verschillende jaren werkloosheidsuitkeringen genieten

dat het verlies van het recht op die uitkeringen dat aan de oorsprong ligt van het nadeel dat zij aanvoeren ter ondersteuning van de vordering tot schorsing, voortvloeit uit de toepassing van artikel 212, § 1, van de wet van 18 juli 2025. B.31. Zoals blijkt uit de tekst van die laatste bepaling, die is aangehaald in B.6,

uit artikel 215, eerste lid, van dezelfde wet, dat is aangehaald in B.9, wordt de duur van het recht op werkloosheidsuitkeringen dat werd toegekend met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 die van kracht zijn tot 1 maart 2026, geregeld bij de 29 overgangsbepalingen die worden vermeld in de artikelen 212, 213, 214

216 van de wet van 18 juli 2025,

dus niet bij artikel 114, § 1, van dat koninklijk besluit, zoals het van toepassing zal zijn vanaf 1 maart 2026, wanneer de wijzigingen die artikel 169 van die wet erin aanbrengt, in werking zullen treden. B.

  1. De onmiddellijke toepassing van die laatste bepaling zou het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel dus niet kunnen veroorzaken. Artikel 212, § 1, van de wet van 18 juli 2025 B.
  2. Uit het door de zesde verzoekende natuurlijke persoon overgelegde document van de RVA blijkt dat de toepassing van artikel 212, § 1, tweede lid, 5°, van de wet van 18 juli 2025 tot gevolg heeft dat vanaf 28 februari 2026 een einde wordt gemaakt aan haar recht op werkloosheidsuitkeringen dat zij reeds ongeveer elf jaar geniet. Uit de documenten van de RVA die de eerste, derde, vierde, vijfde, zevende

achtste verzoekende natuurlijke persoon overleggen, blijkt dat de toepassing van artikel 212, § 1, tweede lid, 6°, van dezelfde wet tot gevolg heeft dat vanaf 1 januari 2026 een einde wordt gemaakt aan hun recht op werkloosheidsuitkeringen dat zij reeds meer dan twintig jaar genieten. Die personen voeren aan dat de onmiddellijke toepassing van die wetsbepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. B.

  1. De in B.33 opgesomde verzoekende partijen maken allen gewag van een nadeel van financiële aard dat voortvloeit uit de vermindering van hun maandelijkse bestaansmiddelen, die wordt veroorzaakt door de beëindiging van hun recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 1 januari 2026 of 1 maart
  2. B.35.
  3. Het uitdoven van het recht op werkloosheidsuitkeringen die werden toegekend aan een persoon, raakt zijn financiële situatie onmiskenbaar, in het bijzonder wanneer hij daarna niet of niet snel werk vindt. 30 De omvang van een dergelijk nadeel

de moeilijkheid om het te herstellen ingevolge de eventuele vernietiging van de wet die het in het leven roept, hangen af van de individuele

familiale omstandigheden van elke rechtstreeks betrokken persoon, met name van het aandeel dat de verloren uitkeringen vertegenwoordigen in het geheel van zijn inkomsten

van zijn essentiële behoeften, die met name verband houden met zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand of zijn vaardigheden. B.35.2. De eerste, vierde, zevende

achtste verzoekende natuurlijke persoon, die samenwonenden zijn, voeren aan dat de weerslag van het voormelde financiële nadeel op de bestaansmiddelen van hun gezin hun huisvesting in gevaar zou kunnen brengen

hen zou kunnen blootstellen aan een schuldenlast. Die personen vermelden in dat verband evenwel geen

kel concreet

precies feit dat het Hof in staat zou stellen die aspecten van hun situatie te beoordelen. De overige verzoekende natuurlijke personen vermelden niets daarover. B.35.3. Algemener deelt geen van de in B.33 bedoelde verzoekende partijen aan het Hof voldoende concrete

precieze elementen mee die het toelaten de ernst van het financieel nadeel te onderzoeken waarvan het risico wordt aangevoerd. B.35.4.1. Al die verzoekende partijen erkennen dat bij de beoordeling van de ernst van het nadeel dat zij aanvoeren, rekening moet worden gehouden met het bestaan van het recht op maatschappelijke integratie dat is vervat in de wet van 26 mei 2002 « betreffende het recht op maatschappelijke integratie » (hierna : de wet van 26 mei 2002). Dat recht wordt onder bepaalde voorwaarden toegekend aan de personen die niet over « toereikende bestaansmiddelen » beschikken om hen in staat te stellen een menswaardig leven te leiden (artikelen 2, 3

13 van de wet van 26 mei 2002). B.35.4.2. De derde, vijfde

zesde verzoekende natuurlijke persoon vermelden in de uiteenzetting van hun nadeel het bedrag van het leefloon dat zij zouden kunnen krijgen wanneer zij het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen zullen hebben verloren. 31 Gelet op het cijfermateriaal dat dienaangaande in het verzoekschrift wordt vermeld, zal het bedrag van het leefloon dat de derde

vijfde verzoekende natuurlijke persoon menen te kunnen krijgen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, ongeveer 120 euro lager liggen dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen dat zij thans ontvangen. Voor de zesde verzoekende natuurlijke persoon zal het bedrag van dat leefloon gelijkwaardig zijn aan dat van haar huidige werkloosheidsuitkeringen. B.35.4.3. De eerste, vierde

zevende verzoekende natuurlijke persoon voeren aan dat zij geen recht op het leefloon zullen hebben wanneer zij het voordeel van hun werkloosheidsuitkeringen zullen hebben verloren, wegens hun statuut van samenwonende. De achtste verzoekende natuurlijke persoon geeft aan dat zij zich waarschijnlijk in dezelfde situatie als de voornoemde verzoekende natuurlijke personen zal bevinden. De aanvrager van een dergelijk leefloon wordt

kel als samenwonende in de zin van de wet van 26 mei 2002 aangemerkt wanneer hij uit zijn samenwoning een economisch-financieel voordeel haalt (Cass., 21 november 2011, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111121.3). Uit die wet wordt afgeleid dat, indien het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn weigert om een aanvrager het voordeel van een leefloon toe te kennen wegens een samenwoning, dat komt omdat die persoon, ten aanzien van de wet, gelet op de bestaansmiddelen van de persoon met wie hij samenwoont, over « toereikende bestaansmiddelen » beschikt, aanspraak erop kan maken of in staat is ze te verwerven, hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier (artikelen 3, 4°, 14, § 1, 1°,

§ 2

,

16, § 1, van de wet van 26 mei 2002). Zoals reeds is vermeld in B.35.3, leggen de vier voornoemde verzoekende partijen geen precieze

concrete gegevens met betrekking tot hun persoonlijke situatie voor, zodat het Hof niet kan nagaan of de weigering, door het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, om hun het voordeel van een leefloon toe te kennen, hun eventueel, gelet op hun persoonlijke situatie, een nadeel zou kunnen berokkenen dat de schorsing van de bestreden wetsbepaling kan verantwoorden. B.36.1. De eerste

vierde verzoekende natuurlijke persoon voeren bovendien een financieel nadeel aan dat voortvloeit uit het feit dat zij, door het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 1 januari 2026 te verliezen, automatisch het statuut van 32 werkloze zullen verliezen dat, met toepassing van artikel 79, § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 of van het Vlaamse decreet van 7 juli 2017 « betreffende wijk-werken

diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming », voor hen noodzakelijk is om het loon te blijven ontvangen dat zij ontvangen ter uitvoering van de « PWA-arbeidsovereenkomst » in de zin van artikel 3 van de wet van 7 april 1999 « betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst », die zij met een lokaal werkgelegenheidsagentschap hebben gesloten. Die verzoekende partijen voeren ook aan dat het verlies van het statuut van werkloze dat eveneens een einde zal maken aan hun PWA-arbeidsovereenkomst die ter uitvoering van artikel 20, 4°, van de voormelde wet van 7 april 1999 is gesloten, hun een moreel nadeel zal berokkenen doordat zij zich maatschappelijk gezien niet meer nuttig zullen voelen. B.36.2. Zoals in B.35.3 is opgemerkt, delen die verzoekende partijen evenwel geen concrete

precieze gegevens mee die het Hof in staat stellen de grootte van dat loon ten aanzien van hun algehele financiële situatie,

dus de omvang van het aangevoerde financiële nadeel, voldoende te beoordelen. Wat de eerste verzoekende natuurlijke persoon betreft, dient daarnaast rekening te worden gehouden met het decreet van het Waalse Gewest van 11 december 2025 « tot wijziging van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders », dat haar situatie kan wijzigen. Het moreel nadeel dat de verzoekende partijen aanvoeren, is niet moeilijk te herstellen, aangezien het zou verdwijnen in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen. B.37.1. De derde

zesde verzoekende natuurlijke persoon voeren bovendien een financieel nadeel aan dat voortvloeit uit het feit dat zij, door hun recht op werkloosheidsuitkeringen respectievelijk vanaf 1 januari 2026

vanaf 1 maart 2026 te verliezen, automatisch het statuut van werkloze zullen verliezen, hetgeen hen zal verplichten een einde te maken aan de activiteiten als zelfstandige die zij in bijberoep uitoefenen met toepassing van artikel 48 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 (zoals vervangen bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 juli 2006,

vervolgens gewijzigd bij artikel 6 van een koninklijk besluit van 11 september 2016

bij artikel 6 van een koninklijk besluit van 33 30 juli 2022),

die hun toestaan een inkomen te verkrijgen dat hun werkloosheidsuitkeringen aanvult, binnen de bij artikel 130, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit vastgestelde perken. Zij preciseren dienaangaande dat het bedrag van de bijdragen die zij zouden moeten betalen aan een sociale verzekeringskas ter uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 « houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen », indien zij die activiteiten in hoofdberoep zouden uitoefenen nadat zij het voordeel van hun werkloosheidsuitkeringen zijn verloren, dermate hoger is dan het bedrag van de bijdragen die zij thans moeten betalen, dat zij de uitoefening van die activiteiten zouden moeten stopzetten. B.37.2. Zoals in B.35.3 is opgemerkt, delen die verzoekende partijen evenwel geen concrete

precieze gegevens mee die het Hof in staat stellen de omvang van de inkomsten uit de voormelde activiteiten ten aanzien van hun algehele financiële situatie,

dus de omvang van het aangevoerde financiële nadeel, voldoende te beoordelen. B.38.1. De derde

zesde verzoekende natuurlijke persoon voeren bovendien aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling een weerslag zal hebben op de berekening van het rustpensioen dat zij vanaf 2028 zullen kunnen verkrijgen, wanneer zij de wettelijke pensioenleeftijd zullen hebben bereikt. B.38.2. Die verzoekende partijen leggen echter geen

kel precies

concreet gegeven voor dat het Hof in staat stelt de omvang van dat eventuele nadeel te beoordelen. B.39.1. De vijfde verzoekende natuurlijke persoon voert aan dat het verlies van zijn recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 1 januari 2026

, bijgevolg, het verlies van zijn statuut van werkloze hem ertoe zullen verplichten te wachten totdat hij de leeftijd van 67 jaar heeft bereikt, in 2032, om zijn rustpensioen aan te vragen, dat hij reeds in de maand mei 2026 hoopte te kunnen krijgen in het kader van een vervroegd pensioen,

om een flexi-job in de zin van artikel 3, 1°, van de wet van 16 november 2015 « houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken » uit te oefenen, in plaats van de activiteiten die hij verricht in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst. B.39.2. Indien, zoals die verzoekende natuurlijke persoon voorhoudt, de beëindiging van zijn recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 1 januari 2026 onmiddellijk tot gevolg zal hebben 34 dat hij zijn recht om het voordeel van zijn rustpensioen vóór de wettelijke pensioenleeftijd aan te vragen, verliest, zal hij dat laatste recht kunnen terugkrijgen in geval van een vernietiging van de bestreden bepaling bij een arrest van het Hof, dat zal worden uitgesproken vóór het einde van het jaar 2026, zijnde meer dan vijf jaar voordat hij die leeftijd bereikt. Hoe dan ook legt de verzoekende natuurlijke persoon geen precieze

concrete elementen voor die, wat hem betreft, de ernst aantonen van het nadeel dat zou voortvloeien uit het eventuele verlies van zijn recht om het voordeel van zijn rustpensioen aan te vragen alvorens de leeftijd ervan te hebben bereikt. Gesteld dat dat nadeel financiële aspecten inhoudt, zoals de onmogelijkheid voor hem om het recht uit te oefenen van een gepensioneerde om een flexi-job te verrichten, deelt hij het Hof onvoldoende concrete, precieze

vaststaande gegevens mee die het in staat zouden kunnen stellen om, rekening houdend met onder meer de algehele financiële situatie van de verzoekende natuurlijke persoon, de omvang van het nadeel te beoordelen dat die laatste eventueel zou kunnen lijden tijdens de periode waarin het voorliggende beroep tot vernietiging wordt onderzocht. B.40.1. Ten slotte voeren de zevende

achtste verzoekende natuurlijke persoon aan dat het verlies van hun recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 1 januari 2026 tot gevolg zal hebben dat het « specifieke begeleidingstraject » in de zin van de artikelen 58, § 1,

58/3, § 3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, dat zij thans genieten, wordt onderbroken vanaf 1 september 2026 voor de eerstgenoemde

vanaf 1 april 2026 voor de laatstgenoemde. B.40.2. Om uitkeringen te genieten, dient een volledig werkloze, zoals de voornoemde verzoekende partijen, onder meer actief naar werk te zoeken. Om aan die verplichting te voldoen, moet hij kunnen aantonen dat hij zelf actief naar werk zoekt door regelmatig zelf gevarieerde acties te ondernemen (artikel 58, § 1, eerste

tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals vervangen bij artikel 4 van een koninklijk besluit van 14 december 2015). De volledig werkloze kan van die laatste verplichting evenwel worden vrijgesteld tijdens de duur van het specifieke begeleidingstraject dat hem werd voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling (artikel 58, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991). De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid 35 wordt opgeschort gedurende de periode tijdens welke de werkloze dat traject volgt (artikel 58/3, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit, zoals ingevoegd bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 14 december 2015). B.40.

  1. Het in B.40.1 bedoelde specifieke begeleidingstraject is een dienst die door de bevoegde deelentiteiten wordt aangeboden om de in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bedoelde programma’s voor wedertewerkstelling van de niet-werkende werkzoekenden te regelen. B.40.
  2. De omstandigheid dat het voormelde traject pas verschillende maanden na de beëindiging van het in B.40.1 bedoelde recht op uitkeringen, die zelf voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling, zal worden onderbroken, bevestigt dat het voordeel van dat traject niet rechtstreeks verband houdt met dat recht. Bijgevolg vloeit het aangevoerde nadeel niet voort uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden wetsbepaling. Artikel 212, § 2, derde lid, 1°, c), 2°, b),

3°, b), van de wet van 18 juli 2025 B.41. Artikel 212, § 2, derde lid, van de wet van 18 juli 2025 heeft tot doel het bedrag van de werkloosheidsuitkering te bepalen waarop de werknemer recht heeft die op 30 juni 2025 55 jaar oud is

die, « in afwijking » van artikel 212, § 1, van die wet, « het recht op uitkeringen [behoudt] » zonder beperking in de tijd. B.42. Zoals reeds in B.33 is opgemerkt, leggen de eerste

de derde tot achtste verzoekende partij, die allen ouder waren dan 55 jaar op 30 juni 2025, officiële documenten voor waaruit blijkt dat zij hun recht op werkloosheidsuitkeringen zullen verliezen met toepassing van artikel 212, § 1, van de wet van 18 juli

  1. Bijgevolg is artikel 212, § 2, van die wet niet op hen van toepassing. B.
  2. De onmiddellijke toepassing van die bepaling zou die verzoekende partijen dus geen nadeel kunnen berokkenen. 36 Artikel 216, § 1, van de wet van 18 juli 2025 B.
  3. Artikel 216, § 1, van de wet van 18 juli 2025 creëert, met name voor de werknemer die, zoals de in B.42 bedoelde verzoekende partijen, zijn recht op uitkeringen kan verliezen met toepassing van artikel 212, § 1, van die wet, de mogelijkheid dat recht te behouden indien de betrokken werknemer een opleiding begint vóór 1 januari
  4. B.
  5. Geen van de verzoekende partijen voert aan dat de onmiddellijke toepassing van die wetsbepaling hun een nadeel kan berokkenen. Besluit met betrekking tot het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
  6. Uit hetgeen in B.20 tot B.45 is uiteengezet, blijkt dat geen

kele verzoekende partij aantoont dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden wetsbepalingen haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Aangezien een van de grondvoorwaarden om tot schorsing te kunnen besluiten niet is vervuld, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 37 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Frans

het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 januari 2026. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.011 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111121.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.