id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.012 Arrest- Rolnummer: 12/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-02-02 Raadplegingen: 486 - laatst gezien 2026-06-18 06:19 Versie(s): Versie FR Fiche - Schending (artikel 11bis, § 1, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, in zoverre het vereist, opdat een in België geboren kind de Belgische nationaliteit kan verkrijgen, dat de voorwaarde van het hebben van zijn hoofdverblijfplaats in België gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring door beide ouders of adoptanten wordt vervuld, terwijl artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van datzelfde Wetboek diezelfde voorwaarde inzake de hoofdverblijfplaats alleen vereist voor een van de ouders of adoptanten wanneer de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar toestemt in de toekenning van de Belgische nationaliteit) - Schending (artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, in zoverre de verklaring van één ouder of adoptant die voldoet aan de in artikel 11bis, § 1, b), van datzelfde Wetboek omschreven verblijfsvoorwaarde volstaat indien de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft en in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt, terwijl niet is voorzien in een gelijkaardige mogelijkheid indien de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats nooit in België heeft gehad) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 11bis, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Nationaliteit - Verkrijging van de Belgische nationaliteit - Verkrijging door nationaliteitsverklaring - In België geboren minderjarig kind - Voorwaarden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 12/2026 van 22 januari 2026 Rolnummers : 8437, 8438 en 8439 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 11bis, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij drie arresten van 18 februari 2025, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 26 februari 2025, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 11bis, § 1 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het vereist, opdat een in België geboren kind de Belgische nationaliteit kan bekomen, dat de voorwaarde van hoofdverblijfplaats in België gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring door beide ouders of adoptanten wordt vervuld terwijl artikel 11bis, § 2 diezelfde voorwaarde van hoofdverblijfplaats alleen vereist voor een van de ouders of adoptanten wanneer één van hen zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft maar toestemt in de toekenning van de Belgische nationaliteit ? Schendt artikel 11bis, § 2 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door te stellen dat de verklaring van één ouder of adoptant volstaat indien de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats niet ‘ meer ’ in België heeft maar in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt maar deze mogelijkheid niet voorziet indien de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats nooit in België heeft gehad en illegaal in België verblijft ? ». 2 Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8437, 8438 en 8439 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - El Habib Asdik en Fatima Sighaoui, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Rahim Aktepe, advocaat bij de balie van Antwerpen (in alle zaken); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. El Habib Asdik en Fatima Sighaoui hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 12 november 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De appellanten in de bodemgeschillen zijn beiden in Marokko geboren, hebben beiden de Marokkaanse nationaliteit en hebben samen drie minderjarige kinderen die in België zijn geboren en tevens de Marokkaanse nationaliteit hebben. Op 20 december 2022 leggen de appellanten in de bodemgeschillen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Antwerpen voor hun drie minderjarige kinderen nationaliteitsverklaringen af met toepassing van artikel 11bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (hierna : het WBN). Op dat ogenblik zijn de drie kinderen jonger dan twaalf jaar en hebben zij sinds hun geboorte hun hoofdverblijfplaats in België gehad. Op 20 maart 2023 adviseert het openbaar ministerie, op basis van artikel 11bis, § 5, van het WBN, negatief omdat niet is voldaan aan de grondvoorwaarde dat de ouders gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België hebben gehad. Het openbaar ministerie is van mening dat de vader niet aan die vereiste voldoet daar hij onwettig en zonder geldige inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister in België verblijft. Op 12 april 2024 oordeelt de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, eveneens dat niet is voldaan aan de voormelde grondvoorwaarde. Tegen de desbetreffende vonnissen tekenen de appellanten in de bodemgeschillen op 29 april 2024 hoger beroep aan bij het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Hof van Beroep oordeelt dat de kinderen aan alle voorwaarden voldoen om de Belgische nationaliteit via nationaliteitsverklaringen te kunnen verkrijgen, dat de moeder van de kinderen eveneens voldoet aan de wettelijke voorwaarden, maar dat de vader van de kinderen niet aan die voorwaarden voldoet. 3 Alvorens ten gronde uitspraak te doen, stelt het Hof van Beroep de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad doet gelden dat artikel 11bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (hierna : het WBN) de grondvoorwaarden bepaalt waaronder de nationaliteitsverklaring kan worden afgelegd en dat artikel 11bis, § 2, van dat Wetboek bepaalt wie de verklaring voor het kind kan afleggen. Hij is van mening dat artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN geen afbreuk doet aan de grondvoorwaarde vervat in artikel 11bis, § 1, b), van hetzelfde Wetboek, die inhoudt dat de ouders gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België moeten hebben gehad. Die bepaling voorziet volgens hem louter in een uitzondering op de regel dat de verklaring door beide ouders gezamenlijk wordt afgelegd, uitzondering die geldt wanneer een van de ouders zijn hoofdverblijfplaats « niet meer » in België heeft. Die bepaling doet volgens hem geen afbreuk aan het feit dat de grondvoorwaarde vervat in artikel 11bis, § 1, b), van het WBN door beide ouders vervuld moet zijn. In zoverre de prejudiciële vragen uitgaan van het tegendeel, berusten ze volgens de Ministerraad op een verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen. A.2.1. De regel van artikel 11bis, § 1, van het WBN dat ouders enkel een nationaliteitsverklaring voor hun in België geboren kind kunnen afleggen wanneer zij gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België hebben gehad, is volgens de Ministerraad overigens wel degelijk redelijk verantwoord. De wetgever heeft met die voorwaarde immers willen waarborgen dat tussen het kind en de Belgische samenleving een voldoende nauwe band bestaat. Het is volgens hem redelijk verantwoord om met het oog op het verkrijgen van de nationaliteit een voldoende sterke band met de Belgische samenleving te vereisen en in dat verband van de ouders van in België geboren kinderen van de tweede generatie te vereisen dat zij gedurende een bepaalde periode in België hebben verbleven. Die keuze behoort volgens hem tot de ruime beleidsvrijheid waarover de wetgever ter zake beschikt. A.2.2. Het feit dat artikel 11bis, § 2, d), van het WBN voorschrijft dat de nationaliteitsverklaring door één ouder kan worden afgelegd wanneer de andere ouder zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft en in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt, doet volgens de Ministerraad niet anders besluiten, daar die bepaling niet de grondvoorwaarden waaronder de verklaring kan worden afgelegd, regelt, maar wel wie de verklaring voor het kind kan afleggen. Hij wijst erop dat de wetgever in beginsel de gezamenlijke verklaring van beide ouders vereist, maar dat hij eveneens heeft voorzien in uitzonderingen voor de gevallen waarin een van beide ouders door omstandigheden in de onmogelijkheid is om de verklaring mee af te leggen (het overleden of afwezig zijn van die ouder, het in de onmogelijkheid verkeren van die ouder om zijn wil te kennen te geven of het niet meer hebben van zijn hoofdverblijfplaats in België). De ouder die illegaal in België verblijft, bevindt zich volgens de Ministerraad niet in een situatie die het hem onmogelijk maakt om de verklaring mee af te leggen. Het illegale verblijf maakt wel dat niet is voldaan aan de grondvoorwaarde dat beide ouders gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België moeten hebben gehad. Ook wanneer de ouder zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt, en de verklaring dus alleen door de andere ouder kan worden afgelegd, geldt volgens hem nog steeds dat moet zijn voldaan aan de grondvoorwaarde dat beide ouders gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België hebben gehad. A.3.1. Volgens de appellanten voor het verwijzende rechtscollege roept artikel 11bis van het WBN een verschil in behandeling in het leven tussen, enerzijds, een ouder die « niet meer » in België verblijft, die toegelaten wordt om via toestemming de nationaliteitsverklaring mogelijk te maken en, anderzijds, een ouder die nooit zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad maar er wel aanwezig is, die wordt belet om via toestemming de nationaliteitsverklaring mogelijk te maken. Zij zijn van oordeel dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor dat verschil in behandeling. Zij wijzen erop dat beide categorieën van ouders niet wettelijk zijn ingeschreven in België en dat zij beiden een feitelijke band kunnen hebben behouden met België en hun kinderen. De uitsluiting van de ouders die in het verleden nooit werden ingeschreven in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister 4 in België, is volgens hen niet in verhouding met het nagestreefde doel van het verkrijgen van de nationaliteit door het kind. De letterlijke toepassing van het wetsartikel gaat volgens hen bovendien in tegen de ratio legis ervan. Een interpretatie van dat artikel die verhindert dat een kind de Belgische nationaliteit verkrijgt louter wegens de administratieve status van één ouder, is volgens hen niet in overeenstemming met de internationale bepalingen die het belang van het kind vooropstellen. A.3.2. De eerste prejudiciële vraag dient volgens de appellanten voor het verwijzende rechtscollege bevestigend te worden beantwoord, daar de in het geding zijnde bepaling een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, de situaties waarin beide ouders in België verblijven, waarbij wordt vereist dat zij beiden voldoen aan de voorwaarde betreffende het hoofdverblijf in België en, anderzijds, de situaties waarin een van de ouders niet langer zijn hoofdverblijfplaats in België heeft, waarbij slechts een van de ouders moet voldoen aan de voormelde voorwaarde. Zij wijzen erop dat in beide situaties het verkrijgen van de nationaliteit door een in België geboren en legaal verblijvend kind wordt beoogd. Een strikte toepassing van artikel 11bis, § 1, van het WBN houdt volgens hen geen rekening met de realiteit van gezinsstructuren en migratiesituaties en heeft als resultaat dat de minderjarige wordt benadeeld om redenen die louter te maken hebben met de administratieve situatie van hun ouders, wat volgens hen disproportioneel is. A.4. Ook de tweede prejudiciële vraag dient volgens de appellanten voor het verwijzende rechtscollege bevestigend te worden beantwoord, daar artikel 11bis, § 2, van het WBN gelijke situaties ongelijk behandelt : enerzijds kan een ouder die zijn hoofdverblijfplaats « niet meer » in België heeft, toestemmen in de nationaliteitsverklaring van de andere ouder; anderzijds kan een ouder die nooit officieel zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad maar wel feitelijk verblijft op het grondgebied van België, niet toestemmen in de nationaliteitsverklaring van de andere ouder. Volgens hen bevinden beide categorieën van ouders zich op het ogenblik van de nationaliteitsverklaring in een gelijke situatie, daar zij beiden op dat ogenblik niet zijn ingeschreven in België. De administratieve situatie van die ouders is dan ook geen relevant criterium voor de toekenning van de Belgische nationaliteit aan het kind. De uitsluiting gebaseerd op het ontbreken van een vroegere inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister in België miskent volgens hen het feit dat ook ouders zonder officiële hoofdverblijfplaats een affectieve en feitelijke band met hun kind en met België kunnen hebben. De in het geding zijnde bepaling leidt volgens hen tot een onredelijke benadeling van het kind, in strijd met de internationale bepalingen die het belang van het kind vooropstellen. -B- B.1. De prejudiciële vragen in de zaken nrs. 8437, 8438 en 8439 hebben betrekking op de voorwaarden waaronder de Belgische nationaliteit kan worden toegekend aan een minderjarig kind dat in België is geboren, door middel van een verklaring van de ouders of de adoptanten van dat kind voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de hoofdverblijfplaats van het kind. B.2. Artikel 11bis, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (hierna : het WBN) bepaalt : « § 1. Is Belg ingevolge een verklaring afgelegd door de ouders of adoptanten, het kind in België geboren en dat sinds zijn geboorte zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en dit voor zover de ouders of de adoptanten :
- a)een verklaring afleggen voor het kind de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt; 5
- b)en gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België hebben gehad;
- c)en minstens een van hen op het ogenblik van de verklaring toegelaten of gemachtigd is om voor onbeperkte duur in België te verblijven. § 2. De in de eerste paragraaf bedoelde verklaring wordt door beide ouders gezamenlijk afgelegd wanneer de afstamming van het kind ten aanzien van beiden vaststaat. Bij adoptie door twee personen wordt deze verklaring door de twee adoptanten gezamenlijk afgelegd. De verklaring van één ouder of adoptant volstaat indien de andere ouder of adoptant :
- a)overleden is;
- b)of in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven;
- c)of afwezig is verklaard;
- d)of zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt. De verklaring door één ouder of adoptant volstaat eveneens indien :
- a)de afstamming van het kind slechts ten aanzien van een van zijn ouders vaststaat;
- b)of als het kind slechts door één persoon is geadopteerd, tenzij de adoptant de echtgenoot is van de ouder, in welk geval de verklaring door beide belanghebbenden wordt afgelegd ». B.3. Met de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel 11bis, § 1, b), van het WBN bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het vereist, opdat een in België geboren kind de Belgische nationaliteit kan verkrijgen, dat de voorwaarde van het hebben van zijn hoofdverblijfplaats in België gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring, door beide ouders of adoptanten wordt vervuld, terwijl artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van datzelfde Wetboek diezelfde voorwaarde inzake de hoofdverblijfplaats alleen vereist voor een van de ouders of adoptanten wanneer de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar toestemt in de toekenning van de Belgische nationaliteit. Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de verklaring van één ouder of adoptant volstaat indien de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt, terwijl niet is voorzien in een gelijkaardige mogelijkheid indien de andere 6 ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats nooit in België heeft gehad en illegaal in België verblijft. B.4. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vragen berusten op een verkeerde lezing van artikel 11bis, §§ 1 en 2, van het WBN. Hij doet gelden dat artikel 11bis, § 1, van het WBN de grondvoorwaarden vastlegt waaronder de nationaliteitsverklaring kan worden afgelegd en dat artikel 11bis, § 2, bepaalt wie de verklaring voor het minderjarige kind kan afleggen. Artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN voorziet volgens hem louter in een uitzondering op de in artikel 11bis, § 2, eerste lid, vervatte regel volgens welke de verklaring door beide ouders of adoptanten gezamenlijk moet worden wordt afgelegd, uitzondering die geldt wanneer één ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft. Die bepaling doet volgens hem geen afbreuk aan het feit dat de grondvoorwaarde van het hebben van zijn hoofdverblijfplaats in België gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring, vervat in artikel 11bis, § 1, b), van het WBN, door beide ouders of adoptanten vervuld moet zijn. B.5. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de bepalingen die het toepast, te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen. B.6.1. Volgens artikel 11bis, §§ 1 en 3, van het WBN kunnen de ouders of adoptanten voor hun kind dat in België is geboren en sinds zijn geboorte zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad, met het oog op de toekenning van de Belgische nationaliteit aan dat kind, een verklaring afleggen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand vóór dat kind de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, op voorwaarde, onder meer, dat die ouders of adoptanten gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België hebben gehad. Onder hoofdverblijfplaats dient te worden begrepen : de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister (artikel 1, § 2, 1°, van het WBN). Volgens artikel 7bis van het WBN moet de hoofdverblijfplaats in België zijn gevestigd op grond van een wettig verblijf, zowel op het ogenblik van het indienen van de verklaring als gedurende de onmiddellijk daaraan voorafgaande periode. Volgens diezelfde bepaling dienen zowel het wettig verblijf als het hoofdverblijf ononderbroken te zijn. 7 Volgens artikel 11bis, § 2, eerste lid, van het WBN moet de voormelde verklaring gezamenlijk worden afgelegd door beide ouders wanneer de afstamming van het kind ten aanzien van beiden vaststaat en door beide adoptanten wanneer het kind is geadopteerd door twee personen. B.6.2. Daaruit volgt dat wanneer het kind twee ouders of adoptanten heeft, die ouders of adoptanten de verklaring in beginsel gezamenlijk dienen af te leggen en beide ouders of adoptanten dienen te voldoen aan de voorwaarde van het hebben van zijn hoofdverblijfplaats in België gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring. B.6.3. Artikel 11bis, § 2, tweede en derde lid, van het WBN voorziet evenwel in uitzonderingen op het in het eerste lid van die bepaling vervatte voorschrift betreffende het gezamenlijk afleggen van de verklaring. Artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN bepaalt dat de verklaring van één ouder of adoptant volstaat indien de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt. B.6.4. Hoewel artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN is geformuleerd als een uitzondering op het in het eerste lid van die bepaling vervatte voorschrift betreffende het gezamenlijk afleggen van de verklaring door de ouders of adoptanten, kan niet ervan worden uitgegaan dat de wetgever die bepaling niet eveneens heeft opgevat als een uitzondering op de in artikel 11bis, § 1, b), van het WBN vervatte voorwaarde dat beide ouders of adoptanten gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België hebben gehad. Immers, indien die bepaling zo zou dienen te worden geïnterpreteerd, zoals de Ministerraad aanvoert, dat ze enkel voorschrijft wie de verklaring dient af te leggen, zonder te raken aan de voorwaarde dat beide ouders of adoptanten gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België moeten hebben gehad, dan zou die bepaling inhoudsloos zijn. Een ouder of adoptant die op het ogenblik van het afleggen van de verklaring zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, zoals bedoeld in artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN, voldoet immers per definitie niet aan de in artikel 11bis, § 1, b), vervatte voorwaarde van het hebben van zijn hoofdverblijfplaats in België gedurende de tien jaren 8 voorafgaand aan de verklaring. Er kan niet van worden uitgegaan dat de wetgever in artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN heeft willen voorzien in een uitzonderingsregeling die, wegens de voorwaarde vervat in artikel 11bis, § 1, b), geen toepassing kan vinden. B.6.5. In zoverre de prejudiciële vragen ervan uitgaan dat het in de in artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN omschreven situatie volstaat dat een van de ouders of adoptanten voldoet aan de in artikel 11bis, § 1, b), vervatte voorwaarde van het hebben van zijn hoofdverblijfplaats in België gedurende de tien jaren voorafgaand aan de nationaliteitsverklaring, berusten zij niet op een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen. B.7. Gelet op hun inhoudelijke samenhang, onderzoekt het Hof beide prejudiciële vragen samen. B.8. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.9. Artikel 11bis, §§ 1 en 2, van het WBN roept, op het vlak van de voorwaarde van het hebben van zijn hoofdverblijfplaats in België gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring, verschillen in behandeling in het leven onder ouders of adoptanten die voor hun minderjarig kind een nationaliteitsverklaring wensen af te leggen, naar gelang op het ogenblik van het afleggen van die verklaring : 9 - beide ouders of adoptanten hun hoofdverblijfplaats in België hebben; - een van de ouders of adoptanten zijn hoofdverblijfplaats in België heeft, waarbij de andere ouder of adoptant in het verleden zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad, maar dat niet meer heeft op het ogenblik van het afleggen van de verklaring; of - een van de ouders of adoptanten zijn hoofdverblijfplaats in België heeft waarbij de andere ouder of adoptant nooit zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad. Terwijl in de tweede situatie slechts een van de ouders of adoptanten dient te voldoen aan de voorwaarde betreffende het hebben van zijn hoofdverblijfplaats in België gedurende de tien jaren voorafgaand aan de nationaliteitsverklaring, geldt die voorwaarde in de andere situaties voor beide ouders of adoptanten. B.10. De voormelde verschillen in behandeling berusten op objectieve criteria, meer bepaald de verblijfsrechtelijke situatie van de ouders of de adoptanten op het ogenblik van het afleggen van de nationaliteitsverklaring en in het verleden. B.11.1. De in het geding zijnde bepaling gaat terug op artikel 2 van de wet van 13 juni 1991 « tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de artikelen 569 en 628 van het Gerechtelijk Wetboek » (hierna : de wet van 13 juni 1991). De parlementaire voorbereiding van die wet vermeldt : « Wat betreft de tweede generatie moet men met de Koninklijk Commissaris beschouwen (Vol. III, p. 321) dat enerzijds er nog niet noodzakelijk voldoende nauwe banden met de Belgische samenleving zijn om de Belgische nationaliteit op te leggen (de ‘ nieuwkomers ’ kunnen slechts kort voor de geboorte in België aangekomen zijn; het is niet zeker of ze, met hun kinderen, definitief in België zullen blijven, …); anderzijds moet aan hun kinderen indien ze definitief in België willen blijven, de mogelijkheid worden geboden om op een zo eenvoudig mogelijke wijze de Belgische nationaliteit te verwerven, met het oog op hun integratie. Om deze redenen wordt, in het wetsontwerp, aan de ouder(s)-‘ nieuwkomers ’ de mogelijkheid gegeven om een verklaring af te leggen tot toekenning van de Belgische nationaliteit aan hun in België geboren kind, voor dit kind 12 jaar wordt (cfr. de verklaring thans voorzien in art. 11 WBN). 10 Om te waarborgen dat tussen het kind en de Belgische samenleving een voldoende nauwe band bestaat wordt voorzien dat de verklaring enkel kan worden afgelegd indien de ouders gedurende de tien voorafgaande jaren, en het kind, sedert zijn geboorte, hun hoofdverblijf in België hebben gehad. […] […] Artikel 2 betreft de nieuwe procedure van verwerving van de Belgische nationaliteit door het in België geboren kind van de tweede generatie door verklaring afgelegd door de ouders of adoptanten. […] Paragraaf 1 bepaalt de voorwaarden waaronder de verklaring kan worden afgelegd. Paragraaf 2 regelt wie de verklaring voor het kind kan afleggen. In de verschillende gevallen waarin in het Wetboek het kind door verklaring van toekenning de Belgische nationaliteit kan verwerven volstaat de verklaring van één ouder. Het gaat dan om de Belgische ouder of de ouder die in België geboren is (artikel 11 dat thans wordt vervangen). In dit geval bestaat zulke aanknopingsfactor niet. Vermits het hier een belangrijke handeling betreffende de staat van de persoon betreft, wordt het wenselijk geacht, zoals bij huwelijk en adoptie, in principe de gezamenlijke verklaring van beide ouders te eisen. Op die manier wordt ook vermeden dat een ouder optreedt tegen de wil in van de andere » (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1314/1, pp. 4-6). B.11.2. De regel die geldt voor de situatie waarin een ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt, werd in de wet van 13 juni 1991 opgenomen ingevolge een amendement, dat werd toegelicht als volgt : « Er moet worden voorzien in de mogelijkheid om de verklaring af te leggen wanneer een van de ouders of adoptanten zijn hoofdverblijf niet meer in België heeft en zijn adres in het buitenland bekend is » (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1314/5, p. 2). Met betrekking tot die regel vermeldt de parlementaire voorbereiding voorts : « Een lid constateert dat in § 2, tweede lid, van amendement nr. 23 gesteld wordt dat indien één der ouders of adoptanten niet langer zijn hoofdverblijf in België heeft maar ermee instemt dat aan het kind de Belgische nationaliteit toegekend wordt, de verklaring van de andere ouder of adoptant volstaat. De Minister wijst erop dat degene die geen hoofdverblijf in België meer heeft, een akte moet bezorgen waarin hij zijn toestemming geeft. Dat betekent dat de betrokkene dus niet voor de ambtenaar van de burgerlijke stand moet verschijnen om er de desbetreffende verklaring af te leggen, aangezien een van de ouders dat in beider naam mag doen. 11 In de onderstelling dat degene die in het buitenland vertoeft zou weigeren, kan de andere ouder nog altijd beroep instellen maar in dat geval moet hij voor de rechtbank gaan bepleiten dat de weigering van degene die in het buitenland verblijft een misbruik is » (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1314/7, p. 32). B.12. Uit de voormelde uittreksels uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juni 1991 blijkt dat de wetgever met betrekking tot de in artikel 11bis, § 1, b), en § 2, eerste lid en tweede lid, d), van het WBN vervatte voorwaarden in essentie twee doelstellingen heeft nagestreefd. Enerzijds heeft de wetgever willen voorkomen dat een ouder of adoptant een nationaliteitsverklaring zou afleggen tegen de wil in van de andere ouder of adoptant. Anderzijds heeft hij willen waarborgen dat de Belgische nationaliteit slechts aan een minderjarig kind wordt toegekend wanneer er sprake is van een voldoende nauwe band met de Belgische samenleving. Beide doelstellingen zijn legitiem. B.13.1. Ten aanzien van de doelstelling te voorkomen dat een ouder of adoptant een nationaliteitsverklaring aflegt tegen de wil in van de andere ouder of adoptant, is het pertinent te vereisen dat beide ouders of adoptanten de verklaring gezamenlijk afleggen, dan wel dat de ouder of adoptant die de verklaring niet aflegt in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt. B.13.2. De wetgever vermocht daarbij ervan uit te gaan dat wanneer een van de ouders of adoptanten op het ogenblik van het afleggen van de nationaliteitsverklaring zijn hoofdverblijfplaats niet in België heeft, die ouder of adoptant in een situatie verkeert die het hem praktisch moeilijk maakt om de nationaliteitsverklaring gezamenlijk met de andere ouder of adoptant in België af te leggen, wat niet het geval is wanneer beide ouders of adoptanten op dat ogenblik hun hoofdverblijfplaats in België hebben. In zoverre de nationaliteitsverklaring in de ene situatie (de situatie waarin beide ouders of adoptanten hun hoofdverblijfplaats in België hebben) door beide ouders of adoptanten 12 gezamenlijk dient te worden afgelegd en in de andere situatie (de situatie waarin een van de ouders of adoptanten niet zijn hoofdverblijfplaats in België heeft) door een van de ouders of adoptanten waarbij de andere ouder of adoptant dient toe te stemmen in de toekenning van de Belgische nationaliteit aan het minderjarige kind, roept artikel 11bis, § 2, van het WBN een verschil in behandeling in het leven dat niet zonder redelijke verantwoording is. B.14.1. Ten aanzien van de doelstelling te waarborgen dat de Belgische nationaliteit enkel aan een minderjarig kind wordt toegekend wanneer er sprake is van een voldoende nauwe band met de Belgische samenleving, is het in beginsel pertinent te vereisen dat het kind en diens ouders of adoptanten, dan wel een van diens ouders of adoptanten hun hoofdverblijfplaats in België hebben gehad gedurende een bepaalde periode voorafgaand aan de nationaliteitsverklaring. B.14.2. Uit de in artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN vervatte regel kan worden afgeleid dat de wetgever in essentie ervan is uitgegaan dat er sprake is van een voldoende nauwe band met de Belgische samenleving wanneer een van de ouders of de adoptanten, samen met het kind, voldoet aan de in artikel 11bis, § 1, omschreven verblijfsvoorwaarden. Artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN brengt immers met zich mee dat wanneer een van de ouders of de adoptanten zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, het volstaat dat de andere ouder of adoptant en het kind voldoen aan de in artikel 11bis, § 1, vervatte verblijfsvoorwaarden. B.14.3. De in artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN vervatte regel is weliswaar enkel van toepassing wanneer een van de ouders of adoptanten zijn hoofdverblijfplaats « niet meer » in België heeft, wat impliceert dat die ouder of adoptant in het verleden gedurende een niet nader door de wet omschreven periode en op een niet nader door de wet omschreven tijdstip zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad. Daar geen vereisten worden gesteld aan de periode gedurende welke de betrokken ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats in België moet hebben gehad, dient ook een korte periode in aanmerking te worden genomen voor de toepassing van artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN. Daar geen vereisten worden gesteld aan het tijdstip waarop de betrokken ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats in België moet hebben gehad, kan dat tijdstip zich ook situeren in een minder recent verleden. 13 B.14.4. Er valt niet in te zien om welke redenen de omstandigheid dat een van de ouders of adoptanten in het verleden, in voorkomend geval gedurende een zeer korte periode, zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad, maar die hoofdverblijfplaats er ondertussen, in voorkomend geval sinds lange tijd en voorgoed, niet meer heeft, in aanmerking dient te worden genomen om de voldoende nauwe band van het minderjarige kind met de Belgische samenleving te beoordelen wanneer de andere ouder of adoptant voldoet aan de in artikel 11bis, § 1, b), van het WBN vervatte verblijfsvoorwaarde. B.14.5. Hoewel het door artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN in het leven geroepen verschil in behandeling, naargelang een van de ouders of adoptanten zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, dan wel nooit heeft gehad, berust op een objectief criterium, is het niet pertinent ten aanzien van de doelstelling te waarborgen dat er een voldoende nauwe band tussen het minderjarig kind en de Belgische samenleving bestaat. B.14.6. Ten aanzien van het door de wetgever opgevatte concept van een voldoende nauwe band met de Belgische samenleving, zoals omschreven in B.14.2, en rekening houdend met het belang van het kind is het evenmin pertinent om voor de ouders of de adoptanten die op het ogenblik van het afleggen van de verklaring beiden hun hoofdverblijfplaats in België hebben, te vereisen dat zij beiden voldoen aan de voorwaarde betreffende het hebben van zijn hoofdverblijfplaats in België gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring, terwijl als een van de ouders of de adoptanten zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, het volstaat dat de andere ouder of adoptant voldoet aan die voorwaarde. Er kan immers niet van worden uitgegaan dat de band met de Belgische samenleving van een ouder of een adoptant die in het verleden gedurende een niet nader door de wet omschreven periode zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad, maar dat niet meer heeft op het ogenblik dat de nationaliteitsverklaring wordt afgelegd, nauwer is dan de band met die samenleving van een ouder of een adoptant die zijn hoofdverblijfplaats wel in België heeft op het ogenblik van het afleggen van de verklaring. B.15. Uit het voorgaande volgt dat artikel 11bis, § 1, b), van het WBN niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het vereist, opdat een in België geboren kind de Belgische nationaliteit kan verkrijgen, dat de voorwaarde van het hebben van zijn 14 hoofdverblijfplaats in België gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring door beide ouders of adoptanten wordt vervuld, terwijl artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN diezelfde voorwaarde inzake de hoofdverblijfplaats alleen vereist voor een van de ouders of adoptanten wanneer de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar toestemt in de toekenning van de Belgische nationaliteit. Uit het voorgaande volgt eveneens dat artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het WBN niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de verklaring van één ouder of adoptant die voldoet aan de in artikel 11bis, § 1, b), van het WBN omschreven verblijfsvoorwaarde, volstaat indien de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft en in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt, terwijl niet is voorzien in een gelijkaardige mogelijkheid indien de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats nooit in België heeft gehad. 15 Om die redenen, Het Hof zegt voor recht : - Artikel 11bis, § 1, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het vereist, opdat een in België geboren kind de Belgische nationaliteit kan verkrijgen, dat de voorwaarde van het hebben van zijn hoofdverblijfplaats in België gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring door beide ouders of adoptanten wordt vervuld, terwijl artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van datzelfde Wetboek diezelfde voorwaarde inzake de hoofdverblijfplaats alleen vereist voor een van de ouders of adoptanten wanneer de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar toestemt in de toekenning van de Belgische nationaliteit. - Artikel 11bis, § 2, tweede lid, d), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de verklaring van één ouder of adoptant die voldoet aan de in artikel 11bis, § 1, b), van datzelfde Wetboek omschreven verblijfsvoorwaarde volstaat indien de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft en in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt, terwijl niet is voorzien in een gelijkaardige mogelijkheid indien de andere ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats nooit in België heeft gehad. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 januari 2026. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.012 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div