id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.014 Arrest- Rolnummer: 14/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-02-09 Raadplegingen: 901 - laatst gezien 2026-06-18 08:39 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikel 60, tweede lid, van het nieuw Strafwetboek, zoals ingevoerd bij de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek ») - Vernietiging (din artikel 547 van het nieuw Strafwetboek, zoals ingevoerd bij de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek II van het Strafwetboek », de woorden « of de goede zeden ») - Vernietiging (artikel 586 van het nieuw Strafwetboek, zoals ingevoerd bij de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek II van het Strafwetboek ») - Vernietiging (artikel 71 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis ») - Verwerping voor het overige (, rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.67.1 tot B.67.7, in B.84.1 tot B.85 en in B.93.2 en B.93.3) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging : - van boek I van het (nieuw) Strafwetboek, zoals ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains »; - van boek II van het (nieuw) Strafwetboek, zoals ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek II van het Strafwetboek », ingesteld door de vzw « Greenpeace Belgium » en anderen, door de beroepsvereniging « Association des Journalistes professionnels » en anderen en door de vzw « Ligue des droits humains »; - van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis », ingesteld door de beroepsvereniging « Association des Journalistes professionnels » en anderen. Strafrecht - Nieuw Strafwetboek - Behandeling onder vrijheidsberoving - Herhaling - Kwaadwillige aantasting van het overheidsgezag - Verheerlijking van terrorisme - Majesteitsschennis - Misdrijven met betrekking tot staatsgeheimen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 14/2026 van 29 januari 2026 Rolnummers : 8328, 8329, 8339, 8340 en 8341 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging : - van boek I van het (nieuw) Strafwetboek, zoals ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains »; - van boek II van het (nieuw) Strafwetboek, zoals ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek II van het Strafwetboek », ingesteld door de vzw « Greenpeace Belgium » en anderen, door de beroepsvereniging « Association des Journalistes professionnels » en anderen en door de vzw « Ligue des droits humains »; - van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis », ingesteld door de beroepsvereniging « Association des Journalistes professionnels » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 september 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 september 2024, heeft de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Olivia Venet en mr. Anthony Rizzo, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van boek I van het (nieuw) Strafwetboek, zoals ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 april 2024). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 september 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 september 2024, is beroep tot gedeeltelijke 2 vernietiging van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 maart 2024, erratum in het Belgisch Staatsblad van 4 april 2024) ingesteld door de beroepsvereniging « Association des Journalistes professionnels », de beroepsvereniging « Vlaamse Vereniging van Journalisten » en de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Olivia Venet en mr. Anthony Rizzo. c. Bij drie verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 4 oktober 2024 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 7 oktober 2024, zijn beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van boek II van het (nieuw) Strafwetboek, zoals ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek II van het Strafwetboek », (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 april 2024), ingesteld respectievelijk door de vzw « Greenpeace Belgium », het Algemeen Christelijk Vakverbond van België, het Algemeen Belgisch Vakverbond, de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België, de vzw « Ligue des droits humains », de vzw « Liga voor Mensenrechten », de vzw « Amnesty International Vlaanderen » en de vzw « Amnesty International Belgique francophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Olivia Venet, mr. Eva Sierra, advocate bij de balie te Brussel, en mr. Anthony Rizzo, door de beroepsvereniging « Association des Journalistes professionnels », de beroepsvereniging « Vlaamse Vereniging van Journalisten » en de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Olivia Venet en mr. Anthony Rizzo, en door de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Olivia Venet en mr. Anthony Rizzo. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8328, 8329, 8339, 8340 en 8341 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled, mr. Baptiste Appaerts, mr. Lise-Marie Hennau en mr. My-Vân Lam, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 4 juni 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist : - dat de zaken nog niet in gereedheid konden worden verklaard; - de partijen te verzoeken voorafgaandelijk de volgende vragen te beantwoorden door middel van een aanvullende memorie, met in voorkomend geval elk nuttig document, in te dienen bij ter post aangetekende brief binnen 30 dagen na ontvangst van die beschikking, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be, en binnen dezelfde termijn mee te delen aan de andere partij : « In de zaak nr. 8329 vorderen de verzoekende partijen de vernietiging van artikel 66 en van de artikelen 68 en 71 van de wet van 28 maart 2024 ‘ houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis ’, die respectievelijk de artikelen 112/1, 119 en 120 van het Strafwetboek van 1867 invoegt en vervangen. 3 In de zaak nr. 8340 vorderen dezelfde verzoekende partijen de vernietiging van de artikelen 564, 3°, 582 en 586 van het nieuw Strafwetboek, zoals ingevoerd bij de wet van 29 februari 2024 ‘ tot invoering van boek II van het Strafwetboek ’. In zijn procedurestukken betoogt de Ministerraad, enerzijds, dat het misdrijf bedoeld in artikel 119 van het Strafwetboek van 1867 en in artikel 582 van het nieuw Strafwetboek een bijzonder opzet vereist en, anderzijds, dat het misdrijf bedoeld in artikel 120 van het Strafwetboek van 1867 en in artikel 586 van het nieuw Strafwetboek een algemeen opzet vereist. De partijen worden uitgenodigd om de volgende vragen te beantwoorden : 1. Ingeval een persoon die in het bezit is van een staatsgeheim, dat staatsgeheim aan een onbevoegde persoon overdraagt : a) Pleegt de persoon die het staatsgeheim overdraagt, enkel het misdrijf bedoeld in artikel 119 van het Strafwetboek van 1867 en in artikel 582 van het nieuw Strafwetboek wanneer hij wordt gedreven door een bijzonder opzet bestaande in het oogmerk om afbreuk te doen aan de essentiële belangen van België of van een Staat waarmee België met het oog op een gemeenschappelijke verdediging door een internationale overeenkomst is verbonden ? b) Pleegt de onbevoegde persoon die het staatsgeheim ontvangt, enkel het misdrijf bedoeld in artikel 120 van het Strafwetboek van 1867 en in artikel 586 van het nieuw Strafwetboek wanneer hij door een algemeen opzet wordt gedreven ? Zo ja, wat houdt die vereiste van algemeen opzet in ? Houdt die vereiste van algemeen opzet in het bijzonder in : - de aan het ontvangen voorafgaande kennis dat de betreffende inlichting een staatsgeheim is ? - het oogmerk om afbreuk te doen aan de essentiële belangen van België of een Staat waarmee België met het oog op een gemeenschappelijke verdediging door een internationale overeenkomst is verbonden ? 2. Indien u van mening bent dat het misdrijf bedoeld in artikel 119 van het Strafwetboek van 1867 en in artikel 582 van het nieuw Strafwetboek vereist dat er een oogmerk is om afbreuk te doen aan de essentiële belangen van België of van een Staat waarmee België met het oog op een gemeenschappelijke verdediging door een internationale overeenkomst is verbonden (cfr. eerste vraag, a)) en dat het misdrijf bedoeld in artikel 120 van het Strafwetboek van 1867 en in artikel 586 van het nieuw Strafwetboek niet vereist dat er sprake is van een dergelijk oogmerk (cfr. eerste vraag, b), laatste streepje), bestaan er dan redenen waarom de respectievelijke morele bestanddelen van die misdrijven niet identiek zijn en, zo ja, welke redenen ? ». Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340; - de Ministerraad. 4 Bij beschikking van 24 september 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 8 oktober 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 12 november 2025. Bij beschikking van 15 oktober 2025, heeft het Hof, op vraag van de raadslieden van de verzoekende partijen, de zaken verdaagd naar de terechtzitting van 26 november 2025. Op de openbare terechtzitting van 26 november 2025 : - zijn verschenen : . mr. Anthony Rizzo, voor de verzoekende partijen; . mr. Nicolas Bonbled en mr. My-Vân Lam, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen A.1.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 doet gelden dat zij doet blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de artikelen 42 en 60 van het nieuw Strafwetboek, zoals ingevoerd bij de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek », die respectievelijk betrekking hebben op de nieuwe straf van behandeling onder vrijheidsberoving en de herhaling. Zij betoogt dat zij haar statutair doel nastreeft door zich te verzetten tegen een aantasting van het door haar verdedigde collectieve belang. A.1.2. In de zaak nr. 8328 werpt de Ministerraad geen exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op. A.2.1. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 zetten uiteen dat zij respectievelijk beroepsverenigingen zijn die journalisten vertegenwoordigen (eerste en tweede verzoekende partij) en een vereniging die de grondrechten verdedigt (derde verzoekende partij). Zij voeren aan dat zij doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van de volgende bepalingen :
(1)artikel 66 en de artikelen 68 en 5 71 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (hierna : de wet van 28 maart 2024), die respectievelijk de artikelen 112/1, 119 en 120 van het Strafwetboek van 1867 invoegen en vervangen (zaak nr. 8329), en
(2)de artikelen 564, 3°, 582 en 586 van het nieuw Strafwetboek, zoals ingevoerd bij de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek II van het Strafwetboek » (zaak nr. 8340). Zij betogen dat de bestreden bepalingen het begrip « staatsgeheim » en de strafrechtelijke sfeer inzake bestraffing op dat gebied uitbreiden. A.2.
- De Ministerraad voert aan dat de beroepen in de zaken nrs. 8329 en 8340 onontvankelijk zijn in zoverre zij zijn gericht tegen artikel 66 van de wet van 28 maart 2024, dat artikel 112/1 van het Strafwetboek van 1867 invoegt (zaak nr. 8329), en tegen artikel 564, 3°, van het nieuw Strafwetboek (zaak nr. 8340). Ten eerste doet hij gelden dat de verzoekende partijen niet doen blijken van een belang bij de vernietiging van die bepalingen, die zijn beperkt tot het omschrijven van het begrip « staatsgeheim » en dus geen normatieve draagwijdte hebben. Ten tweede betoogt hij dat een bepaling zonder normatieve draagwijdte geen « wet » waartegen beroep kan worden ingesteld voor het Hof. A.2.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 antwoorden dat het Hof bevoegd is om uitspraak te doen over de grondwettigheid van de wetsbepalingen, ook die welke geen normatieve inhoud hebben. Volgens hen zou de redenering van de Ministerraad tot gevolg hebben dat het begrip « staatsgeheim » niet zou kunnen worden onderworpen aan een grondwettigheidstoets. Nog volgens hen wordt dat begrip in de nieuwe definitie in artikel 112/1 van het Strafwetboek van 1867 en in artikel 564, 3°, van het nieuw Strafwetboek aanzienlijk uitgebreid. Tot slot betogen zij dat de artikelen 119 en 120 van het Strafwetboek van 1867 en de artikelen 582 en 586 van het nieuw Strafwetboek naar die definitie verwijzen en dus intrinsiek daarmee verbonden zijn. A.2.
- De Ministerraad repliceert dat artikel 112/1 van het Strafwetboek van 1867 en artikel 564, 3°, van het nieuw Strafwetboek noch in een strafbaarstelling, noch in een strafrechtelijke sanctie, noch in rechten of verplichtingen voorzien en dat die bepalingen op zich alleen geen afbreuk kunnen doen aan de door de verzoekende partijen aangevoerde grondrechten. Hij voegt eraan toe dat de definitie van het begrip « staatsgeheim » niet aan elke rechterlijke controle wordt onttrokken, daar de artikelen 119 en 120 van het Strafwetboek van 1867, alsook de artikelen 582 en 586 van het nieuw Strafwetboek, waarin naar die definitie wordt verwezen, wel degelijk een normatieve inhoud hebben. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8339 zetten uiteen dat het respectievelijk gaat om een vereniging die de vrijheid van meningsuiting, de betogingsvrijheid en de vrijheid van vereniging verdedigt (eerste verzoekende partij), vakbonden (tweede tot vierde verzoekende partij) en verenigingen die de grondrechten verdedigen (vijfde tot achtste verzoekende partij). Zij voeren aan dat zij doen blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van artikel 547 van het nieuw Strafwetboek, zoals ingevoerd bij de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek II van het Strafwetboek », waarin kwaadwillige aantasting van het overheidsgezag strafbaar wordt gesteld. A.3.
- In de zaak nr. 8339 werpt de Ministerraad geen enkele exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op. A.4.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8341 voert aan dat zij doet blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de artikelen 376 en 561 van het nieuw Strafwetboek, zoals ingevoerd bij de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek II van het Strafwetboek ». Zij betoogt dat de bestreden bepalingen in misdrijven (respectievelijk de verheerlijking van terrorisme en majesteitsschennis) voorzien waarvan de wettigheid wordt betwist en waarbij afbreuk zou kunnen worden gedaan aan de grondrechten. A.4.
- In de zaak nr. 8341 betoogt de Ministerraad dat het beroep onontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op artikel 376, eerste lid, van het nieuw Strafwetboek, aangezien geen enkele grief is gericht tegen het in dat lid bedoelde misdrijf van aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven. A.4.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8341 bevestigt dat, wat artikel 376 van het nieuw Strafwetboek betreft, haar beroep enkel betrekking heeft op het misdrijf van verheerlijking van terrorisme. 6 Ten aanzien van de behandeling onder vrijheidsberoving (eerste, tweede en derde middel in de zaak nr. 8328) Wat betreft het recht op persoonlijke vrijheid en het beginsel van de wettigheid van de straffen (eerste middel in de zaak nr. 8328) A.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 leidt een eerste middel af uit de schending, door artikel 42 van het nieuw Strafwetboek, van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 6 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het middel wordt opgesplitst in twee onderdelen. Eerste onderdeel A.6.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 bekritiseert het gebrek aan precisie van de bestreden bepaling. Zij beklemtoont dat de bestreden bepaling ertoe strekt te worden toegepast op de dader die verminderd toerekeningsvatbaar is, in zoverre hij lijdt aan « een psychiatrische aandoening […] die niet dermate ernstig is dat die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet, maar waardoor hij een ernstig gevaar vormt voor andermans leven of integriteit » (artikel 42, § 1, eerste lid, van het nieuw Strafwetboek). Zij merkt op dat de wetgever dat begrip niet nader heeft omschreven en de criteria op basis waarvan de rechter moet bepalen of er sprake is van een dergelijke ernstige psychiatrische aandoening, niet heeft vastgesteld. Bovendien vermeldt de wetgever niet hoe dat begrip moet worden onderscheiden van het begrip « geestesstoornis » waardoor het oordeelsvermogen of de controle over daden wordt tenietgedaan, begrip waarop artikel 25 van het nieuw Strafwetboek betrekking heeft en dat de strafrechtelijke onverantwoordelijkheid en in voorkomend geval de internering van de betrokken persoon teweegbrengt. Volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 8328 heeft de wetgever aldus niet op nauwkeurige wijze onderscheid gemaakt tussen, enerzijds, de verminderde toerekeningsvatbaarheid, die aanleiding kan geven tot een straf van behandeling onder vrijheidsberoving, en, anderzijds, de strafrechtelijke onverantwoordelijkheid, waardoor de uitspraak van een straf wordt uitgesloten. Zij besluit daaruit dat de bestreden bepaling het beginsel van de wettigheid van de straffen en het recht op persoonlijke vrijheid schendt. A.6.
- De Ministerraad betoogt dat het middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van het Handvest, aangezien de bestreden bepaling geen toepassing van het Unierecht vormt. Ten gronde verwijst de Ministerraad naar de parlementaire voorbereiding en naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Hij merkt op dat de straf van behandeling onder vrijheidsberoving is voorbehouden aan de personen die lijden aan een psychiatrische aandoening waardoor zij, hoewel hun oordeelsvermogen of de controle over hun daden niet erdoor wordt tenietgedaan, een ernstig gevaar vormen voor andermans leven of integriteit. Volgens hem is die maatregel enkel van toepassing op personen op wie vroeger dezelfde straffen werden toegepast als op de personen die in het bezit zijn van al hun geestelijke vermogens. Dankzij de bestreden bepaling krijgen die personen voortaan toegang tot een maatregel die aan hun behoeften is aangepast, zonder dat de standaardstraf een gevangenisstraf is. Hij beklemtoont dat de straf van behandeling onder vrijheidsberoving daarentegen uitgesloten is wanneer de psychiatrische aandoening het oordeelsvermogen of de controle over de daden volledig tenietdoet en dat een dergelijke situatie in voorkomend geval aanleiding kan geven tot een internering. Voorts voert de Ministerraad aan dat de ruime en evolutieve invulling van het begrip psychiatrische aandoening ertoe strekt de nodige flexibiliteit te waarborgen om aan bijzondere gevallen tegemoet te komen. Hij voegt eraan toe dat het aan de strafgerechten zal toekomen om, met de steun van wetenschappelijke deskundigen, het betreffende begrip te interpreteren. A.6.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 antwoordt dat de argumenten van de Ministerraad geen antwoord geven op de vraag over de precisering van het onderscheid tussen strafrechtelijke onverantwoordelijkheid en verminderde toerekeningsvatbaarheid. A.6.
- De Ministerraad repliceert dat aan een rechtzoekende met een psychiatrische aandoening onmogelijk kan worden gewaarborgd dat van tevoren zal kunnen worden bepaald of zijn toestand zal leiden tot zijn strafrechtelijke onverantwoordelijkheid of onder de regeling van de verminderde toerekeningsvatbaarheid zal vallen. 7 Tweede onderdeel A.7.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 merkt op dat artikel 42, § 5, van het nieuw Strafwetboek bepaalt dat, indien de persoon die tot een straf van behandeling onder vrijheidsberoving werd veroordeeld, de behandeling niet of niet meer wil volgen, indien hij de uitvoering van de behandeling onmogelijk maakt of indien hij de voorwaarden ervoor niet naleeft, hij kan worden overgeplaatst naar een penitentiaire inrichting om een vervangende gevangenisstraf uit te zitten. Zij doet gelden dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in tal van arresten met betrekking tot België heeft geoordeeld dat de behandeling van personen met geestesstoornissen in de psychiatrische afdeling van een gevangenis, artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt. Volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 8328 is de gevangenisstraf zonder specifieke behandeling van een persoon met een psychiatrische aandoening die zo ernstig is dat zij leidt tot een straf van behandeling onder vrijheidsberoving, eveneens in strijd met die verdragsbepaling, in het bijzonder gezien de positieve verplichtingen die daarin aan de Staten worden opgelegd. A.7.
- De Ministerraad is van mening dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarop de verzoekende partij wijst, niet pertinent is omdat zij uitsluitend betrekking heeft op de personen met een geestesstoornis, waardoor hun oordeelsvermogen of de controle over hun daden wordt tenietgedaan. Wat betreft de personen met een psychiatrische aandoening, waardoor hun oordeelsvermogen of de controle over hun daden niet tenietgaat, merkt de Ministerraad voorts op dat de gevangenisstraf vroeger de meest frequente straf was en dat de bestreden bepaling juist tot doel heeft dat te vermijden door in een meer aangepaste straf te voorzien. Aldus beklemtoont hij dat de straf van behandeling onder vrijheidsberoving moet plaatsvinden in een verzorgingsinrichting die door de strafuitvoeringsrechtbank wordt aangewezen. Hij merkt op dat, indien die behandeling wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden niet kan worden uitgevoerd, de strafuitvoeringsrechtbank onder bepaalde voorwaarden kan beslissen dat de vervangende gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens hem ontstaan daardoor geen onevenredige gevolgen gelet op het vervangende karakter van die straf en de toepasselijke voorwaarden, alsook op het rechtsstelsel dat tot dan steeds van toepassing was op de betrokken personen. A.7.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 antwoordt dat, ook al kan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vanzelfsprekend geen uitspraak doen over de zaken met betrekking tot de bestreden bepaling, zijn rechtspraak met betrekking tot de opsluiting van personen met een geestesstoornis – in de zin van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en niet die van het Belgisch recht – te dezen pertinent is. A.7.
- De Ministerraad repliceert dat de bestreden bepaling het juist mogelijk maakt om zorg te verlenen aan veroordeelden die vroeger die zorg niet genoten. Hij voegt eraan toe dat, zelfs indien de uitvoering van de vervangende gevangenisstraf voortvloeit uit de keuze van de veroordeelde, zulks geenszins betekent dat aan hem elke zorg of elke begeleiding tijdens zijn gevangenhouding wordt ontzegd. Wat betreft het recht op de eerbiediging van het privéleven (tweede middel in de zaak nr. 8328) A.8.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 leidt een tweede middel af uit de schending, door artikel 42 van het nieuw Strafwetboek, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 7 van het Handvest. Met verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State beklemtoont zij dat een gedwongen behandeling een inmenging vormt in het recht op de eerbiediging van het privéleven, meer in het bijzonder in het recht op fysieke integriteit. Zij doet gelden dat de bestreden bepaling tot een gedwongen behandeling leidt, aangezien die behandeling niet aan een voorafgaande toestemming is onderworpen, onder vrijheidsberoving gebeurt en het niet-naleven ervan kan worden bestraft met de uitvoering van een vervangende gevangenisstraf. Zij beklemtoont dat de volgende elementen niet voldoende precies kunnen worden bepaald op basis van de bestreden bepaling :
(1)de voorwaarden waaronder een behandeling onder vrijheidsberoving kan worden bevolen,
(2)de opleiding van de expert en de specialisatie van de dienst die ermee worden belast de rechter te adviseren,
(3)de mate waarin de rechter door dat advies is gebonden,
(4)welke behandeling concreet kan worden opgelegd,
(5)de eventuele wijziging van de behandeling tijdens de strafuitvoering,
(6)de wijze waarop de strafuitvoeringsrechtbank moet bepalen of een opsluiting de effecten van de behandeling zou tenietdoen en
(7)de eventuele toepassing van de wet van 22 augustus 2002 « betreffende de rechten van de patiënt » (hierna : de wet van 22 augustus 2002). Voorts meent zij dat de bestreden bepaling onvoldoende wordt verantwoord en onevenredig is,
(1)in zoverre zij leidt tot een vrijheidsberovende straf in plaats van een zorgmaatregel,
(2)in zoverre de behandeling niet door een gespecialiseerde arts wordt vastgelegd,
(3)in zoverre de duur van de behandeling onder vrijheidsberoving afhangt van het strafniveau dat op het gepleegde 8 misdrijf van toepassing is en niet enkel van de aard van de betreffende psychiatrische aandoening, en
(4)in zoverre wordt voorzien in een vervangende gevangenisstraf waarvan de tenuitvoerlegging niet door een procedure met een nieuwe evaluatie door een arts wordt voorafgegaan en die in de gevangenis wordt uitgezeten. Tot slot voert zij aan dat met de bestreden bepaling niet aan de positieve verplichting van de Staten wordt voldaan om passende maatregelen te nemen ter bescherming van het leven en de gezondheid,
(1)in zoverre die bepaling niet verduidelijkt op basis van welke criteria de strafuitvoeringsrechtbank moet bepalen of een opsluiting de effecten van de behandeling zou tenietdoen en
(2)in zoverre zij zo kan worden begrepen dat de persoon die reeds gevangen wordt gehouden en tot een straf van behandeling onder vrijheidsberoving wordt veroordeeld, zijn straf uitzit in een afdeling van de gevangenis, tot hij naar een gepaste inrichting wordt overgeplaatst. A.8.
- De Ministerraad betoogt dat het middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van het Handvest, aangezien de bestreden bepaling geen toepassing van het Unierecht vormt. Ten gronde verwijst de Ministerraad allereerst naar de in de memorie van toelichting vervatte verantwoording voor de bestreden bepaling. Voorts beklemtoont hij dat de behandeling niet manu militari kan worden gegeven tegen de wil van de veroordeelde. Aangezien de behandeling onder vrijheidsberoving reeds een alternatieve straf voor de gevangenisstraf is, is het volgens hem logisch dat, met het oog op het aanzetten tot uitvoering van die alternatieve straf, de vervangende gevangenisstraf van gelijke of zelfs langere duur is. Hij besluit daaruit dat de bestreden bepaling geen inmenging in het recht op de eerbiediging van het privéleven teweegbrengt in zoverre zij geen enkele gedwongen behandeling impliceert. De Ministerraad betoogt dat, zelfs indien de bestreden bepaling een inmenging in het recht op de eerbiediging van het privéleven zou veroorzaken, er zou moeten worden geoordeeld dat die inmenging verantwoord is. Allereerst merkt hij op dat reeds kan worden bevolen dat een medische behandeling moet worden gevolgd als voorwaarde voor een autonome probatiestraf, zonder dat de betrokken bepalingen een aantal preciseringen die de verzoekende partij te dezen zou willen, bevatten. Voorts beklemtoont hij dat de behandeling onder vrijheidsberoving slechts kan worden bevolen op gemotiveerd advies van een deskundige of een gespecialiseerde dienst, advies waarin bepaalde elementen moeten zijn vervat en waarmee de rechter op dezelfde wijze rekening moet houden als met elk deskundigenonderzoek. Hij merkt op dat de betrokkene zich eveneens kan laten onderzoeken door een arts van zijn keuze en diens advies aan de rechter kan voorleggen. Volgens hem moet de bestreden bepaling niet in detail bepalen welke behandelingen kunnen worden bevolen. Nog steeds volgens hem kan de veroordeelde worden beschouwd als een patiënt in de zin van de wet van 22 augustus 2002 en bijgevolg alle door de wet aan hem toegekende prerogatieven genieten, aangezien de behandeling als gezondheidszorg kan worden beschouwd. Ten slotte beklemtoont hij dat de procedure van inwerkingstelling van die nieuwe straf, onder meer het creëren van gespecialiseerde inrichtingen, veel tijd zal vergen, waardoor de inwerkingtreding van de bestreden bepaling pas in 2035 is vastgelegd. Volgens hem is het dus normaal dat alle praktische en concrete nadere regels niet reeds in de bestreden bepaling worden omschreven. A.8.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 antwoordt dat de parallel met de autonome probatiestraf niet pertinent is, aangezien met die straf wordt ingestemd en zij mogelijkerwijs alleen een ambulante behandeling inhoudt. Zij voegt eraan toe dat het feit dat de inwerkingtreding van de bestreden bepaling in de verre toekomst ligt en dat wordt beloofd om in de toekomst andere wetsbepalingen aan te nemen, de tekortkomingen van de bestreden bepaling niet kan opvangen. A.8.
- De Ministerraad repliceert dat de parallel met de autonome probatiestraf pertinent is daar die straf de medewerking van de veroordeelde persoon vereist en gepaard gaat met een vervangende straf. Wat betreft het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (derde middel in de zaak nr. 8328) A.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 leidt een derde middel af uit de schending, door artikel 42 van het nieuw Strafwetboek, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 12, 14 en 22 van de Grondwet, met de artikelen 3, 5, 7, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 6, 7, 20, 21 en 49 van het Handvest. Het middel bestaat uit drie onderdelen. Eerste onderdeel A.10.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 bekritiseert het verschil in behandeling tussen de personen die tot een straf van behandeling onder vrijheidsberoving worden veroordeeld en de geïnterneerde personen. Ten 9 eerste merkt zij op dat de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » in een voortgangscontrole van de interneringsmaatregel voorziet, terwijl een dergelijk wettelijk kader niet bestaat voor de behandeling onder vrijheidsberoving. Ten tweede beklemtoont zij dat, wanneer de geestestoestand van een geïnterneerde persoon verbetert, zulks, zonder voorwaarde inzake de voorafgaande duur van vrijheidsberoving, tot verschillende uitvoeringsmodaliteiten, en uiteindelijk tot de invrijheidstelling leidt. Wanneer de geestestoestand verbetert van de persoon die tot een straf van de behandeling onder vrijheidsberoving wordt veroordeeld, leidt dat ertoe dat, indien de vrijheidsberoving niet lang genoeg duurt, die persoon naar een penitentiaire inrichting wordt overgeplaatst, behalve indien de positieve effecten van de behandeling zouden worden tenietgedaan door de opsluiting (artikel 42, § 3, vijfde lid, van het nieuw Strafwetboek). Zij doet gelden dat die verschillen in behandeling, die afhangen van begrippen waarvoor aan de hand van de bestreden bepaling de draagwijdte niet kan worden onderscheiden, niet redelijk verantwoord zijn. A.10.
- De Ministerraad betoogt dat het middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van het Handvest, aangezien de bestreden bepaling geen toepassing van het Unierecht vormt. Ten gronde is de Ministerraad van mening dat het verschil in behandeling tussen de personen die tot een straf van de behandeling onder vrijheidsberoving worden veroordeeld en de geïnterneerde personen, op een objectief en pertinent criterium berust. Volgens hem heeft dat verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen. Hij beklemtoont dat de in de bestreden bepaling beoogde personen niet strafrechtelijk onverantwoordelijk zouden kunnen worden verklaard en dat de behandeling onder vrijheidsberoving, hoewel ze een straf is, meer geschikt is voor die personen dan de gevangenisstraf. Ten slotte merkt hij op dat de straf van de behandeling onder vrijheidsberoving niet langer kan zijn dan de door de rechter vastgestelde duur en voortijdig kan worden beëindigd indien aan de in artikel 42, § 3, vierde lid, van het nieuw Strafwetboek bedoelde voorwaarden is voldaan. A.10.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 antwoordt dat het bekritiseerde verschil in behandeling op een begrip berust dat niet voldoende precies is. Zij voegt eraan toe dat het feit dat het oordeelsvermogen al dan niet volledig tenietgaat, niet kan verantwoorden dat personen die allen aan een geestesstoornis of psychiatrische aandoening lijden, een dermate verschillende behandeling krijgen. A.10.
- Wat de precisering van het betrokken begrip betreft, verwijst de Ministerraad naar de weerlegging van het eerste middel. Voorts antwoordt hij dat de specifieke behandeling van personen met een psychiatrische aandoening waardoor hun oordeelsvermogen tenietgaat, juist wordt verantwoord door de ernst en de gevolgen van hun toestand. Wat betreft de personen die daarentegen een psychiatrische aandoening hebben waardoor hun oordeelsvermogen niet tenietgaat, beklemtoont hij dat, indien de bestreden bepaling niet zou bestaan, die personen onder dezelfde regeling zouden vallen als diegenen zonder enige aandoening. Tweede onderdeel A.11.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 doet gelden dat, indien de bestreden bepaling zo wordt geïnterpreteerd dat de personen die reeds gevangen worden gehouden en vervolgens tot een straf van behandeling onder vrijheidsberoving worden veroordeeld, hun straf in een afdeling van de gevangenis uitzitten tot ze naar een geschikte inrichting worden overgeplaatst, daaruit een verschil in behandeling voortvloeit ten opzichte van de personen die niet gevangen worden gehouden en die tot een straf van behandeling onder vrijheidsberoving worden veroordeeld, daar die laatstgenoemden hun volledige straf in een geschikte inrichting uitzitten. Volgens haar is dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord. A.11.
- De Ministerraad betoogt dat de betrokken categorieën van personen niet op nuttige wijze met elkaar kunnen worden vergeleken. Hij voert aan dat het verschil in behandeling voortvloeit uit, hetzij de bepalingen betreffende de voorlopige hechtenis, waarvan de bestreden bepaling niet afwijkt, hetzij uit de eerdere veroordelingen van de gedetineerde. Volgens hem is het ondenkbaar dat de persoon die reeds gevangen wordt gehouden en vervolgens tot een straf van behandeling onder vrijheidsberoving wordt veroordeeld, weer in vrijheid wordt gesteld in afwachting van zijn overplaatsing naar de door de strafuitvoeringsrechtbank aangewezen inrichting. Nog steeds volgens hem kan een risico voor de maatschappij worden voorkomen door het feit dat de straf in afwachting van die overplaatsing wordt uitgezeten in de afdeling van een gevangenis. A.11.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 antwoordt dat de bestreden bepaling niet in een maximumduur voorziet voordat de reeds gevangen gehouden persoon naar een aangepaste inrichting wordt overgeplaatst. 10 A.11.
- De Ministerraad repliceert dat de wetgever niet ertoe was gehouden een dergelijke maximumduur vast te stellen. Hij voegt eraan toe dat de concrete nadere regels van die overplaatsingen worden geregeld in het toekomstige Wetboek van strafuitvoering. Derde onderdeel A.12.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 merkt op dat, indien de persoon die tot een straf van behandeling onder vrijheidsberoving werd veroordeeld, niet of niet langer bereid is de behandeling te volgen, indien hij de uitvoering van de behandeling onmogelijk maakt of indien die persoon de voorwaarden ervan niet naleeft, hij naar een penitentiaire inrichting kan worden overgeplaatst. Volgens haar volgt daaruit een verschil in behandeling ten aanzien van, enerzijds, de personen die tot een straf van behandeling onder vrijheidsberoving werden veroordeeld en die straf in een aangepaste inrichting uitzitten en, anderzijds, ten aanzien van de geïnterneerde personen. Zij voert aan dat dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. A.12.
- De Ministerraad doet gelden dat het verschil in behandeling louter voortvloeit uit de keuze van de persoon die tot een behandeling onder vrijheidsberoving wordt veroordeeld om hetzij die behandeling te volgen, hetzij ze niet te volgen en de vervangende gevangenisstraf uit te zitten. A.12.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 antwoordt dat de bestreden bepaling niet voldoet aan de verplichting voor de Belgische Staat om te voorzien in een aangepaste detentie-omgeving voor personen met een geestesstoornis, ongeacht of die laatstgenoemden al dan niet aanvaarden om een behandeling te volgen. A.12.
- De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partij tegenstrijdige standpunten verdedigt in het tweede onderdeel van het eerste middel en in het derde onderdeel van het derde middel. Voorts beklemtoont hij dat de vervangende gevangenisstraf enkel moet worden uitgezeten indien de persoon die tot een straf van behandeling onder vrijheidsberoving wordt veroordeeld, weigert mee te werken aan de uitvoering van die straf. Ten aanzien van de herhaling (vierde middel in de zaak nr. 8328) A.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 leidt een vierde middel af uit de schending, door artikel 60 van het nieuw Strafwetboek, van het bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, van artikel 12 van de Grondwet en van het evenredigheidsbeginsel, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 5, 7 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 6, 20 en 49 van het Handvest. Het middel bestaat uit vier onderdelen. Wat betreft het eerste onderdeel A.14.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 voert aan dat artikel 60 van het nieuw Strafwetboek het de rechter in beginsel mogelijk maakt (eerste lid) of hem ertoe verplicht (tweede lid) een strengere straf uit te spreken wanneer de dader reeds eerder werd veroordeeld. Volgens haar volgt daaruit een verschil in behandeling tussen de daders van een misdrijf naargelang zij al dan niet reeds eerder werden veroordeeld. Nog steeds volgens haar blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat die strengere bestraffing van de herhaling niet op enig wetenschappelijk gegeven berust en in strijd is met de belangrijkste principes van het nieuw Strafwetboek. Zij besluit daaruit dat het bekritiseerde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. A.14.
- De Ministerraad betoogt dat het middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van het Handvest, aangezien de bestreden bepaling geen toepassing van het Unierecht vormt. Hij doet eveneens gelden dat het middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, daar de verzoekende partij niet nauwkeurig identificeert welke de vergeleken categorieën zijn en zij niet het minste criterium van vergelijkbaarheid tussen de betrokken categorieën aanvoert. Ten gronde is de Ministerraad van mening dat de kritiek met betrekking tot de keuze van de wetgever voor een regeling van algemene herhaling in plaats van één van bijzondere herhaling, opportuniteitskritiek is, en dat het Hof dus geen rekening daarmee kan houden. Hij voegt eraan toe dat een eventuele tegenstrijdigheid met andere doelstellingen die door de wetgever bij de aanneming van het nieuw Strafwetboek werden nagestreefd, geen grondwettigheidsgebrek is. Vervolgens beklemtoont hij dat de bestreden bepaling ertoe strekt de rechter de grootst mogelijke vrijheid te laten bij de keuze van de straf en merkt hij eveneens op dat de bestreden bepaling duidelijker 11 is dan de vroegere bepalingen (artikelen 54 tot 57 van het Strafwetboek van 1867). Tot slot voert hij aan dat het gekozen criterium aan de vereisten van objectiviteit en pertinentie voldoet en betoogt hij, aan de hand van de parlementaire voorbereiding, dat de bestreden bepaling geen onevenredige gevolgen heeft. A.14.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 antwoordt dat uit de argumentatie van de Ministerraad blijkt dat hij wel degelijk de vergeleken categorieën heeft geïdentificeerd : enerzijds, de personen die schuldig worden bevonden aan een misdrijf dat met een straf van niveau 1 tot 7 wordt bestraft en die reeds eerder werden veroordeeld, en, anderzijds, diegenen die schuldig worden bevonden aan een misdrijf dat met een straf van niveau 1 tot 7 wordt bestraft, maar die nog niet eerder werden veroordeeld. Zij doet gelden dat de bestraffing van de herhaling onverantwoord is. A.14.
- De Ministerraad repliceert dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof nooit hebben geoordeeld dat elke vorm van bestraffing van de herhaling op zich in strijd was met de door de verzoekende partijen aangevoerde referentienormen. Wat betreft het tweede onderdeel A.15.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 merkt op dat artikel 60, eerste lid, van het nieuw Strafwetboek voorziet in een regeling van algemene herhaling aangezien die niet afhangt van het feit of het nieuwe misdrijf identiek is aan of soortgelijk met het misdrijf dat tot de eerdere veroordeling aanleiding gaf. Zij beklemtoont dat die bepaling geldt ongeacht de aard van de eerdere veroordeling en ongeacht of de eerdere veroordeling al dan niet een gevangenisstraf was. Volgens haar behandelt de bestreden bepaling personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, aldus op dezelfde manier. Om de in A.14.1 vermelde redenen betoogt zij dat die gelijke behandeling niet redelijk verantwoord is. A.15.
- De Ministerraad verwijst naar de weerlegging van het eerste onderdeel. Hij voegt eraan toe dat de bestreden bepaling niet wezenlijk verschilt van de vroegere regeling, die nooit discriminerend werd geacht in zoverre niet wordt vereist dat de « aard » van het misdrijf waarvoor de betreffende persoon wordt vervolgd, identiek of gelijkaardig is aan die van het misdrijf waarvoor die persoon reeds werd veroordeeld. Volgens hem zou eisen dat de « aard » van de betreffende misdrijven identiek of gelijkaardig is, niet voldoen aan de vereisten van voorzienbaarheid en rechtszekerheid. Hij beklemtoont dat de bestreden bepaling geen afbreuk doet aan de bepalingen die in bepaalde specifieke aangelegenheden in een regeling van bijzondere herhaling voorzien. Tot slot merkt hij op dat de bij artikel 60, eerste lid, van het nieuw Strafwetboek bepaalde herhaling facultatief en tijdelijk is. A.15.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 antwoordt dat uit de werkzaamheden van de Commissie tot hervorming van het strafrecht blijkt dat de bestreden bepaling niet verantwoord en onevenredig is. A.15.
- De Ministerraad repliceert dat de wetgever vrij bleef om af te wijken van de aanbevelingen van de Commissie tot hervorming van het strafrecht. Wat betreft het derde onderdeel A.16.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 merkt op dat artikel 60, tweede lid, van het nieuw Strafwetboek bepaalt dat, wanneer een misdrijf wordt gepleegd dat met een straf van niveau 7 wordt bestraft, de minimumgrens van de straf verplicht wordt verhoogd indien de dader eerder werd veroordeeld tot een straf van niveau 7 of
- Volgens haar volgt daaruit een gelijke behandeling van twee categorieën van personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden : enerzijds, diegenen wier eerdere veroordeling betrekking heeft op feiten van verschillende aard en, anderzijds, diegenen wier eerdere veroordeling betrekking heeft op feiten van dezelfde aard. Om de in A.14.1 vermelde redenen betoogt zij dat die gelijke behandeling niet redelijk verantwoord is. A.16.
- De Ministerraad voert aan dat het derde onderdeel niet gegrond is om de in A.15.2 vermelde redenen. Hij voegt eraan toe dat artikel 60, tweede lid, van het nieuw Strafwetboek niet van de eerdere regeling verschilt, in zoverre het in een verplichte en blijvende staat van herhaling voorziet. A.16.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 verwijst naar haar antwoord met betrekking tot het tweede onderdeel. 12 A.16.
- De repliek van de Ministerraad is identiek aan die met betrekking tot het tweede onderdeel. Wat betreft het vierde onderdeel A.17.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 doet gelden dat artikel 60 van het nieuw Strafwetboek twee onverantwoorde verschillen in behandeling doet ontstaan tussen de natuurlijke en de rechtspersonen :
(1)de in het eerste lid bedoelde verlenging van de termijn van vijf jaar heeft enkel betrekking op de natuurlijke personen en
(2)het tweede lid beoogt enkel de gevangenisstraffen en de straffen van behandeling onder vrijheidsberoving, en betreft dus enkel de natuurlijke personen. A.17.
- De Ministerraad betoogt dat de regel volgens welke de proeftijd van vijf jaar wordt verlengd voor de duur van de uitvoering van de gevangenisstraf, van nature enkel betrekking kan hebben op de natuurlijke personen. Voorts weerspiegelt artikel 60, tweede lid, van het nieuw Strafwetboek volgens hem de bedoeling van de wetgever om de daders van de zwaarste misdrijven strenger te bestraffen met een aanzienlijke vrijheidsberovende straf. Nog steeds volgens hem kan aan die bedoeling geen vorm worden gegeven door een verzwaring van de straf die van toepassing is op de rechtspersonen en meende de wetgever voor het overige dat de toepasselijke straffen van niveau 7 en 8 voor die laatste misdrijven reeds voldoende ruim waren. A.17.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8328 antwoordt dat, hoewel boek I van het nieuw Strafwetboek in een parallellisme tussen de natuurlijke en de rechtspersonen voorziet, de bestreden bepaling onverantwoorde verschillen in behandeling doet ontstaan. A.17.
- De Ministerraad repliceert dat een wetsbepaling kan afwijken van andere wetsbepalingen van hetzelfde Wetboek. Voorts merkt hij op dat tal van bepalingen van het nieuw Strafwetboek niet van toepassing zijn op de rechtspersonen. Ten aanzien van de misdrijven met betrekking tot staatsgeheimen (zaken nrs. 8329 en 8340) Wat betreft het beginsel van de wettigheid van de straffen (eerste middel in de zaken nrs. 8329 en 8340) A.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 leiden een eerste middel af uit de schending van het beginsel van de wettigheid van de straffen en van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 49 van het Handvest en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Na vooraf te hebben herinnerd aan de rechtspraak van het Hof en die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het wettigheidsbeginsel in strafzaken, delen de verzoekende partijen het middel op in drie onderdelen. Eerste onderdeel A.19.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 bekritiseren de nieuwe omschrijving van het begrip « staatsgeheim » in artikel 112/1 van het Strafwetboek van 1867 (zaak nr. 8329) en in artikel 564, 3°, van het nieuw Strafwetboek (zaak nr. 8340). Zij verwijzen naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State 64.121/1-64.126/1 van 23 november 2018 en naar het advies van het Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de Rechten van de Mens (hierna : het FIRM) nr. 12/2023 van 5 oktober 2023 en voeren aan dat verschillende in die definitie gehanteerde begrippen niet voldoen aan de vereisten van het wettigheidsbeginsel. Ten eerste, wat de opsomming van de beschermde belangen betreft, voeren zij de volgende grieven aan :
(1)het begrip « internationale betrekkingen » zou betrekking kunnen hebben op elke handeling die de diplomatieke betrekkingen van België met andere Staten beïnvloedt, zonder dat een reële aantasting vereist is,
(2)de begrippen « voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde » en « veiligheid van de Staat » zijn te ruim,
(3)het begrip « economisch of wetenschappelijk potentieel van het land » is te vaag en te ruim en
(4)het begrip « werking van de besluitvormingsorganen van de Staat » zou alle inlichtingen van openbaar belang, zoals politieke schandalen of disfuncties van het openbaar bestuur kunnen omvatten. Ten tweede betogen zij dat de definitie eveneens te vaag is, in zoverre die betrekking heeft op voorwerpen, plannen, documenten of inlichtingen « die geheim moeten worden gehouden ». Ten slotte doen zij gelden dat een reële aantasting van de beschermde belangen niet is vereist, daar het volstaat dat de bekendmaking « van dien aard is [die belangen] aan te tasten », wat bijzonder vaag is. 13 A.19.
- De Ministerraad voert aan dat in de parlementaire voorbereiding tal van preciseringen over de betreffende begrippen (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3518/001, p. 529 en pp. 549-551), waaronder « internationale betrekkingen » (ibid., p. 529 en p. 550) en « economisch of wetenschappelijk potentieel van het land » (ibid., pp. 550-551), worden gegeven. Hij zet uiteen dat de uitdrukking « die geheim moeten worden gehouden » volgens de parlementaire voorbereiding betrekking heeft op inlichtingen die niet zijn bestemd om openbaar te worden gemaakt. Wat de voormelde uitdrukking, het begrip « werking van de besluitvormingsorganen van de Staat » en de uitdrukking « van dien aard […] aan te tasten » betreft, betoogt de Ministerraad ten slotte dat rekening dient te worden gehouden met de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, de gebruikelijke betekenis van die termen en het beginsel van de strikte interpretatie van de strafwet. A.19.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 antwoorden dat de begrippen « internationale betrekkingen », « economisch of wetenschappelijk potentieel van het land » en de uitdrukking « die geheim moeten worden gehouden » niet toereikend worden gepreciseerd in de parlementaire voorbereiding. Zij betogen eveneens dat de verwijzingen naar de gebruikelijke betekenis van de betreffende begrippen en naar het beginsel van de strikte interpretatie van de strafwet, niet volstaan om te voldoen aan de vereisten van het wettigheidsbeginsel. A.19.
- De Ministerraad repliceert dat de wetgever niet ertoe is gehouden voor elk begrip een definitie te bepalen. Hij voegt eraan toe dat de wetgever niet verplicht was op elke opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State en van het FIRM te antwoorden, en dat de wetgever hoe dan ook aan hun bezorgdheden is tegemoetgekomen. Tweede onderdeel A.20.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 doen gelden dat het misdrijf van reproductie, bekendmaking of overdracht van een staatsgeheim aan onbevoegde personen, bedoeld in artikel 119 van het Strafwetboek van 1867 (zaak nr. 8329) en in artikel 582 van het nieuw Strafwetboek (zaak nr. 8340), niet voldoet aan de vereisten van het wettigheidsbeginsel. Allereerst verwijzen zij naar het eerste onderdeel met betrekking tot het begrip « staatsgeheim ». Voorts betogen zij dat op basis van de bestreden bepalingen niet kan worden bepaald wie de bevoegde personen zijn en wie dat niet zijn. Tot slot voeren zij aan dat de bewoordingen « essentiële belangen », die in de definitie van het bijzonder opzet worden gehanteerd, niet voldoende precies zijn. In de zaak nr. 8340 voegen zij eraan toe dat, wat betreft de verwijzing in de parlementaire voorbereiding naar de wet van 30 november 1998 « houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten », de wetgever zich bij de aanneming van die wet bewust was van het feit dat de betreffende definities te vaag waren om de strafrechtelijke strafbaarstellingen te bepalen. A.20.
- De Ministerraad verwijst naar de weerlegging van het eerste onderdeel met betrekking tot het begrip « staatsgeheim ». Voorts merkt hij op dat de uitdrukking « onbevoegd » frequent wordt gebruikt in de strafwetgeving en dat die uitdrukking, bij gebrek aan precisering, in de gebruikelijke betekenis moet worden begrepen. Ten slotte kan, wat het begrip « essentiële belangen » betreft, volgens hem naar analogie worden verwezen naar de parlementaire voorbereiding van artikel 546 van het nieuw Strafwetboek (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3518/001, pp. 528-529). A.20.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 antwoorden dat, wat de uitdrukking « onbevoegd » betreft, de door de Ministerraad gemaakte vergelijkingen met andere strafbepalingen niet pertinent zijn. Voorts betogen zij dat de parlementaire voorbereiding met betrekking tot het begrip « essentiële belangen » onduidelijk is. Tot slot doen zij gelden dat noch de verwijzing naar de gebruikelijke betekenis van de betreffende begrippen, noch die naar het beginsel van de strikte interpretatie van de strafwet, toereikend is ten aanzien van het wettigheidsbeginsel. A.20.
- De Ministerraad repliceert dat de uitdrukking « onbevoegd » niet beter wordt gepreciseerd in de andere strafbepalingen waarin het wordt gebruikt en dat die uitdrukking in de gebruikelijke betekenis moet worden begrepen. Voorts betoogt hij dat het begrip « essentiële belangen » voldoende precies is. A.20.
- In hun aanvullende memorie doen de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 gelden dat artikel 119 van het Strafwetboek van 1867 en artikel 582 van het nieuw Strafwetboek een bijzonder opzet vereisen, namelijk het oogmerk om « afbreuk te doen aan de essentiële belangen van België of van een Staat waarmee België met het oog op een gemeenschappelijke verdediging door een internationale overeenkomst is verbonden ». 14 A.20.
- In zijn aanvullende memorie voert de Ministerraad eveneens aan dat die twee artikelen een dergelijk bijzonder opzet vereisen. Derde onderdeel A.21.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 voeren aan dat het misdrijf van het onbevoegd ontvangen van een staatsgeheim, bedoeld in artikel 120 van het Strafwetboek van 1867 (zaak nr. 8329) en in artikel 586 van het nieuw Strafwetboek (zaak nr. 8340), niet voldoet aan de vereisten van het wettigheidsbeginsel. Allereerst verwijzen zij naar het eerste onderdeel met betrekking tot het begrip « staatsgeheim ». Voorts bekritiseren zij de ontstentenis van een definitie van het begrip « bevoegden ». Ten slotte doen zij gelden dat het morele bestanddeel overdreven ruim en onvoldoende nauwkeurig is, aangezien er geen enkel bijzonder opzet om afbreuk te doen aan de beschermde belangen vereist is en het ontvangen een louter passieve vorm van deelnemen is. A.21.
- De Ministerraad zette één enkele argumentatie voor het tweede en derde onderdeel uiteen. Wat artikel 586 van het nieuw Strafwetboek betreft, voegt hij eraan toe dat de term « willens » betekent dat het morele bestanddeel van het misdrijf het algemeen opzet is. A.21.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 zetten één enkel antwoord voor het tweede en derde onderdeel uiteen. Wat betreft het morele bestanddeel van het misdrijf bedoeld in artikel 120 van het Strafwetboek van 1867 en in artikel 586 van het nieuw Strafwetboek, vragen zij zich bovendien af hoe het mogelijk zou zijn om te weten of een inlichting een staatsgeheim is alvorens de inhoud ervan te kennen. Aangezien het betreffende misdrijf voltrokken is door het ontvangen, vragen zij zich evenzo af wat het lot is van de persoon die een ongevraagde inlichting ontvangt waarvan hij de inhoud niet kent en dus niet kan weten dat het misschien een staatsgeheim betreft. A.21.
- De Ministerraad zette één enkele repliek voor het tweede en het derde onderdeel uiteen. Wat het algemeen opzet betreft, beklemtoont hij daarenboven dat het een essentieel begrip is in het strafrecht en duidelijk wordt omschreven. Volgens hem waarborgt de vereiste van dat morele bestanddeel dat de bestreden bepalingen evenredig worden toegepast. A.21.
- In hun aanvullende memorie betogen de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 dat artikel 120 van het Strafwetboek van 1867 en artikel 586 van het nieuw Strafwetboek een algemeen opzet vereisen, zonder dat in een bijzonder opzet wordt voorzien. Zij beweren niet in te zien hoe een persoon de inhoud zou kunnen kennen van een inlichting die hij zal ontvangen. Voorts doen zij gelden dat de bestreden bepalingen het louter ontvangen, dat een louter passieve handeling is en niet echt met enig opzet gepaard kan gaan, strafbaar stellen. Zij voegen eraan toe dat, ook al zou worden geoordeeld dat met het ontvangen een kennisname wordt beoogd, het tot het werk van journalisten behoort om kennis te nemen van de aan hen verstrekte informatie en die vervolgens te verwerken. A.21.
- In zijn aanvullende memorie wijst de Ministerraad erop dat artikel 120 van het Strafwetboek van 1867 en artikel 586 van het nieuw Strafwetboek geen bijzonder opzet, maar enkel een algemeen opzet vereisen. Volgens hem houdt de vereiste van algemeen opzet in dat een persoon die onbevoegd is om een staatsgeheim in ontvangst te nemen of kennis ervan te nemen, bewust en geïnformeerd een dergelijk geheim aanschaft of in ontvangst neemt. Nog steeds volgens hem impliceert die vereiste dat vóór het ontvangen bekend is dat de betreffende inlichting een staatsgeheim is. Hij is daarentegen van mening dat daarvoor niet het opzet is vereist om afbreuk te doen aan de essentiële belangen van België of van een Staat waarmee België met het oog op een gemeenschappelijke verdediging door een internationale overeenkomst is verbonden. Wat betreft de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid (tweede middel in de zaken nrs. 8329 en 8340) A.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 leiden een tweede middel af uit de schending van de vrijheid van gedachte en meningsuiting, de betogingsvrijheid, de persvrijheid, de vrijheid van vreedzame vergadering, zoals gewaarborgd in de artikelen 19 en 25 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 10 en 11 van het Handvest en met de artikelen 18 en 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. 15 Na vooraf te hebben herinnerd aan de rechtspraak van het Hof en die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, delen de verzoekende partijen het middel in drie onderdelen op. Eerste onderdeel A.23.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 voeren aan dat de overdreven ruime en onnauwkeurige definitie van het begrip « staatsgeheim » in artikel 112/1 van het Strafwetboek van 1867 (zaak nr. 8329) en in artikel 564, 3°, van het nieuw Strafwetboek (zaak nr. 8340), de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid schendt. In dat verband verwijzen zij naar het eerste middel. Zij beklemtonen dat de bestreden bepalingen de mogelijkheden voor journalisten (of voor personen die gelijkaardige functies uitoefenen) om informatie van algemeen belang ter kennis van het publiek te brengen, aanzienlijk verminderen. A.23.
- De Ministerraad verwijst allereerst naar de parlementaire voorbereiding met betrekking tot het begrip « staatsgeheim » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3518/001, p. 547). Voorts beklemtoont hij dat de definitie van dat begrip op zich geen normatieve draagwijdte heeft, zodat de evenredigheid van de beperking van de vrijheid van meningsuiting moet worden beoordeeld in het licht van de wijze waarop dat begrip door de in de twee andere onderdelen bestreden bepalingen wordt toegepast. Tweede onderdeel A.24.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 voeren aan dat het misdrijf bedoeld in artikel 119 van het Strafwetboek van 1867 (zaak nr. 8329) en in artikel 582 van het nieuw Strafwetboek (zaak nr. 8340) op onevenredige wijze afbreuk doet aan de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid. Ten eerste betogen zij dat die strafbaarstelling strijdig is met de bescherming die klokkenluiders genieten krachtens de wet van 8 december 2022 « betreffende de meldingskanalen en de bescherming van de melders van integriteitsschendingen in de federale overheidsinstanties en bij de geïntegreerde politie » en de wet van 28 november 2022 « betreffende de bescherming van melders van inbreuken op het Unie- of nationale recht vastgesteld binnen een juridische entiteit in de private sector ». Ten tweede vermindert de bestreden bepaling de bescherming die journalistieke bronnen in ruime zin (dus meer dan alleen maar klokkenluiders) genieten en kan zij op hen een ontradend effect hebben. Ten derde raakt de bestreden bepaling de journalisten zelf op onevenredige wijze, in zoverre zij tot gevolg heeft dat de mogelijkheid voor hen om daadwerkelijk informatie te verkrijgen, kleiner wordt en in zoverre zij ertoe kan leiden dat journalisten worden vervolgd voor handelingen van openbaarmaking die zij in het kader van hun opdracht om het publiek te informeren, verrichten. Tot slot doen de verzoekende partijen gelden dat het onevenredige karakter van de bestreden bepalingen wordt versterkt door de zwaarte van de toepasselijke straffen. A.24.
- De Ministerraad voert aan dat het betreffende misdrijf een bijzonder opzet vereist, wat een bijzonder strikte voorwaarde is. Hij beklemtoont dat de journalist die aan de materiële voorwaarden van het misdrijf voldoet, maar niet het bijzonder opzet heeft om schade te berokkenen aan de essentiële belangen van België of een Staat waarmee België met het oog op een gemeenschappelijke verdediging door een internationale overeenkomst is verbonden, niet onder het toepassingsgebied van de bestreden bepalingen valt. Hij voegt eraan toe dat de hoogte van de straf verantwoord is ten aanzien van die vereiste van bijzonder opzet en de specifieke context van het misdrijf. Tot slot beklemtoont hij dat de bestreden bepalingen strikt moeten worden geïnterpreteerd, aangezien zij een beperking van de vrijheid van meningsuiting teweegbrengen en strafbepalingen zijn. A.24.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 antwoorden dat, om reden van het overdreven ruime toepassingsgebied van het betreffende misdrijf, uit de vereiste van een bijzonder opzet niet kan worden besloten dat de inmenging evenredig is. Volgens hen kan een dergelijk besluit evenmin volgen uit de strikte interpretatie waaraan de Ministerraad refereert. A.24.
- De Ministerraad repliceert dat de door de verzoekende partijen geformuleerde grieven veronderstellen dat de strafgerechten zouden kunnen overgaan tot een extensieve interpretatie van de betreffende begrippen, wat niet mogelijk is krachtens het beginsel van de strikte interpretatie van de strafwet. Daarbij verwijst hij naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. 16 Derde onderdeel A.25.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 voeren aan dat het in artikel 120 van het Strafwetboek van 1867 (zaak nr. 8329) en in artikel 586 van het nieuw Strafwetboek (zaak nr. 8340) bedoelde misdrijf de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid schendt. Ten eerste doen zij gelden dat de bestreden bepalingen, doordat zij geen bijzonder opzet vereisen, ertoe kunnen leiden dat een persoon wordt vervolgd, terwijl hij geen kennis had van de aard van de ontvangen informatie. Ten tweede verwijten zij de bestreden bepalingen dat zij niet voorzien in een specifieke bescherming voor journalisten en hun bronnen. Tot slot bekritiseren zij de zwaarte van de toepasselijke straffen. A.25.
- Allereerst merkt de Ministerraad op dat het betreffende misdrijf een algemeen opzet vereist, wat een intentionele component inhoudt. Volgens hem is het dan ook verkeerd om aan te voeren dat een persoon zou kunnen worden vervolgd wegens dat misdrijf, ook al had hij geen kennis van de aard van de ontvangen informatie. Vervolgens verwijst hij naar de weerlegging van het tweede onderdeel en beklemtoont hij voorts dat de bestreden bepalingen strikt moeten worden geïnterpreteerd. Tot slot betoogt hij dat, gelet op de betreffende essentiële belangen, de toepasselijke straf evenredig is. A.25.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 antwoorden dat de bestreden bepalingen, zoals zij zijn geformuleerd, het mogelijk maken een persoon te vervolgen die opzettelijk informatie heeft ontvangen die een staatsgeheim blijkt te zijn, ook al wist die persoon dat niet vóór het ontvangen ervan. Hoewel de Ministerraad weliswaar een andere interpretatie voorstelt, vloeit die volgens hen evenwel niet voort uit de tekst van de bestreden bepalingen, noch uit de parlementaire voorbereiding. A.25.
- De Ministerraad repliceert dat het tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever behoort om het morele bestanddeel van een misdrijf te bepalen. Hij doet gelden dat de redenering van de verzoekende partijen ertoe zou leiden dat de wetgever in een bijzonder opzet voor alle misdrijven dient te voorzien. A.25.
- In hun aanvullende memorie voeren de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8329 en 8340 aan dat het verschil in moreel bestanddeel tussen het misdrijf bedoeld in artikel 119 van het Strafwetboek van 1867 en in artikel 582 van het nieuw Strafwetboek, en dat bedoeld in artikel 120 van het Strafwetboek van 1867 en in artikel 586 van het nieuw Strafwetboek niet redelijkerwijs wordt verantwoord. A.25.
- In zijn aanvullende memorie betoogt de Ministerraad dat op het vlak van morele bestanddelen het verschil tussen het misdrijf van reproductie, bekendmaking of overdracht aan onbevoegden van een staatsgeheim (artikel 119 van het Strafwetboek van 1867 en artikel 582 van het nieuw Strafwetboek) en het misdrijf van het onbevoegd ontvangen van een staatsgeheim (artikel 120 van het Strafwetboek van 1867 en artikel 586 van het nieuw Strafwetboek) door meerdere redenen wordt verantwoord. Ten eerste was de wetgever volgens de Ministerraad van oordeel dat het eerste misdrijf ernstiger is dan het tweede en heeft hij in het nieuw Strafwetboek dan ook voorzien in een straf van niveau 4 voor het eerste misdrijf en in één van niveau 3 voor het tweede. Nog steeds volgens de Ministerraad heeft de wetgever, aangezien het eerste misdrijf ernstiger is en een zwaardere straf tot gevolg heeft, dat misdrijf willen afbakenen en heeft hij dus in een bijzonder opzet voorzien. Ten tweede merkt de Ministerraad op dat in de artikelen 119 en 120 van het Strafwetboek van 1867, zoals zij van toepassing waren vóór de aanneming van de bestreden bepalingen, enkel een algemeen opzet was vereist voor de twee misdrijven. Ten derde verwijst hij naar het arrest van het Hof nr. 51/2004 van 24 maart 2004 (ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.051). Tot slot beklemtoont hij dat de verzoekende partijen zich niet beroepen op de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en dat het betreffende verschil in behandeling hoe dan ook op een objectief en pertinent criterium berust en geen onevenredige gevolgen heeft. Ten aanzien van de kwaadwillige aantasting van het overheidsgezag (zaak nr. 8339) Wat betreft het wettigheidsbeginsel in strafzaken (eerste middel in de zaak nr. 8339) A.26.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8339 leiden een eerste middel af uit de schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken, van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 49 van het Handvest en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij brengen allereerst de rechtspraak van het Hof en die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het wettigheidsbeginsel in strafzaken in herinnering. Zij beklemtonen dat artikel 547 van het nieuw Strafwetboek onvoldoende nauwkeurig is om te voldoen aan dat beginsel en zij voeren daarbij zes grieven aan. 17 Ten eerste voeren zij aan dat artikel 547 van het nieuw Strafwetboek, dat ertoe strekt de artikelen 2 en 3 van het decreet van 20 juli 1831 « op de drukpers » (hierna : het decreet van 20 juli 1831) te vervangen, een ruimer toepassingsgebied heeft dan die twee bepalingen, die reeds problematisch waren. Volgens hen is die verruiming niet verantwoord en wordt de draagwijdte van de bestreden bepaling nog meer onvoorzienbaar erdoor. Zij verwijzen daarbij naar het voormelde advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State van 23 november
- Ten tweede betogen zij dat het begrip « kwaad opzet », gelezen in het licht van de parlementaire voorbereiding, onvoldoende nauwkeurig is. Ten derde menen zij dat het begrip « aantasting van de bindende kracht van de wet » een bron van ambiguïteit is en dan ook zou kunnen leiden tot de willekeurige bestraffing van legitieme kritiek op de wetten en instellingen. Volgens hen maakt de verwijzing in de parlementaire voorbereiding naar wetten die betrekking hebben op de openbare orde het niet mogelijk om het betrokken begrip beter te omschrijven. Daarbij verwijzen zij naar het voormelde advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State van 23 november
- Ten vierde doen zij gelden dat het begrip « gezag van de grondwettelijke instellingen » onnauwkeurig is. Volgens hen brengt het ontbreken van een opsomming van de beschermde instellingen een risico op een extensieve en onzekere interpretatie met zich mee. Ten vijfde bekritiseren zij de omvang en de onnauwkeurigheid van de uitdrukking « door het rechtstreeks aanzetten om een wet niet na te komen ». Volgens hen zou die uitdrukking ook uitlatingen en handelingen kunnen omvatten die niet noodzakelijkerwijs het klaarblijkelijk aanzetten tot het overtreden van de wet inhouden. Zij voegen eraan toe dat het ontbreken van een onderscheid naargelang van de ernst van de handeling die wordt geacht uitgelokt te zijn, afbreuk doet aan het evenredigheidsbeginsel, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft beklemtoond in haar voormelde advies van 23 november
- Daarbij merken zij onder meer op dat, wanneer een wet aan de openbare orde raakt maar niet in strafrechtelijke sancties voorziet, het kwaadwillig aanzetten om die wet niet na te komen, strafrechtelijk zal worden bestraft. Tot slot voeren zij aan dat het begrip « ernstige en reële bedreiging » niet voldoende nauwkeurig is. A.26.
- De Ministerraad verwijst naar de parlementaire voorbereiding van artikel 547 van het nieuw Strafwetboek (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3518/001, pp. 531-534; Kamer, 2023-2024, DOC 55- 3518/010, pp. 66-67). Volgens hem blijkt daaruit dat de wetgever is tegemoetgekomen aan de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Tot slot voert hij aan dat de bestreden bepaling duidelijker, nauwkeuriger en toegankelijker is dan de bepalingen die zij beoogt te vervangen (te weten de artikelen 2 en 3 van het decreet van 20 juli 1831 en artikel 268 van het Strafwetboek van 1867). A.26.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8339 antwoorden dat de parlementaire voorbereiding waaraan de Ministerraad refereert, kort is en op basis daarvan niet aan het wettigheidsbeginsel kan worden voldaan. Zij bekritiseren eveneens het gebrek aan nauwkeurigheid van het begrip « goede zeden », dat in de bestreden bepaling wordt gehanteerd. A.26.
- De Ministerraad repliceert dat het begrip « goede zeden » in artikel 547 van het nieuw Strafwetboek strikt moet worden geïnterpreteerd en niet afzonderlijk moet worden gelezen, maar ten aanzien van dat hele artikel. Bovendien beklemtoont hij dat dat begrip eveneens wordt gebruikt in de artikelen 8, lid 2, 9, lid 2, en 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wat betreft de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vreedzame vergadering (tweede middel in de zaak nr. 8339) A.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8339 leiden een tweede middel af uit de schending van de vrijheid van gedachte en van meningsuiting, de betogingsvrijheid, de persvrijheid en de vrijheid van vreedzame vergadering, zoals gewaarborgd in de artikelen 19, 25, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 9, 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 10, 11 en 12 van het Handvest en met de artikelen 18, 19 en 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Na vooraf te hebben herinnerd aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en 18 de opmerkingen van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties over de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vreedzame vergadering, delen de verzoekende partijen het middel op in twee onderdelen. Eerste onderdeel A.28.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8339 doen allereerst gelden dat de onnauwkeurigheid van de in de bestreden bepaling gebruikte termen, een risico op een extensieve interpretatie en bijgevolg op onverantwoorde beperkingen van de vrijheid van meningsuiting met zich meebrengt. Daarbij verwijzen zij naar hun eerste middel, alsook naar het voormelde advies van het FIRM van 5 oktober
- Zij beklemtonen dat bij de beoordeling van de beperking van de vrijheid van meningsuiting rekening moet worden gehouden met het feit dat de in de bestreden bepaling beoogde meningsuitingen kunnen worden bestraft met een gevangenisstraf, en met het feit dat daaruit een ontradend effect kan volgen. Voorts voeren zij aan dat het eerste deel van de bestreden bepaling betrekking heeft op het bestraffen van de aantastingen van het gezag van de grondwettelijke instellingen, terwijl de marge voor het beperken van de kritiek op de Staat nochtans zeer nauw moet blijven. Met verwijzing naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties menen zij dat de Staat kritiek, zelfs hevige kritiek, moet tolereren, zolang daarmee geen geweld of haat wordt gepredikt. Voorts doen zij gelden dat het zeer ruime toepassingsgebied van het tweede deel van de bestreden bepaling, dat betrekking heeft op de oproepen tot het overtreden van de wet, niet voldoet aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, noch aan de internationale standaarden. Volgens hen dreigt de bestreden bepaling de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting in contexten waar legitieme kritiek wordt geuit, ook kritiek die tegen bepaalde wetten is gericht, te criminaliseren. Zij voegen eraan toe dat met burgerlijke ongehoorzaamheid wordt beoogd bij te dragen tot een politiek debat of een debat van algemeen belang. Zij besluiten daaruit dat de bestreden bepaling op onevenredige wijze afbreuk doet aan de vrijheid van meningsuiting. A.28.
- De Ministerraad voert allereerst aan dat de uiteenzettingen in het verzoekschrift betreffende het tweede middel enkel betrekking hebben op de vrijheid van meningsuiting, zodat dat middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de persvrijheid en van de vrijheid van vreedzame vergadering. Wat specifiek het eerste onderdeel betreft, merkt de Ministerraad voorts op dat de legitimiteit van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen niet wordt betwist. Met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding voert hij eveneens aan dat het begrip « grondwettelijke instellingen » en de uitdrukking « door het rechtstreeks aanzetten om een wet niet na te komen » duidelijk worden gedefinieerd en afgebakend. Tot slot herinnert hij eraan dat bij twijfel een restrictieve interpretatie noodzakelijk is. A.28.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8339 antwoorden dat de persvrijheid voortvloeit uit de vrijheid van meningsuiting en dat de vrijheid van vreedzame vergadering nauw samenhangt met die laatste vrijheid. Volgens hen is het tweede middel dan ook ontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op die vrijheden. Voorts doen zij gelden dat de betrokken begrippen, gelezen in het licht van de parlementaire voorbereiding, niet voldoende zijn afgebakend, waardoor een risico op willekeur wordt gecreëerd en een onevenredige aantasting van de beschermde vrijheden wordt teweeggebracht. A.28.
- De Ministerraad repliceert dat het tweede middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van het Handvest, aangezien de bestreden bepaling niet onder het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Vervolgens betoogt hij dat de overeenkomsten die tussen de grondrechten kunnen bestaan, de verzoekende partijen niet ervan vrijstellen om uiteen te zetten in welk opzicht de bestreden bepaling de door hen aangevoerde rechten zou schenden. Hij besluit daaruit dat het tweede middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid. Met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling voert hij vervolgens aan dat het begrip « grondwettelijke instellingen » betrekking heeft op de wetgevende vergaderingen, de regeringen en de rechtscolleges, en dat het begrip « wet » is beperkt tot de wetten die aan de openbare orde raken. Tweede onderdeel A.29.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8339 betogen dat artikel 547 van het nieuw Strafwetboek op onevenredige wijze afbreuk doet aan de vrijheid van vreedzame vergadering. Daarbij verwijzen zij naar het voormelde advies van het FIRM van 5 oktober
- Volgens hen ontraadt de bestreden bepaling het organiseren 19 van sociale bewegingen en het deelnemen aan vreedzame betogingen. Nog steeds volgens hen doet die bepaling het risico ontstaan dat bepaalde vormen van sociaal protest worden gecriminaliseerd. Zij doen eveneens gelden dat bij ontstentenis van oproepen tot haat, die zouden bestaan in het aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld, de strafbaarstelling van het rechtstreeks aanzetten tot het niet nakomen van een wet, niet voldoet aan de voorwaarden waaronder een beperking van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vreedzame vergadering kan worden aanvaard. Tot slot betogen zij dat de bestreden bepaling het risico met zich meebrengt dat personen die oproepen tot vreedzame burgerlijke ongehoorzaamheid, worden vervolgd, terwijl die praktijk wordt beschermd door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vreedzame vergadering, en zij historisch gezien een vorm van moreel verzet tegen onrechtvaardigheid was. A.29.
- De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen de intentionele component van het betreffende misdrijf uit het oog verliezen. Hij merkt immers op dat voor dat misdrijf een bijzonder opzet is vereist, wat een bijzonder strikte voorwaarde is. Hij verwijst eveneens naar de preciseringen die blijken uit de besprekingen tijdens de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3518/010, pp. 63, 66 en 67). Tot slot merkt hij op dat de bestreden bepaling strikt moet worden geïnterpreteerd daar zij een inmenging in de vrijheid van meningsuiting met zich meebrengt en een strafbepaling is. A.29.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8339 antwoorden dat de bekritiseerde inmenging niet kan worden verantwoord door de vereiste van een bijzonder opzet, gelet op het uiterst ruime toepassingsgebied van het betreffende misdrijf. Zij beklemtonen dat het uitoefenen van burgerlijke ongehoorzaamheid, hoewel legitiem, kan inhouden dat ernaar wordt gestreefd de bekritiseerde norm te veranderen. Zij verwijzen eveneens naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Voorts doen zij gelden dat de aard en de zwaarte van de opgelegde straffen cruciale elementen zijn om de evenredigheid van een inmenging in de vrijheid van meningsuiting te beoordelen. Tot slot zijn zij van mening dat een bepaling die op zich op onevenredige wijze afbreuk doet aan de grondrechten, niet kan worden verantwoord door de vereiste van een strikte interpretatie waarnaar de Ministerraad verwijst. A.29.
- De Ministerraad repliceert dat de bestreden bepaling niet ertoe strekt burgerlijke ongehoorzaamheid, die in beginsel geen geweld of « kwaadwillige » aantasting van het overheidsgezag inhoudt, strafbaar te stellen. Hij beklemtoont dat de bestreden bepaling oproepen om te betogen, te staken, of zich vreedzaam te verzetten tegen overheidsbevelen, niet verbiedt. Ten aanzien van de verheerlijking van terrorisme (eerste middel en tweede middel, eerste grief in de zaak nr. 8341) Wat betreft het wettigheidsbeginsel in strafzaken (eerste middel in de zaak nr. 8341) A.30.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8341 leidt een eerste middel af uit de schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken, van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 49 van het Handvest en van artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Na te hebben herinnerd aan de rechtspraak van het Hof en die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het wettigheidsbeginsel in strafzaken, voert zij aan dat artikel 376 van het nieuw Strafwetboek, in zoverre het de verheerlijking van terrorisme strafbaar stelt, niet voldoet aan de vereisten van dat beginsel. Inleidend betoogt zij dat de richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 « inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad » niet vereist dat werd voorzien in dat nieuwe misdrijf van verheerlijking van terrorisme. Hoewel die richtlijn de lidstaten verplicht om het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf, met inbegrip van de verheerlijking of rechtvaardiging van terrorisme, strafbaar te stellen, wordt volgens haar daarmee het aanzetten als centraal bestanddeel beoogd. Nog steeds volgens haar bestaat dat misdrijf in het Belgisch recht : het betreft het aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven, dat het voorwerp was van de arresten van het Hof nrs. 9/2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.009) en 31/2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.031) en dat voortaan ook wordt voorzien in artikel 376 van het nieuw Strafwetboek. Zij voert aan dat artikel 376 van het nieuw Strafwetboek onzekerheid doet ontstaan over de gedragingen waarop het eerste misdrijf geen, maar het tweede misdrijf wel betrekking heeft, doordat het tegelijk het aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven en het verheerlijken van terrorisme strafbaar stelt. Voorts doet zij gelden dat het misdrijf van verheerlijking van terrorisme te vaag wordt geformuleerd. Ten eerste voert zij aan dat het begrip « terrorist » op zich onvoldoende precies is. Ten tweede bekritiseert zij het gebrek aan nauwkeurigheid wat het begrip « opleveren van een risico » betreft, aangezien « risico » een subjectief element is en op zichzelf al een onzekerheid bevat. 20 A.30.
- Allereerst merkt de Ministerraad op dat, wat het misdrijf van aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven betreft, artikel 376, eerste lid, van het nieuw Strafwetboek de inhoud van artikel 140bis van het Strafwetboek van 1867 overneemt, waarbij tegelijk rekening wordt gehouden met het voormelde arrest van het Hof nr. 31/
- Voorts betoogt de Ministerraad dat het misdrijf van verheerlijking van terrorisme (artikel 376, tweede lid, van het nieuw Strafwetboek) voldoende duidelijk en nauwkeurig wordt geformuleerd. Wat specifiek het begrip « opleveren van een risico » betreft, refereert hij aan het voormelde arrest van het Hof nr. 9/
- A.30.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8341 antwoordt dat de verwarring tussen het misdrijf van aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven en dat van verheerlijking van terrorisme, een bron van rechtsonzekerheid is. Zij verwijst eveneens naar de bezorgdheden van het FIRM. A.30.
- Met verwijzing naar de tekst zelf van artikel 376 van het nieuw Strafwetboek en de parlementaire voorbereiding repliceert de Ministerraad dat de twee betreffende misdrijven hetzelfde morele element delen, maar door het materiële bestanddeel ervan verschillend zijn. Volgens hem wordt bij het misdrijf van aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven, het plegen van een terroristisch misdrijf aangemoedigd, maar is het nog niet tot uitvoering gebracht. Nog steeds volgens hem wordt bij het misdrijf van verheerlijking van terrorisme een reeds gepleegd terroristisch misdrijf op overdreven wijze in het openbaar goedgekeurd. Tot slot voert hij aan dat de wetgever is tegemoetgekomen aan de bezorgdheden van het FIRM en dat de wetgever vrij was het advies van dat instituut niet te volgen. Wat betreft de vrijheid van meningsuiting (tweede middel, eerste grief, in de zaak nr. 8341) A.31.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8341 leidt een tweede middel af uit de schending van de vrijheid van gedachte en meningsuiting, de betogingsvrijheid, de persvrijheid, de vrijheid van vreedzame vergadering, zoals gewaarborgd in de artikelen 19 en 25 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 10 en 11 van het Handvest en met de artikelen 18 en 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Na te hebben herinnerd aan de rechtspraak van het Hof en die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, voert zij twee grieven aan. De verzoekende partij in de zaak nr. 8341 richt haar eerste grief tegen artikel 376 van het nieuw Strafwetboek. Zij vestigt de aandacht op een aantal arresten die zijn gewezen door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot verheerlijking van terrorisme, waarin wordt aangetoond dat er een delicaat evenwicht bestaat tussen de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de noodzaak om het promoten van terroristische daden te bestrijden. Zij verwijst eveneens naar de bezwaren die zijn opgeworpen door het FIRM in zijn voormeld advies nr. 12/2023 van 5 oktober
- Zij doet gelden dat bij ontstentenis van strikte en objectieve criteria de bestreden bepaling zou kunnen worden misbruikt om legitieme vormen van politieke meningsuiting (aanzetten tot burgerlijke ongehoorzaamheid, activistische acties tegen eigendommen, het aanklagen van overheidshandelingen, uitspraken van onder meer een journalist waarin het beleid van Staten die in gewapende conflicten zijn betrokken, wordt bekritiseerd) te bestraffen en dat ze tot een risico van zelfcensuur leidt. Zij voegt eraan toe dat de ernst van de toepasselijke straffen eveneens bijdraagt tot de onevenredigheid van de bestreden bepaling. Gelet op de andere misdrijven waarin reeds is voorzien en gelet op de bewezen risico’s die de bestreden bepaling met zich meebrengt voor de vrijheid van meningsuiting, voldoet het misdrijf van verheerlijking van terrorisme volgens haar niet aan een dwingende maatschappelijke behoefte en is het in een democratische maatschappij niet noodzakelijk. A.31.
- Allereerst doet de Ministerraad gelden dat de uiteenzettingen in het verzoekschrift met betrekking tot het tweede middel enkel betrekking hebben op de vrijheid van meningsuiting, zodat dat middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de persvrijheid en de vrijheid van vreedzame vergadering. Voorts voert de Ministerraad ten gronde aan dat de formulering van de bestreden bepaling overeenstemt met de formulering die door de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies nr. 72.477/3 van 9 juni 2023 werd aanbevolen opdat de vrijheid van meningsuiting zou worden nageleefd. A.31.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8341 antwoordt dat de persvrijheid en de vrijheid van vreedzame vergadering rechtstreeks voortvloeien uit de vrijheid van meningsuiting. Zij verwijst eveneens naar de in A.31.1 vermelde voorbeelden waaruit het risico op misbruik blijkt. 21 Voorts merkt zij ten gronde op dat de Ministerraad geen gehoor geeft aan de bezorgdheden van het FIRM. A.31.
- De Ministerraad repliceert dat de overeenkomsten die kunnen bestaan tussen de grondrechten, de verzoekende partij niet ervan vrijstellen uiteen te zetten in welk opzicht de bestreden bepaling de door haar aangevoerde grondrechten zou schenden. Hij besluit daaruit dat het tweede middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid. Voorts meent de Ministerraad ten gronde dat noch een oproep tot burgerlijke ongehoorzaamheid, noch activistische acties tegen eigendommen, noch het aanklagen van overheidshandelingen op enigerlei wijze het aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven inhouden. Hij voegt eraan toe dat, indien één van die gedragingen niettemin duidelijk en ondubbelzinnig bedoeld zou zijn om aan te zetten tot het plegen van terroristische misdrijven, de beperking van de in het middel beoogde grondrechten legitiem en verantwoord zou zijn. Ten aanzien van de majesteitsschennis (tweede middel, tweede grief, in de zaak nr. 8341) A.32.
- In het kader van het tweede middel, dat is afgeleid uit de schending van de in A.31.1 vermelde bepalingen, richt de verzoekende partij in de zaak nr. 8341 haar tweede grief tegen artikel 561 van het nieuw Strafwetboek met betrekking tot het misdrijf van majesteitsschennis. Volgens haar blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het in beginsel niet toelaatbaar is dat een wet in een verhoogde bescherming tegen beledigingen van een staatshoofd voorziet. Zij betoogt dat het behoud van een bijzonder misdrijf dat is voorbehouden aan de persoon van de Koning, op onevenredige wijze afbreuk doet aan de vrijheid van meningsuiting. A.32.
- Allereerst doet de Ministerraad gelden dat de grief, om de in A.31.2 vermelde motieven, onontvankelijk is in zoverre hij is afgeleid uit de schending van de persvrijheid en de vrijheid van vreedzame vergadering. Voorts voert de Ministerraad ten gronde aan dat, hoewel de wetgever de bestreden bepaling van de wet van 6 april 1847 « tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning » heeft overgenomen, hij niettemin de nodige wijzigingen heeft aangebracht om rekening te houden met het arrest van het Hof nr. 157/2021 van 28 oktober 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.157) en aan de vrijheid van meningsuiting te voldoen. Daarbij verwijst hij naar de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3518/001, pp. 544- 545). Tot slot merkt hij op dat de bestreden bepaling strikt moet worden geïnterpreteerd aangezien zij een inmenging in de vrijheid van meningsuiting met zich meebrengt en een strafbepaling is. A.32.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8341 antwoordt dat het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 157/2021 heeft geoordeeld dat noch de grondwettelijke regeling van de onverantwoordelijkheid van de Koning, noch de positie van symbool die hij in de Staat inneemt, kunnen verantwoorden dat aan de reputatie van de Koning een ruimere bescherming wordt geboden. Zij merkt op dat de bepaling een bijzondere bescherming aan de Koning biedt ondanks dat zeer duidelijke standpunt. A.32.
- De Ministerraad repliceert dat het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 157/2021 niet heeft geoordeeld dat elke specifieke bescherming van de persoon van het Staatshoofd op zich ongrondwettig was. Voorts brengt hij in herinnering dat de bestreden bepaling beperkend dient te worden geïnterpreteerd. -B- Ten aanzien van de bestreden wetten en het onderwerp van de beroepen tot vernietiging B.1.
- De wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek » en de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek II van het Strafwetboek » voeren boek I 22 (« Algemene regels van het strafrecht ») en boek II (« De gemeenrechtelijke misdrijven en hun straffen ») van het nieuw Strafwetboek in en heffen de twee boeken van het Strafwetboek van 1867 op, alsook een aantal andere strafrechtelijke wetgevingen. Die hervorming van het strafrecht berust op drie beginselen : accuraatheid, coherentie en eenvoud (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, pp. 3 en 6 tot 16; Kamer, 2022-2023, DOC 55-3518/001, pp. 6 tot 12). B.1.
- Wat boek I van het nieuw Strafwetboek betreft, vermeldt de parlementaire voorbereiding dat « inhoudelijk […] vooral het hoofdstuk over de straffen [opvalt] » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, p. 3). Meer in het bijzonder worden in boek I van het nieuw Strafwetboek « de doelstellingen van de straf wettelijk verankerd », waarbij wordt gepreciseerd dat « de gevangenisstraf wordt opgevat als het ultimum remedium » (ibid.). Bovendien wordt in boek I van het nieuw Strafwetboek niet langer het onderscheid gemaakt tussen een criminele straf, een correctionele straf en een politiestraf, maar worden de hoofdstraffen in acht niveaus onderverdeeld. Ten slotte wilde de wetgever dat « het […] sanctiepalet » « ruim en gediversifieerd » zou zijn (ibid.). Artikel 27 van het nieuw Strafwetboek, met als opschrift « Doelstellingen van de straf », bepaalt : « Bij de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat, streeft de rechter de volgende doelen na : 1° het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet; 2° het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en van het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade; 3° het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader; 4° het beschermen van de maatschappij. Binnen de grenzen van de wet moet de rechter naar een rechtvaardige proportionaliteit tussen het misdrijf en de straf zoeken. Alvorens een straf uit te spreken, moet de rechter deze doelstellingen in overweging nemen, maar ook de ongewenste neveneffecten van de straf ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving. 23 De gevangenisstraf is de laatst te overwegen straf, die slechts kan worden uitgesproken wanneer de strafdoelen niet kunnen worden bereikt met een van de andere straffen of maatregelen waarin de wet voorziet. Indien de rechter een straf van niveau 2 gepast acht ter bestraffing van het misdrijf en binnen dit strafniveau kiest voor de gevangenisstraf, motiveert hij waarom de doelstellingen van de straf niet door een van de andere straffen van niveau 2 kunnen worden bereikt ». Artikel 36 van het nieuw Strafwetboek, waarin de op de natuurlijke personen toepasselijke hoofdstraffen worden vastgelegd, bepaalt : « De straf van niveau 8 bestaat uit levenslange gevangenisstraf of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan achttien jaar tot ten hoogste twintig jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 7, 6, 5, 4 of
- De straf van niveau 7 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan twintig jaar tot ten hoogste dertig jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan zestien jaar tot ten hoogste achttien jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 6, 5, 4 of
- De straf van niveau 6 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan vijftien jaar tot ten hoogste twintig jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan elf jaar tot ten hoogste zestien jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 5, 4, 3 of
- De straf van niveau 5 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan tien jaar tot ten hoogste vijftien jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan zes jaar tot ten hoogste elf jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 4, 3 of
- De straf van niveau 4 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan vijf jaar tot ten hoogste tien jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan vier jaar tot ten hoogste zes jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 3 of
- De straf van niveau 3 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan drie jaar tot ten hoogste vijf jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan twee jaar tot ten hoogste vier jaar. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt die straf vervangen door een van de straffen van niveau 2 of
- De straf van niveau 2 bestaat uit een van de volgende straffen : 1° de gevangenisstraf van zes maanden tot ten hoogste drie jaar; 2° de behandeling onder vrijheidsberoving van zes maanden tot ten hoogste twee jaar; 24 3° de straf onder elektronisch toezicht van een maand tot ten hoogste een jaar; 4° de werkstraf van meer dan honderdtwintig uur tot ten hoogste driehonderd uur; 5° de probatiestraf van meer dan twaalf maanden tot ten hoogste twee jaar; 6° de veroordeling bij schuldigverklaring. Bij aanneming van verzachtende omstandigheden wordt de straf van niveau 2 vervangen door een van de straffen van niveau
- De straf van niveau 1 bestaat uit een van de volgende straffen : 1° de geldboete van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro; 2° de werkstraf van twintig uur tot ten hoogste honderdtwintig uur; 3° de probatiestraf van zes maanden tot ten hoogste twaalf maanden; 4° de verbeurdverklaring, met inbegrip van de verruimde verbeurdverklaring; 5° de geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel; 6° de veroordeling bij schuldigverklaring. Wanneer de wet voorziet in een bijkomende straf voor een misdrijf dat wordt bestraft met een hoofdstraf van niveau 1, kan de rechter bij aanneming van verzachtende omstandigheden die bijkomende straf uitspreken in plaats van de hoofdstraf ». B.
- In de zaak nr. 8328 vordert de verzoekende partij de vernietiging van twee artikelen van boek I van het nieuw Strafwetboek. Ten eerste vordert zij de vernietiging van artikel 42 van het nieuw Strafwetboek, dat betrekking heeft op de nieuwe straf van behandeling onder vrijheidsberoving en in werking treedt op 1 januari 2035 of op een eerdere datum die door de Koning moet worden bepaald (artikel 38 van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek »). Ten tweede vordert zij de vernietiging van artikel 60 van het nieuw Strafwetboek, dat betrekking heeft op de herhaling en dat, zoals het merendeel van de bepalingen van het nieuw Strafwetboek, in werking treedt op 8 april
- In de zaken nrs. 8339, 8340 en 8341 vorderen de verzoekende partijen de vernietiging van meerdere bepalingen van boek II van het nieuw Strafwetboek :
(1)de artikelen 564, 3°, 582 en 586 van het nieuw Strafwetboek, die betrekking hebben op bepaalde misdrijven met betrekking tot staatsgeheimen (zaak nr. 8340),
(2)artikel 547 van het nieuw Strafwetboek, waarin de 25 kwaadwillige aantasting van het overheidsgezag strafbaar wordt gesteld (zaak nr. 8339),
(3)artikel 376 van het nieuw Strafwetboek, in zoverre het de verheerlijking van terrorisme strafbaar stelt (zaak nr. 8341) en
(4)artikel 561 van het nieuw Strafwetboek, waarin majesteitsschennis strafbaar wordt gesteld (zaak nr. 8341). Net als het gehele boek II van het nieuw Strafwetboek treden die bepalingen in werking op 8 april 2026 (artikel 119 van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek II van het Strafwetboek »). In de zaak nr. 8329 vorderen de verzoekende partijen de vernietiging van artikel 66 en van de artikelen 68 en 71 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (hierna : de wet van 28 maart 2024), die respectievelijk de artikelen 112/1, 119 en 120 van het Strafwetboek van 1867 invoegen en vervangen. Die artikelen, die in werking zijn getreden op 8 april 2024, namelijk tien dagen na de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad, strekken ertoe soortgelijke bepalingen als de artikelen 564, 3°, 582 en 586 van het nieuw Strafwetboek met betrekking tot staatsgeheimen reeds in het Strafwetboek van 1867 op te nemen. B.
- Het Hof onderzoekt de beroepen in onderstaande volgorde : - de behandeling onder vrijheidsberoving (B.4.1-B.41); - de herhaling (B.42.1-B.58.2); - de kwaadwillige aantasting van het overheidsgezag (B.59.1-B.74.6); - de verheerlijking van terrorisme (B.75.1-B.87); - de majesteitsschennis (B.88.1-B.95); - de misdrijven met betrekking tot staatsgeheimen (B.96.1-B.112.4). 26 Ten aanzien van de behandeling onder vrijheidsberoving (eerste, tweede en derde middel in de zaak nr. 8328) Wat betreft de bestreden bepaling B.4.
- Het bestreden artikel 42 van het nieuw Strafwetboek, met als opschrift « Behandeling onder vrijheidsberoving », bepaalt : « §
- Indien het misdrijf van die aard is dat een gevangenisstraf kan worden opgelegd, kan de rechter de beklaagde of de beschuldigde opleggen zich aan een geschikte behandeling te onderwerpen, indien hij aan een psychiatrische aandoening lijdt die niet dermate ernstig is dat die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet, maar waardoor hij een ernstig gevaar vormt voor andermans leven of integriteit. Het misdrijf waarvoor de behandeling onder vrijheidsberoving wordt opgelegd, moet mede het gevolg zijn van de psychiatrische aandoening waaraan de beklaagde of de beschuldigde lijdt. Deze straf kan niet worden opgelegd indien andere, minder dwingende straffen of maatregelen kunnen worden opgelegd om de gepaste zorg te verlenen en de maatschappij te beschermen. §
- Alvorens de rechter beslist een behandeling onder vrijheidsberoving op te leggen, wint hij het gemotiveerd advies in van een deskundige, of van een gespecialiseerde dienst, door de Koning erkend bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit advies bevat een beschrijving van de aard van de eventuele psychiatrische aandoening waaraan de beklaagde of de beschuldigde lijdt, van het verband tussen de stoornissen en het misdrijf, evenals een voorstel betreffende de aard en de duur van de behandeling. De beklaagde of de beschuldigde kan zich ook laten onderzoeken door een geneesheer naar zijn keuze en diens advies voorleggen. Deze geneesheer kan kennis nemen van het dossier van de beklaagde of de beschuldigde. §
- De behandeling onder vrijheidsberoving wordt, afhankelijk van het toepasselijke strafniveau, opgelegd voor een duur van ten minste zes maanden tot ten hoogste twintig jaar. De duur wordt berekend overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 41, § 2, tweede tot vierde lid. De rechter vermeldt in zijn beslissing de aard van de behandeling en de duur ervan, op basis van het gemotiveerd advies van de deskundige of van de gespecialiseerde instelling. De rechter legt, binnen de grenzen bepaald voor het misdrijf en door de wet, een vervangende gevangenisstraf op die kan worden toegepast indien de behandeling onder vrijheidsberoving niet wordt uitgevoerd en waarvan de duur niet lager kan zijn dan die van de behandeling onder vrijheidsberoving. 27 Indien de strafuitvoeringsrechtbank oordeelt dat de toestand van de veroordeelde voldoende gestabiliseerd is zodat redelijkerwijze niet te vrezen valt dat betrokkene nieuwe ernstige misdrijven zou plegen en voldaan is aan de voorwaarden die overeenkomstig de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten gelden voor het toekennen van een voorwaardelijke invrijheidsstelling of een elektronisch toezicht voor een gevangenisstraf van een zelfde duur, beslist zij om voortijdig een einde te maken aan de behandeling onder vrijheidsberoving door hem een van deze modaliteiten toe te kennen. Indien nog niet is voldaan aan de voorwaarden die overeenkomstig de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten gelden voor het toekennen van een voorwaardelijke invrijheidsstelling of een elektronisch toezicht voor een gevangenisstraf van een zelfde duur, beslist de strafuitvoeringsrechtbank of betrokkene wordt overgeplaatst naar een inrichting bedoeld in artikel 41, § 4, of, indien hierdoor de positieve effecten van de behandeling zouden worden tenietgedaan, hij in een instelling zoals vermeld in paragraaf 4 in detentie kan verblijven. §
- De behandeling onder vrijheidsberoving vindt plaats in een instelling aangewezen door de strafuitvoeringsrechtbank en de tenuitvoerlegging ervan wordt geregeld in de bepalingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. Zij kan evenwel niet bevelen dat de uitvoering van de behandeling onder vrijheidsberoving moet plaatsvinden in een gevangenis. §
- Indien de veroordeelde in het kader van de uitvoering van de behandeling onder vrijheidsberoving te kennen geeft de opgelegde behandeling niet meer te willen volgen, indien hij de uitvoering van de behandeling onmogelijk maakt of de voorwaarden voor een goede uitvoering van de behandeling niet respecteert, kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie en na de veroordeelde te hebben gehoord, beslissen dat de vervangende gevangenisstraf of een deel daarvan wordt uitgevoerd en dit rekening houdend met het deel van de behandeling onder vrijheidsberoving dat de veroordeelde reeds heeft ondergaan ». B.4.
- Volgens de parlementaire voorbereiding maakt boek I van het nieuw Strafwetboek « een drieledig onderscheid » tussen « ontoerekeningsvatbare personen », « verminderd toerekeningsvatbare personen » en « toerekeningsvatbare personen » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, pp. 117 en 118). Aldus : - bepaalt artikel 25 van het nieuw Strafwetboek dat « een persoon […] niet strafrechtelijk verantwoordelijk [is] als hij op het tijdstip van de feiten leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan ». Volgens de parlementaire voorbereiding heeft dat criterium van « het tenietgaan van zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden » « het voordeel van de duidelijkheid doordat een duidelijke 28 grens wordt getrokken op het vlak van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, p. 116). De personen die aldus onverantwoordelijk worden geacht, worden bijgevolg niet strafrechtelijk gestraft, maar kunnen worden geïnterneerd indien aan de voorwaarden van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » (hierna : de wet van 5 mei 2014) is voldaan (ibid., p. 118); - teneinde tegemoet te komen aan « situaties waarin de verantwoordelijkheid van de dader niet volledig ontbreekt, maar slechts verminderd is ten gevolge van een geestesstoornis », situaties waarvoor « een gevangenisstraf niet [kan] volstaan om een antwoord te bieden op de problematiek die aan de basis ligt van het misdrijf en zo recidive te voorkomen », heeft de wetgever beslist « om van deze staat van verminderde toerekeningsvatbaarheid geen grond van ontoerekeningsvatbaarheid of strafverminderende verschoningsgrond te maken », maar om rekening te houden met die staat « op het niveau van het bepalen van de strafrechtelijke reactie die moet worden gegeven ten aanzien van een dader die niet onverantwoordelijk wordt geacht, maar bij wie een verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt vastgesteld ten gevolge van een geestesstoornis of medische problemen waar hij aan lijdt » (ibid., pp. 116-117). Wat de « verminderd toerekeningsvatbare personen » betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding aldus aangegeven dat « indien zij niet worden geïnterneerd, […] zij [worden] gestraft, maar met het oog op de behandeling van de stoornis die aan de basis ligt van de feiten. Met deze doelstelling voor ogen, voert het wetsontwerp de behandeling onder vrijheidsberoving (art. 42) en de mogelijkheid van een verlengde opvolging (art. 46) [in]. Ook de probatiestraf (art. 44) kan hier in sommige gevallen een antwoord bieden » (ibid., p. 118). Bovendien blijft internering thans mogelijk in ernstige situaties, aangezien internering niet alleen is voorbehouden aan de geestesstoornis waardoor het oordeelsvermogen of de controle over de daden wordt tenietgedaan, maar ook mogelijk is bij een geestesstoornis die dat vermogen ernstig aantast (artikel 9, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 5 mei 2014). In dat verband wordt in de parlementaire voorbereiding van het nieuw Strafwetboek verduidelijkt dat « de wetgever […] desgevallend [zal] moeten onderzoeken of voor de meest ernstige gevallen (een ernstige aantasting van zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden) die een ernstig maatschappelijk gevaar uitmaken de internering mogelijk moet blijven, zoals vandaag het geval is », waardoor « een grotere flexibiliteit [zou kunnen worden] behouden om tegemoet te komen aan de diverse situaties van verminderde toerekeningsvatbaarheid », dan wel of de internering daarentegen moet worden « voorbehouden voor de meest ernstige aandoeningen, zijnde deze 29 die bij de dader het oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, pp. 117-118). - wat de « toerekeningsvatbare personen » betreft, zij worden « gewoon gestraft » (ibid., p. 117). B.4.
- Uit het voorgaande blijkt dat de nieuwe straf van behandeling onder vrijheidsberoving ertoe strekt tegemoet te komen aan de situatie van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Met betrekking tot artikel 42 van het nieuw Strafwetboek vermeldt de memorie van toelichting bij het nieuw Strafwetboek : « Aangezien de strafrechtelijke justitie wordt geconfronteerd met personen met een psychiatrische aandoening die niet kunnen genieten van een grond van niet-toerekeningsvatbaarheid en niet onder de reikwijdte vallen van de internering, stelt de Commissie tot hervorming van het strafrecht voor – zoals ook de Hoge Raad voor de Justitie (H.R.J.) bepleit – om de behandeling onder vrijheidsberoving in te voeren in het straffenarsenaal dat ter beschikking staat van de rechter en dit van zodra de toestand van deze personen een geschikte behandeling vereist. […]. Het gaat om een vrijheidsberovende straf voor de veroordeelde, die inhoudelijk lijkt op de internering, maar wegens zijn beperkte duur ook op de gevangenisstraf. De optie van een gecombineerde toepassing van gevangenisstraf met behandeling onder vrijheidsberoving werd niet in overweging genomen, daar een dergelijk systeem veronderstelt dat de behandeling onder vrijheidsberoving wordt uitgevoerd na de gevangenisstraf. Wat evenwel primeert in voorkomende hypothese van verminderde toerekeningsvatbaarheid, is de behandeling van de pathologie waaraan de betrokkene lijdt en die in causaal verband staat met het misdrijf. De behandeling, die ertoe strekt herhaling te voorkomen, is een prioritair aspect van de straf en kan daarom niet worden uitgesteld tot na de gevangenisstraf. De invoering van deze straf past binnen de driedeling (toerekeningsvatbare daders – [verminderd] toerekeningsvatbare daders – ontoerekeningsvatbare daders) die het wetsontwerp invoert op het vlak van de toerekeningsvatbaarheid van de dader indien deze aan een psychiatrische aandoening lijdt […] » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3374/001 en DOC 55-3375/001, pp. 164-165). B.4.
- Zoals in B.2 is vermeld, treedt artikel 42 van het nieuw Strafwetboek in werking op 1 januari 2035 of op een eerdere datum die door de Koning moet worden bepaald. Volgens de parlementaire voorbereiding is die uitgestelde inwerkingtreding van de nieuwe straf van behandeling onder vrijheidsberoving het gevolg van het feit dat « op dit moment […] nog niet 30 de nodige capaciteit [bestaat] om deze straf kwaliteitsvol uit te voeren » (ibid., p. 171). Die nieuwe straf vereist immers « de uitbouw van een aanbod aan instellingen waar zorg kan worden aangeboden in het kader van een effectieve vrijheidsberoving », zodat de inwerkingtreding « in functie van de realisatie van de uitbouw van dit aanbod » zal plaatsvinden. (ibid., p. 298). Wat betreft de middelen Het recht op persoonlijke vrijheid en het beginsel van de wettigheid van de straffen (eerste middel in de zaak nr. 8328) B.
- Het eerste middel in de zaak nr. 8328, dat bestaat uit twee onderdelen, is afgeleid uit de schending van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 6 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Eerste onderdeel B.
- In het eerste onderdeel voert de verzoekende partij in essentie aan dat het bestreden artikel 42 van het nieuw Strafwetboek, in zoverre het van toepassing is op de dader die aan een « psychiatrische aandoening lijdt die niet dermate ernstig is dat die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet, maar waardoor hij een ernstig gevaar vormt voor andermans leven of integriteit », onvoldoende nauwkeurig is. B.7.
- Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : 31 « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». Artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren ». B.7.
- Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten hebben een draagwijdte die analoog is aan die van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet in zoverre zij eveneens vereisen dat elk strafbaar feit en elke straf bij een voldoende duidelijke, voorzienbare en toegankelijke norm moet worden bepaald. De door die bepalingen geboden waarborgen, die het inhoudelijke aspect van het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen en de straffen betreffen, vormen dan ook, in die mate, een onlosmakelijk geheel. Zonder dat het noodzakelijk is te onderzoeken of het Handvest te dezen van toepassing is krachtens artikel 51 ervan, kan het Hof rekening houden met de in artikel 49, lid 1, van het Handvest vervatte waarborgen, aangezien zij een analoge draagwijdte hebben als degene die in de voormelde grondwetsartikelen zijn vervat. B.7.
- Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om, enerzijds, te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, een wet aan te nemen krachtens welke een straf kan worden vastgelegd en toegepast, waarborgen de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging 32 strafbaar zal worden gesteld en geen straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepalingen en internationale bepalingen voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is en, in voorkomend geval, de op te lopen straf kan kennen. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld en welke straffen in voorkomend geval kunnen worden opgelegd, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waa