← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.018 Arrest- Rolnummer: 18/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-02-09 Raadplegingen: 351 - laatst gezien 2026-06-18 06:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de « kennisgeving van grondwettelijke grief » betreffende een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 22 oktober 2025, ingediend door Georges Van Volsem. Voorafgaande rechtspleging - Klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid - Verzoekschrift Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 18/2026 van 29 januari 2026 Rolnummer : 8578 In zake : de « kennisgeving van grondwettelijke grief » betreffende een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 22 oktober 2025, ingediend door Georges Van Volsem. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter Luc Lavrysen en de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het verzoek en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 november 2025 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 november 2025, heeft Georges Van Volsem een « kennisgeving van grondwettelijke grief » ingediend betreffende een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 22 oktober

  1. Op 12 november 2025 hebben de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de « kennisgeving van grondwettelijke grief » onontvankelijk is. Geen enkele memorie werd ingediend. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 2 II. In rechte -A- A.
  2. In hun conclusies, opgesteld met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, hebben de rechters-verslaggevers geoordeeld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat de « kennisgeving van grondwettelijke grief », ingediend door Georges Van Volsem, klaarblijkelijk onontvankelijk is wegens onbevoegdheid van het Hof. A.
  3. Er werd geen memorie met verantwoording ingediend. -B- B.
  4. In zijn verzoekschrift, met als opschrift « Kennisgeving van grondwettelijke grief (art. 26 § 1bis bijzondere wet GwH) », zet Georges Van Volsem uiteen dat hij partij is in een procedure voor het Hof van Beroep te Brussel, en dat hij dat rechtscollege heeft verzocht aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen. Bij zijn arrest van 22 oktober 2025 is het Hof van Beroep te Brussel niet op dat verzoek ingegaan, aldus Georges Van Volsem. Hij vervolgt dat hij voornemens is een cassatieberoep in te stellen en dat hij, « overeenkomstig het beginsel van transparantie en ter documentatie van de lopende procedure », aan het Hof kennis wenst te geven van de door hem voorgestelde prejudiciële vraag. B.
  5. Krachtens artikel 142 van de Grondwet en de artikelen 1 en 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof doet het Hof uitspraak over beroepen tot vernietiging van wetten, decreten en ordonnanties of over prejudiciële vragen dienaangaande, gesteld door rechtscolleges. B.3.
  6. In zoverre de onderhavige procedure ertoe zou strekken het Hof uitspraak te laten doen over de voormelde prejudiciële vraag, dient te worden vastgesteld dat alleen rechtscolleges prejudiciële vragen kunnen stellen aan het Hof. Een natuurlijke persoon die partij is in een procedure voor een rechtscollege, heeft niet de mogelijkheid om zelf bij het Hof een prejudiciële vraag aanhangig te maken. Aan het Hof is daarnaast geen bevoegdheid verleend om bij een rechtscollege erop aan te dringen een prejudiciële vraag te stellen of om, bij ontstentenis daarvan, zichzelf ambtshalve een prejudiciële vraag te stellen. 3 B.3.
  7. In zoverre de onderhavige procedure ertoe zou strekken het Hof uitspraak te laten doen over de weigering, door het Hof van Beroep te Brussel, om de voormelde prejudiciële vraag te stellen, dient te worden vastgesteld dat geen enkele grondwets- of wetsbepaling het Hof de bevoegdheid verleent om uitspraak te doen over een beroep tot vernietiging gericht tegen vonnissen of arresten van de rechterlijke macht. Overigens bepaalt artikel 29, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dat tegen de beslissing waarbij een rechtscollege weigert een prejudiciële vraag te stellen, geen afzonderlijk rechtsmiddel kan worden aangewend. B.
  8. Uit het bovenstaande volgt dat het verzoek klaarblijkelijk onontvankelijk is. 4 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verwerpt het verzoek. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 29 januari
  9. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.018 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.