← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.017

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.017 Arrest- Rolnummer: 17/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-02-09 Raadplegingen: 431 - laatst gezien 2026-06-18 06:20 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 135, 2°, van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 10 van de wet van 28 december 2023, in zoverre het in een termijn van twee jaar voorziet die ingaat vanaf de betaling van het successierecht in België om de bewijsstukken van de in het buitenland betaalde erfbelasting neer te leggen bij de ontvanger) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 17, 134, 135 en 138 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 28 december 2023 « houdende diverse fiscale bepalingen », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Successierechten - In het buitenland gelegen goederen - Teruggave van de rechten - Verjaring - Vervaltermijn van twee jaar Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 17/2026 van 29 januari 2026 Rolnummer : 8469 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 17, 134, 135 en 138 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 28 december 2023 « houdende diverse fiscale bepalingen », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 2 april 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 mei 2025, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 17 van het Wetboek der successierechten, dat betrekking heeft op de vermindering van het in België opvorderbare successierecht met het bedrag van de belasting die geheven is in het land der ligging van de buitenslands gelegen onroerende goederen, de artikelen 134 en 135 van hetzelfde Wetboek, die betrekking hebben op de teruggave van de rechten, interesten en boeten, en artikel 138 van hetzelfde Wetboek, dat betrekking heeft op de verjaring van de vordering tot teruggave van de rechten, interesten en boeten, zoals ze van toepassing waren vóór de wijzigingen die zijn aangebracht bij de wet van 28 december 2023 houdende diverse fiscale bepalingen, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling impliceren tussen de belastingplichtigen die de teruggave van de rechten, interesten en boeten vorderen die overeenstemt met de in artikel 17, eerste lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde vermindering van rechten (vermindering die in dat geval afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de in artikel 17 bedoelde bewijsstukken bij de ontvanger werden neergelegd binnen de termijn van twee jaar vanaf de betaling van de belasting in het Rijk, op straffe van verval), en de belastingplichtigen die de teruggave van de rechten, 2 interesten en boeten vorderen in de meeste andere gevallen van teruggave van rechten, interesten en boeten, zoals de gevallen waarin artikel 134, 1°, en artikel 135, 3°, 6° en 7°, voorzien (waarbij de teruggave in die gevallen niet afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de bewijsstukken of andere bewijzen worden neergelegd of dat enige andere aangifte of formaliteit werd verricht binnen een dergelijke vervaltermijn, en waarbij de teruggave in die gevallen enkel afhankelijk wordt gesteld van het instellen van de vordering binnen de verjaringstermijn van de vordering tot teruggave, die vijf jaar bedraagt te rekenen vanaf 1 januari van het jaar tijdens hetwelk de vordering is ontstaan, krachtens artikel 138, eerste lid, van hetzelfde Wetboek) ? ». Jean-Claude Tancredi, Marc Tancredi en Claire Tancredi, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Ferenc Ballegeer, advocaat bij de balie te Brussel, hebben een memorie ingediend. Bij beschikking van 3 december 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De erflater, die gedomicilieerd was in Schaarbeek, is op 4 augustus 2018 overleden. Zij heeft drie kinderen nagelaten, de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege, die haar erfgenamen zijn. Op 27 november 2018 hebben de erfgenamen aangifte gedaan van de nalatenschap waarin onroerende goederen gelegen in Frankrijk zitten. Op grond van artikel 17 van het Wetboek der successierechten hebben zij verzocht dat het in België verschuldigde successierecht wordt verminderd met het bedrag van de erfbelasting die in Frankrijk is betaald op de daar gelegen onroerende goederen op basis van een later in te dienen aanvullende aangifte van de nalatenschap. Op 30 januari 2019 hebben de erfgenamen een bedrag van 277 361,73 euro betaald ingevolge het in België verschuldigde successierecht. Op 17 november 2021 hebben zij de aangekondigde aanvullende aangifte van de nalatenschap ingediend met bewijsstukken van een in Frankrijk betaalde erfbelasting voor een bedrag van 254 826 euro. Zij verzoeken de terugbetaling van het successierecht dat zij in België hebben betaald ten belope van het bedrag dat zij aan de Franse belastingadministratie hebben betaald, op grond van het voormelde artikel 17 van het Wetboek der successierechten. De ontvanger van de successierechten heeft dat verzoek tot teruggave afgewezen, stellende dat de aanvullende aangifte van 17 november 2021 niet tijdig is. Op 3 februari 2022 heeft de notaris van de erfgenamen tegen die beslissing een beroep ingesteld bij de belastingadministratie waarbij wordt aangevoerd dat de niet-tijdige indiening van de aanvullende aangifte te wijten is aan een geval van overmacht. Dat beroep is verworpen bij een beslissing van 7 maart 2022. De erfgenamen hebben daarop tegen die laatste beslissing een beroep ingesteld bij de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Zij treden in rechte tegen zowel de Belgische Staat als, in ondergeschikte orde, hun 3 notaris en zijn verzekeraar. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de bewijsstukken en de aanvullende aangifte buiten de termijn van twee jaar zijn neergelegd en dat er geen overmacht is. Zij heeft de debatten heropend om het standpunt van de partijen te vernemen met betrekking tot de opportuniteit om aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen, en heeft vervolgens de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag gesteld. III. In rechte -A- A.1. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege geven aan zich te gedragen naar de wijsheid van het Hof, maar doen niettemin gelden dat artikel 135, 2°, van het Wetboek der successierechten het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet schendt. A.2. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege wijzen allereerst erop dat de termijn van twee jaar waarin wordt voorzien in artikel 135, 2°, van het Wetboek der successierechten geen verjaringstermijn is maar een formaliteit die een voorwaarde is voor het ontstaan van het recht op teruggave van het in België opvorderbare successierecht. Slechts wanneer de bewijsstukken zijn neergelegd binnen twee jaar na betaling van het successierecht in België, geniet de belastingplichtige een recht op teruggave van die belasting, dat overeenkomstig artikel 138 van het Wetboek der successierechten verjaart na vijf jaar. Volgens hen volgt daaruit dat de termijn van twee jaar uit artikel 135, 2°, van het Wetboek der successierechten niet kan worden vergeleken met de termijn van vijf jaar uit artikel 138 van hetzelfde Wetboek, aangezien een formaliteit die een voorwaarde is voor het ontstaan van een recht, niet vergelijkbaar is met een termijn die een recht doet uitdoven. In ondergeschikte orde, indien toch vergelijkbare categorieën van personen zouden worden geïdentificeerd, voeren zij aan dat de doelstelling die artikel 135, 2°, van het Wetboek der successierechten nastreeft, namelijk het mogelijk maken dat een dubbele economische belasting wordt vermeden mits de in dat artikel bepaalde formaliteit wordt nageleefd, het verschil in behandeling verantwoordt. Die doelstelling verschilt bovendien van de doelstelling die de wetgever nastreefde toen hij de verjaringstermijn bedoeld in artikel 138 van het Wetboek der successierechten verlengde van twee jaar naar vijf jaar. Die verlenging had namelijk specifiek tot doel te voorkomen dat erfgenamen die onwetend waren omtrent de « juiste hoegrootheid van de nalatenschap », te snel worden geconfronteerd met verjaring. Het feit dat artikel 10 van de wet van 28 december 2023 « houdende diverse fiscale bepalingen » de termijn in artikel 135, 2°, van het Wetboek der successierechten heeft verlengd tot vijf jaar, doet aan het voorgaande ook geen afbreuk. De nieuwe termijn is niet van toepassing op het bodemgeschil en uit die verlenging kan niet worden afgeleid dat de voorheen bepaalde termijn ongrondwettig was. -B- B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de termijn van twee jaar die ingaat vanaf de betaling van het successierecht in België, termijn waarbinnen de erfgenamen bij de ontvanger bewijsstukken moeten neerleggen die aantonen dat in het buitenland erfbelasting is betaald op de daar gelegen goederen, om een volledige of gedeeltelijke teruggave te verkrijgen van het in België betaalde successierecht. B.2. De prejudiciële vraag vermeldt de artikelen 17, 134, 135 en 138 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing vóór de wijziging van artikel 135 van hetzelfde Wetboek 4 bij de wet van 28 december 2023 « houdende diverse fiscale bepalingen » (hierna : de wet van 28 december 2023), die bepalen : « Art. 17. Wanneer het actief der nalatenschap van een Rijksinwoner buitenslands gelegen goederen begrijpt, welke aanleiding geven tot het heffen, in het land der ligging, van een erfrecht, wordt het in België opvorderbaar successierecht, in de mate waarin het deze goederen treft, verminderd met het bedrag van de in het land der ligging geheven belasting, deze omgerekend in euro op de datum van de betaling dier belasting. De vermindering, waarvan sprake, is afhankelijk gesteld van het inleveren, aan de ontvanger die de aangifte van nalatenschap onder zich heeft, van de behoorlijk gedateerde quitantie der in het buitenland betaalde rechten, alsmede van een door de bevoegde vreemde overheden eensluidend verklaard afschrift der aangifte welke hun afgegeven werd, en van de rechtenverevening welke zij vastgesteld hebben. Indien de bij de vorige alinea bedoelde bewijsstukken vóór de betaaldag der rechten niet ingeleverd zijn, moeten deze binnen het wettelijk tijdsbestek betaald worden, behoudens teruggave, in voorkomend geval, overeenkomstig hetgeen voorzien is in artikel 135, 2° ». « Art. 134. De gekweten rechten van successie en van overgang bij overlijden, de interesten en de boeten zijn vatbaar voor teruggave : 1° wanneer de wet slecht toegepast werd; 2° wanneer het bestaan van wegens gemis aan bewijzen verworpen schulden binnen de twee jaar na de betaling der belasting vastgesteld wordt ». « Art. 135. Tegen inlevering van een aangifte, die het feit aanduidt dat aanleiding geeft tot teruggave, kunnen de rechten, interesten en boeten teruggegeven worden : 1° wanneer, in het geval van artikel 3, het bestaan van de afwezige wettelijk bewezen komt te worden; 2° wanneer, in het geval van artikel 17, de bewijsstukken, die erin voorzien zijn, neergelegd werden bij de ontvanger, binnen de twee jaar na de betaling van de belasting in het Rijk; 3° wanneer er bewezen wordt dat een individueel aangeduid roerend of onroerend goed bij missing op het actief der aangifte gebracht werd; 4° wanneer, na het openvallen der nalatenschap, de samenstelling ervan verminderd wordt, hetzij door het intreden van een voorwaarde of van enig ander voorval, hetzij door de oplossing van een geschil ingevolge een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of een transactie, tenzij de vermindering van actief het gevolg weze van een ontbinding voortkomende van het niet- uitvoeren door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van de voorwaarden van een contract; 5 5° wanneer er een verandering in de devolutie der erfenis intreedt die van aard is het aanvankelijk verevend bedrag der belasting te verminderen; 6° wanneer er uitgemaakt wordt dat een missing in de aangifte begaan werd :

  1. a)aangaande de graad van verwantschap bestaande tussen de overledene en dezes erfgenamen, legatarissen of begiftigden
  2. b)aangaande de wettelijke of testamentaire devolutie der nalatenschap;
  3. c)aangaande de hoedanigheid van Rijksinwoner in hoofde van de overledene; 7° wanneer, in de gevallen voorzien onder artikel 49, de belanghebbende erin slaagt de werkelijke toestand vast te stellen en er daaruit een vermindering van belasting voortspruit; 8° wanneer, in het geval bedoeld in het tweede lid van artikel 60ter, het voordeeltarief uitdrukkelijk wordt gevraagd na de indiening van de aangifte en de overmacht wordt bewezen binnen twee jaar na betaling van de belasting; 9° wanneer de in artikel 59, 1°, bedoelde erkenning wordt verkregen de dag van het overlijden of het jaar dat volgt op het overlijden ». « Art. 138. Er is verjaring voor de eis tot teruggave der rechten, interesten en boeten, na vijf jaar te rekenen van 1 januari van het jaar tijdens hetwelk de vordering ontstaan is. In geval van een eindbeslissing in een geschillenbeslechtingsprocedure bedoeld in de artikelen 3, 4, 6, 10 of 15 van de wet van 2 mei 2019 tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie, is een nieuwe verjaring verworven na een jaar. Het tweede lid is enkel van toepassing indien de volgende voorwaarden samen vervuld zijn : 1° de verjaring bepaald in het eerste lid is ingetreden of er rest minder dan een jaar voor het intreden ervan; 2° de betrokken persoon heeft afgezien van het recht om enig rechtsmiddel aan te wenden; 3° artikel 15, § 4, derde lid, van de voormelde wet is niet van toepassing ». B.3.1. Artikel 17 van het Wetboek der successierechten voorziet, voor het geval dat in het actief van de nalatenschap in het buitenland gelegen goederen zitten, in een vermindering van het in België verschuldigde successierecht met de in het buitenland betaalde erfbelasting op datzelfde goed (eerste lid). De verrekening van de in het buitenland geheven erfbelasting vereist dat de erfgenamen het bewijs leveren dat ook daadwerkelijk erfrechten werden betaald. Zij dienen daartoe een behoorlijk gedateerd betalingsbewijs voor te leggen, samen met een door de 6 bevoegde buitenlandse overheid eensluidend verklaard afschrift van de aangifte en de berekening van de buitenlandse erfbelasting (tweede lid). Indien de erfgenamen die bewijsstukken niet hebben ingediend vóór de betaaldag van de successierechten, moeten zij die rechten binnen het wettelijk tijdsbestek volledig betalen, behoudens indien zij de gedeeltelijke of volledige teruggave ervan verkrijgen overeenkomstig artikel 135, 2°, van het Wetboek der successierechten (derde lid). Krachtens dat artikel 135, 2°, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 10 van de wet van 28 december 2023, kunnen de rechten, interesten en boeten worden teruggegeven tegen indiening van een aangifte wanneer de voormelde bewijsstukken waarin artikel 17, tweede lid, van hetzelfde Wetboek voorziet, werden neergelegd bij de ontvanger binnen twee jaar na de betaling van de belasting in het Rijk. B.3.2. De voormelde situatie is niet de enige situatie waarin de teruggave van rechten, interesten en boeten kan worden verkregen tegen indiening van een aangifte. Artikel 135 van het Wetboek der successierechten regelt nog acht dergelijke gevallen. Daarnaast bepaalt artikel 134 van hetzelfde Wetboek dat de gekweten rechten van successie en van overgang bij overlijden, de interesten en de boeten vatbaar zijn voor teruggave wanneer de wet slecht werd toegepast en wanneer het bestaan van wegens gemis aan bewijzen verworpen schulden binnen de twee jaar na de betaling van de belasting wordt vastgesteld. B.3.3. Artikel 138, eerste lid, van het Wetboek der successierechten bepaalt tot slot dat de eis tot teruggave verjaart na vijf jaar te rekenen van 1 januari van het jaar tijdens hetwelk de vordering tot teruggave ontstaan is. B.4. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of de artikelen 17, 134, 135 en 138, zoals van toepassing vóór de wijziging van artikel 135 van het Wetboek der successierechten bij de wet van 28 december 2023, bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre belastingplichtigen die op grond van de artikelen 17 en 135, 2°, van het Wetboek der successierechten de teruggave vorderen van rechten, interesten en boeten, slechts aanspraak maken op teruggave indien de bewijsstukken werden neergelegd bij de ontvanger binnen twee jaar na de betaling van de belasting in het Rijk, terwijl de vordering tot teruggave van de belastingplichtigen in de meeste andere gevallen en met name in de in artikel 134, 1°, en artikel 135, 3°, 6° en 7°, van het Wetboek der successierechten bedoelde gevallen, niet 7 afhankelijk is van een formaliteit die moet zijn verricht binnen een vervaltermijn van twee jaar, waardoor in die gevallen alleen rekening moet worden gehouden met de verjaringstermijn van vijf jaar uit artikel 138, eerste lid, van het Wetboek der successierechten. B.5.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale zaken. B.5.2. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen, te dezen van het eigendomsrecht, met zich zou meebrengen. B.6. Uit de prejudiciële vraag blijkt dat de termijn van twee jaar waarbinnen de erfgenamen de in artikel 17, tweede lid, van het Wetboek der successierechten vermelde bewijsstukken moeten neerleggen waaruit blijkt dat in het buitenland een erfbelasting is betaald, termijn bedoeld in artikel 135, 2°, van hetzelfde Wetboek, in het geding is. Die termijn vindt zijn oorsprong in artikel 33 van de wet van 10 augustus 1923 « tot wijziging der wetten op de zegel-, registratie-, griffie- en successierechten », dat artikel 17 van het Wetboek der successierechten is geworden. Hoewel de wetgever dat niet heeft gepreciseerd, kan worden aangenomen dat die termijn ertoe strekt de belastingadministratie binnen afzienbare tijd zekerheid te geven over het bedrag dat in het buitenland aan erfbelasting werkelijk verschuldigd was en betaald is en ten belope waarvan nog aanspraak kan worden gemaakt op een teruggave van de in België betaalde belasting. Die doelstelling is legitiem. B.7. De in het geding zijnde termijn is een vervaltermijn. Het recht op teruggave gaat teniet indien de bewijsstukken niet binnen de termijn zijn neergelegd bij de ontvanger. Die sanctie heeft op zich niet tot gevolg dat de in het geding zijnde termijn een onevenredige beperking van de rechten van de erfgenamen zou inhouden. Daarvan zou maar sprake zijn indien de termijn om de bewijsstukken neer te leggen overdreven kort zou zijn. 8 Krachtens artikel 135, 2°, van het Wetboek der successierechten, in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 10 van de wet van 28 december 2023, bedraagt de termijn twee jaar en gaat die in vanaf de betaling van de belasting in het Rijk en niet vanaf het openvallen van de nalatenschap. Die termijn is voldoende lang om aangifte te doen in het buitenland, de daar verschuldigde erfbelasting te betalen, de nodige bewijsstukken te verzamelen en die neer te leggen bij de ontvanger. Die termijn wordt overigens opgeschort gedurende een periode van overmacht, aangezien niet is afgeweken van het algemeen rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet in geval van overmacht kan worden gemilderd. B.8. Het feit dat de wetgever bij artikel 10 van de wet van 28 december 2023 de in het geding zijnde termijn van twee jaar heeft verlengd naar vijf jaar, doet aan het voorgaande ook geen afbreuk. Op gevaar iedere wijziging van de wetgeving onmogelijk te maken, kan uit de invoering van een nieuwe regeling niet worden afgeleid dat de oude ipso facto ongrondwettig zou zijn. B.9. Artikel 135, 2°, van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 10 van de wet van 28 december 2023, is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre het in een termijn van twee jaar voorziet die ingaat vanaf de betaling van het successierecht in België om de bewijsstukken van de in het buitenland betaalde erfbelasting neer te leggen bij de ontvanger. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 135, 2°, van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 10 van de wet van 28 december 2023 « houdende diverse fiscale bepalingen », schendt niet de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre het in een termijn van twee jaar voorziet die ingaat vanaf de betaling van het successierecht in België om de bewijsstukken van de in het buitenland betaalde erfbelasting neer te leggen bij de ontvanger. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 29 januari 2026. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.017 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.