← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.020 Arrest- Rolnummer: 20/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-02-23 Raadplegingen: 646 - laatst gezien 2026-06-18 17:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikel 555/1ter, § 1, vierde lid, en § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 60 van de wet van 15 mei 2024, in zoverre het de minister van Justitie rechtstreeks machtigt om « het deel van de aktekost [te bepalen], evenals de handelingen waarvoor door de gerechtsdeurwaarders een tegemoetkoming van het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders kan worden gevorderd », alsook om het bedrag te bepalen van de bijdrage van de gerechtsdeurwaarders aan het voormelde Fonds voor elke betekende akte) - Handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepaling tot uiterlijk 31 juli 2026 - Verwerping van het beroep voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 60 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II », ingesteld door Eric Choquet en anderen. Gerechtelijk recht - Gerechtsdeurwaarders - Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders - Bedrag van de bijdrage - Verlaging van de aktekosten - Machtiging aan de uitvoerende macht - Mutualisering Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 20/2026 van 12 februari 2026 Rolnummer : 8368 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 60 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II », ingesteld door Eric Choquet en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 november 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 november 2024, is beroep tot vernietiging van artikel 60 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 mei 2024) ingesteld door Eric Choquet, Jean-Fabien De Clercq, Jacques Eraerts, Eric Cansse, Brigitte Culot, Pierre Bertrand, Jacqueline Duchateau, Paul Hamoir, Claude Xharde, Thierry Romain, Michel André, Thomas Defays, Walter Schotte, Jerry Jeanpierre, Bernard Paulus, Marianne Riga, Paul Henry Stephenne en de bv « Intermédiance & Partners », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean-François De Bock, advocaat bij de balie te Brussel. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders en het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Virginie Dor en mr. Bruno Fonteyn, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partijen); 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. My-Vân Lam, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 17 december 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het eerste middel A.

  1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 555/1ter van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 60 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (hierna : de wet van 15 mei 2024), van de artikelen 10, 11, 22, 32 en 33 van de Grondwet, van de beginselen van de vrijheid van ondernemen en de vrijheid van handel die worden gewaarborgd bij artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, van het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, en van het eigendomsrecht dat met name wordt gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de beginselen van wettigheid, van administratieve transparantie, van gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid, in zoverre de tekst van de bestreden bepaling, in het bijzonder paragraaf 2 ervan, en de beoogde doelstellingen onvoldoende duidelijk zijn, en in zoverre die bepaling werd aangenomen zonder transparantie, noch overleg met de gerechtsdeurwaarders. De verzoekende partijen voeren aan dat wanneer de wetgever, zoals te dezen, een inmenging plant in het eigendomsrecht en in de vrijheid van ondernemen, hij ertoe is gehouden de beginselen van wettigheid, van transparantie, van gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid na te leven. Die beginselen verplichten hem om teksten aan te nemen waarvan de bewoordingen voldoende duidelijk zijn om het voorwerp, de draagwijdte en de bestaansreden ervan te begrijpen, met volledige kennis van zaken van alle pertinente elementen, in voorkomend geval nadat de belangrijkste adressaten van de teksten hun standpunt hebben kunnen doen gelden. Zij zijn van mening dat de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling niet duidelijk is en dat zij de adressaten van de norm niet toelaat de doelstelling ervan te begrijpen, noch te begrijpen waarom de opdrachten van het bij die bepaling opgerichte « Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders » (hierna : het Solidariteitsfonds) niet aan de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders werden toevertrouwd. Wat de duidelijkheid van de tekst van de bepaling betreft, doen zij gelden dat paragraaf 2, volgens welke de gelden van het Solidariteitsfonds eveneens zullen kunnen worden aangewend voor maatschappelijke zinvolle doeleinden of projecten die verband houden met de beroepsgroep van de gerechtsdeurwaarders, duidelijkheid mist en een overlapping vormt met de bevoegdheid van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders. 3 Zij geven eveneens aan dat een van hen, een gerechtsdeurwaardersassociatie die in verschillende gerechtelijke arrondissementen optreedt en die een bevoorrechte gesprekspartner van tal van overheden is, niet werd geraadpleegd in het kader van de parlementaire voorbereiding die tot de aanneming van de bestreden bepaling heeft geleid. Zij doen voorts gelden dat de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders de leden van de beroepsgroep niet tijdig heeft ingelicht over de ontworpen tekst en over het advies dat zij aan de minister van Justitie daaromtrent heeft verstrekt. A.
  2. De Ministerraad doet gelden dat de opportuniteit van de bestreden bepaling niet onder het toezicht van het Hof valt, zodat de argumenten van de verzoekende partijen over het overbodige of ongepaste karakter van de bestreden bepaling niet ontvankelijk zijn. Wat meer in het bijzonder het eerste middel betreft, voert de Ministerraad ook aan dat dat middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 33 van de Grondwet, aangezien die bepaling geen deel uitmaakt van die waarvan het Hof de naleving waarborgt, en uit de schending van de artikelen 10, 11, 16 en 22 van de Grondwet en van de vrijheden van handel en van ondernemen, aangezien de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht die rechten en vrijheden zijn geschonden. Wat het eigendomsrecht betreft, is hij in ondergeschikte orde van mening dat dat recht de gerechtsdeurwaarders geen recht toekent om over alle erelonen van hun verstrekkingen te beschikken. Voor het overige voert de Ministerraad aan dat er voor de wetgever geen grondwettelijke verplichting bestaat om de leden van een beroepsgroep te raadplegen vóór de aanneming van een desbetreffende wet en dat de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, die uit alle gerechtsdeurwaarders van het land bestaat, te dezen in elk geval wel degelijk werd geraadpleegd en actief heeft deelgenomen aan de aanneming van de bestreden bepaling. De Ministerraad doet eveneens gelden dat de door de wetgever beoogde doelstelling van algemeen belang duidelijk blijkt uit de bewoordingen van de bestreden bepaling en uit de parlementaire voorbereiding en dat die doelstelling tweevoudig is : paragraaf 1 strekt enerzijds ertoe de gerechtsdeurwaarders financieel te ondersteunen om te kunnen voldoen aan het toe te passen tarief inzake specifiek door de Koning aangeduide vorderingen en procedures en paragraaf 2 strekt anderzijds ertoe gelden te hunner beschikking te stellen voor maatschappelijke zinvolle doeleinden of projecten die van de gerechtsdeurwaarders uitgaan. Het aldus beoogde mechanisme sluit nauw aan bij dat van het notarieel fonds. De bestreden bepaling past in het kader van een hervorming die ertoe strekt bepaalde akten goedkoper te maken voor de rechtsonderhorige. Wat betreft de bewering van de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling niet duidelijk is in zoverre zij bepaalt dat de gelden van het Solidariteitsfonds eveneens zullen kunnen worden aangewend voor maatschappelijke zinvolle doeleinden, antwoordt de Ministerraad dat de parlementaire voorbereiding voorbeelden geeft : projecten ter bestrijding van overmatige schuldenlast, opleidingen over schuldhulpverlening, enz. De Ministerraad voegt eraan toe dat het aan de minister van Justitie zal toekomen om in de toekomst te beslissen of een tijdelijke of definitieve verhoging van de bijdragen aan het Solidariteitsfonds moet worden overwogen. De Ministerraad is voorts van mening dat de bestreden bepaling aan de gerechtsdeurwaarders ten goede komt. Enerzijds brengt het bijdragenstelsel een solidariteit tussen hen tot stand zodat de vermindering van de erelonen niet grotendeels wordt gedragen door de gerechtsdeurwaarders die voor het merendeel handelingen stellen waarop de verlaagde tarieven van toepassing zijn en anderzijds is het ter beschikking stellen van gelden met name bestemd voor de financiering van projecten die verband houden met de beroepsactiviteiten van de gerechtsdeurwaarders. De Ministerraad geeft tot slot aan dat de verzoekende partijen niet aantonen dat met de toewijzing van de opdrachten van het Solidariteitsfonds aan de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarder de door de wetgever beoogde doelstelling had kunnen worden bereikt, noch dat die toewijzing minder afbreuk zou hebben gedaan aan de rechten van de gerechtsdeurwaarders. A.3.
  3. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders en het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, tussenkomende partijen, beklemtonen dat de bestreden bepaling past in het kader van een sociaal beleid ter bestrijding van overmatige schuldenlast en dat de door de Koning bepaalde tariefverlaging betrekking heeft op schulden voor noodzakelijke uitgaven, zoals de elektriciteits-, gas-, internet-, water-, school- of ziekenhuisfacturen, zodat die categorieën van de bevolking worden beoogd die niet langer in staat zijn om de kosten van basisbehoeften ten laste te nemen. Zij voeren aan dat het eerste middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 33 van de Grondwet, om dezelfde reden als die welke wordt aangevoerd door de Ministerraad, en uit de schending 4 van de artikelen 10, 11, 16, 22 en 32 van de Grondwet, van de beginselen van de vrijheid van ondernemen en de vrijheid van handel, alsook van de beginselen van wettigheid, van administratieve transparantie, van gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid, daar de verzoekende partijen niet, of althans niet specifiek, uiteenzetten in welk opzicht de bestreden bepaling onbestaanbaar zou zijn met die bepalingen en beginselen. Zoals de Ministerraad merken zij op dat het middel neerkomt op een opportuniteitskritiek van de door de wetgever genomen maatregel alsook op kritiek op de communicatie van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders over de beoogde hervorming, dat wil zeggen grieven die niet onder het grondwettelijk contentieux vallen. A.3.
  4. De tussenkomende partijen doen in ondergeschikte orde gelden dat de grief die is afgeleid uit de schending van de beginselen van wettigheid, van administratieve transparantie, van gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid niet gegrond is. Hij betekent niets minder dan een opportuniteitskritiek op de door de wetgever aangenomen maatregel. De bestreden bepaling heeft ongetwijfeld tot – legitiem – doel een solidariteitsstelsel onder de gerechtsdeurwaarders op te richten, teneinde de grootste door de tariefverlaging veroorzaakte winstderving te compenseren voor de gerechtsdeurwaarders die optreden in arrondissementen waarvan de bevolking armer is. Gelet op die doelstelling is de aangenomen maatregel redelijk, temeer daar de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt in sociaaleconomische aangelegenheden. De beginselen waarvan de schending wordt aangevoerd, houden bovendien voor de wetgever geen algemene en abstracte verplichting in om de betrokken personen te raadplegen vóór de aanneming van een norm. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, die alle gerechtsdeurwaarders en kandidaat-deurwaarders van het land vertegenwoordigt, werd in elk geval geraadpleegd in het kader van de totstandkoming van de bestreden bepaling. A.4.
  5. De verzoekende partijen antwoorden dat de vrije uitoefening van beroepsarbeid wordt beschermd door artikel 22 van de Grondwet, aangezien het recht op eerbiediging van het privéleven de beroeps- en handelsactiviteiten omvat. Zij doen eveneens gelden dat hun grieven geen opportuniteitskritiek zijn maar erin bestaan uiteen te zetten dat

(1)zowel de bestreden bepaling – die een inmenging in de aangevoerde grondrechten van de gerechtsdeurwaarders doet ontstaan – als de beoogde doelstelling van algemeen belang niet voldoende duidelijk zijn,
(2)dat men met een andere minder ingrijpende maatregel, namelijk het toewijzen van de opdrachten van het Solidariteitsfonds aan de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, de nagestreefde doelstelling had kunnen bereiken en
(3)dat het onevenredig is om enkel de gerechtsdeurwaarders te verplichten om de financiering van de tariefverlaging te dragen, en dat die elementen alle onder de grondwettigheidstoets vallen. A.4.
  1. De verzoekende partijen doen eveneens gelden dat het niet volstaat dat de wetgever de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders raadpleegt, daar zij op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de gerechtsdeurwaarders die, zoals de verzoekende partijen, niet in haar organen zitting hebben, terwijl de voormelde Nationale Kamer luidens artikel 555, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek bestaat uit alle gerechtsdeurwaarders van het land. A.5.
  2. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, van de beginselen van de vrijheid van ondernemen en de vrijheid van handel die worden gewaarborgd bij artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, van het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet en van het eigendomsrecht dat met name wordt gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en bij artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Dat middel bestaat uit drie onderdelen. In het eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bijdrage aan het Solidariteitsfonds die de bestreden bepaling ten laste legt van de gerechtsdeurwaarders, een zware bijkomende financiële last is, die tot gevolg heeft dat het recht van de gerechtsdeurwaarders op de vrije keuze van beroepsarbeid wordt belemmerd en hun eigendomsrecht wordt aangetast, zonder dat een doelstelling van algemeen belang wordt nagestreefd. De wetgever heeft immers niet verduidelijkt of hij een sociaal beleid wou voeren, en er wordt in de verlaging van de aktekosten die de bijdrage aan het Solidariteitsfonds beoogt te compenseren, voorzien voor bepaalde akten, los van de financiële toestand van de schuldenaar. Die last is bovendien onevenredig voor de gerechtsdeurwaarders die daaruit geen enkel voordeel halen, die een weinig rendabel beroep uitoefenen ten opzichte van andere vrije beroepen, die reeds aan talrijke andere lasten zijn onderworpen en die verplicht zijn hun ambt uit te oefenen. Zij moeten die last voorts alleen dragen, daar hij bijvoorbeeld niet ten laste is van schuldeisers, andere categorieën van schuldenaars of belastingplichtigen. Alle gerechtsdeurwaarders dragen overigens bij tot de financiering van het Solidariteitsfonds, terwijl sommigen van hen nooit de tegemoetkoming van dat Fonds zullen kunnen vorderen omdat zij geen geschillen behandelen die onder het toepassingsgebied ervan vallen. 5 A.5.
  3. In het tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bijdrage aan het Solidariteitsfonds en het verbod om de kosten ervan op de rechtsonderhorige af te wentelen een onverantwoord verschil in behandeling tot stand brengen tussen de gerechtsdeurwaarders, die alleen de kosten dragen om de tegemoetkoming van het Solidariteitsfonds te genieten ten gunste van de betrokken schuldenaars, en de rechtsonderhorigen, ongeacht of het gaat om schuldeisers die de uitvoeringsmaatregel vorderen of om andere schuldenaars, die op geen enkele wijze de kosten ervan dragen. Zij beklemtonen dat de categorie van de gerechtsdeurwaarders, net zomin als andere categorieën van personen, niet verantwoordelijk zijn voor de schuldsituatie van de betrokken schuldenaars, zodat zij niet verschillend moeten worden behandeld. A.5.
  4. In het derde onderdeel betogen de verzoekende partijen dat het feit dat bepaalde schuldenaars worden vrijgesteld van een deel van de gerechtsdeurwaarderskosten een onverantwoord verschil in behandeling tot stand brengt tussen schuldenaars, aangezien bepaalde schuldenaars, naargelang de aard van de akte, worden vrijgesteld van de betaling van een deel van de aktekosten en andere schuldenaars niet, ongeacht hun persoonlijke financiële toestand. A.6.
  5. De Ministerraad doet gelden dat het tweede middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, omdat de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht de bestreden bepaling aan dat grondwetsartikel afbreuk zou doen. De Ministerraad is eveneens van mening dat het eerste onderdeel van het tweede middel onontvankelijk is, om reden dat het bedrag van de bijdrage van de gerechtsdeurwaarders niet wordt vastgelegd in de bestreden bepaling, maar in het ministerieel besluit van 30 september 2024 « houdende de vaststelling van de financiële tussenkomst van het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders en houdende de vaststelling van de bijdragen aan het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, bedoeld in artikel 555/1ter van het Gerechtelijk Wetboek » (hierna : het ministerieel besluit van 30 september 2024), zodat de bestreden bepaling de vrijheid van handel en nijverheid van de gerechtsdeurwaarders niet sterk kan beperken, noch hun eigendomsrecht ernstig kan schenden. De Ministerraad voert in ondergeschikte orde aan dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet gegrond is. Een nieuwe bijdrage kan, wat het beginsel ervan betreft en ongeacht het bedrag ervan, de rechten van de verzoekende partijen niet op onevenredige wijze aantasten. De maatregel is daarnaast evenredig ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen om de volgende redenen : de last van de tariefverlaging wordt niet uitsluitend door sommige gerechtsdeurwaarders gedragen en de bijdrage van de gerechtsdeurwaarders aan het Solidariteitsfonds strekt niet enkel ertoe die tariefverlaging te compenseren maar strekt eveneens ertoe gelden toe te wijzen aan het Solidariteitsfonds die kunnen worden aangewend voor maatschappelijke doeleinden of projecten uit de gerechtsdeurwaarderswereld, hetgeen alle gerechtsdeurwaarders ten goede zal komen. A.6.
  6. Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, herhaalt de Ministerraad dat het onontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op de opportuniteit van de bestreden maatregel. Hij betoogt voor het overige dat gerechtsdeurwaarders, als openbare ambtenaren en zelfstandigen die akten aan rechtsonderhorigen factureren, niet vergelijkbaar zijn met burgers die een beroep doen op het gerecht. Hij doet in ondergeschikte orde nog gelden dat de maatregel evenredig is met de globale doelstelling van de hervorming met name bepaalde gerechtsdeurwaardersakten goedkoper maken voor de rechtsonderhorigen. A.6.
  7. Wat het derde onderdeel van het tweede middel betreft, is de Ministerraad van mening dat het in werkelijkheid de opportuniteit van de bestreden maatregel betreft, zodat het onontvankelijk is. Hij betoogt in ondergeschikte orde dat de aard van de akten een objectief en pertinent criterium van onderscheid is en dat de verzoekende partijen niet aantonen dat het door hen aangevoerde verschil in behandeling onverantwoord of onevenredig is. A.
  8. De tussenkomende partijen doen gelden dat het tweede middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, om dezelfde reden als die welke wordt aangevoerd door de Ministerraad. Zij beklemtonen voor het overige, wat de drie onderdelen van dat middel betreft, dat de grieven van de verzoekende partijen hun oorsprong niet vinden in de bestreden bepaling, maar in het verlaagde tarief voor de gerechtsdeurwaarders ingevoerd bij het koninklijk besluit van 18 mei 2024, met toepassing van artikel 522 van het Gerechtelijk Wetboek. De bestreden bepaling stelt echter enkel een solidariteitsstelsel onder gerechtsdeurwaarders in dat ertoe strekt die tariefverlaging te compenseren. Zij verleent evenmin uitdrukkelijk een bevoegdheid aan de 6 Koning : zij geeft enkel aan dat de minister van Justitie, « voor [de] door de Koning bepaalde akten », het deel van de aktekosten bepaalt waarvoor een tegemoetkoming van Solidariteitsfonds kan worden gevorderd. Het is overigens op grond van artikel 522 van het Gerechtelijk Wetboek dat de Koning de betrokken akten heeft bepaald, zoals blijkt uit de aanhef van het koninklijk besluit van 18 mei
  9. Die bepaling kan bijgevolg geen afbreuk doen aan de vrijheid van handel en nijverheid en aan het eigendomsrecht van de gerechtsdeurwaarders (eerste onderdeel), noch de oorsprong zijn van de aangevoerde discriminaties (tweede en derde onderdeel). A.8.
  10. De verzoekende partijen antwoorden dat hun grieven wel zijn gericht tegen de bestreden bepaling en niet tegen artikel 522 van het Gerechtelijk Wetboek. Het is wel degelijk de bestreden bepaling die stelt dat :
(1)de Koning bevoegd is om te bepalen voor welke akten het tarief wordt verlaagd,
(2)het Solidariteitsfonds in een tegemoetkoming voorziet om die verlaging te compenseren,
(3)de minister van Justitie bevoegd is om het deel van de aktekosten te bepalen dat niet ten laste is van de geadresseerde van de akte en waarvoor de gerechtsdeurwaarder een tegemoetkoming van het Solidariteitsfonds kan vorderen, en
(4)de minister van Justitie eveneens bevoegd is om het bedrag te bepalen van de bijdrage die de gerechtsdeurwaarders aan het Solidariteitsfonds moeten betalen voor elke betekende akte. Het is overigens het op basis van de bestreden bepaling genomen ministerieel besluit van 30 september 2024 dat het deel van de aktekosten heeft vastgelegd dat niet ten laste is van de schuldenaar. Artikel 522 van het Gerechtelijk Wetboek vormt echter de grondslag voor een andere bij het koninklijk besluit van 18 mei 2024 doorgevoerde verlaging van de kostprijs van bepaalde gerechtsdeurwaardersakten, waarvoor in geen enkele compensatie is voorzien. Het gaat om een afzonderlijk mechanisme. A.8.
  1. Wat meer in het bijzonder het eerste onderdeel betreft, verwijzen zij naar het argument met betrekking tot de schending van artikel 22 van de Grondwet dat zij in hun repliek betreffende het eerste middel ontwikkelen. Wat betreft de omstandigheid dat het bedrag van de bijdrage die de gerechtsdeurwaarders aan het Solidariteitsfonds betalen, wordt vastgelegd door het ministerieel besluit van 30 september 2024 en niet door de bestreden bepaling, voeren zij aan dat het het beginsel van de bijdrage zelf is dat een onevenredige last te hunnen aanzien met zich meebrengt. A.8.
  2. Wat het tweede onderdeel betreft, doen de verzoekende partijen gelden dat gerechtsdeurwaarders vergelijkbaar zijn met rechtsonderhorigen en dat zij zich in identiek dezelfde situatie als hen bevinden ten aanzien van de schuldenaar : geen van beide categorieën van personen is meer verantwoordelijk dan de andere voor de financiële toestand van de schuldenaar voor wie de Koning de aktekosten verlaagt. De doelstelling om de vervulling van bepaalde gerechtsdeurwaardersakten goedkoper te maken voor de rechtsonderhorigen zou op dezelfde manier kunnen worden bereikt indien de financiering van het Solidariteitsfonds ook ten laste van de rechtsonderhorigen kwam. A.9.
  3. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16, 22, 23, 33, 37, 42, 105 en 108 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het eigendomsrecht, met de vrijheid van ondernemen en met het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid. Dat middel bestaat uit drie onderdelen. In het eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen gerechtsdeurwaarders en notarissen, aangezien artikel 117 van de wet van 25 ventôse jaar XI « op het notarisambt » alle essentiële elementen met betrekking tot het notarieel fonds bevat, terwijl de bestreden bepaling aan de uitvoerende macht de bevoegdheid verleent om de akten te bepalen waarvoor de schuldenaar een verlaging van de aktekost geniet, alsook het bedrag van de verlaging en het bedrag van de door de gerechtsdeurwaarders verschuldigde bijdrage. Zij beklemtonen dat het Hof reeds in meerdere arresten heeft bevestigd dat notarissen en gerechtsdeurwaarders vergelijkbaar zijn. A.9.
  4. In het tweede onderdeel geven de verzoekende partijen aan dat de omstandigheid dat de Koning bevoegd is om de akten te bepalen waarvoor de schuldenaar een verlaging van de aktekosten geniet, zonder dat de wetgever op zijn minst de criteria heeft vastgelegd die de Koning in acht moet nemen, de artikelen 33, 42, 105 en 108 van de Grondwet schendt, aangezien zij betrekking heeft op een essentieel element van het door de wetgever gevoerde beleid. A.9.
  5. In het derde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de in de bestreden bepalingen bedoelde machtiging aan de minister artikel 108 van de Grondwet schendt, aangezien dat artikel het de wetgever niet toestaat om bevoegdheden rechtstreeks aan een minister te delegeren. 7 A.
  6. De Ministerraad betoogt dat het derde middel onontvankelijk is in zoverre het de artikelen 16 en 22 van de Grondwet beoogt, aangezien de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht de bestreden bepaling die grondwetsbepalingen zou schenden. Het is eveneens onontvankelijk in zoverre het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet beoogt, in samenhang gelezen met de artikelen 33, 37, 42, 105 en 108 ervan, daar de verzoekende partijen niet aantonen dat aan een bevolkingscategorie het optreden van de wetgever is ontnomen. De Ministerraad voert in ondergeschikte orde aan dat het bepalen van de door de tariefverlaging beoogde akten geen essentieel element van de maatregel is, zodat dit aan de Koning kan worden gedelegeerd. De omstandigheid dat het bepalen van bijkomende elementen aan de Koning wordt gedelegeerd voor de gerechtsdeurwaarders, en niet voor de notarissen, vormt geen discriminatie. A.11.
  7. De tussenkomende partijen voeren aan dat het derde middel onontvankelijk is in zoverre het de artikelen 16, 22 en 23 van de Grondwet, alsook de vrijheid van ondernemen en het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid beoogt, aangezien de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht de bestreden bepaling die grondwetsbepalingen en die vrijheden zou schenden. Zij betogen voorts dat het eerste onderdeel van het middel gedeeltelijk onontvankelijk is en dat het tweede en derde onderdeel ervan volledig onontvankelijk zijn, in zoverre het middel rechtstreeks is afgeleid uit de schending van de artikelen 33, 37, 42, 105 en 108 van de Grondwet, aangezien die bepalingen niet onder het toezicht van het Hof vallen. Wat het eerste onderdeel betreft, merken de tussenkomende partijen bovendien op dat geen enkele delegatie aan de Koning of aan een minister hen ertoe machtigt om op willekeurige of ongrondwettelijke wijze te handelen, en dat het bepalen van akten waarvan het tarief is verlaagd en van het bedrag van de verlaging zijn wettelijke grondslag vindt in artikel 522 van het Gerechtelijk Wetboek, en niet in de bestreden bepaling. Zij doen in ondergeschikte orde gelden dat het voor de notarissen ingevoerde solidariteitsstelsel niet kan worden vergeleken met het stelsel dat voor de gerechtsdeurwaarders is ingevoerd, aangezien het bedrag van de toegekende compensatie, wat de notarissen betreft, wordt bepaald, rekening houdend met de waarde van het betrokken onroerend goed en dus variabel is, terwijl het verlaagde tarief en de compensatie vast zijn voor wat de gerechtsdeurwaarders betreft. Elk stelsel komt overeen met een eigen logica die coherent is met de beoogde doelstellingen. Wat het bepalen van het bedrag van de aan het Solidariteitsfonds verschuldigde bijdrage betreft, hangt de kostprijs van de solidariteit hoofdzakelijk af van de door de Koning gemaakte keuzes, zodat het logisch is dat de wetgever het bepalen van het bedrag van de bijdrage niet voor zichzelf heeft voorbehouden. A.11.
  8. Wat het tweede onderdeel betreft, voeren de tussenkomende partijen aan dat het niet de bestreden bepaling, maar wel artikel 522 van het Gerechtelijk Wetboek is dat de Koning ertoe machtigt om de categorieën van akten waarvoor het tarief moet worden verlaagd, te bepalen. A.11.
  9. Wat het derde onderdeel betreft, geven de tussenkomende partijen aan dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, de bestreden bepaling niet aan de minister de bevoegdheid verleent om het bedrag van de erelonen voor een akte te bepalen, maar enkel het deel van de aktekosten en de handelingen waarvoor van het Solidariteitsfonds een tegemoetkoming kan worden gevorderd. A.
  10. De verzoekende partijen antwoorden op de argumenten van de Ministerraad en van de tussenkomende partijen dat de inmengingen in het eigendomsrecht en in het recht op eerbiediging van het privéleven, dat het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid omvat, bij wet moeten worden ingesteld. Het Hof is dus bevoegd om na te gaan of de gerechtsdeurwaarders niet het recht werd ontzegd dat de wetgever de essentiële elementen van de inmenging door de bestreden bepaling vastlegt. Het is overigens duidelijk dat het bedrag van de tariefverlaging en het bedrag van de bijdrage aan het Solidariteitsfonds essentiële elementen zijn van het ingevoerde solidariteitsstelsel. De wetgever had op zijn minst de criteria moeten vastleggen die door de Koning en de minister van Justitie in acht moeten worden genomen. A.
  11. De tussenkomende partijen zijn van mening dat de verzoekende partijen met die repliek de in het verzoekschrift opgeworpen grieven wijzigen, zodat het Hof hiermee geen rekening kan houden bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van het middel. A.
  12. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16, 22, 23 en 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van vereniging, met het eigendomsrecht, met de vrijheid van ondernemen en met het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid, in zoverre de bestreden bepaling niet voorziet in een mutualisering van de bijdrage aan het Solidariteitsfonds voor de gerechtsdeurwaarders die hun ambt uitoefenen binnen een associatie, teneinde de kostprijs ervan te beperken voor de associatie. Dat zou een 8 discriminatie doen ontstaan, enerzijds, tussen de gerechtsdeurwaarders die hun activiteit als natuurlijke persoon uitoefenen en de gerechtsdeurwaarders die hun activiteit binnen een associatie uitoefenen en, anderzijds, tussen de gerechtsdeurwaarders en de notarissen. De verzoekende partijen merken op dat het door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders verleende advies aan de minister van Justitie over de ontworpen bepaling doet uitschijnen dat die bepaling tot doel heeft een solidariteitsmechanisme in te voeren voor de grote kantoren ten gunste van de kleine kantoren. A.
  13. De Ministerraad doet gelden dat het vierde middel, zoals de andere middelen, onontvankelijk is in zoverre het de artikelen 16 en 22 van de Grondwet beoogt, aangezien de verzoekende partijen niet concreet uiteenzetten in welk opzicht de bestreden bepaling die grondwetsartikelen zou schenden. De Ministerraad betoogt voorts dat dat middel niet gegrond is, aangezien de bestreden bepaling aan de gerechtsdeurwaarders de vrije keuze laat om zich al dan niet te associëren, rekening houdend met de voor- en nadelen van hun keuze, en dat de door de rechtsonderhorigen gemaakte keuzes objectieve criteria van onderscheid zijn waarop verschillen in behandeling legitiem kunnen berusten. A.
  14. De tussenkomende partijen voeren aan dat het vierde middel onontvankelijk is in zoverre het de artikelen 16 en 22 van de Grondwet beoogt, om dezelfde reden als die welke wordt aangevoerd door de Ministerraad. Zij voeren eveneens aan dat de bestreden bepaling geen enkele weerslag heeft op de vrijheid van vereniging, aangezien de gerechtsdeurwaarders vrij blijven om met kennis van zaken al dan niet ervoor te kiezen om zich te associëren. Wat betreft de bewering van discriminatie tussen gerechtsdeurwaarders en notarissen, zijn de tussenkomende partijen van mening dat die categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn omdat gerechtsdeurwaarders rechtstreeks en specifiek deelnemen aan de uitoefening van het openbaar gezag, terwijl notarissen, zelfs wanneer zij als openbaar ambtenaar optreden, hun ambt hoofdzakelijk uitoefenen in het kader van private belangen zoals die welke verband houden met de verkoop van een onroerend goed. Het aangevoerde verschil in behandeling bestaat in elk geval niet omdat de berekening van de bijdrage op basis van de omzet van een associatie niet meer rekening houdt met de vrijheid van vereniging dan de berekening ervan op basis van het aantal betekende akten. –B– Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.
  15. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 60 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (hierna : de wet van 15 mei 2024), dat artikel 555/1ter in het Gerechtelijk Wetboek invoegt. Die bepaling richt het « Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders » (hierna : het Solidariteitsfonds) op en bepaalt de opdrachten en de financiering ervan. B.2.
  16. Zoals uit de parlementaire voorbereiding blijkt, strekt die bepaling ertoe een solidariteitsstelsel onder de gerechtsdeurwaarders te organiseren en dat voor de twee hieronder beschreven doeleinden : 9 « [Enerzijds worden de] gelden van dit fonds […] aangewend voor maatschappelijke zinvolle doeleinden of projecten uit de gerechtsdeurwaarderswereld. Dit naar analogie met het solidariteitsfonds bij het notariaat. Zo valt te denken aan projecten ter bestrijding van overmatige schuldenlast, opleidingen geven over samenwerkingen tussen schuldhulpverlening en gerechtsdeurwaarders, infosessies organiseren in verband hiermee voor gerechtsdeurwaarders en burgers in een situatie van overmatige schuldenlast. [Anderzijds zal er ook] vanuit het fonds een financiële tussenkomst worden voorzien voor de akten die door de Koning zullen worden aangeduid in het koninklijk besluit tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief voor sommige prestaties. Deze solidariteit maakt het mogelijk om voor deze bij koninklijk besluit aangeduide akten een deel van de verschuldigde aktekost niet aan te rekenen. Het bedrag van deze tussenkomst wordt op advies van de NKGB door de minister van Justitie bepaald bij ministerieel besluit en kan jaarlijks herzien worden o.a. in functie van de noodwendigheden van het fonds » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, p. 116). B.2.
  17. De « akten die door de Koning zullen worden aangeduid » zijn, krachtens artikel 6, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 1976 « tot vaststelling van het tarief voor akten en prestaties van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken », zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 mei 2024 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 november 1976 tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen » (hierna : het koninklijk besluit van 18 mei 2024), « [de] akten betreffende vorderingen ten aanzien van natuurlijke personen waarvoor de vrederechter conform artikel 591, 25°, van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd is ». Voor die akten « wordt het ereloon […] op het tarief gebracht bepaald voor de verrichtingen ingedeeld onder klasse A », zijnde het goedkoopste tarief. Zoals in het verslag aan de Koning dat vooraf gaat om het koninklijk besluit van 18 mei 2024 wordt uiteengezet, betreffen die akten « vorderingen ten aanzien van particulieren die overeenkomstig [artikel 591, 25°], van het Gerechtelijk Wetboek behoren tot de materiële bevoegdheid van de vrederechter. Deze bepaling betreft basisbehoeften, zoals elektriciteit, gas, water en telecom. Dit zijn zogenaamde onvermijdbare schulden want ze betreffen noodzakelijke uitgaven » (Belgisch Staatsblad, 19 juni 2024, p. 76062). B.2.
  18. Het door de bestreden bepaling ingevoerde Solidariteitsfonds heeft dus onder meer tot doel te vermijden dat de gerechtsdeurwaarders die het meest getroffen zijn door de verlaging van de erelonen bij het koninklijk besluit van 18 mei 2024 een grotere last dragen dan hun confraters. 10 B.2.
  19. Zoals uit de in B.2.1 vermelde parlementaire voorbereiding en uit het voormelde verslag aan de Koning blijkt (Belgisch Staatsblad, 19 juni 2024, pp. 76060 en 76061), past het aldus ingevoerde solidariteitsstelsel in het kader van de ruimere doelstelling van de wetgever en de Koning om overmatige schuldenlast te bestrijden. B.
  20. Artikel 555/1ter, §§ 1 tot 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 60 van de wet van 15 mei 2024, bepaalt : « §
  21. Bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt in de vorm van een afzonderlijke rechtspersoon een solidariteitsfonds opgericht, hierna te noemen het ‘ Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders ’. De Koning organiseert het toezicht op het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders en legt de regels inzake de werking ervan vast. Het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders is een solidariteitsfonds binnen de beroepsgroep van de gerechtsdeurwaarders dat de gerechtsdeurwaarders ondersteunt om te kunnen voldoen aan het toe te passen tarief inzake specifiek door de Koning aangeduide vorderingen en procedures. De minister van Justitie bepaalt, na advies van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, voor deze door de Koning bepaalde akten het deel van de aktekost, evenals de handelingen waarvoor door de gerechtsdeurwaarders een tegemoetkoming van het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders kan worden gevorderd. §
  22. Het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders kan, mits goedkeuring door de minister van Justitie, zijn middelen ook aanwenden voor andere maatschappelijk zinvolle doelen of voor projecten die verband houden met de beroepsactiviteiten van de beroepsgroep van gerechtsdeurwaarders. §
  23. Het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt gevoed door een bijdrage van de gerechtsdeurwaarders voor elke betekende akte, waarvoor een vast bedrag wordt bepaald door de minister van Justitie, na advies van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders beschikt, op grond van haar controlebevoegdheid overeenkomstig artikel 32quater/2, over de nodige gegevens omtrent de akten die het voorwerp uitmaken van een gevorderde tegemoetkoming en omtrent de gerechtsdeurwaarders die een dergelijk verzoek tot tegemoetkoming formuleren, om het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders toe te laten om de tegemoetkomingen bedoeld in paragraaf 1 te berekenen en om toezicht uit te oefenen op de eraan verbonden voorwaarden en op de bijdragen voorzien in het eerste lid. Indien de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders vaststelt dat het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders over onvoldoende middelen beschikt om de tegemoetkomingen gedurende vermoedelijk meer dan een jaar te kunnen uitbetalen, kan zij 11 de minister van Justitie vragen om de bijdrage tijdelijk aan te passen met het oog op het behouden van het financieel evenwicht van het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders. De minister van Justitie waakt erover dat het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders geen negatief saldo vertoont ». Ten aanzien van de omvang en de ontvankelijkheid van het beroep B.4.
  24. Het Hof moet de omvang van het beroep tot vernietiging vaststellen uitgaande van de inhoud van het verzoekschrift en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van de middelen. De grieven van de verzoekende partijen zijn gericht tegen de paragrafen 1 tot 3 van artikel 555/1ter van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 60 van de wet van 15 mei
  25. Geen enkele grief wordt geformuleerd tegen de paragrafen 4 en 5 van die bepaling. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de voormelde paragrafen 1 tot
  26. Mocht het Hof evenwel een of meer middelen gegrond achten, zouden de paragrafen 4 en 5 van de bepaling kunnen worden vernietigd indien zou blijken dat zij onlosmakelijk verbonden zijn met de paragrafen 1 tot 3 van dezelfde bepaling. B.4.
  27. De Ministerraad en de tussenkomende partijen voeren aan dat de verschillende opgeworpen middelen minstens gedeeltelijk onontvankelijk zijn om verschillende redenen. Het Hof onderzoekt die excepties voor elk middel afzonderlijk, vooraleer in te gaan op het onderzoek ten gronde ervan. Ten aanzien van het eerste middel B.
  28. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16, 22, 23, 32 en 33 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van de vrijheid van ondernemen en van de vrijheid van handel, met het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), en met de beginselen van wettigheid, van administratieve transparantie, van gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid, in zoverre de 12 tekst van de bestreden bepaling, in het bijzonder paragraaf 2 ervan, en de beoogde doelstellingen onvoldoende duidelijk zijn en in zoverre die bepaling werd aangenomen zonder transparantie, noch overleg met de gerechtsdeurwaarders. B.6.
  29. De Ministerraad en de tussenkomende partijen voeren aan dat het eerste middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 33 van de Grondwet, aangezien die bepaling geen deel uitmaakt van die waarvan het Hof de naleving verzekert, en uit de schending van de artikelen 10, 11, 16 en 22 van de Grondwet en van de vrijheid van handel en van de vrijheid van onderneming, omdat de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht die rechten en vrijheden zijn geschonden. De tussenkomende partijen zijn van mening dat hetzelfde geldt voor artikel 32 van de Grondwet en de beginselen van wettigheid, van administratieve transparantie, van gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid. B.6.
  30. In de regel vermag het Hof de grondwettigheid van wettelijke bepalingen slechts te toetsen wat hun inhoud betreft, waarbij hun wijze van totstandkoming wordt uitgesloten. In de mate waarin het middel het gebrek aan transparantie ten aanzien van de gerechtsdeurwaarders en het gebrek aan overleg met die laatsten bekritiseert, heeft het betrekking op de wijze van totstandkoming van de bestreden maatregel, zodat het Hof niet bevoegd is voor het onderzoek van dat middel. B.6.
  31. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.6.
  32. Artikel 22 van de Grondwet waarborgt het recht op eerbiediging van het privéleven. De verzoekende partijen zetten in hun eerste middel niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling aan dat recht afbreuk zou doen. Het middel is onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet. 13 B.6.
  33. Artikel 32 van de Grondwet waarborgt het recht op toegang tot bestuursdocumenten. De verzoekende partijen zetten niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling aan dat recht, of aan het door hen aangevoerde « beginsel van administratieve transparantie », afbreuk zou doen. Het middel is onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 32 van de Grondwet. B.6.
  34. Artikel 33 van de Grondwet bepaalt : « Alle machten gaan uit van de Natie. Zij worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet bepaald ». De verzoekende partijen zetten niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk zou doen aan die grondwetsbepaling. Het middel is onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 33 ervan. B.6.
  35. Het middel is ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikelen 16 en 23 ervan, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, met de beginselen van de vrijheid van onderneming en van de vrijheid van handel, met het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid, en met de beginselen van wettigheid, van gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid. B.6.
  36. Zoals uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt, bestaat het middel erin aan te voeren dat de bestreden bepaling niet voldoende duidelijk is om toe te laten het voorwerp, de draagwijdte en de bestaansreden ervan te begrijpen, terwijl de bestreden bepaling, zoals de verzoekende partijen in het tweede middel aanvoeren, een inmenging in hun eigendomsrecht en hun vrijheid van ondernemen doet ontstaan. Uit hun respectieve memories blijkt dat de Ministerraad en de tussenkomende partijen dat zo hebben begrepen. 14 B.7.
  37. De vrijheid van ondernemen, bedoeld in artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, moet worden uitgeoefend « met inachtneming van de in België van kracht zijnde internationale verdragen, van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid zoals vastgesteld door of krachtens de internationale verdragen en de bijzondere wet » (artikel II.4 van hetzelfde Wetboek). Artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) bepaalt dat de gewesten hun bevoegdheden uitoefenen « met inachtneming van de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen en van de vrijheid van handel en nijverheid, alsook met inachtneming van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, zoals vastgesteld door of krachtens de wet, en door of krachtens de internationale verdragen ». De vrijheid van ondernemen dient derhalve in samenhang te worden gelezen met de toepasselijke bepalingen van het Europese Unierecht, alsook met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, waaraan, als bevoegdheidverdelende regel, het Hof rechtstreeks vermag te toetsen. B.7.
  38. De vrijheid van ondernemen kan niet als een absolute vrijheid worden opgevat. Zij belet niet dat de bevoegde wetgever de economische bedrijvigheid van personen en ondernemingen regelt. Deze zou pas onredelijk optreden indien hij de vrijheid van ondernemen zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel. B.7.
  39. De gerechtsdeurwaarder is een « openbaar ambtenaar » en een « ministerieel officier » die authenticiteit verleent aan zijn akten (artikel 509, § 1, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Hij oefent een ambt uit dat wezenlijk is voor de rechterlijke organisatie. De voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het tarief van de prestaties van de gerechtsdeurwaarder raken aan de openbare orde. 15 Wat dat betreft kunnen de gerechtsdeurwaarders zich niet beroepen op de vrijheid van ondernemen. B.8.
  40. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.8.
  41. Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in artikel 16 van de Grondwet, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepaling, ermee rekening houdt. B.8.
  42. Elke inmenging, door de overheid, in het recht op het ongestoord genot van de eigendom moet worden bepaald door een norm die voldoende nauwkeurig is geformuleerd opdat de betrokkenen, zo nodig met behulp van deskundig advies, de gevolgen die uit een bepaalde handeling kunnen voortvloeien in redelijke mate, gelet op de omstandigheden van de zaak, kunnen voorzien. De vereiste mate van nauwkeurigheid hangt grotendeels af van de inhoud van de maatregel in kwestie, van het domein dat in principe erdoor wordt bestreken en van het aantal en de hoedanigheid van diegenen voor wie hij bestemd is (EHRM, grote kamer, 22 juni 2004, Broniowski t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2004:0622JUD003144396, §§ 136 tot 147; grote kamer, 25 oktober 2012, Vistiņš en Perepjolkins t. Letland, ECLI:CE:ECHR:2012:1025JUD007124301, §§ 95 tot 97; grote kamer, 5 september 2017, Fábián t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2017:0905JUD007811713, §§ 64 tot 66). 16 B.8.
  43. Zonder dat het noodzakelijk is te bepalen in welke mate de verschillende aspecten van de bestreden bepaling onder het toepassingsgebied vallen van het recht op het ongestoord genot van de eigendom, dient te worden vastgesteld dat die bepaling in elk geval voldoet aan de voormelde vereisten van toegankelijkheid en nauwkeurigheid. Uit de bewoordingen van de bestreden bepaling en uit de in B.2.1 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt voldoende, met betrekking tot de doelstelling van algemeen belang van de oprichting van het Solidariteitsfonds, dat het de bedoeling is een solidariteitsstelsel te organiseren onder de gerechtsdeurwaarders om te vermijden dat slechts sommigen onder hen de door de Koning bepaalde verlaging van erelonen dragen, in de context van een hervorming ter bestrijding van overmatige schuldenlast. Daarbij is het eveneens de bedoeling dat het nieuw opgerichte stelsel kan worden aangewend voor andere doeleinden die verband houden met de beroepsgroep van de gerechtsdeurwaarder of met de bestrijding van overmatige schuldenlast. Wat dat laatste aspect betreft, bepaalt paragraaf 2 van de bestreden bepaling, waarvan de verzoekende partijen stellen dat hij weinig begrijpelijk is, dat naast de steun aan de gerechtsdeurwaarders die door de door de Koning bepaalde verlaging van erelonen worden geraakt, het Solidariteitsfonds « mits goedkeuring door de minister van Justitie, zijn middelen ook [kan] aanwenden voor andere maatschappelijk zinvolle doelen of voor projecten die verband houden met de beroepsactiviteiten van de beroepsgroep van gerechtsdeurwaarders ». Die bewoordingen zijn duidelijk en voldoende nauwkeurig opdat iedereen redelijkerwijze kan begrijpen voor welke soorten van doelen en projecten de middelen van het Solidariteitsfonds kunnen worden aangewend. Voor het overige mocht de wetgever op geldige wijze aan het Solidariteitsfonds zelf, dat werd opgericht door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders en dat derhalve kan worden geacht over relevante expertise ter zake te beschikken, de bevoegdheid toevertrouwen om, onder het toezicht van de minister van Justitie, de concrete initiatieven aan te wijzen die het meest aan de nagestreefde doelstellingen beantwoorden. B.8.
  44. In zoverre het is afgeleid uit de onduidelijkheid van de bestreden bepaling en van de nagestreefde doelstelling, is het eerste middel niet gegrond. B.
  45. Het eerste middel is gedeeltelijk onontvankelijk en is niet gegrond voor het overige. 17 Ten aanzien van het derde middel B.
  46. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16, 22, 23, 33, 37, 42, 105 en 108 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het eigendomsrecht, met de vrijheid van ondernemen en met het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid. Dat derde middel bestaat uit drie onderdelen. B.11.
  47. De Ministerraad voert aan dat het middel onontvankelijk is in zoverre het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet beoogt, in samenhang gelezen met artikelen 33, 37, 42, 105 en 108 ervan, daar de verzoekende partijen niet aantonen dat aan een categorie van de bevolking het optreden van de wetgever werd ontzegd. B.11.
  48. Het onderzoek van die exceptie van onontvankelijkheid valt samen met dat van de grond van de zaak. B.12.
  49. De tussenkomende partijen voeren aan dat het middel onontvankelijk is in zoverre het de artikelen 33, 37, 42, 105 en 108 van de Grondwet beoogt, omdat het is afgeleid uit de rechtstreekse schending van die bepalingen, die niet onder het toezicht van het Hof vallen. B.12.
  50. De verzoekende partijen voeren in het derde middel ook de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het middel is dus afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 33, 37, 42, 105 en 108 ervan. Uit hun respectieve memories blijkt dat de Ministerraad het zo heeft begrepen en dat de tussenkomende partijen hebben een nuttig antwoord op het middel hebben uiteengezet. Die exceptie van onontvankelijkheid wordt verworpen. B.13.
  51. De Ministerraad en de tussenkomende partijen doen gelden dat het derde middel onontvankelijk is in zoverre het de artikelen 16 en 22 van de Grondwet beoogt, omdat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift niet hebben uiteengezet in welk opzicht de bestreden bepaling aan die grondwetsartikelen afbreuk zou doen. De tussenkomende partijen voegen eraan toe dat hetzelfde geldt voor artikel 23 van de Grondwet. 18 B.13.
  52. In het deel van hun verzoekschrift gewijd aan het derde onderdeel van het derde middel doen de verzoekende partijen gelden dat de wetgever zelf de essentiële elementen van het gevoerde beleid moet vastleggen, zulks temeer wanneer het erom gaat het eigendomsrecht en de vrijheid van ondernemen van de gerechtsdeurwaarders te belemmeren. Het is dus duidelijk dat de verzoekende partijen van mening zijn dat, omdat met name afbreuk wordt gedaan aan het eigendomsrecht van de gerechtsdeurwaarders, de wetgever de essentiële elementen van het ingevoerde solidariteitsstelsel moet bepalen. Het derde middel is ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet. B.13.
  53. De verzoekende partijen zetten daarentegen in het derde middel zoals zij het in het verzoekschrift hebben geformuleerd niet uiteen in welk opzicht afbreuk zou worden gedaan aan de artikelen 22 en 23 van de Grondwet. Het derde middel is onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 22 en 23 van de Grondwet. B.
  54. In het eerste onderdeel van het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen gerechtsdeurwaarders en notarissen, aangezien artikel 117 van de wet van 25 ventôse jaar XI « op het notarisambt », die ook de wet van 16 maart 1803 wordt genoemd (hierna : de wet van 16 maart 1803), alle essentiële elementen van het notarieel fonds bevat, terwijl de bestreden bepaling aan de Koning de bevoegdheid verleent om de akten te bepalen waarvoor de schuldenaar een verlaging van de aktekosten geniet en aan de minister van Justitie de bevoegdheid verleent om het bedrag van de verlaging en dat van de door de gerechtsdeurwaarders verschuldigde bijdrage te bepalen. B.15.
  55. Zoals de tussenkomende partijen opmerken en in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, is het niet de bestreden bepaling die aan de Koning de bevoegdheid toekent om de akten te bepalen waarvoor de schuldenaar een verlaging van de aktekosten geniet. Dat blijkt zowel uit de formulering van de bestreden bepaling, die enkel 19 aangeeft dat het Solidariteitsfonds « de gerechtsdeurwaarders ondersteunt om te kunnen voldoen aan het toe te passen tarief inzake specifiek door de Koning aangeduide vorderingen en procedures » en zelf niet voorziet in een machtiging aan de Koning hieromtrent, als uit de in B.2.1 vermelde parlementaire voorbereiding. Het koninklijk besluit van 18 mei 2024 werd overigens niet op grond van de bestreden bepaling aangenomen. Het is artikel 522, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek dat die bevoegdheid aan de Koning toekent, in zoverre het met name bepaalt dat « de Koning […] het tarief [vaststelt] van alle akten en ambtelijke taken van de gerechtsdeurwaarders ». Artikel 522, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek wordt niet in het verzoekschrift beoogd. Op dat punt heeft de bestreden bepaling niet de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan verlenen. B.15.
  56. Zoals de tussenkomende partijen eveneens opmerken en in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, verleent de bestreden bepaling evenmin aan de minister van Justitie de bevoegdheid om het bedrag van de verlaging van de erelonen te bepalen. Zij machtigt hem ertoe om, naast het bedrag van de solidariteitsbijdrage, « het deel van de aktekost [te bepalen], evenals de handelingen waarvoor door de gerechtsdeurwaarders een tegemoetkoming van het Solidariteitsfonds […] kan worden gevorderd ». De machtigingen aan de minister in de bestreden bepaling hebben enkel betrekking op het bij de gerechtsdeurwaarders georganiseerde solidariteitsmechanisme. De bestreden bepaling heeft op dat punt evenmin de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan verlenen. B.15.
  57. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de toewijzing aan de minister van Justitie van de bevoegdheid om het bedrag van de bijdrage ten laste van de gerechtsdeurwaarders te bepalen (artikel 555/1ter, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek) alsook « het deel van de aktekost, evenals de handelingen waarvoor door de gerechtsdeurwaarders een tegemoetkoming van het Solidariteitsfonds […] kan worden gevorderd » (artikel 555/1ter, § 1, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 20 B.
  58. Een wetgevende machtiging ten gunste van de uitvoerende macht die een aangelegenheid betreft die niet door de Grondwet aan de wetgever is voorbehouden, is niet ongrondwettig. In dat geval maakt de wetgever immers gebruik van de hem door de Grondwetgever verleende vrijheid om in een dergelijke aangelegenheid te beschikken. Het Hof vermag enkel een bepaling af te keuren die de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende macht en de uitvoerende macht regelt, wanneer die bepaling indruist tegen de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten of wanneer de wetgever een categorie van personen het optreden van een democratisch verkozen vergadering, waarin de Grondwet uitdrukkelijk voorziet, ontzegt. B.17.
  59. De verzoekende partijen voeren aan dat de wetgever, wanneer hij het eigendomsrecht of de vrijheid van ondernemen belemmert, zelf de essentiële elementen van het gevoerde beleid moet regelen. B.17.
  60. De bestreden bepaling houdt een inmenging in het eigendomsrecht in, maar geen eigendomsberoving in de zin van artikel 16 van de Grondwet. Anders dan artikel 16 van de Grondwet, dat het bepalen van de gevallen waarin en de wijze waarop een eigendomsberoving kan plaatsvinden in beginsel aan de wetgever zelf voorbehoudt, kent artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, dat de verzoekende partijen niet aanvoeren in het derde middel, geen enkele bevoegdheid toe aan de wetgevende macht. B.17.
  61. Zoals in B.7.3 is vermeld, is de vrijheid van ondernemen niet van toepassing. De verzoekende partijen voeren geen andere aan de wetgever voorbehouden aangelegenheid aan waaronder de bestreden bepaling zou vallen. B.17.
  62. Het eerste onderdeel van het derde middel is niet gegrond. B.
  63. In het tweede onderdeel van het derde middel geven de verzoekende partijen aan dat de toewijzing aan de Koning van de bevoegdheid om de akten te bepalen waarvoor de schuldenaar een verlaging van de aktekosten geniet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 33, 42, 105 en 108 ervan, schendt. 21 Zoals in B.15.1 is vermeld, is het niet de bestreden bepaling, maar artikel 522, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek dat aan de Koning de bevoegdheid toekent om de akten te bepalen waarvoor de schuldenaar een verlaging van de aktekosten geniet. Het tweede onderdeel van het derde middel is niet gegrond. B.19.
  64. In het derde onderdeel van het derde middel doen de verzoekende partijen gelden dat de toewijzing aan de minister van Justitie van de bevoegdheid om het bedrag van de bijdrage ten laste van de gerechtsdeurwaarders en het bedrag van de verlaging van de aktekosten te bepalen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 108 ervan, schendt, aangezien die laatste bepaling de wetgever niet toestaat rechtstreeks bevoegdheden aan een minister te delegeren. B.19.
  65. Artikel 108 van de Grondwet bepaalt : « De Koning maakt de verordeningen en neemt de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen ». B.19.
  66. Zoals in B.15.2 is vermeld, kent de bestreden bepaling aan de minister van Justitie niet de bevoegdheid toe om het bedrag van de verlaging van de erelonen te bepalen. De bestreden bepaling heeft op dat punt niet de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan verlenen. B.19.
  67. Het Hof beperkt dus zijn onderzoek tot de toewijzing aan de minister van Justitie van de bevoegdheid om het bedrag van de bijdrage ten laste van de gerechtsdeurwaarders te bepalen (artikel 555/1ter, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek) en « het deel van de aktekost, evenals de handelingen waarvoor door de gerechtsdeurwaarders een tegemoetkoming van het Solidariteitsfonds […] kan worden gevorderd » (artikel 555/1ter, § 1, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). B.
  68. Zoals in B.16 is vermeld, vermag het Hof enkel een bepaling af te keuren die de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende macht en de uitvoerende macht regelt, wanneer die bepaling indruist tegen de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de federale 22 overheid, de gemeenschappen en de gewesten of wanneer de wetgever een categorie van personen het optreden van een democratisch verkozen vergadering, waarin de Grondwet uitdrukkelijk voorziet, ontzegt. Het Hof kan evenwel ook een middel onderzoeken dat, zoals te dezen, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 108 ervan, in zoverre de wetgever, bij een specifieke bepaling, de bevoegdheid van de Koning om een wet door middel van verordeningen uit te voeren, uitsluit door die bevoegdheid rechtstreeks aan een minister toe te kennen. B.21.
  69. De Raad van State, afdeling wetgeving, heeft met betrekking tot een delegatie, door de wetgever, van een verordenende bevoegdheid aan een minister, opgemerkt : « In dat verband moet er op worden gewezen dat de wetgever op normatief vlak in beginsel geen delegatie vermag toe te kennen aan een minister. Een zodanige bevoegdheid komt krachtens de grondwettelijke beginselen betreffende de uitoefening der staatsmachten toe aan de Koning. Weliswaar is een delegatie aan een minister van bevoegdheden van bijkomstige of detailmatige aard niet onverenigbaar met die beginselen, maar zulks neemt niet weg dat het dan in principe de Koning toekomt om, binnen de grenzen van zijn bevoegdheden, zulk een delegatie te verlenen, en niet de wetgever. Een rechtstreekse delegatie van dergelijke bevoegdheden aan een minister door de wetgever komt immers neer op een ingrijpen van de wetgever in een prerogatief dat toebehoort aan de Koning als hoofd van de federale uitvoerende macht (artikel 37 van de Grondwet). Een dergelijke delegatie zou enkel aanvaardbaar kunnen zijn ingeval objectieve redenen voorhanden zijn die een dringend optreden van de uitvoerende macht vereisen. In het voorliggende geval kunnen zulke redenen bezwaarlijk aanwezig worden geacht. Bijgevolg dient de voormelde delegatie te worden toegekend aan de Koning in plaats van aan de minister » (RvSt, advies nr. 52.128/1 van 25 oktober 2012, punt 22). B.21.
  70. Een rechtstreekse toekenning van een verordenende bevoegdheid, door de wetgever, aan een minister of zijn gemachtigde kan slechts uitzonderlijk worden verantwoord, indien objectieve redenen voorhanden zijn die een dringend optreden van de uitvoerende macht vereisen (zie ook de arresten nrs 109/2022, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.109, B.8.1 en B.8.2, en 33/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.033, B.53.4 en B.53.5). B.22.
  71. Noch het bepalen van het bedrag van de bijdrage van de gerechtsdeurwaarders aan het Solidariteitsfonds (artikel 555/1ter, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), noch het 23 bepalen van « het deel van de aktekost » en « de handelingen waarvoor door de gerechtsdeurwaarders een tegemoetkoming van het Solidariteitsfonds […] kan worden gevorderd » (artikel 555/1ter, § 1, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek) vereisen een dringend optreden van de uitvoerende macht. Het derde onderdeel van het derde middel is gegrond. B.22.
  72. Artikel 555/1ter van het Gerechtelijk Wetboek dient te worden vernietigd, in zoverre het bepaalt dat de minister « het deel van de aktekost [bepaalt], evenals de handelingen waarvoor door de gerechtsdeurwaarders een tegemoetkoming van het Solidariteitsfonds […] kan worden gevorderd » (artikel 555/1ter, § 1, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek), alsook het bedrag van de bijdrage van de gerechtsdeurwaarders aan het Solidariteitsfonds (artikel 555/1ter, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Ten aanzien van het tweede middel B.
  73. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, van de vrijheid van ondernemen en de vrijheid van handel, die met name worden gewaarborgd bij artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, van de vrije keuze van beroepsarbeid gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, en van het eigendomsrecht dat met name wordt gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. B.24.
  74. De Ministerraad en de tussenkomende partijen doen gelden dat het tweede middel onontvankelijk is in zoverre het artikel 22 van de Grondwet beoogt, aangezien de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht de bestreden bepaling afbreuk zou doen aan het recht op eerbiediging van het privéleven. B.24.
  75. De verzoekende partijen doen gelden dat de bijdrage aan het Solidariteitsfonds die de bestreden bepaling ten laste legt van de gerechtsdeurwaarders, hun recht op de vrije keuze van beroepsarbeid belemmert. In die context leggen zij uit dat het recht op eerbiediging van het privéleven nauw samenhangt met de vrije keuze van beroepsarbeid, aangezien het in het kader 24 van hun werk is dat tal van personen de kans hebben om hun banden met de buitenwereld aan te halen. B.24.
  76. Net als artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voorziet artikel 22 van de Grondwet in het recht van ieder « op eerbiediging van zijn privé-leven ». De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.24.
  77. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens verleent geen enkel algemeen recht op een betrekking, noch enig recht op toegang tot het openbaar ambt of op de keuze voor een specifiek beroep (EHRM, grote kamer, 25 september 2018, Denisov t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2018:0925JUD007663911, § 100; 24 oktober 2023, Pająk e.a. t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2023:1024JUD002522618, § 208). Het « privéleven » in de zin van die bepaling kan evenwel beroepsactiviteiten inhouden. Een beperking van het beroepsleven kan een inmenging in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het privéleven vormen, indien die beperking gevolgen heeft voor de wijze waarop de betrokkene zijn sociale identiteit ontplooit door relaties met anderen op te bouwen, gelet op het feit dat de meeste mensen binnen de context van hun werk veel – en zelfs de meeste – kansen hebben om hun banden met de buitenwereld aan te halen (EHRM, grote kamer, 12 juni 2014, Fernández Martínez t. Spanje, ECLI:CE:ECHR:2014:0612JUD005603007, § 110; 27 juni 2017, Jankauskas t. Litouwen (nr. 2), ECLI:CE:ECHR:2017:0627JUD005044609, §§ 56 en 57; grote kamer, 5 september 2017, Bărbulescu t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2017:0905JUD006149608, §§ 70 en 71; 21 maart 2023, Telek e.a. t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2023:0321JUD006676317, § 109). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat uit van twee mogelijke benaderingen om te bepalen of beperkingen van de uitoefening van een beroepsactiviteit onder het begrip 25 « privéleven » vallen. De ene benadering is gebaseerd op de redenen voor de betwiste maatregel, waarbij in essentie wordt nagegaan of die maatregel werd genomen op grond van elementen die zich hebben voorgedaan in het privéleven van de betrokkene; de andere benadering is gebaseerd op de gevolgen van de maatregel, waarbij rekening wordt gehouden met de impact van de maatregel op het privéleven van de betrokkene. Wat die laatste benadering betreft, is met name vereist dat een minimale ernstdrempel wordt bereikt : artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is slechts van toepassing indien wordt aangetoond dat de gevolgen van de maatregel zeer ernstig zijn en in bijzonder aanzienlijke mate raken aan het privéleven van de betrokkene (EHRM, grote kamer, 25 september 2018, voormeld, §§ 100 tot 117; 22 september 2021, Ballıktaş Bingöllü t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2021:0622JUD007673012, punt 57; 14 december 2022, Gražulevičiūtė t. Litouwen, ECLI:CE:ECHR:2021:1214JUD005317617, punten 97 tot 99). B.24.
  78. Er kan redelijkerwijze niet worden aangenomen dat de gevolgen van het opleggen, als dusdanig, van de betwiste solidariteitsbijdrage dermate ernstig zijn voor de gerechtsdeurwaarders dat de in B.24.4 bedoelde van minimale ernstdrempel wordt bereikt. De verzoekende partijen tonen niet aan dat een dergelijke bijdrage de uitoefening, door de gerechtsdeurwaarders, van hun beroep in het gedrang zou kunnen brengen, te meer daar die bijdrage precies als doelstelling heeft een tegemoetkoming te bieden aan de gerechtsdeurwaarders die, zoals is vermeld in B.2.3, het meest getroffen zijn door de bij koninklijk besluit opgelegde verlaging van de erelonen. De bestreden bepaling valt bijgevolg niet onder het toepassingsgebied van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In zoverre het middel is afgeleid uit de schending van die grondwets- en verdragsbepaling, is het onontvankelijk. B.
  79. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en tegen elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea). 26 Dat artikel doet geen afbreuk aan het recht dat een Staat heeft om die wetten uit te vaardigen welke hij noodzakelijk acht om toezicht uit te oefenen op het gebruik van de eigendom in overeenstemming met het algemeen belang. De inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom is enkel verenigbaar met dat recht indien ze een redelijk verband van evenredigheid heeft met het nagestreefde doel, dit wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. De lidstaten beschikken ter zake over een grote beoordelingsvrijheid (EHRM, 2 juli 2013, R.Sz. t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0702JUD004183811, § 38). B.
  80. Artikel 23, eerste en tweede lid en derde lid, 1°, van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : 1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen ». B.
  81. Die bepaling preciseert niet wat die rechten, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, aangezien elke wetgever die rechten moet waarborgen, overeenkomstig artikel 23, tweede lid, « rekening houdend met de overeenkomstige plichten ». De bevoegde wetgever kan derhalve beperkingen stellen aan het recht op arbeid en aan de vrije keuze van beroepsarbeid. Die beperkingen zouden enkel ongrondwettig zijn indien de wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert, zonder redelijke verantwoording. B.
  82. Om de in B.7.3 uiteengezette redenen is de vrijheid van ondernemen niet van toepassing. B.
  83. Het tweede middel bestaat uit drie onderdelen. 27 In het eerste onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de bijdrage aan het Solidariteitsfonds die de bestreden bepaling ten laste legt van de gerechtsdeurwaarders, een zware bijkomende financiële last vormt, die tot gevolg heeft dat het recht van de gerechtsdeurwaarders om vrij een beroepsarbeid te kiezen wordt belemmerd en hun eigendomsrecht wordt aangetast. B.
  84. Artikel 555/1ter van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de bestreden bepaling, bepaalt, in paragraaf 3 ervan, dat het Solidariteitsfonds « wordt gevoed door een bijdrage van de gerechtsdeurwaarders voor elke betekende akte », zonder het bedrag ervan te bepalen. De minister van Justitie dient dat bedrag te bepalen, na advies van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders. Het Hof heeft in B.20 tot B.22.2 reeds de geldigheid van die delegatie onderzocht in het licht van de bepalingen die de verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht regelen. Artikel 3 van het ministerieel besluit van 30 september 2024 « houdende de vaststelling van de financiële tussenkomst van het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders en houdende de vaststelling van de bijdragen aan het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, bedoeld in artikel 555/1ter van het Gerechtelijk Wetboek » (hierna : het ministerieel besluit van 30 september 2024) stelt dat bedrag vast op 12,50 euro voor elke akte in burgerlijke en handelszaken en op 1,00 euro voor akten waarvoor de verzoeker rechtsbijstand geniet. B.31.
  85. Wanneer een wetgever een machtiging verleent, dient te worden aangenomen – behoudens aanwijzingen in de tegenovergestelde zin – dat hij de gemachtigde enkel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met de Grondwet. B.31.
  86. De oorsprong van een eventuele ongrondwettigheid met betrekking tot het aangevoerde buitensporige karakter van het bedrag van de bijdrage is dus niet gelegen in de bestreden bepaling. Enkel het principe van die bijdrage kan bijgevolg onder het toezicht van het Hof vallen. 28 B.32.
  87. De wetgever beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid in sociaaleconomische aangelegenheden. Wanneer hij, in het kader van een hervorming van het gerechtsdeurwaarderstarief met het oog op de bestrijding van overmatige schuldenlast, een solidariteitsmechanisme invoert om een bij koninklijk besluit bepaalde verlaging van erelonen te compenseren, valt het onder zijn beoordelingsvrijheid om de wijze van financiering van dat solidariteitsmechanisme te bepalen. Het Hof vermag de daarbij gemaakte beleidskeuzes en de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. B.32.
  88. Het doen betalen van een solidariteitsbijdrage door alle gerechtsdeurwaarders is pertinent in het licht van de doelstelling van algemeen belang van de wetgever om onder de gerechtsdeurwaarders een solidariteitsstelsel te organiseren teneinde te voorkomen dat slechts sommigen onder hen de door de Koning bepaalde verlaging van erelonen dragen. B.32.
  89. Het opleggen van een solidariteitsbijdrage als dusdanig kan niet onevenredig zijn met die doelstelling, noch het billijke evenwicht verbreken tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het eigendomsrecht van de gerechtsdeurwaarders. Enkel een te hoog bedrag zou dat evenwicht kunnen verstoren. Het opleggen van een solidariteitsbijdrage als dusdanig, kan evenmin een aanzienlijke vermindering met zich meebrengen van het beschermingsniveau van het recht dat de gerechtsdeurwaarders genieten om vrij een beroepsarbeid te kiezen. Zij verhindert hen immers niet om dat beroep te kunnen uitoefenen, noch om de door en krachtens het Gerechtelijk Wetboek bepaalde erelonen te ontvangen. De bestreden bepaling schendt bijgevolg noch het eigendomsrecht van de gerechtsdeurwaarders, noch hun recht op de vrije keuze van beroepsarbeid. B.
  90. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. B.
  91. De verzoekende partijen voeren in het tweede onderdeel aan dat de bijdrage aan het Solidariteitsfonds en het verbod om de kostprijs ervan op de rechtsonderhorige af te wentelen een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen de gerechtsdeurwaarders die 29 alleen instaan voor de kostprijs van de tegemoetkoming van het Solidariteitsfonds ten voordele van de betrokken schuldenaars, en de rechtsonderhorigen die geenszins de kosten ervan dragen. B.
  92. In tegenstelling tot wat de tussenkomende partijen aanvoeren, ligt de bestreden bepaling wel degelijk aan de oorsprong van de grondregel volgens welke de gerechtsdeurwaarders gezamenlijk de verlaging van erelonen waarin de Koning voorziet ter bestrijding van overmatige schuldenlast, moeten dragen. Het is immers die bepaling die erin voorziet dat het Solidariteitsfonds de door die verlaging van erelonen getroffen gerechtsdeurwaarders ondersteunt en dat dat Fonds wordt gevoed door een bijdrage van de gerechtsdeurwaarders. B.
  93. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.37.
  94. De gerechtsdeurwaarders en de rechtsonderhorigen zijn vergelijkbare categorieën van personen in het licht van de vraag welk deel van de bevolking de kosten van een sociale maatregel moet dragen, te dezen de verlaging van de erelonen van de gerechtsdeurwaarders. B.37.
  95. Het verschil in behandeling dat in de bestreden bepaling wordt gemaakt tussen gerechtsdeurwaarders en rechtsonderhorigen berust op een objectief criterium. Dat criterium is eveneens pertinent in het licht van de algemene doelstelling van de hervorming in het kader waarvan die bepaling past, namelijk de bestrijding van overmatige schuldenlast. Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid waarover hij beschikt in 30 sociaaleconomische aangelegenheden, zoals in B.32.1 is vermeld, vermocht de wetgever redelijkerwijs ervoor te kiezen om de door de bestreden bepaling ingevoerde solidariteit te beperken tot de leden van de betrokken beroepsgroep, die overigens in het algemeen hun gewone inkomsten halen uit akten tot invordering van schulden. B.37.
  96. Tot slot, zoals in B.32.3 is vermeld, heeft de door de bestreden bepaling bedoelde bijdrage geen onevenredige gevolgen voor de gerechtsdeurwaarders. B.
  97. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. B.
  98. De verzoekende partijen doen in het derde onderdeel gelden dat de vrijstelling van een deel van de gerechtsdeurwaarderskosten voor bepaalde schuldenaars een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan onder schuldenaars. B.
  99. De bestreden bepaling voorziet enkel erin dat het Solidariteitsfonds « de gerechtsdeurwaarders ondersteunt om te kunnen voldoen aan het toe te passen tarief inzake specifiek door de Koning aangeduide vorderingen en procedures ». Zoals in B.2.2 is vermeld, bepaalt artikel 6, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 1976, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 mei 2024, de akten waarvoor de erelonen worden verlaagd. Het aangevoerde verschil in behandeling vindt niet zijn oorsprong in de bestreden bepaling, maar in een reglementaire norm, die niet tot de toetsingsbevoegdheid van het Hof behoort. B.
  100. Het derde onderdeel van het tweede middel is onontvankelijk. Ten aanzien van het vierde middel B.
  101. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16, 22, 23 en 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van vereniging, met het eigendomsrecht, met de vrijheid van ondernemen en met het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid, in zoverre de bestreden bepaling, door niet te voorzien in de mutualisering van de bijdrage aan het Solidariteitsfonds voor gerechtsdeurwaarders die hun ambt in een associatie 31 uitoefenen, een discriminatie doet ontstaan, enerzijds, tussen gerechtsdeurwaarders die hun ambt als natuurlijke persoon uitoefenen en gerechtsdeurwaarders die hun ambt in een associatie uitoefenen en, anderzijds, tussen gerechtsdeurwaarders en notarissen. B.
  102. Zoals de Ministerraad en de tussenkomende partijen opmerken, zetten de verzoekende partijen in het vierde middel niet uiteen in welk opzicht afbreuk zou worden gedaan aan de artikelen 16 en 22 van de Grondwet of aan het eigendomsrecht. Het derde middel is onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 16 en 22 van de Grondwet. B.
  103. Om de in B.7.3 uiteengezette redenen is de vrijheid van ondernemen niet van toepassing. B.
  104. De bestreden bepaling stelt dat het Solidariteitsfonds « wordt gevoed door een bijdrage van de gerechtsdeurwaarders voor elke betekende akte ». B.46.
  105. Wat betreft de aangevoerde discriminatie tussen gerechtsdeurwaarders die hun ambt als natuurlijke persoon uitoefenen en gerechtsdeurwaarders die hun ambt in een associatie uitoefenen, dient te worden vastgesteld dat die twee categorieën van personen op dezelfde wijze worden behandeld door de bestreden bepaling : de gerechtsdeurwaarders die hun ambt als natuurlijke persoon uitoefenen en zij die dat doen in een associatie zijn allen een bijdrage verschuldigd voor elke betekende akte. Het aangevoerde verschil in behandeling bestaat niet. B.46.
  106. Indien het vierde middel van de verzoekende partijen in die zin zou moeten worden begrepen dat het een discriminatie instelt tussen die twee categorieën van personen omdat zij op dezelfde wijze zouden worden behandeld terwijl zij zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, zou het onontvankelijk zijn, aangezien niet wordt uiteengezet in welk opzicht de bestreden bepaling discriminerend is. Het middel zet aldus niet uiteen waarom de twee aangevoerde categorieën van personen zich in verschillende situaties bevinden in het licht van de verplichting om een bijdrage aan het Solidariteitsfonds te betalen. B.47.
  107. Wat betreft de aangevoerde discriminatie tussen gerechtsdeurwaarders en notarissen, bepaalt artikel 117, §4, van de wet van 16 maart 1803 dat het notarieel fonds « wordt 32 gevoed door een jaarlijkse bijdrage van alle notarissen-titularis die hun notariële activiteit als natuurlijke persoon uitoefenen en van elke professionele notarisvennootschap ten belope van 0,25 % van het gemiddeld omzetcijfer van de laatste drie boekjaren van het kantoor of de kantoren ». Die bepaling houdt, in tegenstelling tot de bestreden bepaling, specifiek rekening met de situatie waarin de notarissen, alleen of in associatie, hun ambt uitoefenen in een vennootschap. In dat geval is niet de notaris-titularis als natuurlijke persoon, maar de notarisvennootschap de bijdrage, berekend op basis van het gemiddelde omzetcijfer, aan het solidariteitsfonds verschuldigd. B.47.
  108. De gerechtsdeurwaarders en de notarissen oefenen wezenlijk verschillende ambten uit, waarbij zij over onderscheiden exclusieve bevoegdheden beschikken. Terwijl de notarissen in hoofdzaak instaan voor de opmaak van bepaalde juridische akten in welomschreven materies, verlenen gerechtsdeurwaarders hun medewerking aan de uitvoering van de openbare dienstverlening van justitie. Elk van die beroepsgroepen is onderworpen aan een verschillend wetgevend kader. Weliswaar heeft de wetgever het noodzakelijk geacht voor zowel de gerechtsdeurwaarders als de notarissen een solidariteitsfonds op te richten dat onder meer als opdracht heeft tegemoetkomingen te verstrekken voor bepaalde verminderingen van de erelonen. De voormelde verschillen tussen de beide beroepsgroepen kunnen echter verantwoorden dat naast de opdrachten en de organisatie van de beide fondsen, ook de wijze verschilt waarop elk van die fondsen wordt gefinancierd. Er kan worden aanvaard dat, bij een nadere vergelijking van de respectieve bijdrageverplichtingen waaraan de gerechtsdeurwaarders en de notarissen zijn onderworpen, verschillen in behandeling aan het licht komen, nu eens in de ene zin, dan weer in de andere, onder voorbehoud dat elk van de in het geding zijnde regels dient overeen te stemmen met de logica van het systeem waarvan die regel deel uitmaakt. Aldus is het niet onredelijk dat de door de gerechtsdeurwaarders verschuldigde bijdrage wordt vastgesteld in functie van het aantal betekende aktes, terwijl de door de notarissen verschuldigde bijdrage wordt vastgesteld op basis van het gemiddelde omzetcijfer, hetgeen met zich meebrengt dat voor de gerechtsdeurwaarders de berekeningswijze dezelfde is, ongeacht of de gerechtsdeurwaarder zijn ambt uitoefent in een associatie en/of in een vennootschap, dan 33 wel als natuurlijke persoon. De verzoekende partijen tonen niet aan dat het gebrek aan een specifieke wettelijke regeling voor gerechtsdeurwaardersassociaties of -vennootschappen op zich een buitensporige financiële last met zich zou kunnen meebrengen voor de betrokken gerechtsdeurwaarders. Overigens staat de bestreden bepaling niet eraan in de weg dat de bijdrage aan het solidariteitsfonds ten laste wordt genomen door een gerechtsdeurwaardersvennootschap, dan wel dat geassocieerde gerechtsdeurwaarders onderlinge afspraken zouden maken teneinde de financiële last van hun individuele bijdragen onderling te herverdelen. B.
  109. Om dezelfde redenen wordt niet aangetoond dat de bestreden bepaling in strijd is met de vrijheid van vereniging van de gerechtsdeurwaarders of met hun recht op om vrij een beroepsarbeid te kiezen. B.
  110. Het vierde middel is gedeeltelijk onontvankelijk, en niet gegrond voor het overige. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.
  111. Met toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 en rekening houdend met de rechtsonzekerheid die zou voortvloeien uit het feit dat een wettelijke grondslag ontbreekt van de bevoegdheid van het ministerieel besluit van 30 september 2024, dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling zoals aangegeven in het dictum, te worden gehandhaafd. 34 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 555/1ter, § 1, vierde lid, en § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 60 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II », in zoverre het de minister van Justitie rechtstreeks machtigt om « het deel van de aktekost [te bepalen], evenals de handelingen waarvoor door de gerechtsdeurwaarders een tegemoetkoming van het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders kan worden gevorderd », alsook om het bedrag te bepalen van de bijdrage van de gerechtsdeurwaarders aan het voormelde Fonds voor elke betekende akte; - handhaaft tot uiterlijk 31 juli 2026 de gevolgen van de vernietigde bepaling; - verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 februari
  112. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.020 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.109 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.033 ECLI:CE:ECHR:2004:0622JUD003144396 ECLI:CE:ECHR:2012:1025JUD007124301 ECLI:CE:ECHR:2013:0702JUD004183811 ECLI:CE:ECHR:2014:0612JUD005603007 ECLI:CE:ECHR:2017:0627JUD005044609 ECLI:CE:ECHR:2017:0905JUD006149608 ECLI:CE:ECHR:2017:0905JUD007811713 ECLI:CE:ECHR:2018:0925JUD007663911 ECLI:CE:ECHR:2021:0622JUD007673012 ECLI:CE:ECHR:2021:1214JUD005317617 ECLI:CE:ECHR:2023:0321JUD006676317 ECLI:CE:ECHR:2023:1024JUD002522618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.