ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot schorsing van hoofdstuk 1 van titel 5 van de programmawet van 18 juli 2025, ingesteld door de vzw « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding »
anderen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Werkloosheid - Hervormingen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 11/2026 van 15 januari 2026 Rolnummer : 8577 In zake : de vordering tot schorsing van hoofdstuk 1 van titel 5 van de programmawet van 18 juli 2025, ingesteld door de vzw « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding »
anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul
Luc Lavrysen,
de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt
Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering
rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 oktober 2025 ter post aangetekende brief
ter griffie is ingekomen op 31 oktober 2025, is een vordering tot schorsing van hoofdstuk 1 van titel 5 van de programmawet van 18 juli 2025 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2025) ingesteld door de vzw « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding », de vzw « Collectif Solidarité contre l’Exclusion : Emploi et Revenus pour tous », de vzw « Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen », de vzw « SAAMO Brussel », de vzw « Vrienden van Hart boven Hard », de vzw « Ligue des familles », de vzw « Soralia », de vzw « Vie féminine, mouvement féministe d’action interculturelle et sociale », de vzw « Femma », de vzw « Furia vzw », de vzw « Jeunes de la Fédération Générale du Travail de Belgique », de vzw « Jeunes Syndicalistes CSC », de vzw « FreeZbe vzw », de vzw « Ligue des droits humains », Solidaris - Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten, het Algemeen Belgisch Vakverbond, het Algemeen Christelijk Vakverbond van België, de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België, Berlinda Cremers, Chloé Dal, Catherine Fontaine, Inge Lammertyn, Frédéric Leeb, Fabienne Moreels, Frederic Poels, Martine Smolders
Martin Vander Elst, bijgestaan
vertegenwoordigd door mr. Vincent Letellier
mr. Jean-François Neven, advocaten bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepalingen. 2 Bij beschikking van 4 november 2025 heeft het Hof, na rechter-verslaggeefster Kattrin Jadin
rechter Willem Verrijdt, verslaggever ter vervanging van rechter-verslaggever Danny Pieters, wettig verhinderd, te hebben gehoord, de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 3 december 2025, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 28 november 2025 in te dienen
een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door : - Nathalie Tassin, bijgestaan
vertegenwoordigd door mr. Catherine Legein, advocate bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - Marvin Aramesh (tussenkomende partij); - Mustapha Ouriaghli, bijgestaan
vertegenwoordigd door mr. Catherine Legein (tussenkomende partij); - Alessandro Grumelli (tussenkomende partij); - de Ministerraad, bijgestaan
vertegenwoordigd door mr. Elisabeth Matthys, mr. Bruno Lombaert, mr. Sophie Adriaenssen
mr. Matthieu Nève de Mévergnies, advocaten bij de balie te Brussel. Op de openbare terechtzitting van 3 december 2025 : - zijn verschenen : . mr. Vincent Letellier
mr. Jean-François Neven, voor de verzoekende partijen; . Alessandro Grumelli, in eigen persoon; . mr. Bruno Lombaert, mr. Sophie Adriaenssen, mr. Matthieu Nève de Mévergnies
mr. Elisabeth Matthys, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin
Willem Verrijdt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging
het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de diverse vorderingen A.1. De verzoekende partijen vorderen, in hoofdorde, de schorsing
de vernietiging van de artikelen 88 tot 216 van de programmawet van 18 juli 2025 (hierna : de wet van 18 juli 2025) of van de artikelen 142
169 van die wet. In ondergeschikte orde vorderen zij de schorsing
de vernietiging van de artikelen 209 tot 216 van diezelfde wet of, op zijn minst, dat het Hof verklaart dat de artikelen 88 tot 216 ervan niet van toepassing zijn op de personen die, op 28 juli 2025, werkloosheidsuitkeringen of inschakelingsuitkeringen genoten. In nog meer ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen aan het Hof te verklaren dat de artikelen 88 tot 216 van de wet van 18 juli 2025 niet van toepassing zijn op diegenen dezer personen die, op 28 juli 2025, reeds een opleiding volgden, of die zich vóór 1 januari 2026 voor een opleiding hebben ingeschreven. In uiterst ondergeschikte orde vorderen de verzoekende partijen bij het Hof de schorsing
de vernietiging van artikel 212, § 2, derde lid, van de wet van 18 juli 2025. A.2. Ook Nathalie Tassin
Moustapha Ouriaghli vorderen de vernietiging
de schorsing van de artikelen 88 tot 216 van de wet van 18 juli
kel betrekking hebben op de artikelen 142, 169, 212
216, § 1, van de wet van 18 juli
de « Algemene Centrale der Liberale Vakverbonden van België », aangezien die verenigingen niet de vereiste bekwaamheid hebben om de vernietiging van de bestreden wetsbepalingen te vorderen. Hij merkt op dat die vakorganisaties niet preciseren in welke hoedanigheid zij zich tot het Hof richten. Ten aanzien het belang van de verzoekende partijen om de vernietiging van de bestreden wetsbepalingen te vorderen A.5. Om hun belang bij de vernietiging van de voormelde wetsbepalingen aan te tonen, beklemtonen de eerste vijf verzoekende verenigingen dat zij tot statutair doel hebben armoede
sociale uitsluiting te bestrijden. Zij merken op dat de bestreden bepalingen, volgens schattingen van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna : de RVA), tot gevolg zullen hebben dat bijna 200 000 personen het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen of de inschakelingsuitkeringen in de zin van het koninklijk besluit van 25 november 1991 « houdende de werkloosheidsreglementering » (hierna : het koninklijk besluit van 25 november 1991) zullen verliezen. Zij zijn van mening dat die personen dan zullen moeten rekenen op de maatschappelijke bijstand geregeld bij de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de maatschappelijke bijstand), ofwel in precaire omstandigheden zullen moeten leven. De vereniging « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding » preciseert dat een van haar doelen erin bestaat een verandering teweeg te brengen van de sociale, economische
politieke structuren die arme personen in een situatie van grote bestaansonzekerheid houden, teneinde armoede volledig uit te bannen. De vereniging « Collectif Solidarité contre l’Exclusion : Emploi et Revenus pour tous » preciseert dat zij onder meer tot doel heeft om uitsluiting te bestrijden, met name door zich voor werk
/of een degelijk inkomen 4 voor eenieder in te zetten, om de rechten, de materiële
de morele belangen van jongeren, jonge werknemers – zelfs zonder betrekking –
uitkeringsgerechtigden te verdedigen,
om het sociaal recht te verdedigen, te laten toepassen
te bevorderen. De vereniging « SAAMO Brussel » preciseert dat zij met name tot doel heeft zich in te spannen voor een sociaal rechtvaardige
duurzame samenleving
situaties van marginalisering
sociale uitsluiting te bestrijden, door zich te concentreren op de mechanismen
structuren welke die situaties veroorzaken
in stand houden. A.6. Om haar belang aan te tonen, zet de vereniging « Ligue des familles » uiteen dat zij tot doel heeft zowel de morele als de materiële rechten
belangen van families te verdedigen
het iedere persoon
iedere familie mogelijk te maken « toegang te hebben tot de meest waardige oplossingen ». Zij is van mening dat de bestreden wetsbepalingen tot gevolg hebben dat werklozen die hun uitkeringen door die bepalingen zullen verliezen, ertoe worden gedwongen maatschappelijke bijstand te vragen, hetgeen, gelet op de toekenningsvoorwaarden daarvan, een aanzienlijke vermindering van de materiële middelen van hun familie zal veroorzaken. A.7. De verenigingen « Soralia », « Vie féminine, mouvement féministe d’action interculturelle et sociale », « Femma »
« Furia vzw » beklemtonen dat zij tot doel hebben de belangen van vrouwen te verdedigen, hun emancipatie te bevorderen
een egalitaire samenleving te creëren. Die verenigingen voeren aan dat de bestreden bepalingen in het bijzonder de financiële
sociale situatie zal raken van vrouwen die samenwonen, omdat het voordeel van het bij de wet van 26 mei 2002 « betreffende het recht op maatschappelijke integratie » ingevoerde leefloon (hierna : het leefloon) hun zal worden geweigerd wegens het bestaan van de middelen van hun partner. Zij zijn van mening dat zulks de situatie van afhankelijkheid van die vrouwen zal verergeren. A.8. De verenigingen « Jeunes de la Fédération Générale du Travail de Belgique » (« Jeunes FGTB »), « Jeunes Syndicalistes CSC »
« FreeZbe vzw » verenigen jonge leden van de drie grootste vakorganisaties die actief zijn in België, om de jonge werknemers te vertegenwoordigen, hun belangen te verdedigen of hen te helpen, in het bijzonder op de arbeidsmarkt. Die verenigingen voeren aan dat de bestreden wetsbepalingen de bescherming van die categorie van werknemers aanzienlijk verminderen, met name door de inkorting van de periode waarin inschakelingsuitkeringen worden toegekend. Zij voeren ook aan dat de beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen de begeleiding van die jonge werknemers in hun zoektocht naar werk zal raken. A.9. De vereniging « Ligue des droits humains » stelt zich voor als een vereniging die de rechten van de mens verdedigt, waaronder met name de beginselen van gelijkheid
van solidariteit die door de Grondwet
de internationale verdragen zijn vastgesteld,
die optreedt om, onder andere, de bescherming van de bij artikel 23 van de Grondwet erkende sociale rechten te waarborgen. A.10. De laatste negen verzoekende natuurlijke personen beroepen zich op hun hoedanigheid van werkloze
voeren aan dat hun levensomstandigheden ingrijpend zullen veranderen door de bestreden bepalingen. Zij preciseren dat zij reeds door de RVA op de hoogte zijn gesteld dat zij in 2026 geen recht meer zullen hebben op het voordeel van de uitkeringen die zij thans ontvangen. A.11. De Ministerraad voert aan dat de verenigingen « Vlaams Netwerk tegen Armoede »
« Vrienden van Hart boven Hard » niet doen blijken van het vereiste belang, aangezien zij niet uiteenzetten in welk opzicht de bestreden wetsbepalingen hun statutair doel zouden raken
niet aantonen dat zij hun statutair doel nog daadwerkelijk nastreven. De Ministerraad betwist ook het belang van de verenigingen « Soralia », « Vie féminine, mouvement féministe d’action interculturelle et sociale », « Femma »
« Furia vzw ». Hij ziet niet in hoe de beperking in de tijd van het recht op werkloosheidsuitkeringen hun statutair doel rechtstreeks kan raken. A.12. De Ministerraad voert aan dat het beroep ook onontvankelijk is in zoverre het is ingesteld door het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten « Solidaris », aangezien die vereniging niet uiteenzet in welk opzicht de bestreden wetsbepalingen haar situatie rechtstreeks
ongunstig zouden raken. 5 A.13. De Ministerraad merkt op dat het belang van iedere verzoekende natuurlijke persoon om de vernietiging van elk van de bestreden wetsbepalingen te vorderen, discutabel is. Hij beklemtoont dat elk van die verzoekende partijen in ieder geval
kel haar belang zou kunnen aantonen ten aanzien van de bepalingen die haar persoonlijke situatie ongunstig raken. Hij merkt hieromtrent op dat de artikelen 216, § 1,
212, § 2, derde lid, van de wet van 18 juli 2025 op geen
kele van die verzoekende partijen van toepassing zijn. Ten aanzien van het belang om opmerkingen te formuleren met betrekking tot de vordering tot schorsing van de verzoekende partijen A.14. Om hun belang aan te tonen om opmerkingen met betrekking tot de vordering van de verzoekende partijen te formuleren, zetten Nathalie Tassin
Mustapha Ouriaghli uiteen dat de RVA hen ervan op de hoogte heeft gesteld dat zij vanaf 1 januari 2026 niet langer recht zouden hebben op het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen. A.
die daardoor ertoe zou kunnen worden gebracht een werkloosheidsuitkering aan te vragen. Hij beklemtoont dat het doorgaans moeilijker is om na de leeftijd van 45 jaar werk te vinden, vooral in België. Ten aanzien van de middelen Wat betreft het eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6
9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale
culturele rechten
met de leden 1, 9, 10, 12, 13, 24
30 van deel I
de artikelen 1, 9, 10
12 van het herziene Europees Sociaal Handvest A.17. In een « eerste onderdeel » zetten de verzoekende partijen uiteen dat de beperking in de tijd van het recht op werkloosheidsuitkeringen die voortvloeit uit artikel 114, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals vervangen bij artikel 169 van de wet van 18 juli 2025, artikel 23, leden 1, 2
3, 2°, van de Grondwet schendt, in zoverre die socialezekerheidsmaatregel de beschermingsgraad die door de vroegere wetgeving aan de werklozen werd geboden aanzienlijk
zonder redelijke verantwoording vermindert. A.18. In een « tweede onderdeel » zetten de verzoekende partijen uiteen dat de inkorting van de periode tijdens welke een jonge werknemer recht heeft op inschakelingsuitkeringen, die voortvloeit uit artikel 63, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals vervangen bij artikel 142 van de wet van 18 juli 2025, artikel 23, leden 1, 2
3, 2°, van de Grondwet schendt, in zoverre die socialezekerheidsmaatregel de beschermingsgraad die door de vroegere wetgeving aan de werklozen werd geboden aanzienlijk
zonder redelijke verantwoording vermindert. A.19. De Ministerraad voert aan dat de twee voormelde maatregelen de beschermingsgraad die door de vroegere wetgeving aan de werklozen werd geboden niet aanzienlijk verminderen
dat zij in ieder geval redelijk verantwoord zijn door de nagestreefde doelen. Wat betreft het tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16
23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale
culturele rechten
met de artikelen 10, lid 4,
12 van het herziene Europees Sociaal Handvest A.
aan het recht op sociale zekerheid van de werknemers die vóór 1 maart 2026 tot het recht op werkloosheidsuitkeringen worden toegelaten
die door die wetsbepaling worden beoogd, in zoverre die regels tot gevolg hebben dat in de eerste plaats zij die het langst werkloos zijn, worden uitgesloten van het voordeel van dat laatste recht. A.
evenredig is. Het « derde onderdeel » A.25. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de in artikel 212, § 2, derde lid, 1°, c), 2°, b),
3°, b), van de wet van 18 juli 2025 vermelde regels afbreuk doen aan de rechten op sociale uitkeringen van de betrokken werknemers, hetgeen door geen
kele reden van algemeen belang kan worden verantwoord. A.26. De Ministerraad merkt op dat dit « onderdeel » onontvankelijk is aangezien het het Hof niet toelaat te bepalen van welke norm de schending wordt aangevoerd
a fortiori niet toelaat te bepalen in welk opzicht die norm zou zijn geschonden. Hij voegt eraan toe dat de bestreden bepaling in ieder geval niet de draagwijdte heeft die de verzoekende partijen eraan geven. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.27.1. Alle verzoekende partijen voeren aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden wetsbepalingen 40 % van de werklozen aan wie door die bepalingen het recht op werkloosheidsuitkeringen wordt ontzegd, blootstelt aan een risico van een ernstig nadeel, aangezien de ontstentenis van
ig inkomen hun recht op huisvesting in het gedrang zal brengen. Zij beklemtonen ook dat de toepassing van die bepalingen de armoede zal verergeren van geïsoleerde personen die, na werkloosheidsuitkeringen te zijn ontzegd, recht op een leefloon zullen hebben. A.27.2. De verzoekende partijen zetten ook diverse redenen uiteen om aan te nemen dat die nadelen op zijn minst moeilijk te herstellen zullen zijn. Zij beklemtonen ten eerste dat het, in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen, het eind 2026 of begin 2027 in de praktijk zeer moeilijk zal zijn, zowel voor de RVA als voor de vele betrokken werklozen, om de door de werkloosheidsreglementering vereiste documenten
bewijsstukken te verzamelen om het dossier van die laatsten te regulariseren
de uitbetaling van de met terugwerkende kracht verschuldigde uitkeringen mogelijk te maken. De verzoekende partijen merken ook op dat bepaalde categorieën van werklozen, zoals de « deeltijdse werknemers met behoud van rechten », de werkloze die is ingeschreven voor een opleiding of die studeert of de werkloze die een door een gewestelijke dienst aangeboden « specifiek begeleidingstraject » volgt, niet met terugwerkende kracht bepaalde administratieve formaliteiten zullen kunnen vervullen die nodig zijn om te kunnen 7 aantonen dat zij zich tijdens de maanden voorafgaand aan de vernietiging van de bestreden wetsbepalingen in een situatie bevonden die het recht op werkloosheidsuitkeringen niet uitsloot. De verzoekende partijen merken ook op dat een erkenning met terugwerkende kracht van het recht op die uitkeringen, ingevolge de vernietiging van de bestreden bepalingen, in tal van gevallen andere sociale instellingen, die ondertussen uitkeringen aan de betrokken personen zouden hebben toegekend, zou toelaten de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van die sociale uitkeringen te eisen van de RVA. De verzoekende partijen wijzen ten slotte op de organisatorische problemen die de uitbetalingsinstellingen sinds verschillende jaren ondervinden. A.28. De verzoekende verenigingen zonder winstoogmerk voeren aan dat de bestreden bepalingen hun een moreel nadeel zullen veroorzaken, dat voortvloeit uit de omstandigheid dat die bepalingen in strijd zijn met de beginselen
waarden die hun oprichting verantwoorden, evenals uit de omvang van het maatschappelijk nadeel dat de werkloosheidshervorming zal veroorzaken voor de duizenden werklozen die in de volgende maanden niet langer uitkeringen zullen genieten
die geen nieuwe betrekking zullen kunnen vinden of geen opleiding zullen kunnen starten bedoeld in artikel 216 van de wet van 18 juli 2025,
van wie zij de belangen verdedigen. Die verenigingen zijn van mening dat het aantal betrokken personen
de aantasting van het recht op waardigheid welke die hervorming zal veroorzaken, dat nadeel ernstig
moeilijk te herstellen maken. A.29. Chloé Dal, 25 jaar, zet uiteen dat zij samenleeft met haar echtgenoot
haar twee kinderen, dat zij sinds september 2024 een opleiding tot vroedvrouw met een duur van vier jaar volgt,
dat zij om die reden over een vrijstelling van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt bedoeld in artikel 152quinquies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 beschikt, waardoor zij met toepassing van artikel 63, § 2, vierde lid, 1°, van dat besluit maandelijkse inschakelingsuitkeringen van ongeveer 635 euro geniet. Zij voert aan dat de bestreden maatregelen haar vanaf 1 januari 2026 het voordeel doen verliezen van die uitkeringen, die zij sinds de zomer van 2023 ontvangt
die zij tot het einde van haar studies, in 2028, had kunnen ontvangen met toepassing van de bij de wet van 18 juli 2025 gewijzigde reglementaire bepalingen. Zij voegt eraan toe dat zij geen leefloon zal kunnen genieten wegens haar statuut van samenwonende
dat zij, in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen, niet de betaling van de inschakelingsuitkeringen zal kunnen verkrijgen die haar in de tussentijd zullen zijn ontzegd, omdat zij gestopt zal moeten zijn met haar studies om voor haar twee kinderen te zorgen
te werken. A.30. Berlinda Cremers, 59 jaar, zet uiteen dat zij een arbeidsongeschiktheid van 33 % heeft die haar van de gewone arbeidsmarkt uitsluit, dat zij sinds 2004 werkloosheidsuitkeringen geniet
dat zij, sinds januari 2018, als « langdurig werkloze » activiteiten uitoefent die met toepassing van artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap zijn erkend. Zij voegt eraan toe dat zij samenleeft met haar echtgenoot, die maandelijks invaliditeitsuitkeringen ontvangt van iets meer dan 2 000 euro. Die verzoekende partij voert aan dat de bestreden maatregelen haar vanaf 1 januari 2026 het voordeel van de voormelde uitkeringen, thans ter waarde van ongeveer 745 euro per maand, alsook haar statuut van « volledig vergoede werkloze » dat haar toelaat de voormelde activiteiten uit te oefenen, die haar een gemiddeld maandelijks bedrag van iets meer dan 250 euro opleveren, doen verliezen. Zij voegt eraan toe dat zij wegens haar statuut van samenwonende geen leefloon zal kunnen genieten. Uit het voorgaande leidt de verzoekende partij een financieel nadeel af, dat voortvloeit uit de afname met bijna een derde van de maandelijkse middelen van het gezin, alsook een moreel nadeel, dat voortvloeit uit het verlies van een activiteit die haar een gevoel van maatschappelijk nut bezorgt. Zij voegt eraan toe dat zij, in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen, de wegens de stopzetting van haar voormelde activiteiten verloren vergoedingen niet zal kunnen recupereren,
dat zij evenmin de betaling zal kunnen verkrijgen van de uitkeringen die haar in de tussentijd zullen zijn ontzegd, omdat zij praktisch niet zal kunnen aantonen dat zij ondertussen aan de toekenningsvoorwaarden van die uitkeringen zal voldoen. Zij merkt op dat een dergelijke vernietiging evenmin de ongemakken zal kunnen compenseren die voortvloeien uit een eventuele schuldenlast of een woonprobleem veroorzaakt door de aanzienlijke afname van de inkomsten van het gezin. A.31. Inge Lammertyn, 61 jaar, zet uiteen dat zij een arbeidsongeschiktheid heeft die vergelijkbaar is met die van Berlinda Cremers
dat zij, zoals die laatste, sinds januari 2018 activiteiten uitoefent in het kader van een « PWA-arbeidsovereenkomst ». Zij voegt eraan toe dat zij samenleeft met haar echtgenoot, die maandelijks een rustpensioen van bijna 2 500 euro ontvangt. 8 Die verzoekende partij voert aan dat de bestreden maatregelen haar vanaf 1 januari 2026 het voordeel van de voormelde uitkeringen, met een waarde van ongeveer 745 euro per maand, alsook haar statuut van « volledig vergoede werkloze », dat haar toelaat ter uitvoering van de voormelde arbeidsovereenkomst te werken, zullen doen verliezen. Zij is van mening dat zij dus wordt blootgesteld aan een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat vergelijkbaar is met hetwelk Berlinda Cremers omschrijft. A.32. Frédéric Leeb, 60 jaar, zet uiteen dat hij alleen leeft, dat hij regelmatig prestaties levert in het kader van een « PWA-arbeidsovereenkomst »
dat hij van plan was in mei 2026 vervroegd met pensioen te gaan
dan het voordeel van een pensioen van ongeveer 1 540 euro aan te vragen. Hij voert aan dat de bestreden maatregelen hem vanaf 1 januari 2026 het recht op de werkloosheidsuitkeringen die hij thans geniet, zullen doen verliezen. Hij voegt eraan toe dat dat verlies hem zal beletten zijn loopbaan te vervolledigen om vervroegd met pensioen te kunnen gaan. Hij beklemtoont dat de bestreden maatregelen hem vanaf 1 mei 2026 minstens ongeveer 15 % van zijn maandelijkse middelen zullen doen verliezen, hetzij het verschil tussen het pensioen dat hij hoopte te ontvangen
het bedrag van het leefloon dat hij in 2026 zou kunnen genieten. Hij merkt ten slotte op dat die onmogelijkheid om met pensioen te gaan hem de mogelijkheid zal ontzeggen een « flexi-job » uit te oefenen, een activiteit die hij om verschillende redenen interessanter voor hem acht dan de prestaties die hij ter uitvoering van de voormelde arbeidsovereenkomst levert. A.33. Frederic Poels, 59 jaar, zet uiteen dat hij maandelijkse werkloosheidsuitkeringen geniet van ongeveer 745 euro
dat hij, sinds 1 december 2024, een « specifiek begeleidingstraject » volgt, dat wordt georganiseerd door de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voor een periode van eenentwintig maanden. Hij voegt eraan toe dat hij samenleeft met zijn vader, die maandelijks een rustpensioen van iets meer dan 2 000 euro geniet. Hij voert aan dat de bestreden maatregelen hem, vanaf 1 januari 2026, het voordeel van de uitkeringen
van het voormelde « traject » zullen doen verliezen. Hij voegt eraan toe dat hij waarschijnlijk geen leefloon zal kunnen genieten doordat hij samenwoont met zijn vader. Hij voert ook aan dat hij, in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen, geen betaling van de uitkeringen zal kunnen verkrijgen die hem zullen zijn ontzegd, omdat hij praktisch niet zal kunnen aantonen dat hij ondertussen actief naar werk is blijven zoeken,
dat hij evenmin de opportuniteiten zal kunnen terugvinden die het voormelde traject hem had kunnen bieden indien het niet zou zijn onderbroken. Hij merkt op dat de eventuele latere betaling van de werkloosheidsuitkeringen na de vernietiging van de bestreden wetsbepalingen in ieder geval niet het nadeel zal kunnen herstellen dat voortvloeit uit een eventuele schuldenlast of een woonprobleem veroorzaakt door het verlies van een kwart van de inkomsten van het gezin. A.34. Martine Smolders, 57 jaar, zet uiteen dat zij maandelijkse werkloosheidsuitkeringen van ongeveer 745 euro geniet
dat zij sinds 1 april 2025 tot april 2026 een « specifiek begeleidingstraject » volgt dat wordt georganiseerd door de Vlaamse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling. Zij voegt eraan toe dat zij samenleeft met haar echtgenoot, die maandelijks werkloosheidsuitkeringen ontvangt waarvan het bedrag varieert tussen ongeveer 1 775
2 005 euro. Die verzoekende partij voert aan dat de bestreden maatregelen haar vanaf 1 januari 2026 het voordeel van de voormelde uitkeringen
van het voormelde « traject » zullen doen verliezen. Zij voegt eraan toe dat zij waarschijnlijk geen leefloon zal kunnen genieten wegens het feit dat zij met haar echtgenoot samenwoont. Om redenen die vergelijkbaar zijn met die welke door Frederic Poels zijn uiteengezet, voert zij aan dat, in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen, het geleden nadeel niet zal kunnen worden hersteld. A.35. Catherine Fontaine, 63 jaar, zet uiteen dat zij alleen leeft
dat zij met toepassing van artikel 48 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 activiteiten als zelfstandige in bijberoep uitoefent. Zij preciseert hieromtrent dat het bedrag van de sociale bijdragen die zij als zelfstandige verschuldigd is, beperkt is tot ongeveer 400 euro per jaar wegens haar statuut van gerechtigde op de werkloosheidsuitkering. Zij voert aan dat de bestreden maatregelen haar vanaf 1 januari 2026 het voordeel van de voormelde uitkeringen ten bedrage van bijna 1 430 euro per maand zullen doen verliezen,
dat dat verlies slechts gedeeltelijk 9 zal worden gecompenseerd door het voordeel van een leefloon van ongeveer 1 315 euro dat zij zal kunnen krijgen. Zij voegt eraan toe dat de jaren tijdens welke zij dat leefloon zal ontvangen niet in aanmerking zullen kunnen worden genomen voor de berekening van haar rustpensioen, dat zij vanaf 1 mei 2028 zou moeten kunnen genieten. Zij voert ook aan dat het verlies van haar statuut van werkloze haar ertoe zal verplichten een einde te maken aan haar activiteiten als zelfstandige, omdat de wet niet toelaat een leefloon te cumuleren met inkomsten uit een beroepsactiviteit als zelfstandige in bijberoep
omdat zij niet in staat zal zijn de last te dragen van de sociale bijdragen die zij zou moeten betalen indien zij die activiteiten in hoofdberoep zou uitoefenen, bijdragen die negen keer hoger zouden zijn. De verzoekende partij leidt uit het voorgaande een financieel nadeel af dat niet zou kunnen worden hersteld in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen. A.36. Fabienne Moreels, 63 jaar, zet uiteen dat zij samenleeft met haar dochter van 20 jaar, die zij financieel ten laste heeft,
dat zij sinds 2014 een werkloosheidsuitkering geniet. Zij voegt eraan toe dat zij met toepassing van artikel 48 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 een zelfstandige activiteit in bijberoep als psychologe uitoefent, die een maandelijks belastbaar inkomen tussen 250
300 euro oplevert. Zij preciseert hieromtrent dat het bedrag van de sociale bijdragen dat zij als zelfstandige verschuldigd is, wegens haar statuut van gerechtigde op de werkloosheidsuitkering beperkt is tot ongeveer 1 000 euro per jaar. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden maatregelen haar vanaf 1 maart 2026 het voordeel van de voormelde uitkeringen, thans ter waarde van bijna 1 775 euro per maand, zullen doen verliezen. Zij voegt eraan toe dat de jaren tijdens welke zij die uitkeringen niet langer zal ontvangen, niet in aanmerking zullen kunnen worden genomen voor de berekening van haar rustpensioen, dat zij vanaf 1 augustus 2028 zou moeten kunnen genieten. Zij voert ook aan dat het verlies van haar statuut van werkloze haar ertoe zal verplichten een einde te maken aan haar activiteiten in bijberoep als psychologe, omdat de wet niet toelaat een eventueel leefloon te cumuleren met inkomsten uit een beroepsactiviteit als zelfstandige in bijberoep,
omdat zij niet in staat zal zijn de last te dragen van de sociale bijdragen die zij zou moeten betalen indien zij die activiteiten in hoofdberoep zou uitoefenen, bijdragen die ongeveer drieënhalf keer hoger zouden zijn. De verzoekende partij leidt uit het voorgaande een financieel nadeel af dat niet hersteld zou kunnen worden in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen. A.37. Martin Vander Elst, 44 jaar, zet uiteen dat hij doctor in de antropologie is, dat hij van de universiteit een maandelijkse vergoeding van bijna 500 euro ontvangt voor de twee lessen die hij er geeft,
dat hij een « inkomensgarantie-uitkering » ontvangt van bijna 1 235 euro per maand sinds de RVA hem eind 2024 het statuut van « deeltijds werknemer met behoud van rechten » heeft toegekend. Hij voert aan dat hij vanaf 30 juni 2026 niet langer recht op de voormelde uitkering zal hebben, dat het niet zeker is dat hij een leefloon zal kunnen genieten
dat, indien hij een leefloon kan genieten, zijn vergoeding daarvan zal worden afgetrokken. Hij voert aan dat de bestreden maatregelen hem bijna een kwart van zijn middelen zullen doen verliezen. Hij voegt eraan toe dat, in geval van vernietiging van die maatregelen, het voor hem niet mogelijk zal zijn de betaling te verkrijgen van de uitkeringen die hij in de tussentijd niet meer zal ontvangen, omdat hij de nodige formaliteiten voor de vaststelling van zijn recht niet zal hebben kunnen vervullen
omdat de RVA zal oordelen dat hij tijdens die periode een vrijwillig deeltijds werknemer was zonder recht op uitkeringen. A.38. Ook Nathalie Tassin
Mustapha Ouriaghli voeren aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden wetsbepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal berokkenen, door het bedrag van hun financiële middelen te verminderen, door het bedrag van hun toekomstige rustpensioen te treffen
door hun te beletten nog in het kader van een « PWA-arbeidsovereenkomst » te werken. A.39. Volgens de Ministerraad toont geen
kele verzoekende partij aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden wetsbepalingen haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A.40.
de bevoegde instanties zullen ondervinden om hun rechten te herstellen na de eventuele vernietiging van de bestreden wetsbepalingen. Hij merkt met name op dat de RVA over tal van nuttige gegevens zal beschikken, dat die instelling reeds gewend is situaties te regulariseren wanneer de arbeidsrechtbank een beslissing onwettig acht waarbij aan een werkloze zijn recht op uitkeringen werd ontzegd,
dat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
de ziekenfondsen ook al de gewoonte hebben om procedures te volgen die erop zijn gericht de betalingen uit te voeren die door regularisaties nodig zijn geworden. De Ministerraad relativeert ook de organisatieproblemen waarmee de uitbetalingsinstellingen worden geconfronteerd. De Ministerraad is van mening dat het louter bestaan van de voormelde praktische moeilijkheden in elk geval niet volstaat om aan te tonen dat het aangevoerde nadeel moeilijk te herstellen zal zijn. A.40.3. De Ministerraad betwist het bestaan van de aangevoerde algemene nadelen met betrekking tot de « deeltijdse werknemer met behoud van rechten », de werkloze die studeert of die is ingeschreven voor een opleiding,
de werkloze die een « specifiek begeleidingstraject » volgt. Hij voert aan dat die personen, in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen, niet kan worden verweten dat zij formaliteiten die niet relevant waren tijdens de periode waarin die bepalingen van toepassing waren, niet hebben vervuld. Hij merkt ook op dat die bepalingen niet tot gevolg hebben dat een einde wordt gemaakt aan de « specifieke begeleidingstrajecten ». De Ministerraad voegt eraan toe dat die nadelen in ieder geval hypothetisch zijn
niet zijn aangetoond ten aanzien van de verzoekende partijen. A.
kele van die personen concrete gegevens voorlegt waarin de algehele financiële situatie van zijn gezin wordt uiteengezet, om aan te tonen dat de toepassing van de bestreden wetsbepalingen hem zal beletten zijn noodzakelijke uitgaven met zijn inkomsten te financieren. Hij merkt ook op dat de maatschappelijke bijstand die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt toegekend aan eenieder die na het verlies van zijn recht op werkloosheidsuitkeringen in een moeilijke financiële situatie terechtkomt, waarborgt dat die persoon een menswaardig leven zal kunnen leiden. Hij is in die context van mening dat het verschil tussen,
erzijds, het bedrag van de vroeger ontvangen werkloosheidsuitkering
, anderzijds, het bedrag van het leefloon of van de maatschappelijke bijstand, de schorsing van de toepassing van de bestreden wetsbepalingen niet verantwoordt. De Ministerraad voegt eraan toe dat de federale overheid, in geval van vernietiging van die bepalingen, in staat zou zijn om het veroorzaakte financiële nadeel te herstellen. A.42.2. Met betrekking tot de situatie van Chloé Dal voert de Ministerraad in de eerste plaats aan dat die verzoekende partij met toepassing van artikel 209, vierde
vijfde lid, van de wet van 18 juli 2025, in samenhang gelezen met artikel 63, § 2, vierde lid, 1°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, het voordeel van de inschakelingsuitkeringen tot 14 september 2026 zou kunnen behouden. De Ministerraad merkt vervolgens op dat Chloé Dal niets zegt over de professionele situatie van haar echtgenoot
over de beroepsactiviteiten die zij tussen het einde van de leerplicht
de maand september 2024 heeft uitgeoefend. Hij merkt op dat de verzoekende partij geen concrete gegevens voorlegt die aantonen dat het verlies van haar recht op inschakelingsuitkeringen haar zal verplichten om haar studies stop te zetten
dat het voor haar onmogelijk zal zijn om werk te vinden dat verenigbaar is met de voortzetting van die studies. De Ministerraad voegt eraan toe dat de omstandigheid dat de verzoekende partij geen leefloon zou kunnen genieten, aangeeft dat haar gezin over voldoende middelen beschikt om een menswaardig leven te leiden. 11 A.42.3. Met betrekking tot de situatie van Berlinda Cremers merkt de Ministerraad ook op dat niet haar statuut van samenwonende haar zal beletten om dat type inkomen te genieten, maar wel het feit dat de financiële middelen van haar gezin door de wet als voldoende worden beschouwd om een menswaardig leven te leiden. De Ministerraad preciseert ook dat de PWA-arbeidsovereenkomst niet is voorbehouden aan werklozen
dat Berlinda Cremers nog het recht zou hebben om onder die regeling te werken indien zij zich in een situatie zou bevinden die recht geeft op het leefloon. Hij merkt ook op dat binnenkort een Waals decreet in werking zal treden dat werkzoekenden die geen werkloosheidsuitkeringen genieten, toelaat om dat type overeenkomst te sluiten. De Ministerraad merkt ook op dat noch de bestreden wetsbepalingen, noch de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de verzoekende partij haar beletten om werk te vinden op de klassieke arbeidsmarkt. De Ministerraad merkt ten slotte op dat het aangevoerde morele nadeel dat voortvloeit uit het « gevoel van maatschappelijke nutteloosheid » niet kan volstaan om de bestreden wetsbepalingen te schorsen. A.42.4. De Ministerraad merkt op dat de situatie van Inge Lammertyn vergelijkbaar is met die van Berlinda Cremers. Hij merkt niettemin op dat haar echtgenoot een hoger pensioen ontvangt dan de echtgenoot van Berlinda Cremers
dat zij ook met haar zoon samenwoont, waarover zij niets zegt in het verzoekschrift. De Ministerraad voegt eraan toe dat het verlies van de werkloosheidsuitkeringen geen einde zal maken aan de PWA- arbeidsovereenkomst die de verzoekende partij heeft gesloten, aangezien het Vlaamse decreet van 7 juli 2017 « betreffende wijk-werken
diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming » ook werkzoekenden die geen werkloosheidsuitkeringen genieten, toelaat dat type overeenkomst te sluiten. A.42.5. Met betrekking tot Frédéric Leeb beklemtoont de Ministerraad dat die eerstgenoemde geen
kel document met betrekking tot de samenstelling van zijn gezin of zijn actuele middelen overlegt. Hij voegt eraan toe dat de toepassing van de bestreden wetsbepalingen die persoon niet zal beletten vervroegd met pensioen te gaan
dat hij dat snel zou kunnen doen indien hij in 2026 nog vier maanden werkt. De Ministerraad leidt daaruit af dat het aangevoerde nadeel tijdelijk
makkelijk te herstellen is gezien het louter financiële karakter
de beperkte omvang ervan. A.42.6. Met betrekking tot Frederic Poels
Martine Smolders beklemtoont de Ministerraad dat ook zij geen document inzake de samenstelling van hun gezin overleggen. Hij merkt ook op dat een samenwonend persoon die geen leefloon kan genieten door de wet wordt verondersteld over voldoende middelen te beschikken om een menswaardig leven te leiden. Hij merkt tevens op dat het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen van de echtgenoot van Martine Smolders zou kunnen toenemen wanneer zij vanaf 1 januari 2026 haar eigen recht zal verliezen. De Ministerraad betwist ook het feit dat het verlies van hun recht op werkloosheidsuitkeringen tot gevolg zal hebben dat een einde wordt gemaakt aan het « specifieke begeleidingstraject » dat zij genieten. De Ministerraad merkt bovendien op dat Frederic Poels
Martine Smolders, in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen, moeiteloos zullen kunnen aantonen dat zij in de tussentijd actief naar werk zijn blijven zoeken. Hij merkt op dat hun gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid hun niet belet om in afwachting van de uitspraak van het arrest van het Hof over het beroep tot vernietiging werk te vinden op de klassieke arbeidsmarkt. Hij voegt eraan toe dat zij zich in ieder geval tot respectievelijk september 2026
april 2026 kunnen beroepen op een vrijstelling van de controle op hun actieve beschikbaarheid op de arbeidsmarkt tijdens hun « specifieke begeleidingstraject ». A.42.7. Wat Catherine Fontaine
Fabienne Moreels betreft, merkt de Ministerraad op dat die verzoekende partijen, die reeds inkomsten uit hun activiteiten in bijberoep als psychologe ontvangen, na hun recht op werkloosheidsuitkeringen te hebben verloren, het volume van hun beroepsactiviteiten zouden kunnen vergroten. Hij voegt eraan toe dat die verzoekende partijen niet aantonen dat het verlies van hun statuut van werkloze hen zal verplichten een einde te maken aan hun activiteiten als zelfstandige. De Ministerraad merkt op dat zij in het bijzonder niet aantonen dat het voor hen onmogelijk zou zijn om de last van de hogere sociale bijdragen tijdens de behandelingsprocedure van het beroep tot vernietiging te dragen, die zij terugbetaald zouden kunnen krijgen in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen. 12 De Ministerraad is van mening dat de aangevoerde schade die voortvloeit uit de impact van het verlies van het recht op werkloosheidsuitkeringen op de berekeningswijze van hun pensioen, in voorkomend geval, gemakkelijk hersteld zou kunnen worden via een administratieve regularisatie. Hij merkt ook op dat de verzoekende partijen die schade evenzeer zouden kunnen vermijden door hun activiteiten als psychologe verder te zetten of door ander werk te vinden. Met betrekking tot Catherine Fontaine voegt de Ministerraad eraan toe dat zij, volgens het aanslagbiljet dat zij voor het aanslagjaar 2023 voorlegt, eigenaar is van een woning. Hij vraagt zich af waarom zij ook niet haar laatste aanslagbiljet neerlegt. Met betrekking tot Fabienne Moreels beklemtoont de Ministerraad dat het bedrag van het leefloon waarop zij recht zal hebben wanneer zij het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen zal zijn verloren, hoger zal zijn dan het bedrag van haar uitkeringen, aangezien zij een kind ten laste heeft. De Ministerraad merkt ook op dat zij geen informatie geeft over de activiteiten
de eventuele middelen van haar dochter met wie zij samenwoont. A.42.8. De Ministerraad merkt op dat Martin Vander Elst evenmin een document over de samenstelling van zijn gezin overlegt. Hij voert ook aan dat hij vrij blijft om ander werk te vinden indien hij van mening is dat de middelen die het leefloon hem zal bieden onvoldoende zijn. Hij merkt ook op dat die verzoekende persoon geen gewag maakt van pogingen om voltijds werk te vinden. Hij voegt eraan toe dat, indien die verzoekende persoon uitgesloten zou worden van het voordeel van de inkomensgarantie-uitkering, hij de nuttige gegevens voor de toekenning met terugwerkende kracht van die uitkeringen in geval van vernietiging van de bestreden wetsbepalingen zou kunnen bewaren, of op zijn minst op de invoering van een latere regularisatieprocedure zou kunnen rekenen. Ten aanzien van de omvang van de schorsing
van de vernietiging A.43. De verzoekende partijen voeren aan dat hoofdstuk 1 van titel 5 van de wet van 18 juli 2025 een ondeelbaar geheel van bepalingen vormt, zodat het Hof, indien het oordeelt dat de middelen die tegen de artikelen 142
169 van die wet zijn gericht gegrond zijn, alle bepalingen van dat hoofdstuk zal moeten schorsen
vervolgens vernietigen. A.44. Volgens de Ministerraad zou het niet verantwoord zijn bepalingen waartegen geen
kel middel is uiteengezet, te schorsen of te vernietigen. A.45. De verzoekende partijen voeren ook aan dat indien het Hof oordeelt dat de in artikel 216, § 1, eerste lid, van de wet van 18 juli 2025 vermelde regel discriminerend is, de artikelen 208 tot 216 van die wet dienen te worden vernietigd, op zijn minst ten aanzien van de personen die vóór 1 januari 2026 met een opleiding zijn gestart. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen
de context ervan B.1. Het beroep tot vernietiging
de vordering tot schorsing zijn gericht tegen hoofdstuk 1 van titel 5 van de programmawet van 18 juli 2025 (hierna : de wet van 13 18 juli 2025), dat bestaat uit de artikelen 88 tot 216 van die wet. Zoals het opschrift van dat hoofdstuk aangeeft, brengen die bepalingen wijzigingen aan in de « werkloosheidsreglementering ». Afdeling 1 van dat hoofdstuk 1, die de artikelen 88
89 omvat, wijzigt de besluitwet van 28 december 1944 « betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ». De artikelen 90 tot 191 van de wet van 18 juli 2025, die afdeling 2 van het voormelde hoofdstuk vormen, strekken ertoe het koninklijk besluit van 25 november 1991 « houdende de werkloosheidsreglementering » (hierna : het koninklijk besluit van 25 november 1991) te wijzigen. De artikelen 192 tot 206 van de wet van 18 juli 2025, die afdeling 3 van het voormelde hoofdstuk vormen, strekken ertoe het ministerieel besluit van 26 november 1991 « houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering » te wijzigen. De artikelen 207 tot 216 van dezelfde wet, die afdeling 4 van hetzelfde hoofdstuk vormen, regelen de inwerkingtreding van dat hoofdstuk
bevatten overgangsbepalingen. B.2.1. Het Hof stelt de omvang van een beroep tot vernietiging –
dus van de vordering tot schorsing die ermee gepaard gaat – vast op basis van de uiteenzetting van de middelen die het verzoekschrift moet bevatten. Het beperkt zijn onderzoek tot de wetsbepalingen waartegen middelen zijn gericht. B.2.2. Te dezen blijkt uit de uiteenzetting van de middelen dat het voorliggende beroep –
dus de vordering tot schorsing die ermee gepaard gaat – betrekking heeft op,
erzijds, de artikelen 142
169 van de wet van 18 juli 2025, in zoverre zij respectievelijk de artikelen 63, § 2,
114, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 vervangen,
, anderzijds, de artikelen 207, 209, 212
216 van diezelfde wet. B.3.1. De « inschakelingsuitkeringen » zijn uitkeringen die de jonge werknemer kan genieten als volledig werkloze die, in de regel, minder dan 25 jaar oud is
die aan verschillende andere voorwaarden voldoet (artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991). Hij kan die uitkeringen niet genieten vóór de beëindiging van de voltijdse
van de deeltijdse leerplicht (artikel 63, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit). B.3.
3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 door de volgende tekst : « §
3° bedoelde tewerkstelling
waarvoor geen aanvullende uitkering werd toegekend; 5° de periode waarin de werknemer een moederschapsuitkering geniet, de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 of de periode in het kader van het vaderschaps- of het adoptieverlof bedoeld in artikel 30, § 2, of 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; 6° de periode waarvoor de werknemer een uitkering heeft ontvangen ingevolge de Belgische wetgeving inzake de ziekte- of invaliditeitsverzekering, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar
van het werk
beroepsziekten of krachtens een andere regeling inzake sociale zekerheid, een prestatie wegens een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit heeft genoten. Er wordt hierbij geen rekening gehouden met periodes waarin de werknemer tegelijkertijd een inschakelingsuitkering heeft genoten; 7° voor zover de ononderbroken duur van de gebeurtenis ten minste drie maanden bedraagt : de uitoefening van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt, voor zover voor die periode geen uitkeringen werden toegekend. 15 Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, 2°
3° wordt evenwel geen rekening gehouden met de in deze periode gelegen dagen die niet als gelijkgestelde dagen in aanmerking kunnen worden genomen. De jonge werknemer, die bij het verstrijken van de periode van 12 maanden, bedoeld in paragraaf 2, in voorkomend geval verlengd in toepassing van de vorige leden, een inkomensgarantie-uitkering geniet als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, waarbij de referte-uitkering bedoeld in artikel 131bis, § 2bis, een inschakelingsuitkering betreft, kan het recht op uitkeringen behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van de tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uur bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon. Het eerste lid is niet van toepassing tijdens de periode waarin de jonge werknemer, overeenkomstig het derde lid, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt ». B.4.1. Vóór de wijziging ervan bij de wet van 18 juli 2025 bepaalde artikel 114, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, in essentie, dat het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze werd vastgesteld volgens een percentage van het gemiddeld dagloon, de gezinscategorie waartoe de werkloze behoorde, het toepasselijke grensbedrag, de werkloosheidsduur
het beroepsverleden. B.4.2. Artikel 169 van de wet van 18 juli 2025 vervangt die bepaling door de volgende tekst : « De volledig werkloze die in toepassing van artikel 30 of 33 wordt toegelaten tot het recht op uitkeringen, verwerft dit recht voor een periode van twaalf maanden, te rekenen van datum tot datum, vanaf de datum van de uitkeringsaanvraag. Deze periode van twaalf maanden wordt de eerste vergoedingsperiode genoemd. Het recht op uitkeringen gedurende twaalf maanden wordt uitgebreid met één maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of, indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33, 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen. Er wordt
kel rekening gehouden met het beroepsverleden dat verworven is op het ogenblik dat de werkloze wordt toegelaten tot het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 30 of
wiens einddatum van het recht op inschakelingsuitkeringen gelegen is na 30 juni 2025, behoudt zijn recht tot de einddatum zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 63 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026. Voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid
in afwijking van dat lid, dooft het recht op inschakelingsuitkeringen uit ten laatste op 31 december 2025. Wanneer voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, als gevolg van de toepassing van het tweede lid, de periode tussen de datum van de eerste toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen
de datum waarop het recht eindigt, minder dan 12 maanden bedraagt, dooft het recht evenwel uit 12 maanden na de datum van de eerste toelating. Artikel 63, § 2, derde
vierde lid,
, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, blijft verder van toepassing na 28 februari 2026 op de in de vorige leden bedoelde jonge werknemer. De toepassing van artikel 63, § 2, derde
vierde lid, 1°
2°,
, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, kan niet als gevolg hebben dat de jonge werknemer nog uitkeringen geniet na 31 december 2026. Voor de jonge werknemer bedoeld in het derde lid, wordt de datum van 31 december 2026, bedoeld in het vijfde lid, opgeschoven met het aantal volledige maanden dat zich situeert tussen 1 januari 2025
de datum van de eerste toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen. 17 In afwijking van het vijfde
zesde lid, kan de jonge werknemer, in geval van toepassing van bovenvermeld artikel 63, § 2, vierde lid, 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991,
op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gedurende de volledige ononderbroken periode van de tewerkstelling normaal gemiddeld per week ten minste 19 uur bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatpersoon, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten. Artikel 63, § 2, derde
vierde lid,
, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, is niet van toepassing tijdens de periode waarin de jonge werknemer overeenkomstig het zevende lid, het recht op de inkomensgarantie-uitkering behoudt. Voor de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, is artikel 63, § 3, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, niet meer van toepassing vanaf 1 maart 2026. Vanaf 1 juli 2025
binnen de perken van het vijfde, zesde
zevende lid, is artikel 63, § 2, derde
vierde lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, eveneens van toepassing op de jonge werknemer bedoeld in het eerste lid, die na 1 januari 2023 voor de eerste keer is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen
die op 1 juli 2025 de leeftijd van 30 jaar niet heeft bereikt
overeenkomstig artikel 110, §§ 1
2, wordt beschouwd als werknemer met gezinslast of als alleenwonende werknemer, of die overeenkomstig artikel 110, § 3, wordt beschouwd als samenwonende werknemer
voldoet aan de vereisten van artikel 124, tweede lid, niettegenstaande het feit dat hij zich nog in de in toepassing van het tweede lid van het voormelde artikel 63, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, geneutraliseerde periode bevindt. De jonge werknemer die is toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen op basis van artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari 2026, kan niet meer toegelaten worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen op basis van artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing vanaf 1 maart
die nog toelaatbaar is op basis van artikel 42 van het voormelde koninklijk besluit, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, behoudt dit recht op uitkeringen onder de hierna vermelde voorwaarden, ten laatste tot 30 juni 2030. 18 De duur van het recht op uitkeringen voor de werknemers bedoeld in het eerste lid, wordt in functie van de vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, beperkt tot : 1° 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de eerste vergoedingsperiode
bovendien minstens vijf jaar beroepsverleden heeft; 2° 12 maanden, verhoogd met een maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met een maximum van in totaal 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de eerste vergoedingsperiode, maar geen vijf jaar beroepsverleden heeft; 3° 12 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de tweede vergoedingsperiode; 4° 9 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode
op de datum van 31 december 2024 in totaal minder dan 2.496 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991; 5° 8 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode
op de datum van 31 december 2024 in totaal minstens 2.496, maar minder dan 6.240 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991; 6° 6 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 wordt vergoed volgens de derde vergoedingsperiode
op de datum van 31 december 2024 in totaal minstens 6.240 volle of halve uitkeringen heeft ontvangen in toepassing van artikel 100 of 103 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november
die gelegen is na 1 juli 2025; 19 2° 1 juli 2025, in de andere gevallen. De werknemer bedoeld in deze paragraaf die tijdens de periode vanaf 1 juli 2025 tot 28 februari 2026 de voorwaarden vervult van artikel 116, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, heeft nog recht op uitkeringen vanaf de datum van zijn nieuwe uitkeringsaanvraag, bedoeld in artikel 133, § 1, 2°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, gedurende een periode van : 1° 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 minstens vijf jaar beroepsverleden heeft; 2° 12 maanden, verhoogd met een maand per periode van beroepsverleden van 104 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen, of 104 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het gaat om een toelating in toepassing van artikel 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met een maximum van in totaal 24 maanden, indien de werknemer op 30 juni 2025 geen vijf jaar beroepsverleden heeft. Tijdens de periode waarvoor de werknemers bedoeld in deze paragraaf het recht op uitkeringen behouden, wordt het bedrag van de uitkering verder bepaald in toepassing van artikel 114, §§ 1, 2, 3, 4, 5, 5bis
7, artikel 116, §§ 2
4,
artikel 118, §§ 1
2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari
28 februari 2026
die een nieuwe uitkeringsaanvraag indient in diezelfde periode, kan slechts opnieuw uitkeringen genieten indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 30 of 33 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 zoals van toepassing tot 28 februari
een voldoende beroepsverleden heeft, bepaald overeenkomstig artikel 214, het recht op uitkeringen, zonder dat de beperking in de tijd bedoeld in artikel 114, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 vanaf 1 maart 2026 van toepassing is. Voor de toepassing van het eerste lid op de werknemer die op 30 juni 2025 niet effectief werkloosheidsuitkeringen geniet, ofwel omdat hij voor het eerst uitkeringen vraagt na deze datum, ofwel omdat er op die datum een onderbreking loopt in de zin van artikel 138, eerste lid, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 die het gevolg is van een 20 tewerkstelling als loontrekkende of een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt er rekening gehouden met de datum van de eerste nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in artikel 133, § 1, 1° of 2°, van het voormelde koninklijk besluit. De werknemer bedoeld in deze paragraaf heeft recht op het volgende dagbedrag : 1° in het geval de werknemer op 30 juni 2025 vergoed wordt overeenkomstig de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026 : a) gedurende de rest van die periode, zoals bepaald op basis van de artikelen 114
116, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026, het bedrag in functie van de fase van de eerste vergoedingsperiode waarin de werknemer zich bevindt; b) daarna, gedurende een periode gelijk aan het verschil tussen 24 maanden
het gedeelte van de eerste vergoedingsperiode dat gelegen is na 30 juni 2025 of, indien van toepassing, na de datum bedoeld in het tweede lid, het bedrag dat overeenstemt met de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari 2026;
7, artikel 116, §§ 2
4,
artikel 118, §§ 1
2, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals van toepassing tot 28 februari
waarvoor door de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling een vrijstelling wordt toegekend, het recht op uitkeringen voor de ononderbroken duur van deze opleiding, maar tot ten laatste 30 juni
inwerkingtreden van wetten
verordeningen » zijn de artikelen 207 tot 216 van de wet van 18 juli 2025 de tiende dag na die van hun bekendmaking, zijnde op 8 augustus 2025, in werking getreden. Met toepassing van artikel 207, eerste lid, van de wet van 18 juli 2025 hebben de in B.6
in B.7 aangehaalde artikelen 212
216 van dezelfde wet, die op 8 augustus 2025 in werking zijn getreden, uitwerking met ingang van 1 juli 2025. B.8.3. De artikelen 142
169 van de wet van 18 juli 2025 zullen op 1 maart 2026 in werking treden
zullen vanaf die dag uitwerking hebben (artikel 207, tweede lid, van dezelfde wet). B.9. Artikel 215 van de wet van 18 juli 2025 bepaalt : « Het recht op werkloosheidsuitkeringen dat in toepassing van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 werd toegekend, wordt vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze wet van rechtswege omgezet naar een beperkt recht op werkloosheidsuitkeringen, dat inzonderheid onderworpen is aan de bepalingen van de artikelen 210, 211
212. De einddatum van het recht op inschakelingsuitkeringen die in toepassing van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 werd vastgesteld, wordt vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze wet van rechtswege opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 209
210. De wijzigingen bedoeld in de onderhavige afdeling gelden zonder dat de werknemer opgeroepen moet worden om gehoord te worden
de toekenning van de uitkering voor een in de tijd beperkte duur wordt meegedeeld aan de werknemer ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.10. De verzoekers zijn veertien rechtspersonen, vier feitelijke verenigingen
negen natuurlijke personen. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging waarmee zij gepaard gaat, dient de ontvankelijkheid van dat beroep reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. 23 Wat betreft de procesbekwaamheid van bepaalde verzoekende partijen B.11.
de vordering tot schorsing zijn onontvankelijk in zoverre zij door die vereniging zijn ingesteld. Wat betreft het belang B.12. De Grondwet
de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks
ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.13.1. De verzoekende natuurlijke personen zijn werkloos
hebben van de RVA een brief ontvangen waarin hun werd meegedeeld dat hun recht op een werkloosheidsuitkering op zeer korte termijn,
voor de meesten van hen op 1 januari 2026, een einde zal nemen. Die verzoekende partijen doen derhalve blijken van een belang bij de vernietiging,
dus eveneens bij de schorsing, van de bestreden bepalingen, die tal van regels wijzigen die de voorwaarden vaststellen waaronder een werknemer recht heeft op uitkeringen in geval van werkloosheid. B.13.
de derde tussenkomende partij vorderen in werkelijkheid de schorsing van titel 5 van de wet van 18 juli
de vierde tussenkomende partij kunnen slechts in aanmerking worden genomen in zoverre zij aansluiten bij de in de verzoekschriften geformuleerde middelen. Artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 staat immers niet toe, in tegenstelling tot artikel 85, dat in een memorie van tussenkomst nieuwe middelen worden geformuleerd. B.17.
precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepaling waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst
de moeilijk te herstellen aard ervan
het verband tussen dat risico
de toepassing van de bestreden bepaling aantonen. 26 B.
die door de bestreden bepaling zouden kunnen worden geraakt. B.22. Het nadeel dat de bestreden wetsbepalingen te dezen zouden kunnen berokkenen aan de werklozen van wie zij de situatie wijzigen, raakt de verzoekende verenigingen niet persoonlijk. Het door die laatste aangevoerde morele nadeel vloeit voort uit de toepassing van wetsbepalingen die
kel het collectieve belang dat zij verdedigen, zou kunnen raken. Dat nadeel is niet moeilijk te herstellen, aangezien het zou verdwijnen bij een vernietiging van die bepalingen. B.
de stukken die zij bij het verzoekschrift voegt, stellen het Hof evenwel niet in staat te begrijpen waarom het nadeel dat zij aanvoert, zou kunnen voortvloeien uit de onmiddellijke toepassing van de in B.3.3, B.4.2, B.5
B.6 aangehaalde bepalingen. Artikel 142 van de wet van 18 juli 2025 B.26. Artikel 142 van de wet van 18 juli 2025 vervangt artikel 63, §§ 2
3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, dat de voorwaarden voor de toekenning van de « inschakelingsuitkering » regelt. De tweede verzoekende natuurlijke persoon is de
ige verzoekende partij die zich in een situatie bevindt die haar toestaat aanspraak te maken op het voordeel van die uitkering. B.
wiens einddatum van dat recht gelegen is na 30 juni 2025, wordt geregeld bij artikel 209 van de wet van 18 juli
het vijfde lid van artikel 209 van de wet van 18 juli 2025 betrekking op de situatie van de verzoekende partij, aangezien zij bepalen dat artikel 63, § 2, vierde lid, 1°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, in de versie vóór de wijziging ervan bij artikel 142 van de wet van 18 juli 2025, na 28 februari 2026 van toepassing blijft op de voornoemde jonge werknemer, zonder dat die toepassing tot gevolg kan hebben dat hij uitkeringen geniet na 31 december
derde tot achtste natuurlijke persoon bij het verzoekschrift hebben gevoegd, blijkt dat die personen reeds verschillende jaren werkloosheidsuitkeringen genieten
dat het verlies van het recht op die uitkeringen dat aan de oorsprong ligt van het nadeel dat zij aanvoeren ter ondersteuning van de vordering tot schorsing, voortvloeit uit de toepassing van artikel 212, § 1, van de wet van 18 juli 2025. B.31. Zoals blijkt uit de tekst van die laatste bepaling, die is aangehaald in B.6,
uit artikel 215, eerste lid, van dezelfde wet, dat is aangehaald in B.9, wordt de duur van het recht op werkloosheidsuitkeringen dat werd toegekend met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 die van kracht zijn tot 1 maart 2026, geregeld bij de 29 overgangsbepalingen die worden vermeld in de artikelen 212, 213, 214
216 van de wet van 18 juli 2025,
dus niet bij artikel 114, § 1, van dat koninklijk besluit, zoals het van toepassing zal zijn vanaf 1 maart 2026, wanneer de wijzigingen die artikel 169 van die wet erin aanbrengt, in werking zullen treden. B.
achtste verzoekende natuurlijke persoon overleggen, blijkt dat de toepassing van artikel 212, § 1, tweede lid, 6°, van dezelfde wet tot gevolg heeft dat vanaf 1 januari 2026 een einde wordt gemaakt aan hun recht op werkloosheidsuitkeringen dat zij reeds meer dan twintig jaar genieten. Die personen voeren aan dat de onmiddellijke toepassing van die wetsbepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. B.
de moeilijkheid om het te herstellen ingevolge de eventuele vernietiging van de wet die het in het leven roept, hangen af van de individuele
familiale omstandigheden van elke rechtstreeks betrokken persoon, met name van het aandeel dat de verloren uitkeringen vertegenwoordigen in het geheel van zijn inkomsten
van zijn essentiële behoeften, die met name verband houden met zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand of zijn vaardigheden. B.35.2. De eerste, vierde, zevende
achtste verzoekende natuurlijke persoon, die samenwonenden zijn, voeren aan dat de weerslag van het voormelde financiële nadeel op de bestaansmiddelen van hun gezin hun huisvesting in gevaar zou kunnen brengen
hen zou kunnen blootstellen aan een schuldenlast. Die personen vermelden in dat verband evenwel geen
kel concreet
precies feit dat het Hof in staat zou stellen die aspecten van hun situatie te beoordelen. De overige verzoekende natuurlijke personen vermelden niets daarover. B.35.3. Algemener deelt geen van de in B.33 bedoelde verzoekende partijen aan het Hof voldoende concrete
precieze elementen mee die het toelaten de ernst van het financieel nadeel te onderzoeken waarvan het risico wordt aangevoerd. B.35.4.1. Al die verzoekende partijen erkennen dat bij de beoordeling van de ernst van het nadeel dat zij aanvoeren, rekening moet worden gehouden met het bestaan van het recht op maatschappelijke integratie dat is vervat in de wet van 26 mei 2002 « betreffende het recht op maatschappelijke integratie » (hierna : de wet van 26 mei 2002). Dat recht wordt onder bepaalde voorwaarden toegekend aan de personen die niet over « toereikende bestaansmiddelen » beschikken om hen in staat te stellen een menswaardig leven te leiden (artikelen 2, 3
13 van de wet van 26 mei 2002). B.35.4.2. De derde, vijfde
zesde verzoekende natuurlijke persoon vermelden in de uiteenzetting van hun nadeel het bedrag van het leefloon dat zij zouden kunnen krijgen wanneer zij het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen zullen hebben verloren. 31 Gelet op het cijfermateriaal dat dienaangaande in het verzoekschrift wordt vermeld, zal het bedrag van het leefloon dat de derde
vijfde verzoekende natuurlijke persoon menen te kunnen krijgen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, ongeveer 120 euro lager liggen dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen dat zij thans ontvangen. Voor de zesde verzoekende natuurlijke persoon zal het bedrag van dat leefloon gelijkwaardig zijn aan dat van haar huidige werkloosheidsuitkeringen. B.35.4.3. De eerste, vierde
zevende verzoekende natuurlijke persoon voeren aan dat zij geen recht op het leefloon zullen hebben wanneer zij het voordeel van hun werkloosheidsuitkeringen zullen hebben verloren, wegens hun statuut van samenwonende. De achtste verzoekende natuurlijke persoon geeft aan dat zij zich waarschijnlijk in dezelfde situatie als de voornoemde verzoekende natuurlijke personen zal bevinden. De aanvrager van een dergelijk leefloon wordt
kel als samenwonende in de zin van de wet van 26 mei 2002 aangemerkt wanneer hij uit zijn samenwoning een economisch-financieel voordeel haalt (Cass., 21 november 2011, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111121.3). Uit die wet wordt afgeleid dat, indien het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn weigert om een aanvrager het voordeel van een leefloon toe te kennen wegens een samenwoning, dat komt omdat die persoon, ten aanzien van de wet, gelet op de bestaansmiddelen van de persoon met wie hij samenwoont, over « toereikende bestaansmiddelen » beschikt, aanspraak erop kan maken of in staat is ze te verwerven, hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier (artikelen 3, 4°, 14, § 1, 1°,
,
16, § 1, van de wet van 26 mei 2002). Zoals reeds is vermeld in B.35.3, leggen de vier voornoemde verzoekende partijen geen precieze
concrete gegevens met betrekking tot hun persoonlijke situatie voor, zodat het Hof niet kan nagaan of de weigering, door het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, om hun het voordeel van een leefloon toe te kennen, hun eventueel, gelet op hun persoonlijke situatie, een nadeel zou kunnen berokkenen dat de schorsing van de bestreden wetsbepaling kan verantwoorden. B.36.1. De eerste
vierde verzoekende natuurlijke persoon voeren bovendien een financieel nadeel aan dat voortvloeit uit het feit dat zij, door het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 1 januari 2026 te verliezen, automatisch het statuut van 32 werkloze zullen verliezen dat, met toepassing van artikel 79, § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 of van het Vlaamse decreet van 7 juli 2017 « betreffende wijk-werken
diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming », voor hen noodzakelijk is om het loon te blijven ontvangen dat zij ontvangen ter uitvoering van de « PWA-arbeidsovereenkomst » in de zin van artikel 3 van de wet van 7 april 1999 « betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst », die zij met een lokaal werkgelegenheidsagentschap hebben gesloten. Die verzoekende partijen voeren ook aan dat het verlies van het statuut van werkloze dat eveneens een einde zal maken aan hun PWA-arbeidsovereenkomst die ter uitvoering van artikel 20, 4°, van de voormelde wet van 7 april 1999 is gesloten, hun een moreel nadeel zal berokkenen doordat zij zich maatschappelijk gezien niet meer nuttig zullen voelen. B.36.2. Zoals in B.35.3 is opgemerkt, delen die verzoekende partijen evenwel geen concrete
precieze gegevens mee die het Hof in staat stellen de grootte van dat loon ten aanzien van hun algehele financiële situatie,
dus de omvang van het aangevoerde financiële nadeel, voldoende te beoordelen. Wat de eerste verzoekende natuurlijke persoon betreft, dient daarnaast rekening te worden gehouden met het decreet van het Waalse Gewest van 11 december 2025 « tot wijziging van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders », dat haar situatie kan wijzigen. Het moreel nadeel dat de verzoekende partijen aanvoeren, is niet moeilijk te herstellen, aangezien het zou verdwijnen in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen. B.37.1. De derde
zesde verzoekende natuurlijke persoon voeren bovendien een financieel nadeel aan dat voortvloeit uit het feit dat zij, door hun recht op werkloosheidsuitkeringen respectievelijk vanaf 1 januari 2026
vanaf 1 maart 2026 te verliezen, automatisch het statuut van werkloze zullen verliezen, hetgeen hen zal verplichten een einde te maken aan de activiteiten als zelfstandige die zij in bijberoep uitoefenen met toepassing van artikel 48 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 (zoals vervangen bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 juli 2006,
vervolgens gewijzigd bij artikel 6 van een koninklijk besluit van 11 september 2016
bij artikel 6 van een koninklijk besluit van 33 30 juli 2022),
die hun toestaan een inkomen te verkrijgen dat hun werkloosheidsuitkeringen aanvult, binnen de bij artikel 130, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit vastgestelde perken. Zij preciseren dienaangaande dat het bedrag van de bijdragen die zij zouden moeten betalen aan een sociale verzekeringskas ter uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 « houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen », indien zij die activiteiten in hoofdberoep zouden uitoefenen nadat zij het voordeel van hun werkloosheidsuitkeringen zijn verloren, dermate hoger is dan het bedrag van de bijdragen die zij thans moeten betalen, dat zij de uitoefening van die activiteiten zouden moeten stopzetten. B.37.2. Zoals in B.35.3 is opgemerkt, delen die verzoekende partijen evenwel geen concrete
precieze gegevens mee die het Hof in staat stellen de omvang van de inkomsten uit de voormelde activiteiten ten aanzien van hun algehele financiële situatie,
dus de omvang van het aangevoerde financiële nadeel, voldoende te beoordelen. B.38.1. De derde
zesde verzoekende natuurlijke persoon voeren bovendien aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling een weerslag zal hebben op de berekening van het rustpensioen dat zij vanaf 2028 zullen kunnen verkrijgen, wanneer zij de wettelijke pensioenleeftijd zullen hebben bereikt. B.38.2. Die verzoekende partijen leggen echter geen
kel precies
concreet gegeven voor dat het Hof in staat stelt de omvang van dat eventuele nadeel te beoordelen. B.39.1. De vijfde verzoekende natuurlijke persoon voert aan dat het verlies van zijn recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 1 januari 2026
, bijgevolg, het verlies van zijn statuut van werkloze hem ertoe zullen verplichten te wachten totdat hij de leeftijd van 67 jaar heeft bereikt, in 2032, om zijn rustpensioen aan te vragen, dat hij reeds in de maand mei 2026 hoopte te kunnen krijgen in het kader van een vervroegd pensioen,
om een flexi-job in de zin van artikel 3, 1°, van de wet van 16 november 2015 « houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken » uit te oefenen, in plaats van de activiteiten die hij verricht in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst. B.39.2. Indien, zoals die verzoekende natuurlijke persoon voorhoudt, de beëindiging van zijn recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 1 januari 2026 onmiddellijk tot gevolg zal hebben 34 dat hij zijn recht om het voordeel van zijn rustpensioen vóór de wettelijke pensioenleeftijd aan te vragen, verliest, zal hij dat laatste recht kunnen terugkrijgen in geval van een vernietiging van de bestreden bepaling bij een arrest van het Hof, dat zal worden uitgesproken vóór het einde van het jaar 2026, zijnde meer dan vijf jaar voordat hij die leeftijd bereikt. Hoe dan ook legt de verzoekende natuurlijke persoon geen precieze
concrete elementen voor die, wat hem betreft, de ernst aantonen van het nadeel dat zou voortvloeien uit het eventuele verlies van zijn recht om het voordeel van zijn rustpensioen aan te vragen alvorens de leeftijd ervan te hebben bereikt. Gesteld dat dat nadeel financiële aspecten inhoudt, zoals de onmogelijkheid voor hem om het recht uit te oefenen van een gepensioneerde om een flexi-job te verrichten, deelt hij het Hof onvoldoende concrete, precieze
vaststaande gegevens mee die het in staat zouden kunnen stellen om, rekening houdend met onder meer de algehele financiële situatie van de verzoekende natuurlijke persoon, de omvang van het nadeel te beoordelen dat die laatste eventueel zou kunnen lijden tijdens de periode waarin het voorliggende beroep tot vernietiging wordt onderzocht. B.40.1. Ten slotte voeren de zevende
achtste verzoekende natuurlijke persoon aan dat het verlies van hun recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 1 januari 2026 tot gevolg zal hebben dat het « specifieke begeleidingstraject » in de zin van de artikelen 58, § 1,
58/3, § 3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, dat zij thans genieten, wordt onderbroken vanaf 1 september 2026 voor de eerstgenoemde
vanaf 1 april 2026 voor de laatstgenoemde. B.40.2. Om uitkeringen te genieten, dient een volledig werkloze, zoals de voornoemde verzoekende partijen, onder meer actief naar werk te zoeken. Om aan die verplichting te voldoen, moet hij kunnen aantonen dat hij zelf actief naar werk zoekt door regelmatig zelf gevarieerde acties te ondernemen (artikel 58, § 1, eerste
tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals vervangen bij artikel 4 van een koninklijk besluit van 14 december 2015). De volledig werkloze kan van die laatste verplichting evenwel worden vrijgesteld tijdens de duur van het specifieke begeleidingstraject dat hem werd voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling (artikel 58, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991). De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid 35 wordt opgeschort gedurende de periode tijdens welke de werkloze dat traject volgt (artikel 58/3, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit, zoals ingevoegd bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 14 december 2015). B.40.
3°, b), van de wet van 18 juli 2025 B.41. Artikel 212, § 2, derde lid, van de wet van 18 juli 2025 heeft tot doel het bedrag van de werkloosheidsuitkering te bepalen waarop de werknemer recht heeft die op 30 juni 2025 55 jaar oud is
die, « in afwijking » van artikel 212, § 1, van die wet, « het recht op uitkeringen [behoudt] » zonder beperking in de tijd. B.42. Zoals reeds in B.33 is opgemerkt, leggen de eerste
de derde tot achtste verzoekende partij, die allen ouder waren dan 55 jaar op 30 juni 2025, officiële documenten voor waaruit blijkt dat zij hun recht op werkloosheidsuitkeringen zullen verliezen met toepassing van artikel 212, § 1, van de wet van 18 juli
kele verzoekende partij aantoont dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden wetsbepalingen haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Aangezien een van de grondvoorwaarden om tot schorsing te kunnen besluiten niet is vervuld, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 37 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Frans
het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 januari 2026. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.011 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111121.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.