2 van hetzelfde artikel, de dagen van militieverplichtingen in het Belgisch leger, de dagen van lock-out, de periodes van uitoefening van een functie van rechter in sociale zaken of van een ambt in de commissies die zijn opgericht met het oog op de toepassing van de sociale wetgeving, de dagen van voorlopige hechtenis ingevolge een feit waarvoor de betrokkene geen veroordeling heeft opgelopen
de periodes van syndicale opdracht, niet gelijkstelt met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten) - Verwerping van het beroep voor het overige (onder voorbehoud van de in B.7.2 vermelde interpretatie) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK
ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van titel 2 van de wet van 25 april 2024 « houdende de hervorming van de pensioenen », ingesteld door de vzw « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding »
anderen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Pensioenen - Hervormingen - Gewaarborgd minimumpensioen - Voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling - Geleidelijke toepassing - Geneutraliseerde
gelijkgestelde periodes - Machtiging aan de Koning - Overgangsmaatregelen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 19/2026 van 12 februari 2026 Rolnummer : 8359 In zake : het beroep tot vernietiging van titel 2 van de wet van 25 april 2024 « houdende de hervorming van de pensioenen », ingesteld door de vzw « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding »
anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul
Luc Lavrysen,
de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt
Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep
rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 november 2024 ter post aangetekende brief
ter griffie is ingekomen op 18 november 2024, is beroep tot vernietiging van titel 2 van de wet van 25 april 2024 « houdende de hervorming van de pensioenen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 mei 2024) ingesteld door de vzw « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding », de vzw « Brussels Platform Armoede », de vzw « Soralia », de vzw « ZIJkant, de progressieve vrouwenbeweging », de vzw « Liages », het Algemeen Belgisch Vakverbond, het Algemeen Christelijk Vakverbond van België
de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België, bijgestaan
vertegenwoordigd door mr. Vincent Letellier, advocaat bij de balie te Brussel. De Ministerraad, bijgestaan
vertegenwoordigd door mr. Liesbet Vandenplas
mr. Ambre Vranckx, advocates bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend
de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 17 december 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie
Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na 2 ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend,
dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten
de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen
kel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging
het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
is vervat in hoofdstuk 1 van titel 2 van de wet van 25 april 2024,
meer bepaald op artikel 3, §§ 4
5,
artikel 8 van de bestreden wet. Hij meent dat het beroep onontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op alle andere bepalingen van de voormelde titel
dat de vernietiging van sommige bepalingen van dat geheel moet leiden tot de vernietiging van de hervorming in haar geheel,
zeker van alle bepalingen van hoofdstuk 1 van titel
dat te dezen de eventuele vernietiging van de daadwerkelijk bestreden bepalingen niet kan leiden tot de vernietiging van andere bepalingen, aangezien geen
kele andere bepaling van de bestreden wet daarmee onlosmakelijk samenhangt. A.1.5. De eerste vijf verzoekende partijen zijn verenigingen zonder winstoogmerk waarvan de eerste
de tweede actief zijn in de strijd tegen armoede, de derde
de vierde in de behartiging van de belangen van de vrouw
de vijfde in de behartiging van de belangen van senioren. Zij menen allen dat zij doen blijken van een belang bij de vernietiging van bepalingen die een rechtstreekse
ongunstige weerslag hebben op hun statutair doel. De zesde tot de achtste verzoekende partij zijn vakorganisaties zonder rechtspersoonlijkheid. Desalniettemin voeren zij aan dat zij over de vereiste hoedanigheid beschikken om te dezen in rechte te treden overeenkomstig artikel 5 van de wet van 5 december 1968 « betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten
de paritaire comités » (hierna : de wet van 5 december 1968). A.1.6. De Ministerraad werpt ten aanzien van elk van de verzoekende partijen een exceptie van onontvankelijkheid op wegens gebrek aan belang om in rechte te treden. Hij voert aan dat het statutair doel van de eerste twee verzoekende verenigingen zonder winstoogmerk, namelijk de strijd tegen armoede, niet kan worden geraakt door bepalingen met betrekking tot het gewaarborgd minimumpensioen, daar dat pensioen geen sociale uitkering ter bestrijding van armoede is. In dat opzicht voegt hij eraan toe dat de bestreden bepalingen noch de toegang tot het pensioen als dusdanig, noch de regelgeving met betrekking tot de inkomensgarantie voor ouderen (IGO) wijzigen. 3 Hij betoogt dat het statutair doel van de derde
de vierde verzoekende partij, die verenigingen zonder winstoogmerk ter behartiging van de belangen van vrouwen zijn, evenmin kan worden aangetast door de bestreden bepalingen, aangezien de bedoeling om de gelijkheid tussen mannen
vrouwen te verbeteren
de pensioenkloof volgens het geslacht te verminderen, centraal stond in de hervorming. De Ministerraad meent dat de verwezenlijking van het doel van de vijfde verzoekende partij, namelijk de strijd tegen sociale ongelijkheid
leeftijdsdiscriminatie,
de behartiging van de belangen van senioren, niet wordt beïnvloed door de bestreden bepalingen aangezien die van toepassing zijn noch op de personen die op 1 januari 2025 reeds met pensioen zijn, noch op de personen die vóór 1963 geboren zijn
noch op de personen die tussen 1963
1968 geboren zijn
op 1 januari 2025 een loopbaan van in totaal 30 jaar hebben. Hij voegt eraan toe dat de bestreden wet overgangsbepalingen heeft teneinde de rechten van de personen die bijna de pensioenleeftijd bereiken, te waarborgen. Tot slot merkt de Ministerraad ten aanzien van de zesde tot de achtste verzoekende partij, die vakorganisaties zijn, op dat de beslissingen van elk van die organisaties om het beroep tot vernietiging in te stellen, niet worden overgelegd. Bovendien doet hij gelden dat die verzoekende partijen uit geen
kele bepaling van de wet van 5 december 1968 het recht kunnen afleiden om het beroep tot vernietiging in te stellen. A.1.7. De verzoekende partijen brengen in herinnering dat het, wat betreft het onderzoek van het belang om in rechte te treden, volstaat dat het statutair doel van de verzoekende vereniging door de bestreden norm kan worden geraakt. Zij betogen dat zulks wel degelijk het geval is voor elk van hen. In het bijzonder met betrekking tot de verenigingen die zich ten doel hebben gesteld armoede te bestrijden, voeren zij aan dat het inkomstenbedrag dat als pensioen wordt verkregen, een van de elementen is die bijdragen tot het nastreven van het doel van een menswaardig leven gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, aangezien het pensioen ertoe strekt de gerechtigde tegen armoede te beschermen. Met betrekking tot de verenigingen die voor de rechten van vrouwen strijden, doen zij gelden dat niet wordt betwist dat die laatstgenoemden vaker dan mannen onderbroken loopbanen hebben
dat zij meer te maken krijgen met periodes van invaliditeit, zodat zij meer dan mannen worden geraakt door de maatregelen die de toegang tot het gewaarborgd minimumpensioen beperken. Met betrekking tot de vijfde verzoekende partij voeren zij aan dat haar belang om maatregelen te betwisten die het welzijn van de senioren van morgen aantasten, haar niet kan worden ontzegd. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep voor de zesde tot de achtste verzoekende partij herinneren zij tot slot aan het wettelijk vermoeden van het mandaat ad litem van de advocaat
beklemtonen zij hun belang om de rechten te behartigen van de werknemers die afhankelijk zijn van de tijdskredieten, zoals verankerd in de collectieve arbeidsovereenkomst nr.
hun belang om als vakorganisaties in rechte te treden. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.2.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 3, § 4, zesde lid,
, zesde lid, van de wet van 25 april 2024, van artikel 23, derde lid, 1°, 2°
5°, van de Grondwet. Zij voeren aan dat de delegaties aan de Koning in de bestreden bepaling, in zoverre zij de Koning ertoe machtigen de geneutraliseerde of gelijkgestelde periodes waarmee rekening wordt gehouden voor de berekening van de loopbaan die recht geeft op een gewaarborgd minimumpensioen, te wijzigen of zelfs af te schaffen, onverenigbaar zijn met de in artikel 23 van de Grondwet vervatte vereisten van het wettigheidsbeginsel. A.2.2. De Ministerraad doet gelden dat het bepalen van de periodes die kunnen worden geneutraliseerd of gelijkgesteld, geen essentieel element is van het recht op het gewaarborgd minimumpensioen dat noodzakelijkerwijs zou moeten worden bepaald door de wetgever zelf
dat de bekritiseerde delegaties betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de wetgever het onderwerp heeft aangegeven. Hij merkt overigens op dat het hele stelsel van het gewaarborgd minimumpensioen vóór de aanneming van de wet van 25 april 2024 werd bepaald door de Koning, zodat de machtigingen die de bestreden bepalingen aan Hem verlenen, zeker niet kunnen worden beschouwd als strijdig met het wettigheidsbeginsel. Hij preciseert dat die machtigingen louter legistiek-technisch van aard zijn
vermeldt dat in de regelgeving van de rustpensioenen in hetzelfde proces wordt voorzien, daar het aan de uitvoerende macht staat te bepalen welke periodes op grond van artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 « betreffende het rust-
overlevingspensioen voor werknemers » 4 worden gelijkgesteld met gewerkte periodes. Tot slot verduidelijkt hij dat de machtigingen aan de Koning een snel optreden mogelijk maken, bijvoorbeeld in geval van een gezondheidscrisis die aanleiding geeft tot periodes van tijdelijke werkloosheid. A.2.3. De verzoekende partijen menen dat de vaststelling van de periodes van inactiviteit die kunnen worden geneutraliseerd of gelijkgesteld, een essentieel element vormt van de wetgeving die ertoe strekt voorwaarden te stellen aan het recht op een gewaarborgd minimumpensioen. Zij erkennen dat de bestreden delegaties het onderwerp preciseren waarop zij betrekking hebben, maar zij menen tegelijkertijd dat die delegaties te algemeen zijn
dat het zeker niet toelaatbaar is dat zij het de Koning mogelijk maken om door de wetgever aangenomen bepalingen op te heffen teneinde geneutraliseerde of gelijkgestelde periodes af te schaffen. A.2.4. De Ministerraad herinnert in hoofdorde eraan dat de vaststelling van de periodes die kunnen worden gelijkgesteld of geneutraliseerd, geen essentieel element van de bestreden wetgeving vormt
dat zij dus aan de Koning kan worden gedelegeerd,
in ondergeschikte orde meent hij dat een eventuele vernietiging van de machtigingen aan de Koning moet worden beperkt tot de bevoegdheid om de door de wetgever bepaalde periodes te wijzigen of te vervangen,
niet moet worden uitgebreid tot de bevoegdheid om die periodes aan te vullen, aangezien de verzoekende partijen niet de machtigingen betwisten om de reeds door de wetgever bepaalde periodes aan te vullen. Wat betreft het tweede middel A.3.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door artikel 3, § 4, van de wet van 25 april 2024, van de artikelen 10
11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23 ervan. In het eerste onderdeel van dat middel voeren zij aan dat de « neutralisering » van de periodes van inactiviteit om medische redenen, verankerd in paragraaf 4 van artikel 3 van de wet van 25 april 2024, niet wordt gecumuleerd met de regeling van de « gelijkgestelde » periodes, verankerd in paragraaf 5 van dezelfde bepaling. Zij leiden daaruit af dat de wetgever niet erin heeft voorzien dat een werknemer aan het einde van zijn loopbaan een of meer periodes van inactiviteit om medische redenen heeft kunnen cumuleren met een of meer gelijkgestelde periodes van inactiviteit. Zij menen dat de omstandigheid dat er geen rekening kan worden gehouden met de cumulatie van de niet-gepresteerde dagen, een discriminatie in het leven roept ten nadele van de werknemer die zich in die situatie bevindt. A.3.2. De Ministerraad zet uiteen dat het eerste onderdeel van het tweede middel op een verkeerde interpretatie van de bestreden bepaling berust. Hij voert aan dat de mechanismen van neutralisering
gelijkstelling twee verschillende processen zijn die de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling afzwakken voor de toekenning van het gewaarborgd minimumpensioen aan bepaalde personen die worden geacht zich ten aanzien van die voorwaarde in een kwetsbaardere situatie te bevinden. Hij geeft aan dat die beide mechanismen, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen betogen, elkaar niet uitsluiten
dus perfect met elkaar kunnen worden gecumuleerd. A.3.
de tijdelijke werkloosheid. Tot slot doen zij gelden dat de bestreden bepaling eveneens een verschil in behandeling in het leven roept tussen de personen die hebben geopteerd voor periodes die met toepassing van paragraaf 5 worden gelijkgesteld
de personen die periodes van inactiviteit om medische redenen ondergaan,
dat het niet verantwoord is dat de eerste 1 560 dagen van inactiviteit niet worden « geneutraliseerd » of « gelijkgesteld » wanneer de inactiviteit het resultaat is van een medische ongeschiktheid. A.4.2. De Ministerraad merkt allereerst op dat het tweede onderdeel van het tweede middel niet duidelijk is omdat de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht de neutraliseringsmaatregel een discriminatie zou vormen
omdat zij niet aangeven welke de te vergelijken categorieën van personen zijn. Hij ziet niet in hoe de 5 bestreden maatregel de werknemers aan het einde van hun loopbaan meer zou raken, daar zij niet meer dan andere werknemers worden blootgesteld aan langdurige ziekten. Met betrekking tot de kritiek dat de maatregel vrouwen meer zou treffen, meent de Ministerraad dat die kritiek het gevolg is van een verwarring tussen de mechanismen van neutralisering
gelijkstelling, daar de ouderschapsverloven, de thematische verloven
de tijdelijke werkloosheid pertinent zijn voor het mechanisme van gelijkstelling, maar geen
kele invloed hebben op de neutralisering van de periodes van langdurige ziekte. Indien de verzoekende partijen zouden verzoeken om de geneutraliseerde periodes waarvoor een drempel is ingevoerd,
de gelijkgestelde periodes waarvoor geen drempel is ingevoerd, te vergelijken, voert de Ministerraad aan dat die categorieën niet vergelijkbaar zijn, aangezien het twee mechanismen van volkomen verschillende aard betreft. Indien de vergelijking de werknemers beoogt die de drempel van 1 561 dagen van inactiviteit om medische redenen bereiken
diegenen die die drempel niet bereiken, is de Ministerraad van mening dat die categorieën niet vergelijkbaar zijn. Hij brengt in herinnering dat het mechanisme van neutralisering tot doel heeft de meest kwetsbare personen op de arbeidsmarkt, onder wie de langdurig zieken, die meer risico lopen om het recht op het gewaarborgd minimumpensioen te verliezen, te beschermen. In ondergeschikte orde meent de Ministerraad dat met die verschillen in behandeling een legitiem doel wordt nagestreefd, namelijk vermijden dat heel langdurig zieken worden bestraft door de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling,
dat die verschillen op een objectief
pertinent criterium berusten ten aanzien van dat doel. Tot slot doet hij gelden dat de maatregel geen onevenredige gevolgen heeft aangezien, rekening houdend met het feit dat het recht op het gewaarborgd minimumpensioen pas na 30 jaar loopbaan wordt geopend, periodes van arbeidsongeschiktheid voor een totale duur van minder dan vijf jaar over de gehele loopbaan geen onoverkomelijk obstakel vormen voor de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling van zestien jaar. Hij voegt eraan toe dat het mechanisme waarbij periodes van langdurige ziekte worden geneutraliseerd, moet worden beschouwd als een uitzondering op het verzekeringsprincipe van het gewaarborgd minimumpensioen
het bijgevolg coherent
verantwoord is dat die uitzondering wordt beperkt tot langdurig zieken. Hij voert in dat verband aan dat een neutralisering van alle periodes van ziekte
invaliditeit de hervorming zou hebben uitgehold
de voornaamste doelstelling ervan, die erin bestaat het verzekeringskarakter van het gewaarborgd minimumpensioen te versterken, in het gedrang zou hebben gebracht. A.4.3. De verzoekende partijen voeren aan dat langdurige ziekten de bevolking niet in gelijke mate treffen. Naast de verschillen in geslacht worden de economisch zwakste werknemers ook het meest getroffen. De verzoekende partijen beklemtonen dat het recht op het gewaarborgd minimumpensioen vanzelfsprekend voor de werknemers
de werkneemsters met de laagste inkomens van groot belang is. Zij aanvaarden het beginsel dat het mogelijk is een onderscheid te maken tussen arbeidsongeschiktheden van lange duur
arbeidsongeschiktheden van korte duur, maar zij menen dat de drempel van 1 561 dagen niet redelijk toelaatbaar is, aangezien niet kan worden gesteld, in tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, dat de afwezigheid onder die drempel van korte duur is. Zij zijn bijgevolg van mening dat de in aanmerking genomen drempel niet als dusdanig evenredig kan worden geacht. Zij herinneren eraan dat, hoewel het pensioenrecht daadwerkelijk past in het kader van een verzekeringsstelsel, het recht op een minimumbedrag binnen dat stelsel een van de essentiële elementen vormt in de strijd tegen armoede bij de gepensioneerden, alsook een solidariteitsmechanisme is voor de werknemers met lage inkomens
de werknemers met kortere loopbanen. De verzoekende partijen voeren aan dat de Studiecommissie voor de Vergrijzing, die is opgericht binnen de Hoge Raad van Financiën, heeft berekend dat de weerslag van de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling op de begroting bijna nul was, zodat de invoering van die voorwaarde alleen een symbolisch effect heeft
geen algemeen doel nastreeft om het pensioenstelsel houdbaar te maken, of althans geen resultaat oplevert dat in verband staat met een dergelijk doel. Zij beweren dat die studie bevestigt dat de uitsluiting van de periodes van ongeschiktheid om medische redenen die korter zijn dan 1 570 voltijdse dagequivalenten, zijnde vijf jaar, onevenredige gevolgen heeft, daar een verlaging van die drempel de budgettaire weerslag, die reeds nul bedraagt, op de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling niet zou wijzigen, terwijl die drempel met zich meebrengt dat personen worden uitgesloten van het voordeel van het gewaarborgd minimumpensioen. A.4.4. De Ministerraad betwist dat er
ige lering kan worden getrokken uit de door de verzoekende partijen voorgelegde statistieken. Voorts merkt hij op dat de verzoekende partijen erkennen dat een verschil in behandeling kan worden gemaakt tussen de kortdurig zieken
de langdurig zieken. Hij leidt daaruit af dat het onderzoek dus moet worden beperkt tot de evenredigheid van de maatregel. In dat verband voert hij aan dat het mechanisme van geleidelijke neutralisering in drie stappen de evenredigheid ervan aantoont, aangezien het tot gevolg heeft dat de 6 meest kwetsbare personen worden beschermd. Hij voegt eraan toe dat de argumenten die de verzoekende partijen afleiden uit de studie van de Studiecommissie voor de Vergrijzing, tegenstrijdig zijn :
erzijds betogen zij dat de drempel van 1 561 dagen onevenredig zou zijn ten aanzien van de personen die die drempel niet bereiken, maar anderzijds erkennen zij dat de hervorming een aanzienlijk deel van haar budgettaire effecten verliest door de neutralisering
beweren zij dat dat neutraliseringsmechanisme om die reden zou moeten worden uitgebreid. Daarnaast betwist de Ministerraad dat de budgettaire weerslag kan worden gekwalificeerd als « bijna nul », terwijl die weerslag 0,05 % van het nationaal bbp vertegenwoordigt, wat het equivalent is van ettelijke honderden miljoenen euro’s. Tot slot preciseert hij dat de pensioenstelsels op lange termijn moeten worden bestudeerd
dat de gevolgen van de voorliggende hervorming vanaf 2070 ten volle zullen worden gerealiseerd. Wat betreft het derde middel A.5.1. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door artikel 3, § 5, van de wet van 25 april 2024, van artikel 23 van de Grondwet. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling een aanzienlijke achteruitgang veroorzaakt van het recht op sociale zekerheid,
meer in het bijzonder van het pensioenrecht van de personen wier loopbaan periodes bevat die, hoewel zij worden beoogd in artikel 34 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 « tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust-
overlevingspensioen voor werknemers » (hierna : het koninklijk besluit van 21 december 1967), niet worden vermeld bij de periodes die door de bestreden bepaling worden gelijkgesteld met periodes van activiteit om vast te stellen dat aan de nieuwe voorwaarde van een minimumaantal gewerkte dagen is voldaan. A.5.2. De Ministerraad is van mening dat de bestreden bepaling geen aanzienlijke achteruitgang van het vroegere beschermingsniveau veroorzaakt omdat artikel 3, § 5, derde lid, van de wet van 25 april 2024, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen betogen, door de bij artikel 34 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 gelijkgestelde periodes niet in hun geheel over te nemen, niet tot gevolg heeft dat het doel van het opnemen van bepaalde periodes als gelijkgestelde periodes voor de vaststelling van de duur van de loopbaan, op zich wordt tenietgedaan. Hij preciseert dat duidelijk het onderscheid moet worden gemaakt tussen de gelijkgestelde periodes voor de berekening van het klassieke pensioen, de gelijkgestelde periodes voor de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling met het oog op de toekenning van het gewaarborgd minimumpensioen, de gelijkgestelde periodes voor de voorwaarde van toegang tot een lange loopbaan met het oog op de toekenning van het gewaarborgd minimumpensioen
de gelijkgestelde periodes voor de berekening van het bedrag van het gewaarborgd minimumpensioen. Hij geeft aan dat de bestreden bepaling niets verandert aan de vaststelling van de loopbaan voor het recht op het rustpensioen
dat zij geen gevolgen heeft voor dat recht. Hij voegt eraan toe dat die bepaling slechts gevolgen heeft voor de toekenning van het recht op het gewaarborgd minimumpensioen
leidt daaruit af dat zij dus geen
kele achteruitgang van het vroegere beschermingsniveau met zich meebrengt, of althans geen aanzienlijke achteruitgang. De Ministerraad beklemtoont in dat verband dat de verzoekende partijen niet de invoering van de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling op zich bekritiseren, maar
kel de vaststelling van de gelijkgestelde periodes,
dat die vaststelling op zich niet tot een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau kan leiden. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat met de bestreden wijzigingen een tweevoudige doelstelling van algemeen belang wordt nagestreefd, namelijk, ten eerste, het verzekeringskarakter van het gewaarborgd minimumpensioen versterken
effectieve arbeid opwaarderen,
, ten tweede, de financiële houdbaarheid van de pensioenstelsels op lange termijn waarborgen. Hij preciseert dat de invoering van de gelijkgestelde periodes, waarvan de keuze tot de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever behoort, ertoe strekt te vermijden dat de personen die hun loopbaan om bepaalde persoonlijke redenen hebben onderbroken, worden benadeeld door de invoering van de bijkomende voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling. Bovendien voegt hij eraan toe dat aan de burgers verplichtingen kunnen worden opgelegd om toegang te hebben tot de in artikel 23 van de Grondwet verankerde rechten. A.5.3. De verzoekende partijen menen dat de door de bestreden bepaling veroorzaakte achteruitgang wel degelijk aanzienlijk is. Zij verduidelijken dat hun grief geen betrekking heeft op de voorwaarde van effectieve arbeid als dusdanig, maar op de wijze waarop die voorwaarde is ingevoerd,
zij leiden daaruit af dat de doelstelling die wordt nagestreefd door de uitsluiting van de bestaande gelijkgestelde periodes, die niet in artikel 3, § 5, van de bestreden wet zijn opgenomen, zou moeten worden geïdentificeerd, hetgeen de Ministerraad niet doet. Zij brengen in herinnering dat de invoering van de voorwaarde van effectieve arbeid geen reële budgettaire weerslag heeft, zodat de door hen aangeklaagde aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau niet wordt verantwoord door een reden van algemeen belang. 7 Wat betreft het vierde middel A.6.1. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending, door artikel 3, § 5, van de wet van 25 april 2024, van de artikelen 10
11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23 ervan. Zij doen gelden dat er zelfs ten aanzien van de criteria die de wetgever heeft vastgesteld om de gelijkgestelde periodes te bepalen, geen redelijke verantwoording is om de periodes van inactiviteit die voortvloeien uit de uitoefening van een opdracht ten dienste van de gemeenschap, uit te sluiten. Zij halen in dat verband de periodes van militieverplichtingen, de periodes van uitoefening van een functie van rechter in sociale zaken, de periodes van syndicale opdracht
de periodes van arbeidsduurvermindering in het kader van maatregelen tot herverdeling van de arbeid aan. Zij zijn eveneens van mening dat het niet gelijkstellen van periodes van inactiviteit die aan de werknemer worden opgelegd, zoals de periodes van lock-out, de periodes van voorlopige hechtenis ingevolge feiten waarvoor de betrokkene geen veroordeling heeft opgelopen
de periodes van verlof om dwingende redenen, niet verantwoord is. Zij zijn tot slot ook van mening dat het uitsluiten van de periodes van tijdskrediet om voor een kind te zorgen, evenmin verantwoord is. A.6.2. De Ministerraad meent dat de door de verzoekende partijen vergeleken categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. Hij merkt op dat alle beoogde situaties per definitie verschillend zijn
dat om die reden een onderscheid wordt gemaakt tussen die situaties in de wet-
regelgeving. Hij verduidelijkt dat de periodes die worden gelijkgesteld met toepassing van de bestreden bepaling overeenstemmen met periodes van de loopbaan in loondienst waarin een inactiviteit werd opgelegd aan de werknemer, in tegenstelling tot de periodes die door de bestreden bepaling niet worden gelijkgesteld
die overeenstemmen met periodes waarin de werknemer zelf voor zijn inactiviteit heeft geopteerd. In ondergeschikte orde herinnert de Ministerraad eraan dat de bestreden maatregel een legitiem doel nastreeft, dat hij objectief
pertinent is ten aanzien van dat doel
ermee evenredig is. Hij verwijst naar zijn argumentatie die hij in antwoord op het derde middel heeft uiteengezet. Hij voegt eraan toe dat de wetgever met die maatregel eveneens de kloof tussen het pensioen van mannen
dat van vrouwen wilde verkleinen, door rekening te houden met het feit dat die laatstgenoemden het vaakst de zorgtaken in de gezinsomgeving op zich nemen. A.6.3. De verzoekende partijen betwisten dat het verschil in behandeling tussen de periodes die worden gelijkgesteld
de periodes die niet worden gelijkgesteld, is gebaseerd op de keuze van de werknemer. Zij merken op dat sommige van de gelijkgestelde periodes van inactiviteit het gevolg zijn van een keuze van de werknemer (adoptieverlof, pleegouderverlof, thematische verloven of tijdskrediet voor palliatieve zorg of de zorg voor een kind met een handicap), zelfs indien die keuze mogelijk werd beïnvloed door omstandigheden in het leven,
dat bepaalde periodes die niet zijn opgenomen in de gelijkgestelde periodes daarentegen niet voortvloeien uit de keuze van de betrokkene (militieverplichtingen, periode van lock-out, voorlopige hechtenis ingevolge feiten waarvoor de betrokkene niet werd veroordeeld). Zij voegen eraan toe dat sommige periodes van inactiviteit, hoewel zij daadwerkelijk voortvloeien uit een keuze, passen in contexten die niet fundamenteel lijken te verschillen van die welke de gelijkstelling zouden verantwoorden (uitoefening van een functie van rechter in sociale zaken, verlof om dwingende redenen, zorgverlof zonder behoud van loon,
zovoort). Zij besluiten daaruit dat niet wordt ingezien welk objectief criterium het verschil tussen de gelijkgestelde periodes
de periodes die niet worden gelijkgesteld, verantwoordt. In het bijzonder merken zij op dat het ten aanzien van het doel om de kloof tussen het pensioen van mannen
dat van vrouwen te verkleinen, vooral onbegrijpelijk is dat de periodes van zorgverlof zonder behoud van loon, de periodes van verlof om dwingende redenen
de periodes van uitoefening van het recht op tijdskrediet, waarvan grotendeels vrouwen gebruikmaken, niet in aanmerking zijn genomen bij de gelijkgestelde periodes. A.6.4. Na zijn argumentatie te hebben herhaald, voegt de Ministerraad in ondergeschikte orde eraan toe dat een eventuele vernietiging zou moeten worden beperkt tot de periodes van inactiviteit die aan de werknemer worden opgelegd
die door de bestreden bepaling niet worden gelijkgesteld, namelijk de periodes van militieverplichtingen, de periodes van lock-out
de periodes van voorlopige hechtenis ingevolge feiten waarvoor de betrokkene geen veroordeling heeft opgelopen. Wat betreft het vijfde middel A.7.1. De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit de schending, door artikel 3, § 5, van de wet van 25 april 2024, van de artikelen 10, 11
23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de algemene beginselen van het gewettigd vertrouwen
de rechtszekerheid. Zij zetten uiteen dat de nieuwe voorwaarde van 8 een minimumaantal daadwerkelijk gepresteerde dagen volledig van toepassing is op de personen die vanaf 1 januari 1970 zijn geboren
gedeeltelijk op de personen die tussen 1 januari 1963
31 december 1969 zijn geboren. Zij voeren aan dat op discriminerende wijze afbreuk wordt gedaan aan de pensioenrechten van de werknemers
aan hun legitieme verwachtingen door de ontstentenis van een overgangsbepaling waarbij de periodes die geen periodes van effectieve arbeid zijn, kunnen worden gelijkgesteld met periodes van effectieve arbeid met toepassing van de paragrafen 4
5 van de bestreden bepaling, maar waarvoor de werknemer, op het moment dat hij ervoor koos die periodes te genieten, niet kon voorzien dat zij een weerslag zouden hebben op zijn pensioenrechten omdat het ging om periodes die werden gelijkgesteld met periodes van activiteit voor de berekening van de duur van de loopbaan. A.7.2. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de personen die hebben gekozen voor periodes die door de bestreden bepaling niet werden gelijkgesteld vóór de inwerkingtreding ervan
de personen die voor diezelfde periodes hebben gekozen na die inwerkingtreding, niet vergelijkbaar zijn, omdat een bepaling die de toepassingsvoorwaarde van de vroegere wetgeving wijzigt, niet om die reden kan worden beschouwd als strijdig met het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat de bestreden maatregel een legitiem doel nastreeft, objectief
pertinent is,
redelijk verantwoord is. Hij verwijst naar de argumenten die hij reeds heeft uiteengezet
brengt in herinnering dat het niet aan het Hof staat om te beslissen welk criterium in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van een overgangsregeling. Hij beklemtoont het feit dat de gevolgen van de bekritiseerde maatregel beperkt zijn, aangezien hij geenszins afbreuk doet aan het pensioenrecht
slechts betrekking heeft op de voorwaarden voor de toekenning van het gewaarborgd minimumpensioen, dat
kel een sociale correctie op het rustpensioen vormt
slechts wordt toegekend indien het bedrag van het klassieke rustpensioen lager is dan een bepaalde drempel. Hij verwijst ook naar de overgangsmaatregelen die ertoe strekken de rechten te waarborgen van de personen die bijna met pensioen gaan
meent dat de invoering van een bijkomende overgangsmaatregel voor de werknemers die zouden hebben gekozen voor periodes van inactiviteit die vóór de invoering van de bestreden wet niet werden gelijkgesteld, tot gevolg zou hebben dat de nieuwe voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling wordt uitgehold. Tot slot is hij van mening dat voldoende rekening is gehouden met de legitieme verwachtingen van de werknemers doordat de hervorming ruim vóór de aanneming ervan openbaar is gemaakt. A.7.3. De verzoekende partijen herhalen dat de invoering van de voorwaarde van effectieve arbeid bijna geen budgettaire weerslag zal hebben op de kosten van de vergrijzing
dat het voordeel voor het algemeen belang dus meer dan marginaal is. Zij leiden daaruit af dat de hervorming, zoals de Ministerraad ten onrechte beweert, niet zou worden uitgehold door rekening te houden met alle periodes die worden gelijkgesteld krachtens artikel 34 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 waarvan de werknemers vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet hebben gebruikgemaakt. Daarentegen zijn de gevolgen van de aantasting van het recht op het gewaarborgd minimumpensioen verre van marginaal voor de betrokkenen, daar die personen aldus wordt belet om het pensioenbedrag te verkrijgen dat noodzakelijk wordt geacht voor een gepensioneerde om een menswaardig leven te kunnen leiden. Wat betreft het zesde middel A.8.1. De verzoekende partijen leiden een zesde middel af uit de schending, door artikel 8 van de wet van 25 april 2024, van de artikelen 10, 11
23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de algemene beginselen van het gewettigd vertrouwen
de rechtszekerheid. Zij zetten uiteen dat artikel 8 van de wet van 25 april 2024, dat tot doel heeft het aantal daadwerkelijk gepresteerde dagen dat is vereist voor de personen die tussen 1 januari 1963
31 december 1969 zijn geboren, geleidelijk aan te beperken, een aantal in aanmerking genomen dagen bevat dat niet-lineair toeneemt
afhangt van het geboortejaar. Zij klagen aan dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met het objectieve verschil tussen de personen die aan het begin of aan het einde van het jaar zijn geboren,
menen dat het criterium van het geboortejaar voor de personen die aan het einde van het jaar zijn geboren, een onevenredige aantasting van het recht op sociale zekerheid
op fatsoenlijke arbeidsomstandigheden met zich meebrengt. Zij verwijten de wetgever voorts dat hij geen rekening heeft gehouden met de werkelijke duur van de afgelopen of nog te presteren loopbaan, duur die niet alleen verschilt volgens het geboortejaar, maar eveneens volgens de datum waarop de betrokkene begon te werken. Zij geven aan dat het criterium van het jaar waarin het pensioen ingaat, dat in aanmerking had kunnen worden genomen, niet dezelfde gebreken vertoont. A.8.2. De Ministerraad is van mening dat de beoordeling van de wetgever te dezen redelijk is
zeker niet klaarblijkelijk verkeerd, zodat het niet aan het Hof staat om het door de wetgever in aanmerking genomen criterium 9 te vervangen door een ander. Hij vestigt de aandacht erop dat overgangsbepalingen in hun geheel moeten worden beschouwd
dat de verworven rechten, in het bijzonder die van de personen die op het moment van de inwerkingtreding van de bestreden wet bijna de pensioenleeftijd hebben bereikt
die van de personen die op dat moment reeds aan de loopbaanvoorwaarde voldeden, worden beschermd. De bestreden bepaling heeft van haar kant tot doel te vermijden dat afbreuk wordt gedaan aan de legitieme verwachtingen van de personen die bijna de pensioenleeftijd hebben, maar die nog niet aan de loopbaanvoorwaarde voldoen. Bijgevolg wordt de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling geleidelijk aan ingevoerd, teneinde te waarborgen dat die voorwaarde voorzienbaar is voor de burgers
dat zij hun gewettigd vertrouwen in het systeem behouden. Met betrekking tot het criterium van het geboortejaar herinnert de Ministerraad eraan dat de datum waarop het pensioen ingaat, nog steeds afhangt van de geboortedatum van de betrokkene
er dus geen
kele reden is om een onderscheid te maken naargelang een werknemer aan het begin dan wel aan het einde van het jaar is geboren. Hij voegt eraan toe dat het in aanmerking nemen van het jaar waarin het pensioen ingaat, dat wordt voorgesteld door de verzoekende partijen, tot exact hetzelfde resultaat zou leiden als wanneer het geboortejaar in overweging wordt genomen. Wat betreft de kritiek die is afgeleid uit de ontstentenis van lineariteit bij de vermindering van de te bewijzen daadwerkelijk gepresteerde dagen, geeft hij aan dat die keuze is ingegeven door de bedoeling om een vlotte overgang naar de toekomstige wetgeving mogelijk te maken voor de personen die bijna met pensioen gaan. A.8.
financiële houdbaarheid van de pensioenen te garanderen door werk meer te valoriseren, door meer solidariteit
door meer rekening te houden met de realiteit op de arbeidsmarkt inzake mannen
vrouwen
meer convergentie tussen de stelsels » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3808/001, p. 5). Een van de hervormingen die worden doorgevoerd ter uitvoering van het regeerakkoord van 30 september 2020 is ook de « herwaardering van de minimumbescherming (het minimumpensioen [
de] inkomensgarantie voor ouderen) » (ibid.). B.1.3. Titel 2 van de wet van 25 april 2024 heeft tot doel een voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling in te voeren voor de toegang tot het minimumpensioen teneinde « de band tussen het pensioen
de beroepsloopbaan, met andere woorden het verzekeringsprincipe, te versterken » (ibid., p. 7). Die nieuwe voorwaarde wordt uitgedrukt in daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten over de gehele loopbaan van de werknemer of de werkneemster teneinde « de personen met meer onregelmatige loopbanen – voor het merendeel vrouwen – te beschermen » (ibid., p. 9). Artikel 3, § 1, van de wet van 25 april 2024 stelt het aantal dagen dat over de gehele loopbaan daadwerkelijk moet worden gewerkt, vast op 5 000 voltijdse dagequivalenten voor voltijdse werknemers
op 3 120 voltijdse dagequivalenten voor deeltijdse werknemers. Die dagaantallen werden vastgesteld teneinde voor de toekenning van het gewaarborgd minimumpensioen « minimaal 20 jaar daadwerkelijke tewerkstelling » te eisen over de loopbaan, die dan weer 30 jaar moet tellen (ibid., p. 17). Die nieuwe voorwaarde gaat gepaard met uitzonderingen in de vorm van gelijkstellingen (artikel 3, § 5)
neutraliseringen (artikel 3, § 4) van bepaalde periodes om billijkheidsredenen. Die nieuwe voorwaarde is
kel van toepassing op de pensioenen die ingaan na 1 januari 2025, datum van inwerkingtreding ervan (artikel 9),
gaat gepaard met overgangsbepalingen die tot gevolg hebben dat de personen die op het moment van die inwerkingtreding bijna met pensioen gaan, worden vrijgesteld van de toepassing ervan,
dat een versoepelde toepassing mogelijk is voor de personen die vóór 1 januari 1970 zijn geboren (artikelen 7
8). 11 Ten aanzien van de omvang van het beroep B.2.1. Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te bepalen op grond van de inhoud van het verzoekschrift. Het Hof kan slechts uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd
, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd. B.2.2. Zoals de Ministerraad opmerkt, zijn de middelen
kel gericht tegen artikel 3, § 4, artikel 3, § 5,
artikel 8 van de wet van 25 april 2024, hoewel de verzoekende partijen in het verzoekschrift aangeven dat het beroep « betrekking heeft op de invoering van de voorwaarde inzake effectieve beroepsbezigheid voor de toegang tot het minimumpensioen, dat het voorwerp uitmaakt van titel 2 » van die wet. Bijgevolg beperkt het Hof de omvang van het vernietigingsberoep tot die bepalingen. Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.3.
van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 : 1° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmerking worden genomen in de regeling voor werknemers
die elk ten minste 208 voltijdse dagequivalenten omvatten
van de kwartalen in aanmerking genomen in de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten minste gelijk is aan 30
die, onverminderd de toepassing van paragraaf 4, ten minste 5.000 daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten bevat; 2° hetzij het totaal van de kalenderjaren die in aanmerking worden genomen in de regeling voor werknemers
die elk ten minste 156 voltijdse dagequivalenten omvatten
van de kwartalen in aanmerking genomen in de regeling voor zelfstandigen gedeeld door vier, ten minste gelijk is aan 30
die, onverminderd de toepassing van paragraaf 4, ten minste 3.120 daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten bevat. 12 Wanneer het rustpensioen als werknemer is berekend op basis van één of meerdere breuken met een noemer lager dan 45, wordt het aantal in aanmerking te nemen kalenderjaren betreffende elke noemer vermenigvuldigd met de verhouding tussen 45
deze lagere noemer. [...] § 4. Indien de beroepsloopbaan perioden bevat tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen, dan wordt een lager aantal dan het in paragraaf 1, eerste lid, 1°,
paragraaf 2, eerste lid, 1°, bedoelde aantal van 5.000 daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten vereist. Het aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten wordt vastgesteld naargelang de beroepsloopbaan : 1° indien deze 1.561 tot
met 9.359 dagen bevat tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen, is de vermindering van het aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten gelijk aan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat, bekomen door het product van 100/312 met het verschil tussen het aantal dagen tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen
1.560; 2° indien deze ten minste 9.360 dagen bevat tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen, is het vereiste aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten gelijk aan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat, bekomen door het verschil tussen 14.040
het aantal dagen tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen, vermenigvuldigd met het product van 250/312 met 30/45. Het in paragraaf 1, eerste lid, 2°,
paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde vereiste aantal van 3.120 daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten wordt vervangen door het krachtens het eerste lid vastgestelde aantal voor zover het aldus bekomen resultaat voordeliger is. Wanneer het overlevingspensioen als werknemer is berekend op basis van één of meerdere breuken met een noemer die lager is dan 45, wordt het aantal in aanmerking te nemen dagen tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen betreffende elke noemer vermenigvuldigd met de verhouding tussen 45
de lagere noemer. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder perioden tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen begrepen, de perioden bedoeld in : 1° artikel 34, § 1, B., 1°
3°, van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 2° artikel 34, § 1, C., van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 3° artikel 34, § 1, K., van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 4° artikel 29 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust-
overlevingspensioen der zelfstandigen, omgezet in dagen; 13 5° artikel 120, tweede lid, van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale
diverse bepalingen, tijdens welke de persoon bedoeld in artikel 118, § 1, van voormelde wet van 26 juni 1992, om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, omgezet in dagen. De in het vierde lid, 1° tot 3°, bedoelde perioden worden in aanmerking genomen voor zover ze krachtens artikel 34, § 2, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 worden gelijkgesteld, vóór toepassing van artikel 28bis van het koninklijk besluit van 21 december
79 van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 2° bedoeld bij de artikelen 92 tot
met 98bis van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust-
overlevingspensioen der zelfstandigen. Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot 3, wordt voor de vaststelling van de loopbaan als werknemer rekening gehouden met de perioden, omgezet in voltijdse dagequivalenten : 1° bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 8, van de programmawet (I) van 24 december 2002, zoals hersteld door de wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie; 2° bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 8/1, van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002; 3° bedoeld in titel 2, hoofdstuk 2, van de voormelde wet van 6 maart 2020; 4° bedoeld in de hoofdstukken 2
3 van het koninklijk besluit nr. 46 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot ondersteuning van de werkgevers
de werknemers. Voor de toepassing van de paragrafen 1
2 worden met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten gelijkgesteld, de perioden : 1° bedoeld in artikel 34, § 1, D., van het koninklijk besluit van 21 december 1967, vóór toepassing van artikel 28bis
artikel 34, § 2, 3., eerste lid, van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 2° bedoeld in artikel 34, § 1, A., 1°, van het koninklijk besluit van 21 december 1967, beperkt tot tijdelijke werkloosheid; 14 3° bedoeld in artikel 34, § 1, B., 2°
R., van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 4° bedoeld in artikel 34, § 1, Nter., van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 5° bedoeld in artikel 34, § 1, S., van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 6° bedoeld in artikel 34, § 1, V., van het koninklijk besluit van 21 december 1967; 7° bedoeld in artikel 4, § 4, b),
, eerste lid, eerste streepje, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid
kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering
vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, zoals van kracht voor 1 januari 2015; 8° bedoeld in artikel 5, § 2, b)
d), van het voormelde koninklijk besluit van 12 december 2001; 9° bedoeld in de artikelen 5
6 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet; 10° van tewerkstelling van werklozen door de provinciën, de gemeenten, de openbare instellingen of een andere werkgever; 11° bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 8, van de programmawet (I) van 24 december 2002, zoals hersteld door de wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie; 12° bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 8/1, van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002; 13° bedoeld in titel 2, hoofdstuk 2, van de voormelde wet van 6 maart 2020; 14° bedoeld in de hoofdstukken 2
3 van het koninklijk besluit nr. 46 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot ondersteuning van de werkgevers
de werknemers. De in het derde lid, 2° tot
met 14° bedoelde perioden worden omgezet in voltijdse dagequivalenten. De in het derde lid, 2° tot
met 10°, bedoelde perioden worden in aanmerking genomen voor zover ze krachtens artikel 34, §§ 1
2, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 worden gelijkgesteld. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het tweede
derde lid bedoelde perioden wijzigen, aanvullen of vervangen, alsook de wijze waarop deze perioden in aanmerking worden genomen. 15 In afwijking van artikel 2, 10°, a), worden voor de kalenderjaren als kunstwerker de arbeidsdagen zoals berekend overeenkomstig artikel 185, § 3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering in aanmerking genomen als daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten voor de toepassing van de paragrafen 1
artikel 3, § 2, eerste lid,
onverminderd de toepassing van artikel 3, § 4,
artikel 7, bedraagt het vereiste aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten : Voor de Voor de toepassing van : personen artikel 3, § 1, eerste lid, 1°,
artikel 3, § 1, eerste lid, 2°,
artikel 3, geboren in : artikel 3, § 2, eerste lid, 1° § 2, eerste lid, 2° 1963 1.250 780 1964 1.500 936 1965 1.750 1.092 1966 2.250 1.404 1967 2.750 1.716 1968 3.500 2.184 1969 4.250 2.652 Indien de beroepsloopbaan perioden bevat tijdens welke betrokkene om medische redenen geen daadwerkelijke tewerkstelling kan bewijzen stemt het vereiste aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten overeen met het krachtens het artikel 3, § 4, vastgestelde aantal voor zover het aldus bekomen resultaat voordeliger is ». Ten aanzien van het belang B.4.1. De Grondwet
de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks
ongunstig zou kunnen worden geraakt. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is
, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. 16 B.4.2. De Ministerraad is van mening dat geen van de verzoekende verenigingen
organisaties doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen. Hij voegt eraan toe dat de zesde tot de achtste verzoekende partij, die vakorganisaties zijn die niet over rechtspersoonlijkheid beschikken, niet het bewijs leveren van hun bekwaamheid om het beroep tot vernietiging in te stellen. B.4.3. De eerste
de tweede verzoekende partij zijn verenigingen zonder winstoogmerk die zich als doel hebben gesteld kwetsbaarheid
armoede te bestrijden. De bestreden bepalingen maken deel uit van een regeling met als doel
gevolg dat voor het verkrijgen van het gewaarborgd minimumpensioen een voorwaarde wordt toegevoegd. Zij hebben dus noodzakelijkerwijs tot gevolg dat bepaalde personen van het voordeel van die waarborg worden uitgesloten. Daar het gewaarborgd minimumpensioen per hypothese betrekking heeft op personen voor wie het pensioenbedrag geen minimum bereikt dat door de wetgever als passend wordt beschouwd, doet het feit dat die personen van het voordeel van het gewaarborgd minimumpensioen worden uitgesloten, voor hen een aanzienlijk risico op verhoogde kwetsbaarheid ontstaan. Daaruit volgt dat het statutair doel van de eerste twee verzoekende partijen kan worden geraakt door de bestreden bepalingen. In dat opzicht maakt het niet uit dat die bepalingen geen deel uitmaken van een « bijstandswetgeving » of dat het doel van de uitkeringen waarop zij betrekking hebben, niet uitsluitend of hoofdzakelijk erin bestaat armoede te bestrijden. Sociale uitkeringen maken deel uit van de regelingen die bedoeld zijn om het recht op een menswaardig leven te waarborgen
in dat opzicht valt het doel van verenigingen die kwetsbaarheid
armoede bestrijden daaronder. B.4.4. De eerste
de tweede verzoekende partij doen blijken van een belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen. Bijgevolg is het niet noodzakelijk de ontvankelijkheid van het beroep met betrekking tot de andere verzoekende partijen te onderzoeken. De exceptie wordt verworpen. 17 Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.5.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 3, § 4, zesde lid,
, zesde lid, van de wet van 25 april 2024, van artikel 23, derde lid, 1°, 2°
5°, van de Grondwet. De verzoekende partijen klagen aan dat die bepalingen de Koning ertoe machtigen de geneutraliseerde of gelijkgestelde periodes waarmee rekening wordt gehouden voor de berekening van de loopbaan die recht geeft op het gewaarborgd minimumpensioen, in strijd met het door die grondwetsbepaling gewaarborgde wettigheidsbeginsel te wijzigen of zelfs af te schaffen. B.5.2. Artikel 23, tweede lid
derde lid, 2°, van de Grondwet verplicht de bevoegde wetgever om het recht op sociale zekerheid te waarborgen
de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht te bepalen. Die grondwetsbepaling verbiedt die wetgever echter niet machtigingen te verlenen aan de uitvoerende macht, voor zover die machtigingen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de wetgever het onderwerp heeft aangegeven. Die grondwetsbepaling verplicht de wetgever niet om alle essentiële elementen van het recht op sociale zekerheid te regelen
verbiedt hem niet om de uitvoerende macht ertoe te machtigen die te regelen. B.6. Met betrekking tot de in het middel beoogde machtigingen aan de Koning vermeldt de memorie van toelichting : « Het zesde lid van paragraaf 4 machtigt de Koning om, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de te neutraliseren perioden te wijzigen, aan te vullen of te vervangen. In antwoord op een opmerking van de Raad van State in zijn advies 74.718/VR van 22 december 2023 dient benadrukt te worden dat deze machtiging voornamelijk tot doel heeft om de in het vierde lid geciteerde reglementaire verwijzingen in overeenstemming te kunnen brengen met toekomstige aanpassingen op dit vlak. Bovendien is de uitvoerende macht – in uitvoering van artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 50 – reeds gemachtigd om de gelijkstelling van inactiviteitsperioden
de bijhorende toekenning van pensioenrechten te 18 bepalen. Bijgevolg is de in het zesde lid voorziene machtiging eerder legistiek-technisch van aard » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3808/001, pp. 22-23).
: « Het zesde lid van paragraaf 5 machtigt de Koning om, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de in het tweede
derde lid bedoelde perioden te wijzigen, aan te vullen of te vervangen, alsook de wijze waarop deze perioden in aanmerking worden genomen. In antwoord op een opmerking van de Raad van State in zijn advies 74.718/VR van 22 december 2023 dient benadrukt te worden dat deze machtiging voornamelijk tot doel heeft om de in het tweede
derde lid geciteerde reglementaire verwijzingen in overeenstemming te kunnen brengen met toekomstige aanpassingen op dit vlak. Bovendien is de uitvoerende macht – in uitvoering van artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 50 – reeds gemachtigd om de gelijkstelling van inactiviteitsperioden
de bijhorende toekenning van pensioenrechten te bepalen. Bijgevolg is de in het zesde lid voorziene machtiging eerder legistiek-technisch van aard » (ibid., p. 26). B.7.1. Door erin te voorzien dat bepaalde periodes waarin de werknemer of de werkneemster niet daadwerkelijk arbeidsdagen heeft gepresteerd, voor de berekening van het aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse arbeidsdagequivalenten worden geneutraliseerd of gelijkgesteld met gewerkte dagen, alsook door te preciseren welke soorten periodes daarvoor in aanmerking moeten worden genomen
op welke wijze dat moet gebeuren, heeft de wetgever het onderwerp van de bepalingen waartoe hij de Koning voor het overige machtigt ze aan te nemen, voldoende bepaald. Uit de toelichtingen die de wetgever in antwoord op de opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft gegeven, blijkt bovendien dat de machtigingen in essentie ertoe strekken de Koning toe te staan de reglementaire verwijzingen op basis waarvan de betrokken periodes kunnen worden bepaald, aan te passen. B.7.2. De bekritiseerde machtigingen kunnen voor het overige niet in die zin worden begrepen dat zij de Koning ertoe machtigen een einde te maken aan de neutralisering of de gelijkstelling van niet-daadwerkelijk gepresteerde periodes die door de wetgever uitdrukkelijk werden geneutraliseerd of gelijkgesteld, in een materie die door de Grondwetgever aan de wetgever is voorbehouden. Indien de Koning die grenzen niet in acht zou nemen, dan zou Hij daarmee een maatregel nemen die verder gaat dan de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de wetgever het onderwerp heeft aangegeven,
zou hij aldus artikel 23, tweede lid
derde lid, 2°, van de 19 Grondwet schenden. Wanneer een wetgever een machtiging verleent, moet evenwel worden aangenomen – behoudens aanwijzingen in de tegenovergestelde zin – dat hij de gemachtigde
kel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met de Grondwet. B.7.
11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23 ervan. In het eerste onderdeel van dat middel klagen de verzoekende partijen aan dat die bepaling de neutralisering van de periodes van inactiviteit om medische redenen verankert door te verbieden dat zij wordt gecumuleerd met het mechanisme van de gelijkstelling van bepaalde periodes bedoeld in paragraaf 5 van dezelfde bepaling. Daaruit zou een discriminatie volgen ten nadele van de werknemer of de werkneemster van wie de loopbaan een of meer inactiviteitsperiodes om medische redenen
een of meer gelijkgestelde inactiviteitsperiodes bevat. In het tweede onderdeel van dat middel klagen de verzoekende partijen aan dat dezelfde bepaling de neutralisering van de periodes van ongeschiktheid om medische redenen beperkt tot de gevallen waarin die gecumuleerde periodes 1 561 dagen bedragen
dat zij niet in eenzelfde neutralisering voorziet wanneer de periodes van ongeschiktheid om medische redenen die drempel niet overschrijden, waardoor de werknemers wier loopbaan periodes van ongeschiktheid om medische redenen bevat waarvan het totaal minder dan 1 561 dagen bedraagt
periodes van inactiviteit die krachtens artikel 3, § 5, van de wet van 25 april 2024 worden gelijkgesteld, zouden worden benadeeld. B.9.1. Zoals de Ministerraad aanvoert, zijn het bij artikel 3, § 4, van de wet van 25 april 2024 geregelde mechanisme van neutralisering van de periodes van ongeschiktheid om medische redenen
het stelsel van gelijkstelling van de in artikel 3, § 5, van dezelfde wet bedoelde periodes cumulatief toepasselijk op de situatie van eenzelfde persoon. Het noodzakelijke aantal dagen van daadwerkelijke tewerkstelling dat de werknemer of de werkneemster moet bewijzen om het gewaarborgd minimumpensioen te verkrijgen, wordt 20 immers nog altijd bepaald op grond van artikel 3, § 4, indien de loopbaan van die werknemer of werkneemster periodes van inactiviteit om medische redenen bevat. Het totale aantal daadwerkelijk gepresteerde dagen dat voor de berekening van de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling is vereist, wordt dus steeds verminderd naargelang van de dagen die op grond van de bestreden bepaling worden geneutraliseerd, ongeacht of de werknemer of de werkneemster al dan niet gelijkgestelde periodes kan doen gelden. Indien de werknemer of de werkneemster periodes wil doen gelden die met toepassing van artikel 3, § 5, worden gelijkgesteld, doet de gelijkstelling van die periodes geen afbreuk aan het feit dat het vereiste aantal gepresteerde dagen wordt bepaald door rekening te houden met de neutralisering die op grond van artikel 3, § 4, wordt uitgevoerd. Het rekening houden met de in artikel 3, § 5, gebruikte zinsneden « Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot 3 »
« Voor de toepassing van de paragrafen 1
2 » leidt niet tot een andere conclusie. B.9.
blijft het aantal daadwerkelijk gewerkte dagen waaruit de loopbaan moet bestaan om het recht op het gewaarborgd minimumpensioen te openen, naargelang van het geval vastgesteld op 5 000 of op 3 120 dagen. B.10.2. De verzoekende partijen voeren aan dat de gevolgen van die maatregel aanzienlijker zullen zijn voor de werknemers van wie de medische ongeschiktheid zich aan het einde van de loopbaan zou voordoen, of nadat zij voor periodes hebben geopteerd die met toepassing van artikel 3, § 5, van de wet van 25 april 2024 worden gelijkgesteld, maar zij tonen niet aan in welk opzicht dat het geval zou zijn. Aangezien, zoals in B.9.1 is vermeld, de mechanismen van neutralisering
gelijkstelling cumulatief toepasselijk zijn op de gehele beroepsloopbaan, heeft het ogenblik waarop de ongeschiktheid om medische redenen zich voordoet, geen belang voor het resultaat van de berekening. Om dezelfde reden wordt niet ingezien in welk opzicht vrouwen wier loopbaan vaker dan die van mannen gelijkgestelde periodes bevat, door die regel zouden worden benadeeld. 21 B.10.3. Voor het overige vermocht de wetgever redelijkerwijs ervan uit te gaan dat het niet was vereist de periodes van arbeidsongeschiktheid om medische redenen van een beroepsloopbaan te neutraliseren, wanneer het totale aantal dagen van ongeschiktheid over die gehele loopbaan gelijk is aan of lager dan 1 560 dagen. Door het mechanisme van de neutralisering voor te behouden aan de langdurig zieken, heeft hij een maatregel genomen die ertoe strekt die categorie van bijzonder kwetsbare werknemers te beschermen teneinde te vermijden dat zij door de invoering van de voorwaarde waarbij de daadwerkelijke tewerkstelling wordt vastgesteld op 5 000 voltijdse dagen
op 3 120 deeltijdse dagen, zouden worden bestraft. Voor de werknemers van wie de loopbaan een aantal dagen van ongeschiktheid om medische redenen bevat dat lager is dan die drempel, brengt de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling, zoals vastgesteld bij het niet-bestreden artikel 3, § 1, van de wet van 25 april 2024, geen onevenredige gevolgen teweeg aangezien de rest van de loopbaan voldoende lang is om het aantal dagen van daadwerkelijke tewerkstelling te bewijzen dat is vereist om het voordeel van het gewaarborgd minimumpensioen te verkrijgen. B.11. Het tweede middel is niet gegrond. Wat betreft het derde
het vierde middel B.12. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 3, § 5, derde lid, van de wet van 25 april 2024, van artikel 23 van de Grondwet. Het vierde middel is afgeleid uit de schending, door dezelfde bepaling, van de artikelen 10
11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23 ervan. De verzoekende partijen verwijten de wetgever dat hij slechts een deel van de inactiviteitsperiodes die bij artikel 34, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 « tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust-
overlevingspensioen voor werknemers » (hierna : het koninklijk besluit van 21 december 1967) worden gelijkgesteld met arbeidsperiodes, in aanmerking heeft genomen als gelijkgestelde dagen voor de berekening van het aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten om het gewaarborgd minimumpensioen te verkrijgen. Gelet op de onderlinge samenhang ervan onderzoekt het Hof het derde
het vierde middel samen. 22 B.13.
11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust
het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel
de gevolgen van de betwiste maatregel
met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen
het beoogde doel. B.14.2. De verzoekende partijen voeren aan dat het feit dat voor de berekening van de 5 000 of 3 120 daadwerkelijk gepresteerde voltijdse arbeidsdagequivalenten die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van het voordeel van het gewaarborgd minimumpensioen, de volgende periodes, die nochtans bij artikel 34, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 worden gelijkgesteld met arbeidsperiodes voor de berekening van de tewerkstellingstermijn die het recht op het rustpensioen opent, niet worden gelijkgesteld, discriminaties doet ontstaan ten nadele van de werknemers wier loopbaan een of meer van die periodes bevat : - de periodes van militieverplichtingen in het Belgisch leger (artikel 34, § 1, F); - de periodes van staking
periodes van lock-out (artikel 34, § 1, H); - de periodes van uitoefening van een functie van rechter in sociale zaken of van een ambt in een commissie opgericht met het oog op de toepassing van de sociale wetgeving (artikel 34, § 1, I); 24 - de periodes van voorlopige hechtenis ingevolge een feit waarvoor de betrokkene geen veroordeling heeft opgelopen (artikel 34, § 1, J); - de periodes van syndicale opdracht (artikel 34, § 1, L); - de periodes van verlof om dwingende redenen zonder behoud van loon die maximaal tien dagen per jaar bedragen
de perioden van zorgverlof, bedoeld in artikel 30bis, § 2, van de wet van 3 juli 1978 « betreffende de arbeidsovereenkomsten », zonder behoud van loon (artikel 34, § 1, M); - de periodes van een volledige beroepsloopbaanonderbreking, onder bepaalde voorwaarden (artikel 34, § 1, N); - de periodes van inactiviteit wegens uitoefening van het recht op tijdskrediet of op loopbaanvermindering waarin wordt voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis van 19 december 2001
in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 103 van 27 juni 2012, alsook de periodes van gemotiveerd tijdskrediet bedoeld in artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 24 september 2012 « tot uitvoering van artikel 123 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen » (artikel 34, § 1, Nbis); - de periodes van inactiviteit vanaf de leeftijd van 50 jaar wegens uitoefening van het recht op loopbaanvermindering of vermindering van arbeidsprestaties zoals bepaald bij artikel 9 van de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis of gedurende welke de werknemer zijn arbeidsprestaties heeft verminderd overeenkomstig de in artikel 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen bedoelde voorwaarden of de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 « betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen » heeft genoten, onder bepaalde voorwaarden (artikel 34, § 1, O); - de periodes tijdens welke de werknemer geen activiteit heeft uitgeoefend omdat hij, in het kader van maatregelen tot herverdeling van de arbeid, zijn arbeidsprestaties heeft beperkt (artikel 34, § 1, P); - de periodes van inactiviteit van de deeltijdse werknemer die het bij de werkloosheidsreglementering bepaalde statuut « deeltijdse werknemer met behoud van 25 rechten » geniet, met wie de rechthebbende op een voltijds conventioneel brugpensioen of een voltijds stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag die een deeltijdse arbeid als werknemer hervat, wordt gelijkgesteld (artikel 34, § 1, Q). B.14.3. Het verschil in behandeling tussen de werknemers wier loopbaan een of meer periodes bevat die door de bestreden bepaling worden gelijkgesteld met daadwerkelijk gepresteerde dagen,
diegenen wier loopbaan een of meer periodes bevat die niet met daadwerkelijk gepresteerde dagen worden gelijkgesteld, berust op de reden waarom de werknemer gedurende de betrokken periode of periodes niet werkte. Een dergelijk criterium is objectief. Het Hof onderzoekt hierna of dat criterium pertinent is in het licht van de met de bestreden bepaling nagestreefde doelstelling
of het geen onevenredige gevolgen teweegbrengt. B.15.1. Zoals in B.1.3 wordt verduidelijkt, weerspiegelt de invoering van de voorwaarde van een minimumaantal daadwerkelijk gepresteerde dagen voor het verkrijgen van het voordeel van het gewaarborgd minimumpensioen, de bedoeling van de wetgever om « de band tussen het pensioen
de beroepsloopbaan, met andere woorden het verzekeringsprincipe, te versterken » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3808/001, p. 7). Aangezien het pensioenstelsel « is gestoeld op het principe van de sociale verzekering, waarbij […] het bedrag van het pensioen een functie is van de beroepsloopbaan » (ibid.), past de eis dat een bepaald aantal dagen daadwerkelijk moet zijn gepresteerd tijdens de loopbaan om het gewaarborgd minimumpensioen te verkrijgen, binnen die logica. B.15.2. De memorie van toelichting preciseert met betrekking tot de gelijkgestelde periodes : « Het derde lid van paragraaf 5 voorziet welke perioden worden gelijkgesteld met daadwerkelijke tewerkstelling om te vermijden dat personen die hun loopbaan hebben onderbroken vanwege een bijzonder motief benadeeld zouden worden door de invoering van de bijkomende loopbaanvoorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling. In antwoord op een opmerking van de Raad van State in zijn advies 74.718/VR van 22 december 2023 dient benadrukt te worden dat de keuze van de aldus gelijkgestelde perioden gebaseerd is op een beleidsafweging, waarbij rekening werd gehouden met : 26 - de maatschappelijke waarde van een periode van afwezigheid, waarbij onder meer een bijzondere waarde wordt gehecht aan perioden die verband houden met de komst van een kind in het gezin, het verstrekken van palliatieve zorgen
het verlenen van zorg aan een kind met een handicap; - de impact van de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling op het pensioen van vrouwen; - de inhoudelijke overeenkomst tussen bepaalde vormen van verloven (bv. tussen tijdskrediet
thematisch verlof); - een zo coherent mogelijke benadering over de verschillende pensioenstelsels
beleidsniveaus; - de overweging dat een al te verregaande verlening van gelijkstellingen de nieuwe voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling zou ondergraven » (ibid., p. 24). B.16.
de werkneemsters beschermen die hebben gebruikgemaakt van de mogelijkheden om de beroepsloopbaan te onderbreken teneinde zorg te verlenen aan naasten, waardoor overigens de werkneemsters, van wie de loopbaan statistisch gezien vaker dan die van de werknemers om die reden wordt onderbroken, kunnen worden beschermd. Een dergelijke doelstelling is legitiem. Voorts heeft de wetgever rekening gehouden met de overeenkomst tussen bepaalde verlofvormen teneinde geen niet te verantwoorden verschillen in behandeling in het leven te roepen, wat eveneens een legitieme doelstelling is. De criteria waarop de door de bestreden bepaling gecreëerde verschillen in behandeling tussen de 27 gepensioneerden van wie de loopbaan gelijkgestelde dagen bevat
diegenen van wie de loopbaan niet-gelijkgestelde dagen bevat, berusten, zijn in beginsel pertinent om die legitieme doelstellingen te bereiken, aangezien zij zijn afgeleid uit de betreffende soort inactiviteit
uit de reden waarom werd geopteerd voor dagen van beroepsinactiviteit. B.16.3. Hoewel de wetgever de periodes heeft gelijkgesteld waarin de werknemer of de werkneemster zijn of haar activiteit heeft onderbroken om zorg te verlenen aan naasten, heeft hij daarentegen niet erin voorzien om de periodes gelijk te stellen waarin de werknemer of de werkneemster zijn of haar activiteit heeft onderbroken om een functie ten dienste van de gemeenschap te vervullen. Dat is het geval voor de werknemers die een syndicale opdracht vervullen
voor de werknemers die een functie van rechter in sociale zaken of een ambt in de commissies die zijn opgericht met het oog op de toepassing van de sociale wetgeving, hebben uitgeoefend. In die beide gevallen kan geen
kele reden verantwoorden dat de periodes van beroepsinactiviteit die door de betrokken werknemers werden besteed aan het verlenen van een dienst aan de gemeenschap, niet worden gelijkgesteld met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten voor de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling met het oog op het verkrijgen van het gewaarborgd minimumpensioen. B.16.4. Hoewel de Ministerraad vermeldt dat de periodes die met toepassing van de bestreden bepaling worden gelijkgesteld, overeenstemmen met loopbaanperiodes waarin de inactiviteit werd opgelegd aan de werknemer, zijn sommige periodes van inactiviteit die niet onder de bestreden bepaling vallen, overigens evenmin het gevolg van een keuze van de werknemer, zodat die laatstgenoemde ze heeft ondergaan. Hetzelfde geldt voor de periodes van militieverplichtingen in het Belgisch leger, de periodes van lock-out
de periodes van voorlopige hechtenis ingevolge een feit waarvoor de betrokkene geen veroordeling heeft opgelopen. Aangezien niet kan worden verantwoord dat de werknemer of de werkneemster van wie de loopbaan dergelijke periodes van inactiviteit bevat, met betrekking tot de toegang tot het gewaarborgd minimumpensioen, wordt benadeeld ten opzichte van diegene die geen periodes van inactiviteit van dezelfde aard heeft moeten ondergaan, schendt de bestreden bepaling, in zoverre zij die periodes niet gelijkstelt met daadwerkelijk gepresteerde arbeidsdagen, het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie. B.17.1. Voor het overige brengen de door de bestreden bepaling gecreëerde verschillen in behandeling geen onevenredige gevolgen teweeg. 28 Aangezien het recht op het gewaarborgd minimumpensioen hoe dan ook afhankelijk is van het bewijs van een loopbaan van minstens 30 jaar, blijkt immers niet dat de bijkomende voorwaarde om naargelang van het geval 5 000 of 3 120 dagen daadwerkelijk te hebben gepresteerd in de loop van die 30 jaar, een onevenredige last oplegt aan de werknemers
werkneemsters. B.17.2. Het vierde middel is gegrond, maar
kel in de in B.16.3
B.16.4 gepreciseerde mate. Voor het overige zijn het derde
het vierde middel niet gegrond. Artikel 3, § 5, derde lid, van de wet van 25 april 2024 dient te worden vernietigd in zoverre het voor de toepassing van de paragrafen 1
2 van dezelfde bepaling, de dagen van militieverplichtingen in het Belgisch leger, de dagen van lock-out, de periodes van uitoefening van een functie van rechter in sociale zaken of van een ambt in de commissies die zijn opgericht met het oog op de toepassing van de sociale wetgeving, de dagen van voorlopige hechtenis ingevolge een feit waarvoor de betrokkene geen veroordeling heeft opgelopen
de periodes van syndicale opdracht, niet gelijkstelt met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten. Wat betreft het vijfde middel B.18.1. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 3, § 5, van de wet van 25 april 2024, van de artikelen 10, 11
23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de algemene rechtsbeginselen van de rechtszekerheid
van het gewettigd vertrouwen. De verzoekende partijen klagen aan dat die bepaling toepasselijk is op alle werknemers, onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 7 tot 9 van dezelfde wet, zonder dat rekening wordt gehouden met het tijdvak waarin zij voor een of meer periodes van inactiviteit hebben geopteerd die niet worden gelijkgesteld
zonder dat rekening wordt gehouden met de pensioenrechten die aan die periodes van beroepsinactiviteit waren verbonden op het ogenblik waarop die werknemers ze hebben opgenomen. De verzoekende partijen menen dat er op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de pensioenrechten
aan de legitieme verwachtingen van de werknemers die, op een ogenblik waarop zij niet konden voorzien wat de gevolgen van die keuze zouden zijn voor hun recht op het gewaarborgd minimumpensioen, 29 hebben gebruikgemaakt van de mogelijkheden van inactiviteit waarin artikel 34, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 voorziet
die door de bestreden bepaling niet worden gelijkgesteld. B.18.2. Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. B.19.1. Met toepassing van de artikelen 7
9 van de wet van 25 april 2024 is de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling van minstens 5 000 of 3 120 dagen over de gehele loopbaan van toepassing noch op de werknemers wier pensioen vóór 1 januari 2025 is ingegaan, noch op de werknemers die vóór 1 januari 1963 zijn geboren, noch op de werknemers die vóór 1 januari 1969 zijn geboren
die op 1 januari 2025 aanspraak konden maken op een gewaarborgd minimumpensioen op grond van de tot die datum toepasselijke wetgeving. Krachtens artikel 8 van dezelfde wet ligt het aantal daadwerkelijk te presteren voltijdse dagequivalenten om het gewaarborgd minimumpensioen te kunnen genieten, tussen 1 250
4 250 (voltijds) of tussen 780
2 652 (deeltijds), naargelang van het geboortejaar, voor de personen die tussen 1 januari 1963
31 december 1969 zijn geboren. Voor de andere werknemers is in geen
kele overgangsbepaling voorzien, zodat de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling onverkort van toepassing is op de personen die vanaf 1 januari 1970 zijn geboren. B.19.2. De wetgever heeft erover gewaakt de nieuwe voorwaarde van toegang tot het voordeel van het gewaarborgd minimumpensioen geleidelijk in te voeren, zodat geen afbreuk zou worden gedaan aan de rechten van de personen die reeds met pensioen zijn of die op het moment van de inwerkingtreding van de bestreden wet relatief dicht bij het moment staan waarop hun pensioen ingaat. Hij heeft aldus rekening gehouden met de pensioenrechten
de legitieme verwachtingen van de personen die zich op een moment in hun loopbaan bevonden waarop het voor hen moeilijk was om nog keuzes te maken die een weerslag hadden op hun pensioenrechten. De personen op wie de nieuwe voorwaarde onverkort van toepassing is, hebben daarentegen nog een loopbaan voor de boeg die voldoende lang is om keuzes te kunnen 30 maken die het behoud van hun pensioenrechten waarborgen. Er wordt dus geen afbreuk gedaan aan de pensioenrechten
aan de legitieme verwachtingen van die personen door de ontstentenis van een overgangsbepaling waarbij alle periodes van inactiviteit bedoeld in artikel 34, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 worden gelijkgesteld met daadwerkelijk gepresteerde dagen voor de toepassing van de bestreden bepaling op de situatie van de personen die tijdens hun loopbaan van een of meer van die periodes hebben gebruikgemaakt. B.20. Het vijfde middel is niet gegrond. Wat betreft het zesde middel B.21.1. Het zesde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 8 van de wet van 25 april 2024, van de artikelen 10
11 van de Grondwet. De verzoekende partijen klagen aan dat die bepaling, in zoverre zij voorziet in een geleidelijke toepassing van de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling door het aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten dat is vereist naargelang van het geboortejaar van de werknemers te verhogen, een verschil in behandeling doet ontstaan ten nadele van de personen die aan het einde van het jaar zijn geboren, in vergelijking met de personen die aan het begin van hetzelfde jaar zijn geboren. Zij bekritiseren eveneens het vereiste aantal dagen dat voor elk in aanmerking genomen geboortejaar is vastgesteld. B.21.2. De bestreden bepaling is een overgangsbepaling die de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling regelt voor de personen die tussen 1 januari 1963
31 december 1969 zijn geboren. Het aantal daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten dat is vereist voor de toegang tot het voordeel van het gewaarborgd minimumpensioen, is voor de personen die in 1963 zijn geboren, vastgesteld op 1 250 of 780 dagen in plaats van 5 000 of 3 120 dagen. Voor de personen die in 1969 zijn geboren, is dat aantal vastgesteld op 4 250 of 2 652. Voor de personen die tussen die twee data zijn geboren, stijgt het vereiste aantal daadwerkelijk gepresteerde dagen geleidelijk aan. Van een in 1964 geboren persoon wordt geëist dat hij 250 daadwerkelijk gepresteerde (voltijdse) dagen meer bewijst dan een in 1963 geboren persoon,
van een in 1969 geboren persoon dat hij 750 daadwerkelijk gepresteerde (voltijdse) dagen meer bewijst dan een persoon die het jaar 31 daarvóór is geboren. De verzoekende partijen zijn van mening dat het criterium van het geboortejaar
het ontbreken van lineariteit bij de verhoging van het vereiste aantal dagen in de loop der jaren, impliceren dat op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de rechten van de personen die aan het eind van het jaar zijn geboren. Zij voeren aan dat het criterium van het jaar waarin het pensioen ingaat, beter in overeenstemming zou zijn met het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie. B.22.1. Het criterium van het geboortejaar is objectief. Het is legitiem dat de wetgever, met de bedoeling de rechten te vrijwaren van de personen die op het moment van de inwerkingtreding van een nieuwe voorwaarde voor de toegang tot het gewaarborgd minimumpensioen, bijna met pensioen gaan, voorziet in een afzwakking van die voorwaarde, die in de tijd afneemt. Het criterium van het geboortejaar is pertinent om dat doel te bereiken. Bovendien brengt de bestreden bepaling, zoals de Ministerraad opmerkt, geen onevenredige gevolgen teweeg voor de personen die aan het einde van het jaar zijn geboren, aangezien de datum waarop het pensioen ingaat, vaststaat voor elke werknemer, niet op grond van zijn geboortejaar, maar wel op grond van de datum waarop hij de pensioenleeftijd bereikt. Het door de verzoekende partijen gesuggereerde criterium van het jaar waarin het pensioen ingaat, zou voor het overige tot hetzelfde resultaat leiden als dat van het geboortejaar. Rekening houdend met de uiteenlopende situaties met betrekking tot de beroepsloopbanen
de data waarop het pensioen ingaat, kan de wetgever niet worden verweten dat hij een trapsgewijze verhoging van de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling heeft ingevoerd op basis van het geboortejaar van de betrokkenen. B.22.2. Tot slot brengen het aantal per geboortejaar vastgestelde dagen
het ontbreken van lineariteit met betrekking tot het verschil in het aantal vastgestelde dagen dat toepasselijk is op de personen die in de loop van twee opeenvolgende jaren zijn geboren, geen onevenredige gevolgen teweeg. Aangezien de bestreden bepaling net tot gevolg heeft dat de impact van de nieuwe voorwaarde voor de toegang tot het gewaarborgd minimumpensioen wordt verzacht voor personen die bijna met pensioen gaan, is het niet onredelijk dat de wetgever de voorwaarde van daadwerkelijke tewerkstelling aanzienlijker heeft afgezwakt voor de oudste werknemers op het ogenblik van de inwerkingtreding van de bestreden wet. B.23. Het zesde middel is niet gegrond. 32 Om die redenen, het Hof 1. vernietigt artikel 3, § 5, derde lid, van de wet van 25 april 2024 « houdende de hervorming van de pensioenen » in zoverre het, voor de toepassing van de paragrafen 1
2 van hetzelfde artikel, de dagen van militieverplichtingen in het Belgisch leger, de dagen van lock-out, de periodes van uitoefening van een functie van rechter in sociale zaken of van een ambt in de commissies die zijn opgericht met het oog op de toepassing van de sociale wetgeving, de dagen van voorlopige hechtenis ingevolge een feit waarvoor de betrokkene geen veroordeling heeft opgelopen
de periodes van syndicale opdracht, niet gelijkstelt met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten; 2. onder voorbehoud van de in B.7.2 vermelde interpretatie, verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands
het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 februari 2026. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.019 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.